DE RHAPSODIE VAN LISZT.
Reading edition
„Wel, lord Hoensbrook”—onder dezen titel was John C. Raffles geïntroduceerd—„wat ge daar vertelt van naastenliefde en humaniteit zijn dwaze droomen van een idealist!”
Het was Montgomery’s vette stem, die deze woorden sprak, „dat zijn dingen, die niet meer thuis hooren in de huidige samenleving. Onze wereld is modern, menschenliefde is uit den booze. Gij zijt nog jong, gij kent de menschen nog niet! Ik voor mij ben het principe toegedaan om niet te veel te kijken naar links en naar rechts. Ik zorg voor mij zelven!”
En lord Montgomery streek eens langs zijn kalen schedel.
„Maar ik weet, lord Hoensbrook,” vervolgde de oude, „dat uwe levensprincipes heel andere zijn. Hoe komt dat zoo?”
„Omdat ik vind, dat egoïsme steeds berust op een minderwaardig karakter!”
„Zóó, meent ge dat? Laat ons daarover maar niet strijden. Ik zie, dat men aanstalten maakt om aan tafel te gaan en eerlijk gezegd, geef ik meer om truffels, oesters en champagne dan om de heele moderne wereldhervorming!”
Raffles deed zich alle geweld aan om hoffelijk te blijven.
„Ge moet niet al te zeer gesteld zijn op lekkere beetjes, lord Montgomery,” schertste hij. „Een aardig gezegde luidt:
„Verwen je buik niet al te zeer,
Hij is een ondankbare gast,
Als ge ’t lekkerste hem geeft
Is hij u ’t meest tot last!”
„Dat is waar, dat is volkomen waar—en ’t is heel aardig ook,” lachte lord Montgomery op kirrenden toon.
Zij voegden zich bij de andere gasten.
Alle kamers waren helder verlicht.
Geluidloos liepen de bedienden af en aan.
Alle gasten schenen aanwezig te zijn.
Montgomery gaf alleen dergelijke feesten, omdat zijn mooie, jonge vrouw erop aandrong. Gastvrijheid behoorde nu eenmaal niet tot zijn deugden.
Vele dames waren aanwezig, doch de schoonste van alle was verreweg lady Daisy.
Haar lang, slepend gewaad van zeegroene zijde was geborduurd met zilveren waterlelies. Haar schoone, weemoedige oogen zochten lord Lister.
Hij was de aangebeden lieveling der vrouwen en ook hedenavond weer was hij het middelpunt der dames.
Na het diner ging het gezelschap naar de muziekzaal, waar een heerlijke Bechstein-vleugel tot spelen noodde.
Lord Lister was naar den rooksalon gegaan, waar hij een Havanna opstak.
Daarna betrad hij het balkon. Haastig keek hij rond en boog zich toen voorover.
Van buiten af klonken, op meesterlijken toon gefloten, de eerste maten van de bekende Hongaarsche Rhapsodie van Liszt.
In de schaduw tegen een palm geleund luisterde hij en toen de tonen ophielden, floot hij klaar en duidelijk de melodie verder.
Daarna ging hij naar de muziekzaal terug, waar op levendigen toon werd gedebatteerd over Sonaten van Beethoven en Wagneriaansche muziek.
Een oogenblik luisterde hij zwijgend, daarop wendde hij zich tot een der hem omringende dames.
„Zult gij ons niet eens het genoegen verschaffen, lady Mountleroy, om iets voor ons te spelen?”
„O”, lachte de dame, „ik speel afschuwelijk!”
„Vischt ge naar complimentjes, madame?” vroeg hij, zich vooroverbuigend en de dame in de oogen kijkend.
„Neen, o, neen, ik haat vleierij, lord — —”
„Lord Hoensbrook!” smeekten thans wel twintig stemmen. „Speelt gij eens iets voor ons!”
Lachend liet Raffles zich naar den vleugel dringen.
Ook de heeren waren nu naderbijgekomen.
Zachtjes preludeerde Hoensbrook.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
„Maar dat is ongelooflijk, dat is om dol te worden!”
„Ja, die brutaliteit gaat toch te ver!”
Met deze woorden traden eenige heeren nog binnen.
„Welke brutaliteit?” vroeg een der gasten.
„Weet ge het nog niet?” vroeg Montgomery.
„Neen!”
„Ik heb vanmorgen den zwarten brief gekregen”.
Hoensbrook preludeerde verder.
Hij verstond ieder woord, hoewel de heeren zachtjes spraken.
„De zwarte brief? Wat is dat? Ik heb wel eens van een blauwbrief gehoord—” zei een jong officier.
„Met een zwarten brief”, verklaarde de gastheer, „kondigt de beruchte inbreker John Raffles telkens zijn bezoek aan.”
„Maar dat is interessant, en gij— —”
„Sst, zachtjes! Anders worden de dames ongerust! Ja, hij heeft mij zijn bezoek aangekondigd. Natuurlijk heb ik dadelijk een detective besteld om mijn brandkast te bewaken. Voor vandaag nu alles op de been is, achtte ik zooiets niet noodig. Maar voorzichtigheid hindert nooit, ik heb twee bedienden de wacht laten houden in het portaal!”
Hoensbrook lachte even.
„Lord Hoensbrook,” vroeg een dame, wie het preludeeren te lang duurde, „wat zult ge straks gaan spelen?”
„Wilt ge een rhapsodie van Liszt?” vroeg hij.
„Dolgraag!”
Allen stemden mee in.
En plotseling speelde Hoensbrook met sterken aanslag.
Meesterlijk vertolkte hij de woeste, bruisende melodie, de schoone muziek, die alles overstemde en die iedereen dwong tot ademloos luisteren.
Hij werd met loftuitingen overladen.
Een dame nam zijn plaats in om een lied van Mendelssohn te zingen.
Onderwijl verliet Hoensbrook stil de kamer.
[
Inhoud
]