VEREERDERS EN HATERS VAN NAPOLEON.
Reading edition

Het garnizoensleven te Valence kende ook een guitig-mondain luitenantje Napoleon. Zonderling in strijd met zijn disciplinaire soberheid en stroeve onthouding van alle dartele genoegens. Zonderling... toch meer, schijnbaar in strijd. Ook hij kon de pleizier-vlaggetjes laten wapperen, als zijn schalksche aard er hem toe dreef. Hier staat vóór u, de door-vier-spelden heengetrokken dansmeester Dautel te Valence. Hij leert den krijgers van het garnizoen hun marschpassen omzetten in danspassen. Een parfum-wolkje omzoet zijn keurige gestalte. Hij drilt en sart de luidruchtige sabelgrijpers met drie- en vierkwartsmaten en besprenkelt hen met het reukwater zijner hoofsche salon-bevalligheid. Ook Napoleon. Want Napoleon nam dansles. Den salon van mevrouw Du Colombier doorzwierde hij slechts in walstempo. En Caroline, de dochter, wentelt hij mee.
En indien Napoleon door zijn heroïeken aard van een legende vaak een stoute werkelijkheid waagde te maken, de verbijsterde tijdgenooten vervormden andersom zijn werkelijkheid nog vaker tot een legende. Want er klinkt allerlei verdacht gemompel rond zijn levenslustige bezoeken aan den salon van madame Du Colombier. De groote Stendhal, de scherpzichtigste auteur-tijdgenoot van Napoleon, die zijn geheel onvoltooid gebleven Vie de Napoléon schreef, merkt op: „Napoléon, à vingt-un ou vingt-deux ans, devait être fort différent de ce que à Paris on appelle un jeune homme aimable, et son bonheur fut grand d'être goûté par madame du Colombier.”*) (Vie de Napoléon, fragments, par De Stendhal, pag. 27.)
Bonaparte had toendertijd al ontzettend veel gelezen. Zijn geest werkte levendig en energiek. Dadelijk omgloorde hem roem. Stendhal verklaart: „A Valence, il fut aussitôt remarqué, il plut aux femmes par des ideés neuves et fières, par des raisonnements audacieux. Les hommes redoutaient sa logique et les discussions auxquelles la connaissance de sa propre force l'entraînaient facilement.”*) (Vie de Napoléon, pag. 27.)
Ook zoo moet men zich wennen Napoleon te zien. Als een zeldzaam beminlijk harten-veroveraar van geestige vrouwen, die met fijn-literair esprit, de beeldende macht van zijn schilderend en soms vlijmend woord konden schatten. Geen bouwmeester van diepzinnige gedachten-tempels die koel-donkere wandelingen toelaat in de ondergrondsche gangen van verheven-rustig gepeins,.... slechts een vormkneder van het suggestieve, alle levens-acties saamvattende woord, gebruiker van een snel-aangrijpende, overrompelende taal, zinnen en expressies die voorbij vliegen als karabijnschoten, beleedigend, uitdagend, jubelend, of brandend uiteenspatten als granaten. Napoleon manoeuvreerde en vocht.... ook met zijn taal. Hij is de schrik voor alle schetteraars. Door niemand werd zoo op heeterdaad de bedoeling in, de levende daad áchter een woord, een zin betrapt, als door hem. Alle uitingsvormen kon hij dulden: redekunstigheid in de meest broze dialectiseeringen, lyriek, in haar brandende hevigheid, dramatiek en epiek in hun meest grandioos gebaar, als er maar een geweldig of echt Ik doorheen leefde. Want deze zelfde stroeve en ongenaakbare heerschzuchtige en heerscher leek mij altijd een romanticus van het zuiverste gehalte. Met al zijn wiskunde, zijn landkaarten, zijn krijgsgerucht, zijn nuchter-snijdende mensch-psychologie, is hij gegrepen door het grootsche, siddert en huivert hij voor edelmoedige daden en menschelijke liefde. Dit beweren zou ik onweerlegbaar kunnen waarmaken door een ontleding van zijn geschrift, dienende als antwoord op de prijsvraag van de Lyonsche academie: „Déterminer les vérités et les sentiments qu'il importe le plus d'inculquer aux hommes pour leur bonheur.”*)
Ik heb nog nimmer een zuiver-psychologische ontleding, juist van dit allermerkwaardigst jeugdgeschrift van Napoleon, gelezen. Er is een romantische Faust-wroeging in den lateren keizer als hij dit Discours hervindt. Zelfs Stendhal, de karakter-doorgronder bij uitnemendheid, verzuimde in zijn fragment-boek, op den jongen, stouten gedachten-omwoeler een operatie te doen. Brandde hij zich aan den gloed der vuur-zee? Lanfrey in zijn groot werk over Napoleon waagde het althans te omschrijven van zijn standpunt uit.... doch zijn standpunt lijkt me onnoozel. „D'après la façon dont il traita ce sujet, et malgré l'enthousiasme qu'il y dépensa, il est permis de conclure qu'il n'avait aucune vocation pour le métier de moraliste.”*)
Zoo spot lichtelijk Lanfrey (Tome premier, Histoire de Napoléon I, pag. 20). En toch, juist de woeste levendigheid van dit Discours is zoo zeer onthullend voor vele verborgen gehouden en gesmoorde gevoelens van Napoleon, tegelijkertijd schender en bezinger van menschelijke vrijheid. Hebt ge ooit een vurig dweper met de onstuimige en meesleepende lyriek van Rousseau, Nietzschiaanscher grondstellingen hooren verkondigen en wilder duikelingen zien doen over alle moraalheggen en -hindernissen heen? Met dorpelingen-inzichten, eeuwen ten achter in de kennis der ethische literatuur, stompt hij de gestalte van Plato op zij, trapt Aristoteles op de teenen, en richt hij zijn artillerie-geschut op de gansche menschheid. Een Italiaansch barbaar uit de middeleeuwen, plotseling met levens-adem doorzwollen, een wilde weetniet, zonder eenig besef van de klassieke wijsbegeerte, gebaart hij met de schrikkelijke spier-armen van een Michel Angelo-beeld. En toch, wat een vuur, wat een snel denkbeelden lichtend doen uitslaan en weer verdonkeren met het zoekende begrips-woord. Wat een durf, een gang, een stout tarten en dreigen van den oproerigen, onderzoekenden geest. In zwavelig glanzen phosphoriseert om hem de duivelsgedachte, de echte, alle hoogere leven inslurpende Mephisto-conceptie: leef en heersch, kracht en genot is alles.
Later, als keizer, verbrandde hij dit geschrift. Alsof ooit vuur met vuur vernietigd werd. Het was een sluwe en snerpende hatelijkheid van Talleyrand, juist dit Discours terug te vinden op het moment van Bonaparte's hoogste maatschappelijke macht. Zooals dit stuk venijn en wrang vernuft het verstond Napoleon tegen den angel te drukken, waagde het niemand. Een werelddroom doorleefde Napoleon toen reeds met een stijgerende verbeeldings-romantiek.—Al weer blijkt de verbijsterende samengesteldheid van zijn wezen, al is ieder onderdeel door één structuurlijn vastgeschakeld. Van alle kanten druischt het gerucht van den waterval op ons aan. En toch één stroom, één massa geraasmakend leven. De samengestelde ziels-staten van Bonaparte brengen de meeste beoordeelaars op een dooreengeward spoor. Ze zien vooral de vernielende en vernietigende wanorde van een grootsch gedrocht, in de rijen der worstelende menschheid op de eerste plaats geschoven. Eén groep roept u toe: Napoleon is een man, geheel zonder liefde, van steen en ijzer, kil als een gewelf, en somber als een melancholieke, Italiaansche bandiet. Napoleon haatte alle ideologie, alle beschaving, alle vrijheidsgevoelens. Al zijn wijsheid is gestolen geestesgoed van anderen. Hij pronkte gewetenloos met al de hem toegestopte kennis van in dienst genomen en beëxploiteerde geleerden, die hij omkocht met geld en machtsposities. Goedsmoeds aanvaardde hij de lauweren die zijn stouten generaals om hun dapperheid toekwamen. Lanfrey noemt hem een onbeteekenend staatsman, een zeer slecht diplomaat, een volslagen onbekwaam wetgever, een charletanachtig redenaar, als zedelijke persoonlijkheid een monster, een weerzinwekkend misdadiger zonder weerga. Alleen als veldheer een genie. Een allicht nog feller vonnis spreekt Taine uit. Weerzinwekkend eenzijdig, paradoxaal en psychologisch uiterst zwak.
Het meest schennende vonnis sprak echter Goldsmith.
„Jamais créature humaine n'a réuni en soi autant de cruauté, de tyrannie, de pétulance, de luxure, de sale débauche, d'avarice, que ce Napoléon. La nature n'avait pas encore produit un être aussi effroyable.”*) Ziedaar een lieflijke zinsnede van dezen kuischen Brit, die mij de walgelijkste kwaadspreker van zijn tijd toeschijnt. Hij lastert kwaadsappig en boosaardig als een wrokkige en inhalige baker bij burgermenschen, die niet genoeg verval heeft gekregen. Want ditzelfde giftige venijnspuwertje zegt van Diderot, in ditzelfde boek: „Diderot, fils d'un coutelier, était un homme très immoral, et a publié des ouvrages licencieux.”*) En van Rousseau:
„Rousseau était généralement connu en France pour le plus vil des hommes: dans ses infâmes Confessions”*) etc. Zoo gaan er aan: Voltaire, Helvetius, Abt Morellet, D'Alembert, enz.
Volgens dit kwaadsprekend gedrochtje deed Napoleon in ieder zijner gewoonten Frederik de Groote na. Bonaparte geloofde volgens hem meer aan kaartlegsters en waarzegsters dan aan den Bijbel. „Deze goddelooze veinsaard,” zegt hij, „voudrait singer Frédéric-le-Grand; il affecte de porter la tête comme Frédéric, il porte du tabac dans la poche de sa veste, comme Frédéric. Il a appris à danser, parce que Louis XIV dansait. Aussitôt qu'il fut parvenu au consulat, il se mit à chasser; il n'avait jamais chassé de sa vie; il devint chasseur pour imiter les rois de France.”*)
De gif-tong nog vuriger strekkend verhaalt hij:
„On a prétendu que ce grand homme d'état, ce grand capitaine, ce grand philosophe, était ennemi de la débauche, exempt même des faiblesses qu'on peut reprocher à quelques grands hommes. Il a deux goûts qui se trouvent rarement réunis dans le même homme; il est dissolu avec les femmes, et il s'est montré adonné au vice dont on a faussement accusé Socrate. Son archi-chancelier Cambacérès le seconde merveilleusement dans ce penchant honteux! Je ne serais pas étonné que pour imiter Néron en tout, il n'épousât un jour un de ses pages et un de ses Mamelouks. Sans respect pour la décence, l'inceste même ne paraît pas devoir être déguisé; il a vécu publiquement avec ses deux soeurs mesdames, Murat et Borghèse; la première s'en vantait à tout le monde. On sait assez que madame Louis Bonaparté, fille de Joséphine, étant devenu grosse de Napoléon, celui-ci força son frère a l'épouser; il n'est pas moins certain que ce même Napoléon est le père d'un autre enfant dont la dame accoucha, il y a environ dix-huit mois.”*)
Dit aasgiertje der historie en der schande-kroniek voedt zich met vunze en scabreuse anecdoten, hier en daar door vinnig-lasterende vijanden van Bonaparte rondgestrooid. Telkens krijscht zijn dikklinkende papegaaien-stem: „Ziedaar de wellustige moordenaar Napoleon.” En als zijn walgelijke en onwelriekende adem over allerlei historisch gebeuren is heengewalmd, en slechts enkele dingen er van onbeslagen bleven, dan foetert hij tegen den onwijzigbaren gang der feiten zelve.
Zijn boek is geschreven in de hoogeschool der babbelende boosaardigheid. De verteltoon is van een woekeraar die de noodgeheimen van zijn hooge klantjes in wraakzuchtige en laaghartige woede onthult en verklapt. Het is de apotheose der kleine, vervalschende, gniepige schotschriften-durf, die zijn achterklap ontleent aan gekrenkte zielen. De wrokkende vinnigheid, de zure, baldadige schimp, het verontwaardigde pathos... zij walmen ons vlak in 't gezicht, achter het besmoezelde en vuile loketjes-raampje van een pandjeshuishouder uit. En toch heeft het machtelooze gestotter van dit kroniekschrijverke door een valschen schijn van documentatie, vele menschen er argeloos doen inloopen. Hij leefde in de duisternis en de troebele schampglanzen der zaakwaarnemers-cabinetjes; vlak nabij het hof. Hij luisterde aan keukendeuren en loerde door alcove-sleutelgaten. Een gast met spionnen-ziel, een hongerige visch, de gulzige bek vol vraat. In alles verkrachtte hij de natuur en den zuiveren gang der dingen, verwrong ze door zijn galgelen nijd en zijn zieke babbelzucht. Met de morsige handen nog besmet van het vuil der afbraak, roerde hij op weerzinwekkende wijze in het particulier leven van Napoleon, en.... men luisterde in gulzigen honger naar kwaadaardig schandaal. Het allereenvoudigste psychologisch begrip van Napoleon's genie ontbrak hem en toch keurde men, naar zijn aangestoken woorden.
Ook Taine, de groote werker, verhaalt anecdotair, als hij het psychologisch heeft over Napoleon's hartstochten:
„Elles reparaissent dans ce grand survivant du XVe siècle, le jeu de la mochine nerveuse est pareil chez lui en chez ses ancitre italiens; il n'y eut jamais, même chez les Malatesta et les Borgia, de cerveau plus sentitif et plus impulsif capable de telles charges et décharges électriques, en qui l'orage intérieur fût plus continu et plus grondaut, plus sondain en éclairs et plus irrésistible en choses. Chez lui, aucune idée ne demeure spéculative et pure; aucune n'est une simple copie du réel ou un simple tableau du possible; chacune est une secousse interne qui, spontanément et tout de suite tend à se transformes en acte; chacune s'élance et se précipite vers son terme, et y aboutirait sans intervalle, si elle n'était contenue et réprimée de force. Parfois l'éruption est si prompte que la répression n'arrive poisit à temps.”*)
En als voorbeeld deze anecdote:
„Un jour, en Egypte, ayant à diner plusieurs dames françaises, il a fait asseoir à ses côtés une jolie personne dont il vient de renvoyer le mari en France; subitement, il renverse sur elle une carafe d'eau, comme par mégarde, et sous prétexte de réparer les desordre de la toilette mouillée, il l'entraîne avec lui dans son appartement, il y reste avec elle longtemps, trop longtemps, tandis que les convives, assis à table autour du diner suspendu, attendent et se regardent.”*)
En of het niet genoeg is, dadelijk er op volgend:
„Un autre jour, à Paris, vers l'époque du Concordat, il dit au sénateur Volney: „La France veut une religion.” Volney séchement et librement, lui riposte: „La France veut les Bourbons.” Sur quoi, il lance à Volney un tel coup de pied dans le ventre, que celui-ci tombe sans connaissance et que, transporté chez un ami, il y reste malade, au lit, pendant plusieurs jours.”*)
Dit laatste gebeuren, ontleent Taine aan Bodin en eene „Causerie du Lundi” van Sainte Beuve over Volney, zie pag. 53 en 54 van Les Origines de la France Contemporaine.
Ook Lévy wijst op dit geval. Hij citeert niet het stuk van Taine, dat ik hier geef. Slechts wijst hij op het oordeel. En hoe! Stakkerige, toch eminente Taine, zegt hij, die met al zijn historische geleerdheid niet verder kan komen, dan tot 't geven van zorgvuldig gekozen aanhalingen uit de gedenkschriften van mevrouw De Rémusat, en enkele uittreksels uit het werk van madame De Stael.
„N'est ce pas une pauvreté que de voir la philosophie de l'historie prendre en considération les commérages de deux bas bleus, l'un et l'autre incapables de jamais pardonner les mécomptes cuisants de leur vanité féminine?
Déchirer à belles dents l'homme qui vous éconduisit, c'est pour le sexe faible la revanche banale et inévitable des rêves pareils à ceux de Mme de Staël,—froidement repoussée, alors qu'elle s'était enflammée au mirage de rejouer les grandes favorites d'autrefois,—comme ce devait être la conséquence du séjour de Mme de Rémusat avec l'Empereur aux Pont-de-Briques, où elle croyait avoir acquis sur lui une haute influence. Si ce n'est pas une profonde déception, comment expliquer, à la fois, les horreurs débitées dans les mémoires, et l'enthousiasme ou, pour mieux dire, le fétichisme que Napoléon inspirait à Mme de Rémusat après les longues soirées passées jadis en tête-à-tête?”*) (Levy, Napoléon Intime, pag. 386.)
Verder wijst Levy er op hoe vaak geschiedschrijvers klakkeloos z.g. opzienbarende feiten elkaar hebben nageschreven, zonder eenig persoonlijk onderzoek, terwijl later de malle fantasterij er van bleek. Levy zegt: zeker, Napoleon kon, gelijk alle personen door gewichtige zaken in beslag genomen wel eens ongeduldig zijn. Maar was zijn drift-uitbarsting dan zoo ruw:
„On invoque trois auteurs pour appuyer cette histoire. (de zaak Volney. Q.) Un peu de méfiance est cependant permise quand on constate que ces trois auteurs (op wie Taine zich beroept, Q.) ne constituent, en réalité, qu'un seul conteur.—
En effet. Bodin dit tenir le faìt de Besnard, et Sainte-Beuve s'en réfère à Bodin.
Donc, l'anecdote du fameux coup de pied repose uniquement sur l'affirmation de Besnard le nonagénaire.—
A coté de présomptions et de preuves fragiles, il existe un fait patent qui, à tout le moins, prouverait que Volney, esprit distingué, n'avait pas de rancune et avait reçu autre chose que des coups de pied: il garda son siège de sénateur, puis il fut bientôt doté et blasonné; à la chute de l'Empire, il était sénateur, comte et commandeur de la Légion d'honneur.”—*)
Hoeveel onbeschoftheden liet Bonaparte zich niet welgevallen, van Talleyrand? Hoorde men ooit van zulke mishandelingen? Volgens Levy hebben noch Talleyrand noch Volney het ooit gewaagd zoo tartend te spreken in tegenwoordigheid van den keizer. Zoo is Bonaparte nu uitgemaakt voor bedrieger en comediant, vrek, wellusteling, bandiet, avonturier, maar verheerlijkt door genieën als Goethe, Heine en schrijvers als Hugo. En ook, vooral van beteekenis in dit geval, door geloofwaardige en eenvoudige menschen met bewondering herdacht. Daar is buiten de Ode aan de Arc de Triomphe van Hugo, Lacretelle die beweert: „Oui, c'est véritablement le trône de Charlemagne qui se relève après dix siècles”.*) En Monge galmt uit: „Dieu s'est complu à douer ce héros toutes les grandes qualités.”*) En Jubé jubelt mee: „La terre, s'est tue devant Alexandre qui voulait l'asservir; devant Napoléon, la terre, les mers, qu'il veut franchir, l'univers qu'il remplit de son nom, parlent hautement de la grandeur de son âme” ....*) Fontaines zegt: „L'homme devant qui l'univers se tait est aussi l'homme en qui l'univers est confie.”*)
Verder dringen La Place, Lacepède tezaâm en spreken luid over zijn onmetelijke hoogte als genie. Neufchâteau schiet uit zijn lyrische slof en ijlt zelfs: „Quel dieu nous a fait ces loisirs? C'est cet homme extraordinaire qui a rajeuni la France.”*)
Ik beloofde u immers de dolste tegenspraak. Nog meer? Seguier verklaart: „Napoléon est au delà de l'histoire humaine; il appartient aux temps heroïques, il est au dessus de l'admiration.”*) Ik zou zoo kunnen doorgaan uitzinnigste lofuitingen van dichters, geestelijken, kunstenaars, over Napoleon, bijeen te lezen. Ge zult er van walgen. Hier, een boef, een misdadiger, een bedrieger, een monster; nu weer een godheid, een verheven genie, een Jupiter, een almachtige. En zoo werd hij in aanbidding verheerlijkt door de grootsten van zijn tijd. Veel, o, oneindig veel liever zijn mij de rustig-bewonderende oordeelvellingen van menschen als Bassano, Marmont, De Ségur. Deze eenvoudige diep-eerlijke bewonderaars verheerlijken niet als gekken, zeggen simpel-gevoelige en zuivere waardeeringen. Generaal Rapp verklaart: „Personne, n'était plus sensible, personne n'était plus constant dans ses affections que Napoléon.”*)
Dit laatste vooral is een stoot naar zijn vijanden. Hij was vol innige goedheid, zegt Marmont, terwijl men hem bedroog. Hij was vol eenvoud verklaart De Ségur. Deze tiran duldde geen tegenspraak, beweert Taine. Maar Méneval, zijn particuliere secretaris verklaart daar tegenin: „qu'il souffrait volontiers la contradiction et que même il cédait souvent.”*) En Caulaincourt, allerminst een vriend: dat Napoleon op de meest waardige wijze niet slechts tegenspraak duldde, maar met edelen moed zijn hechtste overtuiging liet bestrijden. Savary bevestigt dit getuigenis met even veel klem als Baron Fain. En zelfs een zijner scherpste vijandinnen, madame De Récamier, bekent eerlijk, verwonderd te zijn geweest, „de lui trouver un air de douceur, une simplicité de manières qui contrastait avec les façons toujours theâtrales de Lucien.”*) De Hertog de Vivence uit zich in gelijken geest, zelfs Metternich stelt Napoleons welwillenden en goedmoedigen omgangstoon vast. Stendhal schrijft dat... „Son regard prenait une douceur infinie,”....*) als hij met een vrouw, of over de dapperheid van zijn soldaten sprak. En als ge nu nog den pas verschenen zang op Napoleon leest van den grootsten katholieken schimper en schelder van polemiseerend Frankrijk, Léon Bloy's „l'Ame de Napoléon,” dan ervaart ge dat zelfs Stendhal, naar Bloy's inzicht, Bonapartes genie ver beneden zijn grootheid geschat heeft. En nu, monster, halfgod, held, moordenaar, bedrieger, comediant, spontaan genie, wat is hij voor mij nu, voor mijn diepste overtuigingen en grondige indringing in heel zijn wezen? Ik zal het u zeggen.
