← Table of contents
Lord Lister No. 0006

IN HET HOL VAN DEN CYCLOOP.

Reading edition

In het donkerste Londen, aan het eind van een duistere, morsige zijstraat, staat een oud, vervallen huis.

Door de vensters, waarvoor geen gordijnen hangen, kijken dikwijls woeste, ruwe gezichten, als schelle hulpkreten door de straat snerpen.

Dan luisteren die woestaards om te spieden of iets van hun gading is, en even later verdwijnen de gelaatstrekken weer.

Iederen nacht vallen er slachtoffers in deze straat, maar nooit komt iemand de bedreigden te hulp, die in een donkeren hoek worden gelokt en dan worden uitgeschud en vermoord.

Ontelbare boeven hebben hier hun schuilplaatsen in de vele kroegen. Ook in het oude huis op den hoek, voert een oude vervallen wenteltrap naar een kelderwoning, waar een kroeg wordt gehouden.

Een goedgekleede jongeman was juist de trappen afgedaald.

Beneden gekomen klopte hij drie keer aan.

Onmiddellijk werd een grendel terzijde geschoven.

Een luid hallo! begroette den binnentredende, die de pet van het blonde hoofd nam.

„Alle drommels, oude jongen, slaap je? Zeg Cycloop, geef nu gauw een whisky!”

De eenoogige herbergier haastte zich te brengen wat hem gevraagd werd, terwijl allen, die in de kroeg aanwezig waren in een kring zich schaarden om den blonden jongen.

Nu verscheen de Cycloop met de gevulde glazen.

Uit een ruw, onverschillig gelaat staarde een grijs-groen oog met bloederige randen uit de holte. De gladgeschoren vierkante kop stond op een langen hals. Zijn gestalte was hoog en stevig. Allen stootten aan.

„Dat is een goede dag, kerels,” riep een klein mager mannetje uit. „Eerst heeft Zwarte Samuel een rondje gegeven, en nu zet Blonde Jimmy de kroon op het werk. Lang leven Blonde Jim en Zwarte Sam!”

Ze stootten nogmaals aan.

„Vertel eens op kerel, hoe ben je aan de duiten gekomen? Heb je ergens een lade gelicht?”

De anderen brulden van pret.

„Pas op,” riep Jim, „hou je bek, of ik sla er op.”

„Ga zitten, Jimmy,” suste de Cycloop, „en vertel ons de geschiedenis van je mazzematten. Of wil je die bron net zoo geheim houden als Zwarte Sam?”

„Ja, ik zal het jullie vertellen.” En Jim sprong op de massief eikenhouten tafel.

„Ik zat dan weer eens voor den zooveelsten keer in nieuwe moeilijkheid en keek voortdurend te vergeefs uit naar een goed zaakje.

„Ik ging wat bungelen voor de Washington-Street. En terwijl ik in de winkelvensters mijn mooie beeltenis sta te bewonderen, krijg ik plotseling een fijn idee. En nauwelijks is dat idee in mijn kop, of ik moest het ook uitvoeren, want het jeukte in al mijn vingers.

„Vroolijk zwaaide ik mijn wandelstokje en neuriede een wijsje, terwijl ik een kleinen winkel binnentrad.

„Met voorbedachten rade had ik geen groote zaak uitgekozen, omdat ik liefst zoo weinig mogelijk toeschouwers wenschte. Ik had mij er van overtuigd, dat binnen in den winkel slechts één persoon zich bevond, een jongen, met een gezicht vol zomersproeten en melkboerenhondenhaar.

„Dus ging ik binnen.”

„Wat verlangt mijnheer?”

Met deze woorden kwam de sproetige naar voren.

Lachend zette ik mijn cylinder op de toonbank. „Doe dien vol stroop,” beval ik.

Hij keek me verbluft aan, en scheen aan mijn verstand te twijfelen.

„Gauw een beetje,” zei ik, „het gaat om een weddenschap. Hier vlak bij, in Waterloo-Hotel! Gauw wat, ik heb geen tijd.”

De sproetige grijnsde over zijn geheele gezicht.

„Maar meneer, die mooie zijden hoed!”

„Dat komt er niet op aan,” zei ik, „de weddenschap brengt me heel wat meer op.”

Hij grijnsde met een mond, die tot zijn ooren wegtrok en begon achter de toonbank den hoed met de kleverige stof te vullen.

„Wat kost het?” vroeg ik.

„Precies een schilling”, antwoordde hij.

Ik legde een banknoot van een pond op de toonbank, die ik even tevoren een dame had gerold.

Langzaam trok hij de geldla open om mij terug te geven, maar in hetzelfde oogenblik greep ik den hoed vol stroop en stolpte hem dien krachtig over het hoofd!

Ik verzeker jullie, jongens, dat het een allemachtig lollig gezicht was.

Fluks haalde ik het geld uit de la, greep de pet van den jongen, die aan een spijker hing en maakte mij uit de voeten.

De kerel kon niet schreeuwen, zijn mond was hem dichtgekleefd met een lekker zoet pleistertje en zien kon hij ook niets, want voor zijn oogen was het stikdonkere nacht!”

De luisteraars hadden af en toe den verteller onderbroken door luid gelach, waaraan dit keer schier geen eind scheen te komen.

„Hallo! Daar achter zit nog iemand!” riep Jimmy en inderdaad zat daar op een bank in elkaar gedoken, een eenzame gestalte.

„Zeg, Heinrich, zit je te spinnen?” brulde een pokdalige kerel, en een tweede voegde erbij:

„Zeg, Heinrich, met de gebeten wangen, treur je nog altijd om rooie Sien? Die komt toch niet terug!”

„Kom, drink eens leeg”, moedigde Jim hem aan, terwijl hij hem bij den arm greep.

Een somber, verstoord gezicht, op een der wangen een vreemd litteeken, als veroorzaakt door een menschenbeet, keek op.

„Wat is er met rooie Sien?” vroeg Jim.

„Die is er vandoor gegaan,” antwoordde een der anderen met ruwen lach, maar Charles, een monteur, verklaarde:

„Sien was Heinrichs liefje. Kort geleden hebben ze samen juweelen gestolen. Iederen dag hadden ze ruzie om de verdeeling van den buit, totdat rooie Sien een paar dagen geleden plotseling verdwenen is— —”

In hetzelfde oogenblik had een der kerels een gummistok opgenomen, die op tafel lag.

Hij hield het gevaarlijke wapen als een fluit voor den mond, en terwijl hij op smachtenden toon een bekend wijsje floot, begon Zwarte Sam te zingen:

„Ach, waar is zijn liefje gebleven,

Ach waar is zijn brave vrouw,

Lief Sientje heeft snood hem verlaten,

Zij bleef hem niet langer trouw!”

En de heele bende viel in koor in:

„Lief Sientje heeft snood hem verlaten

Zij bleef hem niet langer trouw!”

„Ellendelingen!” brulde de geplaagde, terwijl hij, de vuisten gebald, opsprong.

De toornader op zijn voorhoofd was hoog gezwollen, de verglaasde oogen schenen uit het hoofd te zullen vallen. Een dierlijke woede sprak er uit zijn trekken.

Hij vloog op Zwarte Sam af en greep hem in de keel.

„Halt!” donderde plotseling een doordringende mannenstem.

Verschrikt stoven allen uit elkander.

„De groote onbekende!” werd gefluisterd.

Hoog opgericht stond daar een slanke mannengestalte in elegant pak, het gelaat verborgen achter een zwart masker.

Weelderig donker haar kwam onder zijn cylinder vandaan. Zijn slanke gestalte gaf hem iets vorstelijks.

Zonder een enkel woord te spreken, keek hij dreigend van den een naar den ander, toen verdween hij.

De cycloop schonk aan het buffet verschillende dranken in en volgde toen den vreemdeling.

De anderen spraken slechts fluisterend.

Heinrich met de gebeten wang was al weer vergeten.

Daar kraakte de deur opnieuw.

„Jim en Jack, ga naar binnen”, meldde de cycloop.

Het tweetal haastte zich, aan dit bevel gehoor te geven.

Zij gingen de deur uit en kwamen in een donkere gang, waar zij vlak achter elkander loopend, voorzichtig voortschoven.

Matrozen-Jack scheen den weg beter te kennen dan Jim. Hij bracht den kameraad zwijgend door een doolhof van gangen.

„Zie je, Jack,” viel Jim eensklaps in, „’t is toch een groote eer voor ons, dat de chef juist ons liet roepen.”

„Hou je bek,” snauwde Jack.

Zij hielden stil voor een deur.

Jack klopte drie keer.

„Binnen”, klonk een metalen geluid.

Zij openden de deur en betraden een elegant gemeubelde kamer.

Op een tafel stonden de dranken, door den cycloop ingeschonken, voorts een nog onaangeroerd ontbijt, een flesch wijn en een kistje sigaren.

John Raffles, de gemaskerde, zat in een leunstoel.

„Goeden avond,” sprak hij.

Voor hem op tafel lagen klinkende, nieuwe inbrekerswerktuigen en in een hoek naast de kachel stond een groote, geopende koffer, waarin een zuurstofapparaat van de nieuwste vinding zich bevond.

„Gaat zitten,” zei Raffles met een uitnoodigende handbeweging.

Hij schoof het kistje sigaren naar het tweetal toe, dat zich bediende en dankend boog.

Eerst toen het tweetal rookend was, begon de meesterdief te spreken.

„Ik heb een grootsch plan,” begon hij, „waarbij ik een paar van jelui noodig heb.

„Hoe staat het met jullie instrumenten?”

Matrozen-Jack grijnsde.

Toen keek hij met begeerigen blik naar het werktuig, dat op tafel lag.

„Bij de laatste inbraak heb ik al mijn beste spulletjes er bij ingeschoten, chef!”

John Raffles nam een paar van de stalen voorwerpen en overhandigde ze den verheugden Jack.

Ook Jim werd van het noodige voorzien.

„En nu kunnen we overgaan tot de orde van den dag,” merkte hij op, „de plaats voor jullie werk is het huis van lord Montgomery. ’t Is te doen om kostbare familiejuweelen!

„De kast, die geopend moet worden, is van het allernieuwste systeem. Zij staat in het gewelf, dat in het sousterrain is gelegen. Morgen is er een groote partij, de nachtelijke uren tusschen elf en één is de beste tijd om den slag te slaan.”

Hij stond op en grendelde de deur.

Op fluistertoon ging hij toen verder.

Geruimen tijd later gingen de bezoekers weg, en door de donkere gangen bereikten zij al spoedig hun kameraden weer.

De handen op den rug, liep de groote onbekende de kamer op en neer.

Voor den koffer bleef hij toen staan en keek naar den inhoud.

„Wij zullen de familie Bassing weer in het bezit stellen van haar eigendommen, oude vrek”, mompelde hij tusschen zijn witte tanden.

Zijn oogen fonkelden achter het zwarte masker, zijn borst zwoegde.

Een zilveren pendule sloeg het middernachtelijk uur.

De kaarsen in de zilveren kandelaars flikkerden en wierpen onzeker lichtschijnsel op het schoone, zwart gemaskerde gelaat.

Buiten huilde de storm en de kleine keldervensters klapperden achter de kostbare gordijnen.

Raffles was naar de schrijftafel gegaan en ging er voor zitten.

Uit een ivoren kistje nam hij papier en enveloppen. Het was fijn, sterk—zwart papier. Links boven in den hoek waren twee, in goud uitgevoerde inbrekerswerktuigen als initialen door elkaar geslingerd en daaronder het gouden monogram J. C. R.

In den schedel van een doodshoofd die voor inktkoker diende, doopte hij een pen en met rooden inkt schreef hij op den zwarten ondergrond.

Daarna zegelde hij den brief en drukte op den knop van een electrische schel.

De Cycloop verscheen op den drempel.

„Post dezen brief!” beval Raffles op korten toon, „en laat Jim en Jack weer boven komen om proeven te nemen met het termit-apparaat.”

Een oogenblik later verscheen het tweetal opnieuw.

Een pantserplaat werd tegen den muur gezet en ijzeren, met zuurstof gevulde flesschen klaar gemaakt.

Een gummislang werd met den inhoud der flesschen in verbinding gebracht en het uiteinde aan een blaas bevestigd. Uit de zuurstof kwam een sterke, sissende vlam te voorschijn. Een gedeelte van de pantserplaat werd nu bestreken met termit, een smeltmiddel en de vlam op deze plaats gericht.

Spookachtig klonk het sissen der vlam en het boren der inbrekerswerktuigen door de stilte van den nacht.

„Moeten wij de ijzeren flesschen ook meenemen?” vroeg Jim den meesterdief op fluistertoon.

„Neen”, antwoordde deze kalm, „wij nemen alleen breekijzers, boren en schroeven mee.”

Er viel iets op den grond.

Uit den broekzak van Matrozen-Jack was bij het bukken een gummistok gegleden.

„Wat is dat?” vroeg Raffles. „Maak jij van zulke instrumenten gebruik, ouwe jongen? Pas op, Jack, wees voorzichtig! Doe geen dingetjes, die niet geoorloofd zijn in mijn dienst, want dan heb ik je niet meer noodig! Een laffe moordenaar behoort niet bij mijn mannen! Een menschenleven is ons heilig!”

De morgen daagde reeds, toen de mannen heengingen— —

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings