AANHANGSEL I.
Reading edition
Mijne opvatting omtrent de voeding van den zuigeling, om aan hem, althans in den beginne, over te laten wanneer hij zijn voedsel zal nemen en hoeveel, is in strijd met het tegenwoordig in Nederland vrij algemeen toegepaste stelsel, om de kinderen op bepaald aangegeven tijdstippen te voeden. Hetzelfde geldt voor het voeden in den nacht.
Tot mijne opvatting ben ik gekomen aan de hand van het feit, dat ik, na afscheid te hebben genomen van moeder en kind als de tijd, gedurende welken de verloskundige gewoonlijk voor beiden zorgt, verstreken was, menigmaal bespeurde, dat zoovele van die kinderen na eenigen tijd aan voedingsstoornissen lijdende waren, ondanks het nauwgezet opvolgen der voorschriften, om het kind op door den geneesheer bepaalde tijdstippen op te nemen en te voeden. Door ernstig nadenken kwam ik tot de slotsom, dat de zuigeling te veel verstelseld wordt.
In de jaren 1915 en 1916 heb ik, in het Medisch Weekblad, getracht aan te toonen, waarom ik het gewenscht acht den zuigeling meer vrijheid te gunnen, dan hem gemeenlijk wordt toegestaan. Toen heb ik met instemming de woorden aangehaald van Prof. W. Preyer (‘Die Seele des Kindes’, 7te Auflage 1908): „Die Kunst, das kleine Kind werden zu lassen, ist viel schwerer als die, es vorzeitig zu dressiren” en „Zuerst Natur ohne Dressur, dann Kultur” en ik doe dat nu opnieuw.
De ondervinding heeft mij geleerd, dat ik niet voorzichtig genoeg zijn kan met het mededeelen van eene opvatting, welke afwijkt van de voor het oogenblik algemeen geldende. De omstandigheid, dat eene van de algemeen geldende leer afwijkende opvatting verkondigd wordt, schijnt er steeds onmiddellijk toe te moeten leiden zulk eene opvatting als volstrekt verkeerd, en dus uit den booze, te brandmerken, en tot verzet aanleiding te geven.
Daarom heb ik de vrijheid genomen in dit boek eenige aanhalingen, betreffende de voedingswijzen van zuigelingen, van verschillende schrijvers op te nemen, waaruit duidelijk blijkt, dat men niet zoo vast staat met het algemeen aangenomen stelsel als gewoonlijk gedacht wordt.
Nederlandsche schrijvers.
Dr. J. de Bruin en Dr. Cornelia de Lange. ‘De voeding van het kind in het eerste levensjaar’. 1905.
Bl. 93. „Den eersten dag na de geboorte moet het kind 2 à 3 maal in de 24 uren worden aangelegd, den 2en dag 5 à 6 keer, van den 3en dag af 6 à 7 maal per etmaal.”
„Zoowel de practische ervaring, opgedaan bij normaal gedijende borstkinderen, als de onderzoekingen van Leo en Van Puteren.… hebben ons geleerd, dat de pauze tusschen twee opeenvolgende maaltijden van den zuigeling minstens 3 uur moet bedragen. Is de voeding van het kind goed geregeld, dan wordt het ook gewoonlijk tegen dien tijd wakker. Slaapt het een beetje langer, dan kan men het rustig nog een poosje laten slapen, met dien verstande echter, dat de pauzen bij dag nooit langer dan ruim 4 uren duren.… ’s Nachts moeten de pauzen minstens 4 uur duren, men trachte echter het kind zoo spoedig mogelijk het zuigen bij nacht af te wennen.
Over het algemeen geve men dus in de eerste 4 à 5 levensmaanden 7 maaltijden, van de 5e tot de 9e à 10e maand 6 en daarna 5 maaltijden in de 24 uren. In de eerste maanden make men ’s nachts pauzen van minstens 4 uur, iets ouderen zuigelingen geve men hoogstens 1 maal ’s nachts de borst en spoedig in het geheel niet meer.”
Bl. 117. „Het resultaat, dat men bij de zuigeling met een bepaalde wijze van voeding kan bereiken, is van te voren maar al te dikwijls volkomen onberekenbaar.”
Bl. 179. „Het spreekt van zelf, dat de natuurlijke voeding, dus de voeding met vrouwenmelk, als basis en model moet dienen voor de kunstmatige voeding. Het is ons reeds gebleken, dat bij de voeding aan de borst niet alle kinderen van denzelfden leeftijd even groote quantiteiten drinken; wij weten bovendien, dat eenzelfde borstkind bij den eenen maaltijd soms het dubbele tot het drievoudige van een voorafgaanden of volgenden maaltijd tot zich neemt. Daarom kunnen wij dan ook bij de kunstmatige voeding niet voor iederen zuigeling van bepaalden leeftijd een zekere hoeveelheid voedsel van te voren volgens een vast schema vaststellen, doch moeten wij in hooge mate individualiseeren en ons nooit gebonden achten door een schema, methode of tabel.”
„Volgens hem (bedoeld is Prof. Czerny) mag men een gezond kind nooit uit den slaap wekken, om het te voeden, zelfs niet indien het daardoor een maaltijd zou verzuimen.
Deze raad moge wetenschappelijk zeer juist en in een kliniek ook zeer goed op te volgen zijn, in de gewone praktijk zal men evenwel meestal adviseeren, het kind maar wakker te maken, als het 4 uur heeft geslapen, opdat de goede gang der huishouding geen stoornis ondervindt en de moeder niet veel te laat naar bed of midden in den nacht door een hongerigen zuigeling in hare rust wordt gestoord.”
Bl. 296. „Alles komt ten slotte hierop neer, dat bij de kunstmatige voeding van zuigelingen het eerste en laatste woord niet is aan de theorie, doch aan de praktische ervaring, die ons leert, dat het onmogelijk is, algemeen geldende voorschriften te geven, nog minder, die in toepassing te brengen. Steeds moet men individualiseeren, want wat bij den eenen zuigeling voortreffelijk gelukt, kan bij den anderen treurig mislukken.”
Bl. 297. „Steeds houde men in het oog, dat de methoden zijn gemaakt voor het kind en niet het kind voor de methoden.”
Dr. Cornelia de Lange. ‘De geestelijke en lichamelijke opvoeding van Het Kind, in vrije navolging van Prof. Biedert „Das Kind” ’. 1914.
Bl. 55. „Wanneer men dadelijk na de geboorte begint, de kinderen gedurende den nacht, dus ongeveer van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6 uur, geen voedsel te geven, dan schreeuwen zij de eerste twee, drie nachten erbarmelijk, maar dan zijn zij wijzer geworden en houden zich in de daaropvolgende nachten stil. De jonge ouders, die soms heelemaal ontdaan zijn door zulk een wreedheid, hebben daardoor het overtuigend bewijs, dat de opvoeding dadelijk na de geboorte moet beginnen en dat zij zich niet door hun gevoel mogen laten meeslepen. Het is vaak zeer moeilijk bij de opvoeding en het eischt een groote mate van wilskracht, om waar het noodig is, de liefde te laten zwijgen en zich te laten leiden door het verstand en de nuchtere rede, maar ter wille van het kind zelf, moet men steeds het gezag handhaven.”
Bl. 78. „Nog niet lang geleden werd aangeraden, de zuigelingen in de eerste levensweken om de 2 of 2½ uren te laten drinken, maar in de laatste jaren is men er meer en meer toe gekomen, de pauze tusschen twee maaltijden gedurende het eerste halve levensjaar 3 uur en daarna zelfs 4 uur te laten duren” .… „is het duidelijk, dat men de tijdsruimte tusschen twee maaltijden drie uren moet maken en het kind hoogstens 20 minuten mag laten drinken. Slaapt het langer dan 3 uren, dan laat men het rustig slapen, totdat het van zelf wakker wordt; wel is het wenschelijk het kind op een bepaald uur te wekken voor den laatsten maaltijd ’s avonds, opdat het aan dien tijd zal gewennen en niet ’s nachts op een of ander tijdstip zal wakker worden en verlangen te drinken.”
Bl. 79. „Tusschen 10 en 11 uur ’s avonds en 6 uur ’s morgens behoeft het kind niet gevoed te worden; dit is zoowel in het belang van de moeder, die haar ongestoorde nachtrust noodig heeft, als van het kind, welks spijsverteringsorganen evenzeer rust behoeven en dat dan tevens leert, dat de nacht er is om te slapen. Van dit régime moet men zich, zoolang het kind gezond is, niet laten afbrengen. Het kind krijgt dus 6 maaltijden; dat dit aantal voldoende is blijkt daaruit, dat ook kinderen, die van den beginne af slechts 5 maaltijden daags kregen, prachtig zijn gedijd.”
Dr. E. Gorter. ‘De voeding van gezonde en zieke zuigelingen.’ 1914.
In de voorrede schrijft Czerny: „Auch das Lehrbuch von Gorter bedeutet einen Fortschritt .… Die Erkenntnis von den groszen individuellen Unterschieden der Säuglinge und von den angeborenen krankhaften Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der Ernährungslehre des Säuglings zu verdringen.”
Bl. 17. „Vanaf den 2den levensdag zal men het kind aan de borst leggen. Men doet goed zich in den beginne nog maar door het kind te laten leiden en het als het schreeuwt aan de borst te leggen, met deze beperking evenwel, dat de tusschenpoozen niet korter dan 2 uur, en niet langer dan 4 uur worden en dat het ’s nachts 1–2 maal wordt aangelegd. Heel spoedig zal dan regelmaat worden ingesteld, zoodat het kind als het een week oud is al op vaste tijden, aanvankelijk alle 3 uur, wakker wordt om te drinken.
Bl. 25. „Men zal al heel gauw—na 2–6 weken—het kind kunnen wennen, om van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6 of 7 uur door te slapen, zoodat het dan nog slechts 5 maaltijden in de 24 uur krijgt .… Het is evenwel niet noodig, om het kind precies als het tijd is, wakker te maken voor zijn maaltijd. Maar voor een moeder, die nog andere bezigheden heeft, is het meestal wel erg prettig om precies te weten, wanneer het weer tijd is om haar kind te voeden .… Hoewel nu in de praktijk in de meerderheid der gevallen de resultaten van dit geringe aantal maaltijden voortreffelijk zijn, moet er toch op gewezen worden, dat men een enkele maal goed doet een uitzondering te maken en b.v. 6–7 maaltijden in 24 uur voor te schrijven. Soms groeien de kinderen bij 5 maaltijden onvoldoende en komen aanstonds bij voeding om de 3 uur weer flink aan.”
Dr. I. H. G. Carstens. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1912.
Deel I, bl. 611. Sprekende over gemengde voeding, zegt hij: „Individualiseeren is ook hier noodig, omdat de maximale zogproductie bij de eene vrouw bereikt wordt door een veelvuldig aanleggen van het kind, bij de andere door een minder veelvuldig zoogen.”
Dr. L. de Jager. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1914.
Deel III. Bl. 437. „Omtrent de voeding van den gezonden zuigeling heerscht in de verste verte geen overeenstemming van meening.”
Bl. 442. „Als een kind aan de borst is, gaat alles gewoonlijk goed, onverschillig of het kind volgens het boekje gevoed wordt, of geheel volgens het eigen inzicht van de moeder.”
Bl. 443. „Er is kentering; men begint ook in Duitschland in te zien, dat de pauze van 4 uur misschien te lang is; het staat vast, dat deze officieele pauze tot 3 uur zal worden teruggebracht en nu ben ik overtuigd, dat, nu er reactie komt, iemand zal opstaan en aan zijn kliniek de pauze nog meer zal inkorten, zoodat we vermoedelijk binnen niet al te langen tijd zullen vernemen, dat een zuigeling alle 2 uur behoort te worden gevoed .… maar wat in het algemeen het beste is, weet ik niet, en ik meen te durven beweren, dat een ander het ook niet weet.”
Prof. G. C. Nijhoff. ‘Het boek voor jonge moeders.’ 1912.
Bl. 130. „Het is volstrekt noodzakelijk dat het kind op regelmatige tijden gezoogd wordt, met tusschenruimten van minstens 2, liefst 2½ à 3 uur, en dat het, zoo mogelijk, ’s nachts doorslaapt .… In de eerste dagen na de geboorte mag het kind worden aangelegd zoodra het schreeuwt, onverschillig of het dag of nacht is. Lang mag dit tijdperk van ongeregeldheid echter niet duren. Reeds in de tweede week moet het kind overdag opgenomen en aan de borst gelegd worden, wanneer het ruim 2 uur geslapen heeft. Wordt het in dezen tijd ’s nachts wakker, dan moet door de verpleegster worden nagezien of het kind iets hindert. Wordt het na het verdrogen niet rustig dan mag het een of twee theelepeltjes water hebben, maar met het geven van de borst wordt telkens iets langer gewacht. Op deze wijze kan elk kind binnen den tijd dat de kraamverpleegster in huis is, zóó worden gewend dat het ’s nachts 6–7 uur slaapt en overdag 6–7 maal de borst krijgt.
Prof. H. Treub. ‘Leerboek der verloskunde.’ 1913.
Bl. 366. „Ten slotte de voeding. Onverschillig of het kind het natuurlijke voedsel, de moedermelk, dan wel eenigerlei kunstmatig voedsel krijgt, zijn er algemeene regels te geven, waaraan men zich hierbij zal hebben te houden. En wel vooreerst wat betreft de frequentie der maaltijden. In de eerste 1½ à 2 weken geeft men het kind voedsel als het er om vraagt, d.w.z. schreeuwt. Daarna gewent men het kind aan regelmaat, door het, onverschillig of het schreeuwt of niet, overdag om de twee uren op te nemen en te voeden, terwijl het ’s nachts alleen voedsel krijgt, als het schreeuwt. Langzamerhand, als het kind meer kan gaan drinken, maakt men de tusschenpoozen wat grooter, zoodat in de vierde à vijfde week het kind slechts om de 3 uur gevoed wordt.”
Prof. G. Scheltema. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1914.
Deel III. Bl. 613. „Misschien wordt het schema dikwijls te veel over de zuigelingen losgelaten en verdient het aanbeveling om hunne lust- en onlust-uitingen in zake voedselbehoefte meer te volgen. Bij natuurlijk gevoede kinderen kan men dit in elk geval gewoonlijk ongestraft doen; voor de onnatuurlijk gevoede zal men toch wel eenige paal en perk moeten stellen aan de avontuurlijke handelingen van hen, die men dan zonder leiding maar op de bevrediging van zoogenaamde voedselbehoefte van het kind, dat identiek wordt geacht met elk schreien, loslaat.”
Arts Tijdens. ‘Kraamverpleging en voeding van het kind in het eerste levensjaar.’ Tweede druk. 1917.
Bl. 73. „Na het zoogen wordt het kind telkens dadelijk weggelegd, en dan mag het, gelijk in het vorig hoofdstuk gezegd, den 1en en den 2en dag zoolang slapen, als het verkiest; wordt het wakker, zoo krijgt het (niet binnen 3 uur!) telkens de andere borst (eerst ’t kind droogleggen!), en mag daarna weer rustig doorslapen. Den 3en dag—gelijk ook reeds gezegd—begint de reiniging en voeding op geregelde tijden: als regel stelle men, dat het gezonde borstkind overdag alle 3 à 4 uren opgenomen, drooggelegd en aan de borst gevoed wordt,—dat is dus: hoogstens 5 keer per dag,—en dat het in den eersten tijd nog één keer ’s avonds laat en één keer ’s nachts de borst krijgt,—in ’t geheel dus hoogstens 7 keer per 24 uur. Spoedig echter is het wenschelijk de voeding ’s nachts tot één keer te beperken. Het is van groot belang zich aan dezen regel te houden, zoowel voor de kraamvrouw als voor het kind.”
Bl. 75. „Ook in de volgende dagen, weken, maanden ga men met de reiniging en de voeding van het kind op dezelfde regelmatige wijze voort, gelijk boven voor de eerste dagen is aangegeven, en wel: Van af de 2e tot de 5e of 6e maand: hoogstens 5 maal per dag, en één maal ’s avonds laat. Voor de rust van de moeder en van het kind is het wenschelijk, gelijk ook reeds gezegd, om het voeden bij nacht spoedig achterwege te laten. Verder voede men: vanaf de 5e of 6e maand: hoogstens 5 × per 24 uur.”
Bl. 76. „De kinderen vertoonen zóó groote individueele verschillen, zoowel wat hunne behoefte aan voedsel als aan rust aangaat, alsook in alle overige eigenschappen,—dat men elk kind afzonderlijk nauwgezet moet waarnemen, en men nauwkeurig op zijne bijzondere behoeften en eigenaardigheden moet letten, om daaruit eene aanwijzing te putten voor den, voor elk kind vast te stellen leefregel.
Geleid door een drang tot schematisme zijn wij vaak geneigd van het kind enkel plichten te eischen, zonder hem rechten toe te staan. Het kind is een geboren egoïst, en kent slechts rechten, geen plichten.
Reeds in de eerste levensdagen beproeft het door schreeuwen zijn wil door te zetten. Is hem dit één keer gelukt, dan laat hij zich daar niet gemakkelijk weer af brengen, maar eigent zich steeds meer rechten toe; behalve om eten, schreeuwt het spoedig om opgenomen en op den arm rondgedragen te worden of om de aandacht te trekken, en om tallooze dingen meer: hij wordt een kleine tiran, die de geheele huishouding regeert.
Onze taak is het, hierin het kind te leiden, en het binnen de perken te houden naar de gebleken individueele eigenaardigheden en behoeften.
Men zal dan, om eenig resultaat te bereiken,—afgezien van het schreeuwuurtje, dat men het kind zal laten,—een zekere regelmaat in alles moeten invoeren, teneinde het kind plichten te leeren—en zelf niet de slaaf van den zuigeling te worden.
Eene verstandige moeder zal in het gegeven schema den juisten weg weten te vinden.”
Dr. N. Knapper Czn. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde’. 1915.
Deel IV. Bl. 468. „Telkens weer dringt de vraag naar voren: worden de persoonlijke eigenaardigheden van het kind wel voldoende in acht genomen, wordt niet te veel en telkens getracht om aan stelsels en tabellen te onderwerpen, wat toch even dikwijls weer van nature ongenegen blijkt om zich hieraan te houden? Juist het groote aantal steeds wisselende opvattingen—die maar al te weinig overeenkomen, dikwijls zelfs met elkaar in lijnrechte tegenspraak zijn—dwingt telkens weer de eisch op den voorgrond om te individualiseeren, om vóór alles na te gaan hoe een bepaald kind uit zich zelf zich gedraagt ten opzichte van de wijze van voedselopname, de hoeveelheden, de voedingstijden enz. Rietschel zegt niet ten onrechte: „de methode voor voeding aan de borst gedurende de eerste weken moet eene individueele zijn; feitelijk moet het kind zelf ons den weg wijzen, in dien zin, dat wij hem—d.w.z. iederen zuigeling afzonderlijk—bestudeeren, om allereerst van hem gewaar te worden, bij hem waar te nemen, wat hij verlangt, wat hij krachtens zijne constitutie voor zijne harmonische ontwikkeling behoeft.”
Dr. Knapper begint zijn artikel: ‘Over zogvoeding en individualiteit’ met de volgende zinsneden: „Al zijn er nog geen verschijnselen die er op wijzen, dat men in ’t algemeen weer gaat afwijken van het sinds lang aangenomene en door de goede resultaten gesanctioneerde voorschrift: Regel de voeding van het kind naar maat, gewicht en tijd, met regelmaat en orde, toch begint zoo hier en daar de ondervinding zich uit te spreken dat bij deze dressuur toch vooral het persoonlijke niet te sterk op den achtergrond behoort te worden geschoven. Ik herinner slechts aan het belangwekkende artikel over Moderne Zuigelingendiethetik van Halberstadt in het Monatschrift für Kinderheilkunde, door collega de Jager in dit tijdschrift aangehaald, en aan de reeks artikelen „Over het voeden van zuigelingen” in ’t Medisch Weekblad, van de hand van Dr. C. N. van de Poll, den vrouwenarts, die op grond van jarenlange waarneming van zoogende moeders en zuigende kinderen zich over de dressuur van den zuigeling eene persoonlijke meening heeft trachten te vormen.”
Op bl. 476 spreekt hij over „de wenschelijkheid, de eisch bijna, om vooral bij de borstvoeding toch niet te veel te willen maatregelen, omdat de natuur zelve—om ’t zoo uit te drukken—„wel weet wat zij doet.” Men kan een en ander gerust op zijn beloop laten—tot zekere grenzen natuurlijk—al valt het soms geheel anders uit dan men „volgens ’t boekje” verwachten zou.”
Omtrent de cijfers, welke ‘een gemiddelde’ aangeven, voor de hoeveelheid voedsel welke een borstkind, volgens officieele voorschriften, hebben mag, zegt hij (bl. 477): „Al hebben zij eene zekere waarde als leidraad, speciaal bij de onnatuurlijke voeding, bij de natuurlijke voeding behoort liefst de eigen persoonlijkheid van den zuigeling te gaan boven de leer.”
Dr. C. N. van de Poll. ‘Medisch Weekblad’. 1915.
„Het pasgeboren kind, en gedurende eenigen tijd ook de zuigeling, is nog niet als mensch te beschouwen, doch als een jong dier, waarbij wij niet uit het oog hebben te verliezen, dat het als zoodanig in bijzonder ongunstige omstandigheden verkeert, omdat het niet zelf de moederborst kan gaan opzoeken, zooals pasgeboren dieren dat reeds spoedig doen. Het menschelijk dier geeft door schreeuwen te kennen, dat het behoefte aan voedsel heeft, en daarop heeft de moeder te letten niet alleen, maar heeft zich, in vele opzichten, opofferingen voor haar hulpbehoevend kind te getroosten.
Zal men nu, waar allerwege erkend wordt, dat er zoovele en vaak groote individueele verschillen zijn, daarmede rekening hebben te houden of niet? Wie de citaten, door mij gegeven, oplettend nagaat, ziet dat, ofschoon vrij wel alle schrijvers trachten een voor alle kinderen geldenden regel te geven, telkens gewag gemaakt wordt van uitzonderingen, omdat nu eenmaal de kinderen zich niet schikken naar de schemata, die, ondanks de bewering van Czerny: „Die Erkenntnis von den grossen individuellen Unterschieden der Säuglinge und von den angeborenen krankhaften Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der Ernährungslehre des Säuglings zu verdrängen”, toch onophoudelijk worden opgesteld. Ik begrijp, dat regels en voorschriften voor voeding, voedingstijden en hoeveelheden per maaltijd noodzakelijk zijn in weeshuizen, kazernes enz., waar een groot aantal personen moet gevoed worden. Het is niet doenlijk, daar toe te geven aan individueele verlangens, maar voor pasgeborenen en zuigelingen is het anders. Juist voor die hulpelooze schepseltjes is het noodig rekening te houden met allerlei omstandigheden, zoo van lichamelijken als van geestelijken aard, zooals dat ook noodig is bij het opvoeden van kinderen. Alle ouders kunnen weten, hoe het bij de opvoeding van het hoogste belang is, te letten op karakter-eigenschappen, om in verband daarmede b.v. goed- en afkeuringen, belooningen en bestraffingen in te richten. Van niet minder gewicht acht ik het, reeds van den beginne af, ook voor de voeding op te letten, wat voor ieder kind noodig en nuttig blijken kan, in verband met zijn eigen aard, met zijne eigenaardigheden, en dat zonder geleerdheid of wat daarvoor moet doorgaan. Uit de citaten is wel op te maken, dat het met algemeene regels maar niet lukken wil.”
.… „Naar mijne meening is het zeer goed mogelijk, met inachtnemen van aanwijzingen, door de natuur gegeven, eene betrekkelijke regelmaat bij de voeding van den zuigeling te verkrijgen, zonder dat men in de fout van eenzijdige stelselmatigheid vervalt.… Eene ‘betrekkelijke’ regelmaat, want verder zal men het nooit brengen. Wanneer in den beginne de verpleegster, of welken titel de helpster moge dragen, in overleg met de moeder, vooral waar het haar eerste kind betreft, later de moeder alleen, den zuigeling oplettend gadeslaat in al zijne verrichtingen, zal het—ook al weder betrekkelijk—gemakkelijk zijn te bespeuren, wanneer het kind voedsel verlangt. Juist zij, die dagelijks met den kleine verkeeren, en zeker het meest de moeder, weten reeds spoedig te vertellen van kleinigheden die zij opmerkten, en, in aansluiting daaraan, aan te geven, in welke richting de zuigeling zijne eigenaardigheden vertoont. Laat men nu het kind, met betrekking tot zijn hongergevoel, volkomen vrijheid, dan zal blijken, dat het eene kind, zooals ook de literatuur doet zien, meer of minder groote verschillen openbaart met het andere, maar ook, dat het gewoonlijk zijn buikje vol drinkt, daarna, althans in den aanvang, in slaap valt, eenigen tijd daarna wakker wordt, en weder om voedsel vraagt, iets dat zich met meer of minder regelmaat herhaalt”.
.… Sedert geruimen tijd heb ik, waar mij de gelegenheid daartoe gegeven werd, in dezen geest (de zaak aan het kind zelf over te laten) gehandeld, en tot mijn genoegen mogen ondervinden, dat de kinderen prachtig groeiden, geen of onbelangrijke stoornissen vertoonden, en, op verschillende tijdstippen, tot eene regelmaat kwamen, waarvan de moeder in hare huiselijke ordeningen geen hinder ondervond. Wel is waar moest in de eerste weken de moeder doen, waarop ik boven doelde, namelijk zich opofferingen voor haar kind getroosten, maar de belooning bleef dan ook niet uit. In overleg met de moeder handelende, werden de gunstigste resultaten verkregen. Wat kan men meer verlangen?”
G. Oosterbaan, arts. ‘Lichamelijke opvoeding’. 1920.
Bl. 47. „Nooit mag afgeweken worden van den regel, dat tusschen twee maaltijden minstens ongeveer drie uren verloopen moeten.
Wordt het kind binnen drie uren nadat het gevoed is wakker en is het dan lastig, schreit het pijnlijk, dan is, tenzij de hoeveelheid opgenomen voedsel onvoldoende was, honger niet de oorzaak. Naar de aanleiding van het schreien moet dan gezocht worden (zie bl. 37); in geen geval mag men het kind, ten einde het stil te krijgen, de borst reiken. Was deze regel reeds vroeger niet stipt opgevolgd, dan bestaat er groote kans, dat reeds een begin van gestoorde spijsvertering aanwezig is, en dat juist daarin de oorzaak van het schreien is gelegen. Dan zal men door het geven van nieuw voedsel slechts de kwaal verergeren, de aanleiding tot het schreien sterker maken in plaats van haar weg te nemen.
Evenmin mag men het kind, al zijn drie uren na de laatste voedselopname verloopen, wakker maken om het te voeden. Blijft het doorslapen, dan bewijst dat, dat het nog geen behoefte aan voedsel heeft. Zoodra die behoefte komt, wordt het wakker en zal het gaan schreien.
Het aantal maaltijden, dat een kind moet hebben, bedraagt gedurende het geheele eerste levensjaar gemiddeld zes per 24 uur. In de eerste weken zal het elke 3 à 3½ uur zijn voedsel opvragen (met uitzondering van de eerste dagen, waarin het dikwijls veel langer achtereen slaapt), zonder onderscheid te maken tusschen dag en nacht. Later verlangt het des nachts minder vaak, spoedig in het geheel geen voedsel. Het is van groot belang voor het kind zoover te komen, omdat dan de maag gedurende de nachturen haar noodige rust krijgt.
Is het kind ongeveer drie weken oud, dan moet de regelmaat bij de voeding reeds verkregen zijn. Het krijgt dan des morgens tusschen 6 en 7 uur zijn eersten maaltijd; verder alle 3 uren, zoodat het des avonds tusschen 6 en 7 uur zijn 5den maaltijd geniet. Dan begint voor het kind de nacht, die ongeveer 12 uren duurt. Gedurende dien tijd kan het eerst tweemaal, gemiddeld van het begin der vierde maand af éénmaal worden gevoed. Het beste is dien eenen nachtmaaltijd des avonds tusschen 10 en 11 uur te geven, waardoor voor moeder en kind een voldoende tijd voor de nachtrust overblijft.
De praktijk eischt hier afwijking van den regel, dat men het kind niet uit zijn slaap mag wekken ten einde het te voeden. Het groote belang, dat er in gelegen is om een voldoenden rusttijd te krijgen, weegt zwaarder dan die fout; vooral omdat dan toch de sedert de laatste voedselopname verloopen tijd groot genoeg is, om zeker te zijn dat het kind zonder schade weer opnieuw kan gezoogd worden.
In het algemeen gaan bij te vroeg geboren kinderen de hier gegeven regels niet op. Zij moeten telkens, wanneer ze drie uur geslapen hebben, gewekt en gezoogd worden.
Tracht men zoo stipt mogelijk de regelmaat bij de voeding in acht te nemen, dan zal het kind spoedig aan dien regel gewennen en zal het wakker worden, wanneer de tijd voor de voeding gekomen is. Ook zal het spoedig elken avond omstreeks 10 à 11 uur onrustig worden of geheel ontwaken, wanneer het steeds op dien tijd zijn voedsel ontvangt.
Wordt zulk een kind wakker vóór de noodige tijd sedert den laatsten maaltijd verstreken is, dan zal het zoet blijven liggen en niet gaan schreien, zooals het geval is met niet aan regelmaat gewende en verwende kinderen. Mocht het in het begin soms voorkomen, dat het kind schreit vóór het gevoed worden mag, dan late men het schreien tot zijn tijd gekomen is en toone in geen geval misplaatst medelijden, doch blijve standvastig weigeren het kind voedsel te geven, een schijnbare wreedheid, die echter slechts kan strekken tot heil van moeder en zuigeling.”
Fransche schrijvers.
Dr. P. Lassablière. ‘Hygiène du premier âge’. 1913.
Bl. 109. „Dès les premiers jours, il convient d’habituer l’enfant à une grande régularité dans ses repas. Ni ses cris ni les supplications de l’entourage ne doivent faire fléchir cette règle absolue.
Le premier mois, l’enfant devra être mis au sein, à partir de cinq heures du matin, toutes les deux heures et demie; il recevra ainsi neuf tétées en vingt-quatre heures. Le deuxième mois, on supprimera une tétée. À partir du sixième mois, il prendra sept tétées en vingt-quatre heures, une tétée toutes les trois heures. Il faut, le plus tôt possible, éviter à la mère la tétée de la nuit qui est pour elle l’interruption d’un repos bien gagné et souvent une fatigue; l’intérêt de l’enfant commande ce repos d’ou dépend la bonne qualité. Le nombre et l’intervalle des tétées peuvent être modifiés cependant, par le médecin suivant le cas.
La durée des tétées dépend de l’appétit de l’enfant et de la valeur de la mère comme nourrice. En moyen, les tétées doivent être d’un quart d’heure. Il y a intérêt à laisser reposer un peu l’enfant au milieu d’une tétée. Si l’enfant est glouton, on suspendra la tétée au bout de trois à cinq minutes.
La quantité de lait que doit prendre un enfant dépend également de sa vigueur physique et de la richesse nutritive du lait maternel; il n’y a donc pas de règle absolue pour fixer la quantité exacte de lait que doit absorber un enfant.”
Bl. 194. „Allaitement artificiel. Le tableau suivant donne les quantités de lait par biberon et par vingt-quatre heures. Là, plus qu’ailleurs, il n’y a pas de règle absolue. C’est au médecin d’apprécier.”
P. Nobécourt. ‘Conférences pratiques sur l’alimentation des nourrissons.’ 2e Edition. 1914.
Bl. 33. „Allaitement naturel. Si on ouvre les ouvrages qui traitent de l’allaitement, on est frappé par les divergences qui existent entre les auteurs sur le nombre des tétées et sur les quantités de lait qu’il convient d’autoriser. Elles se rencontrent non seulement dans des livres d’époques différentes, mais encore dans ceux qui sont contemporains. Comme, sans aucun doute, chaque auteur préconise les règles, qui, dans sa pratique, lui ont donné de bons résultats pour l’élevage des nourrissons, on serait tenté d’en conclure à l’absence de toute règle véritable. Ce serait évidemment exagéré. Il existe des données générales qui doivent guider le médecin; mais ces données n’ont rien d’absolu et nous verrons, chemin faisant, les tempéraments qu’il convient de leur apporter.”
Bl. 41. „Il ne faut donc pas s’attacher à fixer avec une trop grande minutie la ration alimentaire d’un nourisson au sein; on aurait ainsi bien des déconvenues. Il faut dire que l’enfant doit ingérer approximativement telle quantité de lait; mais, prenant la ration théorique comme base, procéder par tâtonnement, comme le conseillait Budin, en tenant compte des fonctions digestives, de la croissance et de l’état général. Il faut se garder toutefois d’être trop timoré; si le bébé digère bien et se développe régulièrement, il faut le laisser téter suivant son appétit, se bornant à le modérer, s’il est trop vorace, à le stimuler, s’il prend trop peu. La quantité de lait qu’il prendra sera pour lui, en général, la ration optima.”
Bl. 47. „Quand le bébé est normal et se développe régulièrement, il importe moins de se préoccuper de la ration que de fixer le nombre et les intervalles des tétées.”
Bl. 82. „Comme l’a exposé fort justement le Pr. Maurel, il n’y a pas de rations normales, mais des rations conventionnelles moyennes, appropriées à des sujets donnés dans des conditions convenues; la ration est „toujours personnelle, de plus, même pour une personne, elle ne correspond qu’à une période de temps divisée et quelquefois très courte.” Quand on parle de rations trop fortes ou de laits trop riches, il faut tenir compte des modalités particulières à chaque enfant. Tous n’ont pas la même capacité digestive ni la même activité nutritive, même à conditions égales d’âge, de taille ou de poids. „Chaque organisme, écrit M. A. Lesage, à sa personnalité, son coefficient de fixation. Chaque nourrisson tire un parti différent d’un même aliment. Vouloir identifier tous les enfants est une utopie.”
Bl. 139. „Technique de l’allaitement artificiel. L’allaitement artificiel ne peut en effet réussir que s’il reste sous le contrôle répété du médecin; comme je vous l’ai dit et comme nous allons le voir encore, les quantités de lait nécessaires aux enfants ne sont pas adéquates à les âges, elles doivent varier suivant les indications par l’examen clinique.”
Bl. 141. „La tétée doit durer une dizaine de minutes.”
Bl. 145. „La radioscopie ayant montré à M.M. Leven et Barret que le lait de vache quitte l’estomac, en général, aussi rapidement que le lait de femme, on peut donner autant de biberons que de tétées dans l’allaitement naturel, et aux mêmes intervalles, c’est-à-dire:
De la naissance à 3 mois 8 biberons espacés de 2h. 30.
De,, 3 à 6 mois 7 biberons,, espacés,, de,, 3h.,,
De,, 6 à 9 mois,, 6 biberons,, espacés,, de,, 3h.,,
… il n’y a d’ailleurs pas de règle absolue: M. Marfan conseille 7 biberons jusqu’è cinq mois, 6 ensuite; M. Variot 9 biberons jusqu’à un mois, 7 biberons jusqu’à quatre mois, 5 biberons ensuite.”
Bl. 148. „En présence des faits dissemblables que je viens de vous exposer, la conclusion déjà posée à propos de l’allaitement naturel s’impose: il n’y a pas de règle absolue pour l’alimentation artificielle des nourrissons. Chaque nourrisson a son individualité physiologique et demande une ration qui lui est particulière. Il faut procéder par tâtonnements”.
Dr. J. Andérodias. ‘La pratique des maladies des enfants.’ 1909. I. par A. B. Marfan, J. Andérodias et René Cruchet.
Bl. 244. „Pendant le période qui procède la montée de lait, il n’est pas utile de mettre très souvent l’enfant au sein. La seconde tétée aura lieu trois ou quatre heures après la première, et, jusqu’au troisième jour, on laissera cet intervalle entre les tétées. Lorsque la montée du lait s’effectue, les seins deviennent durs, tendus, et le mamelon diminue de longueur. Dans ces conditions, il ne faut pas laisser un intervalle aussi considérable entre les tétées; les seins seront donc vidés plus souvent, afin que l’enfant n’ait pas de trop grandes difficultés pour prendre le mamelon. On le mettra donc au sein toutes les deux heures d’une façon très régulière. Cet intervalle doit être considéré comme physiologique pendant le premier mois, car la digestion dure un peu moins que ce laps de temps.… A partir du deuxième mois, il sera bon d’espacer les tétées toutes les deux heures et demie, de façon à laisser reposer la mère un peu plus longtemps. Enfin, vers le quatrième mois, l’enfant ne prendra plus que toutes les trois heures.”
Bl. 245. „Dans les premiers temps, certains enfants sont très paresseux et mettent longtemps pour téter, plus d’une demi-heure quelquefois. Dans ces conditions, il est très difficile de leur donner toutes les deux heures: on espacera les tétées toutes les deux heures et demie ou trois heures.”
Bl. 246. „Si on a affaire à un enfant bien portant, qui augmente d’une façon régulière, et si la mère a suffisamment de lait, on peut se dispenser de la réveiller. Si au contraire le nourrisson est petit, tète mal et si la mère est médiocre nourrice, il faut réveiller l’enfant trop dormeur.… Si, en effect, l’enfant dort trop pendant le jour et n’a pas ses tétées réglementaires, la nuit il aura faim, restera éveillé, criera, et l’on verra cette anomalie d’un enfant qui dort une partie de la journée, ne tétant que quatre ou cinq fois, et reste toute la nuit suspendu au sein.”
„Nous venons de dire que le nourrisson ne doit pas téter toute la nuit. Mais est-il nécessaire de le faire téter à intervalles réguliers? Si l’enfant ne se réveille pas, il est tout à fait inutile de lui donner le sein, surtout quand il est vigoureux et bien portant. On l’habitue ainsi a être sevré la nuit. Lorsque, au contraire, l’enfant se réveille et crie, si on a affaire à un enfant chétif et qui se développe mal, on lui donne une fois la nuit, à peu prés à intervalle égal entre la dernière tétée du soir et la première du matin. Cette tétée de la nuit sera continuée seulement pendant un mois ou deux. Si l’enfant se réveille et crie plusieurs fois dans la même nuit, on n’hésitera pas, s’il est suffisamment nourri, à le laisser crier.”
Dr. J. Donnadieu. ‘Pour lire en attendant Bébé’, 8ième édition. 1916.
Bl. 31. „De très bonne heure, dès la fin de la première semaine, vous réglerez rigoureusement l’heure des repas de l’enfant; vous le mettrez au sein toutes les deux heures le jour. Pendant le premier mois seulement vous lui donnerez deux tétées par nuit, dès le second mois, une seule.
Si vous ne suivez pas courageusement cette règle, votre enfant sera difficile à élever, il passera ses jours et surtout ses nuits à pleurer et à téter, vous privant ainsi de tout repos, et compromettant directement votre santé et indirectement la sienne.”
Bl. 32/33. „C’est surtout la nuit que vous apprécierez le repos que vous laissera votre enfant en dehors de l’unique tétée que vous lui donnerez jusqu’à l’âge de quatre mois.
.… Des le cinquième mois, l’enfant ne tétera plus la nuit.”
Bl. 34. „Quand l’enfant aura près de trois mois, pendant le jour, éloignez le moment des tétées; un repas toutes les deux heures et demie d’abord, puis toutes les trois heures, sera suffisant, d’autant plus qu’à cet âge, son estomac s’étant développé, il prendra chaque fois une plus grande quantité de lait qui demandera un temps plus long pour la digestion.”
Bl. 35. „On rencontre quelquefois des mamans qui vous disent: „Docteur, il m’est impossible de faire téter mon enfant toutes les deux heures, car il fait des sommeils ininterrompus de quatre et cinq heures.” On est tenté d’ajouter: qui dort dîne. Le proverbe est ici en défaut, et pour ces enfants paresseux, dormeurs, je réclame plus énergiquement encore la régularité des repas, toutes les deux heures d’abord, toutes les trois heures ensuite.
.… Quand l’heure du repas a sonné, levez votre petit endormi, secouez-le un peu pour l’éveiller, mettez-le au sein, qu’il tète et se rendorme après, il n’a pas autre chose à faire, téter et dormir.
En résumé, un tout jeune enfant doit téter une disaine de fois dans les 24 heures, puis, à mesure qu’il grandit, on diminue le nombre des tétées ou des biberons, en les espaçant, de façon que, vers la fin du huitième mois, il ne tète plus que six fois.
Un enfant vigoureux doit faire son repas en dix ou douze minutes.”
Bl. 38. „Donnerez-vous les deux seins à chaque tétée? Oui, car il est inutile de laisser distendre un sein en le laissant se remplir de lait pendant quatre heures, il vaut mieux les vider tous les deux à moitié à chaque tétée.”
Bl. 66. „Allaitement au biberon. 1er jour: nombre des tétées 10; 4me jour, 10; 2me semaine 10; 3me et 4me semaine 9; 2me mois, 9; 3me mois 8; 4me mois 8; 6me mois 7; 9me mois 6.”
Prof. Dr. A. Pinard. ‘La Puériculture du premier âge’. 1916.
Bl. 68. „Le nombre des tétées doit être de six à huit dans les 24 heures. Elles doivent être espacées de la façon suivante: toutes les deux ou trois heures pendant la journée avec un repos, pour la maman et le bébé, de six à huit heures pendant la nuit.”
Bl. 69. „La durée de chaque tétée doit être d’un quart d’heure environ. D’une façon générale, on ne doit pas interrompre le sommeil d’un nouveau-né bien portant pour le faire téter. Si le sommeil a duré plus de trois heures dans la journée, on rapprochera ensuite les tétées.
Rien n’est plus variable que la quantité de lait prise au sein de sa maman par chaque bébé.”
Prof. Dr. A. Auvard. ‘Le nouveau-né’ 7ième édition. 1917.
Bl. 196. „Allaitement naturel. A partir du quatrième jour, régler autant que possible les tétées de la façon suivante:
Premier Semestre:
Trois premiers mois Le jour, une tétée toutes les deux heures.

La nuit (c’est-à-dire environ de 8 heures du soir à 8 heures du matin), une tétée toutes les quatre heures.
Trois mois suivants Le jour, une tétée toutes les trois heures.

La nuit une tétée toutes les six heures.
Second Semestre: Le jour, une tétée toutes les trois heures; remplacer deux tétées par une soupe chaque fois. (Par exemple, 8 heures matin: tétée.—11 heures: soupe.—2 heures soir: tétée.—5 heures: soupe.—8 heures: tétée.
La nuit, une seule, tétée, qu’on peut même arriver à supprimer.
Troisième Semestre: Le jour, une tétée toutes les trois heures; en remplacer deux à trois par les aliments, qui seront indiqués ultérieurement.
Supprimer la tétée de la nuit.”
Bl. 200. „Les rations. (Je rappelle que ces chiffres ne représentent que des moyennes approximatives, qui varient avec chaque mère, avec chaque enfant, et aussi avec une série de circonstances laissées à l’appréciation du médecin).”
Bl. 245. „Allaitement artificiel. On donnera une tétée toutes les deux heures (de 8 à 10 tétées par 24 heures).”
„On peut arriver, après deux ou trois mois, à supprimer la tétée de nuit.”
Mme. Le Dr. Cl. Mulon. ‘Manuel élémentaire de puériculture’. Préface du Pr. Marfan. 1920.
Bl. 57. „il faut qu’il soit baigné chaque jour, qu’il ait des repas très réguliers.”
Bl. 59. „Un enfant bien dressé doit dormir et laisser dormir ses parents entre 9 heures du soir et 6 heures du matin. Il prend cette habitude en quelques jours si on ne cède pas à ses cris. Il est plus long de dresser un bébé de quelques mois qu’un nouveau-né; on y parvient cependant avec la persévérance. On peut y parvenir plus vite en donnant un biberon d’eau bouillie pour calmer les cris et déshabituer l’estomac de secréter des sucs digestifs la nuit.”
Bl. 80. „Il faut régler les enfants dès le début de la vie, pour l’alimentation comme pour le sommeil. L’éducation ne saurait commencer trop tôt. Quand un bébé vient de naître, après l’avoir nettoyé et habillé, on le met à dormir dans son lit.… (De moeder gaat ook slapen).
.… Donc, la mère et l’enfant reposent, nous allons les laisser ainsi 3 à 5 heures, non pas 24 heures comme on disait autrefois.”
Bl. 81. „Ensuite, nous allons mettre l’enfant au sein toutes les 2 heures pendant quelques minutes pour faciliter la montée laiteuse, qui se fera ainsi en 48 à 60 heures environ. Nous devons l’aider. L’enfant prendra très peu de choses; il n’a pas besoin d’un long repas, mais ainsi nous éviterons à la mère la tension douloureuse des seins qui accompagne la montée laiteuse mal surveillée.
Dès le 3e jour, l’enfant ne tétera plus que toutes les deux heures ½. Mais, je vous en prie, apprenez-lui de suite à ne pas téter la nuit. On peut très bien le dresser ainsi d’emblée, quoiqu’en pensent les mères. Et il n’ en meurt pas. Ce sont des idées un peu nouvelles, mais elles sont fondées sur l’expérience de beaucoup de maîtres, sur la mienne aussi. Quoi’qu’elle ne soit pas séculaire, je suis tout à fait sûre, qu’on arrive à élever des enfants ainsi et que la maman se porte mieux, ceci est vrai surtout pour la femme qui travaille. Combien de malheureuses ouvrières qui, ayant besogné toute la journée, passent encore leurs nuits à allaiter, parce que leur enfant crie, alors qu’un enfant bien dressé peut ne pas boire du tout entre 10 heures du soir et 6 heures du matin”.
Bl. 82. „En passant, je vous signale un petit moyen pour déshabituer un enfant mal dressé de téter la nuit. La mère vous dît: Je ne peux pas l’empêcher de crier la nuit. Eh bien, il suffira de remplacer cette tétée nocturne par un biberon d’eau bouillie.
Ainsi l’enfant se déshabituera de secréter du suc gastrique à cette heure anormale et il ne demandera plus à téter la nuit.
Quelquefois cependant, quand l’enfant est petit, un ch’tiot, comme on dit dans le Morvan, il faut le laisser téter la nuit une à trois fois, pendant quelques semaines, parce qu’il n’a pas la force de téter, il ne prend pas assez, et la secrétion lactée se tarirait.”
Duitsche schrijvers.
Dr. Julius Lang. ‘Aertzlicher Rathgeber für Frauen.’ 1892.
Bl. 46.… so soll es vom ersten Tage an als feststehendes Gesetz gelten, dass das Darreichen der Brust nur in Zwischenräumen von mindestens drei Stunden zu geschehen hat.… was aber nur für den Tag gilt. Zur Nacht muss das Anlegen auf ein zweimaliges eingeschränkt werden; später genügt wohl auch ein einmaliges Darreichen der Brust und allmählich ist danach zu streben, dass der Säugling die ganze Nacht ohne Nahrung zubringt und höchstens werde ihm etwas Wasser gereicht.”
Prof. F. Ahlfeld. ‘Lehrbuch der Geburtshilfe.’ 1903.
Bl. 207. „Tagsüber tut man gut, alle 2 bis 3 Stunden das Kind anzulegen; nachts lässt man es so lange schlafen, wie es schläft. Indem man tagsüber pünktlich genau die Stunden einhält, das Kind zu dem Zwecke selbst weckt, die Nacht aber, auch wenn das Kind schreien sollte, es erst eine Zeit schreien lässt und erst es einmal trocken legt, ehe man ihm die Brust bietet, gelangt das Kind durch Gewohnung bald dahin, tagsüber sich pünktlich zum Trinken zu melden, nachts aber immer länger zu schlafen, schliesslich durchzuschlafen.”
Dr. Engel. ‘Pfaundler und Schlossmann’s Handbuch der Kinderheilkunde.’ 1910. I.
Bl. 170. „Eine gesunde, normale Frau kann ihr Kind ohne jede Anweisung nähren. Nahrungsbedarf und Milchproduktion stellen sich aufeinander ein; das Kind selbst bestimmt durch die Dauer des Schlafes die Trinkpause.”
Dr. W. Camerer. ‘Pfaundler und Schlossmann’s Handbuch der Kinderheilkunde.’ 1910. I.
Bl. 204. „Ueber 7 mal in 24 Stunden oder, wie es noch vielfach Sitte ist, zweistündlich die Brust zu geben, ist auch bei mangelnder Milchsekretion und schwächlichen Kindern unzweckmäszig, schon aus dem Grunde, weil man hierzu häufig ihren Schlaf unterbrechen müszte. Am zweckmäszigsten ist, 5–6 mal in 24 Stunden anzulegen.”
Bl. 206. „Wenn es auch zu widerraten ist, ein Kind zum Zweck der Nahrungsaufnahme aus dem Schlaf zu wecken, so empfiehlt es sich doch sehr, schon von Anfang an die festgesetzten Zeiten möglichst ein zu halten, und es ist erstaunlich, wieviel man schon in den ersten Lebenswochen durch Erziehung erreichen kann. Das Kind soll so gewöhnt werden, dasz es in der 1. Woche tagsüber etwa alle dreiundeinhalb Stunden angelegt wird, während man bei Nacht eine fünf- bis achtstündige Pause einschaltet.”
Bl. 211. „Unter normalen Verhältnissen ändert sich die Technik der Ernährung in den nächsten Monaten sehr wenig und gestaltet sich einfach genug, da man dem gesunden Säugling Freiheit in der Nahrungszufuhr die meist mit überraschender Regelmäszigkeit erfolgt, lassen kann.”
Bl. 213. „Die Zahl der täglichen Mahlzeiten beträgt im ersten Vierteljahre 5–6, gelegentlich 7, später 5–6, so dasz anfangs 3½ später 3½–4 stündige Pausen bei Tag mit entsprechenden Nachtpausen zwischen den einzelnen Mahlzeiten stattfinden.”
Dr. G. Walcher. ‘Praktische Ergebnisse der Geburtshilfe und Gynaekologie.’ 1910. II.
Bl. 349. „Zweckmässigerweise wird das Kind 5–6 mal täglich angelegt, nachts soll die Brust und der Magen des Kindes ruhen.” „Beim Stillen selbst soll immer nur eine Brust gereicht werden, diese aber ist volkommen leer trinken zu lassen.”
Dr. Karl Basch. ‘Praktische Ergebnisse der Geburtshilfe und Gynaekologie’. 1912. IV.
Bl. 326. Hij spreekt van „etwa 3 bis 4 Stunden, welche Zeit die natürliche Trinkpause entspricht.”
Prof. L. Langstein und Dr. L. F. Meyer. ‘Säuglingsernährung und Säuglingsstoffwechsel.’ 1914.
Bl. 94. „Vielfach ist es noch üblich, die Säuglinge alle 2 Stunden anzulegen.… Als Regel gilt die Verordnung von 5 Mahlzeiten (beim neugeborenen Kind sind eventuell 6 zu gestatten) in vierstündigen Pausen; eine längere Nachtruhe ist notwendig. Die Zeiten sind z.B. 6–10–2–6–10 Uhr. Nur sollen diese nicht pedantisch eingehalten und das Kind soll nicht aus tiefem Schlaf zur Mahlzeit geweckt werden. Man darf sehr wohl das eine oder andere Mal die Zeiten überschreiten, nur darf das nicht zur Regel werden. Zudem regelt sich das Nahrungsbedürfnis bald so, dass das Kind von selbst zur angesetzten Stunde erwacht.”
Bl. 148. „In den Lehrbüchern findet sich gewöhnlich die Angabe, die Mutter möge in vierstündigen Pausen fünfmal anlegen und in ihrer Energie nicht erlahmen. Hinter diesem lapidaren Satz liegt jedoch ein Berg von Schwierigkeiten.”
Prof. Dr. A. Keller en Dr. W. Birk. ‘Leidraad bij de kinderverpleging, enz.,’ vertaald door Christina Nijman, 1912, met een inleidend woord van Dr. Cornelia de Lange.
Bl. 36. „In de eerste dagen en weken bepaalt het kind, door den duur van den spontanen slaap, de tusschenpoozen van zijn maaltijden; in de zesde of zevende week probeeren de ouders meestal, het kind er toe te brengen, dat het ’s nachts doorslaapt zonder voedsel te krijgen. Overdag worden de voedings-tusschenpoozen verkort, en de voeding ’s nachts vervalt. In den regel laat het kind zich dan de eerste nachten nog hooren, daar het gewend is aan de nachtvoeding; het wil de borst hebben en is onrustig.”
Bl. 37. „Wij achten b.v. voor het gezonde kind 5 maaltijden per dag voldoende; een grooter aantal is schadelijk, maar met het oog op het lichamelijk welzijn en het verloop van het spijsverteringsproces is het vrijwel hetzelfde, of deze maaltijden alleen over dag, van ’s morgens tot ’s avonds 9 uur, of wel over de geheele 24 uur verdeeld worden. Men zou in sommige gevallen aan het kind zelf de termijnsbepaling kunnen overlaten en het nu eens 3 uur, den volgenden keer 6 uur achtereen laten doorslapen, mits het aantal van 5 maaltijden niet overschreden wordt. Dit doen wij echter niet, maar streven naar een zekere regelmaat, die trouwens meestal ook reeds geëischt wordt voor den goeden gang der huishoudelijke aangelegenheden en waardoor het kind tevens aan orde wordt gewend. Natuurlijk mag deze opvoeding tot orde niet in strijd zijn met de belangen der lichamelijke gezondheid.”
Dr. S. Engel en Dr. M. Baum. ‘De zorg voor den zuigeling’, bewerkt door Jeannette Stärcke-Polenaar, kinderarts, met een inleidend woord van Dr. J. de Bruin. 1913.
Bl. 43. „In den regel slaapt het kind al den tijd tusschen de maaltijden. De meeste gezonde kinderen verlangen daarvoor uit zichzelf een lange rustpoos; vooral in de eerste maanden van het leven slapen de kinderen tusschen de maaltijden zeer vast. Daardoor verlangen gezonde borstkinderen meestal van zelf slechts 5 of 6 maaltijden per dag, tenzij men ze opzettelijk dwingt aan meer maaltijden te wennen; er zijn zelfs kinderen die maar 4 keer per dag de borst willen hebben.
Men zou dus een kind moeten aanleggen wanneer het wakker wordt, en blijkbaar voedsel verlangt. Wanneer evenwel onverhoopt het kind niet zelf zijn maaltijden regelt, maar dikwijls en op ongeregelde tijden voedsel verlangt, moet men hem aan vaste tijden wennen, en hem 5 of 6 maal daags de borst geven, in afstanden van 3 tot 4 uur. (Noot van de vertaalster: „Hier te lande geeft men meestal nog 6 of 7 maaltijden per etmaal. Zelden of nooit zagen wij daarvan nadeel).
’s Nachts moet in elk geval een pauze van 6 à 8 uur gemaakt worden.”
Bl. 51. „Van zeer veel gewicht is het, hoelang men wacht tusschen de maaltijden. Zooals reeds vroeger werd aangetoond, is het in het belang, zoowel van de moeder als van het kind, dat men altijd regelmatige pauzen maakt. Komt het kind daar niet vanzelf toe, dan moet men het daaraan wennen.”
Bl. 150. „Verder is er nog een belangrijke vraag, om de hoeveel tijd men een kind moet voeden. Borstkinderen bepalen vaak zelf het tijdstip voor de voeding, doordat zij, vooral in de eerste weken of maanden, zoolang slapen, tot zij weder behoefte aan voedsel hebben. Eerder slapen zij wat langer en slaan zij daardoor een maaltijd over, dan dat zij een maaltijd te veel nemen. Later echter, wanneer zij langer wakker blijven, kan men de voeding niet meer regelen naar het slapen en wakker worden van het kind. Dan moet men dus het kind gewennen aan een bepaalden regelmaat in de voeding. Bij fleschvoeding blijkt dit reeds eerder noodig te zijn.”
Dr. M. von Pfaundler. ‘Physiologie des Neugeborenen.’ Handbuch der Geburtshilfe herausgegeben von A. Döderlein. 1915.
Bl. 638. „Wenn man gehalten wäre, für alle Kinder ein und dasselbe System der Brusternährung zur Anwendung zu bringen, so würde man wohl besser fahren mit 5–6 als mit 8–10 Mahlzeiten pro 24 Stunden. Glücklicherweise besteht aber kein Zwang zu einer solchen starren Regel—vielmehr—wie noch gezeigt werden soll und der Verf. seit 1899 immer wieder aufs Nachdrücklichste vertritt—aller Grund sich für den gut beobachteten Einzelfall von jedem Schema freizumachen.”
Bl. 640. „Das zweckmäszige Vorgehen ist hiernach genügend vorgezeigt: Man wird bis zum 3. oder 4. Lebenstag auf etwa 5–6 Mahlzeiten pro Tag hinaufgehen und versuchen bei dieser Anzahl zu verharren. Zeigt sich aber (worauf man besonders bei Erstlaktierenden gefaszt sein musz), dasz die Tagestrinkmenge unter dem Bedarf, die Sekretion bei so langen Pausen eine ungenügende bleibt oder stellen sich klinische Zeichen der Unterernährung ein, so wird man unbedenklich die Zahl der Mahlzeiten auf 7–8 erhöhen; kurz gesagt, man wird das Kind nicht nach der Regel, sondern die Regel nach dem Kinde richten, man wird auch hier in einem gewissen Rahmen individualisieren und auf die ‘Stimme der Natur’ hören.”
„Hinsichtlich der Einteilung der Mahlzeiten ist auf eine tunlichst lange Nachtpause von etwa 8 Stunden zu achten und im übrigen die Einhaltung annähernd gleicher Intervalle zu erstreben. Hier werden oft einander direkt widersprechende oder unerfüllbare Vorschriften erlassen. Wenn es z.B. heiszt, man solle das Kind füttern um 6 Uhr, um 10 Uhr vormittags, um 2 Uhr, 6 Uhr und 10 Uhr nachmittags, oder zu andern festen Zeiten, das Kind dürfe aber nicht aus dem Schlafe geweckt werden behufs Fütterung, so wird manche folgsame Mutter tagtäglich vor qualvolle Dilemmen gesetzt”.
Bl. 614. „Wie viel Nahrung braucht das Neugeborene? Die Beantwortung der Frage starrt vor Schwierigkeiten.”
Dr. G. Tugendreich. ‘Vorträge über Ernährung und Pflege des Kindes.’ 1914.
Bl. 45. „Obwohl es zweckmäszig ist, das Kind an Regelmäszigkeit der Mahlzeiten zu gewöhnnen, so darf man bei der Brustnährung—im Gegensatze zur Flaschenernährung—doch auch einmal von der Zeiteinteilung abweichen, z.B. wenn unser Kind zur Trinkzeit im tiefem Schlafe liegt.”
Prof. Dr. B. Bendix. ‘Lehrbuch der Kinderheilkunde für Aerzte und Studierende.’ 1916.
Bl. 42. „Das Brustkind verfügt bei jeder einzelnen Mahlzeit, abhängig von den jeweiligen Durst und Hunger, frei nach seinem Belieben. Es weichen daher die Mengen der Einzelmahlzeiten auch desselben Tages sehr voneinander ab, so dasz z.B. eine Mahlzeit 250–300 g. und die andere nur 75–100 g. betragen kann.….. Unter normalen Bedingungen wird das gesunde Kind vor einem „Zuviel” durch die allmähliche Ermüdung infolge des Sauggeschäft, durch die Magenkapazität und die Erschöpfung der Brustdrüse geschutzt.”
Bl. 43. „Es ist nicht nötig, den Säugling zur bestimmten Stunde aus dem Schlafe zu wecken, um ihn zu stillen, sondern man wartet, bis er sich „meldet”. Auch bei nur 3–4 maligem Trinken innerhalb 24 Stunden holt er sich das für seinen Bedarf notwendige Milchquantum aus der Brust heraus. Sehr häufig stellt sich im Verlaufe einiger Wochen das Kind von selbst auf die 4- oder 3stündige Pause ein.”
Bl. 45. „Die natürliche Ernährung mit ihren normalen Verhältnissen soll, insbesondere was Nahrungsmengen und Nahrungsbedarf anbetrifft, als Wegweiser für die Vorschriften bei der künstlichen Ernährung dienen. Man soll sich aber jederzeit bewuszt sein, dasz der einzelne Säugling eine Individualiteit für sich ist, die je nach der ihr von der Natur verliehenen Leistungsfähigkeit ihrer Zellen und deren Funktion sparsamer oder mit gröszerem Kraftverbrauch wirtschaftet. Mithin dürfen die bei der natürlichen Ernährung gewonnenen Zahlen ein wertvolles Schema für die künstliche Ernährung abgeben. Falsch ist es, sich in jedem Falle schablonenmäszig an sie zu binden.”
Bl. 52. „Die Trinkmengen und die Zahl der Mahlzeiten werden bei der unnatürlichen Ernährung nach den bei der natürlichen gewonnenen Erfahrungen eingerichtet. Aber ebensowenig wie sich ein starres Schema für die dem einzelnen Kinde notwendigen Milchquanten aufstellen läszt, ebenso unmöglich ist es, genau zu präzisieren, mit welcher Lebenswoche eine Steigerung der Konzentration vorzunehmen ist. Als Regel darf der Satz gelten: man bleibt solange bei dem vorgeschriebenen Masz der Nahrung und Grad der Konzentration, als Allgemeinbefinden und Stuhl des Kindes gut sind, und sein Gewicht ungestört ansteigt, auch wenn Menge und Konzentration unter der gewöhnlichen Norm stehen.
.… Es kann nicht oft und ausdrücklich genug hervorgehoben werden, dasz es eine Schablone für die Ernährung des Säuglings nicht gibt, weder bezüglich der Menge der Milch noch des Grades der Verdünning. Es heiszt hier wie in vielen Dingen individualisieren, nicht schematisieren.”
Engelsche (Amerikaansche) schrijvers.
G. F. Still. ‘Common Disorders and Diseases of Childhood.’ 1909.
Bl. 23. „There must be regularity in the feeding and, as a general rule, I am strongly in favour of waking an infant for its feeds at the proper time. If this is done from the beginning, the infant usually very soon gets into the habit of waking just as the feed is due, and goes off to sleep again quite easily after it. An infant should be fed every two hours during the first two months, except at night, when the intervals may be three hours: during the next month it should be fed every two and a half hours by day, and three hours by night, and from the end of the third month onwards it should be fed every three hours by day and may miss one feed at night, until the age of six months, when it may miss two feeds at night.”
Prof. Dr. George Peaslee Shears (New York). ‘Obstetrics normal and operative.’ 1916.
Bl. 205. „The French seek to avoid maceration of the epithelium (nml. van den tepel) by allowing the child to nurse but once in three hours. My experience has led me to believe that many children cannot obtain sufficient nourishment in this way, and I prefer (after the establishment of the milk secretion), to adhere to the two or two and one-half hour interval, giving both mother and child a rest between midnight and morning.”
Bl. 207. „The child may be put to the breast (nml. na de bevalling) after eight or ten hours, and after that every four hours for two or three days, or until the milk secretion becomes established. One interval at night may be extended to six or even eight hours in order to give the mother a good period of restful sleep.”
‘Midwifery by ten teachers’ under the direction of Comyns Berkeley. 1917.
Bl. 566. „During the first two days the secretion of the breasts is but small in quantity, and the child must not be put to the breast more often than every six hours.… With the establishment of full lactation, which generally occurs on the third or fourth day, the infant must have its regular hours of feeding. It may be stated as generally convenient if the infant has its first feed at 7 a.m., followed at 9.30 a.m. by its morning bath. After the bath the child has its second feed, and after this feed and the fatigue of the bath, the child may be allowed to rest for three hours. It is then fed regularly every three hours, being awakened if necessary, until about 10.30 p.m..… After the first week the baby will be having its full feeds, and will generally sleep till 7 a.m., with only one feed in the night. In this way the infant will have seven feeds during the twenty-four hours, and the mother and nurse will have a good night’s rest.”
Wie heeft gelijk?
Ik eindig met de opmerking, welke Jacobi in 1900 op een congres van Amerikaansche geneeskundigen maakte, bij eene discussie over de beste methode voor de voeding van zuigelingen:
„He had come with the idea, that he would learn how infants should be fed, but he finds that he was mistaken, for every speaker has given a different method. For his part, he thinks that, above all, the physician should mix milk with.… brains. It is astonishing how handy brains are in the practise of medicine. Every man told us how he feeds babies, and every one thinks his way is right, but a lot of babies think it is wrong,”
en ik voeg er bij:
„Time has come, that the babies tell us what they think to be the best.”