← Table of contents
Lord Lister No. 0046

Baxter wordt President.

Reading edition

De inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, de almachtige chef van de Londensche recherche, was zeer ontstemd op zijn bureau gekomen en ergerde zich, omdat zijn secretaris Marholm, of zooals de Londensche misdadigers hem noemden, de Vloo, niet aanwezig was.

Zelfs het genot van zijn pijpje kon hem niet in de goede stemming terugbrengen.

Onmiddellijk drukte Baxter op het knopje van de electrische bel op zijn schrijftafel, waarop uit het aangrenzende vertrek een der dienstdoende agenten binnentrad.

„Waar is secretaris Marholm?” snauwde Baxter hem toe.

Het antwoord luidde:

„Secretaris Marholm heeft een brief gezonden, die op de schrijftafel van den inspecteur ligt”.

Terwijl de politieagent nog wachtte, opende Baxter den brief en las:

„Waarde inspecteur!

De vorige week zijt gij drie dagen ziek geweest en ik moest toen uw dienst alleen waarnemen. Daar het vandaag ook zulk prachtig weer is, neem ik de vrijheid, eveneens ziek te zijn en verzoek u mijn werk er bij te willen doen. Met beste groeten.

Marholm.”

Een oogenblik staarde Baxter onafgewend naar den brief.

Daarop barstte hij los:

„Een dergelijke onbeschaamdheid heb ik nog nooit beleefd. Deze brutaliteit overtreft alles! Daarenboven ligt er hier een hoop werk voor hem. Dat zou hij wel willen, dat ik ging zitten om zijn werk te doen!

„De duivel hale dien kerel, ik zou graag een anderen secretaris willen hebben, maar helaas — —”

Hij zuchtte woedend.

„Ik kan onder die domme beambten geen enkelen vinden, die in staat is een acte te schrijven, die leesbaar is en zonder taalfouten.”

„Met woest rollende oogen wendde hij zich tot den bij de deur staanden politieagent:

„Zend onmiddellijk mijn secretaris naar het bureau!”

„Tot uw dienst, inspecteur!” klonk het terug.

Baxter ging nu aan zijn schrijftafel zitten en begon de ingekomen stukken te lezen.

De tweede brief, dien hij opende, droeg het gedrukte opschrift:

„Vereeniging ter bevordering der goede zeden.

Geachte heer!

Ondergeteekende, president Sir Edwin Harper, heeft de eer u te verzoeken, tweede voorzitter te worden van de Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland.

Zooals u waarschijnlijk bekend is, staat onze Vereeniging onder bescherming van Z. K. H. den hertog van Norfolk.

Onder zijn voorzitterschap heeft aanstaanden Donderdag een feestmaal plaats ter viering van het tienjarig bestaan, in hotel Cecilia.

De president is zoo vrij, u tot dezen feestmaaltijd uit te noodigen en verzoekt u op de bijeenkomst den hertog van Norfolk te willen mededeelen, dat gij het tweede voorzitterschap aanvaardt.

Een eeretoelage van 500 pond sterling per jaar is aan deze betrekking verbonden, ten einde de onkosten te dekken, welke de werkzaamheden medebrengen.

Op voorstel van verschillende onzer leden is de keus op u gevallen voor het vervullen van deze betrekking en het zou ons verheugen, een toestemmende beslissing te mogen vernemen.

De president Edwin Harper.”

De misnoegde uitdrukking was van het gelaat van den inspecteur verdwenen.

Zijn ijdelheid was door dit aanbod in de hoogste mate gestreeld en zacht mompelde hij:

„Natuurlijk neem ik dat aan! Ik zou wel dwaas zijn, als ik het afsloeg! Men moet altijd trachten, relaties te krijgen met menschen, die hooger staan dan wijzelf en de hertog van Norfolk is, voor zoover ik weet, een intiem vriend van den koning. Ik zal den president onmiddellijk antwoorden. — —

„Marholm!”

Hij keek paar de ledige plaats van zijn secretaris en had geheel vergeten, dat deze niet aanwezig was! Hij keek weer ontstemd en vloekte:

„Het is eenvoudig ongelooflijk. Altijd als men dien man noodig heeft, is hij er niet.

„De duivel moge hem halen!

„Er zal mij niets anders overblijven dan den president zelf te schrijven.”

Hij nam een vel papier, doopte zijn pen in en dacht na.

Na eenige minuten begon hij:

„Hooggeachte heer president!”

Verder kwam hij niet.

„Als ik nu maar wist, of de president dit kan lezen. Het is echter mijn schuld niet, maar die van mijn leeraren, die het mij niet beter hebben geleerd.

„Ik betwijfel werkelijk, of iemand het zal kunnen lezen,” mompelde hij nadenkend. „Ik zal het nog eens probeeren!”

Hij nam een ander velletje en begon opnieuw, zorgvuldig de pen hanteerend:

„Hooggeachte heer president!”

Daarop vergeleek hij de beide stukken met elkaar en bekeek ze op eenigen afstand.

Geen der twee vond hij goed genoeg en beide zoo onleesbaar, dat alleen hij, die het had geschreven, het lezen kon.

Het waren merkwaardig onduidelijke letters, die hem toegrijnsden.

Opnieuw begon hij op Marholm te vloeken, daarop nam hij, om zijn woede te luchten, de beide velletjes papier, kneep ze in elkaar en slingerde ze in de papiermand.

Op dit oogenblik werd de deur geopend en de vurig verlangde Marholm trad met een glimlach op het gelaat de kamer binnen.

„Goeden morgen, inspecteur”, riep hij, „wat is er aan de hand?”

„Voor den duivel, Sir!” schreeuwde Baxter, „wat bezielt je eigenlijk? Ik ben verbaasd over zooveel brutaliteit, hoe durf je het wagen?”

„Ik ben ziek,” antwoordde de Vloo, steeds vroolijk glimlachend.

„Ziek? Zijt gij ziek? Gij straalt van gezondheid en lacht zoo vroolijk, alsof gij van het een of andere prettige feestje kwaamt. Welke ziekte hebt gij? Wilt gij mij dat eens opgeven?”

„Jawel,” antwoordde Marholm lachend, „ik heb rheumatiek!”

„Rheumatiek?” vroeg Baxter. „Al hadt gij dat, dan zou dat nog geen reden zijn om uit het bureau weg te blijven.”

„Natuurlijk,” antwoordde de secretaris, „ik ben niet in staat om dienst te doen.”

„Hoor eens,” schreeuwde de inspecteur, „als alle menschen, die rheumatiek hebben, zoo flink op hun beenen staan als gij, dan zou ik die kwaal wel willen hebben.”

„Wie zegt u, dat mijn knieën niet knikken?” vroeg de Vloo.

„Waar hebt u pijn?”

„In den arm!”

„In welken? Toch niet in den rechter?”

„Ik had nooit gedacht, dat gij zoo goed zoudt kunnen raden,” lachte Marholm.

Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel.

„Gij wilt mij zenuwachtig maken, man, gij liegt natuurlijk!”

„Volstrekt niet,” klonk het op drogen toon. „Ik kan geen pen vasthouden. Ik kan mijn eigen naam niet eens zetten!”

„Een mooie toestand!” kermde Baxter, „maar—” zijn gelaat helderde plotseling op— —

Hij ging naar Marholm toe en hield hem, zooals hij dat gewend was, bij een van zijn jasknoopen vast.

„Luister eens, Marholm,” sprak hij, terwijl hij den knoop begon rond te draaien.

„Ja, ik luister,” antwoordde de Vloo, „maar ik verzoek u vriendelijk, mijn knoop te laten zitten!”

„Gij zijt een slecht mensch,” sprak Baxter, „ik heb u op bedrog betrapt!”

„Nonsens!” riep de secretaris uit. „Ik zal er niet invliegen. Gij wilt zeker probeeren, mij beet te nemen.”

„En toch is het waar?”

De Vloo keek ongeloovig en haalde de schouders op.

„Wilt gij mij eens verklaren,” vervolgde de inspecteur, „als gij rheumatiek in den rechterarm hebt en geen pen kunt hanteeren, wie dan hedenmorgen dien brief voor u heeft geschreven?”

„Wel, ikzelf natuurlijk,” antwoordde de secretaris.

„Allright,” knikte Baxter, „en gij wilt mij wijsmaken, dat gij rheumatiek in den rechterarm hebt? Neen, mijn waarde heer! Wie zulke brieven kan schrijven, lijdt daar niet aan. Neem nu aan de schrijftafel plaats en schrijf, wat ik u zal dicteeren.”

„Onmogelijk,” antwoordde de secretaris hoofdschuddend. „Toen ik den brief schreef, had ik nog geen rheumatiek, maar een zeker geprikkel in de vingertoppen voorspelde mij, dat ik het zou krijgen en dat is uitgekomen ook!”

„Gij zijt onverbeterlijk!”

Deze woorden warden met groote zelfbeheersching uitgesproken want de chef van Scotland Yard spande zich in om niet woedend te worden, omdat hij brandde van verlangen om den brief aan den president te dicteeren.

„Maar,” vervolgde hij. „Misschien staat uw ziekte u toe, een klein briefje voor mij te beantwoorden. Lees eens, welk schrijven ik ontving.”

Hij overhandigde Marholm den brief en terwijl deze las, stak hij een sigaar op. Zoodoende kon hij het vroolijke lachje niet zien, dat bij het lezen van den brief om den mond van de Vloo speelde.

Marholm legde den brief neer en trok zijn overjas uit.

Toen Baxter dat zag, kwam een zucht van verlichting over zijn lippen.

„Als gij werkelijk rheumatiek hebt, mijn beste Marholm,” sprak hij op vaderlijk bezorgden toon, „dan verzoek ik je om, nadat je dezen brief hebt geschreven, weer naar huis te gaan. Gij kunt dan morgen wel inhalen, wat er vandaag te doen was.

„Ik weet uit eigen ervaring, hoe men onder die ziekte kan lijden.

„Dus, zooals afgesproken, gij zult den brief voor mij schrijven, nietwaar?”

„Als gij het wilt aannemen, ben ik er gaarne toe bereid.”

Marholm sprak op een eigenaardigen, ironischen toon, maar Baxter merkte het niet. Hij zette zijn borst vooruit en begon te dicteeren:

„Hooggeachte heer president!

Uw aanbod om het tweede voorzitterschap der Vereeniging ter bevordering der goede zeden aan te nemen, is mij een buitengewone eer.

Ik ben gaarne bereid erop in te gaan. Niet alleen ter wille van het aangename gezelschap en de relatie met mannen uit de hoogste kringen, welke deze positie meebrengt, maar vóór alles, omdat ik zelf sinds jaren een ijverig voorstander ben van deugd en zedelijkheid.”

— —„Au!”— —riep Marholm op luiden toon, zoodat zijn chef verbaasd opkeek.

„Wat is er?” vroeg Baxter verschrikt.

„Mijn rheumatiek werd veel erger, inspecteur en ik heb op deugd en zedelijkheid een groote inktvlek laten vallen. Nu moet ik den brief nog eens schrijven!”

„Wees toch voorzichtig,” sprak de inspecteur. „Gooi geen vlekken op deugd en zedelijkheid. Hebt gij nog zoo’n pijn, wacht dan liever even— —Maar—waarom lacht gij eigenlijk?”

„Dat doe ik om mijn pijn te verbijten,” antwoordde Marholm.

„Wacht dus een oogenblik, inspecteur, totdat ik den brief overgeschreven heb.”

Na eenige minuten, terwijl Baxter nieuwsgierig toekeek, of de brief niet weer door inktvlekken bezoedeld werd, had de secretaris den laatsten zin geschreven, waarna hij op het verdere wachtte.

Zijn chef kuchte en begon verder te dicteeren:

„Met alle kracht doe ik mijn best om de onzedelijkheid in Londen uit te roeien!”— — —

„Ha, ha, ha, ha, ha,” klonk het van Marholms lippen, zoodat Baxter verbaasd uitriep:

„Mijn hemel, wat hebt gij toch!”

„Ha, ha, ha, ha”, lachte Marholm, „o, inspecteur, die vervloekte rheumatiek.…..”

„Maak mij toch niet zoo verschrikt! Roep dan liever: Au!”

„Dat gaat niet!” antwoordde de Vloo. „Als ik „au!” roep, dan maak ik weer kladden!”

„Nu—verder!” sprak Baxter, hoofdschuddend.

„Ik zal Donderdag gedurende het diner in hotel Cecilia de eer hebben, persoonlijk met u kennis te maken en verblijf hoogachtend

Baxter,

Inspecteur van politie, chef van het hoofdbureau Scotland Yard.”

Met een tevreden glimlach nam Baxter nu den brief van de schrijftafel, las hem nog eens door, sloot hem in een couvert en sprak:

„Schrijf nu het adres.”

„Ja, mijnheer de voorzitter,” knikte de Vloo.

„Wat?” vroeg Baxter. „Hoe noemt gij mij?”

„Wel, gij zijt nu immers: Voorzitter der Vereeniging voor deugd en zedelijkheid?”

„Zeer zeker,” antwoordde Baxter, „maar nog buiten dienst!”

„Juist!” lachte de Vloo, „dat had ik bijna vergeten! Met den dienst hebben deugd en zedelijkheid niets te maken!”

„Gij kunt wel heengaan!”

Met deze woorden draaide Baxter hem den rug toe en met een vlugheid, die volstrekt geen rheumatiek deed vermoeden, nam Marholm zijn jas van den kapstok en ging heen.

Eenigen tijd later verliet ook de tweede voorzitter der Vereeniging ter bevordering der goede zeden het hoofdbureau van politie, om den brief persoonlijk op de post te bezorgen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings