Kentering.
Reading edition
De eerste eeuw vóór onze jaartelling kenmerkt zich o.m. door een steeds toenemend verzet tegen materialisme en scepticisme. De ingewikkelde atoomleer zoowel als de onvruchtbare twijfelingen lieten de dieper denkenden op den duur onbevredigd. Het Pythagoreïsme en het Platonisme herleefden. Het onzienlijke en buitengewone trok weer in verhoogde mate de aandacht. Posidonius (± 135—± 51), een der invloedrijkste denkers, de Leibniz der oudheid, evenzeer uitmuntende in de wiskundige wetenschappen als in de geschiedenis, hecht aan droomen en gelooft aan demonen.
De veranderde zienswijze der Grieksche denkers deed zich ook bij de Romeinen sterk gelden. Terentius Varro (116—27) "Rome's grootste geleerde", en geenszins blind voor de bedriegerijen op het gebied der tooverij, vermeldt als een feit, dat, toen de bewoners van Tralles (in Klein-Azië) door middel van magie den afloop van den oorlog met koning Mithradates (tusschen 88 en 63 v. Chr.) van Pontus (aan de Zuid-Oostkust van de Zwarte Zee) trachtten te weten te komen, de daartoe gebezigde knaap in water het beeld van den god Mercurius (Hermes) aanschouwde en de toekomst in 160 versregels voorspelde[22]. De Pythagoreeër Nigidius Figulus, een tijdgenoot van Varro en in kennis ter nauwernood bij hem achterstaande, bracht, door zekeren Fabius om inlichtingen gevraagd aangaande 500 denaren (zilverstukken) die hij verloren had, eveneens knapen door bezweringen in extase, waarin zij aanwezen, waar de buidel met een gedeelte der muntstukken begraven en hoe de rest verdeeld was, ook dat Cato (de jongere) een dier denaren had, en inderdaad erkende deze het muntstuk van een zijner slaven voor een offer aan Apollo te hebben ontvangen[23]. Van Vatinius, eveneens een Pythagoreeër, verzekert Cicero in de tegen hem gerichte redevoering (VI, 14, uit het jaar 56) dat hij de zielen uit de onderwereld opriep en de schimmen door het offeren van knapen gunstig stemde. Aangezien Cicero twee jaren later Vatinius heeft verdedigd, zal de laatstgenoemde gruwel wel niet als een bewezen feit zijn te beschouwen.
In de Romeinsche litteratuur dier tijden speelt de magie, inzonderheid voor erotische doeleinden, eene groote rol. Wij willen hiervan het o.i. meest belangrijke aanhalen.
De beroemdste Romeinsche dichter, de ernstige, verhevene en toch populaire Vergilius (70—19) volgt in zijn achtste herdersdicht (v 64—109) de idylle van Theocritus na, door ons in hoofdstuk II aangehaald. Ook hier weer is het eene verlatene minnares, die met medehulp van eene slavin, liefdestooverij verricht:
"Breng water en omwind dit altaar met een zachten band. Brand saprijke tooverkruiden en uitnemenden wierook, opdat ik beproeve mijn koelen echtgenoot door een magisch offer in hartstocht te doen ontvlammen; hier ontbreken slechts tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Tooverzangen kunnen zelfs de maan van den hemel omlaag trekken; door tooverzangen heeft Circe de makkers van Odysseus veranderd; de kille slang in de wei barst door tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Eerst bind ik deze drie draden van drie verschillende kleuren om uw beeld en voer dit driemaal rondom dit altaar; 't oneven getal behaagt aan de goden.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Amaryllis, leg drie knoopen in de drie kleuren, Amaryllis leg de knoopen en zeg: "Ik knoop de boeien van Venus!"
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Evenals deze klei hard wordt en dit was smelt door één en hetzelfde vuur, aldus moge Daphnis voor anderen gevoelloos worden, maar voor mij in liefde opgaan! Strooi gezouten meel en ontsteek de brosse laurier met aardpek! De gevloekte Daphnis brandt mij en ik brand dezen laurier op zijn beeld.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Zulk eene liefde als die eene vaars overmeestert, wanneer zij, door wouden en diepe bosschen heen, een stier zoekende, vermoeid en verloren naast eene waterbeek in het groene moerasriet neerzinkt en vergeet dat de late nacht haar terugroept: zulk eene liefde overmeestere Daphnis—en moge het niet bij mij opkomen hem te genezen!
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Deze kleeren liet de trouwelooze mij eens als dierbaar onderpand van hem achter, die ik nu onder den drempel zelf aan U, o aarde toevertrouw: dit onderpand staat mij borg voor Daphnis.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Deze giftige tooverkruiden, uit Pontus bijeengegaard, gaf Moeris zelf mij; Pontus is er rijk aan. Dikwijls zag ik Moeris door die kruiden een wolf worden en zich in de bosschen verbergen, dikwijls zielen uit de diepste graven opwekken en het veldgewas elders heenvoeren.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Breng asch, Amaryllis, naar buiten en werp ze over uw hoofd heen in de stroomende beek, maar zie niet om. Hiermede wil ik Daphnis aanvallen; hij geeft niets om goden noch om tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Zie! de asch heeft, terwijl ik draal met haar weg te dragen, van zelf het altaar met trillende vlammen aangetast; het zij een goed voorteeken! Er is zeker iets aan de hand; Hylax blaft op den drempel. Moet ik het gelooven, of droomen zij, die minnen, wakende?
Houdt op, mijn zangen, houdt op! Daar komt Daphnis al van de stad".
Hierbij enkele opmerkingen.
De symbolieke beteekenis van knoopen in de magie is gemakkelijk te vatten. Door het leggen van een knoop wil men boeien, wil men zekere handelingen van personen of uitwerkingen van voorwerpen verhinderen. Knoopen zijn dan ook vooral in de liefdestooverij gebruikelijk. Bij de Arabieren legt een meisje, om een man tot zich te trekken, knoopen in diens zweep. Volgens het oude volksgeloof kon eene heks door tooverij met knoopen een verderfelijken invloed op het huwelijksleven uitoefenen. Maar de macht van den knoop strekt zich nog veel verder uit. De Finsche toovenaars, heette het, vermochten door het leggen van knoopen den wind zelf vast te leggen. En onwillekeurig denken wij hierbij ook aan den Gordiaanschen knoop. Gordius toch, een der oudste koningen van Phrygië (in Klein-Azië) had, naar de overlevering luidt, een wagen aan Zeus, den hoogsten god, gewijd en aan dien wagen het juk met de dissel door een knoop verbonden, die niet gemakkelijk was los te maken. Een orakel verkondigde, dat diegene koning over Azië zou zijn, welke dien knoop vermocht te ontwarren. Alexander de Groote vervulde die godspraak door den knoop met het zwaard door te hakken[24]. Dat het getal drie en andere oneven getallen, eene groote rol in de magie spelen, is eveneens een feit. De toovergodin Hecate werd vaak met drie aangezichten afgebeeld. Herhaaldelijk wordt den toovenaar eene sexueele onthouding van drie dagen voorgeschreven. Mephisto moet drie keer door Faust worden uitgenoodigd, alvorens hij diens vertrek mag binnentreden. Voor eene zekere oproeping van den god Apollo was een lauriertak met zeven bladen vereischt[25]. De toovenaars op het schiereiland Malakka gebruiken zijden draden van zeven kleuren. In de Joodsche toovervoorschriften wordt ronduit verklaard, dat de even getallen beneden tien bepaald ongunstig zijn.
Het geloof, dat een mensch de gedaante van een wolf of ook wel van een ander dier kan aannemen, is bij zeer vele volkeren heerschende. In de zestiende en zeventiende eeuw beschouwde men den weerwolf als een dienaar des duivels en menigeen werd zoodoende het slachtoffer van den brandstapel. Dat de wolf in oude tijden aan primitieve volkeren een demonisch wezen toescheen en in verband werd gebracht met tooverij is geen wonder; voorts hebben ook krankzinnigheid en hallucinaties bij het geloof aan den weerwolf eene groote rol gespeeld.
Van tegenovergestelde strekking als de bezwering in het bovenvermelde herdersdicht is eene episode uit het vierde boek van de Aeneïde, het onafgewerkt tot ons gekomen heldendicht van Vergilius. De dichter laat aldaar (v. 478—498) Dido, de koningin van Carthago, gemarteld door eene noodlottige liefde voor Aeneas, die haar op goddelijk bevel verlaten moet, aldus tot hare zuster spreken:
"Ik heb een middel gevonden—wensch er mij geluk mee—dat mij hem [Aeneas] zal teruggeven of mij van mijne liefde zal bevrijden. Aan den rand van den Oceaan, waar de zon ondergaat, houdt het gebied der Aethiopiërs op, waar het hemelgewelf met zijne fonkelende sterren op de schouders van den ontzaglijken Atlas zich wentelt. Vandaar is eene priesteres van 't Massylische volk mij gewezen, die den tempel der Hesperiden en den boom met de gouden appelen bewaakte, die den draak aldaar voedde door hem vochtige honig[koeken] toe te dienen, bestrooid met slaapwekkenden papaver. Deze belooft door tooverzangen de harten van wie zij wil, van liefde te bevrijden, maar bij anderen eene felle hartstocht op te wekken, het water in de stroomen tot staan te brengen en de sterren te doen terugkeeren op hare baan. Zij roept de nachtelijke schimmen op. Gij zult den grond onder hare voeten hooren grommen en de esschen van het gebergte zien neerdalen. Ik roep de goden en U, geliefde zuster, tot getuigen, dat ik tegen wil en dank het wapen der magische kunst te baat neem. Richt gij in het geheim een brandstapel op 't binnenplein hemelhoog op en leg het zwaard van den man, dat hij, de booswicht, in mijn vertrek vastgehecht achterliet, en al zijne kleeren en het bruidsbed, mijn verderf, er boven op. De priesteres gebiedt mij, al wat mij aan dien verfoeilijken man herinnert, te vernietigen."
Ook hier weer eene symbolische handeling, waaraan eene reëele uitwerking wordt toegeschreven. Het vernietigen van voorwerpen die op eene ongelukkige liefde betrekking hebben, moet ook aan die liefde zelf voorgoed een einde maken.
Aan den wensch van Dido wordt voldaan en het verhaal gaat (v. 504—519) aldus door:
"Maar nadat op het binnenplein van 't paleis een ontzaglijke brandstapel uit blokken van pijnboom-en eikenhout hemelhoog was opgericht, versiert de koningin de plaats met guirlanden uit cyprèssentakken gevlochten en, met volkomen besef van wat zij gaat doen, legt zij de kleeren, het achtergelatene zwaard en het beeld van Aeneas op het rustbed [bovenop den brandstapel]. Er staan altaren rondom en de priesteres, met loshangende haren, roept driemaal het honderdtal goden, den Erebus, de Chaos, de driedubbele Hecate, de drie aangezichten van de maagd Diana met bulderende stem aan. Ook had zij vocht gesprenkeld, dat water uit het meir Avernus moest verbeelden en kruiden bijeengegaard, afgesneden bij maneschijn met bronzen sikkel, tierige kruiden vol van zwart venijn.... Dido zelf stond naast het altaar, met het offermeel in de reine handen, één voet ontbloot, in een los kleed en riep, den dood voor oogen, de goden tot getuigen aan".
Dido, die slechts voor den schijn die magische handelingen laat verrichten, stort zich ten laatste in het zwaard van Aeneas en de brandstapel wordt ontstoken.
Dat ook aan het getal honderd eene bijzondere uitwerking werd toegeschreven, blijkt uit den grooten Parijschen tooverpapyrus v. 252, waar sprake is van een magischen godennaam, die uit honderd letters bestaat.
Bij het meir Avernus, dat in Campanië te midden van huiveringwekkende bosschen lag, was, naar men beweerde, een toegang tot de onderwereld; vandaar dat dit meir bij de magie dikwijls ter sprake kwam, zooals wij nog herhaaldelijk zullen zien.
De symboliek van het loshangende haar, den ontblooten voet en het ontgordelde kleed is vrij duidelijk. Al hetgeen boeit zou bij deze plechtigheid hinderlijk zijn, waar het geldt den knellenden band der liefde los te maken. Maar ook bij andere magische handelingen komen dezelfde gebruiken voor, blijkbaar oorsponkelijk met de bedoeling om de raadselachtige kracht, waarvan reeds in hoofdstuk II sprake is geweest, ongestoorder te laten werken; later is dit alles een bloot overleefsel.
Ook Medea laat, zooals wij straks zullen zien, bij bezweringen het haar neerhangen. Van Apollonius van Tyana (in Klein-Azië) een der beroemdste magiërs, wordt verzekerd, dat hij dit gebruik zijn leven lang in acht nam[26]. Bij de Mohammedanen laat de geestenbezweerder het haar loshangen en hetzelfde doen ook de tooverartsen in het Zuiden van Vóór-Indië.
Wat de ontblooting van één voet betreft, heeft men op eene Grieksche vaas eene afbeelding gevonden van een man met zijn ontblooten rechtervoet op de huid van een offerdier en met zijn geschoeiden linkervoet op den grond[27]. De tweehonderd Plataeers, die in den Peloponnesischen oorlog door de linies der hen belegerende Spartanen heenbraken, hadden slechts hun linker voet geschoeid[28]. Blijkbaar was het een aloud gebruik, eene soort wijding, door diegenen in acht genomen, die een levensgevaarlijk waagstuk beproefden.
Vastgeknoopte kleeren en gordels werden over 't algemeen bij tooverhandelingen als hinderlijk beschouwd. Vandaar dat bijv. ook Medea, zooals spoedig blijken zal, hare kleeren los draagt. Bij het exorcisme, d.w.z. de uitbanning van booze demonen, mocht, volgens het Joodsche gebruik, de patiënt slechts één gewaad, en wel zonder gordel, dragen. Opmerkelijk is ook, dat te Rome de Flamen Dialis, een der hoogste priesterlijke ambtenaren, geen knoop in zijn kleedij mocht dragen en dat de Mohammedaansche bedevaartgangers bij hun tocht naar Mekka hetzelfde gebruik in eere houden.
De Epicurist Horatius (65—8 v. Chr.), zanger van wijn, liefde en vaderlandsche deugd, tracht op alle mogelijke manieren de magie hatelijk en bespottelijk te maken. Herhaaldelijk richt hij aanvallen tegen eene zekere Canidia, waarvan wij in 't midden willen laten of zij al dan niet eene historische persoonlijkheid is geweest. O.m. beschrijft hij in zijn vijfde "Epode" op allergriezeligste wijze hoe een geroofde knaap van voornamen stand door Canidia en hare helpsters, Sagana, Veia en Folia, wordt doodgemarteld (15—38):
"Canidia, het onopgeschikte hoofdhaar omwonden met gezwollen adders, gebiedt wilde vijgeboomen, uit graven opgewoeld, doodsche cypressen, veeren en eieren van de gekuifde uil, besmeerd met het bloed van de afschuwelijke pad en kruiden uit Thessalië en Iberië [Georgië], vruchtbaar aan vergiften, alsmede beenderen, ontrukt aan den muil van eene hongerige teef, in Colchische [magische] vlammen te verbranden. Maar Sagana, opgeschort, sprenkelt door het geheele huis heen water uit den Avernus en lijkt met haar te berge rijzend haar op een zeeëgel of op een rennend everzwijn. Veia, door geen gewetenswroeging afgeschrikt, groef, al hijgende van 't werk, met haar hard houweel een kuil, opdat de knaap, er ingegraven en met zijn mond er boven uit stekende als een zwemmer, die slechts met zijn kin zich boven 't water verheft, door den aanblik van twee- of driemaal in den loop van den langen dag verwisseld eten zou wegsterven, opdat zijn uitgesneden merg en dorre lever voor de bereiding van een minnedrank zouden dienen".
Bij de magie is wel eens meer sprake van kinderoffers. Op eene afbeelding, die ons uit de oudheid is overgebleven, schijnt het offeren van een kindje te worden voorgesteld[29]. In een tooverpapyrus wordt voorgeschreven, hoe men, om eene vrouw in zijn macht te krijgen, den toorn van de maangodin tegen haar moet opwekken: men moet haar nl. beschuldigen dat zij o.m. een ongeboren of een jong kind offert[30]. Dit is, zooals van zelf spreekt, slechts eene fictie. Daar echter het griezelige eene zekere bekoring heeft, achtte men ook later nog de tooverij met het offeren van kinderen en soortgelijke gruwelen verbonden. Vooral in het heksengeloof speelt dit eene rol, zooals men o.m. kan opmaken uit de bereiding van het tooverbrouwsel in de vierde akte van "Macbeth", waarbij onder andere zonderlinge en onsmakelijke ingrediënten ook de vinger van een bij de geboorte vermoorden zuigeling voorkomt.
Met groote ironie verklaart de dichter, in de zeventiende epode, dat hij voor de tooverkunsten van Canidia zwicht:
"Reeds geef ik het gewonnen aan Uwe krachtige wetenschap, ik bid en smeek U bij het rijk van Proserpina, bij de niet aan te tasten majesteit van Diana, bij de boeken met tooverzangen, die de gesternten, aan den hemel vastgehecht, vermogen omlaag te roepen, Canidia, houd eindelijk op met Uwe bezweringen en laat den vluggen toovertol achteruit draaien [ten einde de betoovering daardoor op te heffen] (v. I—7)".
"Ik ben te over reeds door U gestraft, o veel geliefde van matrozen en straatventers! Gevlucht is mijn jeugd en de blozende kleur verliet de beenderen, omhuld met eene vaalbleeke huid; mijn haar is grijs geworden door Uwe tooverwalmen; geen rust ontspant mij van het werk, de nacht verjaagt den dag, de dag de nacht en mijne benauwde borst vindt geen verlichting. Dus word ik, rampzalige, gedrongen om te gelooven wat ik ontkende, dat Sabellische bezweringen de borst tot in het diepst schokken en je hoofd vaneen splijt door een Marsisch tooverlied. Wat wil je meer? (v. 19—30)."
Aan de Sabellen en Marsen, volksstammen in Midden-Italië, van oudvaderlijken eenvoud, schreven de verfijnde Romeinen het bezit van tooverkrachten toe. Ook dit verschijnsel is zeer opmerkelijk. Volkeren van eene "hoogere cultuur" zijn licht geneigd aan te nemen, dat volkeren die, zooals het heet, "op een lageren trap van ontwikkeling staan," in de magie uitmunten. De Hindoes beschouwden de oerinwoners van Indië als toovenaars en zoo ook de Zweden de Finnen. De Hollanders vermoeden vaak bij de Javanen het bestaan van eene "stille kracht". En het is dan ook niet onmogelijk, dat volkeren, die te kort schieten in het uitdenken van machinerieën—dit toch beschouwt men gewoonlijk als het meest sprekende kenmerk van eene "hoogere cultuur"—daarentegen meer begaafd zijn met zekere geheimzinnige krachten die het wezen uitmaken der magie.
En eindelijk worden in eene satire (I, 8) Canidia en Sagana, die 's nachts er op uit gaan om dooden te bezweren, door Horatius op zulk eene wijze gehoond, dat wij de reproductie ervan maar liever achterwege laten, en met de opmerking volstaan, dat de bestrijders der magie het zoo nauw niet nemen.
Ovidius (43 v. Chr.— ± 17 n.Chr.), de meest ingenieuze en meest irreligieuze van alle Romeinsche dichters, steekt althans op minder onhebbelijke wijze den draak met de tooverkunst. Hooren wij, uit een zijner minnedichten (I, 8,5—16) de navolgende beschrijvingvan eene oude koppelaarster, tevens magicienne:
"Zij kent de tooverkunsten en de zangen van Circe; zij doet de snelle wateren zich terugbochten naar hunne bron; zij weet goed wat een kruid, wat een band, rondom een draaienden toovertol gewonden, vermag; ... als zij wil, hoopen zich wolken aan den geheelen hemel op; als zij wil, blinkt de dag aan den helderen trans. Bloed zag ik, (zou je 't gelooven?), van de sterren neerdruppelen; het gelaat der maan was purpurrood van bloed. Ik vermoed, dat zij, van gedaante veranderd, door de nachtelijke schaduwen vliegt en dat haar oud lichaam zich met veeren overdekt; ik vermoed het, en 't wordt beweerd; ook schittert eene dubbele pupil in hare oogen."
Dit laatste is ons ook van de Thibii, eene volksstam aan de Zwarte Zee, bericht, van wie men verder vermeldde, dat zij de macht van het booze oog (vgl. II) uitoefenden en in 't water niet onderzonken[31] .
In zijn "Remedie tegen de liefde", overigens "een geneesmiddel erger dan de kwaal", keurt hij (248—260) het gebruik van magische middelen af:
"Meent iemand, dat de booze kruiden van het Thessalische land en de magische kunsten hulp kunnen brengen, dan zie hij wel toe! Dat is de oude manier van giftmengerij: mijne muze biedt met hare gewijde zangen eene onschuldige hulp. Volgt gij mij, dan zal geen schim op bevel uit den grafheuvel te voorschijn treden; geen tooverkol zal door gruwelijke bezwering den grond doen splijten; geen veldgewas zal van den eenen akker naar den anderen over gaan; en de zonneschijf zal niet plotseling bleek zien. De Tïber zal, als gewoonlijk, naar de wateren der zee loopen, de maan als gewoonlijk, met een sneeuwwit span voortrijden. Geen hart zal door bezweringen van kommer verlost worden, geen liefde voor brandende zwavel op de vlucht slaan ..."
Men schreef nl. reeds in overoude tijden aan zwavel eene reinigende kracht toe en ook in de liefdestooverij werd er gebruik van gemaakt.
Ovidius verklaart verder (v. 289 vlg.):
"Wïe gij ook zijt, die hulp verlangt van onze kunst, ontzeg aan giftmengerij en tooverzangen geloof."
Maar met dat al was de magie als litterair onderwerp ook voor hem onmisbaar. Het werk, waaraan hij bovenal zijn naam te danken heeft, zijn immers de "Metamorphosen," d.w.z. gedaantewisselingen, eene reeks verhalen uit de mythologie, die telkens met verandering van lichaamsvormen, dus met tooverij, eindigen. En de episode van Medea is zeer zeker niet de minste in dit bij uitstek kleurrijke en schilderachtige dichtwerk. Eén greep (VII, 180-188):
"Toen de maan in haar volsten glans en met gevulde schijf op de landen neerzag, verliet Medea het huis, gehuld in ontgordelde kleeren, één voet ontbloot, de haren over de naakte schouders neergolvende; onverzeld gaat ze met zwervende schreden door de stomme stilte der middernacht; diepe rust had menschen, gevogelte en wilde dieren ontspannen; de heggen zijn zonder gefluister; onbewogen zwijgt het loof; de vochtige lucht zwijgt; de sterren alleen flikkeren."
Hierbij eene opmerking.
Er is hier sprake van "ontbloote schouders." Diergelijke ontblootingen en zelfs algeheele naaktheid komen bij de tooverij meer voor. In een fragment uit eene Grieksche tragedie wordt uitdrukkelijk gezegd, dat Medea naakt de benoodigde tooverkruiden maait[32]. Op eene vaas vindt men afgebeeld, hoe twee naakte toovenaressen de maan omlaag halen[33]. In de tooverpapyri wordt voorgeschreven, dat de knaap, die bij zekere handelingen onmisbaar is, naakt moet zijn[34]. Bij het exorcisme, dat aan den doop voorafging, moest oudtijds, inzonderheid volgens het ritueel der Grieksche kerk, de doopeling ontkleed worden. Dit alles sluit goed aan bij het boven vermelde feit, dat men knoopen en gordels bij tooverhandelingen ongewenscht achtte: het geheimzinnige "mana" immers moet zoo vrij mogelijk kunnen werken.
De liefdestooverij was meer dan eene bloote litteraire fictie.
Tooverdranken waren ook toen veel in gebruik en er wordt zelfs vermeld, dat Lucretius Carus (± 97 v. Ch.—55(?) v.Ch.) door het toedienen ervan in zijne geestvermogens zou zijn gekrenkt en derhalve zijn beroemd leerdicht "Over de natuur der dingen", eene uiteenzetting van Epicurus' systeem slechts in zijne heldere oogenblikken zou hebben geschreven. Men heeft wel is waar dit bericht in twijfel getrokken, maar er zijn omstandigheden, die sterk voor de waarheid ervan pleiten: het gedicht is niet alleen onvoltooid, maar heeft ook verscheidene lacunes en plotselinge overgangen; daarenboven doet de inhoud er onwillekeurig aan denken, dat de auteur aan hallucinaties leed, 't geen immers met groote dichterlijke begaafdheid best kan samengaan.
Maar ook andere tooverijen werden blijkbaar herhaaldelijk in practijk gebracht.
Van Catilina, een energiek, maar ook onbesuisd man, die in 63 v. Chr., zooals bekend, eene poging deed om de regeering te Rome omver te werpen, vertelden sommigen, dat hij, na het houden van eene opruiende toespraak, om zijne deelgenoten nauwer aan zich te verbinden, menschenbloed, met wijn vermengd, in bekers liet rondreiken; eerst nadat ze onder vervloekingen, zooals deze bij zekere plechtigheden gebruikelijk waren, den drank hadden geproefd, zou hij hun zijn plan hebben geopenbaard.
Aldus de geschiedschrijver Sallustius (87—35 v. Chr.), die echter verklaart, geen genoegzame bewijzen ervoor te hebben (Samenzw. v. Cat. 22), terwijl een later auteur zelfs verhaalt, dat de saamgezworenen een kind slachtten en bij de ingewanden ervan den eed aflegden[35]. Dat men zich door het storten en ook wel door het drinken van bloed tot trouwe kameraadschap verplichtte[36], kwam meer voor en zoodoende zou het bericht omtrent Catilina eene kern van waarheid kunnen bevatten zonder dat men daarom noodzakelijkerwijs aan het allerergste behoeft te denken.
Hoe het zij, de vrees voor de magie was zoo groot, dat men herhaaldelijk van overheidswege er maatregelen tegen nam. Onder Augustus werden door zijn alvermogenden gunsteling, Vipsanius Agrippa, de toovenaars en de vaak met hen op ééne lijn gestelde sterrewichelaars, uit Rome verdreven (33 v. Chr.)[37]. En in 't jaar 28 v. Chr. moest Anaxilaos uit Larissa (in Thessalië), "een Pythagoreeër en magiër", Italië verlaten[38].
Maar ook de vervolgers onthielden zich niet van occultistische, resp. magische practijken. Agrippa zelf had samen met Octavianus, zooals hij oorspronkelijk heette, zich den horoscoop laten trekken[39], en de keizer droeg, ten einde niet door den bliksem te worden getroffen, altijd en overal het vel van een zeekalf bij zich als afweermiddel[40].
Het optreden van Agrippa had niet, of slechts tijdelijk, het gewenschte gevolg: onder keizer Tiberius moesten (waarschijnlijk in 16 n. Chr.) de astrologen en magiërs wederom uit Italië worden verjaagd. Zelfs werd één hunner, L. Pituanius, van de Tarpejische rots afgeworpen (de straf op hoogverraad) en lieten de consuls P. Marcius buiten de Esquilijnsche poort (aan de Oostzijde van Rome), na met trompetgeschal het sein te hebben gegeven, op de ouderwetsche manier, d.w.z. door geeseling en onthoofding, terechtstellen. Aldus bericht de beroemde geschiedschrijver Tacitus in zijne Annalen (II, 32).
Meer opzien baarde, in 't jaar 20 n. Chr., het proces van Piso, dien men beschuldigde, Germanicus, een neef van den keizer en een zeer populair veldheer, door vergif uit den weg te hebben geruimd. "Er werden", zooals Tacitus in Ann. (II, 69) verzekert, "op den grond en bij de muren overblijfsels van opgegravene menschelijke lichamen en tooverspreuken en vervloekingen en de naam van Germanicus op looden tafels ingekrast en halfverbrande asch met smetstof bestreken en andere toovervoorwerpen gevonden, waardoor men gelooft dat zielen aan de onderaardsche machten gewijd worden". Piso, hoewel hij openlijk zijne vijandschap tegen Germanicus had betuigd, ontkende hem te hebben vergiftigd, maar pleegde, aan zijne vrijspraak wanhopende, zelfmoord.
Men verzekert verder, dat Tiberius zelf vrij was van angstvallige gelooverij, maar toch de astrologie beoefende (Ann. VI,20 vgl.), en, als er onweer dreigde, voor de securiteit een laurierkrans op het hoofd droeg[41], omdat men geloofde, dat dit loof door den bliksem niet wordt getroffen.
Er is een factor, die reeds lang in werking, zich van die tijden af met groote kracht doet gelden, nl. de invloed van Oostersche gedachten, gebruiken, godsdiensten, eene strooming, aan welke men den naam Oriëntalisme heeft gegeven.
De Romeinen, tot dusver onweerstaanbaar voortdringende, hadden eindelijk in 't Oosten een tegenstander gevonden, dien ze niet vermochten te overweldigen: de Parthen. De schitterende overwinning, door de Parthen in 53 v. Chr. op Crassus behaald, die tengevolge hiervan met leger en al zijn ondergang vond, is een keerpunt in de geschiedenis. En terwijl het Romeinendom aldus door het Oosten op het slagveld werd gestuit, onderging het tevens in steeds toenemende mate den invloed van het Oosten op geestelijk gebied. Het is geen toeval, dat de invloedrijkste denker der eerste eeuw v. Chr., Posidonius (reeds in 't begin van dit hoofdstuk genoemd) uit Syrië afkomstig was. Aan Posidonius bovenal is het o.m. toe te schrijven, dat eene door en door Oostersche leer, de astrologie, in Rome tot aanzien kwam. Zooals wij zagen, werd de astrologie door de wetgevers met de magie op ééne lijn gesteld, en inderdaad kwamen beide niet slechts vaak met elkaar in aanraking, maar versmolten zij ook herhaaldelijk met elkaar, zooals nog later zal blijken.
De Oostersche godsdiensten wonnen, om het zoo uit te drukken, met den dag veld, al verzetten ook de ouderwetsch gezinde Romeinen er zich met hand en tand tegen en al deinsden zij zelfs voor vervolgingen niet terug.
In de eerste plaats was het de "Alexandrijnsche" religie, die, op instigatie van koning Ptolemaeus I (± 300 v. Chr.) uit Egyptische en Grieksche bestanddeelen samengesteld, zich reeds vroeg over de Helleensche en Romeinsche wereld ging verspreiden.
De Egyptische godsdienst, dien wij, tengevolge van de talrijke ons bewaard geblevene gedenkstukken, zelfs wat kleine bijzonderheden betreft, vrij nauwkeurig kunnen reconstrueeren, was in wezen magie.
Het geloof, dat men door zekere woorden en handelingen invloed vermag uit te oefenen op de onbezielde zoowel als op de bezielde wezens, heerschte van af de oudste tijden bij de Egyptenaren en was met al hun doen en laten innig verbonden.
En evenals de menschen, weten ook de goden zich niet te helpen zonder magie; ook zij hangen zich amuletten om, om zich te beschermen en gebruiken tooverformulieren om elkaar te bedwingen. Allermerkwaardigst is bijv. het navolgende verhaal, dat wij sterk verkort, maar toch zooveel mogelijk met de woorden van het oorspronkelijke weergeven, hoe n.l. de godin Isis, die de kennis heeft van geweldige tooverformulieren, den zonnegod Rē zijn diepste geheim weet te ontlokken.
Rē was oud geworden en leed aan de gebreken van den ouderdom. Het speeksel droop uit zijn mond op den grond neer. Isis mengde dit met aarde, vormde er eene slang van en legde die neer op de plek, waarlangs Rē zou voorbijkomen. De zonnegod werd door de slang gebeten; de adem des levens verliet hem; zijne kaken trilden en al zijne ledematen beefden. Het vergif verspreidde zich door zijn geheele lichaam, evenals de Nijl door de landstreken van Egypte. Rē riep de goden om hulp aan: "O gij goden, die uit mij zijt ontstaan! Eene verschrikkelijke ramp heeft mij getroffen. Mijn hart voelt haar, maar mijne oogen zien haar niet; ik weet niet wie mij dit heeft aangedaan. Nooit heb ik zulk eene pijn gevoeld; geen ziekte kan meer wee veroorzaken als dit. Ik ben een vorst, de zoon van een vorst, ik heb menigten van namen en menigten van gedaanten; mijn wezen is in ieder god. Ik kwam te voorschijn om neer te zien op hetgeen ik had gemaakt, ik schreed door de wereld, die ik geschapen had, toen iets mij stak, maar ik weet niet wat. Brengt tot mij mijne kinderen, de goden, die woorden van macht en de taal der magie bezitten, en monden die weten hoe ze uit te spreken". De kinderen van iederen god kwamen en ook Isis kwam, met zich brengende hare woorden van magische kracht; haar mond was vol van den adem des levens, want hare amuletten overwinnen de pijnen der ziekte en hare woorden doen weer herleven de kelen van hen die gestorven zijn. En zij zeide: "Wat is er gebeurd, o heilige vader? Heeft eene slang U gebeten en heeft een ding dat gij geschapen hebt, zijn hoofd tegen U opgeheven? Voorwaar het zal neergeworpen worden door mijne machtige woorden en ik zal het wegdrijven buiten het bereik van uwe stralen". De heilige god zeide: "Ik ging langs mijn pad om te zien wat ik geschapen had, toen ik gebeten werd door eene slang, die ik niet zag. Is het vuur? Is het water? Ik ben kouder dan water en gloeiender dan vuur. Mijn oog heeft geen kracht, ik kan den hemel niet zien; het zweet loopt van mijn aangezicht als in den zomertijd". Toen zeide Isis tot Rē: "Noem mij uwen geheimen naam, heilige vader, want al wie bevrijd zal zijn door uwen naam, die zal leven". Rē gaf toen allerlei namen op, maar het vergif werd niet uit zijn lichaam weggenomen; het vrat dieper door en de groote god kon niet langer gaan. Toen zeide Isis tot Rē": "Wat gij gezegd hebt, is niet uw ware naam. Noem hem mij en het vergif zal verdwijnen". Eindelijk gaf de groote god toe, dat zijn naam in Isis zou overgaan en Isis, de heerscheres over woorden met tooverkracht, zeide: "Wijk, vergif, ga weg van Rē. Ik ben het die het overwonnen vergif ter aarde doe neervallen, want de naam van den grooten god is van hem genomen. Moge Rē leven en het vergif sterven! Moge het vergif sterven en Rē leven". Dit waren de woorden van Isis, de machtige heerscheres, de meesteres der goden, die Rē bij zijn eigen naam kende.
Dat speeksel aarde vermag te bezielen, berust op het reeds in hoofdstuk II vermelde geloof aan het "mana", eene kracht of zelfstandigheid, waarmee het lichaam van goden en bevoorrechtte menschen zou zijn doortrokken en die ook buiten de sfeer van het lichaam om, drager van het psychische zou blijven. De wonderdadige werking van speeksel zal ook later nog wel eens ter sprake komen.
Veel belangrijker echter is de rol, die de naam in de tooverkunst speelt. En het is dan ook volstrekt geen wonder, dat de naam, de kortste vertegenwoordiger van iemands persoonlijkheid, van de oudste tijden af aan tooverkracht scheen te bezitten. Volgens het primitieve denken is de naam een deel, en wel een belangrijk deel van dengene die hem draagt. Hij is een dubbelganger en tevens ten nauwste met zijn drager verbonden. Zoo kwam men er toe om aan kinderen, ja ook aan steden, een geheimen naam te geven, waarop een kwaadwillige en een vijand geen vat zou kunnen hebben. Bovenal echter kan de naam van een god niet zonder uitwerking worden uitgesproken; de god is verplicht er antwoord op te geven en te handelen overeenkomstig den eisch van wie hem aanroept.
Zoo was ook van ouds her een mysterie verbonden met den naam van den god der Hebreeën; slechts in zeer bijzondere omstandigheden mocht men hem op de lippen nemen en vandaar dan ook het uitdrukkelijk verbod: "Gij zult den naam Uws Gods niet ijdellijk gebruiken", een verbod, dat thans, nu men den magischen achtergrond ervan niet meer voor oogen heeft, maar al te vaak wordt overtreden.
En toch is ook heden ten dage het geloof aan de mysterieuze kracht van den naam nog niet geheel verdwenen; nog zijn sommigen er van overtuigd, dat onze namen een geheimzinnigen invloed zouden uitoefenen op onze lotgevallen en telkens weer hoort men den spreuk aan voeren: nomen est omen, d.w.z.de naam is een voorteeken.
Van alle Egyptische goden traden reeds in oude tijden Isis en Osiris sterk op den voorgrond. De mythen aangaande hen zijn ons echter in haren samenhang slechts in het verhaal bij Plutarchus (± 100 n. Chr.) overgeleverd[42], die wel is waar klaarblijkelijk uit goede bronnen put, maar zich wel eens tendentieuze uitleggingen veroorlooft. Volgens de traditie was Osiris, de weldadige god, door zijn broeder Set (of, zooals de Grieken hem noemden, Typhon), de verpersoonlijking van het booze, verraderlijk omgebracht en in veertien stukken verscheurd, maar door de bezweringen van zijne gade Isis en hun zoon, Horus, weer samengevoegd en tot het leven teruggeroepen geworden. Het menschelijke tot het goddelijke verheffende, ging men iederen overledene als een Osiris beschouwen, die door de bezweringen van zijn zoon als van een anderen Horus, het eindelooze leven verkrijgt. En nog verder in die richting doorgaande geeft de magiër vaak zich zelf voor den een of anderen god uit, teneinde door den goddelijken naam zijn wil grootere kracht bij te zetten.
Enkele voorbeelden:
"Ik ben Rē, in dezen zijn geheimzinnigen naam "Hij-die-was-in-den-oceaan", zijne pijlen tegen zijne vijanden afschietende".
Of, als men zich tegen een vijand keert:
"Verwijder U, want ik ben Horus, trek U terug, want ik ben de zoon van Osiris. De magie van mijne moeder [Isis] is de bescherming van mijne leden".
Door eene of andere mythe te vermelden meent de magiër de daden te kunnen verrichten, die daarin aan een god worden toegeschreven.
"Ik wil alle booze en slechte dingen, die neerkomen op N, den zoon van M., verbannen, evenals Rē zich zelf voor zijne vijanden redde, evenals Chnoem zich redde voor Sobk, evenals Horus zich redde voor Set."
Wij komen later nog op dergelijke bezweringen herhaaldelijk terug.
Dat de hoofdgoden van den Alexandrijnschen cultus, Osiris, Isis, Horus en de raadselachtige, maar, wat zijne werkingssfeer betrof, met Osiris vereenzelvigde Sarapis, als begunstigers van de magie bij uitnemendheid werden beschouwd, spreekt van zelf. Men verhaalde van hen tallooze wonderen; men verwachtte van hen in den droom goeden raad te ontvangen; men schreef hunne namen op amuletten. De Egyptische priesters gingen voor toovenaars door, en Egypte voor het tooverland bij uitnemendheid.
Niet slechts de Egyptische, maar ook de Joodsche religie deed zich in de Grieksch-Romeinsche wereld gelden. En ook bij de Joden stond de magie toen in grooten bloei, ondanks de strengste verboden en de wreedste vervolgingen. De Joodsche tooverspreuken hadden gezag bij de naburige volkeren. In de Koptische en Grieksche tooverlitteratuur speelt de god der Joden, Iao, Sabaoth, eene groote rol; ook de namen van aartsvaders, van Jozua (Jezus) en Salomo komen er herhaaldelijk in voor. Een lang exorcisme (verdrijving van een boozen geest door bezwering), dat wij nog over hebben[43], is blijkbaar afkomstig van een Joodsch-Orphisch genootschap.
Nog in latere eeuwen hebben de Joden den naam van toovenaars, meestal in ongunstigen zin, behouden. Het geloof aan den "ritueelen" moord, nl. dat de Joden bij hun Paaschfeest of tot andere doeleinden het bloed van een Christenkind gebruiken, behoort nog niet tot het verleden, al ontbreekt het ook ten eenenmale aan deugdelijke bewijzen. Maar ook de hoogere magie, zooals zij in de Kabbala, de Joodsche geheimleer uit de middeleeuwen, werd geleeraard, heeft de aandacht van velen, en niet altijd van de minst begaafden, getroffen. Er is in onze dagen, voornamelijk in Frankrijk en Engeland, veel belangstelling voor Kabbalistiek, waarbij het echter aan degelijke studies over dit ingewikkelde onderwerp maar al te zeer ontbreekt.
Keizer Tiberius is in 19 n. Chr. ook tegen de vereerders van Isis en de Joden met de wreedheid hem eigen, opgetreden, zooals o.m. Tacitus het in zijn Annalen (II, 85) vermeldt:
"Er is ook verhandeld over het verdrijven van de Egyptische en Joodsche religies en een senaatsbesluit genomen om vierduizend vrijgelatenen, met die superstitie besmet, wier leeftijd het toeliet, naar het eiland Sardinië te verbannen, ten einde aldaar de roovers in bedwang te houden; als ze door het slechte klimaat omkwamen, zou er niets aan verloren zijn; de overigen moesten Italië verlaten, tenzij ze voor een bepaalden datum de uitheemsche godsdiensten zouden hebben afgezworen."
Al die wreedheid was te vergeefs.
Litteratuur.
*L. Fahz, De poetarum romanorum doctrina magica, uit Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. II Bd. 3 Hft. (1904).
W. J. Dilling, s.v. Knots, in Enc. rel. a. eth. VI (1914).
Fraser, Taboo and the perils of the soul (1914).
Skeat, Malay Magie (1900).
*L. Blau, Das jüdische Zauberwesen (1898).
J. A. Mac Culloch, s.v. Lycanthropy, in Enc. rel. eth. VIII (1915).
E. Penquitt, De Didonis Vergilianae exitu, Dissert. Königsberg (1910).
*R. Wünsch, Aus einem griechischen Zauberpapyrus, in Kleine Texte f. Vorles. u. Üb. hrg. v. H. Lietzmann, No. 84 (1911).
J. Heckenbach, De nuditate sacra sacrisque vinculis, uit Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. IX, 3 (1911).
W.Y. Sellar, s.v. Lucretius, in Encyclopaedia Britannica,-lle uitg. XVII (1911).
P.J. Hamilton-Grierson, s.v. Brotherhood (Artificial), in Enc. rel. eth. II (1909).
*Riess, s.v. Astrologie, in Pauly, Real-Enc. class. Alt. 2e uitg. Bd. II (1896).
*A. Bouché-Leclercq, L'astrologie grecque (1899).
*F. Cumont, Astrology and religion among the Greeks and Romans (1912).
*G. Lafaye, Histoire du culte des divinités d'Alexandrie (1884).
*W. Drexler, s.v. Isis, in Roscher, Lex. d. Myth. Bd. II (1890—97).
*F. Cumont, Die oriental. Religionen im röm. Heidentum, vert. v. G. Gehrich, 2e uitg. (1914).
Erman, Ägypten u ägyptisches Leben im Altertum II (1887).
Budge, Egyptian magie, 2e uitg. (1901).
Lange, Die Ägypter, in Chantepie de la Saussaye Lehrbuch d. Religionsgesch. 3e uitg. I (1905).
G. Roeder, Urkunden z. Religion d. alt. Agypten (1915).
H. Schmidt, Namenglauben im Alten Testament, in Die Religion in Gesch. u. Gegenwart IV (1913).
G. Roeder, s.v. Set, in Roscher, Lex. d. Myth. 63. Lfg. (1910).
A.H. Gardiner, s.v. Magic (Egyptian), in Enc. rel eth. VIII (1915).
*T. Witton Davies, Magic, Divination a. Demonology among the Hebrews and their neighbours (1898).
*M. Gaster, Magic (Jewish), in Enc. rel. eth. VIII (1915).