← Table of contents
Lord Lister No. 0006

DE HEKS VAN SUFFEX.

Reading edition

Jack en Jim snelden voort.

Toen zij, een eind achter het station, aan een kruisweg kwamen, namen zij afscheid van elkander en Jim ging in een droge sloot op den loer liggen.

Geen geluid werd gehoord.

Hij keek op zijn horloge. Het was kwart voor twaalf.

Daar kwam iemand langs de sloot, het was een oude vrouw.

Bliksemsnel sprong Jim op.

De oude deinsde verschrikt achteruit.

„Hallo! Oude heks, waar ga je naar toe?”

„Naar het kasteel, ik moet den mooien dames de toekomst voorspellen.”

In een oogenblik had Jim de oude gebonden en in de sloot gesleurd.

„Hou je bek, ouwe, of ik vel je neer. Geef mij dadelijk je bovenkleeren!”

Bevend aan alle leden ontdeed de vrouw zich van haar bonten halsdoek, jak en rok. Daarna knoopte zij ook haar hoofddoek af.

Jim nam alles op en begon zich te verkleeden.

Den hoofddoek trok hij diep in de oogen, daarna haalde hij een doosje okerextract voor den dag en wreef zijn gelaat daarmee in, zoodat hij niet meer van een oud zigeunerwijf was te onderscheiden.

Hij legde de oude vrouw gebonden neer en wierp zijn jas over haar heen.

„Ziezoo, ouwe draak, nu zul je tenminste niet bevriezen,” hoonde hij, „over een poosje krijg je je lompen terug!”

Hij ging den weg, dien hij gekomen was en een poosje later stond hij voor het huis van Montgomery, dat de oude als „het kasteel” had aangeduid.

Op de veranda zag hij twee heeren staan.

In de een herkende hij terstond Raffles en ook deze had hem opgemerkt.

Een lachje speelde om lord Listers schoon gevormden mond.

„Het wordt koel,” sprak de jonge grondeigenaar, „laat ons naar binnen gaan, voordat wij verkouden worden.”

„Verkouden? Het is hier zoo verrukkelijk mooi in dezen heerlijken zomernacht.”

Daar sloeg de torenklok met metalen slag het middernachtelijk uur.

„Hu! Het spookuur!” lachte Raffles.

„Nu zullen wij een grap beleven, als de oude Zigeunerin komt,” zei de ander.

Geluid van stemmen drong tot hen door.

„Zij schijnt er al te zijn, lord Hoensbrook! Gaat ge mee?”

„Maar natuurlijk!”

Arm in arm traden de heeren den salon binnen.

Daar wachtte hun een alleraardigste aanblik.

De lichten der gaskronen waren neergedraaid en in de zaal heerschte een schemerachtig licht, dat sprookjesachtig mooi werd, doordat de volle maan haar stralen liet vallen door de hooge vensters.

In een grooten kring waren de stoelen geschaard, waarop de gasten hadden plaats genomen.

De dames fluisterden en babbelden met elkander en keken evenals de heeren, in gespannen verwachting naar de deur.

„Is het een heusche Zigeunerin?” vroeg een dame aan lady Montgomery.

„Men heeft het mij verteld,” antwoordde deze, „ik heb haar niet gezien.”

Er werd op de deur geklopt.

„Binnen! Binnen!” klonk het uit een dozijn kelen tegelijk.

Een vrouw trad binnen, gekleed in bonte doeken.

Een oogenblik keek zij de zaal rond, toen naderde zij langzaam.

Gespannen stilte ontstond.

„Schoone dames! Trotsche heeren! Zladwiga, de heks van Suffex, brengt u den nachtelijken groet!” sprak zij.

„Goeden avond! Goeden avond!” klonk het vroolijk terug.

De dames waren, dol nieuwsgierig, opgestaan.

Zij verdrongen zich om de bonte gedaante.

Allen strekten haar de hand toe.

De zotste dingen werden verteld. Een dame, die al zes jaar getrouwd en moeder van drie kinderen was, moest hooren, dat zij spoedig zou vereenigd worden met den man harer keuze, en toen men de Zigeunerin vertelde, dat de dame al lang getrouwd was, maakte zij er zich met een grapje af.

„En wat is mijn noodlot?” klonk de sonore stem van Raffles, die ook bij de groep was komen staan.

„Laat uw hand zien!” beval de Zigeunerin.

Een oogenblik bekeek zij de fijne, blanke rechterhand van Raffles.

Toen sprak zij op plechtigen toon, nadat zij drie keer een kruis had geslagen:

„Je zult een rijk man worden!”

„Dat is hij al,” klonk een stem uit het gezelschap.

De pseudo-zigeunerin liet zich echter niet storen.

Zij sloot de oogen en sprak toen:

„Wat zie ik?

Er bloeit een blauwe bloem,

Een bloem van het geluk.

Zij bloeit voor u!

Voor u, schoone man!

Een engel met blonde lokken,

Een engel lief en rein,

Zal de uwe zijn!”

Allen verdrongen zich nu om haar.

„Zeg eens, heks, welk lot wacht mij?” vroeg de vette stem van Montgomery.

De heks nam ook zijn hand.

„O, wat zie ik?” riep zij plotseling uit, „arme, oude man.”

„Bedek je aangezicht!

Je toekomst in de doodkist ligt.

De wind huilt en blaast,

De storm woedt en raast,

Zilveren maneschijn.

Kijkt in kast,

Leeg is de kast,

Weg de gouden last.

Arme, oude heer,

Je bezit geen juweelen meer!”

„Wat is dat?” brulde Montgomery.

„Maar lord Montgomery, je gelooft die nonsens toch niet?” vroeg een oude generaal.

„Maar de brief! De zwarte brief! Dat is een wonderlijke samenloop van omstandigheden!”

Er volgde luid geschreeuw.

De heeren lachten om de dwaasheid en vonden het een kostelijke grap.

De dames lieten kleine gilletjes hooren en het slot was, dat men in optocht naar de kluis ging in het keldergewelf.

Vol spanning wachtten allen op de dingen, die komen zouden.

Eindelijk was de ijzeren deur bereikt.

Montgomery zocht in zijn zak naar den sleutel.

Hij was zenuwachtig geworden en vertrok krampachtig zijn gezicht.

Eindelijk vond hij den sleutel en stak dien in het slot.

Hij werd krijtbleek.

„Alle duivels! De sleutel past niet meer!”

„Ge ziet spoken!” kalmeerde een oud-militair, „ge windt u op voor niets!”

„Mag ik het misschien eens probeeren?” vroeg lord Hoensbrook op hoffelijken toon.

Montgomery trad achteruit.

Met ingehouden adem, inwendig schuddend van lachen, probeerde hij den sleutel om te draaien—tevergeefs.

„Dat is heel wonderlijk”, fluisterden de gasten.

„’t Is onmogelijk!” sprak een jong officier. „Laat mij het eens probeeren!”

Hij deed het.

Oók zonder resultaat.

„Misschien is de deur niet eens gesloten, duw er eens tegen”, ried de jonge grondbezitter.

De luitenant deed het.

„Krak!”

Daar vloog de deur al open.

Allen drongen binnen.

„Licht!” schreeuwde Montgomery, buiten zichzelf.

Dat werd gebracht en het bescheen het lijkbleeke gelaat van den detective, die nog altijd uitgestrekt op den grond lag.

De dames gilden nu verschrikkelijk.

Sommigen vielen flauw.

Lady Daisy, met marmerbleek gelaat, trad de kluis binnen en tastte rond.

„De juweelen!” stamelde zij, „groote God! Ze zijn verdwenen!”

Haar oogen sloten zich en zij zou zijn neergezonken als lord Hoensbrook haar niet ondersteund had.

„Bestolen! Bestolen!” brulde de lord. „Ik ben bestolen! Schandelijk beroofd! De juweelen, die hier geborgen waren, vertegenwoordigden alleen al de waarde van een half millioen!”

Bijna huilend van woede, als een gewond dier, vloog de oude lord van den eenen kant naar den andere.

„Ellendelingen!” schreeuwde hij tegen de bedienden, die met kaarsen het heele geval hadden bijgelicht. „Ellendelingen, zoo hebt jullie dus je plicht gedaan!”

In zijn razende woede trok hij hun de kandelabres uit de hand en slingerde ze hen naar het hoofd.

Gelukkig voor de beide mannen, misten de zware bronzen voorwerpen hun doel.

Zij vlogen rakelings langs hen heen en vielen kletterend op den grond neer.

„Steek het gas aan!” beval de lord.

Al de gasten hadden, in wijden kring geschaard, het geheele tooneel aangezien.

Een der heeren trachtte nu de vensters te sluiten.

Plotseling boog hij zich voorover en riep:

„De dieven zijn door het raam gekomen, dames en heeren. Kijk eens hier, de tralies zijn doorgevijld!”

Allen gingen thans naar de keldervensters toe om zich te overtuigen van deze brutale daad.

Terwijl het bovenbeschrevene voorviel in het keldergewelf van het prachtige huis, rende Jim in de kleeren van de oude zigeunervrouw naar de droge sloot.

De geknevelde vrouw lag daar nog in dezelfde houding.

Met een enkelen sprong was hij in de sloot.

„Het spelletje is uit, moedertje,” sprak de inbreker, terwijl hij de vrouw los bond.

„Ziezoo, trek nou je kleeren weer aan, hier heb je ook een hartig slokje en daar nog een kleinigheid voor je moeite!”

Jim haalde zijn beurs te voorschijn en gaf de oude een banknoot van tien dollar. Daarna rende hij weg.

Hoofdschuddend keek de oude vrouw hem na, toen bekeek zij den banknoot en ging naar haar armelijke woning.

In het groote heerenhuis werd intusschen over niets anders gesproken dan over deze brutale inbraak.

Ieder had er zijn meening over, zooals het steeds in dergelijke gevallen gaat, en eenigen van het gezelschap waren er van overtuigd, dat de oude heks meer van het geval wist.

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings