← Table of contents
Lord Lister No. 0046

Het klaverblad van vier.

Reading edition

Lord Edward Lister, of, zooals hij zichzelf noemde, John C. Raffles, was juist met zijn vriend Charly Brand, die reeds verscheiden jaren zijn assistent was en den Grooten Onbekende als zijn meester beschouwde, van een Europeesche reis naar Londen teruggekeerd.

De deftige kleine villa in Hydepark, welke hij onder den naam van baron Walkerfield had gehuurd en volgens zijn smaak op voorname manier ingericht, was door den kamerdienaar, den ouden Joe, op voorbeeldige wijze onderhouden.

Met een verheugden glimlach had hij zijn heer ontvangen, die zich gedurende verscheiden weken in Parijs had opgehouden.

„Nu zijn wij weer thuis, mijn jongen”, sprak John Raffles tot Charly Brand. „Ik moet je eerlijk bekennen, dat ik altijd, als ik eenige maanden uit Londen weg ben geweest, heimwee naar onze stad krijg met haar rustelooze menschenmassa.”

Charly Brand zette een nadenkend en zeer ontevreden gezicht.

„Ik moet zeggen”, sprak hij, een sigaret aanstekende, „dat ik altijd verlang naar den dag, waarop je mij mededeelt, dat wij Londen gaan verlaten. Ik sidder op dezen bodem, die altijd gevaar voor jou oplevert.”

John Raffles lachte vroolijk.

„Je bent toch niet bang voor inspecteur Baxter?”

Hij nam zijn sigarettenkoker en stak er ook een aan. „Mijn beste jongen, die krenkt mij geen haar. Hij is blij, dat ik hem niets doe.”

„Wie weet”, antwoordde Charly, „misschien heeft hij je met opzet jarenlang van een zekere veiligheid laten genieten om er zich op een goeden dag, als hij ze gevangen heeft genomen, op te kunnen beroemen, dat het alleen hem, den alom gevreesden inspecteur Baxter van Scotland Yard, is gelukt, om jou den genialen amateur-roofridder, eindelijk onschadelijk te maken.”

„Geloof je dat werkelijk, mijn beste, jongen?” vroeg zijn vriend. „Ik verzeker je, zoolang als ik op kalme wijze mijn eigenaardige sport blijf uitoefenen, is mijn beroep absoluut ongevaarlijk. Alleen dan wordt het een halsbrekend bedrijf, als ik lichtzinnig ga handelen.

„Dan gebeurt mij precies hetzelfde als dat elken zakenman of burger passeert: ik ga over den kop!”— —

John Raffles nam, nadat hij deze woorden had gezegd, aan de groote empire-schrijftafel plaats en begon een mededeeling te schrijven aan zijn club, waarvan hij lid was, eveneens onder dien naam van baron Walkerfield, dat hij weer van zijn reis was teruggekeerd.

Charly Brand had zich intusschen met de kranten bezig gehouden, welke juist door den kamerdienaar waren gebracht en las de nieuwstijdingen.

Toen zijn vriend den brief af had, belde hij en gaf een kamerdienaar den brief ter bezorging.

Daarop nam ook hij de kranten en vroeg of Charly iets interessants had gevonden.

„Steeds hetzelfde,” antwoordde deze, „dezelfde misdaden, dezelfde ongelukken, dezelfde sportberichten. Alleen de namen der persoonen veranderen. Er is niet veel nieuws onder de zon.”

„Stop!” riep Raffles. „Jij bent nog een onervaren jongmensch, mijn lieve Charly. Er is een groote massa nieuws, waarvan wij soms niet het flauwste vermoeden hebben.”

Hij bladerde daarna de kranten door en sprak daarop, met een blik op het blad, dat Charly in de hand hield:

„Je hebt daar zeker het blad, waarin de nieuwtjes staan uit de Londensche hoogere kringen. Geef het mij eens.”

Charly Brand blies met aandacht den rook van zijn sigaret in de lucht, nadat hij zijn vriend het nieuwsblad had gegeven, en sprak:

„Je bent een eigenaardig mensch, lieve Edward; ieder ander leest eerst het werkelijk interessante, wat er in de wereld voorvalt: politiek—eventueele oorlogsberichten en dergelijke. Jij daarentegen— —”

„Wees maar gerust”, viel John Raffles hem in de rede. „Je jeugd speelt je alweer parten. Ik verzeker je, mijn jongen, deze schijnbaar droge berichtjes, die mij vertellen, dat lord X met de dochter van den Amerikaanschen beurskoning Smith uit Chicago is getrouwd, of dat mevrouw v. Z. een eisch tot echtscheiding heeft ingediend tegen haar echtgenoot, of dat de eigendommen van den Schotsen baron Y. zijn verkocht—al die berichten zijn voor mij veel interessanter dan wat de kranten verder op uitvoerige wijze hun lezers vertellen. Dat, wat jij daar leest is voor de alledaagsche groote massa.

„Maar deze klein gedrukte mededeelingen zijn de werkelijk groote treurspelen, welke in het geheim worden opgevoerd.

„Toe, stoor mij nu eens een oogenblik niet.”

Hij nam de krant en begon te lezen.

Nauwelijks had hij een paar seconden lang de berichten doorgekeken, of hij liet plotseling het blad vallen en brak los in een luid gelach.

Charly Brand sprong verschrikt op en liet zijn sigaret vallen.

„Wat is er, Edward? Je doet mij werkelijk schrikken!”

„Neen maar, het is kostelijk, lieve Charly!” riep John Raffles uit. „O, wat ik hier heb gelezen— —Je moet dit bericht uitknippen.”

„Allright!” sprak Charly Brand. Hij hield namelijk reeds jarenlang als secretaris van zijn vriend een archief bij, waarin hij alle berichten uit de kranten verzamelde, evenals alle mogelijke mededeelingen en opmerkingen, welke op eenigerlei wijze betrekking hadden op Raffles en welke hij alle zorgvuldig registreerde.

John Raffles had het bericht nogmaals gelezen en lachte opnieuw.

„Zou je mij niet willen vertellen,” vroeg Charly Brand, „waarom je zoo vroolijk bent? Je schijnt buitengewoon veel plezier te hebben.”

„Zeker,” lachte John Raffles. „Alleen de Engelsche natie bezit zulke grappenmakers, zulke komieke lui, onze Falstaffs, zooals Shakespeare ze heeft geteekend.

„Een type daarvan is onze politie-inspecteur Baxter!

„Luister eens, wat hier staat: De Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland vierde eergisteren in hotel Cecilia haar tienjarig bestaan— —mooi, he?”

Charly Brand antwoordde glimlachend:

„Ik heb nog nooit iets gehoord van het bestaan eene dergelijke vereeniging.”

„Ik ook niet,” antwoordde Raffles, „en ik had ook nu misschien nog niets erover gelezen, wanneer een naam mijn aandacht niet had getrokken.

„Deze naam is het grappige van de geschiedenis.

„Luister naar hetgeen hier verder staat:

„Op den feestavond, waaraan ook werd deelgenomen door den beschermheer der Vereeniging, den hertog van Norfolk, werd door den president Sir Edwin Harper, den nieuwen tweeden voorzitter der Vereeniging geïnstalleerd: den inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard— — —”

Nu barstte ook Charly Brand in een luid gelach uit, waar zijn vriend opnieuw mee instemde.

Daarop riep deze uit:

„Dat is een mop, zooals men geen betere kan uithalen in de Vereenigde Koninkrijken! Men moet Baxter zoo goed kennen als wij, om de geestigheid, die in deze keus ligt opgesloten, te snappen.

„Deze drinker, om niet te zeggen zuiper, deze Don Juan, deze man, voor wien deugd eenvoudig niet bestaat— — —die troont nu als president aan het hoofd van een vereeniging ter bevordering van deugd en zedelijkheid.

„Mijn hemel, wat een prachtige geschiedenis! Laat ons verder lezen!

„Luister:

„De Vereeniging nam voor het nieuwe jaar de volgende werkzaamheden op zich:

„Het indienen van een wetsvoorstel betreffende afschaffing der onzedelijke advertenties, verscherping der theatercensuur en— — —”

John Raffles moest plotseling naar lucht happen en riep, terwijl dikke tranen van het lachen over zijn wangen rolden:

„Charly, Charly, de minnen zullen worden afgeschaft! De minnen zijn onzedelijk! Heb je ooit dergelijken nonsens gehoord? Deze mop is bijna even goed als die, om Baxter te benoemen tot president der Vereeniging— — —”

„Hoe kan het mogelijk zijn geweest, dat men hem voor een dergelijke functie uitkoos?” vroeg Charly Brand.

Raffles dacht even na en sprak:

„O, ik geloof, dat die oplossing heel eenvoudig is! Baxter is immer onze theater-censor en zorgt er, in die hoedanigheid, al sinds jaren voor, dat wij op het tooneel zoo weinig mogelijk gemeenheden te hooren en te zien krijgen.”

„Och,” antwoordde Charly Brand, „daar mankeerde het anders niet aan. Ik herinner mij nog, een paar maanden geleden in een onzer schouwburgen dingen gezien en gehoord te hebben, die iemand een blos van schaamte op de kaken tooveren.”

„Nu ja,” antwoordde Raffles, „de directeuren zullen wel over de brug zijn gekomen om toestemming te krijgen, hun stukken op te voeren.—Ja, ik herinner mij zelfs, dat de inspecteur een liaison had met een dame, die verbonden was aan een onzer voornaamste variété-theaters.

„Maar dit heeft natuurlijk niets met zedelijkheid of deugd te maken.

„Doch nu genoeg.

„Kleed je aan en laat ons een wandeling in ons geliefde Londen gaan maken. Ik verheug er mij op, door de straten te flaneeren!”

„Het is nog een beetje vroeg,” sprak Charly Brand.

„Je hebt gelijk!” knikte zijn vriend. „Wij kunnen nog wachten totdat het tijd wordt voor de schouwburgen. Ik stel je voor om den avond door te brengen in het Lyceum-theater en daarna op echt Engelsche wijze ergens te gaan eten.”

Voordat Raffles zijn woning verliet, voorzag hij zich, daar sinds zijn laatste zaakje zijn uiterlijk bekend was geworden, van een baard.

Tot dat doel begaf hij zich naar een cabinet naast zijn slaapkamer, waarin een groote drie dubbele spiegel stond, welke van den vloer tot aan het plafond van de kamer reikte.

Daarvoor waren electrische lichten aangebracht, zoodat de Groote Onbekende, als hij voor den spiegel stond, elke lijn van zijn gelaat kon onderscheiden.

Aan den eenen kant van de kamer stond een groote kast, die uit verschillende deelen bestond en waarin costuums werden bewaard. Als deze geopend was, meende men, een theatergarderobe voor zich te zien.

Aan den anderen muur bevonden zich langwerpige kasten, waarin allerlei soorten schmink en gummimaskers lagen. Verder bevonden zich daarin allerlei baarden.

De Groote Onbekende overlegde een tijdlang, voordat hij besloot, welke verkleeding hij zou kiezen. Daarop ging hij naar de kast en nam het costuum van een voornaam Chinees eruit.

Dit had hij met veel andere zaken van zijn laatste reis meegebracht en er viel niet aan de echtheid te twijfelen.

Zelfs de naphtalinelucht, die gewoonlijk aan dergelijke kleeren hangt, ontbrak niet.

Met de uiterste zorgvuldigheid trok Lord Lister het costuum aan en vergat zelfs de daarbij behoorende onderkleeren niet. Daarop trok hij de vilten schoenen aan, die er bij pasten en begon zich te schminken.

Daar zijn huid van nature bruin was en door de laatste zeereis nog donkerder dan gewoonlijk was geworden, had hij in het geheel geen schmink noodig, maar maakte alleen met een zwarte kleurstof zijn wenkbrauwen iets langer, zoodat hierdoor de stand der oogen schijnbaar een andere werd.

Daarop nam hij een in goud gevatten bril, die aan zijn gelaat het uiterlijk gaf van een Chineesch geleerde.

Ten slotte zette hij het in China gebruikelijke zwartzijden mutsje op, waaraan een zwarte staart was bevestigd. Daarop stak hij aan zijn vingers eenige ringen, nam een waaier in de hand en verliet door een zijdeur het cabinet.

Langs een kleine trap kon hij in de gang van het huis komen, zonder de studeerkamer, waarin Charly Brand zich bevond, door te gaan.

Toen de Groote Onbekende in de gang stond, opende hij zacht de deur en belde. Er verliep eenige tijd, daarop werd hem door den ouden kamerdienaar Joe opengedaan.

John Raffles amuseerde zich over het verbaasde gezicht, waarmee de trouwe bediende hem aankeek.

Nauwkeurig het neusgeluid van een voornamen Chinees nabootsend, sprak Lord Lister:

„Ik zij een goed vriend van uw heer baron Walkerfield. Mijn naam is Su-Ki-Bit-Wou-Wang. Hier mijn kaartje.”

De bediende nam het kaartje, dat de Chinees hem overhandigde en antwoordde:

„Ik kan niet zeggen, Mr. Su-ki Bat Bung”— —

„Su-Ki-Bit-Wou-Wang”, verbeterde Raffles op nasalen toon.

De oude, welopgevoede man sprak:

„Pardon, Sir, de naam is wel een beetje lang en tamelijk moeilijk voor mij.”

„O,” sprak Raffles, „wij hebben in China nog veel langere namen. Dit is maar een heel kleine.”

„Ik zal eens hooren,” antwoordde de kamerdienaar met een buiging, „of mijnheer de baron u kan ontvangen.”

„O,” zei Raffles, „hij zijn een goed vriend— —ik met u mee ga. Hij zeer blij zal zijn, wanneer hij mij ziet.”

Joe wist niet, wat hij moest doen. Maar daar het bezoek zeker geen onaangenaamheden voor zijn heer kon hebben, stond hij toe, dat de Chinees hem vergezelde.

Charly Brand sprong verschrikt uit zijn fauteuil op, toen de kamerdienaar met den Chinees binnentrad.

„Pardon, Mr. Brand,” sprak de bediende, „deze gentleman zegt, dat hij een goed vriend van mijnheer den baron is en dat mijnheer zeer verheugd zal zijn hem te zien.”

„Ja,” bevestigde Raffles met onuitstaanbaar neusgeluid en met een vreeselijk accent, „hij heel blij zal zijn, mij te zien. Wij veel te zamen beleefd hebben in Peking.”

De kamerdienaar ging heen en de secretaris maakte een beleefde buiging voor den Chinees en sprak:

„Mijn naam is Brand. Ik ben de vriend en vertrouwde van baron Walkerfield!”

„O, ik dat weten!” antwoordde de Chinees. „Heeft dikwijls de baron verteld van zijn vriend.”

„Zeer vleiend voor mij,” sprak Charly. „Mag ik vragen met wien ik de eer heb?”

„Zeer goed,” antwoordde de Chinees, „men mij noemen Su-Ki-Bit-Wou-Wang”.

Charly Brand maakte weer een buiging. Hij had al het andere verstaan, alleen den naam van den vermeenden bezoeker niet.

Hij wees met zijn hand naar een fauteuil en verzocht:

„Wees zoo goed, plaats te nemen, Sir, totdat mijn vriend komt. Ik verwacht hem oogenblikkelijk.”

„Ik zal wachten,” antwoordde de Chinees, terwijl hij plaats nam.

Charly Brand zag, dat de vreemdeling oplettend in de kamer rondkeek.

Na eenige minuten van het diepste stilzwijgen sprak de Chinees:

„Gij wonen zeer mooi hier in Londen. Ik had niet gedacht in China, dat men hier zooveel als bij ons bij elkaar kon stelen.”

Pats!— — —

De stoel, waarop Charly Brand zat, werd minstens een halven meter achteruitgeschoven.

Met groote oogen staarde Charly Brand den zoon van het Hemelsche Rijk aan.

Was de kerel gek of wat bezielde hem?

Waarschijnlijk kende hij niet genoeg Engelsch en bedoelde hij een ander woord voor „stelen”.

„Gij staat mij zeker toe, Sir, dat ik u verbeter. De meubelen zijn niet gestolen, maar gekocht.”

„Ik weten alles,” glimlachte de Chinees. „De meubelen gekocht zijn, maar het geld, dat ervoor noodig, zijn gestolen.”

„Sir!” stoof Charly Brand op, „gij bevindt u in het huis van een gentleman, van een baron!”

De Mongool glimlachte geheimzinnig en sprak door zijn neus:

„Ik weten alles! Ik zelf dief ben en gij klein diefje zijn. Gij nog niet geslepen genoeg zijn!”

De jonge man wist niet of de grond links of rechts onder hem draaide. Hij begreep niets van dien geheimzinnigen bezoeker en wist niet, wat hij moest doen. Zenuwachtig keek hij naar den Chinees, die was opgestaan en uit een sigarettenétui, dat Raffles had laten liggen, een sigaret nam.

Op zijn gemak begon hij te rooken en bekeek onderwijl het kostbare, met diamanten en robijnen bezette étui.

Charly Brand werd bleek van schrik, toen de Chinees met zijn vervelend geluid sprak:

„Zeer schoon étui, ik zulk werk mooi vinden en meenemen.”

Op hetzelfde oogenblik had hij het étui in een der zakken van zijn wijd bruinzijden overkleed laten glijden.

Nu werd het den secretaris al te erg. Hij ging naar den Chinees toe, legde zijn hand op diens arm en sprak:

„Ik hoop, Sir, dat gij schertst. Het étui moogt gij u niet toeëigenen.”

„O, waarom niet?” vroeg de Chinees op kalmen, onverschilligen toon. „Uw vriend, Mr. Raffles, kunnen zich immers een nieuw stelen.”

De jonge man greep den arm van den Chinees met ijzeren vuist beet en trachtte hem het étui met de vrijgebleven hand weer uit den zak te halen.

„Laat mij los!” klonk het dreigend terug, „of gij kunnen vliegen als een elastieken bal in den hoek.”

„Vervloekt!” schreeuwde Charly Brand, „een dergelijke brutaliteit heb ik nog nooit beleefd. Geef het étui terug of ik neem het met geweld.”

In het volgende oogenblik echter vloog hij als een voetbal midden door de kamer en viel in een hoek op het tapijt neer.

Maar als een kat sprong hij weer op, haalde een Browningpistool uit zijn zak te voorschijn en hield dat den Chinees dreigend voor.

„Geef het ding terug of ik schiet!”

„Gij zijt weinig beleefd,” sprak de Mongool, kalm doorrookend.

„Hoe komt gij ertoe om mij nog te sarren, nu gij u eerst op een manier hebt gedragen, die u werkelijk het recht beneemt, een ander te critiseeren? Gij steelt het étui van mijn vriend, gij gooit mij als een elastieken bal in den hoek en zegt dan nog tegen mij, dat ik niet beleefd genoeg ben tegenover u.”

Daar barstte de Chinees plotseling in een luid gelach uit. Charly Brand keek verbaasd op, want dit lachen kwam hem buitengewoon bekend voor.

En nu klonk, inplaats van het neusgeluid van den bezoeker de welbekende stem van zijn vriend, die uitriep:

„Steek die proppenschieter weer in je zak, mijn beste jongen. Ik heb maar eens willen zien, of mijn vermomming onberispelijk is. Ik zie, dat het in orde is en dat jij noch Joe mij hebben herkend!”

„Ben je het werkelijk?” vroeg Charly Brand en liep aarzelend, nog steeds het wapen in de hand houdend, naar Raffles toe.

„Ja, ik ben het werkelijk!” herhaalde deze, „en ik ben blij, dat ik zulk een schitterend succes had als Su-Ki-Bit-Wou-Wang.”

„Ongelooflijk!” sprak Charly, „wat zou jij een groot tooneelspeler zijn geworden, Edward!”

„Mijn lieve Charly, om een groot tooneelspeler te zijn, is het noodzakelijk, dat men op de planken staat en beschilderde coulissen van linnen als milieu heeft. Ik ben van meening, dat men in het werkelijke leven een veel grooter acteur moet zijn, als men succes wil hebben.

„Doch maak je nu gereed en steek je in de uniform van een gardeluitenant, dan gaan wij—”

Een half uur later verliet het tweetal in een cab de woning van Lord Lister om zich naar den schouwburg te begeven.

De Londenaren, die gewend zijn, vreemdelingen te zien, keken gedurende de voorstelling toch vol belangstelling naar den Chinees, die naast een gardeluitenant in een loge dichtbij het tooneel zat.

John Raffles interesseerde zich intusschen het meest voor een zijloge, waarin een zwartharige dame zat met fonkelende oogen, die blijkbaar in de beste stemming den naast haar zittenden gentleman pikante dingen in het oor fluisterde, waarover deze, zonder op zijn omgeving te letten, luidkeels lachte.

„Wie is die dame? Ken je haar?” vroeg Charly Brand op zachten toon.

„Ja!” sprak de Chinees door zijn neus. „Het is een der sterren van ons Drury Lane theater, Miss Martha Raabe.”

„En wie is de heer, die naast haar zit?”

„Ik heb haar den naam een paar keer hooren noemen. Dat is de beroemde Edwin Harper, de voorzitter der Vereeniging ter bevordering der goede zeden. Daar ontbreekt Mr. Baxter nog maar aan om een waardig klaverblad te vormen.”

„Het zou ook een klaverblad van vieren kunnen worden,” sprak Charly Brand, „als Baxter ook met een dame kwam!”

Op dit oogenblik ging de deur open en—politie-inspecteur Baxter trad binnen in smoking, met een roode anjer in het knoopsgat, terwijl aan zijn arm zweefde een slanke sylphide met eigenaardige roodblonde krulletjes, een brutaal wipneusje en met zulke slanke vormen, dat zij veel overeenkomst vertoonde met een Engelsche rijzweep.

Ook zij was buitengewoon vroolijk, klopte den inspecteur voortdurend op den schouder en noemde hem „mijn dikkertje”, terwijl hij haar teeder met „schatje” aansprak.

Mr. Harper begroette haar met een vertrouwelijk lachje en hij sprak met zijn dikke stem:

„Goeden avond, Miss Hansch.”

Daarop wendde hij zich tot Baxter, dien hij reeds met jij en jou aansprak:

„Zeg eens, doe mij het genoegen, hier naast mij te komen zitten, opdat Martha niet meer naar die loge daar kan kijken, waar die vervloekte Chinees zit. Zij stelt, geloof ik, veel te veel belang in de slangenoogen van dien kerel.”

„Allright,” antwoordde de inspecteur en nam op den aangewezen stoel plaats, zoodat zijn arm dien van Raffles bijna aanraakte.

De tooneelspeelster met de zwarte schitteroogen sprak op eenigszins beleedigden toon:

„Je maakt je belachelijk, Edwin, denk je heusch, dat ik verliefd zal worden op een Chinees?”

De slanke Miss Hansch lachte spottend en sprak:

„Nu, hoor eens, jij doet precies alsof Mr. Harper knapper was dan de Chinees. Ik denk, dat wij het eerst verliefd worden op den persoon, die het meeste geld heeft.”

De gentleman wierp haar een woedenden blik toe, dien zij met een brutaal lachje beantwoordde.

Daarop sprak hij:

„Wel, als het op het meeste geld aankomt, dan denk ik mij wel met den Chinees te kunnen meten. Ik heb Miss Martha vandaag 1000 pond sterling gegeven.”

De oogen van Miss Hansch fonkelden van hebzucht, toen zij die hooge som hoorde noemen.

„Is dat waar, Martha?” vroeg zij op spijtigen toon.

„Natuurlijk,” antwoordde deze, „waarvoor is hij anders bankier?”

Daarop wendde Miss Hansch zich tot Baxter met de woorden:

„Heb je gehoord, hoe netjes je vriend zich tegenover mijn vriendin heeft gedragen?”

De inspecteur knikte toestemmend en sprak:

„Zeker, mijn kind, hij is bankier en heeft het geld er voor!”

„Och kom,” lachte het meisje spottend, „met de bankiers is het lang niet altijd zuiver spel. Ik heb al verscheiden van hen uit Londen zien verdwijnen, nadat zij den armen menschen hier hun geld afhandig hadden gemaakt.

„Ik moet ook zoo eentje zien te vinden.

„Jij bent gierig. Welk beroep heb je eigenlijk?”

De inspecteur van politie, die de kleine actrice pas sinds een paar dagen kende, durfde haar zijn werkelijke betrekking niet noemen en daar hij niet wist, wat hij zou antwoorden, sprak hij:

„Ik ben president!”

Beide dames keken hem met scherpe blikken aan, daarop sprak Miss Hansch:

„Wat voor een soort van president?”

„Dat komt er niet op aan,” antwoordde Baxter.

„Ja,” lachte Harper, „als je dat zoudt hooren, zou je vreeselijk schrikken en misschien hard wegloopen.”

„Zoo?” lachten zij beiden, „is hij misschien president van de rechtbank?”

„Och, vraag toch niet verder,” weerde Baxter af, „kijkt nu naar de voorstelling en dan gaan wij soupeeren.”

„Zeg”, vroeg Miss Raabe haar vriendin, „heb jij wel eens een verhouding gehad met een Chinees?”

„Neen,” antwoordde de andere, „jij?”

„Ik zou het graag eens willen,” antwoordde Miss Raabe. „Als men dan valsch haar noodig heeft, neemt men er doodeenvoudig de vlecht van den Chinees bij! die zou verrukkelijk bij mijn haar passen.”

„Houdt op met die flauwe aardigheden!” riep Harper uit, „jelui bent niet erg beleefd. Sinds ik je vandaag dat geld heb gegeven, schijn je te denken, dat je mijn vriendschap niet meer noodig hebt.”

Miss Raabe lachte.

„Wat is 1000 pond!” sprak zij. „Ik had verleden jaar een vereerder, met wien ik in Monte Carlo en Nizza ben geweest, die heeft mij zijn geheele vermogen vermaakt.”

„En wat is er van dien man geworden?” vroeg Baxter.

„Hetzelfde, wat ik met het geld deed. Beide gingen aan den rol. Hij is nu ergens in Amerika als glazenwasscher.

„Maar dezen keer ben ik verstandiger. Ik laat het geld niet weer door mijn vingers gaan en als ik 10.000 pond bij elkaar heb, ga ik stil leven als een voorname dame.”

„Wel”, knikte de bankier, „die 10,000 pond zal je wel gauw bij elkaar hebben. Van mij alleen heb je tot dusverre 7000 gehad.”

„7000 pond? Drommels, dat is veel geld!”

„Hij heeft het er immers voor,” lachte het meisje, „hij is immers bankier!”

Bij die woorden maakte zij de beweging van iemand, die geld wegneemt, zoodat de drie anderen lachten.

„Een net klaverblad,” fluisterde Charly Brand, wien geen woord van het gevoerde gesprek was ontgaan.

Zijn vriend knikte toestemmend.

Toen John Raffles den schouwburg verliet, sprak hij tot Charly Brand:

„Mijn beste jongen, wil je wel gelooven, dat men Londen werkelijk een dienst bewees, wanneer men die Vereeniging ter bevordering der zedelijkheid eens ging ontleden?

„Die Vereeniging moet ontbonden worden, men moet de leden ontmaskeren.

„Men walgt letterlijk, als men bedenkt, dat dit de mannen zijn, die zedepreeken houden voor het volk. Met deze beide broeders moet ik mij nader bezighouden.”

Daarop gingen zij soupeeren en reden al vroeg naar huis terug.

Voordat de Groote Onbekende zich ter ruste begaf, sprak hij:

„Ik heb een schitterend plan gemaakt en zal voorloopig als Chinees in Londen leven.

„Onthoud goed mijn naam: Su-Ki-Bit-Wou-Wang!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings