← Table of contents
Lord Lister No. 0046

Een feestavond.

Reading edition

In hotel Cecilia was in een der zalen de tafel gedekt voor de leden van de Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland en de gasten zaten in feestgewaad met witte, driekantige mutsen op het hoofd, witte schorten, waarop in gouden letters „deugd” was geborduurd en witzijden, breede linten over de borst, waarop in roode zijde het woord „zedelijkheid” was aangebracht, rondom de tafel, aan wier hoofd het eerelid de hertog van Norfolk, presideerde.

Aan zijn rechterzijde zat de voorzitter, Sir Edward Harper en daarnaast de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard.

Om de vergadering te openen nam de voorzitter het woord en hield, onder diep stilzwijgen der aanwezigen, de volgende rede:

„Hooggeachte leden van onze Vereeniging!

„Ik heet u allen welkom en ben verheugd, dat gij in zoo grooten getale zijt verschenen om door trouwen arbeid ons werk voort te zetten.”

Een algemeen handgeklap volgde op deze woorden.

Daarop vervolgde hij:

„Gij ziet hier aan mijn zijde den hooggeachten inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, op wien onze keus is gevallen voor de functie van tweeden voorzitter onzer Vereeniging.”

Wederom weerklonk luid en langdurig applaus, waarop Baxter gevleid boog.

De president veegde met zijn servet het zweet van zijn vet gezicht en keek met een vriendelijk lachje, zoodat zijn wangen nog dikker schenen, naar Baxter, terwijl hij sprak:

„Ja, hooggeachte heeren leden! Onze keus is een uitstekende geweest, want Sir Baxter heeft, hoewel hij niet behoorde tot onze Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland, reeds oneindig veel goeds gedaan.

„Gij weet, dat hij onze theaterstukken heeft te beoordeelen, dat de censuur bij hem berust, dat hij moet beslissen, of een dergelijk stuk zedig en niet van verderfelijken invloed is.

„Wij danken onzen hooggeachten inspecteur Baxter de betere handhaving der censuur in Engeland en wij hebben het steeds vol vreugde aangezien, wanneer wederom een van de vele stukken, die voedsel geven aan de wellust en de echtbreuk in de hand werken, of wel een loflied zingen voor de ondeugd, verboden werd.”

„Bravo! Bravo!” klonk het van alle kanten en Baxter maakte weer een diepe buiging.

„Het is te hopen,” vervolgde de president, „dat wij onder de leiding van inspecteur Baxter nog strenger en energieker onzen veldtocht tegen de onzedelijkheid zullen kunnen houden.

„In de eerste plaats moet op krachtige wijze gestreden worden tegen de vergiftiging van onze jeugd, van politiewege moet toezicht worden gehouden op de lectuur voor onze jongens en meisjes.

„Hoeveel kwaad wordt hierdoor berokkend?

„Een geheel leger misdadigers wordt telken jare op deze wijze aangekweekt.

„Inspecteur Baxter zal dit wel met ons eens zijn en zijn ervaringen in Scotland Yard zullen het bewijs leveren— — —

„Niet waar, inspecteur?”

Baxter had slechts met een half oor naar de laatste woorden geluisterd en antwoordde met een vriendelijk lachje:

„Gij hebt gelijk, mijnheer de voorzitter. Bij mij in Scotland Yard worden dergelijke boeken ook gelezen”.

Doodelijke stilte volgde.

Het gelaat van den president geleek op dat van zijn Chineesch afgodsbeeld, toen hij vroeg:

„Hoe, mijnheer de inspecteur! versta ik u goed? Men leest ze bij u in Scotland Yard?”

Eerst nu bemerkte Baxter, dat hij zich op glad ijs had begeven.

„Ja!” knikte hij en vervolgde: „Helaas! Men leest ze!”

„O, wat een schande!” zuchtte de president en de geheele vergadering zuchtte.

Daarop vroeg Sir Harper:

„En de misdadigers, die gij gevangen neemt …?”

De Vloo zou gezegd hebben:

„Eerst moeten wij ze te pakken kunnen krijgen.”

Maar Baxter antwoordde:

„De misdadigers worden allemaal achter slot en grendel gebracht!”

„Neen, neen,” sprak de president, „ik bedoel of die misdadigers ook dergelijke boeken lezen?”

„Welneen, dat is onmogelijk,” antwoordde Baxter, „ik kan u bezweren, mijne heeren, dat zij dergelijke boeken niet te lezen krijgen. Zulke lectuur is in de gevangenisbibliotheek niet voorhanden.”

„Gij begrijpt mij verkeerd,” riep de president uit. „Ik wensch te weten, of de gevangenen niet vóór hun arrestatie die boeken hebben gelezen en daardoor op het slechte pad zijn gekomen. In de laatste verhandelingen van de politiebladen gaven de misdadigers het lezen van dergelijke boeken steeds op als verontschuldiging voor hun daden.”

„Dan liegen die kerels,” sprak Baxter, „want nog pas eenige dagen geleden vertelde mijn secretaris mij, dat hij tot zijn groote ergernis die boeken altijd moest koopen. Geen enkele van de schurken, die opgebracht werden, had er een bij zich.

„Ik moet bovendien den geachten voorzitter op dit punt tegenspreken!

„Mijn beambten zijn ontegenzeggelijk nette menschen en lezen toch, zooals ik nogmaals moet constateeren, bij voorkeur spannende verhalen. In alle bureaux van Scotland Yard vind ik ze.”

„Dat is merkwaardig. Daarvan wisten wij niets,” merkte Sir Harper verbaasd op. „Die misstand moet onmiddellijk worden opgeheven, inspecteur! Uw beambten moet leerzame en hoogstaande lectuur worden verstrekt. Wij zullen u morgen uit onze bibliotheek een groot aantal van zulke boeken doen toekomen!

„En om nu op een ander onderwerp over te gaan: door Zijne Hoogheid den hertog van Norfolk is de volgende wensch geuit:

„De hertog beveelt om het dorp Sandram in Schotland onder streng politietoezicht te stellen, opdat er een eind kome aan de daar heerschende ontucht.”

„Wat is daar dan voorgevallen?” vroeg een der leden, die aan het ondereind van de tafel zat, waarna alle aanwezigen in een luid gelach losbarstten.

„Sir,” antwoordde de president, „weet gij niet, dat uit het dorp Sandram alle minnen voor het geheele koninkrijk komen? Hebt gij nog nooit een min noodig gehad?”

„Neen, het spijt mij, maar ik ben ongehuwd,” antwoordde het lid der Vereeniging.

„Dus,” vervolgde de voorzitter, „het kweeken van minnen, of liever de ontucht moet eindigen in dat dorp.”

„Ja, maar,” opperde een der leden, „wat moet men dan doen, als men er een noodig heeft in zijn familie?”

Nu stond de hertog op, klemde zijn monocle in de holte van zijn rechteroog en sprak langzaam en op plechtigen toon:

„Sir, dan behelpt men zich zonder min. Er zijn, zooveel middelen, welke dagelijks worden geannonceerd, dat het ten eenemale overbodig is, een kind door een min te laten grootbrengen. Ik verzoek nogmaals de geachte vergadering om mijn wensch, de minnen uit te roeien, te willen vervullen.”

„Laten wij het voorstel van Zijne Hoogheid in stemming brengen,” sprak de voorzitter.

Voor dit doel moesten de leden, die er vóór waren, van hun zetels opstaan.

Allen verhieven zich.—

Ook de ongehuwden.

Zijne Hoogheid knikte met een tevreden glimlachje en de voorzitter sprak:

„Het voorstel van Zijne Hoogheid is met algemeene stemmen aangenomen.

„Als verder onderdeel onzer besprekingen komen de advertenties in de kranten aan de orde en moeten wij een wet in het leven zien te roepen om hieraan een einde te maken.

„Geheele pagina’s onzer dagbladen zijn gevuld met afschuwelijke onzedelijkheid.

„In de eerste plaats zijn het de advertenties van onze gummifabrikanten, verder die betreffende geneesmiddelen voor allerlei geheime ziekten, gevolgen van jeugdzonden en dergelijke, in de derde plaats de advertenties, waarin men onze dames een schoonen boezem wil bezorgen.

„Ik bid u, mijne heeren, werkt niet reeds het woord boezem onzedelijke voorstellingen op?

„Men kan gerust aannemen, dat dergelijke aankondigingen verderfelijk op onze jeugd werken en aanleiding geven tot allerlei ondeugden.

„Er moest dus voor gezorgd worden, dat door de een of andere wet deze advertenties worden verboden en dat de kranten, die ze toch publiceeren, met een hooge geldboete of met de gevangenis worden gestraft. Ik verzoek u, dit voorstel in stemming te willen nemen”.

Weer stonden alle aanwezigen op.

De president vervolgde:

„Zeer zeker zijn de kranten—uitgezonderd de berichten omtrent het hof en de politiek—het verderf van onzen tijd. Alle soorten misdaden, ik noem bijvoorbeeld de vergoding van John Raffles— — —”

„Zeer juist!” riep Baxter uit.

De president zag zich genoodzaakt om te herhalen:

„De vergoding van John Raffles. Het beschrijven van allerlei wandaden is gevaarlijker dan alle mogelijke sensatieromans, want bij deze laatste twijfelt men er aan, of dat, wat men leest, tot de mogelijkheden behoort, maar wat in de kranten staat, is helaas werkelijkheid.

„Ik bid u, mijne heeren, welken invloed moet het hebben op het karakter van een jong meisje van tien jaar, wanneer het des morgens in de kranten leest over een vergrijp tegen de goede zeden of op een jeugdigen knaap, die op de hoogte wordt gesteld van de intimiteiten uit het particuliere leven van de een of andere hooggeplaatste persoonlijkheid! Is het niet waar, mijne heeren, dat is een groot schandaal, het is publieke onzedelijkheid, welke voor iedereen te lezen staat.

„Aan dit alles moet een einde worden gemaakt en daarover wenschte ik te beraadslagen.”

De hertog stond op en allen luisterden vol eerbied.

„De oplossing van dit vraagstuk zou heel eenvoudig zijn”, sprak hij, „wanneer er geen misdaden meer gepleegd werden.”

„Bravo! bravo!” riepen de aanwezigen, terwijl de spreker weer plaats nam.

„Heeft nog iemand zijn oordeel hierover uit te spreken?” vroeg de voorzitter en daar niemand het waagde, na den hertog nog iets in het midden te brengen, verklaarde de voorzitter het zakelijke gedeelte voor afgedaan en gaf tot algemeene vreugde het teeken om te gaan eten.

Met een honger als wolven wierpen allen zich op de voorgediende spijzen.

Na korten tijd stond de hertog op en verliet het gezelschap.

Eerst nog had hij Baxter, als hooge onderscheiding, een handdruk gegeven en deze voelde zich hierdoor zoo vereerd, dat hij vol diep respect naar zijn hand keek.

Nadat de hertog was vertrokken, begon volgens Engelsch gebruik een zwelgpartij. Het was reeds na middernacht, toen Baxter, arm in arm met den president, het hotel verliet om zich op straat te begeven.

„Gaat gij al naar huis?” vroeg Sir Harper den inspecteur.

„Ik ben gewend”, antwoordde deze, „bijtijds te gaan slapen. Mijn dienst is inspannend!”

„Kom!”, lachte de president, „dan maakt gij heden een uitzondering. Ik ken hier in de buurt een klein Fransch restaurant, waar uitstekende champagne wordt geschonken en waar men zich kostelijk amuseert. Gij moet dat leeren kennen.”

„Natuurlijk!” antwoordde de chef van Scotland Yard, „als gij erop gesteld zijt, dat ik u vergezel. Ik ben geen spelbreker.”

Zij behoefden niet ver te loopen en gingen van het Strand een kleine zijstraat in. Zij bleven staan voor een huis, waaraan in geen enkel opzicht te zien was, dat er nog leven in heerschte.

Aan de deur bevond zich een ouderwetsche klopper, dien zij meermalen in beweging moesten zetten.

Na eenig wachten werd de deur geopend en een oude man, die er uitzag als een kamerdienaar, maakte een buiging en sprak in het Fransch:

„Goeden avond, heeren!”

Daarop gingen zij binnen, terwijl de bediende de deur geruischloos achter hen sloot.

Beide heeren ontdeden zich in de deftig ingerichte, met zware tapijten belegde voorkamer van hun overjassen en Baxter hoorde het gedempte lachen van vrouwenstemmen, het klinken van wijnglazen en de zachte, welluidende tonen van een Zigeunerkapel.

Baxter keek verbaasd om zich heen, wat de president zag.

„Ja, ziet gij, mijn waarde”, sprak deze, terwijl hij voor een der spiegels zijn haar in orde maakte, dat zich uiterst spaarzaam op zijn spiegelgladden schedel vertoonde, „telkens na zulk een vermoeiende vergadering voel ik er behoefte aan, mij een kleine afleiding te gunnen. Ik verzeker u, dat gij u heerlijk zult amuseeren in dezen kleinen tempel.”

Hij nam Baxters arm, de kamerdienaar, die eerbiedig bij een met Perzische gordijnen versierde deur stond, sloeg de portières terug, opende een kleine vleugeldeur en beide heeren traden een salon binnen.

Daar wachtte een andere bediende, die ook een buiging maakte en hun tegelijkertijd een zilveren blad voorhield.

„O, drommels”, mompelde Baxter, „ik heb geen visitekaartje bij mij.”

De president lachte.

„Een visitekaartje? Neen, mijn waarde, dat is ook niet noodig, maar een bankbiljet van een pond. Mocht gij er geen bij u hebben, dan ben ik bereid, u er aan te helpen.”

Terwijl de inspecteur zijn portefeuille te voorschijn haalde om het verlangde geld op het blad te leggen, fluisterde hij:

„Tot welk doel betaalt men hier?”

„Dat zult gij dadelijk in de zaal wel zien. Ik verzeker u, mijn beste heer, dat het er heerlijk is.”

Hij trok Baxter met zich mee.

De portière van een tweede deur werd weggeslagen, een vleugeldeur geopend en beide heeren traden een schitterend verlichte zaal binnen, waar bij de muziek van een kleine kapel verscheiden paren dansten, terwijl rondom aan de muren uit een menigte nissen het vroolijke lachen en schertsen van dames en heeren weerklonk.

Overal brandden roode lampen en stonden rijk bekleede fauteuils.

Eenige der intiemste plekjes waren door blauw fluweelen gordijnen aan de blikken der gasten onttrokken, andere waren half of gedeeltelijk geopend en Baxter zag daarin alleenzittende dames, die hem met haar waaier wenkten en hem allerliefst toelachten.

De president scheen hier een bekende persoonlijkheid te zijn.

„Er moeten hier een paar nieuwelingen zijn”, fluisterde hij den inspecteur toe. „Luister naar mijn raad en neem niet een der oudjes. Ziet gij daarginds dat kleine zwartje, dat is een nieuwe. Hoe vindt gij haar? Of houdt gij meer van blondines met rijpere vormen?”

Baxter wist van verbazing niet wat hij zou antwoorden.

Zonder dat hem verder iets werd gevraagd, schoof de president hem naar een dame en sprak:

„Lady, het zal dezen heer een genoegen zijn, met u te soupeeren.”

Hij zelf verdween in een der nissen.

Toen de inspecteur vele uren later in een cab naar huis reed, had hij zooveel champagne gedronken, dat hij in de beste stemming zachtjes zong en eerst toen hij thuis was, herinnerde hij zich, dat hij om 6 uur des morgens dienst had en dat het nu tien minuten vóór 5 was.

Zoo goed als het hem mogelijk was, trok hij zijn frack uit en kleedde zich in zijn dienstjas.

In hetzelfde rijtuig, dat hem naar huis had gebracht, liet hij zich naar het hoofdbureau van politie brengen.

De Vloo had juist een kopje morgenkoffie voor zich staan en een pijpje gestopt, toen Baxter binnentrad. Hij had moeite, op de been te blijven en liep waggelend naar zijn schrijftafel.

„Wel, inspecteur”, riep de Vloo lachend, „waar komt gij vandaan?”

„Gij moet mij vervangen”, stotterde zijn chef met moeite. „Gij weet immers, dat ik vergadering had van de Vereeniging voor ontucht van minnen en gummi-artikelen—en—en—en— — —”

Marholm lachte luidkeels, maar antwoordde niet.

„Ik zal u later alles vertellen.….. voorloopig moet ik slapen, mijn lieve Marholm.”

Hij liet zich door de Vloo naar de kleine kamer naast het bureau brengen, waar een lederen sofa stond en nauwelijks lag hij, of hij sliep ook al.

Marholm echter sprak tot zichzelf:

„Jammer, dat John Raffles den inspecteur van politie niet heeft gezien; wat zou hij een pret hebben gehad!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings