← Table of contents
Napoleon

NAPOLEON ALS KARAKTER.

Reading edition

Illustration from Napoleon

Napoleon's wezen verklaren, is nog iets geheel anders dan het beoordeelen. Ik nader hiermee allicht zuiverder de bron van zijn geestelijk-hypnotische macht, en de kern van zijn bedwelmende, fascineerende persoonlijkheid. Het is ook, ter verklàring gesteld, een veel prachtiger psychologisch probleem, dan ter beoordeeling. Toch eischt deze verklaringsmethode,—o schandelijk woord voor iets zóó innerlijks als psychisch inzicht—zeer veel onafhankelijke gedachten-stoutmoedigheid. Want ik moet hierbij opbotsen tegen de leeggeplunderde bloemkorven der moralisten; tegen de blinkende en tartende pantsers der dogmatici van allerlei slag; tegen de broze ideologie-bloeiselen der liefdadige en meest humane maatschappij-hervormers en de zoetste lokfluiters naar en brengers van het hoogst menschelijk geluk. Want ik moet hier het meest grandioze, en voor vele treffelijke keurders van menschendaden, het gedrochtelijkst-vergroeide individualisme van een reus als Napoleon, tegen al hun vlammende idealen, hun onmeetbaar-uitstroomend gemeenschapsgevoel, als cosmisch levensgebeuren, in bescherming nemen.—We moeten, moéten ons heffen boven eigen levensgevoel en maatschappij-inzichten, boven dát wat ons innerlijk het liefst is, om de allerhoogste onbevooroordeeldheid tegenover zulk een phenomeen en ingewikkelde karakter-persoonlijkheid als Napoleon was, in onzen eigen zegenenden en vloekenden geest, onszèlf te verzekeren. Maar ik vraag ook stoutmoedigheid van mijn lezers. Ze zullen aanstonds begrijpen waarom.

Illustration from Napoleon

NAPOLEON lezend. Croquis naar de natuur van Girodet.

Er bestaat een maatschappij-beschouwing, die langs en dwars door alle economische crisissen en vervormings-processen, het verschijnsel Napoleon zou kunnen ontleden in zijn elementen, in zijn sociale eb en vloed, opkomst en vernietiging. Voor deze studie echter stel ik het probleem uitsluitend psychologisch, al verlies ik den economischen ondergrond der gebeurtenissen geen moment uit het oog.

Men zal mij dus vragen: Napoleon een bedrieger, een beul, een zedeloos monster, een valsche speler, een woordbreukige, een mateloos-hooghartige, een soort van onverschrokken misdadiger?

Ik antwoord: Neen.

Napoleon dus een edelmoedige, een held, een uiterst-gevoelige, wereldveroveraar, een genie van de vermetelste soort, een schepsel boven onze bewondering verheven, een heroïsche droomer, en toch een geweldig man van de verheven daad?

Ik antwoord: Neen.

En nu begint schijnbaar de verwarring. De deugd-predikers grijpen naar hun brevier en de geestdriftigen beknabbelen hun knokels. Voor mij bestaat er geen Napoleon, de wellustige misdadiger en verkrachter van ieder rechts- en vrijheids-gevoel, noch de legendarische held der bonkige grenadiers, die weenden als ze den kleinen korporaal te midden van vuur en kruitdamp, kalm en met den dood op den schoot zagen bevelen, alsof hij in zijn paleis een kamerdienaar zijn drillenden wil deed gevoelen. Omdat hij beide was, beul en held, waanzinnig-eerzuchtige, en rijp voor de hoogste levenswijsheid. En als mij nu door een historicus gevraagd wordt naar de psychologische oplossing en verklaring van zulk een monsterachtige en wanstaltige mengeling van groot-menschelijke en òn-menschelijke eigenschappen, dan til ik hem óver naar het terrein der blinde, cosmische wils-psychologie en zeg: leg daar uw voetangels en klemmen: het deterministische levensproces zult ge niet vangen noch beknellen;.... slechts ons menschelijk bedoelen, ons menschelijk ideaal-begrip van goed en kwaad, dat we òp alle ontstaande dingen vastplakken, er doorheen rijgen en spijkeren, terwijl toch de dingen zèlve, hun eigen, onafwendbaren, door niets en niemand te wijzigen cosmischen gang, groei, ontwikkeling en vernietiging hebben en ondergaan. Napoleon wás een wezenlijk phenomeen, als Rembrandt, Shakespeare, maar nu op wereldsch gebied. Stel u door een begrips-transpositie van idealiteit naar realiteit voor, dat alle donker-gouden en geheimzinnig van licht omtooverde schilderstukken van Rembrandt, en alle mystiek-romantische en pantheïstische verzen en van binnen uit gloed afwerpende poëemen van Shakespeare, daden, menschelijke en wereldlijke dáden zouden hebben kunnen worden en gij nadert de zich in werkelijkheid uitlevende oer-instincten van het ontembaar gebeuren- en daden-scheppende genie van Napoleon. Wat Caesar in verzen, en wat Macbeth in bloedende strophen doorleefde, dat doorleefde Napoleon in het wezenlijk bestaande. Gij kunt dezen mensch niet naderen met christelijke, moreele en sociale beginselen. Wèl naar de veruitwendiging zijner levensgeschiedenis, niét naar de vermetele, ontembare en grondeloos-grandioze werkingen van ziel en brein.

Nu naderen we een groot gevaar. Als een brok avond-schemerende stad onder een wazige viaduct-poort door gezien, zoo ligt zijn tijd achter den rooden lichtvloed der Groote Revolutie. Het is, alsof wij niets van het vogelengezang der vrijheid in ons opgenomen hebben, alsof wij slechts het persoonlijk verschijnsel Napoleon zien, en niet de geweldige donker-golvende massa, die hem mét haar hoogste stijgingen opnam en naar zijn troon droeg. Deze onbewuste massa, die een vrijheidsheld bejubelde en een despoot en tyran door het lot teruggesmakt kreeg. En nog een gevaar schaduwt op. Het zal nu lijken of ik Napoleon's monsterachtige eigenschappen ga verdedigen, om den diepsten grond der persoonlijkheid te verklaren.

Dit gevaar lijkt me bekoorlijk en toch ongewenscht. Bekoorlijk, wijl ik met vurigen drang gaarne de dompende en dommelende, valsche verontwaardiging over menschelijke zonde, en 't schel gejuich over braafheid, edelhartige naastenliefde, enz., verschalk. En ook bekoorlijk, omdat den geheel uit het leven geduwden duivel, de roode majesteit van weleer, weer gracieuselijk de gelegenheid wordt geboden ons zieleluik op een kier te zetten, opdat onze eigene zonden, gedachtenslechtheid en gesmoorde begeerten weer eens onverbloemd-menschelijk uit de diepte mogen doorschijnen, nabij preekstoel of vergaderings-katheder. Maar toch, ongewenscht, omdat een eigene innerlijke waarheid niet noodig heeft schuw terug te sluipen naar een duister hol van het onbewuste. Want ik zélf vind in Napoleon soms de verachtelijkste hartstochten, driften en neigingen aanwezig, instincten van verbijsterende en duister-bloedende dierlijkheid. Ik zelf vind hem soms gegrepen door een huiveringwekkenden grootheidswaanzin, zoo zwart en onpeilbaar als een avondzee, aan alle kanten wijd-verloren, de wereld overdruischend. Soms is hij de kranke morser met menschenbloed, van een afzichtelijke zelfzuchtigheid, in een koortsachtige persoons-begoocheling zijn eigen brein, zijn soldaten, generaals en zijn armzielig volk, tot den moord aanjagend. Ik zie hem vaak als den zwarten en roodvlammenden visionnair, die te midden van een wereldonweer van slagveld-kanonnen, zijn eigen brandende en schroeiende wroeging wil stillen, onder het donderend geweld van al meer gevechten en massa-moorden, zooals de deliriumlijder smacht naar het gloeivocht, dat hem den dood in het sidderende lichaam jaagt. Telkens en telkens leeft een wild ontroerd verzet in me op, als ik lees,—en de waarheid van het feit voor eigen ziel voèl,—hoe hij met zijn overrompelende zinnelijkheid, de vrouw als vrouw, tegen wil en begeerte, aan zijn driften onderwierp, en haar daarna wegtrapt of blijft koesteren, van verre, met kirrende woordjes of verteederen met geschenken. Ik voel een, soms tot hevige walging stijgenden weerzin, als ik hem met al zijn gestolen schatten en millioenen zie manoeuvreeren, en hij verlokkend het goud laat blinken onder de gretige oogen van zijn vechters en aanvoerders. En als ge ziet, welk een woeste schittering van cocardes, pluimen, galon, ornaat, uniform, hij brengt aan Frankrijk, en welk een parvenuachtige monarchale praal, terwijl de bleeke tronies van Danton, Robespièrre, en het duivelsmasker van Marat, nog ópschimmen tegen de muren der huizen, en het bloed der revolutie nog den Parijschen grond niet gansch en al doorsieperd heeft, dan beseft ge der volkeren hoon voor dit keizerlijk spel, dat zijn juweelen troon op een lijkenbodem plantte.

En toch is het dit persoonlijke in haat en afschuw, dat we voor de psychologische indringing in zijn wezen, uit te schakelen hebben. Want ik schreef het in den aanvang, ik wil dit leven voor mij zelf verkláren. Nu moogt gij u dus op ontstellende conclusies voorbereiden.

Wat Napoleon deed, het vreeselijke, het gruwbare, was voor hém niet vreeselijk en niet gruwbaar, al zal hij ook wel eens keelbeknellende wroeging hebben gevoeld in tijden van wilszwakte, door uitputting en vermoeienis. Is het gruwelijke dan niet altijd iets vreeselijks, onverschillig wie dat gruwelijke bedrijft? Neen, dat is volstrekt niet onverschillig.

Wij nemen aan dat ieder mensch de krachten en zwakheden, de lichamelijke, geestelijke en psychische, bij zijn geboorte in kiem meekrijgt, en dat deze door het onverplaatsbare lot en den wereldloop zich ontwikkelen en uitplooien. We stellen vast, dat, gelijk ieder ander mensch, Napoleon het noodlot van zijn gansche wezen tot in de kleinste schakeeringen in al zijn groeivormen heeft moeten doormaken en ondergaan. De levens-instincten van Bonaparte waren, naar alle richtingen uit, bepaald; natuur en maatschappij zouden hem de voedings-stoffen ter ontwikkeling dezer brengen. Zijn physieke en psychische persoonlijkheid is een eenheid. Zijn geheugen, zijn combinatie-vermogen en wilsvorming, zijn groepeeringsmacht, zijn geweldige imaginatie.... ze zetelen alle in dit brein, deze hersens. Juist nú moeten we voor onze eigene subjectieve natuur waken. Laten we ons nu geen oogenblik met begripsleer over goed en kwaad, met doel-leer en doel-beginselen tegenover een zoo titanisch en grillig-saamgesteld voortbrengsel van het menschelijke leven, plaatsen. Dit geweldige intellect is beschouwing en daad tegelijk, en de theorie is even diep in hem als de praktijk concreet en krachtig. Als hij zich in vechtpositie stelt tegenover de door hem opgejaagde, in angstige woeling gebrachte gemeenschap, dan is het om zijn eigen ideaal van gemeenschaps-geluk te bereiken.

In een vermoeide en uitgeputte samenleving is hij kracht-hersteller geweest, voor een poos. En zijn geweldsmiddelen werden toegepast als streelingen voor zijn souvereinen wil. De buigende en juichende massa, die de glorie zoo heet begeert, bracht hem zèlf tot souverein bewustzijn van dezen heerscherswil.

Neen, Napoleon kùnt ge psychologisch niet naderen met moraal en ethisch pathos. Wie duwt er de aardas op zij? Wie onzer verlangt een zonnebaan te verleggen? Wie houdt den tuimelgang der vallende meteoren tegen? In Napoleon vierden de wilde cosmische scheppingskrachten der natuur een demonisch geboortefeest. Op dit menschenschepsel zouden de meest ontembare, de meest matelooze eerzuchtdroomen ingedreven en de allergrilligste levensheerschzucht beproefd worden. De Caesar-waanzin zou dit ontzaggelijke brein omlichten in koortsige glanzingen. Hij, de avonturier, van de laagte uit, zou tegen den hemel aangeschopt worden als imperator en wereldheerscher. Hij zou koningen, geboren vorsten, in eerbied en vrees voor zich zien staan als gestraften voor een rechter, uit wiens mond ze bevend hun lots-bestemming zullen te aanhooren hebben.

Van heel, heel jong al is hij oud, schuw, peinzer, vechter, held, dwingeland, bevelvoerder. Maar ook cijferaar.... en droomer. Deze dubbele macht van wiskunstig denker, rekenaar, getal-formuleerder, en van verbeeldingswezen, vergroot angstiglijk zijn geheele wezen. Alles in hem lijkt getal, berekening, manoeuvre,.... en al deze wiskundige scherpte, steile nuchterheid, en heel die realiteitszin is in dienst van.... een werelddroom. Ziehier al de primaire psychologische verklaring van zijn dubbel-bestaan. Een vlijmscherp verstand, een ondoorgrondelijke, vurige wil en een ontstellend-grootsche verbeelding, tezaam werkend in één scheppend brein. Hier is wortel, stam en tak van het ontembaar-energische arbeids-genie, dat hunkert naar verzadiging van zijn inspiraties en naar daad-werkelijkheid van al zijn stoute visioenen. Zijn brandende, toch koel-ontledende, toch heerlijk-beheerschte geest omvat de heele wereld, is vertrouwd met de zichtbare en onzichtbare dingen. Gij hebt er geen flauwe voorstelling van, hoe ontzettend ónwerkelijk deze werkelijkheidsman van kanonnen en leger-aanvoerderij, van atlassen en vorsten-conferentie, van slagveld-tragiek, administratie en land-bestudeering, eigenlijk leeft in zijn veldheeren-tent. Hij droomt al de tragedies en comedies der wereld dóór, gelijk de grooten als Shakespeare die bedachten.

De vlijmscherpte van zijn nuchtere waarneming misleidt officieren, generaals, maarschalken zoo goed als vorsten. De praktijk van zijn concreet bedrijf houdt den droomer, den romantischen visioenen-uitlever van zijn wereldrijk-concepties, donker verborgen. Maar juist die is Napoleon, de schepper van realiteiten met diepe, mysterieuse goudtonen en bloed-schijn, de kunstenaar die werelden bevolkt met schepselen van zijn wil en verbeelding.

Tijd en toestand hebben dit sterke wezen tot een duizelingwekkende machtshoogte òpgestooten. Maar deze waren slechts geleiders. Want alléen zulk een ontstellend koen en demonisch wrochter, met zooveel suggestieve betoovering, zooveel hoogere list, zooveel moed en wilsbeheersching, kon gebeuren en uur zóó aan zich onderwerpen. De mateloosheid van zijn wereldrijk-droom spande de wijdte van een hemel. Juist in de ontembare drift zijner weergalooze daden, openbaart zich het meest mysterieuse van Napoleon's natuur, voor ons het klaarst en doorzichtigst, wijl zoo hartstochtelijk verwant aan de koorts van den kunstenaars-werkwil. Ziehier een tweede verklaring van dit leven. Napoleon werkte zijn levensdroomen uit als een groot kunstenaar romans, tragedies, als een groot schilder zijn composities en voorstellingen. Als de scheppende kunstenaar eenmaal zijn droom, zijn visie heeft doorleefd, staat hij met een demonische onbewogenheid tegenover de lotgevallen van zijn eigen schepselen. Met welk een duivelsch vermogen schept Sophocles niet den bloedigen en schrikkelijken ondergang van Oedipus? En Shakespeare geeft tot de laatste stuiptrekking zijn Macbeth de maat zijner waanzinnige angsten. Napoleon werkte met deze zelfde heilige, demonisch-geobjectiveerde bezetenheid en scheppingsdrift. Zeker, hij zag menschen, soldaten, verminkte lijken en slagvelden.... Maar van zijn hoogere scheppingsnatuur uit kón hem dat niet deren. Napoleon werkte met de gansche lèvende menschheid als stof, ter bevrediging en volvoering van zijn onverzadigbaren, grootschen verbeeldingsdrang. Hij werkte als een bezetene, die de middelen waarmee hij arbeidt overziet, en ze slechts onbewust meetelt als technisch materiaal. Daaruit juist is geboren zijn demonisch zich ongenaakbaar maken voor lagere, bewuste invloeden en menschelijke overwegingen. Hij mòest zijn concepties uitwerken. Rembrandt deed het met den toover der kleuren, Shakespeare met het goddelijke woord.... hij zou het moeten doen met de menschen en de hartstochten zèlve, die tot een glorie van nog nimmer geziene daden de wereld kwamen beschijnen. Voelt ge nu, het was de scheppingsdorst, de hoogere bezetenheid van den geweldigen kunstenaar, die eerst bevrediging voelt en rust in de volbrenging, de uitstooting, bij Napoleon: dè daad. Inwaartsch werken zijn visioenen en bestoken, als een goud vuur, zijn gedachten en verbeeldingen. De wereld ziet slechts legermanoeuvres, stoute bewegingen en hoort slechts het kanonnen-gebulder. En in den nacht onder de sterren, op het slagveld, leeft Napoleon, in geweldig gesmoorde ontroering zijn droomen die hij tot werkelijkheden ziet aangroeien.

Eerst veel later werd ook hij aangeknaagd door een soort van beangstigende wroeging, toen hij bemerkte dat hij de wereld, zijn materie, niet meer technisch beheerschte. Maar, in zijn glorie-opgang,.. wat was hem met zijn werelddroom en wereldrijk-visioen voor oogen, leugen, bedrog, list, diplomatie, slagveld en bajonetten-moord? Hij rende zélf midden in het vuur, op de plaatsen waar het gevecht in moordende en alles wegmaaiende hevigheid was losgebarsten, woedend, duivelsch en genadeloos. Wat gaf hij dus om eigen leven? Wat hij waagde, moest iedereen wagen. Hij zou wel laten zien, hoe ontzaglijk en grandioos het einddoel bleek! Zijn wil werd een soort van natuur-wil. Zijn hartstocht tot de grootsche daad, een soort van cosmische storm, die niemand aansprakelijk kon stellen voor vernieling en levensvernietiging. Was hij nu persoonlijk zoo een wreed-monsterlijk mensch, dat hij het gekreun der gewonden niet telde, het gejammer niet hoorde? Gelooft ge dat, dan hebt ge inderdaad den Mephisto van Lanfrey, den roover-avonturier, misdadiger van Taine, den waanzinnigen, verblinden egoïst en zelfgenieter, die alles aan de glorie van zijn Ik offert.—Maar dat is tegelijkertijd niéts verstaan van de epische drift die dezen oorlogsvoerder als leider en schepper van een leger beheerschte, en waaraan hij zelve lijdelijk onderworpen was, als een kunstenaar aan zijn ingevingen. Alles werd onbelangrijk voor hèm, naast de volbrenging van zijn taak. Wat hem dwarsboomde en zijn scheppingswil tergde móest uit den weg.

In dit mateloos individualisme herkent ge de elementen van de misdaad. Zeker. Maar daarmee heb ik de bevestiging van mijn beschouwen, dat Napoleon niet mag worden bezien als een wezen dat ook anders had kunnen doen dan hij deed.

De demonische verkoeling van zijn menschelijk levensgevoel, en het ongebreidelde uitleven van zijn heerschersinstincten, geven hem een ijzingwekkende kracht, die als aangewend middel abnormaal, afgrijselijk en gruwbaar voor onze gevoelens en onze menschbeschouwing, hem zelve toeleek de eenige te zijn, welke hij móest gebruiken.

Voelt ge nu juist niet, in dit, naar het donker-misdadige, dreigende noodlotsleven, den diep-tragischen gang en ontwikkeling? Eérst de ontzaglijke avonturiersgeest, die, door de werkelijkheid geholpen, een romantischen verbeeldingsroes vermag te doorleven als geen enkel zijner groote tijdgenooten. Hij leeft verdeeld en in het verdeelde toch als een eenheid. Hij is republikeinsch en fel-democratisch en tegelijkertijd despotisch alleen-heerscher. Zijn physische veel-ikkigheid, als bij ieder schepper, doet hem iederen ziels-staat op zich zelf zeer zuiver en ongekrenkt doorleven. Voor vrijheid en onbelemmerde menschen-rechten streed hij al met Paoli, tegen Frankrijk. En toch is de kern van zijn natuur gericht op overheersching, neerdrukking, en belemmering van anderer individueel uitgroeien, wijl hij zich bewust wordt, dat hij alleen de mensch-kudden zal kunnen leiden naar hun geluk.

Hier juist begint de verblinde, schitterende waan, door het onbewogen cosmische leven zélf als een vuur-wil binnen de wanden dezer hersens ingeschroefd.

Ik ben er voor mij diep van overtuigd dat de psychologisch-doordringende historie der toekomst dezen schrikkelijken, maar gigantischen en tegelijk goedaardigen en zielshartelijken man, al naar het kantelend inzicht wil, beul en held, zélf als een wreed en onpeilbaar smartelijk slachtoffer zal zien, van een scheppingsfatum der natuur, met dezelfde onbewuste rampzaligheid en tegelijk prachtige grootschheid innerlijk en uiterlijk gevormd, voorbereid en geschapen als de kraters die in aardbevingen losbarstend, steden en menschen vernielen onder hun vuurasch en vulkanische uitwerpselen. Men zal, eenmaal onwrikbaar in hem ziend, de openbaring van een door niets te stuiten cosmische levenswerking, zijn persoonlijke nagedachtenis niet meer vervloeken, om al de onheilen die hij over de menschen bracht. En als het kan slechts de grootschheid van een mensch die vermocht te leven met de ontembaarheid van een natuurverschijnsel, in hem eerbiedigen en bewonderen.

Wie vloekt een cycloon, een aardbeving, een stormzee? Napoleon was tot de geringste plooi zijner daden voorbeschikt, en niets ter wereld zou bij machte geweest zijn er de kleinste wijziging in te hebben kunnen aanbrengen. Want dan zou alles om en rond hem, van individu tot menschheid, ook ánders hebben kunnen zijn. En dat is de as van het noodzakelijk geschieden uit haar onwijzigbare baan willen wegzwikken. Ik besef volkomen, hoezeer ik met deze beschouwing het gansche vraagstuk der physische en psychische causaliteit binnen den kring der historische feiten trek.—En ik verklaar mij dan ook te allen tijde bereid, het wijsgeerig-psychologische deel dezer karakter-ontleding afzonderlijk te willen verdedigen tot in de uiterste conclusies. Juist, omdat ik hier, de causaliteit, heerschende over stoffelijk en z.g. anorganisch natuur-bestaan, vergelijk met de causaliteit, even onwrikbaar en noodwendig heerschend over den menschelijken geest, de wilsvorming en zijn psyche, en dus schijnbaar speelsch van de stoffelijke naar de geestelijke oorzakelijkheidsleer ben overgestapt, voeg ik er dit bij.—Bij Napoleon's persoonlijkheid leek mij de toepassing der psychische causaliteits-leer juist zoo treffend als bij geen ander groot man. Juist wijl zoo klaar kan worden aangetoond dat de indeterministen door hun vrijmaking van den menschelijken wil, weer zoo angstiglijk-zot het „toeval” in het levensgebeuren binnensmokkelen.—Al gaat dit dan ook met een hoog beroep op Kant's intelligibele wilsleer, die hoofdzakelijk uitgedacht, uitgevonden lijkt om het Ik aansprakelijk te kunnen stellen voor zijn handelingen. Maar Napoleon behoeft hier zelfs niet den grimmigen grijns van Schopenhauer te vreezen.

Ik wil u nog enkele staaltjes geven van zijn veel-ikkigheid en de tegenstrijdigheid, die zoo buitengewoon zuiver de mengeling van zijn betooverende grootheid en onmenschelijkheid soms, bevestigen en, getoetst aan deze grondontleding van zijn karakter en onwijzigbaren aanleg, mede verklaren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings