Nederlaag der ongeloovigen.
Reading edition
Sinds ongeveer het midden van de eerste eeuw onzer jaartelling neemt het geloof in het wonderbaarlijke en magische eene hooge vlucht. De grootste persoonlijkheden op intellectueel gebied erkennen de realiteit der magie; magie en wijsheid worden als identiek beschouwd. De keizers zelf gaan de tooverij begunstigen en de felle protesten van enkelen bewijzen slechts, hoe weinig zij de teekenen dier tijden verstaan. Allerlei omstandigheden werken als bij afspraak samen tot de nederlaag der ongeloovigen.
Wij willen een en ander nader toelichten. Dat de magie met wijsheid en wetenschap wordt gelijkgesteld komt meer voor. De Arabieren gebruiken het woord ilmoe (wetenschap) ook voor hetgeen op "occultisme", zooals wij het noemen, betrekking heeft. Vandaar het Javaansche ngèlmoe, de kennis der geheime tooverformulieren, een wonderlijk mengelmoes van Polynesische, Hindoesche en Mohammedaansche bestanddeelen. De Javanen jagen deze "wetenschap" ijverig na en meenen door haar al het mogelijke te kunnen gedaan krijgen. Maar niet alle tooverspreuken zijn even machtig en bij een rechtsgeding bijv. zal de verliezende partij hare nederlaag aan de grootere kracht van de bezweringen der tegenpartij toeschrijven.
Wellicht het meest typische voorbeeld van een magiër-wijsgeer is Apollonius van Tyana (in Klein-Azië), omtrent wien wij echter niet zoo goed zijn ingelicht als wij het zouden wenschen. De uitvoerige levensbeschrijving toch, die de belletrist en kunstkenner Philostratus op last van de keizerin Julia Domna (gest 217), van hem te boek stelde, is rijk aan onwaarschijnlijke verhalen en overbodig vertoon van belezenheid; bovendien heeft men, wellicht niet zonder reden, vermoed, dat zij de strekking had, een tegenbeeld te zijn van de Christusverhalen der evangeliën.
Of Apollonius werkelijk, zooals Philostratus verhaalt, het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld doorkruiste om de menschen tot handhaving der oudvaderlijke zeden en zoo mogelijk tot inachtneming van de Pythagoreesche leeringen en leefwijze aan te sporen, blijft eene opene vraag, maar het lijdt geen twijfel dat hij door allerlei wonderbaarlijke handelingen aanleiding gaf, als magiër te worden beschouwd. Het verhaal bijv. dat hij een gestorven meisje in 't leven terugriep[44], wijst onmiskenbaar op wonderdadige genezingen, door hem verricht.
Philostratus is echter met zulke wonderen niet tevreden en verhaalt o.m. dat Apollonius te Ephese eene epidemie vooruit gevoelde en haar vervolgens, op verzoek van de inwoners, deed ophouden door den demon der pest, die zich als een oud bedelaar voordeed, te laten steenigen. En toen de Ephesiërs, op aansporen van den profeet, den steenhoop opruimden, zagen ze, inplaats van dat monster, een hond er onder liggen, van uiterlijk op een dog gelijkend, zoo groot als de grootste leeuw, verpletterd door de steenen en met schuim op den muil[45]!
Eén wonderbaarlijk feit betreffende Apollonius is historisch vrij goed geboekstaafd, en wel het volgende: In 't jaar 96 n. Chr. hield de wijze, reeds op hoogen leeftijd, te Ephese eene openlijke voordracht. Onder 't spreken raakt hij gaandeweg afgeleid, zwijgt, doet eindelijk eenige stappen vooruit en roept: "Stoot hem neer, den tyran, stoot hem neer!" Daarna keert hij zich tot zijn gehoor en zegt: "Heden—op dit oogenblik is keizer Domitianus gedood" en spoedig kwam een bericht uit Rome, dat Apollonius' visioen schitterend bevestigde[46].
Over 't geheel genomen heeft Apollonius blijkbaar reeds bij zijne tijdgenooten en zeer zeker bij de nakomelingschap den indruk gemaakt van eene hoogstaande persoonlijkheid. Zelfs van kerkvaders zijn ons gunstige oordeelen over hem bewaard gebleven. Hieronymus verklaart: "Die man vond overal iets te leeren, en altijd vorderingen makende, overtrof hij telkens weer zich zelven"[47]. En Augustinus zegt: "Veel beter, dat moet men erkennen, was Apollonius, dan de bewerker en bedrijver van zoovele liefdesschandalen, dien ze Jupiter noemen[48]", eene zinspeling op de vaak hoogst onkuische verhalen aangaande dien oppersten god.
Plutarchus (±46 n. Chr.-±120 n. Chr.) die door zijne levensbeschrijvingen zulk een ontzaglijken invloed heeft uitgeoefend, Plutarchus, die in zeldzame mate practisch inzicht met het geloof in het onzienlijke vereenigde, geeft ook bewijzen van zijne belangstelling voor het aanhangige onderwerp. Wel is waar wordt de "angstvallige vrees voor bovenmenschelijke wezens" in zijn geschrift hierover (c. 10 en 13) voor erger dan zelfs atheïsme verklaard, maar dit is blijkbaar zonder nadenken, in eene oogenblikkelijke opwelling, van een ongeloovigen moralist overgenomen. Immers elders handhaaft Plutarchus de realiteit van vele verschijnselen en handelingen, die nu nog bij menigeen voor ongeloofwaardig doorgaan.
Zoo vinden wij bijv. in zijne "Huwelijksvoorschriften" het navolgende (c.5):
"De jacht door middel van vergif vangt den visch wel is waar spoedig en gemakkelijk, maar zij maakt hem voor spijs ongeschikt. Zoo hebben ook de vrouwen die zekere liefdesdranken en tooverijen tegen de mannen verzinnen en hen door wellust overweldigen, zinnelooze, onverstandige en bedorvene levensgezellen. Immers ook Circe had geen baat van hare tooverkunst en kon niets met hare slachtoffers beginnen toen ze zwijnen en ezels geworden waren, maar Odysseus, die zijn verstand had en bedachtzaam met haar omging, had ze uitermate lief."
En in zijne "Tafelgesprekken" wijdt hij (V,7) eene uitvoerige discussie aan het "booze oog" en maakt daarin energiek tegen de ontkenners front(1):
"De feiten steunen op wonderbaarlijke wijze de faam. En al weten wij er de reden niet van, daarom mogen wij toch de geschiedenis geen geloof ontzeggen, daar immers van duizenden dingen wier zelfstandigheid helder voor oogen ligt, de reden ons ontgaat."
"Wij kennen menschen, die door hun aanblik inzonderheid kinderen deren, wier vochtig en zwak gestel door dezen wordt aangedaan en eene ongunstige verandering ondergaat, terwijl dit minder overkomt aan vaste lichamen, die reeds hun beslag hebben gekregen."
Wat de verklaring van het feit in quaestie betreft, verwerpt Plutarchus de hypothese der atomisten (6), in II door ons vermeld, en neemt zijn toevlucht tot de theorie der uitstroomingen (2):
"De reuk toch en de stem en de ademhaling zijn zekere uitstroomingen der levende wezens en deelen, die de zintuigen treffen en [allerlei] doen ondergaan ... Het ligt voor de hand, dat dit het meest door de oogen gebeurt, want het gezicht, dat zeer bewegelijk is, verspreidt met het fluïde, dat een flikkerenden glans uitzendt, eene wonderbaarlijke kracht, door welke de mensch zoowel veel lijdt als bewerkt. Immers, de mensch, door de zichtbare dingen aangedaan, verkeert in dienovereenkomstige genoegens en onaangenaamheden; en tot de verliefdheden, die toch de grootste en felste aandoeningen der ziel zijn, geeft het gezicht de aanleiding, zoodat de minnaar versmelt, wanneer hij naar de schoonen kijkt, en er als 't ware naar toegetrokken wordt. Daarom dient men zich ook te verwonderen over diegenen, die meenen dat de mensch door het gezicht wel aangedaan en gekrenkt wordt, maar geenszins er iets door doet en schade toebrengt".
Plutarchus vermeldt ook de meening, dat zekere amuletten tegen den nijd beschermen, omdat het booze oog door hunne vreemde gestalte wordt afgewend en minder in het slachtoffer doordringt (3).
Wij vinden inderdaad op tal van amuletten, die nog bewaard zijn gebleven, allerzonderlingste afbeeldingen. Voornamelijk speelt het oog zelf daarbij eene groote rol. Sommige onderzoekers hebben dan ook reeds bij de primitieve stammen het bestaan vermoed van de theorie, dat dezelfde kracht, die eene werking uitoefent, ze ook vermag op te heffen, dat dus het gelijke met het gelijke, en in ons geval het oog met het oog moet worden bestreden. Tegenwoordig heerscht echter onder de ethnologen de opvatting, dat zulk eene systematische gedachte van de primitieve volkeren niet is te verwachten, maar eene reeds gevorderde beschaving veronderstelt. De ware verklaring zou deze zijn: De primitieve volkeren gelooven, dat geesten, hetzij overledene menschen, hetzij bovenmenschelijke wezens, het door ons reeds in hoofdstuk II vermelde "mana", eene kracht of zelfstandigheid, ook aan onbezielde voorwerpen kunnen mededeelen. Al wat door iets bijzonders den primitieven mensch als drager van die geheimzinnige kracht toeschijnt, bijv. steenen van een eigenaardigen vorm, dient als amulet. Het amulet vermag dus, om het zoo uit te drukken, door uitstraling van "mana" de kracht van het booze oog te breken. Aangenomen, dat deze verklaring voor de primitieve volkeren opgaat, dan wekt toch het feit, dat wij op Grieksche amuletten o.m. de afbeelding vinden van het gedrochtelijke Gorgo- of Medusahoofd, met slangen omwonden en met wijd geopenden, starenden blik, onwillekeurig de gedachte op, dat men de bedoeling had, door zulke schrikgestalten de booze demonische machten op de vlucht te jagen.
Het behoeft verder wel geen betoog, dat hetgeen van dit geloof aan het booze oog op waarheid berust, blijkbaar hoofdzakelijk door de inwerking der hypnose en suggestie moet worden verklaard.
Plutarchus—om tot hem terug te keeren—acht ook wonderdadige genezingen niet uitgesloten, zooals o.m. het door ons in hoofdstuk II aangaande Pyrrhus vermelde uit zijne biographie van dien koning is geput.
Van de realiteit der doodenbezwering is hij vast overtuigd. De verhalen over Calondas en Pausanias, die wij in ons eerste hoofdstuk hebben aangehaald, zijn bij hem te vinden. En in zijn levendig geschreven dialoog "Over den genius van Socrates" verhaalt hij (c.16) hoe een Pythagoreëer door middel van een droom verneemt dat een zijner geestverwanten is overleden (de Pythagoreeërs konden, heette het, door een zeker teeken in den droom onderscheiden of het beeld van een doode dan wel van een levende verscheen) en in den waan, dat deze niet naar eisch ter aarde was besteld, zich naar het graf begeeft, 's avonds plengoffers brengt en de ziel bezweert terug te keeren om hem te verkondigen, hoe in deze te handelen. In 't verloop van de nacht ziet hij wel is waar niets, maar verbeeldt hij zich, eene stem te hooren, die zegt, dat voor het lijk overeenkomstig den ritus was gezorgd en dat de ziel zich reeds heeft afgescheiden voor eene nieuwe geboorte.
En naar aanleiding van het feit, dat in zijn vaderstad Chaeronea een zekere Damas door zijne medeburgers in het bad was vermoord, vermeldt Plutarchus in het leven van Cimon (I):
"Daar gedurende langen tijd zekere verschijningen op die plek gezien en zuchten gehoord werden, zooals onze voorouders verzekerden, liet men de deuren van het bad dichtmetselen; en tot nu toe nog meenen zij, die nabij deze plek wonen, dat schrikwekkende gezichten en stemmen er aan verbonden zijn."
Bij de Latijnsche auteurs speelt de magie ook in dien tijd geen geringe rol.
Seneca (gest. 65 n. Chr.), de veelzijdigste en beroemdste schrijver van zijn tijd, evenzeer een virtuoos in verzen als in proza, schept in het beschrijven van tooverijen veel genoegen, al is dan ook iets zoo willekeurigs als de magie met het Stoïcijnsche determinisme dat hij overigens huldigt, moeilijk overeen te brengen. Eene groote plaats neemt de magie, zooals van zelf spreekt, in zijn treurspel "Medea" in, dat blijkbaar door Euripides (vgl. hoofdstuk II) is geïnspireerd.
Medea toch, zooals in de vierde acte haar voedster— eene in de antieke drama's onmisbare figuur— uitvoerig beschrijft, "stort al hare toovermiddelen uit en brengt te voorschijn, wat ook zij zelf lang vreesde; zij ontplooit de geheele menigte der rampspoeden (v. 677-679)..... Aangetrokken door de tooverzangen is de geschubde schare uit de eenzame schuilhoeken opgedaagd" (684 vlg.). Medea maakt vergif uit planten gereed, "perst het zwadder uit de slangen, mengt er deelen van onheilspellende vogels onder, het hart van den droeven oehoe, het ingewand, levend aan een gekuifden uil uitgesneden; dit alles legt de in misdaden bedrevene afzonderlijk; in sommige middelen zit de verterende kracht van 't vuur, in andere het kille ijs der trage koude. Ze voegt bij de vergiften woorden, niet minder te vreezen. Daar laat zij 't gedruisch van haren razenden tred hooren en spreekt de bezwering uit; reeds bij de eerste klanken beeft de wereld" (731—39).
En in de derde acte van zijn "Oedipus" wordt met even sombere kleuren de oproeping van Laïus, 's konings vader geteekend. De scenerie is doodsch, een afgelegen bosch. "In 't midden staat een ontzaglijke boom, die met dichte schaduw de mindere stammen drukt en zijne takken met wijden omvang uitbreidende, alleen het woud beschermt. Onder hem bevindt zich eene sombere waterplas, die licht noch zon kent, onbewegelijk door eeuwige kou. Een slijkerig moeras omringt den tragen poel" (v. 542—547). Hierheen begeeft zich de grijze toovenaar en verricht de magische plechtigheden. Zijne stem vindt gehoor. "Het geheele bosch daalde om zich weer met zijn loof te verheffen. Het eikenhout kreeg spleten en een huivering deed het geheele woud schokken. De grond zonk weg en zuchtte diep" (574 vlgg.). Het is alsof de onderwereld zich er over verontwaardigt dat men in haar wil doordringen. Toch verschijnen de bleeke schimmen en onder hen de goden. En ten slotte verrijst, na eene herhaalde aanroeping, de schim van Laïus en laat zijne voorspellingen hooren (v. 619—658).
Niet in de poëzie alleen werden de aardbevingen aan de inwerking van bovenmenschelijke wezens toegeschreven. Ook Pythagoras zou beweerd hebben, dat de aardbevingen niets anders waren dan de samenkomsten der afgestorvenen[49]. Analoge opvattingen vermeldt ons de volkenkunde. De Balineezen beschouwen de aardbevingen als het werk van booze geesten. Volgens den koning van Dahomé veroorzaakte de geest van zijn vader de aardbeving in 't jaar 1862. De Kwakiutl-Indianen (in Britsch Columbia, Canada) gelooven, dat het geesten zijn die de aarde doen schokken. Het "animisme" zooals wij het noemen, is dus hier ver doorgevoerd.
Seneca's neef, Lucanus (39—65), een niet tot rijpheid gekomen genie, een dichter van ongekende stoutheid en gezwollenheid, tracht ook waar de magie ter sprake komt, zijne voorgangers te overtroeven. Alleruitvoerigst beschrijft hij, in het zesde boek van zijn epos "Pharsalia" het uiterlijk en de handelingen van de Thessaalsche tooveres Erichtho. Ziehier enkele, en niet eens de ergste trekken:
"Erichtho had de verfoeilijke tooverkunst tot nieuwe practijken opgevoerd. Zij vindt het een gruwel, haar doodsch hoofd aan het dak van een stad of aan een tehuis toe te vertrouwen; zij bewoont de verlaten graven en nestelt zich in de zerken, na de schimmen er uit te hebben verdreven (v. 509—512) ... Het aangezicht der goddelooze is in walgelijke vervuiling vermagerd. Haar schrikwekkend gelaat, dat geen helderen hemel kent, wordt door eene stygische bleekheid bezwaard en zwoegt onder een last van ongekamde haren (v. 515—'18) ... Zij rooft de rookende asch en de gloeiende beenderen van jongelingen midden uit de houtmijt (v. 533 vlg.) ... Worden de lijken in steenen graven bewaard, ... dan woedt zij gretig tegen alle ledematen en dompelt hare handen in de oogen; zij heeft er behagen in de kille pupillen uit te graven en kauwt de bleeke uitgroeisels der verdroogde hand. Zij breekt met haar gebit den strop van den gehangene (v. 538—544) ... Ja, dikwijls bij de begrafenis van een bloedverwant legde de afgrijselijke Thessaalsche zich op de dierbare leden, deed alsof ze eene kus wou geven, sneed het hoofd af, maakte met hare tanden den saamgepersten mond los, beet in de tong, die aan de dorre keel hing, stortte een gemurmel uit in de kille lippen en droeg eene geheime gruwelboodschap op naar de onderaardsche schimmen" (v. 564—569).
Alleronsmakelijkst! Maar die beschrijving heeft op Dante zoowel als op Goethe een diepen indruk gemaakt, en Erichtho is daardoor eene figuur in de wereldletterkunde geworden.
Artistiek daarentegen en guitig is ook hier de antagonist van Lucanus, de geestig-onhebbelijke romancier-satyricus Petronius (gest. 67), die in zijn "Gastmaal van Trimalchio" een tot dusver nog onovertroffen portret van een O-weeër heeft geleverd. Laten wij hooren, hoe in c. 62 een der helden van zijn roman, een gewezen slaaf, het navolgende griezelige avontuur met een toovenaar vertelt:
"Eens op eene keer was mijn patroon naar Capua gegaan, om wat snuisterijen van de hand te doen. Gebruik makende van de gelegenheid haal ik onzen gast over om vijf mijlen ver met me mee te gaan; 't was een soldaat, een vent als een duivel. Wij maken ons uit de voeten bij 't hanengekraai (de maan blonk als of 't middag was) en komen te midden van grafmonumenten. Mijn makker verwijdert zich achter een steen; ik ga al neuriënde verder en tel de monumenten. Toen ik vervolgens naar mijn begeleider omkeek, kleedde hij zich uit en lei al zijne kleeren naast den weg neer. De moed zonk mij in de schoenen; ik stond er als verstijfd. Maar hij maakte eenen kring om zijne kleeren heen en plotseling was hij een wolf. Denkt niet, dat ik grappen verkoop; ik zou niet willen liegen om al het geld van de wereld. Maar waar had ik het over? Wat ik begonnen was te vertellen, toen hij een wolf geworden was, begon hij te huilen en vluchtte naar de bosschen toe. Ik wist eerst niet, waar ik was; toen trad ik dichter bij om zijne kleeren op te rapen, maar die waren in steen veranderd. Als ik niet van angst verging, wie dan? Ik trok echter mijn zwaard, en hakte al den weg langs op de schimmen in, totdat ik het landhuis van mijn meisje bereikte. Als een spook trad ik binnen; bijna gaf ik mijn ziel op: het zweet brak mij uit; ik zag niet uit mijne oogen; ter nauwernood kwam ik weer bij. Mijn meisje verbaasde zich er over, dat ik zoo laat wandelde en "Als je", zei ze, "eerder gekomen was, had je ons ten minste kunnen helpen; een wolf drong onze stal binnen en al onze schapen—als een slager heeft hij ze het bloed afgetapt. Maar hij heeft er ook van gelust, al is hij ontvlucht, want onze slaaf heeft hem met de lans zijn hals doorboord." Toen ik dit gehoord had, kon ik geen oog meer dicht doen, en zoodra 't dag was, vloog ik naar 't huis van mijn makker, als een bestolen kroegbaas en toen ik op die plek kwam, waar de kleeren in steen waren veranderd, vond ik niets dan bloed. Maar toen ik thuis kwam, lag mijn soldaat in bed, als een os, en een dokter behandelde zijn hals. Ik begreep nu, dat hij een weerwolf was, en van toen af had ik geen stuk brood meer met hem kunnen proeven, al had je me doodgeslagen".
Wij zien hier, hoe het oude volksgeloof aan den weerwolf—vgl. het in hoofdstuk III aangehaalde herdersdicht van Vergilius—op romantisch-vermakelijke wijze is uitgewerkt.
Eene nadere toelichting.
Het geloof, dat men door het zwaard booze geesten vermag op de vlucht te drijven, ja zelfs te deren, is wijd verspreid. Op den Babar-archipel (ten Noord-Oosten van Timor) dragen de vrouwen zwaarden om, ter bescherming van den zuigeling, de booze geesten schrik aan te jagen. Op het eiland Nias (aan de Westkust van Sumatra) slaan mannen met hunne zwaarden links en rechts om den ziektedemon uit het huis van den patiënt te bannen en op diergelijke wijze gaan Chineezen en Japanneezen tegen den demon van de pest te werk. Maar ook aan andere wapenen werd tooverkracht toegeschreven. Jozua bijv. strekt, op bevel van God, zijne lans zoo lang tegen Aï uit, totdat die stad gevallen is (Joz. VIII, 18 en 26). Bij eene oorlogsverklaring door de Romeinen moest een zeker priester eene bebloede lans in het vijandelijke gebied slingeren. In Koningen II, 13,14—17 staat hoe Joas, koning van Israël, op bevel van den profeet Eliza, een pijl des heils tegen de Syriërs afschiet. Eene treffende parallel hiertoe is het navolgende uit eene Zweedsche sage. Tot koning Eirik kwam, toen hij door de vijanden erg in 't nauw werd gebracht, een groote man met een breeden hoed, gaf hem een rietstengel en liet hem dien met de woorden: "Odin [hoogste god der Scandinaviërs] heeft U allen !" over zijne vijanden heen afschieten.
Een exorcisme (demonenuitdrijving) ten overstaan van een Romeinsch veldheer wordt ons uitvoerig beschreven door den geschiedschrijver Flavius Josephus in diens "Joodsche oudheidkunde" (VIII, 2, 5):
"Ik was er getuige van, hoe een zekere Eleazar, een van mijne landgenoten, in tegenwoordigheid van Vespasianus, zijne zonen, de krijgstribunen en de andere menigte soldaten de bezetenen van de macht der demonen bevrijdde. De manier van genezing was als volgt: hij bracht onder de neus van den bezetene zijn ring, onder welks zegel zich een van die wortels bevond, die Salomo hiervoor had aangewezen, liet den zieke hieraan ruiken en trok hem alsdan den demon door de neusgaten naar buiten. En terwijl die mensch terstond neerviel, bezwoer hij den demon onder aanroeping van Salomo en opzegging van diens bezweringen, nooit meer in hem terug te keeren. Daar Eleazar echter de aanwezigen er volkomen van wilde overtuigen, dat hij die kracht bezat, zette hij voor den zieke in de nabijheid een beker, met water gevuld, of een voetbekken en beval den demon, om bij zijn uittreden uit den mensch, deze gereedschappen omver te werpen en de toeschouwers te leeren: begrijpen, dat hij den patiënt had verlaten. Dit geschiedde en het verstand zoowel als de wijsheid van Salomo bleek duidelijk."
Het exorcizeeren zelf was niet het meest wonderbaarlijke en laat zich door suggestie gemakkelijk verklaren. Merkwaardig echter is, dat hier, in afwijking van de procedure bij andere bezweringen, een physisch feit als bewijs van de demonische inwerking er aan toe is gevoegd. Dat n.l. demonen of goden diergelijke raadselachtige bewegingen konden veroorzaken, werd toenmaals zelfs door diegenen geloofd die in de physische wetenschappen niet onbedreven waren. Heden ten dage denkt men hierbij onwillekeurig aan zekere verhalen omtrent de Indische "fakirs" en aan de "spiritistische" mediums. Wat de fakirs betreft, is een dergelijk feit, schoon wel eens door geloofswaardige personen bericht, tot dusver o.w. nog niet streng wetenschappelijk vastgesteld. Bij eenige mediums daarentegen zijn analoge verschijnselen van telekinesie, d.w.z. beweging uit de verte buiten de bekende krachten om, herhaaldelijk onder goede voorwaarden van controle waargenomen, zoodat hunne realiteit op redelijke gronden bezwaarlijk te loochenen valt. Maar het zijn en blijven hooge uitzonderingen, feiten, die zich niet zoo maar op commando kunnen voordoen en daarom zijn wij eerder geneigd aan te nemen, dat het door Josephus vermelde feit aan zekeren jongleurtruc te danken was, die trouwens ook later nog herhaaldelijk is toegepast.
Tacitus, reeds in hoofdstuk III door ons aangehaald, vermeldt in Historiën IV, 81 hoe zijn oudere tijdgenoot, keizer Vespasianus (69—79) zelf eene wonderdadige genezing verrichtte:
"Gedurende die maanden, dat Vespasianus te Alexandrië de passaatwinden en eene rustige zee afwachtte, gebeurden er vele wonderen, waaruit de gunst des hemels en eene zekere genegenheid der goden jegens Vespasianus bleek. Iemand van het mindere volk uit Alexandrië, bekend als ooglijder, wierp zich voor zijne knieën neer en smeekte hem jammerend om genezing van zijne blindheid, op aanraden van den god Serapis, dien het aan gelooverij lijdende volk boven de anderen vereert. Hij verzocht den keizer zich te verwaardigen, zijn wangen en oogkringen met het vocht van zijnen mond te besproeien. Een ander, met eene lamme hand, verzocht, op aansporing van denzelfden god, door den keizerlijken voet te worden getreden. Vespasianus lachte er eerst om en weigerde; toen ze bleven aandringen, ging hij weifelen; nu eens vreesde hij een mal figuur te slaan, dan weer vatte hij door hun gesmeek en de taal van vleiers, hoop; tenslotte beval hij geneesheeren te onderzoeken of zulke blindheid en lamheid door menschelijke hulp te genezen was. De medici zeiden, na allerlei discussies, dat bij de eene het gezichtsvermogen niet vernietigd was en terugkeren zou, als de beletselen verwijderd werden; van den andere kon het verstijfde lid weer door aanwending eener heilzame kracht hersteld worden. Misschien was dit de wil der goden en de keizer voor de volvoering daarvan uitgekozen; en tenslotte zou als het geneesmiddel slaagde, de keizer er de eer van hebben, als het faalde, de spot de ongelukkigen treffen." Toen gaf Vespasianus, in de meening dat zijn geluk geen grenzen kende en niets verder ongeloofelijk was, zelf met een blij gelaat, en te midden van de gespannen verwachting der aanwezige menigte, aan het verzoek gehoor. Terstond werd de verlamde hand weer lenig en herblonk voor den blinde het daglicht. Zij die er getuigen van waren, vermelden nog beide feiten, nu er met een leugen niets te verdienen valt".
Men vergunne ons hier eene uitweiding.
Aan het speeksel wordt ook elders geneeskracht toegeschreven. Bij de Romeinen meende men door eene dagelijksche bestrijking 's morgens met speeksel druipoogigheid te kunnen genezen[50]. De Joden geloofden, dat bespuwing een goed middel tegen oogziekten was, zooals blijkt uit het volgende merkwaardige Talmoedverhaal: Toen een man van zijne vrouw eischte om Rabbi Meïr in 't gezicht te spuwen, veinsde de beroemde leeraar pijn aan zijn oog te lijden, opdat de vrouw, in 't belang van den huiselijken vrede, aan den wensch van haar man zou kunnen voldoen. De Islamieten gelooven nu nog, dat door het lichaamsvocht van hunne sjeichs (heiligen) baraka (zegen, genade, d.w.z. een fluïde, levenskracht of genezingskracht) kan worden overgebracht. Van de Wakerewé, een volksstam in Midden-Afrika, bericht Stanley dat de onderdanen zich door hun koning in de handen lieten spuwen en dan vervolgens hunne oogen bestreken, blijkbaar omdat zij aan het vocht van den koninklijken mond geneeskracht toeschreven. Dit alles laat zich gemakkelijk verklaren door het primitieve geloof, dat het lichaam o.m. van opperhoofden, zooals wij reeds in hoofdstuk II hebben vermeld, van "mana", eene magische kracht of zelfstandigheid is doortrokken. Men kan nog verder gaan en hierin een hoofdfactor zien van de reliquieënvereering. Vaak immers wordt ook aan het lijk en het gebeente van een heilige wonderkracht toegeschreven. Het "mana", om maar die uitdrukking te gebruiken, is ook na den dood nog in de overblijfselen van eene bevoorrechte persoonlijkheid aanwezig.
Keeren wij nu tot Vespasianus terug.
Verdient het al onze aandacht dat die bejaarde, nuchtere, practische keizer eene wondergenezing verrichtte, niet minder opmerkelijk zijn de berichten bij Philostratus, dat Vespasianus[51], evenals zijn zoon Titus[52], achting voor Apollonius van Tyana zouden hebben gevoeld, die daarentegen door den achterdochtigen Domitianus (z.b.) den broeder en opvolger van Titus werd vervolgd[53].
Hadrianus (117-138), de veelzijdigste en bedrijvigste aller keizers, was een en al belangstelling voor de magie en wij lezen dan ook in den grooten tooverpapyrus uit Parijs (v. 2446-2455), dat Pachrates, de "profeet" uit Heliopolis (in Egypte) hem "de macht van zijne goddelijke magie toonde" en dat de keizer, "uit bewondering voor den profeet, beval hem eene dubbele remuneratie uit te keeren".
Hadrianus stichtte voorts ter eere van Antinoüs, een jongeling, die zich voor den keizer zou hebben opgeofferd, eene stad, Antinoöpolis (in Egypte) en wijdde hem een cultus. Van welken aard die cultus is geweest kan men opmaken uit de woorden van een Christelijk schrijver[54]:
"Indien iemand met waarheidsliefde en onpartijdigheid de geschiedenis van Antinoüs onderzoekt, zal hij vinden, dat tooverkunsten en wijdingen der Egyptenaren de oorzaken zijn, dat hij in Antinoöpolis ook na zijn dood nog iets schijnt te verrichten. Zoo iets wordt ook in andere tempels, naar verluidt, door de Egyptenaren en diegenen, die in diergelijke kunsten bedreven zijn, bewerkstelligd. Zij vestigen nl. op zekere oorden voorspellende of genezende demonen, die echter vaak ook hen kwellen, die iets schijnen te hebben misdreven aangaande verbodene spijzen of het aanraken van een dood menschelijk lichaam, om zoodoende den grooten en onbeschaafden hoop schrik aan te jagen. Van dien aard is ook hij, die te Antinoöpolis in Egypte voor een god wordt gehouden, van wiens wondermacht zwendelaars allerlei leugens verzinnen, terwijl anderen, door den aldaar gevestigden demon bedrogen, en nog weer anderen door hun boos geweten overtuigd, eene straf meenen te ondergaan, hun door Antinoüs als god opgelegd."
Op het bannen van demonen naar zekere oorden en meer bepaaldelijk in standbeelden, komen wij in hoofdstuk V terug; hier willen wij er voornamelijk op wijzen, hoe een destijds ingestelde cultus bovenal een magisch karakter droeg.
Het is ook juist in den tijd, dien wij nu behandelen, dat de Oostersche, in de Helleensch-Romeinsche wereld ingedrongen, religies zich eene overheerschende positie onder de beschaafde kringen verwerven, en het spreekt van zelf, dat dit de toch al sterke neiging van het publiek voor het magische nog meer deed toenemen.
De dienst der Egyptische goden werd omstreeks het midden der eerste eeuw, zij het dan ook onder een zekere beperking, officieel erkend. Otho (in 69 keizer) vierde dikwijls de Isisfeesten openlijk in het linnen plechtgewaad. Vespasianus (z.b) betrad te Alexandrië alleen in eigen persoon den tempel van Serapis, ten einde den god over zijn heerschappij te raadplegen[55]. Van toen af aan zijn de keizers begunstigers van den "Alexandrijnschen" cultus. Onder Hadrianus werden de Egyptische goden voor het eerst op de keizerlijke munten afgebeeld. Geen wonder, dat zulke illustre voorgangers ook op dit gebied hunne volgelingen hadden. Hier zij slechts vermeld, dat ook Plutarchus, hoezeer aan de oud-vaderlandsche gebruiken gehecht, warme sympathie voor Isis en Osiris koesterde, zooals uit zijn geschrift over beide goden genoegzaam blijkt.
Ongeveer omstreeks denzelfden tijd als de Isisreligie verkreeg ook de dienst van de Klein-Aziatische godin Cybele, die twee eeuwen lang in Rome slechts een zeer beperkten kring van vereerders mocht hebben, door de gunst van keizer Claudius (41-54) groote uitbreiding. Magie was ook aan dezen cultus niet vreemd; men beoefende er o.m. het "hypnotisme", echter onder den naam van "Corybantisme", afgeleid van de Corybanten, figuren uit de Cybele-mythe, die ook afzonderlijk vereerd werden.
Eveneens blijken de aanhangers van den oorspronkelijk Perzischen Mithrasdienst, die sinds den tijd van Vespasianus het Romeinsche rijk binnendrong, zich vaak op de tooverkunst te hebben toegelegd.
De Oostersche religies, die toenmaals in het Westen zulk eene opgang maakten, leefden dus met de magie in vrede; de nieuwe wereldgodsdienst daarentegen, het christendom, veroordeelde de tooverij van meet af aan ten strengste.
Laten wij dienaangaande het Nieuwe Testament raadplegen.
Wij lezen vooreerst in de Handelingen der Apostelen, VIII:
(5) Philippus trok naar de stad Samaria en predikte hun den Christus. (6) Het volk luisterde eensgezind en vlijtig naar hetgeen Philippus zeide en zag de teekenen, die hij verrichtte. (7) Want de onzuivere geesten voeren uit vele bezetenen met groot geschreeuw; ook werden vele jichtlijders en lammen weer gezond gemaakt. (8) En er ontstond eene zeer groote vreugde in die stad. (9) Er was echter in die zelfde stad een man met name Simon, die reeds vroeger tooverkunsten verrichtte en het volk in verrukking gebracht had door te zeggen dat hij zelf iets bijzonders was, (10) wien allen, van den kleinste tot den grootste aanhingen en zeiden: "Deze is de kracht Gods, die "de Groote" heet", (11) En zij hingen hem aan, omdat hij langen tijd hunne zinnen door tooverij verrukt had. (12) Maar nu zij Philippus geloofden, die de blijde boodschap van het koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde, lieten zij zich doopen, mannen zoowel als vrouwen. (13) En ook Simon zelf werd geloovig en na gedoopt te zijn bleef hij voortdurend bij Philippus en toen hij de teekenen en groote krachten zag, die er geschiedden, ontzette hij zich. (14) Toen nu de apostelen in Jeruzalem hoorden, dat Samaria het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes. (15) Dezen kwamen en baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest mochten ontvangen. (16) Want deze was nog op niemand hunner neergedaald, maar zij waren alleenlijk gedoopt in den naam van den Heer Jezus. (17) Toen legden zij de handen op hen en zij ontvingen den Heiligen Geest. (18) En als Simon zag, dat door de handoplegging der apostelen de Heilige Geest geschonken werd, bood hij hun geld aan (19) en zeide: "Geeft ook mij deze macht, opdat hij, wien ik de handen opleg, den Heiligen Geest ontvangt". (20) Petrus echter zeide tot hem: "Uw geld ga met U ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt! (21) Gij hebt part noch deel aan dit woord, want uw hart is niet oprecht tegenover God. (22) Bekeer U dan van deze uwe boosheid en bid God, of misschien deze overlegging uws harten U vergeven wordt, (23) want ik zie, dat uwe ziel vol is van bittere gal en dat gij verstrikt zijt in ongerechtigheid. (24) Doch Simon antwoordde en sprak: "Bidt gijlieden voor mij tot den Heer, dat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt."
De oudste Christenen gingen dus, zooals wij zien, van het gezonde principe uit, dat de uitdeeling der goddelijke gaven vrij moet zijn van winstbejag, overigens echter werd tusschen de "wonderen" in naam van den Christus of in naam van andere godheden verricht, geen scherpe grenslijn getrokken.
Hoogst kenschetsend is verder het navolgende verhaal, eveneens uit de Handelingen der Apostelen, XIII:
(6) En toen zij [nl. Paulus en Barnabas] het eiland [Cyprus] doorgetrokken waren tot aan de stad Paphos, troffen zij er een Joodschen toovenaar en leugenprofeet aan, met name Bar-Jezus, (7) die tot het gevolg van den stadhouder Sergius Paulus, een zeer verstandig man, behoorde. Deze ontbood Barnabas en Saulus en begeerde zeer, het woord Gods te hooren. (8) Maar Elymas, de toovenaar—want aldus wordt zijn naam vertolkt—kwam tegen hen op en trachtte den stadhouder van het geloof afkeerig te maken. (9) Maar Saulus (ook Paulus genoemd), vervuld van den Heiligen Geest, keek hem scherp aan (10) en zeide: "O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en alle arglist, vijand van alle gerechtigheid, wilt gij eens ophouden, de rechte wegen des Heeren krom te maken? (11) Zie dan, de hand des Heeren keert zich tegen U en gij zult blind zijn en de zon voor een tijd niet zien!" En terstond viel nevel en duisternis op hem, en tastende zocht hij rond naar wie hem bij de hand zouden leiden. (12) Toen de stadhouder zag wat gebeurd was, geloofde hij, ontzet over de leer van den Heer."
Hier zien wij dus, hoe naar de Christelijke opvatting, een toovenaar-profeet door de goddelijke macht krachteloos wordt gemaakt.
Zeer opmerkelijk is ook hetgeen naar aanleiding van Paulus' prediking in Ephese wordt vermeld (Handelingen XIX, 19):
"Velen ook dergenen, die magische kunsten beoefend hadden, brachten de [toover]boeken bijeen en verbrandden ze in tegenwoordigheid van allen; men berekende de waarde ervan en kwam tot een bedrag van vijftigduizend zilverstukken."
In de "Openbaring van Johannes" wordt (XXI, 8) verzekerd, dat ook aan de toovenaars als aan de andere misdadigers "hun deel zal zijn in den poel die daar brandt van vuur en sulfer, hetwelk is de tweede dood" (vgl. ook XXII, 15).
De zg. Apostolische Vaders sluiten zich bij die zienswijze aan.
In den zg. "Brief van Barnabas" (waarschijnlijk uit de eerste eeuw dagteekenende) wordt c. 20 gewaarschuwd voor den "weg der duisternis", want het is "de weg van den eeuwigen dood met straf, waarop zich bevindt wat de ziel te gronde richt", en daaronder wordt ook de magie uitdrukkelijk genoemd.
Ook de zg. "Leer der Twaalf Apostelen" (hoogstwaarschijnlijk later dan de brief van Barnabas) zegt in c. III, 4 o.m.: "Mijn kind, wordt geen bezweerder noch astroloog noch magiër en verlang die dingen niet te zien, want uit dit alles ontstaat afgodendienst". Dit was dus bij de Christenen het groote bezwaar tegen de tooverij.
Desondanks werden zoowel Jezus zelf als zijne volgelingen in 't algemeen als magiërs beschouwd.
Het is bijv. een feit, dat de Joden Jezus voor een toovenaar uitmaakten. Volgens eene overlevering zou Jezus in Egypte de magie hebben geleerd en door middel van haar zijne wonderdaden hebben verricht. In Joodsche legenden van lateren tijd staat o.m. te lezen, dat Jezus een geheim perkament met den waren naam Gods had bezeten, dat dit hem echter afhandig werd gemaakt en hij dientengevolge zijne tooverkracht verloor. Die verhalen hebben echter, zooals van zelf spreekt, geen historische waarde. Daarentegen valt het niet te ontkennen, dat zekere wonderdadige genezingen, zooals ze in de Evangeliën worden verhaald, sterk op die van magiërs gelijken. Wanneer wij lezen, hoe Jezus doofstomheid (Marcus VII, 33) en blindheid (Marcus VIII, 23 en Johannes IX, 6) geneest door o.m. van zijn speeksel gebruik te maken, dan denken wij onwillekeurig aan de wonderdaad van Vespasianus en aan hetgeen wij verder t.p. hebben vermeld. En wanneer in Lucas VIII, 43 vlg. staat, hoe eene zieke vrouw reeds daardoor genezen wordt, dat zij den zoom van Jezus' kleed aanraakt, en hoe in v. 46 Jezus zelf verklaart te voelen dat kracht van hem is uitgegaan, dan herinnert dat ons van zelf aan de wonderdadige geneeskracht, die, zooals wij reeds in hoofdstuk II zagen, door de primitieve volkeren aan hunne opperhoofden wordt toegeschreven.
De Christenen gingen, evenals de Joden, in 't algemeen bij de Romeinen voor magiërs door. Wanneer de geschiedschrijver Suetonius in zijn "leven van Nero" c. 16, de Christenen naar aanleiding van de vervolging onder dien keizer eene soort menschen noemt van eene "nieuwe en boosdoende superstitie", dan gebruikt hij—'t geen hoogst opmerkelijk is—een woord, nl. boosdoende (malefica) dat ook bij uitstek van de tooverij in ongunstigen zin werd gebezigd. In een brief, aan keizer Hadrianus toegeschreven, worden de Christelijke presbyters voor wichelaars en dgl. uitgemaakt[56]. Met die beschuldiging van magie hangt ook het gerucht samen, dat vooral in de tweede eeuw hardnekkig werd geloofd, dat nl. de Christenen een klein kind slachtten en brood in het bloed doopten om aldus het eeuwige leven te verwerven. Aanleiding daartoe was blijkbaar de geheime viering van het avondmaal bij de Christenen en zekere uitdrukkingen, die zij voor dit sacrament gebruikten. Het griezelige, dat men van de magiërs geloofde, geloofde men ook van de Christenen, en men nam zich niet de moeite, om het feit zelf deugdelijk te bewijzen. Voorts werd het, zooals te begrijpen, als magie beschouwd, wanneer de Christenen door den naam van Jezus "duivelen" uit de bezetenen verdreven. Overigens was, zooals wij in hoofdstuk III gezien hebben, het exorcisme reeds voordien gebruikelijk.
Begunstigers daarentegen van de magie waren de zg. Gnostieken, sectariërs, van vóór onze jaartelling dateerende, echter reeds spoedig met het Christendom in aanraking gekomen. Gnosis, d.w.z. kennis, is, naar hunne opvatting, niet zoo zeer de "zelfbezinning van het intellect" als wel eene geheimzinnige openbaring, die door inwijding en sacramenten, door visioenen en extase den mensch ten deel valt. Wij zijn aangaande de Gnostieken vrij gebrekkig ingelicht en meestal slechts op de berichten van hunne tegenstanders aangewezen, maar dat zij sterk aan magie deden, is boven twijfel verheven. Zeer opmerkelijk is het, dat bovenvermelde Simon "de toovenaar" door de oude kerk werd beschouwd als de "vader der ketterijen", die "deels door goocheltoeren, deels ook door de hulp van demonen"[57] velen misleidde. Zooals wij in hoofdstuk V zullen zien, beoefenden de "Simonianen", die zich geruimen tijd wisten te handhaven, o.m. de doodenbezwering. Van Carpocrates (eerste helft der tweede eeuw) en zijne volgelingen luidt het: "Zij houden zich op met magische kunsten en bezweringen, minnedranken en toovermiddelen, bijzitters [helpende geesten] en droomenzendende geesten en de overige boosdoenarijen, bewerende de macht te hebben om reeds te heerschen over de vorsten en vormers van deze wereld, ja zelfs over al het geschapene in haar"[58]. Uit koptisch-gnostische geschriften, die men in den laatsten tijd gevonden en uitgegeven heeft, zijn wij hieromtrent een en ander te weten gekomen. In een dier boeken bijv. staat o.m. opgegeven welke symbolen en bezweringen van noode zijn, om "de oorden van den onzichtbaren God te doorwandelen". De symbolen of "zegels" bestaan uit allerlei figuren, die soms op sneeuwkristallen gelijken, de bezweringen grootendeels uit vreemdsoortige namen, als Jaldabaoth en allerzonderlingste klankverbindingen als zozeze, ja, herhalingen van enkele klinkers als bijv. eene drievoudige e. Bij iedere afzonderlijke aanroeping van gindsche "heerschers" moet men tevens een mystiek getal als bijv. 1119 "met de handen grijpen"[59]. Dergelijke practijken waren reeds in het oude Egypte gebruikelijk, zooals o.m. uit het zg. Doodenboek, feitelijk eene verzameling van tooverformulieren, blijkt.
In de tweede helft der tweede eeuw n. Chr. heeft het ongeloof nog wel eenige voorstanders onder de wijsgeeren, maar het moet hoe langer hoe meer zwichten voor de onweerstaanbare macht der pythagoreïsche en platonische philosophie. En hoe men in die kringen over de realiteit der magie dacht, leert ons bijv. de veertiende "voordracht" van Maximus, uit Tyrus, een toenmalig "conférencier", die daarin o.m. inlichtingen omtrent allerlei orakelen geeft. Vgl. inzonderheid de navolgende passage, (2, vlg.):
"In Boeotië, nabij de stad Lebadea, is een orakelgrot, genoemd naar den halfgod Trophonius. Wie hem wil raadplegen, legt een linnen, tot de voeten reikend, roodkleurig gewaad aan, neemt [honig]koeken in beide handen, en begeeft zich achterovergebogen door eene smalle opening binnen de grot. Na het een en ander te hebben gezien of gehoord komt hij weer naar boven en is zelf de tolk van wat hij waarnam. En ergens in Italië, in Groot-Griekenland, was bij het meir dat Avernus heet, een orakelgrot met priesters: psychagogen, geheeten naar hun werk [het oproepen van zielen]. Wie daar ter wille van het orakel gekomen was, deed een gebed, slachtte offerdieren, bracht plengoffers en riep de ziel van wien hij wilde, van voorouders of van vrienden, op. En dan kwam hem een schimbeeld te gemoet, wel is waar onduidelijk om te zien en moeilijk te herkennen, maar toch in staat om eene stem te laten hooren en voorspellingen te doen, en na geantwoord te hebben op hetgeen men vroeg, verdween het. Het schijnt mij toe, dat ook Homerus dit orakel kende en Odysseus er de reis heen laat doen, al heeft hij het, met dichterlijke vrijheid, ver van de Middellandsche zee verplaatst.
3. Indien deze dingen waar zijn, zooals het geval is, daar deels die orakelen ook nu nog bestaan, zooals ze waren, deels nog duidelijke sporen van den dienst en de plechtigheden bij die instellingen over zijn," enz.
Eene zeer uitvoerige beschrijving van het Trophonius-orakel geeft, uit eigen ervaring, een tijdgenoot van Maximus, nl. Pausanias, in zijne beschrijving van Griekenland "de Baedecker der oudheid" (IX, 39). Van het meir Avernus, in Campanië, is reeds in hoofdstuk III sprake geweest; hier willen wij nog slechts opmerken, dat Zuid-Italië, wegens de vele Grieksche kolonies die er waren, vaak "Groot-Griekenland" werd genoemd.
De satiricus Lucianus uit Syrië (± 120-na 180), die zich niet ontzag de meest hoogstaande philosophen te bespotten, kantte zich fel tegen alles wat maar naar magie zweemde en heeft enkele geschriften speciaal aan de bestrijding ervan gewijd.
Bekend is zijne levensbeschrijving van "Alexander den leugenprofeet" uit Abonouteichos (in Klein-Azië), die ook bij hooggeplaatste Romeinen zeer gezien was. Lucianus, zijn persoonlijke vijand, noemt hem een toovenaar (c. 1), verwijt hem, op grond van hooren zeggen, grove onzedelijkheid (c. 5) en beschuldigt hem van stelselmatig bedrog, ja zelfs van poging tot moord (c. 56 vlg.). Dit alles valt, door gebrek aan andere bronnen, moeilijk te controleeren; maar dat men Alexander niet botweg mag beoordeelen naar de critiek van iemand, die, op 't voorbeeld van Epicurus, verklaart, dat "wonderen" bedrog moeten zijn, ook al kan men dit niet aantoonen (c. 17)—daarover worden de deskundigen het toch meer en meer eens.
Van eenigszins minder inferieur gehalte is de "Menippus of doodenbezwering", waarin Lucianus genoemden satiricus, geholpen door een Chaldeeuwschen magiër, in de onderwereld laat neerdalen. De beschrijving van de hiertoe vereischte voorbereidingen en ceremoniën, hoe wonderlijk ook, is geen pure fantasie. Menippus nl. vertelt o.m., hoe de magiër hem omstreeks middernacht naar de Tigrisrivier leidde, hem reinigde, met klei afwreef, met fakkels en de zeeajuin en verscheidene andere middelen zuiverde en tevens eene bezwering mompelde, (c. 7), 't geen met andere berichten omtrent soortgelijke handelingen overeenstemt. Van de onderwereld zelve zij hier vermeld, dat, volgens onzen zegsman, Socrates daar, tengevolge van zijne vergiftiging, nog met gezwollen beenen rondliep, (c. 18).
Al zijne bitterheid heeft Lucianus echter in "De leugenvriend of de ongeloovige" bijeengegaard, om ze onbarmhartig uit te storten over iedereen die zich in dezen niet met de zienswijze der atomisten (c. 32 f.f.) kan vereenigen, 's Mans fijne en vindingrijke ironie moge uit staaltjes als de navolgende blijken: Een der "wondergeloovigen" verzekert, een blik in de onderwereld te hebben geslagen en antwoordt op de vraag of hem ook Socrates voor oogen was gekomen, aldus: "Ik zag Socrates, echter niet duidelijk, maar op de gis af, omdat hij een kaal hoofd en een dikken buik had" (c. 24). Van een ander wordt gezegd, dat hem "de ideeën zelve verschijnen, die Plato laat zien, een duister schouwspel voor zwakken van gezicht" (c. 16), waarmee de geestigheid van Lucianus in deze materie haar toppunt heeft bereikt.
Een tegenhanger van Lucianus is de grootste der toenmalige Latijnsche belletristen, Apuleius uit Madaura (heden ten dage Mdauroesch in Algiers), tevens een man van encyclopaedische kennis. Zijn bekendste werk, de kleurrijke en artistieke roman "Metamorphosen", d.w.z. "Gedaanteverwisselingen", ook wel "De gouden ezel" genoemd, vereenigt op eigenaardige wijze nuchter realisme met weelderige fantasie, losbandige dartelheid met innige devotie. De held ervan, Lucius, een jeugdig en hoogst onbezonnen geleerde, wordt nl. in een ezel veranderd en beleeft als zoodanig de zonderlingste lotgevallen, totdat hij door de genade van Isis wordt verlost en zich uit dankbaarheid aan den dienst der godin wijdt.
Uit dit boek spreekt een enthousiasme voor tooverij, zooals wij het zelden elders aantreffen. Wij willen hier het meest frappante aanhalen.
Lucius, te Hypata, een stadje in Thessalië, aangekomen, denkt over de wonderen na, die hij verwacht te zien (II, 1):
"Zoodra de zon de nacht verdreven en den dag hernieuwd had, verhief ik mij tegelijkertijd uit den slaap en uit het bed, tóch al gespannen en bovenmatig nieuwsgierig, om wat zeldzaam en wonderbaarlijk is, te leeren kennen, en bedenkende, dat ik mij midden in Thessalië bevond, dat de geheele aardkring als de bakermat der tooverzangen verheerlijkt ... bekeek ik alles stuk voor stuk met de grootste belangstelling en nieuwsgierigheid. En er was niets in dat plaatsje wat ik bij den aanblik voor dat hield wat het was, maar ik geloofde dat alles zonder onderscheid door helsch toovergemompel in eene andere gestalte was omgezet, dat de steenen, die ik er aantrof, uit menschen verhard, de vogels die ik hoorde, evenzoo bevederd, de boomen, die de stadgrens omgaven, op gelijke wijze bebladerd en dat de bronwateren vervloeide menschenlichamen waren. Reeds verwachtte ik, dat de standbeelden en schilderijen zouden gaan wandelen, de muren spreken, de runderen en soortgelijk vee profeteeren en van den hemel zelf en de zonneschijf plotseling een orakel zou neerdalen."
Daar ontmoet hij eene aanverwante, de matrone Byrrhina, die hem waarschuwt voor de booze kunsten van Pamphile (jongensgek), wier echtgenoot hem gastvrijheid verleent (2 vlg.):
"Maar ik", aldus gaat Lucius in c. 6 voort, "toch al nieuwsgierig, was, zoodra ik het altijd gewenschte woord "tooverkunst" hoorde, er zoo verre van af, om voor Pamphile op mijne hoede te zijn, dat ik integendeel er naar snakte, om mij aan zulk eene leerschool zelfs tegen eene rijke betaling gaarne over te geven en mij rechtstreeks met rassen sprong in den afgrond te storten."
De zucht naar tooverij valt moeilijk met schellere kleuren te teekenen.
Door middel van eene slavin, waarmee hij liefdesbetrekkingen aanknoopt, tracht Lucius achter de geheimen van Pamphile te komen.
Pamphile, aan haar weinig sympathieken echtgenoot ontrouw, legt zich vooral op liefdestooverij toe, waaromtrent dan ook in III, 17 vlg. een en ander wordt medegedeeld. Zij tracht afgesneden haren van dengene op wien ze verliefd is, meester te worden, en bedient zich voorts van een zeer omvangrijk tooverapparaat: allerlei soort welriekende kruiden, platen met onverstaanbare karakters bekrast, overblijfselen van verongelukte schepen, lichaamsdeelen van overledenen, bloed van vermoorden, bekkeneelen aan de tanden van roofdieren ontrukt, bezweringen, plengingen, nu eens met bronwater, dan met koeienmelk, met wilden honig ofwel met wijnmee. Na vervolgens de haren in elkaar gestrengeld en geknoopt te hebben werpt ze deze ter verbranding in een gloeiend kolenvuur.
Wij hebben verscheidene van deze toovermiddelen reeds herhaaldelijk vermeld en willen hier meer bepaaldelijk onze aandacht op de haren vestigen.
De haren toch spelen in het volksgeloof eene groote rol. Zelfs worden ze vaak als zetel van de levenskracht beschouwd. Volgens Euripides snijdt de dood een lok af van het hem gewijde slachtoffer[60]. Vergilius verhaalt in het (reeds in hoofdstuk III door ons aangehaalde) vierde boek der Aeneïde (v. 696-705), hoe Dido die "voor haar tijd" zelfmoord pleegt, niet van het lichaam kan scheiden, alvorens haar van godswege een lok van de kruin is afgesneden. En wie denkt hierbij niet onwillekeurig aan Simson, die met zijne weelderige haren tegelijk ook zijne reuzenkracht verliest?
Het is dus geen wonder, dat de haren bij liefdestooverij en envoûtement te pas komen. Lucianus vermeldt in zijne "heterengesprekken" (IV, 4), hoe voor de betoovering van een ontrouwen minnaar iets van den man zelf, zooals bijv. enkele van zijne haren, vereischt zijn. En treffend stemt het met de tooverij van Pamphile overeen, als wij lezen, hoe de magiërs bij de Tamilen op Ceylon, om iemand te envoûteeren, haren en speeksel van hem met zand van zijne voetsporen vermengd, samenkneeden en op een looden plaat uitspreiden, waarbij tevens een ontvleeschte schedel met magische, er op ingekraste karakters onmisbaar is.
Met de bovengenoemde middelen echter in een zeker geval niets kunnende gedaan krijgen, besluit Pamphile de gedaante van een vogel aan te nemen en zoo naar haar geliefde toe te vliegen. Ze begeeft zich voor dat doel naar haar bovenkamertje. (c. 21). Lucius, door de slavin gewaarschuwd, klimt, in den nacht, stilletjes de trap op en ziet door eene spleet in de deur, hoe Pamphile zich eerst van al hare kleeren ontdoet, daarna uit een gesloten kastje verscheidene busjes te voorschijn haalt, uit een ervan eene zalf neemt, deze lang met hare handpalmen wrijft en zich van de teenen tot de kruin er mee bestrijkt. Eindelijk schudt ze hare ledenmaten, die zich met veeren bedekken; ze wordt een oehoe en gaat met vollen vleugelslag er van door.
Wij zien hier dus, hoe eene zalf vereischt is, als men zich in een dier wil veranderen, en denken daarbij meteen aan de zalf, waarmede de heksen zich bestreken, ten einde naar hunne nachtelijke samenkomsten te vliegen, zooals Goethe het in Faust dichterlijk heeft beschreven. En ook wordt ons overgeleverd, dat men zich van eene diergelijke zalf bediende, om de gedaante van een wolf aan te nemen, zooals immers het geloof aan den weerwolf met dat aan den duivel en tooverij samen is gesmolten. De hoofdbestanddeelen van de zalven in quaestie waren narcotische kruiden; een occultist uit de vorige eeuw, K. Kiesewetter, die het geheim van de samenstelling meende te kennen, heeft er zelf proeven mee genomen, waarbij hij van reizen in verre gewesten en groote menschenmassa's droomde. Het geloof der heksen, op eene samenkomst te zijn geweest, waarbij de duivel het voorzitterschap bekleedde, laat zich verder door "autosuggestie" gemakkelijk verklaren.
Lucius, door dolle nieuwsgierigheid gedreven, wil nu ook een experiment met de zalf wagen, maar neemt per ongeluk een verkeerd busje en wordt zoodoende in een ezel veranderd (c. 24). Slechts het eten van rozen vermag hem de menschelijke gedaante weer te geven, maar dit valt hem niet dan na eene reeks allerellendigste wederwaardigheden ten deel (XI, 13).
Ook eene doodenbezwering wordt in onzen roman beschreven, en wel naar aanleiding van het feit, dat zeker bejaard burger eene vrouw beschuldigt, zijn neef, met wien zij gehuwd was, te hebben vermoord. Er ontstaat een oploop; het volk dreigt de vrouw te steenigen, zij echter verzekert onder tranen, onschuldig te zijn (II, 27).
"Toen dan", aldus gaat het verhaal bij Apuleius (c. 28) voort, "zeide de grijsaard: De beslissing omtrent de waarheid zij aan de goddelijke voorzienigheid overgelaten! Zatchlas is hier, een Egyptisch priester van den eersten rang, die met mij tegen eene groote belooning is overeengekomen, om den geest van den overledene voor eene korte poos uit de onderwereld terug te roepen en dit lichaam weer te bezielen." En meteen brengt hij een jongeling er bij, in linnen gewaden, met schoenen van palmbladeren en met kaalgeschoren hoofd. Lang kust hij diens handen, raakt zijne knieën aan en zegt: "Ontferm U, priester, ontferm U! Bij de gesternten des hemels, bij de godheden der onderwereld, bij de elementen der natuur, bij het zwijgen der nacht, en de heiligdommen van Coptos, bij het aanwassen van den Nijl en de geheimen van Memphis ... geef een kort gebruik van de zon en giet in de voor eeuwig gesloten oogen een weinig licht! Wij verzetten ons niet tegen het noodlot, wij ontzeggen niet aan de aarde haar eigendom, maar slechts terwille van den troost der wraak, smeeken wij om eene korte spanne levens."
De profeet, aldus vermurwd, legt een zeker kruid op den mond en een ander op de borst van 't lijk. Vervolgens aanbidt hij, naar het Oosten gekeerd, zwijgend de opkomst van den verheven zonnegod en wekt door den aanblik van dit eerbiedwaardig tooneel de belangstelling der aanwezigen voor een zoo groot wonder op (29).... Reeds begon de borst op en neer te gaan, reeds de pols hersteld te kloppen, reeds het lichaam door geest te worden vervuld; daar verrijst het lijk en spreekt de jongeling".
Nog meer echter dan die roman geeft het feit te denken, dat Apuleius zelf van tooverij is aangeklaagd (tusschen 155 en 158). Hij was nl. in het huwelijk getreden met eene rijke maar veel oudere weduwe en had daardoor de verwanten van haar eersten echtgenoot tegen zich in 't harnas gejaagd. Men beweerde, dat het huwelijk door verbodene kunsten tot stand was gekomen en diende eene aanklacht tegen Apuleius in, waartegen deze zich in zijne "Apologie", die ook de kerkvader Augustinus als "zeer inhoudsrijk en welsprekend" roemt[61], met goed gevolg verdedigde.
De aanklagers legden Apuleius o.m. ten laste, dat hij zeldzame visschen had gekocht om er toovermiddelen uit te bereiden, dat hij een slaaf had behekst en voor eene lamp aan den voet van een altaar had doen neervallen, dat hij in de woning van een vriend nachtelijke offers had gebracht en dat hij een geheimzinnig beeld voor magische doeleinden met zich voerde.
Deze punten van beschuldiging waren geenszins, zooals men vroeger waande, bespottelijk, maar integendeel, zooals het onderzoek in den laatsten tijd heeft aangetoond, van zeer ernstigen aard, daar ze overeenstemden met hetgeen men toenmaals van de tooverij en hare benoodigdheden geloofde.
Apuleius verdedigt zich hiertegen in dier voege dat hij de lachers op zijne zijde tracht te krijgen, bij bijzonderheden van weinig beteekenis lang blijft stilstaan en allerlei uitweidingen maakt, die zeer zeker veel wetenswaardigs bevatten—ook wij hebben er in III een en ander uit geput—maar die toch kennelijk bedoelen, de aandacht van den toehoorder en lezer af te leiden. Op zekere gewichtige beschuldigingen gaat de verdediger zoo weinig mogelijk in.
Aangaande de visschen tracht Apuleius (in c. 30 vlg.) uitvoerig aan te toonen, dat de magiërs er zich niet van bedienen en roept o.a. in (c. 30) uit: "Hoe zou een stomme en koude visch in staat zijn om den minnegloed te doen ontvlammen?", maar het staat vast, dat toch wel eens visschen voor liefdestooverij werden gebruikt, en Apuleius heeft dus niet anders gedaan, dan om de moeilijkheid heen praten.
In zake de beheksing van den slaaf (c. 42-52) ontkent Apuleius niet, dat deze in zijne tegenwoordigheid was neergevallen (c. 44 vlg.), schrijft dit echter aan epilepsie toe: "Dat moet wel de grootste toovenaar van allen zijn, in wiens tegenwoordigheid die slaaf lang kan blijven staan" (c. 43). Echter komen de bijzonderheden van deze beschuldiging, zooals wij in ons laatste hoofdstuk zullen zien, vrij goed overeen met hetgeen ons de tooverboeken aangaande diergelijke handelingen leeren.
Van het nachtelijke offer, eene echte tooverpractijk, door de wet verboden, maakt Apuleius zich (57-60) grootendeels met grappen, insinuaties en sofismen af. Zijne tegenargumenten zijn weinig steekhoudend en zelfs is het vermoeden geopperd, dat hij, na zijne vrijspraak, er een en ander ten gunste van de rhetorische werking aan zou hebben geretoucheerd.
Het geheimzinnige beeld (c. 61-65) verklaart Apuleius voor een onschuldig voorwerp van particuliere vereering; het was echter een ebbenhouten beeld (c. 61), van Mercurius (de Latijnsche naam voor Hermes, z.b. hoofdstuk I) met een kleed om de schouders (c. 63), en juist zulke beelden van Mercurius, den god-toovenaar, werden, zooals in de tooverpapyri te lezen staat, voor magische doeleinden vervaardigd.
Vat men alles samen, dan bevestigt de "Apologie" wat men a priori van den auteur der "Metamorphosen" kon verwachten, n.l. dat hij, die zich op elk gebied van wetenschap bewoog, ook het "occultisme" beoefende, al was het dan ook niet met booze bedoelingen.
Apuleius, wien in geval van veroordeeling de doodstraf wachtte, bleef dan ook, ondanks zijne vrijspraak, bij zijne tijdgenooten voor een magiër doorgaan en werd in latere eeuwen met Apollonius van Tyana op ééne lijn gesteld.
De magie werd echter ook destijds, zoo noodig, voor officieele doeleinden gebruikt.
Keizer Marcus Aurelius (161-180) verzekert wel is waar in zijne "Zelfbeschouwingen" (I, 6) geen geloof te slaan aan hetgeen wonderdoeners en toovenaars omtrent bezweringen en het bannen van demonen en soortgelijke practijken vertelden, maar toen het Romeinsche rijk door de Marcomannen uit Bohemen en andere volksstammen uit aangrenzende streken werd bedreigd, riep hij overal priesters vandaan, liet vreemdsoortige plechtigheden verrichten en Rome op allerlei manieren reinigen, zoodat dit zelfs zijn vertrek naar het leger vertraagde[62]. Ook heeft hij blijkbaar den "leugenprofeet", Alexander van Abonouteichos (z.b.), begunstigd en wordt bericht, dat een Egyptisch magiër, Arnouphis, toen het Romeinsche leger, door de Quaden ingesloten en door afschuwelijken dorst gekweld werd, Hermes (Mercurius z.b.) en andere goden door middel van tooverkunsten bezwoer en zoodoende een regenval veroorzaakte, die de Romeinen verkwikte terwijl eene felle onweersbui de vijanden teisterde[63]. Zooals bekend hebben kerkelijke schrijvers dit "wonder" aan de gebeden van Christelijke soldaten toegeschreven.
Van een later keizer, Didius Julianus, wiens bewind (in 193) slechts kort duurde, wordt bericht dat hij aan alle kanten bedreigd "door middel van magiërs verscheidene handelingen liet verrichten waardoor hij meende, den haat van 't volk te kunnen kalmeeren en de wapenen der opgestane soldaten te kunnen bedwingen. Want ze offerden sommige offerdieren, die bij den Romeinschen eeredienst niet hooren, en hieven profane gezangen aan. Julianus nam ook zijne toevlucht tot die tooverij, waarbij, naar verluidt, een spiegel gebruikt wordt en geblinddoekte knapen, over wier kruin eene bezwering is uitgesproken, een blik in de toekomst slaan. Toen dan zou de knaap de aankomst van Severus en het aftreden van Julianus hebben gezien"[64].
Van spiegels in engeren zin, d.w.z. metaalspiegels, is bij de magie der Grieken en Romeinen slechts zeer zelden sprake. Opmerking verdient echter hetgeen de reeds vroeger genoemde Pausanias, in zijne "Beschrijving van Griekenland" (VII, 21, 12) bericht, dat nl. voor een zeker heiligdom van de godin Demeter (Ceres) zich eene bron bevond, die men ter wille van zieken in dier voege raadpleegde dat men een spiegel aan een dun koord liet neerzakken, totdat de rand ervan het wateroppervlak eventjes aanraakte. Na vervolgens tot de godin gebeden en reukwerk gebrand te hebben, zag men in den spiegel, die den zieke levend of gestorven vertoonde.
In de Middeleeuwen daarentegen en later bediende men zich voor magische doeleinden bij voorkeur van uiterst kunstig vervaardigde spiegels, of van bijzonder geslepene kristallen. Bij het raadplegen ervan werden allerlei bezweringen tot engelen en geesten gericht, die, naar men geloofde, alsdan verschenen en in heel enkele gevallen zelfs hunne stem lieten hooren. In den laatsten tijd is ook het "kristal-zien" proefondervindelijk onderzocht en gebleken, dat zich daarbij, naast waardelooze fantasiebeelden, ook visioenen voordoen, die op "helderziendheid" en wellicht nog op andere geheimzinnige krachten en invloeden wijzen.
Bij de Christenen bleef de afkeer tegen de magie bestaan maar de feiten zelve werden erkend. Allermerkwaardigst is te dien opzichte de navolgende uitspraak in de eerste apologie (c. 18) van Justinus den martelaar (± 154):
"De doodenbezweringen, de visioenen van onbedorven knapen, de oproepingen van menschelijke zielen en wat de magiërs droomenzendende geesten en bijzitters [helpende geesten] noemen en hetgeen verricht wordt door hen, die in deze dingen ervaren zijn, mogen U ervan overtuigen dat de zielen ook na den dood nog waarnemingsvermogen bezitten; let ook op de menschen, die door de zielen van overledenen gegrepen en geschokt worden, welke men eenstemmig bezetenen en waanzinnigen noemt, op de zoogenaamde orakelen bij U, van Amphilochus, van Dodona en Pytho en wat er verder van dien aard is...."
Amphilochus, een mythisch figuur evenals Trophonius (z.b.), werd op verscheidene plaatsen vereerd; te Dodona (in Epirus) was een orakel van Zeus en te Pytho (Delphi) een van Apollo.
Tatianus, een jongere tijdgenoot van Justinus, haalt in zijne "Rede tot de Grieken" zooveel mogelijk de booze geesten er bij, (c. 16):
"De demonen, die aan de menschen bevelen geven, zijn niet de zielen der gestorvenen."
Het schijnt hierbij niet te onpas, op te merken dat de Grieken en Romeinen geen scherpe grenslijn trokken tusschen demonen, d.w.z. bovenmenschelijke intelligenties, en overledenen en vaak de overledenen zelven als demonen beschouwden. Wellicht de meest frappante uitspraak dienaangaande is de navolgende van den reeds bovengenoemden Maximus uit Tyrus in "Voordracht" XV, 6:
"De ziel houdt het lichaam dat altijd in vloed en golfslag drijft en geschud en geslingerd wordt, bijeen en legt het vast voor anker, en wanneer die pezen en de adem en al het andere waardoor het lichaam, als met touwen, zoolang aan de ziel vastgeankerd was, verslappen, dan vergaat het lichaam en zinkt in de diepte, maar zij zelf ontzwemt den dood, ze is haar eigen vaartuig, houdt zich zelf bijeen en blijft onwrikbaar. En zulk eene ziel draagt reeds den naam van "demon", een voedsterling van den ether, uit de aarde naar ginds verhuisd, evenals uit een onbeschaafd volk naar Grieken, en uit eene wettelooze en door een tiran overweldigde en door onlusten geteisterde stad naar eene met goede wetten, die door een koning wordt bestuurd en vrede geniet".
Van amuletten en toovermiddelen wil Tatianus niets af weten (c. 17):
"Alle soorten van wortelen die men gebruikt, de magische toepassing van pezen en beenderen, hebben uit zich zelf geen uitwerking. Zij zijn slechts het werktuig, waarvan de demonen zich in hunne boosheid bedienen; zij hebben het bijzondere gebruik van ieder dier heelmiddelen vastgesteld en wanneer zij zien dat de menschen genegen zijn om de hulp aan te nemen, die ze hun door dit middel geven, dan slagen ze er in, ze tot slaven te maken terwijl ze hen bijstaan."
Tatianus beweert, dat de demonen de menschen eerst ziek maken en dan, opdat men zich te meer aan hen zou verslaven, gehoor geven aan de bezweringen, die zij zelf hebben ingevoerd (c. 18):
"De demonen genezen niet, maar vangen de menschen met list...zij dringen in de ledematen van zekere menschen, wekken vervolgens door droomen het geloof aan hunne macht op, bevelen de zieken in het openbaar te verschijnen, ten overstaan van allen, en na de eerbewijzen te hebben genoten, die men hun toekent, vliegen zij uit het lichaam van deze zieken en maken een einde aan de ziekte, die zij zelven hadden veroorzaakt en herstellen de menschen in hun vroegeren toestand."
Van de Gnostieken uit het tijdperk der Antonijnen zij hier een zekere Marcus vermeld, aangaande wien wij bij den hl. Irenaeus in diens werk "Tegen de ketterijen" (I, 13) (Ed. Massuet) lezen: "Hij bewerkt dat bekers met gemengden wijn, terwijl hij voorgeeft ze te wijden en de formule van aanroeping lang maakt, in purperen en roode kleur schitteren, zoodat het schijnt dat de "Genade, die boven alles is" door zijne aanroeping haar bloed in dien beker druppelt en de aanwezigen ten zeerste verlangen uit dien kelk te proeven, opdat de Genade, door den magiër aangeroepen, ook in hen vloeie". Naar bericht wordt, wierp Marcus te dien einde een zeker vocht in den beker, dat het mengsel langzamerhand kleurde. Irenaeus verzekert ook, (I, 21), dat bij de gnostieke inwijding een doop plaats vond en dat sommigen hier zekere hebreeuwsche namen aan toe voegden "om de inwijdelingen meer te doen ontstellen" en ook dat zij dezen met sap van balsem inwreven. Die fragmentarische en verwarde berichten zijn thans door de nieuwe vondsten eenigszins opgehelderd. In een koptisch geschrift toch worden de drie doopen, nl. die met water, met vuur en met den H. Geest uitvoerig beschreven, die Jezus zijn jongeren toedient alvorens hun de mysteriën mee te deelen waardoor de ziel "de oorden van den onzichtbaren God" vermag te "doorwandelen" (z.b.). Ten behoeve van den eersten doop moeten de discipelen uit de handen van een man en eene vrouw die rein zijn van sexueelen omgang, twee kruiken wijn ontvangen en wijnranken halen. Jezus maakt vervolgens een offer gereed, plaatst een wijnkruik links en den anderen rechts van het offer, gelast den discipelen zich in linnen kleeren te hullen, steekt in hun mond en legt in hunne handen zekere kruiden en stelt hen voor het offer. Daarna spreidt Jezus kleeren van linnen uit, zet een beker met wijn en legt brooden overeenkomstig het aantal der discipelen er op en bekranst de discipelen met olijftakken. Na een gebed van Jezus geschiedt een wonder: de wijn aan de rechter zijde van het offer wordt tot water; dan treden de discipelen voor Jezus, die ze doopt en hun de brooden toereikt. Daarop volgt de vuurdoop, waarmee waarschijnlijk de zelfontvlamming van een reukwerk is bedoeld, terwijl de ceremoniën voorts met die bij den eersten doop vrijwel overeenstemmen. Bij den derden doop worden aan het reukwerk "overblijfselen van safraan", balsem en honig toegevoegd en de discipelen met myrtetakken bekranst. Een bewalming met wierook en andere stoffen dient om uit de discipelen de "boosheid" van de "heerschers" in de lagere gebieden van de andere wereld te verwijderen[65]. Ook legt Jezus den discipelen wierook in den mond en deelt hun ten slotte de reeds boven vermelde geheimzinnige woorden en teekenen mede. Blijkbaar hebben diergelijke ceremoniën, met zekere variaties, in de mysteriën der Gnostieken plaats gevonden.
De benoodigdheden zoowel als de handelingen bij deze gnostieke mysteriën komen bijna alle ook elders in de magie voor. Gedeeltelijk is dit reeds gebleken, omtrent enkele bijzonderheden echter willen wij nog een en ander in 't midden brengen.
Onthouding van sexueelen omgang is vaak een vereischte voor het slagen van magische handelingen. De minste tijdruimte hierbij is, zooals wij reeds in III aanstipten en later nog blijken zal, drie dagen. Voor eene zekere oproeping van Aphrodite, (Pap. Paris. 3209) moet men zeven dagen, voor de bezwering, vermeld in het "Achtste boek van Mozes", één en veertig dagen zuiverheid betrachten[66]. Apollonius van Tyana bleef, naar verluidt, gedurende zijn geheele leven, sexueel rein[67].
Dergelijke voorschriften vindt men bij vrijwel alle volkeren. Ook de Hindoes achten bij zelfstandige tooverhandelingen het inachtnemen van onthouding gedurende ten minste drie dagen noodzakelijk. De Chineesche magiërs ontzeggen zich o.m. ook sexueele genietingen en bij de primitieve volkeren moeten de toovenaars zich door wekenlange en uiterst strenge onthoudingen op de uitoefening van hun beroep voorbereiden.
De hoofdreden hiervan is, dat de geslachtelijke omgang als verontreinigend wordt beschouwd. Men gaat daarbij niet uit van "ethische" of maatschappelijke overwegingen; of de handeling in quaestie bijv. echtelijk of buitenechtelijk is, doet niets ter zake. Maar men vreest, dat booze demonen, door de wellust aangetrokken, den mensch binnendringen en hem zoodoende onrein maken. Het "animisme" doet zijn machtigen invloed ook op het sexueele leven gelden.
Linnen is eveneens bij de magie vaak in gebruik In den Pap. Par. wordt (v. 3094) den magiër bevolen, een rein kleed van Indisch linnen om te doen, en Apollonius van Tyana zou zijn leven lang linnen gewaden hebben gedragen. Onder het Romeinsche bewind werd een Egyptisch priester van lageren rang aangeklaagd, omdat hij o.m. wollen kleedingstukken droeg[68]. Waarschijnlijk geloofde men in overoude tijden dat linnen een uitstekend geleider is voor dat geheimzinnige, en reeds herhaaldelijk door ons vermelde "mana". Ook de "magnetiseurs" verkondigen dergelijke theorieën.
Wierook is, zooals wij ook later nog zullen zien, eene der voornaamste benoodigdheden bij de magie. In een tooverpapyrus wordt o.m. den magiër bevolen, zijn mond met een wierookkorrel te berooken[69]. En in onze Oost is het branden van benzoë, eene soort wierook, algemeen in zwang, en wel teneinde booze geesten te verjagen, eene bedoeling, die men zeker ook oudtijds had bij het gebruik van reukwerk.
Vatten wij de uitkomsten van dit hoofdstuk samen, dan blijkt, dat aan het einde der tweede eeuw n. Chr. de realiteit der magie en, in verband hiermede, de inwerking van "demonen" vrijwel algemeen werd erkend. Bij de discussies, die van toen af over dit onderwerp werden gehouden, ging het hoofdzakelijk om de vragen: "Hoe moet men de magie uit een wijsgeerig standpunt verklaren?" en "Hoe moet men haar uit een religieus oogpunt beoordeelen?"
Litteratuur.
P.J. Veth, Java, 2'e. dr. bew. d. Snelleman e. Niermeyer IV [1907].
Göttsching, Apollonius v. Tyana, dissertatie Leipzig [1889].
*K. Kiesewetter, Der Occultismus des Altertums [1896].
G.R.S. Mead, Apollonius of Tyana [1901].
Canney, Apoll. of T., in Enc. Rel. Eth. I [1908].
Th. Whittaker, Apollonius of Tyana a. other essays [1909].
J.J. Hartman. De Avondzon des Heidendoms. Het leven e.d. werken v.d. Wijze v. Chaeronea 2'e dr. [1912].
G. Abernetty, De Plutarchi qui fertur de superstitione liber, dissert. Königsberg [1911].
B. Freire-Marreco, Charms a. Amulets, in Enc. Rel. Eth. III [1910].
F.T. Elworthy, Evil Eye, in Enc. Rel. Eth. V. [1912].
R. Lasch, Die Ursache u. Bedeutung d. Erdbeben im Volksglauben, in Arch. f. Religionswiss. V [1902].
Wallis, Prodigies a. portents, in Enc. R.E.X. [1918].
Frazer, Scapegoat [1914].
F. Schwally, Semitische Kriegsaltertümer. I. Hft. Der hl. Krieg im alten Israël [1901].
P. Fiebig, Antike Wundergeschichten. Zum Studium der Wunder des Neuen Testamentes, in kl. Texte f. Vorl. u. Ueb. hsg. v. H. Lietzmann No. 79 [1911].
*A. de Rochas L'extériorisation de la motricité, 4'e uitg. [1906].
E. Feilding, W.H. Baggally, H. Carrington, Report o.a. series o. sittings with Eusapia Palladino, in Proceedings o.t. Society Psychical Research, Vol. XXIII [1909].
Riess, Aberglaube, in Pauly, Real.-Enc. cl. Alt. 2'e dr. I [1894].
Doutté, Magie et Religion d. l'Afrique d. Nord (1909).
Stanley, Through the dark continent, Vol. I [1878].
*Graillot, Le culte de Cybèle, Mère des Dieux à Rome et dans l'empire Romain, in Bibl. écol. françaises d'Athènes e.d. Rome, fase. 107 [1912].
*Cumont, Textes e. Monuments fig. rel. a. mystères d. Mithra I [1899].
S. Krauss, D. Leben Jesu n. jüdischen Quellen [1902].
Anrich, Das antike Mysterienwesen in seinem Einfluss auf das Christentum [1894].
J. de Zwaan, Imperialisme v. d. Oud-christelijken geest (1919).
H. Weinel, Die Wirkungen des Geistes und der Geister im nach-apostolischen Zeitalter (1899).
Bousset, Kyrios Christos, Geschichte des Christusglaubens v. d. Anfangen d. Christentums bis Irenaeus, in Forsch. z. Rel. u. Lit. d. Alt. u. Neu. Test. 21 Hft. (1913).
Thimme, Alexander von Abonuteichos. Ein Beitrag zur Glaubwürdigkeit Lucians, in Philologus XLIX (1890).
*O. Seeck, Gesch. d. Unterg. d. ant. Welt Bd. III (1909).
Couperus, De verliefde Ezel [1918].
E.E. Sikes, Hair a. nails in Enc. R. E. VI [1913].
M. Bartels, Die Medizin der Naturvölker [1893].
K. Kiesewetter, Die Geheimwissenschaften [1895].
P. Monceaux, Apulée magicien, in Revue d. deux mondes LXXXV [1888].
P. Vallette, L'apologie d'Apulée. Thèse, Paris [1908].
S. Dill, Alexand o. Abonoteich., in Enc. R. E. I, (1908).
K.H.E. de Jong, Dienstweigering bij de oude Christenen (1905).
M. Ott, Thundering Legion, in The Catholic Encyclopedy XIV [1912].
A. Lang, Crystal-Gazing, Enc. R. E. IV [1911].
*T. Dempsey, The Delphic oracle, its early history, influence a. fall.(1918).
Puech, Rech s.l. disc. a. Grecs d. Tatien (1903).
*E. Fehrle, Die kultische Keuschheit im Altertum, in Religionsgesch. Ver. u. Vor. VI (1910).