← Table of contents
Magie bij de Grieken en de Romeinen

Het bovendrijvende ongeloof.

Reading edition

De tweede helft der vijfde eeuw vóór Christus is de tijd der "sophisten", die, Griekenland in alle richtingen doorkruisende, onderricht gaven in welsprekendheid en in practische levenswijsheid. Zij oefenden scherpe critiek op de van oudsher heerschende opvattingen en de eminentste van hen, Protagoras, trok zelfs het bestaan der goden in twijfel. Waarschijnlijk heeft de twijfel aan de realiteit der magie zich inzonderheid van hen uit in ruimeren kring verspreid.

Toch was het nog langen tijd veel meer de angst dan de twijfelzucht, die de houding van het groote publiek tegenover de magie bepaalde. Dit blijkt zonneklaar uit de beschouwingen dienaangaande van den dichterlijken denker, die voornamelijk door zijn stijl zulk eene bekoring op het nageslacht heeft uitgeoefend, dat hij ook nu nog door velen als de grootste Griek wordt beschouwd—Plato uit Athene (±427— ±347).

Plato toch geloofde niet alleen dat bij de graven wel eens "schaduwachtige verschijningen" van overledenen, die een te materiëel leven hadden geleid, gezien werden;[9] hij spreekt ook van eene "kunst der bezweringen", "die eene betoovering is van slangen, spinnen, schorpioenen en andere dieren en ziekten"[10] en van eene "zwarte" magie, zooals men nu zou zeggen, die zelfs gezondheid en leven bedreigt.

In zijn laatste werk "De wetten" heeft hij het o.m. over schade, door vergif of tooverij toegebracht (XI 932e-933e):

"Het feit dat er twee soorten van vergiftiging onder het menschelijk geslacht gebruikelijk zijn, maakt de uiteenzetting hieromtrent langdradig. De eene n.l. is die, welke op natuurlijke wijze door lichamelijke middelen den lichamen schade berokkent; de andere die, welke door middel van zekere tooverijen, bezweringen en boeiïngen, zooals men 't noemt, werkt en zoowel aan boosdoeners de overtuiging geeft, dat zij iets diergelijks vermogen, als aan anderen het geloof, dat zij in de ergste mate door diegenen, die vermogen te tooveren, schade lijden. Het is niet gemakelijk, er achter te komen, hoe het met deze en diergelijke dingen eigenlijk gesteld is, noch, als men er achter kwam, doenlijk, anderen daaromtrent op overtuigende wijze in te lichten. En ook is het een onbegonnen werk, menschen, die om diergelijke redenen argwaan tegen elkander koesteren, te willen voorlichten, en als ze bijgeval wassen beeldjes, 't zij bij hunne deuren, 't zij bij driesprongen, 't zij bij de grafmonumenten hunner ouders zien, hen aan te sporen, niets om al dat soort dingen te geven, daar ze toch geen duidelijk inzicht dienaangaande hebben. Wij maken de wet in kwestie tweeledig en gaan in de eerste plaats iemand—op welk van beide manieren hij ook trachte schade te berokkenen—verzoeken en aanraden niet te probeeren iets diergelijks te doen en niet het gros der menschen als kinderen schrik aan te jagen en bang te maken, noch ook den wetgever en rechter te noodzaken de menschen van diergelijke angsten te genezen, daar in de eerste plaats hij, die probeert in dier voege schade te berokkenen, niet weet wat hij doet, zoowel wat de lichamen betreft, als hij geen verstand heeft van geneeskunde, als wat de tooverijen betreft, wanneer hij geen wichelaar of teekenuitlegger is. De wet aangaande vergiftiging en tooverij luide aldus: Indien iemand door vergif een ander persoonlijk of diens slaven eene niet-doodelijke schade toebrengt, of zijn kudden of bijenkorven hetzij eenige andere hetzij doodelijke schade berokkent, moet hij, wanneer hij een geneesheer is en wegens gifmengerij wordt veroordeeld, met den dood worden gestraft; als hij echter een leek is, moet de rechtbank uitmaken, welke straf of boete hij dient te ondergaan. Als iemand echter den indruk maakt van door boeiïngen of aantrekkingen of zekere bezweringen of door welke hekserijen van dien aard ook, schade te hebben berokkend, moet hij, als hij een wichelaar of teekenuitlegger is, sterven, als hij echter zonder kennis van wichelarij wegens tooverschade wordt veroordeeld, moet ook aangaande hem de rechtbank schatten, welke straf of boete hem haars inziens moet worden opgelegd."

Hoogst kenschetsend is ook het volgende (X, 909a-c):

"Wie het bestaan van goden of hunne voorzienigheid loochenen of gelooven dat ze te verbidden zijn en voorts tot het dierlijke vervallen en, de menschen verachtende, velen van de levenden verleiden en beweren de gestorvenen op te roepen en belooven de goden over te halen, d.w.z. ze door offers en gebeden en bezweringen betooverende, en zoowel particulieren als geheele families en steden ter wille van 't geld probeeren te gronde te richten,—wie hieraan blijkt schuldig te zijn, dien veroordeele de rechtbank om, overeenkomstig de wet, in de gevangenis in 't binnenland te worden opgesloten en dat nooit eenig vrij persoon toegang tot hem hebbe en dat hij de voeding, hem door de mannen der wet bepaald, uit handen van slaven ontvange; als hij sterft, dan moet men hem buiten de grenzen werpen en hem de begrafenis ontzeggen. En als een vrije hem helpt begraven dan mag wie maar wil hem wegens goddeloosheid aanklagen."

Wie hier ook maar eenigszins objectief tegenover staat, zal moeten erkennen, dat zelfs "de goddelijke" Plato zich door bigotterie en staats-fanatisme op de treurigste wijze heeft laten verblinden. Het is toch al te naïef, een kwaadwillige vaderlijk te vermanen zijn evenmenschen vooral geen schrik aan te jagen, en te onzinnig, gevangenisstraf te eischen voor diegenen, die eene geheele stad trachten te gronde te richten, maar de doodstraf voor hen, die aan een bijenkorf eene niet-doodelijke schade toebrengen! Zeer zeker is het voor Plato eene verzachtende omstandigheid, dat hij niet de laatste hand aan dit werk heeft kunnen leggen, maar eene zware verantwoordelijkheid rust op hen, die zulk verward en verderfelijk geschrijf—men denke slechts aan de heksenprocessen—gedurfd hebben te publiceeren.

Van Aristoteles (384—322), den universeelen en tevens nuchteren man der wetenschap, werd, zooals wij in hoofdstuk V nader zullen zien, verzekerd, dat hij de realiteit der magie loochende, en dit stemt ook met hetgeen ons van hem is bewaard gebleven, goed overeen. Echter heeft hij in zijn geschrift "Over het voorspellen in den slaap" erkend, dat wij somtijds in onze droomen de toekomst vooruitzien en in c. 2 getracht, de meest raadselachtige gevallen aldus te verklaren:

"Evenals wanneer iets het water of de lucht in beweging brengt, het bewogen gedeelte weer een ander gedeelte in beweging brengt en wanneer dat tot rust is gekomen, het voorkomt dat zulk eene beweging tot een zeker einddoel voortgaat, hoewel hetgeen de beweging veroorzaakte niet meer aanwezig is, aldus is er niets tegen, dat zekere bewegingen en gewaarwordingen de droomende zielen bereiken...en hoe ze ook tot [ons] geraakt zijn, 's nachts meer waarneembaar zijn, doordat ze, wanneer zij zich over dag voortplanten, eerder opgelost worden (want de lucht is 's nachts minder in beroering omdat er dan meer windstilte heerscht) en in het lichaam tengevolge van den slaap eene gewaarwording veroorzaken, omdat de slapenden meer dan de wakenden ook de kleine inwendige bewegingen gewaar worden. Deze bewegingen veroorzaken voorstellingen, waaruit men de, toekomst aangaande de betrokken voorwerpen vooruitziet."

"Dat kennissen het meest de toekomst van kennissen vooruitzien, komt door het feit dat kennissen het meest over elkaar bezorgd zijn. Want evenals ze elkaar uit de verte zeer snel herkennen en gewaar worden, aldus worden ze ook de [bovenbedoelde] bewegingen snel gewaar, want de bewegingen, die van kennissen uitgaan, zijn gemakkelijker kenbaar".

Men heeft opgemerkt dat volgens deze ietwat duistere verklaring een zeker rapport tusschen kennissen zou bestaan en dat derhalve aan Aristoteles het geloof aan "telepathie", d.w.z. "gedachteoverbrenging" of juister de overbrenging van gedachtebeelden, indrukken, gevoelens buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, niet vreemd zou zijn geweest. Van hoe groot belang dit voor ons onderwerp is, zal spoedig blijken.

De Atomisten, die de ziel verklaarden voor een aggregaat van stofdeeltjes dat zich tegelijk met de ontbinding van het lichaam zou oplossen, werden gewoonlijk mede onder hen gerekend, die de realiteit der magie loochenden. Echter trachtte Democritus (± 400 v. Chr.) de grootste der atomisten, het geloof aan het "booze oog", dat nu nog in de landen om de Middellandsche Zee sterk leeft, te rechtvaardigen door zijne leer der "Idolen", d.w.z. ijle beelden, die door de lucht zweven en verklaarde hij het alomverspreide geloof aan goden door de verschijningen van reusachtige en lang levende, schoon niet onsterfelijke "Idolen"[11]. Er waren dan ook willekeurige hypothesen en ingewikkelde redeneeringen noodig om te ontkomen aan consequenties, die tot de realiteit van geestverschijningen en tooverij voerden. Ja, Epicurus (341-270) die de atoomleer tot een ethisch systeem verwerkte en haar zulk eene groote populariteit deed erlangen, heeft, in zijn ijver voor de wilsvrijheid, de uitspraak gedaan: "Het ware beter zich aan de fabelleer over de goden te houden, dan slaaf te zijn van het noodlot der natuurkundigen, want de fabelleer geeft toch eenige hoop, de goden door eerbetooning te kunnen verbidden, maar het noodlot oefent een onverbiddelijken dwang uit[12]", een uitspraak, die met eene plat materialistische opvatting der dingen in onverzoenlijken strijd is.

De Cynici, d.w.z. Hondschen, aldus genoemd om hunne primitieve levenswijze, die vaak ook met goede zeden in botsing kwam, verstompten zich door hun hoofddogma van de zelfgenoegzaamheid der deugd den blik voor de fijnere verschijnselen van het zieleleven. De populairste vertegenwoordiger dier richting, Diogenes (tweede helft der vierde eeuw) verzekerde dat wij na den dood in 't geheel niets meer waarnemen[13], en dat hij, lettende op droomuitleggers, wichelaars en diegenen, die aan hunne woorden geloof slaan, niets zotters vond dan den mensch[14]. Geen wonder, dat de Cynici ook in latere eeuwen een verwoeden strijd voerden tegen alles wat naar magie en het soortgelijke zweemde.

De Sceptici eindelijk (sinds ongeveer 350 v. Chr.), die tengevolge van hun twijfel aan de juistheid van onze waarnemingen en redeneeringen ook de meest alledaagsche feiten op losse schroeven stelden, wilden van het wonderbaarlijke in 't geheel niets afweten; ook zij richtten hunne wapenen onvermoeid tegen de magie en hare voorvechters, waarbij zij zich o.m. niet ontzien hebben, een man als Pythagoras voor een bedrieger uit te maken[15].

De nuchtere, materialistische, van het ongewone afkeerige wijsgeeren voerden ruim twee eeuwen lang den boventoon, voornamelijk in de kringen der "intellectueelen." Het was een tijd van "verlichting."

Bij zulk eene mentaliteit tiert van alle litteratuur-genres de comedie het meest, die immers uitteraard vijandig staat tegenover het wonderbaarlijke.

Reeds Aristophanes (± 445 - ± 385), de beroemdste dichter der oud-Attische comedie, had herhaaldelijk den draak gestoken met de tooverkunst.

In zijn "Wolken" (423) neemt een oude boer, die diep in de schuld zit, zijn toevlucht tot Socrates en vraagt hem, hoe hij zich aan de uitbetaling van de renten zou kunnen onttrekken. Na lang praten raadt Socrates den boer aan, zich in te hullen en zelf iets uit te denken. De boer jammert, maar gehoorzaamt en roept v. 746 in eens uit:

"O beste Socrates!

Socrates. Wat is er, vadertje?

Boer. Ik heb iets bedacht om van mijne rente af te komen.

Socrates. Laat eens hooren.

Boer. Zeg mij eens—

Socrates. Wat?

Boer. Als ik eene Thessaalsche toovenares geld gaf, en de maan 's nachts omlaag haalde en ze vervolgens als een spiegel, opborg in eene ronde doos en goed bewaarde—

Socrates. Wat zou je dat helpen?

Boer. Wat? Als de maan nooit weer opkwam, zou ik geen rente behoeven te betalen.

Socrates. Hoe zoo?

Boer. Omdat de rente per maand wordt uitbetaald.

Een Grieksche maand liep nl. van de eene opkomende maan tot de volgende.

En in zijn laatste stuk, Plutus (388) bespot Aristophanes (v. 649-747) de wonderdadige genezing van den blinden Plutus (god van den rijkdom) op eene manier, die de ergste straatjongen hem niet had kunnen verbeteren.

In de latere comedieschrijvers wordt al spoedig de geest van Epicurus vaardig; ook Menander (± 343/2-± 291/0) de bekendste van allen maakt hierop geen uitzondering. Dit blijkt reeds uit de titels van sommige stukken als de "Demonenvreezer" en de "Thessaalsche", die blijkbaar tot hoofddoel hadden, het wonderbaarlijke en magische te bespotten.

Met dat al was de magie in die tijden voor de letterkundigen niet slechts een voorwerp van spot. Ook hare poëtische zijde oefende eene machtige bekoring uit en de grootste dichters hebben er partij van weten te trekken.

Euripides (±481-± 406), de fijngevoeligste en wetenschappelijkste der Grieksche tragici, koos tot onderwerp van zijn beroemdste drama de tooveres Medea (431).

Medea, evenals Circe eene figuur uit de mythologie, was de dochter van Aëtes, heerscher van het wonderland Colchis, aan de kust der Zwarte Zee en ten Zuiden van den Caucasus gelegen. Jason uit Thessalië kwam tot Aëtes om het gouden vlies op te eischen, maar de koning verklaarde dit slechts aan dengene te zullen uitleveren, die een allergevaarlijksten kampstrijd met goed gevolg zou hebben daarstaan. Medea vatte liefde voor Jason op en stelde hem door toovermiddelen in staat de bovenmenschelijke taak te volbrengen; toen Aëtes des ondanks met de uitlevering van het gouden vlies talmde, hielp zij Jason dit heimelijk te ontvoeren en vluchtte zij met hem naar Griekenland, waar zij tal van jaren samen een gelukkig leven leidden.

In zijn treurspel schetst Euripides hoe Jason Medea, aan wie hij zooveel te danken had, verstoot om met de dochter van een koning in 't huwelijk te treden. Medea, vastbesloten zich te wreken, veinst in haar lot te berusten en zendt zelfs de bruid kostbare kleeren en een gouden krans ten geschenke. De uitwerking dier geschenken wordt in het navolgende tot Medea gerichtte bodeverhaal (v. 1159-1221) aanschouwelijk beschreven:

"Zij [de koningsdochter] nam de bonte gewaden en deed ze zich om, zette den gouden krans op hare lokken, schikte het haar voor den glimmenden spiegel op en lachte haar zielloos evenbeeld toe. Vervolgens stond ze van haar zetel op, ging door 't vertrek heen, bevallig stappende met blanken voet, en, boven mate verblijd met de geschenken, draaide ze vaak het hoofd om, en keek naar haar opgeheven hiel. Wat er echter op volgde, was een verschrikkelijk tooneel om te zien. Ze verandert van kleur, gaat schuinschachteruit, bevende aan hare leden en ter nauwernood voorkwam zij een val door in den stoel neer te zinken. En eene oude dienares, in den waan, dat de toorn van Pan of van een ander god op haar neerkwam [en haar tot waanzin bracht] gilde een gebed uit, totdat ze zag hoe wit schuim uit den mond vloeide, hoe ze de oogpupillen verdraaide, en geen bloed meer in 't vleesch was; toen ging ze van 't gegil tot eene luide weeklacht over. Terstond rende de eene slavin naar 't huis van haar vader, de andere naar den bruidegom om te berichten, wat de bruid overkwam. Het geheele huis dreunde van al het geloop. En reeds zou een hardlooper in stagen draf het einddoel van een renbaan hebben bereikt, toen de rampzalige met een naar gesteun uit hare sprakeloosheid ontwaakte en het oog weer opensloeg. Een dubbel onheil bestookte haar; de gouden wrong om 't hoofd zond een wonderbaarlijken stroom uit van alverslindend vuur en de fijne kleeren, uw geschenk, verteerden het blanke vleesch der ongelukkige. In brand geraakt, vliegt ze op van haar stoel, schudt het haar en het hoofd nu herdan derwaarts heen en wil den krans afwerpen. Maar de gouden band bleef vastzitten en wanneer zij 't haar schudde, ontvlamde het vuur dubbel zoo erg. Zij valt op den grond, door 't onheil overweldigd, en behalve voor haar vader moeilijk te herkennen. De stand van hare oogen, de edele vorm van het gelaat waren verdwenen, bloed, met vuur vermengd, druppelde neer uit haren kruin en het vleesch viel, door den onzichtbaren beet van het vergif, van hare beenderen af, zooals hars uit een pijnboom druppelt—een ontzettend schouwspel. Schrik belette allen, het lijk aan te raken; haar afgrijselijk lot was voor ons eene waarschuwing. Maar de rampzalige vader, in zijne onwetendheid van 't onheil, komt plotseling binnen, werpt zich op 't lijk, weeklaagt luid, slaat de armen om haar heen, kust haar en spreekt haar toe: "O arm kind, welke demon heeft U zoo schandelijk doen omkomen? Wie maakt den grijsaard, van U beroofd, een graf gelijk? Wee mij, mocht ik maar met U sterven kind!" Toen hij echter met treuren en weeklagen ophield en zijn oud lichaam weer wilde opheffen, kleefde hij vast aan die fijne kleeren als de klimop aan een laurierspruit, en 't werd eene verschrikkelijke worsteling: hij toch wilde zijne knie opheffen, maar zij hield hem vast, en als hij zich met geweld wilde losrukken, scheurde hij het grijze vleesch van zijne beenderen af. Ten slotte bezweek hij en gaf den geest. Het onheil was hem te machtig. Daar liggen ze nu dood naast elkaar de dochter en de grijze vader, een ramp, die tot tranen roert."

Theocritus, de grootste bucolische, d.w.z. landelijke dichter (eerste helft der derde eeuw) beschrijft in zijne tweede ecloga "De toovenaressen", hoe een verlaten meisje haar geliefde door magie weer tot zich tracht te trekken. Zij bezigt tot dat doel allerlei toovergerei, voornamelijk echter den draaihals, reeds in ons eerste hoofdstuk vermeld. Vandaar het refrein in het gedicht, dat wij hier gedeeltelijk laten volgen:

"De toovenaressen.

Waar zijn me de laurieren? Thestylis, breng ze! Waar de tooverkruiden? Omkrans de schaal met de roode wol van een schaap, opdat ik den tegenover mij hardvochtigen man, dien ik toch zoo lief heb, moge boeien, die sinds twaalf dagen, o, die ellendeling! nog maar niet komt, en niet weet of ik gestorven ben of nog in leven en niet aan mijne deur heeft geklopt, die wreedaard! Heeft Eros, heeft Aphrodite zijn wuft gemoed elders heen gevoerd? Ik ga naar de worstelschool van Timagetos, morgen, om hem te zien, en zal hem verwijten dat hij zoo met mij omspringt. Nu echter zal ik hem door de kracht van het offer boeien. Maar gij, o Maangodin, blink schoon! Want U zing ik toe, o kalme godin, en U, onderaardsche Hecate, waarvoor ook de honden sidderen, als gij schrijdt door de graven om het donkere bloed te slurpen. Wees gegroet, o Hecate, schrikwekkende en sta mij bij, tot het einde toe, bewerk dat deze kruiden niet zwakker mogen zijn dan die van Circe noch die van Medea noch die van de blonde Perimede[16].

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Eerst moet het offermeel in 't vuur rooken. Maar strooi het er toch in, Thestylis! Ongeluk, waar zijn je hersens gebleven? Of steekt gij, vuilpoes, ook al den draak met mij? Strooi en zeg te gelijk dit: "Ik strooi de beenderen van Delphis."

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Delphis martelde mij. Maar ik brand tegen Delphis den laurier, en evenals deze, door het vuur gegrepen, luid kraakt en plotseling is ontvlamd en wij zelfs geen asch van haar zien, zoo moge ook het vleesch van Delphis in de vlam worden verteerd.

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Evenals ik dit was[sen beeld?] met de hulp der godin laat versmelten, zoo moge Delphis uit Myndos terstond door liefde versmelten. En evenals die bronzen toovertol door de kracht van Aphrodite wordt rondgedreven, zoo moge hij ronddraaien rondom mijn huis!

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Nu offer ik de klei. Gij, Artemis, zoudt zelfs het gevoellooze staal kunnen ontroeren en wat er verder onwrikbaar is—Thestylis, de honden huilen door de stad heen; de godin is op de driesprongen; sla gauw op het bronzen bekken!

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Zie daar! de zee zwijgt, de winden zwijgen, de smart echter in mijn borst zwijgt niet, maar ik verteer geheel van liefde voor hem, die mij, rampzalige, in plaats van zijne gade tot eene slechte deerne heeft gemaakt.

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Deze franje van zijn mantel verloor Delphis, die ik nu uiteen pluk en in het woeste vuur werp. O martelende liefde! hoe hebt gij als een bloedzuiger aan mij hangende al het donkere bloed uit het lichaam gedronken!

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Eene waterhagedis stamp ik fijn en breng U morgen een boozen drank. Thestylis, neem die tooverkruiden en besmeer daarmee van boven zijn deurpost zoolang het nog tijd is, en zeg, er op spuwende: "Ik vermorzel de beenderen van Delphis!"

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!"

Deze booze tooverij, het "envoûtement", dat bij vrijwel alle volkeren voorkomt, berust in de eerste plaats op het geloof, dat de mensch doortrokken is met eene soort zelfstandigheid, die ook op de voorwerpen overgaat, waarmede hij in aanraking komt. Door op die voorwerpen, zooals in het vermelde geval op een stuk van een kleed in te werken, meent men den persoon zelf te treffen, die verondersteld wordt er altijd in psychisch contact mede te blijven. Onwillekeurig denken wij hierbij aan het veelbesprokene "magnetische fluïde" en enkele onderzoekers hebben dan ook in die richting proeven genomen, uit welke zou zijn gebleken, dat het gebruik in quaestie, schijnbaar alleronzinnigst, toch nog op eenigen rationeelen grondslag zou berusten. Zeker is het, dat bij primitieve volkeren de suggestie zulk eene onweerstaanbare uitwerking heeft, dat menigeen, zoodra hij gelooft betooverd te worden, door de bloote angst ziek wordt en wegkwijnt. Maar het envoûtement veronderstelt nog een ander geloof, n.l. dat symbolische handelingen reëele gevolgen kunnen hebben, bijv. wanneer men, zonder iets te bezitten wat met het slachtoffer in aanraking is geweest, eene figuur ervan in het zand teekent en daarin met stokken prikt. Hierbij toch wordt blijkbaar aangenomen, dat de mensch het vermogen bezit om door wilsconcentratie een ander op afstand te deren, en tevens dat die wil door eene symbolische handeling tot hoogere kracht wordt opgevoerd. De echte telepathische experimenten in aanmerking genomen—niet de publieke vertooningen tegen entree, die onlangs zoo grooten opgang hebben gemaakt—zou iets dergelijks niet als onmogelijk te beschouwen zijn, maar toch altijd wel tot de grootste uitzonderingen behooren.

Apollonius uit Rhodus, een tijdgenoot van Theocritus, verhaalt in het derde boek van zijn epos "Argonautica" op uitvoerige en dichterlijke wijze, hoe de toovenares Medea (zie boven) liefde voor Jason opvat en hem de middelen aan de hand doet zich onkwetsbaar te maken, ten einde de hem wachtende kampstrijden met goed gevolg te kunnen doorstaan. De held gaat heen, om hare aanwijzingen ten uitvoer te brengen (v. 1191—1224):

"De avondzon dook in de duistere aarde weg achter de verstafgelegen bergkruinen der Aethiopiërs. De nacht legde hare paarden het juk op; de helden maakten hunne legersteden gereed bij de kabeltouwen. Maar zoodra de lichten van het schoonblinkende beergesternte overhelden en de lucht van af den hoogen hemel volslagen kalm was geworden, stapte Jason heimelijk als een dief naar de eenzaamheid, met al zijne benoodigdheden, want hij had overdag voor alles afzonderlijk gezorgd; een ooi en melk uit de wei kwam zijn makker Argos brengen; het overige nam hij uit het schip zelf. Maar toen hij een plek zag, die bezijden het pad der menschen lag, kalm te midden van zuivere beemden, baadde hij allereerst, overeenkomstig den ritus, zijne slanke gestalte in de goddelijke rivier, en omkleedde zich met den donkeren mantel, dien Hypsipyle uit Lemnos hem vroeger geschonken had als eene herinnering aan hunne innige liefde. Na vervolgens een kuil van eene el breedte in den grond te hebben gegraven, hoopte hij gekloofd hout op, sneed een lam de keel af en strekte het naar behooren over den kuil heen uit; hij stak de blokken van onder in brand en goot gemengde plengoffers uit, Hecate-Brimo [de geweldige] aanroepende als helpster bij de kampstrijden. En na die aanroeping ging hij weer terug; de geduchte godin echter, haar vernemende uit de diepste holen, begaf zich naar het offer van Jason toe; haar omkransden schrikwekkende slangen te midden van eikenloof; ontzaglijk straalde het licht der fakkels; onderaardsche honden deden om haar heen een scherp geblaf hooren. Alle weilanden langs het pad sidderden; de moerasbewonende nimfen, die rondom de beemden van den Phasisstroom zwieren, gilden het uit. Jason beving wel de vrees, maar desondanks zag hij niet om en zijn voeten droegen hem verder, totdat hij zich onder zijne makkers had gemengd; reeds wierp de in de vroegte geboren Dageraad verrijzende zijn licht over den besneeuwden Caucasus."

Het reinigingsbad heeft hier kennelijk bovenal de bedoeling, de booze demonen af te weren, die licht op den tooverende een schadelijken invloed vermochten uit te oefenen.

Ook elders is dit heldendicht, dat inzonderheid bij de Romeinen in groot aanzien stond en sterk werd nagevolgd, rijk aan verhalen over magie.

Dat men ook in die tijden van spot en scepticisme zich, hetzij voor goede, hetzij voor booze doeleinden van tooverij bediende, blijkt uit tal van gegevens.

In eene redevoering (na 327) die op naam van Demosthenes gaat en in elk geval tot de meest boeiende lectuur uit de oudheid behoort, t.w. eene aanklacht tegen den "chanteur" Aristogiton, vinden wij vermeld dat de Atheners de "giftmengster" Theoris, "de Lemnische" met haar geheele geslacht ter dood lieten brengen en wordt de broeder van Aristogiton ervan beschuldigd, door middel van eene slavin der tooveres hare kruiden en bezweringen te hebben overgenomen ten einde, naar zijn zeggen, daardoor o.m. lijders van de vallende ziekte te genezen. (I. Rede tegen Arist. c. 79 vlg.).

Aan koning Pyrrhus (gest. 272), den bekenden tegenstander der Romeinen, werd eene wonderbare geneeskracht toegeschreven:

"Men geloofde dat hij aan miltzieken genezing bracht door een witten haan te offeren en hun, terwijl zij achteroverlagen, met den rechter voet de milt zachtjes aan te raken. Niemand was zoo arm of onaanzienlijk, dat hem niet op verzoek die behandeling werd toegestaan. Pyrrhus kreeg dan ook den haan, wanneer hij hem geofferd had, en op dit eergeschenk was hij bijzonder gesteld. Men zegt ook, dat de groote teen van dien [rechter] voet eene goddelijke kracht had, zoodat hij na zijn dood, terwijl het overige lichaam verbrand was, ongedeerd en door het vuur onaangeraakt werd gevonden"[17].

De volkenkunde levert hiertoe tal van paralleles.

Bij de primitieve volkeren heerscht algemeen de overtuiging, dat hunne hoofden eene bijzondere kracht of zelfstandigheid bezitten, die men tegenwoordig gewoonlijk met een Polynesisch-Melanesisch woord "mana" noemt, door welke zij o.m. ook zieken vermogen te genezen. Van de hoofden op de Tonga eilanden (in de Stille Zuidzee) geloofde men, dat de aanraking van hun voet aan kliergezwellen en leververharding een einde maakte. Bij de Walos (aan den Senegal) brachten moeders hunne zieke kinderen naar de koningin, die ze plechtig met den voet op den rug, de maag, het hoofd en de beenen aanraakte. Hetzelfde geloof heerschte in Europa. Toen Waldemar I van Denemarken (1157-1182) door Duitschland reisde, brachten moeders hunne kinderen tot hem met het verzoek, zijne handen op ze te leggen, in de overtuiging, dat ze dan beter zouden groeien. Van de Engelsche koningen verwachtte men wonderdadige hulp tegen klierziekten. Koningin Elizabeth (1558-1603) oefende herhaaldelijk de gift der genezing uit. Karel I zou in 1633 op één dag honderd, zijn zoon Karel II in den loop van zijne regeering (1660-1685) ten naastenbij honderdduizend klierlijders hebben aangeraakt. Ook Fransche koningen traden als wonderdadige genezers op. Dat door de kracht der suggestie de koninklijke aanraking vaak zal hebben geholpen is niet onwaarschijnlijk; of echter ook nog het "magnetische fluïde" er wel eens bij in 't spel is geweest, moeten wij vooralsnog in 't midden laten.

Wij komen later nog op diergelijke wonderdadige genezingen terug.

Wat de booze tooverij betreft, zijn ons ook uit dien tijd verscheidene plaatjes, bijna allen uit lood, bewaard gebleven, waarop men vervloekingen kraste. Een voorbeeld hiervan is het navolgende, uit Attica, van omstreeks 300 v. Chr.

"Ik boei Theagenes de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt; ik boei ook van Pyrrhius den kok de handen en voeten, de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt; ik boei ook de vrouw van Pyrrhius haar tong en haar ziel; ik boei ook Cercion den kok en Docimus den kok de tong en de ziel en het pleidooi dat zij voorbereiden; ik boei ook Cineas de tong en de ziel en het pleidooi dat hij met Theagenes samen voorbereidt; ik boei ook Pherecles de tong en de ziel en het getuigenis dat hij ten gunste van Theagenes aflegt; ik boei ook Seuthes de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt en de voeten en de handen en de oogen en den mond; ik boei ook Lamprias de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt, de handen, de voeten, de oogen en den mond, al dezen boei ik, ik doe ze verdwijnen, ik stop ze onder den grond, ik spijker ze vast; en als ze voor de rechtbank en bij den scheidsrechter iets doen, mogen ze dan niet in aanmerking komen, noch in woord, noch in daad"[18].

Hier tracht men dus zijne tegenpartij in rechten te schaden en hoopt dat hetgeen met de plaat geschiedt, ook de personen zelf zal overkomen. De symboliek hierbij verraadt een uiterst naïeven gedachtengang. Lood is zwaar, dus moet het ook op een afstand een bezwarenden invloed uitoefenen. De spijker houdt vast, dus moet hij ook op afstand iemand vastleggen. Overigens verwijzen wij naar hetgeen reeds boven over het envoûtement is gezegd.

Meestal worden bij die vervloekingen ook de onderaardsche goden aangeroepen, zooals bijv. op de navolgende plaat uit de vierde eeuw:

"Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Parthenius en Apollonius, de zoons van Hagnotheus de tong en de ziel en de daden en de voeten en de plannen.

Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Euxenus de ziel en het lichaam en de voeten en de handen en de daden en de plannen en de tong totdat hij naar de onderwereld is neergedaald"[19].

Ook bij de Romeinen werd de tooverij gedurende die tijden evenzeer in practijk gebracht en ook bij hen ontbrak het niet aan vervolgingen van staats- en rechtswege.

In den loop van den tweeden Punischen oorlog waren de gemoederen door de voortdurende wisselingen van den krijgskans ten zeerste geschokt. Men nam de toevlucht tot allerlei uitheemsche plechtigheden; magiërs en profeten verkregen grooten invloed op het volk. Toen (in 213) gelastte de senaat, verontrust over de toenemende verwaarloozing van den Romeinschen eeredienst, de geschriften over magische en soortgelijke onderwerpen aan de overheid uit te leveren[20].

Ook kwam het wel eens voor, dat men een landman, wiens voorspoed te zeer in 't oog liep, er van beschuldigde, tooverkunsten te hebben aangewend, zooals blijkt uit navolgend feit, dat in het jaar 157 plaats vond.

"Toen C. Furius Chresimus, een vrijgelatene, van een zeer kleinen akker meer vruchten had geoogst, dan de naburen van de meest uitgestrekte velden, ontstond er een groote afgunst tegen hem, en beschuldigde men hem, dat hij andermans vruchten door booze tooverij verlokte [d.w.z. naar zich toe lokte]. Om die reden door een magistraat, Spurius Albinus, aangeklaagd, vreesde hij te worden veroordeeld en bracht, toen de volksvergadering [waarbij hij in beroep was gekomen] tot de stemming moest overgaan, al zijn akkergereedschap naar het forum [de vergaderplaats] en haalde zijne krachtige, welgevoede en goed gekleede slaven erbij, alsmede zijne voortreffelijk gesmeede ijzeren werktuigen, zware houweelen, geweldige ploeg en en doorvoedde runderen. Daarop zeide hij: "Dit zijn mijne booze toovermiddelen, medeburgers! En al mijn zwoegen, mijne nachtwaken en zweet kan ik U niet eens vertoonen noch naar het forum brengen". Hij werd met algemeene stemmen vrijgesproken[21]."

Er is hier, zooals wij zien, sprake van het verlokken, d.w. z. naar zich toe lokken, van andermans veldgewas; die term komt ook al voor in de wet der twaalf tafelen, die wij aan het einde van ons eerste hoofdstuk hebben vermeld. Hoe stelde men zich echter dat naar zich toe lokken voor? Toch wel niet zoo, dat de rijpe korenaren van het eene veld naar het andere overliepen, al wordt dan ook, zooals later blijken zal, iets dergelijks door dichters gezegd. Om ons een juist denkbeeld te vormen van hetgeen bedoeld wordt, moeten wij op het primitieve denken van landbouwende volkeren nader ingaan.

Zooals wij kunnen opmaken uit talrijke mythen en gebruiken, die zoowel in Europa als elders voorkomen, geloofde men van oudsher dat ook de planten en de oogst bezield waren. De "korenziel" is ook nog ten onzent bekend, zij het dan ook slechts als een onbegrepen overleefsel (survival). Deze ziel wordt veronderstelt in de laatste schoof te huizen, van daar dan ook dat bij een oogst allerlei gebruiken er mede zijn verbonden. Zeer vaak wordt van de laatste schoof eene pop gemaakt, de "graanmoeder", soms met vrouwenkleeren opgetuigd. Teneinde het volgende jaar een goeden oogst te hebben wordt de pop veelal met water besprenkeld, om door deze symbolieke handeling—men spreekt ook van "sympathetische magie"—een vruchtbaarmakenden regen te bezweren. De korenziel leeft naar men aanneemt het geheele jaar lang; door eenige graankorrels uit de laatste schoof met het zaaigraan te vermengen, is men zeker van de aanwezigheid der korenziel in den oogst van het volgende jaar. In onze Oost spreekt men van eene "rijstmoeder" als draagster van eene bezielende zelfstandigheid. De rijstmoeder, d.w.z. enkele halmen van weelderigen en eigenaardigen groei, bijv. van zeven geledingen, wordt met de noodige zorg naar huis gebracht en meestal op eene afzonderlijke plek in de schuur gezet. Zoolang men de rijstmoeder heeft, is men verzekerd van den overigen oogst.

Nemen wij dit alles in overweging, dan ligt het voor de hand, dat men volgens het aloude geloof door bezweringen en tooverijen niet alleen aan het veldgewas van een ander rechtstreeks schade kon toebrengen, maar ook diens korenziel naar zich toe kon lokken en zoodoende zich den oogst van zijn buurman toeëigenen. Dat de dichters, die evenmin als anderen, den oorsprong van het geloof in kwestie kenden, het verlokken van den oogst letterlijk opvatten om hetzij hunne fantasie, hetzij hunne ironie bot te vieren, kan geen verwondering wekken.

Er werden echter aan de magie ook gunstige werkingen toegeschreven. Zoo geloofde men o.a. dat hagelslag door tooverspreuken kon worden afgeweerd en dat bezweringen de kracht hadden wonden te heelen. De oude Cato (gest. 149), de conservatieve practicus bij uitnemendheid, geeft in zijn werk over den akker bouw (c. 160) den volgenden, overigens niet zeer duidelijken raad:

"Indien iets ontwricht is, zal het door deze bezwering genezen. Neem een groen riet, vier of vijf voet lang, splijt het midden door en laten twee mannen het tegen uwe heupen aanhouden. Begin met te bezweren. Motas, vaeta, daries, dardares, astataries, dissunapiter, totdat ze [de stukken riet] samenkomen, en zwaai er [het] ijzer over heen. Wanneer ze op deze wijze zijn samengekomen en het eene stuk het andere heeft aangeraakt, grijp dan dat met de hand en snijd het rechts en links af. Bind het vast aan de plek waar de ontwrichting of de breuk is, en deze zal genezen."

Blijkbaar is ook hier magische symboliek in 't spel; evenals de stukken riet worden samengevoegd, zullen, naar men gelooft, ook de beenderen weer samengroeien.

Het zwaaien van ijzer (blijkbaar het mes) was kennelijk tegen de booze geesten gericht, die, naar men meende, er voor bevreesd waren. Hierover later meer.

De tooverwoorden zelve, van wier uitwerking men ongetwijfeld het meeste verwachtte, zijn onverstaanbaar. Zijn het woorden uit eene oude, vergetene taal en dus een overleefsel? Het oeroude heeft van zelf al iets magisch. Of uit eene vreemde taal? Ook wat uit den vreemde komt, geldt vaak voor tooverkrachtig. Of zijn het willekeurige klankverbindingen? Ook dit is dikwijls in de magie het geval, vgl. slechts het ook ten onzent gebruikelijke hocuspocus en abracadabra. Wij komen op dit onderwerp later uitvoerig terug.

Het geloof aan de kracht van het "belezen" heeft zich in landelijke streken met groote taaiheid weten te handhaven. In West-Vlaanderen bestond nog niet lang geleden het gebruik, om, tot genezing van een verstuikten paardepoot, driemaal het kruisteeken er over heen te maken en daarbij de eerste keer aulé, de tweede keer aulelé en de derde keer super aulé te zeggen. En ten onzent wordt bij gevallen van ontwrichting en dgl. nog wel eens het volgende rijm uitgesproken:

"Dit arm of poot

Is verrukt of verstoot,

't Zal niet verrotten of verzweren

In den naam des Heeren ...

Litteratuur.

Th. Gomperz, Griechische Denker III (1909).

S. Seligmann, Der böse Blick u. Verwandtes(1910).

R. Wünsch, Die Zauberinnen des Theokrit, in Hessische Blatter f. Volkskunde, VIII (1909).

Frazer, The magic art, Vol I (1913).

A. de Rochas, L'extériorisation de la sensibilité, 5e uitg. (1899).

O. Berthold, Die Unverwundbarkeit in Sage u. Aberglauben d. Griechen, in Religionsgeschtliche. Vers. u. Vorarb. hrg. v. Wünsch u. Deubner, XI Bd., 1 Hft. (1911).

R. Wünsch, Antike Fluchtafeln, in KI. Texte f. Vorles. u. Üb., hrg. v. H. Lietzmann, No. 20, 2e uitg. (1912).

E.N. Fallaize, s.v. Harvest, in Encyd, rel. eth. VI(1913).

Frazer, Spirits of the corn a. of the wild (1914).

A. Kruyt, Animisme i.d. Ind, archipel (1906).

Frazer, Balder the beautiful II (1914).

A. de Cock, Volksgebr. e. Volksgel, m. betr. t. Huisdieren, in Volkskunde, Tijdschr. v. Nederl. folklore, VII (1894).

HOOFDSTUK III.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings