POPPELMANS VERDEDIGING.
Reading edition
De oude rentenier August Poppelman was reeds jaren lang lid van den gemeenteraad, een bewijs, dat zijn medeburgers veel verwachting van hem hadden.
Of hij echter bijzonder nuttig was in die functie, daarover bestond wel eenige twijfel en vooral bij de regeering, die een decoratie, waarmede zij anders vrij kwistig was, tot groot leedwezen van Poppelman van jaar tot jaar uitstelde.
Alle andere burgervaders hadden een lintje in hun knoopsgat en dit feit hinderde den eergierigen man meer dan hij kon zeggen.
Tevergeefs pijnigde hij zich de hersens met de vraag, hoe hij het klaar zou kunnen spelen om in het bezit te geraken van een zichtbare onderscheiding.
Ten slotte werd hij zwaarmoedig en hij besloot, niet meer over de zaak na te denken, daar hij vreesde dat zijn geestvermogens er onder zouden gaan lijden.
Poppelman was ongetrouwd en ongeveer vijf en vijftig jaar.
Hij had als huishoudster een vrouw, die ongeveer tien jaar jonger was dan hijzelf en die in deze betrekking haar zilveren jubileum reeds had gevierd.
De regeering had haar voor deze jarenlange trouwe plichtsbetrachting een zilveren medaille verleend, die als zichtbaar bewijs van hooge onderscheiding aan een lint van de nationale kleuren om den hals gedragen moest worden.
Deze medaille wekte van af het eerste oogenblik de jaloezie op van haar heer en daardoor was hij niet zelden in een slecht humeur.
„Het zou eigenlijk het beste zijn, als ik Caroline liet heengaan,” bromde de ontevredene bij zichzelf, „maar dat gaat ook weer niet, want welk een plaatsvervangster zou ik krijgen voor die uitstekende keukenmeid! Neen, ik moet iets anders uitvinden, om uit deze moeilijkheden te geraken!”
En hij vond inderdaad een anderen uitweg—hij deed Caroline een huwelijksvoorstel, wat natuurlijk werd aangenomen en weldra mocht hij haar zijn echtgenoote noemen.
Al kwam hij op die manier ook nog niet zelf in het bezit van een decoratie, toch gaf het hem een zekere voldoening, te kunnen zeggen, dat een lid van zijn familie zich in een dergelijke onderscheiding mocht verheugen.
Daar hij verder met zijn „jonge vrouw” in gemeenschap van goederen leefde, maakte hij langzamerhand zichzelf wijs, dat hij mede-eigenaar was van de zilveren medaille.
Het gevolg hiervan was, dat hij weldra zijn vrouw verzocht, op de even dagen van de maand de medaille onder zijn kamerjapon thuis te mogen dragen, hetgeen zijn echtgenoote onmiddellijk goed vond.
Zijn dankbaarheid voor dezen dienst trachtte hij te bewijzen door Caroline een nieuwe zwaar zijden japon te koopen, waardoor zijn vrouw zoo geroerd was, dat zij hem uit eigen beweging het eereteeken ook op de oneven dagen in bruikleen gaf.
Zoo liep Poppelman dag aan dag vol trots met de medaille om den hals in zijn woning en in den tuin rond; kwam er iemand, dan wist hij haar dadelijk heel handig te verbergen.
Op den duur beviel hem die geheimzinnigheid met het kleinood in het geheel niet en hij overlegde bij zichzelf, of hij niet eens zou probeeren, zich er ook in het openbaar mee te vertoonen.
Deze gedachte schoot al meer en meer wortel in zijn brein en hij besloot om bij de eerstvolgende gelegenheid het plan uit te voeren.
Ter gelegenheid van den verjaardag van den vorst was er, zooals vanzelf sprak, een diner ten stadhuize, waaraan de voornaamste ambtenaren en de aanzienlijkste personen der stad deelnamen.
„Dat is een dag,” vond Poppelman, „waarop bij het gewoel der gasten, die meer of minder voorname decoraties zullen dragen, niet bijzonder wordt gelet op leege of versierde knoopsgaten en daarom zal ik het dan maar eens probeeren, om op het diner te verschijnen met de „familiemedaille.””
Op het gewichtige uur trok het gemeenteraadslid den rok aan, in welks middelste knoopsgat het lintje op kunstige wijze was bevestigd, zette zijn hoogen hoed op en begaf zich naar de feestzaal.
Was hij in den beginne niet erg op zijn gemak, langzamerhand kalmeerde dat onbehagelijke gevoel, toen hij in de volle, groote zaal van het raadhuis binnenkwam, waar iedereen bezig was, de voor hem bestemde plaats aan de gereedstaande tafels uit te zoeken.
Het feest verliep prachtig en Poppelman had er verbazend veel pleizier in, dat hij zoo’n goed idee had gehad, want met een knoopsgat zonder lintje zou hij zonder twijfel tusschen al die deelnemers met sterren en ridderorders opzien gebaard hebben.
Eindelijk kwam de toast op den hoogen jarige en Poppelman, die al in een bijzonder vroolijke stemming geraakte, gevoelde zich gedrongen, evenals de meeste aanwezigen deden, met den burgemeester, die het feest leidde, te klinken.
De burgemeester, een bekende kenner van ordeteekens, trok een verwonderd gezicht, toen Poppelman „met het kruis” bij hem kwam, maar hij zei niets, en schreef eenige woorden in zijn notitieboekje, waarbij hij onwillekeurig eventjes glimlachte.
In allergenoeglijkste stemming keerde Poppelman na afloop van het feest naar huis terug, vastbesloten, omdat nu toch alles goed van stapel geloopen was, zich in het vervolg meer met die versierselen op straat te vertoonen.
Toen hij den volgenden morgen opstond en hij zich een beetje katterig voelde, kleedde hij zich aan en liep naar den tuin, omdat de frissche lucht hem goed zou doen.
Nauwelijks had hij een half uurtje rondgeboemeld, toen de postbode kwam en hem een groote enveloppe overhandigde.
Nieuwsgierig keek de ontvanger er naar en opende het daarna.
Er kwam een gedrukt formulier uit, dat de oproeping bevatte om zich ’s middags om 5 uur op het raadhuis te vervoegen voor decoratie-aangelegenheden.
„Ha! Het kan slechts zijn om mij een ridderorde te verleenen!” riep Poppelman vroolijk uit. „Dat moet ik dadelijk aan Carolientje vertellen. Ja, ja, wat in het vat is, verzuurt niet. Waarschijnlijk wordt het meteen een Leeuwtje!”
Bij die woorden snelde hij in huis om zijn vrouw, die stond te koken, zijn geluk het eerste te melden.
„August,” weerklonk de waarschuwende stem der kookkunstenaresse, „ik heb zoo’n flauw vermoeden, dat je iets onaangenaams te wachten staat.”
„Jij zult mijn heele pleizier nog bederven,” bromde August op verdrietigen toon.
Als een verheugd kind begaf hij zich naar de burgemeesterskamer.
Wat zouden al de menschen wel zeggen, als hij met een schitterende ridderorde op zijn borst voortaan door de stad zou paradeeren.
Lang voor den vastgestelden tijd landde hij reeds aan op het stadhuis.
Daar werd hem gezegd, dat de burgemeester hem reeds wachtte.
De bode bracht hem naar de kamer, waar hij moest wezen en daar zat zijn edelachtbare achter een groot bureau te pennen. Toen Poppelman binnenkwam stond de burgemeester op en sprak:
„Het spijt mij, dat ik u bij mij heb moeten laten ontbieden, maar ik heb gisteren bij het feestdiner opgemerkt, dat ge een ordeteeken draagt, dat slechts wordt uitgereikt aan dienstboden, die al vele jaren trouwe diensten hebben verricht in een en dezelfde huishouding. En daar het hier om een strafbaar feit gaat, zou ik gaarne eenige opheldering wenschen.”
Den armen Poppelman rezen de haren ten berge, maar hij vermande zich en begon:
„Waarde burgemeester, ieder mensch heeft zoo zijn eigenaardig zwak en daarvan ben ik niet vrij gebleven. Het bezit van de een of andere ridderorde is steeds mijn stokpaardje geweest. Ge kunt u voorstellen, hoeveel verdriet het mij heeft veroorzaakt, dat mijn knoopsgat steeds leeg is gebleven. Toen kwam ik op het denkbeeld, om de medaille van mijn vrouw te dragen. Ik deed dat in het begin eerst heimelijk in huis of in den tuin, maar toon de feestdag van gisteren kwam, werd het verlangen mij te machtig en bevestigde ik de medaille in mijn knoopsgat. Ik vond het zoo’n akelig denkbeeld, om onder al de gedecoreerde gasten de eenige te zijn, die zonder lintje prijkte. Als eenige verontschuldiging zou ik dan verder nog willen aanvoeren, dat man en vrouw één zijn en dat wij in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Ik beken hier volkomen, dat ik heb gezondigd en ik beloof u om in de toekomst dit eigendom van mijn vrouw niet meer als het mijne te beschouwen. Ik weet, dat er gestraft moet worden, en ben dan ook terstond bereid om een flinke som in de armenkas te storten.”
De burgemeester had met aandacht geluisterd. Daarna verklaarde hij op vriendschappelijken toon, dat het wel niet zoo’n vaart zou loopen.
Poppelman begaf zich daarna naar de secretarie om de vastgestelde som in de Armenkas te storten, innerlijk tevreden, dat de zaak deze wending had genomen.
De burgemeester moest intusschen wel zeer veel goeds van Poppelman gesproken hebben, want 2 maanden later kreeg hij bericht dat er op het stadhuis een ridderorde voor hem gereed lag.
Terstond snelde hij naar de burgemeesterskamer, waar zijn Edelachtbare hem eigenhandig de ridderorde op de borst spelde en er tevens op schalkschen toon bijvoegde, dat deze onderscheiding niet voor Mevrouw Poppelman bestemd was.