← Table of contents
Napoleon

KARAKTERTEGENSTRIJDIGHEDEN.

Reading edition

Illustration from Napoleon

Karakter-tegenstrijdigheden van Napoleon zou ik u nog laten beoordeelen; karakter-botsingen welke soms nog treffender een zoo groote persoonlijkheid in zijn samengesteld wezen verklaren dan het overeenstemming van grondeigenschappen kan doen. Voor scherpzienden en ziels-indringers soms zóó treffend, dat zij alle geschiedkundige uitpluizerijen van verhaal-feitjes en opzichtige gebeurtenissen overbodig maken.

Te Auxonne,—in zijn valen armoe-tijd van behoeftig maar pijnlijk-trotsch luitenantje—woelde er een onrustige uitingsdrang door Napoleon's geest. Hij bepeinst alles in vlagen van woeste verhevenheid of van wreed-koele en bijtende nuchterheid, al naar het gevalt in zijn onstuimig brein.—Hij bepeinst.... de Liefde.... Een kanonnen-man die de pijlspitsjes van het knusse liefdegodje betast.... Hij schrijft: Dialogue sur l'amour. Zijn slotsom is, alle vervoering en ontroering nekkend: „Je crois l'amour nuisible à la société, au bonheur individuel des hommes. Enfin, je crois que l'amour fait plus de mal que de bien.”—*)

Spinoza had, op zoovele diepere gronden van fijne gewaarwordings-ontleding omtrent de schadelijkheid der liefde, dezelfde gevolgtrekking gemaakt. Ziehier Amor bekneld tusschen een wijsgeer en een soldaat. Is het te verwonderen dat 't gekrenkte godje later op wraak zint en Napoleon's hart tracht te bekittelen met zijn puntige spitsjes wanneer er slechts even gelegenheid voor is? Want Amor schuwt slagveld noch lijken, meineed noch huwelijkstrouw.

Ge meent allicht dat Napoleon met deze uitspraak en vernietigende slotsom voor minnenden, een zuur liefde-mensch geweest is, die het menschelijke tortelduiven-spel met speeksellooze tong voorbijging, als een kuische blauwkous, zeer verbolgen, de schaamtelooze paring der redelooze dieren?—Geheimzinnige weerstreving van een onontkoombare werkelijkheid. Deze stroeve en bitse veroordeelaar der liefde, was zèlf een hevig-hartstochtelijk minnaar en een verrukkelijke uitwerper van brandende minnetaal.—Ik neem slechts enkele zinnen uit zijn brief van: le 29 Messidor, Marmisolo, 9 heures du soir, 17 Juillet 1796.

„Je reçois ta lettre, mon adorable amie; elle a rempli mon coeur de joie.... Depuis que je t'ai quittée, j'ai toujours été triste. Mon bonheur est d'être près de toi. Sans cesse je repasse dans ma mémoire tes baisers, tes larmes, ton aimable jalousie; et les charmes de l'incomparable Joséphine allument sans cesse une flamme vive et brûlante dans mon coeur et dans mes sens”....*)

Of dit gedeelte er uit.

„Ah! je t'en prie, laisse-moi voir quelques uns de tes défauts; sois moins belle, moins gracieuse, moins tendre, moins bonne, surtout; surtout ne sois jamais jalouse, ne pleure jamais; tes larmes m'otent la raison, brûlent mon sang. Crois bien qu'il n'est plus en mon pouvoir d'avoir une seule pensée qui ne soit pas à toi, et une idée qui ne te soit pas soumise.”

„Repose-toi bien. Rétablis vite ta santé. Viens me rejoindre; et, au moins, qu'avant de mourir, nous puissions dire: Nous fûmes tant de jours heureux!!!—Milles de baisers, et même à Fortuné en dépit de sa méchanceté.”*) (Pag. 5 Lettres de Napoléon à Joséphine.)

Is het niet verbijsterend? Met brandend bloed geschreven, ieder woord, iedere zinsval, en zoo aan allen kant doorgolfd van menschelijken hartstocht en zoo overal aangestoken van minnaarsvuur dat ge er de heete pijn van smachtend begeeren en verlangen in ziet rondkruipen. Ge vraagt u af: zijn dat woorden van den man door wien de liefde als schadelijk voor ieder persoonlijk geluk en voor het maatschappelijk leven, koel werd afgewezen, omdat ze veel meer kwaad dan goed sticht in ons bestaan? Zoo wreekte zich vijf jaar later Amor op den koelen smaler van zijn pijlengif. De oningewijden zullen veronderstellen, dat Bonaparte slechts in een vlaag van verteedering zoo schreef. Hoe zot! Zoo hoog bleef zijn minnevuur òp- en uitlaaien tegenover Joséphine of tegenover een andere aangebedene; gaf hij zijn taal, aangeblazen door een adem van zinnen-hitte, jaloesie en vervoerende vurigheid, even onstuimig in zijn overgave als in zijn afkeer. Hoe gek klinkt tegenover de zielsvaart dezer minnebrieven, de beschouwing van Emerson,—van hooggeestelijken kant half bedoeld als beschuldiging—dat Napoleon in alles altijd geweest was een toonbeeld van bijna listige bedachtzaamheid, een toonbeeld ook van burgerlijk gezond verstand. Ik heet deze kenschetsing koelweg belachelijk, rauw belachelijk. Ook in zijn gevoelsbrieven, in zijn hart-uitstortingen is Napoleon geweest een geweldig ontroerd vervoerings-schepsel, een zich zelf verterend verbeeldings-mensch, die mateloos zijn geluksdroom uitspant en alle begoochelingen en droeve schijngestalten ervan na-rent tot hij tegen zijn eigen schaduw opbotst. En toch kon hij van een koudmakende, koelbloedige bedachtzaamheid zijn, als hij de woeste levens-begeerlijkheid van zijn avontuurlijk romantisch karakter voor een wijle bedwong, en er de felle fonkelingen van smoorde, allen om nòg grootscher, nog stouthartiger gebeuren te lokken en te verwerkelijken. Romantisch bleef hij zelfs in zijn keizerlijke vertrekken, als hij, in het grauwende schemeruur Joséphine en haar bijgeloovige hofdames, de beklemde harten bespookte met verhalen van griezel-geschiedenissen en met een soort scheppend treurspel-vermogen deze verzon, in een dampkring van realiteit dompelde en uitwerkte met gebaren, stem-wisseling en gelaatsbewegingen van een tooneelspeler.

Illustration from Napoleon

JOSEPHINE

Zij, die het persoonlijke leven van Napoleon bestudeerd hebben, kunnen weten welk een aanbiddelijke liefdes-vleierij en teederheid er leefde in het slotzinnetje van zijn brief aan Joséphine:.... „et même à Fortuné en dépit de sa méchanceté.”

Fortuné was het troetelhondje van mevrouw Bonaparte. Napoleon verafschuwde dit schichtige, bijtende en keffende mormeltje, verwend als een ziek zuigelingetje. Zonder de geringste spot-beklemtoning neemt hij zelfs dit vertroeteld schoot-gunstelingetje op in de overvloeiende genegenheid voor zijn geliefde.

Is dat niet een aanbiddelijk-innig en fijn trekje in dezen „bloedvergieter?”—Hij was lomp en barsch en onbeminlijk tegenover vrouwen? Nooit waagde een man stoutmoediger, diepzinniger en tegelijk vleiender scherts dan Napoleon, toen hij tot de vrouw van den sterrenkundige Lalande zei: „Partager une nuit entre une jolie femme et un beau ciel me parâit être le bonheur sur la terre.”

Versta mij wel, hoogdravende en gelijkvloers-levende lezers, ik verafschuw iedere persoons-karakteristiek die de guitige voorvalletjes en het prikkelende woord tot grondslag van verhaal heeft. Ze is meestal waardeloos en geestelijk leeg. Maar indien ge kwinkslag en pittig woord slechts als vercieringsmotief gebruikt en het uitwendige ook een uitwendige plaats geeft, dan kan u de anecdote geen opdringerig deel der ziels-ontleding worden.

Doe ook zoo met dit keizerlijke woord van Napoleon, in zwierige beminnelijkheid geworpen naar de gestalte eener schoone vrouw, als een zoetgeurende bloem van toespelingen-verwachtende minnaars-welsprekendheid. Léon Bloy zou er allicht slechts een onpeilbare symbolische diepzinnigheid in willen eerbiedigen, om achter het waarneembaar-gebeurende en zinnen-vurige, den onzichtbaren drang van zulk een stout gezegde, voor ons te kunnen heffen tot de hoogte van een godsdienstig embleem, geboren in de schoonheids-ontroering welke nachtelijke oneindigheid en gracie van een vrouwgedaante in hem wekten. En zelfs met een huivering kan dit gewaarworden ons ondergaan lijken, omdat de vrouw, de verleidster van het naar God-geschapene, hier in haar aanbiddelijke verleidelijkheid, wordt betrokken in cosmisch-almachtig gevoel voor het grenzeloos duister heelal met zijn verre translichten. Maar zoo is alle zichtbaar geschieden te verinnerlijken door de onverklaarbare werkingen van een onderbewust instinct tot een mysterie, waartegenover de grootste zielsspeurder machteloos en dwergelijk staat.

Een andere tegenstrijdigheid.

Het is alom bekend dat Napoleon valsch speelde. Hij kon niet tegen verliezen, anders, zielkundiger beschouwd, niet tegen de vernedering van het niet-winnen. Ik besef dat ge onmiddellijk klaar staat met de veroordeeling, gelijk een ongeduldige donderslag nauw het vlietende vuur van den bliksemschicht afwacht. Dwingelandij, grove heerschzucht, waanzinnige trots! Ik heet deze termen, schimpend woordgedoe, waarmee de diepste gronden van zulk een spelwin-drang verklaard noch geraakt worden. Alweer, en zeer nadrukkelijk, om het anecdotisch bekend feitje, om het uiterlijk geschiedkundig gebeuren is het ons nimmer te doen. De inwendige, de diepst innerlijke geschiedenis van de menschenziel Napoleon beroert en boeit ons alleen, het zoeken naar den geestelijk-psychischen oorsprong van al zijn handelingen, gedachten en daden. Dit onderzoek is psychologisch en intuïtief het allermoeilijkste en ingewikkeldste dat er te doen is. Het wordt niet gedragen op de hooggolvende en uitbruisende zinnen eener bovennatuurlijkheids-lyriek, waarin bombast en opgeschroefdheid met kletterend en kolkend woordlawaai opschuimen tot een z.g. godsdienstig gevoels-ontroeren; dein-golvingen in wier gebroken glanzen zich het goddelijke, absolute, onkenbare en eeuwige, begeeren te spiegelen ter beangstigende glorie hunner onmeetbaarheid en onvatbaarheid. Zulk onderzoek wordt ook niet opgevroolijkt door het verbluffende kaatsspel met menschelijke begrips- en gevoelsbepalingen van het bovenmenschelijke, met hoog- en bontgetooide en wild-aangelichte woorden vol schrikkelijken waan van levenswijsheid, die zelfs de uiterste intellectueele spanning niet over de bevattings-grens van ons hoogst opgevoerd wereld-beschouwen en onze diepst-dichterlijke onbewustheid vermag heen te dringen. Omdat hiervoor dogmatisch-begrensde en geheel subjectieve gemoeds- en levens-gesteldheden worden geëischt, als van een uitsluitend katholiek voeler en denker gelijk Léon Bloy of van een slaaf der milieu-theorie gelijk Taine. En meer nog omdat juist de geestelijke oorsprong van Napoleon's daden en gedachten er door wordt verward, ze uit hun ziels-oorzakelijkheid losgescheurd lijken met wilde wondende rukken en een krenken der fijnste en teederste psychische roerselen van dat innerlijke en inwendige. En of het nu gebeurt met ontroerde en ontroering schenkende hevigheid, smeekend of gezwollen, soms schreeuwerig en duister, half in een wereldvloek en in een godsdienstige prophetie, als bij Léon Bloy, of het geschiedt, geheel tegengesteld, insnijdend en koel-intellectueel met bijna hardvochtige nuchterheid en onbewogene strengheid, als bij Taine, beide manieren van ziels-ontleden en ziels-verklaren dompelen klamme nevels om de figuur die slechts psychologisch en dramatisch op te bouwen is uit de innerlijke noodwendigheid van al het wereldgebeuren, het onzichtbare geschieden waaraan al het historisch waarneembare gebeuren onderworpen wordt.

Het kan mij in dit verband, geen zier schelen of men op zichzelf een valsch speler een verschrikkelijk schepsel vindt, noch op welke wijze de moraal onzer samenleving hem vonnist en radbraakt. Het kan me ook niet schelen of een begaafd geloovige met een bovenzinlijke zending Napoleon's triomfeerenden en weer vernederden ommegang rond de wereld bezwaart. Het valsch spelen als innerlijke mogelijkheid in zulk een schepsel, de beweegredenen wil ik doorgronden, wijl deze het individu in zijn werkingen niet veroordeelen, maar verklaren. Napoleon's valsch spel, als een gebrek aan wilsbeheersching, gaat dwars in tegen twee grondeigenschappen van zijn natuur. Het valschspelen berust meestal op lage hebzucht, op stoffelijk begeeren van voordeel. Lagere hebzucht nu was Napoleon volkomen vreemd en als veldheer lieten hem de verlies- en winkansen, eenmaal door een onverbiddelijk lot te beslissen, het hoogste en koudste flegma behouden. Vooral als hij het lot tegen zich voelde in den krijg, bleef hij van een bewonderenswaardige rust en innerlijke waardigheid. Deze vergeestelijkte wilswerking van een geweldig krijgsman meent men stellig te zullen ontmoeten bij dingen van zoo oneindig minder beteekenis als schaak- of kaartspel. En zie, het omgekeerde vindt plaats. Davout zegt: „qu'aux échecs même, il savait rentrer en possession de ses deux fous. Il n'aimait pas que l'on en fit la remarque trop sérieusement; il en riait le premier, mais il était évidemment fâché qu'on y mit trop d'importance; et au fait, ne jouant jamais d'argent, il y avait plus à en plaisanter qu'a se fâcher.”*)

Wel afdoend, meenen we. Zelfs speelde hij vroeger valsch als het om geld ging, maar de winst gaf hij na het spel onmiddellijk weer. Alles dus om grove en kitteloorige bevrediging van brandende eerzucht?

Ik geloof er niets van.

Het begrip: valsch spel, verliest zijn psychologische waarde als het valsche geen bewust stoffelijk voordeel brengt. Ik voel de oplossing in dit simpele mededeelende zinnetje van Davout: „il en riait le premier.” Het was een door hem zelf lachwekkend gevondene, toch smartelijke poging het lot op zijn beurt te willen verschalken en mores leeren. Het was de heerscher in hem die een spel speelde met het lot, en niet meer met het spel zèlf. Hij, de man met het machtige inzicht, het diepste besef en de geweldigste visie op der dingen verloop, kon de bot-tegenwerkende domheden van het onpersoonlijke lot en de lompe groepeeringen zijner gunsten niet verdragen, die met boertige onverschilligheid en een vadsig gemak, de rijkste kansen en de sterkste machtsmiddelen zoo maar, een ieder in handen gaven. Waarom, door een grillige en domme opeenhooping, b.v. alle troeven daar, terwijl hij hier ze noodig had?—Moet Fortuna zich in een kaas opsluiten, als ze de heele open waereld tot woon kan kiezen? Het zonder strijd en hooger inzicht in handen krijgen der winkansen, tegelijk machtsmiddelen, moest een scheppenden en door alles heendringenden geest als Napoleon voor een bepaalden tijd ergeren. Daarom, met een fijnen illusie-lach om den mooien mond, en een bestraffend heerschers-behagen in het tartende hart, wil hij de kansen van het lot kantelen, in hun zelf zich zien verwarren en zet hij een tegengang van menschenmacht tegen fatummacht. Hij wint schijnbaar en lacht fijntjes, wijl hij de ontwrichtende logiek van dit spel met het spel zoo klaar beseft. En zoo verklaar ik deze instinctmatige valschheid, in vollen omvang als een psychische weerslag van een geboren heerscher op de dommekracht van het dwarsboomende lot, om althans in schijn, zijn wonderbaarlijk gebrek aan schifting en onderscheiding voor enkele oogenblikken te niet te doen.

Het is geen valsch spel, alleen weerzin van een heerschend intellect om zich te onderwerpen aan de klemmende causaliteit, werkend zonder eerbied voor eenig distinctief. Ik heb, voor ik deze beschouwing gaf, lang over dit probleem nagedacht en het betast, omgekanteld en weer rechtgezet, met den fijnsten speurzin waarover ik beschik, en voor mij zelf voel ik er de diepe zielswerkelijkheid van. Niemand gaf mij een verklaring of een geestelijke ontleding der daad.

Men bevestigde of verhaalde deze onteerende episode. Maar de psychologische doorschouwing en iets reins in de voorstelling dezer feiten bleef ver. Ik begrijp zeer wel dat men ook mijn inzicht met spitsvondige en prikkelende spotternijtjes, muggen-zwermerig kan omgonzen, en dat ironische snakerij, bruut en op den man af, succes zou hebben met deze paraphraseering.. „ach, leuter nou niet zoo Sherlock Holmesachtig speur-psychologisch.... een valsch speler is een valsch speler, en of hij nu Napoleon heet of Jan Bierkaai.... 't blijft één pot nat. Maak van de nul geen diepzinnig of raadselachtig cijferpoortje, onder welks boog alle mysteries het groote onbekende inglippen.”

Het zou me niet raken. Ik min de polemische dartelheid van een fijn en stekelig vernuft, als er althans gevoelsdiepte onder leeft. En een schepsel met zulk ondergrondsch begrijpen zal ook den ernst van 't geval beseffen.

Zoo kan ik mij de mogelijkheid zeer goed voorstellen dat b.v. een levensgeschiedenis van Napoleon, geschreven door Constant.... premier valet de chambre de l'empereur sur la vie privée,.... oneindig meer leesliefhebbers zal lokken dan b. v. het boek van Léon Bloy, L'âme de Napoléon, waarvan ik reeds in een vorig hoofdstuk melding maakte.

De burgerlijke belangstelling en de burgerlijke geest is happig op tastbaarheden, op episodiek die niet al te hoog boven het tulen plooimutsje van de keukenmeid, of het neepje van de romantische werkster zweeft. Deze ondiepe dribbelaars op het pad der onthullende voorzienigheid hebben dan de volle macht der keurende critiek, al worden de feiten ook van een verwarrende ingewikkeldheid. Tegen het waarnemingsvermogen en het intellect van een „premier valet de chambre” is een ieder opgewassen, en het is verrukkelijk de alledaagsche intimiteiten van een groot man in loslippige kneuterigheid te hooren bekletskousen. De kleine feitjes-geschiedenis, de vulgaire tentoonstellerij van menschelijkheidjes, de peuterige opsomming van uitwendig gebeuren, wint het dan vér van de zielsontleding en de innerlijke karakter-synthese. De groote geestelijke speurder en ziener, zelf beheerscht door een ondoorgrondelijke begeerte tot de ziel van een geweldig wezen in te dringen dat vaak onbegrepen en eenzaam te midden van het wereldsch gerucht bleef, legt het dan nederig af tegen de gezellige kakeltjes en praatjes van een palfrenier der wereldwijsheid. Er zijn memoires-lezers, die uitsluitend de standjes en de vinnige ruzietjes achterna loopen. Anderen die slechts bekoord worden door de erotische kir-stemmen, en weer anderen wier onverwoestelijke en klamme nieuwsgierigheid zich onverzadigbaar een embonpoint doet eten aan onthullende feitjes. De een is ziener, de ander historisch knaagdier. De historische ziener is kunstenaar en dichter, en herschept u een werkelijkheid van vergankelijke dingen, en penceelt den dauw van het gebeuren weer over de realiteit van het verleden. Hij wasemt atmospheer om ons heen opdat ge ademen kunt, breed en rustig, verslindend of hartstochtelijk. Ik breng, ter bevestiging van een voorkeur der dichterlijke historie-vertolking bóven een droog-feitelijke, u het woord van een zeer onpartijdig schouwer, het woord van den grooten socialist, theoreticus en geleerde, Karl Kautsky. Dichterlijke beschrijvingen, verklaart hij, zijn van onschatbare waarde voor de kennis van de maatschappelijke toestanden onder welke ze zijn ontstaan.

En verder: „Dichterlijke scheppingen zijn voor de kennis van hun tijd vaak van veel meer belang dan de getrouwste geschiedkundige beschrijvingen. Want de laatste vermelden alleen het persoonlijke, opvallende, ongewone, dat uit een historisch oogpunt het vergankelijkst is. De kunstenaars daarentegen geven ons een inzicht in het dagelijksch leven en werken der groote menigte, dat onafgebroken en blijvend inwerkt en op de maatschappij den meest duurzamen invloed uitoefent. Daarom b.v. hebben wij in de romans van Balzac een der belangrijkste geschiedkundige bronnen over het maatschappelijk leven van Frankrijk.”

Ziehier het oordeel van een groot geleerde, door wien de ontzaggelijke waarde der romanscheppingen ook als geschiedkundige producten volkomen erkend en beseft wordt. De uiterst gescherpte intellectualiteit en de critische fijnzinnigheid van dezen beroemden theoreticus, is voldoende waarborg tegen mogelijke verwijten van zielkundige sentimentaliteit.

Inderdaad, de hoogste, geestelijke ziening schenkt ons eerst de dichtersvisie op het wereld-gebeuren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings