AANHANGSEL II.
Reading edition
Enkele recepten.
Rijstwater, gortwater, wordt bereid van 1 eetlepel rijst of gort, die men met 1 liter water 15 minuten laat koken. Daarna laat men even bezinken en giet het rijstwater of gortwater af. (Gorter.)
Voor gort-, rijst- of haverafkooksel neemt men ongeveer 1 theekopje per liter, gekookt tot lobbig aftreksel en daarna door een fijn zeefje of gaas gezeefd, aangevuld met rietsuiker of melksuiker. (Scheltema).
Gortwater of rijstwater. 1 eetlepel gort of rijst met één liter water gedurende 15 minuten te koken, daarna door een doekje te filtreeren en zoo noodig met gekookt water aan te vullen tot ½ liter. Tevens voegt men een weinig zout toe, zóó dat de smaak niet meer onaangenaam flauw is.
Gortwater en rijstwater bederven zeer spoedig, zoodat zij elken dag, op warme zomerdagen tweemaal daags, versch moeten worden bereid. Omdat de bereiding tijdroovend is en omdat gevaar voor bederven bestaat, gebruike men ze alleen, indien met water verdunde melk niet goed verdragen wordt. (Oosterbaan).
Op ½ liter water komt 1 eetlepel rijst of 1½ eetlepel haverdegort, welke men 10–12 minuten laat koken, daarna door een doekje of zeefje filtreert en waaraan men dan weer evenveel water toevoegt als verkookt is en zooveel zout dat de smaak niet onaangenaam flauw is. Men kan ook de rijst of de gort opzetten met 1 liter water en dit laten verkoken tot op ½ liter.
Haverdegort wordt vóór het koken met koud water afgewasschen en rijst moet eerst „geblancheerd” worden. Deze laatste bewerking bestaat hierin, dat men het water, waarmede de rijst op het vuur is gezet, afgiet, zoodra het begint te koken. De aldus geblancheerde rijst wordt dan opnieuw met schoon water opgezet en dit tweede afkooksel gebruike men ter verdunning van de koemelk. (de Lange).
Havergort. 60 gram havergort wordt in warm water afgewasschen, dan met 1 liter koud water opgezet en een uur lang boven een matig vuur gekookt; dan doet men er 3 gram zout bij en giet alles door een fijne zeef. Wat daaruit druppelt, is havergortwater. Wanneer een dunnere substantie is voorgeschreven, wordt het afkooksel weer met gekookt water tot 1 liter aangevuld.
Havervlokken. Wordt het afkooksel bereid uit havervlokken, dan neemt men 60 gram havervlokken op 1 liter water en kookt dit slechts 20 minuten lang. (Keller en Birk).
Meelwater. 20 gram tarwebloem of havermeel wordt met 1\2 liter water koud aangemengd; een andere 1\2 liter water wordt opgezet en aan de kook gebracht; men doet er 3 gram zout bij en zoodra het water kookt, wordt de eerste helft erbij gedaan. Voor oudere kinderen neme men 40 gram meel en 1 liter water. (Keller en Birk).
Karnemelkvoedsel wordt bereid door 1 liter karnemelk onder gestadig roeren op zacht vuur met 1 kleine lepel rijstebloem (15 gram) en 1–2 eetlepels suiker (30–60 gram) 10 minuten te laten doorkoken, waarna men er weer zooveel gekookt water aan toevoegt, dat er 1 liter over is. Voor zieke kinderen of pasgeborenen neemt men vaak een maltose-praeparaat (30–45 gram per liter).
Karnemelk is ook in bussen gecondenseerd en ingedampt te krijgen, men vindt de gebruiksaanwijzing op de bus vermeld. (Gorter).
Rijstmeel geeft, vooral met de karnemelk die van melk, en niet van room is gekarnd, een meer egaal, minder vlokkig praeparaat dan andere meelsoorten. Wanneer rijstmeel niet in een winkel of bij een bakker is te verkrijgen, kan het door fijnstampen van prima rijst gemakkelijk worden bereid.
Op 1 liter karnemelk komt 15 gram tarwemeel; al roerende worden zij samen aan de kook gebracht, en als zij koken, laat men ze nog 10 minuten lang doorkoken, steeds roerende. Vervolgens voegt men 30 gram witte suiker toe. De pan moet goed geëmailleerd zijn; het roeren geschiede liefst met een houten lepel, het koken moet plaats hebben op een „fel vuurtje”, zooals de technische term der huismoeders luidt. (Chr. Nijman).
Gecondenseerde melk, bussemelk, Zwitsersche melk. Met of zonder suikertoevoeging ingedampt. Wordt volgens voorschrift op de bus met water verdund. (Gorter).
Voor bijvoeding wordt gebruikt pap, bereid van verschillende meelsoorten, als rijst, rijstemeel, tarwemeel, havermeel, gerstemeel, griesmeel, gort, grutjes, maizena, arrowroot, tapioca, sago, beschuit, brood, met water, melk en water, bouillon. Arrowroot, maizena, tapioca, sago hebben een gering gehalte aan eiwit. Pap van havermeel is erg slijmerig.
Verder worden gegeven soep van gries of rijst, met bouillon of tevens met fijngemaakte groenten, moes van spinazie, wortelen enz. Ook zeer fijn verdeelde groenten, met weinig water opgezet, waarvan men al het vocht laat verkoken. In aanmerking komen spinazie, worteltjes, doperwtjes, bloemkool, gestoofde sla, andijvie. Ook aardappelpurée.
Van vruchten komen, naast vruchtensappen en vruchtenmoes, in aanmerking: appelen, peren, bananen, sinaasappelen, kersen, frambozen, druiven (zonder pit of schil).
Alles hangt af van den zuigeling.
Zooals reeds onder ‘Allerlei’ werd opgemerkt, is de met het tanden krijgen van nature gepaard gaande vermeerderde speekselafscheiding der speekselklieren eene aanwijzing, dat men van dat oogenblik ook andere spijs dan uitsluitend melk kan toestaan. Mijne bedoeling met die opmerking is, dat niet te lang mag worden voortgegaan met allerlei papjes, doch dat met het tandenkrijgen ook aan het kind langzamerhand vaster voedsel mag gegeven worden. Een beenen ring mag men gerust vervangen door een korstje brood, om op die wijze reeds het kind te gewennen aan het gebruiken van vaster voedsel.
