← Table of contents
Lidewyde

NEMESIS.

Reading edition

Eerste Hoofdstuk.

Een apostolische vermaning wil, dat elk mensch volkomen verzekerd zal zijn in zijn gemoed; en indien de menschelijke lotbestemming aan het opvolgen van vermaningen hing, zou den uitvinder dier les de kroon der wijsheid toekomen. Doch ziehier een jong meisje van twintig jaren, beminnelijker en schranderder dan de meeste, bezield met de beste bedoelingen, en, naar de wereld gesproken, zoowel geneigd tot alle goed als onbekwaam tot eenig kwaad. Had zij over een koningrijk te beschikken, zij zou het u schenken, indien zij tot dien prijs vrede bekomen kon; doch haar gemoed is verdeeld, zij wordt her- en derwaarts geslingerd, en geene magt op aarde schijnt in staat, haar te verlossen van hetgeen haar de borst beklemt.

Daareven, na het ontbijt, had Emma de ronde gedaan van freule Bertha's tuin; zonder schroom gebruik makend van de vergunning der gastvrouw om zoo vele bloemen te snijden als zij voor hare aquarel noodig meende te hebben. Thans zat zij op hare kamer, boven aan de straat, en de vruchten van haren strooptocht stonden in een kristallen beker, halverwege met water gevuld, voor haar op de tafel. Zij kon getuigen dat freule Bertha's hof medeviel, wanneer men er eenmaal den weg in wist. De bloemen der oude dame mogten geene geleerde namen dragen of niet modieus gerangschikt zijn, zij waren goed gekweekt en krachtig. Gewapend met eene monsterschaar, wier oogen hare kleine vuist omspanden evenals het gevest van een degen dit zou gedaan hebben (van vader op zoon had het huis Steinmetz zich van die schaar bediend om bladen papier mede door midden te snijden, en freule Bertha meende het aan haar voorgeslacht verpligt te zijn, dat erfstuk door het gebruik in eere te houden), was Emma langs de bedden gewandeld en had zij hare keus gedaan. Doch het genoegen, waarmede zij den tuin doorkruist en haren ruiker geschikt had, was van korten duur geweest. Op hare kamer gekomen, had zij de bloemen in het water gezet en haar teekengereedschap voor den dag gehaald; naauwelijks evenwel was zij gereed met eene schets, of zij legde hare potlooden en hare penseelen naast zich neder, schoof hare kleurendoos op zijde, stond op en ging aan hare schrijftafel zitten. Doch ook de brief naar huis, waarmede zij een begin gemaakt had en dien zij meende slechts voor het opschrijven te zullen hebben, vlotte niet. Na eene poos, met de pen in de hand, op het halfgevulde blad papier te hebben gestaard stond zij nogmaals op en beproefde haar teekenwerk te hervatten.

Hetgeen haar verdrietig, neen rampzalig maakte, was dat zij niet tot een besluit kon komen omtrent haar verblijf te M. en, in verband daarmede, omtrent André. Al de twijfelingen, die zij eerst zoo moedig ter zijde had gesteld, waren met vernieuwde kracht teruggekomen. Zij wist niet langer wat zij aan hem had. Het was of hij eensklaps te M. aan allerlei invloeden blootgesteld was geworden, welke vroeger òf niet op hem gewerkt hadden, òf krachteloos gebleven waren. Daar was vooreerst Lidewyde met haar schitterend toilet, hare wereldsche schoonheid en hare pikante konversatie. Dan Sarah met hare geheimzinnige levensgeschiedenis en haar noodlottig ongeloof; Adriaan Dijk met zijne onbeduidendheid en zijne rijkdommen; Lefebvre, die zich wel slechts van tijd tot tijd vertoonde, maar zoo vaak hij kwam een nieuwen voorraad verblindende gezegden medebragt; Ruardi wiens denkbeelden bij André voor orakelspreuken golden, en die ja vaak met ingenomenheid verhaalde van zijn vromen vriend Eduard Stephenson, den kapelaan, doch wiens eigen leven blijkbaar geheel en al omging buiten iederen God en elk gebod. Freule Bertha-zelve was van lieverlede in Emma's oogen medepligtig geworden aan de algemeene zamenspanning, en dagelijks werd het haar onverklaarbaarder, hoe zoo veel deugd en godsdienstigheid gepaard konden gaan met eene zoo sterke mate van verblinding. Zij zou hebben durven zweren dat op Soekabrenti eene intrige gesponnen werd, waarin André meer en meer verward geraakte. Liet zij aan hare opgewekte verbeelding den vrijen loop, dan zag zij de woning van Adriaan Dijk doorzigtig worden en de gedaante aannemen van een reusachtig web. In het middenpunt van dat weefsel huisde eene monsterspin, niet een dier afzigtelijke dieren, wier lijken in muzeums van natuurlijke historie tentoongesteld worden, maar een fraaigevormd levend insekt, al de kleuren van den regenboog vertoonend en gekroond met een vonkelenden diamant. Het deed denken aan de fantastische dieren uit het boek der Openbaring in freule Bertha's bijbel, op wier voorhoofden onheilspellende namen geschreven staan. De spin heette Lidewyde, en wanneer men haar riep, kwam zij naar u toe, even als een mak vogeltje uit vreemde luchtstreek, dat in ons noordelijk klimaat is uitgebroeid en zijne schuwheid heeft afgelegd. Niettemin was zij eene arachnide, gelijk men bemerken kon aan de kleinere insekten, die, als in een lijkkleed van natuurlijke draden gewikkeld, levenloos in haar web hingen. Het was Emma, alsof zij in een dier slagtoffers haar eigen beeld herkende. Of neen, zijzelve kon zich nog roeren, en ofschoon gevangen in het verraderlijk weefsel, was de kracht om adem te halen en zich te weer te stellen nog niet geheel en al van haar geweken. Doch hoe zij zich ook inspande om een van hare medegevangenen te hulp te komen, uit wiens brekend oog de ziel van André tot haar sprak, zij kon hem niet bereiken; en wat smartelijker was dan al het overige, hij scheen zich om haren bijstand niet te bekommeren. Als een bedwelmde liet hij zich vaster en vaster in de fijne ketenen klinken, door de schitterende spin voor hem bestemd. Reeds waren zijne vleugelen omwoeld, en binnen het uur zou het met hem gedaan zijn.

Doch droomen zijn bedrog, dacht Emma; en met eene driftige beweging der hand vaagde zij het vizioen door midden, op het oogenblik-zelf dat hare fantazie het voltooid had. André behoorde haar toe, en niemand zou hem haar ontrukken: dit stond vast. De menschen twistten onder elkander, tot in de kerken toe, over de vraag of wonderen mogelijk waren; doch wat gingen haar die afgetrokken kwesties aan? Onmogelijk was het dat André voor haar verloren ging: meer behoefde zij niet te weten en dit ééne was genoeg voor hare rust. Doch kon zij aan den anderen kant de oogen voor het daglicht sluiten? Al stelde zij de insinuaties van Ruardi op rekening van diens karakter,—want wie was Ruardi, dat zij aan zijne woorden meer waarde gehecht zou hebben dan aan de inspraak van haar eigen gevoel?—zij kon niet loochenen dat Lidewyde een magtigen invloed uitoefende op André. Aan alles was dit merkbaar, en duidelijkst van al aan het jagen van haar eigen hart, wanneer zij eene enkele maal met Lidewyde alleen was. Dan brandden woorden des verwijts haar op de lippen, en slechts met de grootste inspanning gelukte het haar, niet al te zeer te verraden hetgeen omging in haar gemoed. Wie had gedacht, dat zij in haar eenvoudig leven ooit zulk een strijd zou hebben te voeren? Eene gehuwde vrouw hare medeminnares! Haar bruidegom luisterend naar de vleitaal van een misdadigen hartstogt! Hare eigen wenken voor die van Lidewyde versmaad! André's hart gespannen in het gareel van Lidewyde's oogen! En dat dit laatste werkelijk het geval was,—Emma zou vrouw noch bruid hebben moeten zijn, om aan dat feit te kunnen twijfelen.

De toestand was onhoudbaar geworden, dit erkende zij, en weder keerde zij naar haren brief terug. Zonder alles te zeggen, zou zij zorg dragen dat hare moeder alles wist. Het kwam er slechts op aan, een geschikten vorm te vinden. Zij wilde niet, dat hare ouders André verstooten zouden; daarom zou zij vermijden, hem regtstreeks van ontrouw te beschuldigen. Doch zij kon duidelijk genoeg op een begin van verkoeling zinspelen, meende zij, om te bewerken dat zij uit haar folterverblijf te M. verlost en naar Belvedere opontboden werd. Meer was voorshands niet noodig. Hare vrouwelijke waardigheid gedoogde niet, dat zij langer bleef waar zij was: daaromtrent was zij het met zichzelve volkomen eens. Ook dit was uitgemaakt, dat André eene gevoelige les verdiende. Welnu, zij zou het een met het ander verbinden, en het volgen van dien middenweg zou haar vrede schenken.

Zij tastte naar de pen, bragt de hand aan het voorhoofd, vond de juiste uitdrukking niet voor hetgeen zij zeggen wilde, en ontwaakte uit hare mijmering—kleuren zoekend voor haar penseel. En dat zoeken was vergefelijk. De volleerdste toovenaar uit de school der aquarellisten zou bij den eersten greep de warme donkerroode tint niet hebben gevonden, vereischt om regt te doen aan den gloed van gindsche François Premier. Emma had gedaan wat zij konde om die roos uit haren ruiker te weren, doch de magt der herinneringen was eene te sterke verleiding geweest. Vruchteloos had eene Rose la Reine de scherpte van hare gewapende hand gevoeld; vruchteloos was daarnevens eene Gloire de Dijon op het altaar van den minnenijd geslagt; vruchteloos was de hekatombe voltooid door het offeren eener Malmaison van de eerste grootte. Vorstelijk prijkten die bloemen tusschen het bruinachtig groen der provincierozen, en wijd openden zij hare harten van satijn. Tegelijk geestig en bescheiden hieven de bonte cancellaria's hunne kopjes naar haar op en bogen de violetkleurige heliotropen zich ootmoedig voor haar neder. Hoe bevallig ook lieten de fuchsia's hare kelken hangen over den rand van het glas! Het mogt niet baten. De eene roos, welke het laatst van al voor Emma's schaar bezweken was, overschaduwde den geheelen ruiker, en even als de maan en de sterren in Jozefs droom, schenen hare zusters en hare speelnoten alleen geschapen te zijn om hulde te bewijzen aan deze rijzende zon. Hoe was het mogelijk, dacht Emma, dat zij den naam dier bloem, in eene harer brieven aan André, tot een voorwerp van scherts had gemaakt? Helaas, François Premier was slechts al te zeer de type van den wuften minnaar; het bloedig en tragisch rood der onbedachtzaam naar hem genoemde bloem in vollen ernst de kleur der trouweloosheid. Met een gemengd gevoel van welgevallen en afschuw vulde zij keer op keer haar penseel met het donkerst karmozijn. De tinten op het papier werden zwaarder, en naarmate de andere bloemen vorderden, kwam ook de noodlottige roos meer en meer uit. Bestond er een geheim verband tusschen het hart dier bloem en het hart van André? Was het een genot voor Emma, het eene dier harten tot in zijne fijnste plooijen te onderzoeken, en hoopte zij door die studie den weg naar het andere te zullen terugvinden? Of gehoorzaamde zij alleen aan die verleidelijke aandrift, welke ons in dagen van smart behagen doet scheppen in het loswoelen van ons eigen wee? Teekende zij het eigenwillig door haar gekozen beeld der ontrouw alleen hierom na, dewijl het haar verademing schonk eenen arbeid te volbrengen, die haar tegelijk aan hare gepeinzen ontvoerde en toch haar telkens in dat schemergebied wederbragt?... Zij was niet ontwikkeld genoeg om zich van de motieven harer daad rekenschap te kunnen geven, doch dit gevoelde zij, dat haar geluk op één na verwoest was. En niemand kon loochenen, dat er eenige overeenkomst bestond tusschen de gedachte, welke haar naar hare penseelen deed grijpen, en het lied der arme linnennaaister die bezig was haar eigen doodshemd te zoomen.

Tweede Hoofdstuk.

In weerwil van Emma's ijver was de teekening nog in lang niet voltooid, toen zij een welbekenden voetstap de deur harer kamer hoorde naderen. IJlings op te staan; het glas met bloemen op den rand van den schoorsteenmantel te plaatsen, waar zij niet in het oog vielen; een blad papier over hare schets te werpen; al de sporen van haren arbeid te verwijderen en zich weder aan hare schrijftafel te plaatsen, was het werk van een oogenblik. Het gevoel van gekwetste fierheid had eensklaps weder de overhand bekomen in haar gemoed, en voor al het goud der wereld had zij niet door André verrast willen worden te midden harer gewaarwordingen van daareven.

—"Mag ik binnenkomen?" vroeg hij, aankloppend en de daad bij het woord voegend.

Zij zag op van haren brief en antwoordde:

—"Jawel, André."

Er is in de intonatie, waarmede de vrouw die hij heet lief te hebben, of werkelijk liefheeft, hem ontvangt en zijnen welkomstgroet beantwoordt, iets waaromtrent geen man zich vergissen kan. Al was Emma naar hem toegesneld; al had zij hare armen om zijnen hals geslagen en de grootste blijdschap over zijne komst geveinsd,—André zou in het diepst van zijn hart gevoeld hebben, alleen afgaande op den klank van hare stem, dat nogmaals tusschen hem en haar een scheidsmuur verrezen was. Te dieper gevoelde hij dit, nu hij noch omhelsd, noch verwelkomd werd.

—"Mijn God, Emma, wat scheelt er aan?" vroeg hij, zich nederzettend in een fauteuil dien zij hem niet aangeboden had.

Zij droeg hetzelfde ochtendgewaad als anders, effen lichtgrijs met groen belegsel; haar kapsel had geene verandering ondergaan; hetzelfde lint onder een glad kraagje van dezelfde snede, viel met twee korte slippen neder op hare borst, en om haar middel sloot hetzelfde ceintuur. Al de keeren dat André haar in deze dagen een morgenbezoek had gebragt, had zij er even zoo uitgezien als nu. Ook vertoonden zich op haar gelaat geene sporen van tranen of van ligchamelijke vermoeidheid, overblijfselen van een doorgewaakten nacht. Toch hadden hare trekken eene nieuwe uitdrukking bekomen, en zag zij er vrouwelijker, volwassener, weerbaarder, minder kinderlijk uit dan voorheen.

—"Ik heb dadelijk begrepen," zeide zij kortaf, "dat ik hier niet op mijne plaats zou zijn; en het is uitgekomen zooals ik gedacht had. Ik had te Duinendaal moeten blijven bij mijne ouders."

—"Maar hoe is het mogelijk, lieve Emma..." begon André. Doch zij liet hem niet uitspreken.

—"Val mij niet in de rede," ging zij voort, met nog gebiedender stembuiging dan daareven, "en veins geene genegenheid, die gij niet meer gevoelt. Uw hart behoort aan Lidewyde, en iederen keer dat gij mij lieve Emma noemt, spreekt gij onwaarheid. Ik zit aan mijne moeder te schrijven, dat ik hier geen dag langer blijven wil. De brief wordt heden verzonden."

—"Zou zij iets weten?" vroeg André zich af. "Maar dat is onmogelijk. Zij heeft niets kunnen zien, niets kunnen hooren. En hoe onregtvaardig van haar, mij te verwijten dat ik haar niet liefheb!"

—"Emma," vervolgde hij overluid, en de toon van beleedigde onschuld, dien hij aansloeg, was te opregter, naarmate hij zich stelliger voorgenomen had, voortaan geen enkel gemeenzaam woord met Lidewyde meer te wisselen, laat staan haar te kussen,—"Emma, gij valt mij tegen. Dat gij jaloersch zijt van Lidewyde, is kinderachtig van u; maar schandelijk noem ik het, u daarover op mij te wreken."

—"Indien gij mij liefhadt," antwoordde zij, "zoudt gij deelen in mijne jaloezie, in plaats van daarover met minachting te spreken. Denkt gij, omdat ik schertsen kan,—schertsen kon, moest ik zeggen, want ik kan het niet meer,—denkt gij met mij te kunnen spelen? Ik had wijzer moeten zijn, en mij nooit aan u moeten hechten. Toen ik u leerde kennen, ben ik voor fabelen gaan houden hetgeen ik van trouwelooze minnaars gehoord en gelezen had; doch gijlieden kunt niet anders, schijnt het wel. Het ligt in uw aard. Eene vrouw heeft maar één woord, en wanneer zij dat woord gegeven heeft, doet zij het gestand; doch gij, gij weet niet wat het is, lief te hebben. Ga weg van mij, man zonder hart!"

—"Emma, Emma, hoe draaft gij door! Weet gij wel, wanneer ik u zoo hoor spreken, dat ik regt zou hebben, ernstig boos op u te worden?"

—"Schijnheilige die gij zijt! Zie ik niet met open oogen, dat uwe Lidewyde en haar dokter u betooverd hebben? Indien mijn verdriet en mijne vreugde de uwe waren, gelijk het betaamde, zoudt gij dan tot mij spreken op een toon, alsof ik uwe vergiffenis behoefde, in plaats van gij de mijne? Doch ik schenk u geene vergiffenis. Een man, die vergiffenis noodig heeft, verdient geene plaats in het hart eener vrouw."

Het klimmen van Emma's drift deed André's ongeduld bovenkomen en versterkte hem in de overtuiging, dat, mogt hij zich al iets te verwijten hebben, er niet de minste evenredigheid bestond tusschen het door hem gepleegd misdrijf en Emma's vonnis.

—"Mag ik weten," vroeg hij, "met welk regt gij op nieuw, van mijne Lidewyde spreekt, en wat Lidewyde's dokter te maken heeft met ons onderhoud? Een onderhoud, dit moet ik u zeggen, dat mij zeer mishaagt, en waarvan ik om uwentwil wenschte, dat het eene andere wending genomen had."

Doch dit was olie in het vuur.

—"Het pleit niet voor u," zeide zij, "dat gij in mijne tegenwoordigheid Ruardi's verdediging op u durft nemen. Of zijt gij de eenige in deze stad, die zijne geschiedenis niet kent? Moet gij van mij vernemen, dat hij een glimlagchende booswicht is, die er zijn bedrijf van maakt, onschuldige vrouwen en meisjes in het verderf te storten? Ach, dat ik aan uwe onnoozelheid gelooven kon! Maar dat gaat niet aan, en dat wil ik ook niet. Onnoozele mannen zijn niet van mijne gading. Indien gij niet slecht waart, of niet bezig om slecht te worden, zoudt gij Ruardi verafschuwen. Maar gij zoekt zijn gezelschap, gij schept behagen in zijne gesprekken, gij bewondert en vereert hem, even als gij keer op keer aan de lippen van zijnen vriend Lefebvre hangt."

—"En wat, in 's hemelsnaam hebt gij op Lefebvre aan te merken? Lefebvre is de ingetogenheid in persoon; iemand die leeft als een kluizenaar en zich met niets anders bezig houdt als met zijne klienten."

—"Ik zeg niet dat mijnheer Lefebvre een slecht mensch is, zooals Ruardi, maar alleen dat hij u verkeerde dingen in het hoofd brengt. Al is hetgeen hij denkt en zegt misschien onschadelijk voor hem zelven, voor u deugt het niet. Voorheen, wanneer ik u met mijn vader hoorde spreken, waart gij eenvoudig en zeidet ronduit uwe meening; nu daarentegen oppert gij telkens allerlei vreemde denkbeelden, waarvan men duidelijk bemerken kan dat zij niet uit uzelven komen."

—"En ik zeg u, dat van een man als Lefebvre in veertien dagen meer te leeren valt dan men in een half dozijn jaren gewone menschen leert. Lefebvre is een der uitstekendste personen van ons land."

—"Van Ruardi kunt gij misschien hetzelfde zeggen, maar dat neemt niet weg dat hij een verdorven schepsel is, wiens omgang gij behoordet te mijden. Waarom weidt gij uit in den lof van Lefebvre? Heb ik gezegd, dat mijnheer Lefebvre zich slecht gedroeg? Het bewijst tegen u, dat gij den eenen van uwe afgoden gebruikt om er den anderen achter te verbergen. Ik zou van mijnheer Lefebvre niet gesproken hebben, indien ik het niet schande vond, dat gij tevens het hof maakt aan Ruardi en aan hem."

—"Ik maak het hof niet aan Ruardi," viel André haar in de rede, even driftig als zij. "Ik bewonder hem niet, ik vereer hem niet, ik hang niet aan zijne lippen, niets van dat alles. Ik laat hem alleen regt wedervaren. Wie u verteld kan hebben, dat hij een verachtelijk mensch is, weet ik niet en raakt mij niet. Freule Bertha vast; want zoo zijn de oude vrijsters. Hij is een man met een helder hoofd en die verder ziet dan de meesten; dat is al. Waarom behagen mij zijne gesprekken? Omdat hij vernuft heeft. Geleek hij op mijn zoetsappigen neef Adriaan, in wien ik mij zoo jammerlijk bedrogen heb en die iederen dag meer tegenvalt"...

—"Uw neef Adriaan", riep zij uit, bleek van verontwaardiging, "uw neef Adriaan is een beter mensch dan òf uw vriend Ruardi, òf gijzelf... op dit oogenblik. En al was hij een onbeduidend persoon, geeft dit Ruardi het regt, hem zijne eer te ontrooven? Den man, wiens vriend hij heet, wiens huis voor hem openstaat, die hem ontvangt aan zijne tafel? Ruardi is een monster, zeg ik u, en Lidewyde is zijne maîtres."

Onder het uitspreken van dit laatste woord, dat zij in haar geheele leven nog nooit overluid gebezigd had, stroomde het bloed weder naar Emma's wangen. Zij bloosde; en indien André op dat oogenblik zichzelf was geweest en haar had aangezien, zou hij misschien tot andere en betere gedachten gekomen zijn. Misschien ook niet, want de aanblik der eerbaarheid treft meer dan zij verteedert. Doch getroffen was hij dan toch, en Juist om die reden hield hij de oogen naar den grond geslagen. Hetgeen Emma van Ruardi's betrekking tot Lidewyde beweerde, beschouwde hij als laster; het stemde in het geheel niet overeen met hetgeen hij daaromtrent van Sarah wist. En wie was aangaande deze zaak beter ingelicht dan Sarah? Doch reeds de onderstelling, dat Lidewyde, die dan toch zelve erkende dat Ruardi haar het hof maakte, iets voor dien man gevoelen zou, vervulde hem met wrevel. Nog zeer kort geleden was hijzelf van oordeel geweest dat Lidewyde juist eene vrouw was om een minnaar te hebben, en had hij het denkbeeld, dat Ruardi die minnaar was, zelfs zeer aannemelijk gevonden. Doch toen kende hij Lidewyde nog bijna in het geheel niet, en er was tusschentijds eene groote verandering gekomen in zijne meening omtrent haar. Lidewyde mogt hare gebreken hebben, hij kon niet verdragen, dat iemand, wie dan ook, met minachting over haar sprak; en dat Emma dit deed stond haar leelijk, want steeds was Lidewyde, wanneer Emma's naam in hare tegenwoordigheid genoemd werd, overvloedig geweest in haren lof.

Minder stuitte het hem tegen de borst dat Emma den dokter zwart maakte. Er was ongetwijfeld veel overdrevens in de voorstelling die zij zich van hem vormde, en blijkbaar verkeerde zij te zijnen aanzien onder den invloed van kwaadsprekende tongen. Doch hij begon nu zelf te vinden dat er voor hem redenen konden zijn om Ruardi te haten. Lidewyde zwak voor Ruardi? Het was niet mogelijk, dat eene zoo schoone, zoo schrandere, en bovenal zoo door en door goede vrouw in die mate met blindheid geslagen zou zijn.

—"Arme Lidewyde," dacht hij bij zichzelven, terwijl een droefgeestige trek zich om zijnen mond plooide, "hoe miskent men u!" Overluid voegde hij er bij: "Gij weet niet half, Emma, hoe uwe woorden mij door de ziel snijden."

Die toon en dat waas van weemoed over zijn gelaat misleidden Emma. Zij begon berouw te gevoelen over hare heftigheid van daareven. Met welk regt, vroeg zij zich af, had zij den teugel gevierd aan haren hartstogt? Was drift het middel om André tot inkeer te brengen? En indien hij onschuldig was, wat moest hij van haar denken? Welke bewijzen kon zij aanvoeren tot staving van Ruardi's wangedrag en Lidewyde's ligtzinnigheid? Waaruit bleek het, dat de scherpzinnigheid van hare zegslieden gelijken tred hield met hunne goede trouw? Bovendien, al was Lidewyde de koketterie in persoon en Ruardi een onverbeterlijke slechtaard, was André daarom minder André? Had zij hem niet lief met hare geheele ziel? En indien eenig gevaar hem dreigde, was zij niet de aangewezen persoon om hem daartegen te beschermen?

Er volgde eene verzoening, zoo vleijend voor André's eigenliefde als hij slechts wenschen kon. Emma knielde naast hem neder, greep zijne handen, en kuste die.

—"Vergeef het mij," zeide zij, "dat ik mij daareven zoo dwaas heb aangesteld. Ik heb u bedroefd, maar het was uit liefde. Wat gaat mij Lidewyde aan? Wat kan mijnheer Ruardi mij schelen? Aan uw hart heb ik genoeg."

André verkeerde in een ligt vermurwbare stemming, en om te toonen dat hij op het punt van edelmoedigheid voor niemand behoefde onder te doen, zeide hij, haar op het voorhoofd kussend en hare blonde lokken streelend:

—"Ik geloof, Emma, dat uw oordeel over Ruardi inderdaad juister is dan het mijne. Hij is minder slecht dat gij denkt, veel minder; en toch gevoel ik dat zijne conversatie mij niet lijkt. Zelfs erken ik, dat in zijne gesprekken onder vier oogen iets onvoegzaams is. Men kan een jong weduwnaar, die zulke gevoelens koestert, niet ten volle vertrouwen, en daarom, ik beloof het u,—ik zal zijnen omgang mijden en hem van nu af op een afstand houden."

Voor Emma's gemoedsrust zou het meer waard geweest zijn, indien André eene soortgelijke gelofte omtrent Lidewyde had gedaan, en vooral, indien hij dien eed nagekomen was. Doch zij was te gelukkig om deze leemte in zijne toezeggingen thans op te merken, of de portée daarvan te beseffen. En ook zijn geluk was, menschelijkerwijze gesproken, op dit oogenblik volkomen. De gedachte aan Lidewyde sluimerde zachtkens op den achtergrond van zijn gemoed; terwijl niets hem verhinderde, nu Emma die herinnering met vrede liet, te genieten van Emma's tegenwoordigheid. Niet-alleen haatte hij Emma niet en zou hij om niets ter wereld zijne verbindtenis met haar hebben willen verbreken, maar hij gevoelde, dat hij haar hartelijk liefhad; vooral nu hij als van ouds den arm geslagen hield om haar lief figuurtje, en zij haar geestig kopje weder rusten liet aan zijne borst. Met het meeste welgevallen dacht hij op nieuw aan de toekomst; aan het stil en minzaam leven, dat hij aan Emma's zijde slijten zou; aan de onveranderlijke getrouwheid, waarmede zij aan hem gehecht zou blijven; aan dien kleinen hemel op aarde, waarvan hij zoo vaak had gedroomd. Beter maakten die gedachten hem op dit oogenblik niet, maar wel aandoenlijker; en aangedaan-zijn is in den regel eene streelender gewaarwording dan beter-worden.

—"En wat," vroeg hij op innemenden toon, toen zij als tortelduiven eene poos kussend gekeuveld hadden,—"wat zal nu, lieve, het onderpand van onze verzoening zijn?"

Als bragt die vraag een plan tot rijpheid, dat reeds geruimen tijd door haar gekoesterd was, rees zij op en greep het blad papier, bestemd geweest om een brief aan hare moeder te worden. Een kenner van autografen zou het niet ontgaan zijn, dat het schrift van dien brief teekenen van toorn vertoonde; en aan het gevloeide van sommige woorden zou hij bespeurd hebben, dat de droefheid, onder het schrijven, hier en ginds de overhand bekomen had op de verontwaardiging. Doch André was in die wetenschap niet te huis, en toen Emma het blad lagchend omhoog hief en er mede wuifde, zag hij alleen dat van de vier zijden reeds drie beschreven waren.

—"Plaaggeest!" riep zij, op vrolijken toon; "moet gij dan in alles uw zin hebben? Zie hier!"

Zij scheurde den brief in honderd stukjes en strooide hem de snippers in het haar.

—"Nu poeijert gij mij voor den tijd," schertste hij, zich den papieren regen van het hoofd schuddend. "Doch zoo goedkoop komt gij er niet af. Uw horloge zal ik u laten houden, want gij moet kunnen zien, wanneer het oogenblik daar is om mij te verdrijven, maar indien gij mij niet uw mooisten bracelet, uwe mooiste broche, uw mooiste oorbellen tot onderpand geeft, zal ik niet gelooven dat gij het eerlijk meent."—"Ik zie wel, mijnheer," antwoordde zij, te gelijk lagchend en blozend van geluk, "dat het oogenblik om u te verdrijven sedert lang gekomen is. Gij wordt lastig. Doch indien gij een onderpand begeert," ging zij voort, eensklaps ernstig wordend en terwijl de tranen haar in de oogen sprongen, "neem dit!" Zij plagt om den hals een fijn zwart koord te dragen, waaraan een medaljon bevestigd was. Het kleine ronde glas met den gouden rand bevatte niets anders als aan de eene zijde een gitzwarten haarlok, eene herinnering aan haar broeder Reinier, de vroeggestorven bloem van haar geslacht, en aan de andere zijde een grijzen lok van haren vader, gestrengeld door een blonden van hare moeder.

—"Het is," zeide zij, koord en medaljon André in de hand en op zijne hand een kus drukkend, "het is mijne reinste en heiligste gedachtenis."

Derde Hoofdstuk.

Met een verruimd hart trad André een uur daarna de hem welbekende tuinkamer binnen, waar Lidewyde en haar echtgenoot, wanneer zij geene gasten hadden, of alleen zulke die zij tevens als halve huisgenooten beschouwen mogten, plagten te ontbijten. Hij vond de tafel gedekt, en den knecht, Isidoor, bezig met het rangschikken van zilver en kristal. Volgens de pendule was het bij éénen.

—"Is mijnheer Dijk nog in de stad?" vroeg hij den knecht, meer om iets te zeggen, dan uit wezenlijke belangstelling.

—"Ik vermoed van ja, mijnheer," antwoordde Isidoor. "Mevrouw is uitgereden, maar mijnheer wordt gewacht."

—"Komt mevrouw niet ontbijten, denkt gij?"

—"Ik geloof het niet, mijnheer. Den tweeden donderdag van elke maand is het vergadering van het Fundatiehuis, waar mevrouw regentes van is. Het Fundatiehuis is zoo veel als een weeshuis, mijnheer. Knappe burgerkinderen worden er opgeleid voor dienstmeisje. Ik heb er een zuster."

—"Jawel," zeide André, die zich herinnerde Lidewyde over die inrigting te hebben hooren spreken.

—"Een weeshuis is het eigenlijk niet, mijnheer, want mijn vader en moeder leven nog. Ook dragen de meisjes elk haar eigen kleeren en behoeven niet twee aan twee achter elkander over straat te gaan. Iederen ochtend komt de oudste dominé een hoofdstuk uit den Bijbel lezen. Dat is in het testament bepaald."

—"En wanneer de meisjes ziek zijn, worden zij in het huis verpleegd, niet waar?"

—"Om u te dienen, mijnheer. Mijnheer Ruardi is er vaste dokter."

—"Nu, daar zullen zij niet kwalijk bij varen. Zulke knappe dokters zijn er niet veel."

Isidoor had zijne zuster wel eens hooren verhalen, dat de kennismaking met mijnheer Ruardi sommige meisjes van het Fundatiehuis naderhand juist niet ten zegen geweest was. Hij vond het evenwel niet noodig, dit mede te deelen aan den logeergast, die een vriend van den dokter scheen te zijn. Bovendien werd er aan de voordeur gescheld, en zijne funktien als dorpelwachter gedoogden niet, dat hij thans nieuwe vragen uitlokte of beantwoordde.

Thuisgekomen van zijn bezoek bij Emma, had André zich een oogenblik naar zijne kamer begeven en eenig toilet gemaakt. Nu Isidoor hem alleen liet, en hij niets anders te doen had als het vertrek op en neder te wandelen, wierp hij beurtelings een blik in verschillende spiegels. Het zou valsche nederigheid geweest zijn, indien hij met het resultaat van zijne waarnemingen in het geheel geen vrede had gehad. Met betrekkelijk welgevallen bezigtigde hij zijn zwart fluweelen vest, dat goed kleurde bij zijn blonde haren en zijn blonden knevel en een aangenaam geheel vormde met zijn grijzen pantalon en zijn gekleed jasje van donkerbruin laken. Hij betastte met de eene hand zijn horlogeketting, met de andere de bloedkoralen knoopjes in zijn keurig overhemd. Daaronder sluimerde thans het hem door Emma geschonken medaljon, dat hij met hetzelfde koord, waaraan zij het om haren hals plagt te dragen, om den zijnen bevestigd had. Wanneer hij eene kleine voorwaartsche beweging met het bovenlijf en daardoor tevens in den spiegel eene ligte buiging voor zichzelven maakte, kon hij het medaljon voelen heen en weder schuiven langs zijne borst. Toen hij voetstappen hoorde in den gang en de stem van zijnen gastheer meende te herkennen, trad hij ijlings naar het venster, ten einde Dijk bij het binnentreden in den waan verkeeren zou, dat hij zich den tijd had gekort met Lidewyde's bloemenmand te bewonderen.

Adriaan was in high spirits. Hij had dien ochtend te gelijk met een brief van Lefebvre, het berigt inhoudend dat zijne verkiezing zoo goed als verzekerd was, een verblijdend handelstelegram uit het buitenland ontvangen. Met ongemeene graagte,—want hij behoorde niet tot degenen wier eetlust door aangename tijdingen bedorven wordt,—drong hij André, zich aan tafel te zetten. Lidewyde zou niet verschijnen, zeide hij, en hij verontschuldigde hare afwezigheid met dezelfde redenen die reeds door Isidoor aangevoerd waren. Ofschoon André kort te voren door geheel andere aandoeningen bestormd was geworden als zijn bloedverwant, had zijn appetijt daaronder weinig minder geleden dan die van Adriaan. Vooral de moezelwijn, waarmede zijn gastheer hem aanmoedigde brood en vleesch te besproeijen, smaakte hem kostelijk.

—"Het spijt mij geducht," zeide Dijk, "dat ik u van middag alweder geen gezelschap zal kunnen houden. Doch het rijtuig is tot uwe dispositie, gelijk gij weet. Zoo gij met uw meisje een toertje wilt gaan maken, bekommer u dan noch om Lidewyde, noch om mij."

—"Zeer verpligt," antwoordde André, "maar Emma heeft van daag wat hoofdpijn, en ik denk van mijne verlatenheid gebruik te maken om brieven te schrijven."

—"Zoo als gij wilt. Vrijheid blijheid. Mag ik u nog een glas wijn verzoeken? Dank u. Geurige Pisporter, vindt gij niet?"

André vond den Pisporter geuriger dan ooit; en toen Dijk hem verlaten had om naar zijn kantoor terug te keeren en van daar naar de beurs te gaan, bleef hij nog eene poos aan tafel zitten en ledigde hij langzaam zijn derde of vierde glas. Onder den opwekkenden invloed van den wijn rekapituleerde hij nog eens zijn jongste gesprek met Emma en trachtte hij zich rekenschap te geven van hetgeen hij thans gevoelde. De slotsom was bevredigend. Het nakomen der gelofte, die hij bij zichzelven had afgelegd, werd hem door Lidewyde's ongezochte afwezigheid, en dat was een gunstig voorteeken, reeds aanstonds gemakkelijk gemaakt. Wilden die voorspoedige gelegenheden zich slechts vermenigvuldigen,—hij, voor zich, zou zich beijveren ze aan te grijpen. Niets zou hem aangenamer zijn dan den tegenwoordigen stand van zaken te doen voortduren. Hij beminde Emma, dat was een feit, en zij kon er op rekenen dat hij haar getrouw zou blijven. Doch zij moest niet jaloersch worden, en wanneer hij beleefd was voor andere vrouwen, behoorde zij hem daarin zijnen gang te laten gaan. Ten opzigte van Lidewyde kon zij dit gemakkelijker doen, omdat hij Lidewyde wel zeer schoon—en hoe zou hij het noemen?—zeer appetissant vond, maar geenszins van haar gecharmeerd was. Lidewyde was en bleef eene getrouwde vrouw; eene vrouw, nu ja, waarmede hij, André, uit tijdverdrijf een weinig koketteren mogt, en zij met hem, maar die nimmer een ernstige hinderpaal kon worden voor zijne vereeniging met Emma. Hij gevoelde alleen behoefte aan Lidewyde's onderscheiding. Zij moest hem niet kunnen verwijten dat hij opging in een meisje als het zijne; moest bespeuren dat hij kon liefhebben, voorzeker, doch tevens dat hij een man was en niet een opgeschoten knaap.

—"Maar komaan," viel hij zichzelven in de rede, "Isidoor moet afnemen, en het wordt tijd dat ik naar mijne kamer ga."

Op het portaal, boven aan den trap, ontmoette hij Sarah, die met eene zwijgende buiging eenigzins ter zijde trad om plaats voor hem te maken. Nog nooit tot hiertoe had hij zich naar zijne kamer kunnen begeven zonder op de eene of andere wijze er aan herinnerd te worden, dat Lidewyde eene vrouwelijke Cerberus nahield, die den toegang tot hare appartementen versperde. Ook thans werd hem dit te binnen gebragt, doch niet onder denzelfden onaangenamen vorm. Sarah toch was gekleed om uit te gaan. Zij, die hij tot hiertoe steeds had aangemerkt als een huiszittend wezen, hetwelk zich hoogstens, en dan nog wegens dienstzaken, eene wandeling in den tuin veroorloofde, droeg heden, even als andere vrouwen, een hoed en eene mantille. Zelfs zou hij hebben durven zweren dat zij eene crinoline aan had. Nietige omstandigheden, indien men wil, doch waaruit het geoorloofd was op te maken, dat Lidewyde in de eerste twee of drie uren niet terug verwacht werd. Dijk van huis, Lidewyde van huis, Sarah van huis: gunstiger gelegenheid tot het beproeven van een onderzoek, hetwelk hij reeds meer dan eens zou hebben willen instellen, kon zich bezwaarlijk aanbieden.

Hij trad zijne kamer binnen, doch liet de deur achter zich open staan. Niemand zou hem thans komen storen, en zonder onbescheidenheid kon hij, voor hij aan zijne brieven begon, een paar malen het portaal en den gang op en neder wandelen. Hij behoefde Lidewyde's vertrekken immers niet binnen te treden, al verwijlde hij eene poos voor de deur die tot het eerste daarvan toegang verleende? Toen hij evenwel ten derde male tegenover de door geene engelen met vlammende zwaarden bewaakte poort van het verboden Eden stilhield, stond Lidewyde's beeld hem zoo levendig voor den geest en was hij zoozeer met de gedachte aan haar vervuld, dat het niet onnatuurlijk scheen eene schrede verder te gaan en de hand aan den kruk te brengen. Indien het bestaan-zelf van sommige wezens, door de kracht der sympathie, zich aan ons schijnt mede te deelen, zoodat het is alsof hun leven een deel uitmaakt van het onze, waarom zou het dan ongeoorloofd zijn, zich in de aanschouwing der onbezielde voorwerpen te vermeiden, die hen of haar dagelijks omringen? Vermoedelijk beleed Emma daaromtrent gevoelens, die van de zijne afweken; doch dit was geen beslissend argument. De vrucht toch van zijne kennismaking met Lidewyde was juist, dat de grenzen van Emma's superioriteit hem openbaar geworden waren. Hij moest bekennen dat Emma met al hare beminnelijke eigenschappen niet vrij was van zekere bekrompenheid in het oordeelen,—dezelfde formule waarvan Lidewyde zich ten aanzien van freule Bertha bediend had,—welke bezwaarlijk geacht kon worden tot het ideaal eener vrouw te behooren. Ware zij hem op dit oogenblik plotseling verschenen en had zij geraden wat hij ging doen,—zij ried veel, meer dan hem lief was, meer zelfs dan hij somwijlen overeen kon brengen met eene volkomen vrouwelijke onschuld,—dan zou hij om harentwil, en omdat hij in spijt van hare gebreken innig veel van haar hield, zijn voornemen hebben laten varen; niet omdat hij toestemde dat zijne nieuwsgierigheid misdadig of ook maar berispelijk was, maar omdat hij het wreed zou hebben gevonden, in Emma's tegenwoordigheid iets door te drijven, wat haar onaangenaam bleek te zijn.

De eerste indruk, dien hij van Lidewyde's kamer ontving,—want hij had André Kortenaer niet moeten zijn om thans buiten te blijven staan—was verward. Om de brandende stralen der namiddagzon te weren, had Sarah, voor zij heenging, al de jalousien gesloten, en het oog moest aan de halve duisternis een weinig wennen. Weldra echter bemerkte André, dat het vertrek, waarin hij zich bevond, slechts de inleiding was tot twee of drie andere vertrekken, die te zamen den zuidelijken bovenvleugel van Soekabrenti uitmaakten, en waarvan eerst het verst verwijderde, dat met de vorige een regten hoek vormde, het eigenlijk doel van zijne ontdekkingsreis heeten mogt. Geene lastige deuren verhinderden hem zich daarvan aanstonds te vergewissen. Hij liep door, van den eenen lusthof in den anderen, zoo ver de afstand reikte, en keerde toen op zijne schreden terug. Voldaan was hij niet; maar het schemerlicht, en de door niets afgebroken stilte om hem henen, hadden hem daareven min of meer schichtig gemaakt, en hij wilde thans alles nog eens rustig opnemen.

Eerst een kleine bazar, zou men gezegd hebben, bijeengebragt uit verre landen: donkerbruine meubelen met japansch-verlakte paneelen, goud op zwart; étagères, overladen met chineesch porselein; boeken en plaatwerken uitgespreid op eene met gekleurd paarlemoer ingelegde tafel; behangsels en overgordijnen van ligtgele zijde, tusschen wier plooijen men geborduurde kakkatoes met hunne kuiven zag pronken en de bevallig gebogen staarten van paradijsvogels zag afhangen. Dit was de kamer, die gemeenschap had met den gang. De daarop volgende geleek het boudoir eener fransche hofdame uit den tijd van Lodewijk den XVde: een ameublement van zeegroen damast; vergulde lustres, een geheel vormend met ovale spiegels; werktafels van kruiselings ingelegd rozenhout met in vergulde schoentjes gevatte pooten; boven eene kanapee het zachtgekleurd portret eener bruid uit de school van Greuze; eene vergulde kroon, die voor een ruiker van waterlelien zou hebben kunnen doorgaan; snuisterijen om te stelen; eene pendule van saksisch porselein, op wier top men een kleinen herder met keurig geschoren baard, eene korenbloem in den hoed van een herderinnetje steken zag. Het derde vertrek scheen een zachten overgang naar Lidewyde's slaapkamer te vormen. De wanden vertoonden een rozerooden achtergrond, met geplooid neteldoek bespannen, waartusschen de spiegels zich half verscholen. Van de zittingen der witte sofas en der witte fauteuils hingen breede geborduurde strooken af tot op den grond. Op de van zilverachtig hout vervaardigde tafel stond eene albasten bloemvaas vol theerozen, wier frissche, fijne geur het geheele vertrek doorstroomde. Het tapijt was van eene heldergrijze kleur, even als de tafel, en bezaaid met bouquetten van bleeke pionies.

Er ging van die rustbanken, waarop Lidewyde plagt neder te zitten; die spiegels, waarin zij bij het uitgaan telkens een laatsten blik wierp; dat speelgoed, hetwelk hare hand nog daareven scheen te hebben aangeraakt, om het te verschikken of van stof te reinigen; die tapijten, waarlangs den eigen ochtend de zoom van haar kleed geruischt had, en waarop haar kleine voet van afstand tot afstand een indruk zou hebben achtergelaten, indien gestalten, zoo harmonisch als de hare, niet veeleer schenen te zweven dan te gaan,—van dit alles ging voor André eene biologiserende kracht uit, die, zonder hem te verbijsteren of op te winden, hem nogtans aan zichzelven ontvoerde. En de bedwelming verminderde niet, toen hij, aan het einde van het derde vertrek gekomen en zich half omwendend, Lidewyde's kleed- en slaapkamer voor zich zag. In de andere vertrekken was de schaduw warm; en men gevoelde dat het clairobscur, waarin zij gehuld waren, alleen dienen moest om de hitte niet ondragelijk te maken. Hier daarentegen, waar het niet noodig was geweest de zuiderzonnestralen te weren, hier was licht en koelte, en de ademtogt van den oostenwind speelde, door het halfgeopend venster, met de kanten strooken der ontplooide overgordijnen. Lidewyde's liefde voor stille kleuren had zich ook in dit vertrek niet verloochend. De vergeet-mij-niet had haar teederst blaauw aan de draperien geleend, die afhingen langs de vensters en de alkoof omhuifden, waarin het ledikant der schoone slaapster geplaatst was. En weder scheen het geheele ameublement, en schenen alle sieraden, met die festoenen uit één stuk gegoten te zijn. Zonder door eenige ongelijkheid gestoord te worden, gleed het oog van de paneelen der garderobe naar den hemel van het ledikant en van de waschtafel naar den kapspiegel.

Naast den ingang, aan de linkerzijde, half verscholen achter de breede plooijen der portière, stond eene hooge en breede porseleinen kolomkagchel, thans ongebruikt, maar te zwaar om des zomers te worden weggenomen; en daarvoor eene kleine sofa, dus geplaatst, dat men met een boek in de hand zich daarop rustig uitstrekken en het licht der vensters, aan de andere zijde van het vertrek, naar welgevallen kon laten spelen over de bladzijden. André zette zich neder, liet zich half achterover zinken, kruiste de armen over de borst, en staarde voor zich uit. Want hetgeen hem in die kleine sofa het meest bekoorde, was dat zijn blik van dit plekje door kon dringen tot in het diepst der alcoof tegenover hem.

Zou hij met Emma's geheimen hebben durven handelen, gelijk hij thans met die van Lidewyde deed? Had hij zich die vraag gesteld,—doch hij liet haar rusten,—dan zou hij niet verlegen zijn geweest om een antwoord. Nu ja, er was eene soort van eerbied, die Emma hem inboezemde en Lidewyde niet; dit bewees evenwel alleen, vond hij, dat Emma voor hem eene aantrekkingskracht miste, die juist, om zoo te zeggen, Lidewyde's specialiteit was. Hij verwachtte niets van Lidewyde; zag niet in, hoe zij ooit iets voor hem zou kunnen worden; eischte van haar geene wederliefde, en zou desnoods hebben volgehouden dat zijne stille genegenheid voor haar met minder zelfzucht vermengd was dan het gevoel hetwelk hem aan Emma Verbond. Van Emma's zijde toch rekende hij voor zichzelven op eene vermeerdering van levensgeluk; de zorg, die hij eenmaal voor haar dragen zou, moest Emma hem vergoeden; zij moest hem levenslang troosten van zijnen arbeid; moest de lichtstraal zijn en blijven van zijne maatschappelijke positie; en indien zij te eeniger tijd te kort schoot in het volbrengen van die taak, zou hij het regt hebben, meende hij, haar dat te verwijten. Lidewyde daarentegen had hem niets beloofd en zich tot niets verbonden; elk blijk van genegenheid, dat hij van haar ontving, was eene gift van hare vrije goedheid; hij kon haar slechts danken voor hetgeen zij hem schonk. Dat Lidewyde niet zwak voor hem kon zijn, zonder verraad te plegen aan haren man,—was eene gedachte, waarbij hij ongaarne verwijlde. Het denkbeeld dat hij hare gunsten, indien zij hem die verleende, zou moeten deelen met Ruardi, had hij zich voor goed uit het hoofd gezet. Van eenig gevaar voor haar goeden naam, indien zij hem met te veel welwillendheid bejegende, kon geene kwestie zijn, en nog veel minder van eenige afhankelijkheid, waarin zij geraken zou, indien zij zich aan hem, André, overgaf. Wie sprak daarenboven van zich over te geven? Wie vergde van haar, dat zij iets voor hem doen zou? Dit was onzin. Hij vroeg niets en rekende op niets: daarom klopte zijn hart dan ook nu volkomen rustig en werd hij door geene inwendige stem van iets ergers dan vrijpostigheid beschuldigd.

Zijne kalmte zou intusschen weldra ter toets gebragt worden. Reeds twee- of driemalen was van den straatweg het geluid van een naderend rijtuig tot hem doorgedrongen, zonder dat hij zich daarom bekommerd had. Hij was vast overtuigd dat Lidewyde eerst tegen het etensuur terugkeeren zou, en de uitkomst had zijn zelfvertrouwen tot hiertoe niet beschaamd. Tot driemalen toe was het naderend rijtuig Soekabrenti voorbijgereden, en had hij het dreunend geraas der wielen in de verte hooren wegsterven gelijk het opgedoemd was. Doch toen weder een rijtuig aankwam, gebeurde het tegenovergestelde. In plaats van zijnen geplaveiden weg te vervolgen, sloeg het de laan in, die op de plaats aanliep, en met meer verwondering dan ontsteltenis hoorde André het hem welbekend geluid der kiezelsteenen, opspringend om de hoeven der paarden en krakend onder het ijzer der wielen. Ook toen het rijtuig stilhield voor de deur maakte hij zich niet ongerust. Het kon Lidewyde niet zijn; en in die meening werd hij versterkt, toen hij het rijtuig zich onmiddellijk weder hoorde verwijderen. Het zou een bezoek geweest zijn, meende hij; en in zijne verbeelding had hij Isidoor den stoep af naar het portier zien snellen, en hem uit de geglaceerde hand van deze of gene van Lidewyde's vriendinnen, op het hooren dat de vrouw des huizes afwezig was, een visite-kaartje zien aannemen. Doch hij vergiste zich, en even onverstoorbaar als daareven zijne gerustheid geweest was, even radeloos werd eensklaps zijne verlegenheid, toen hij een ruischend kleed hoorde naderen en de stem van Lidewyde-zelve vernam, die in het voorvertrek tot den huisknecht zeide: "Ik ben voor niemand te huis; wanneer Sarah terugkomt, zeg haar dat ik haar niet noodig heb." Op te springen van de sofa en zich achter de witte kagchel met de koperen banden te verbergen was voor André eene daad van werktuigelijke vertwijfeling, meer dan van overleg.

Wist Lidewyde dat hij zich in hare vertrekken bevond? Zij gedroeg zich gelijk eene vrouw van haren rang zich alleen gedragen kon in de overtuiging, dat geen man haar bespiedde. Als naar gewoonte was de regentessen-bijeenkomst van het Fundatiehuis haar zeer lang gevallen, en toen eene der oudere dames verlof had gevraagd zich voor het sluiten der vergadering te mogen verwijderen, had zij eene ligte ongesteldheid voelen opkomen en van het aanbod der matrone, om eene plaats aantenemen in haar rijtuig en zich naar buiten te laten brengen, met erkentelijkheid gebruik gemaakt. Uit de weinige woorden, door Lidewyde met Isidoor gewisseld, bleek dat zij kennis droeg van Sarah's afwezigheid. Ontging het haar, of ontgaf zij het zich, dat de deur, die toegang verleende tot hare vertrekken, niet gesloten was? Zoo ja, dan moest men de zorgvuldigheid prijzen, waarmede zij dat verzuim herstelde. Zoodra toch had zij Isidoor niet belast met de voor Sarah bestemde boodschap, of zij drukte het zegel op den daarin besloten wensch naar rust en afzondering door de hand aan een dier kleine grendels te brengen, welke in de verte sieraden schijnen, doch van nabij bezien het nuttige aan het bevallige paren. En die beweging was de eenige niet waaruit bleek dat zij alleen wenschte te zijn. Toen zij in het eerste vertrek een boek gekozen had uit de velen die uitgespreid lagen op de tafel, in het tweede een blik had geworpen op de kunstige pendule met den bevalligen jongen herder van porselein, in het derde zich voorover had gebogen naar de welriekende theerozen in de albasten vaas, was haar eerste werk, bij het binnentreden van haar slaapvertrek, de fraaibewerkte schuifdeuren, wier mechaniek door de portière aan weerszijde onzigtbaar werd gemaakt, tot elkander te brengen en op zoodanige wijze te bevestigen, dat een onbescheidene geweld zou hebben moeten plegen om dien beweegbaren scheidsmuur zich weder te doen ontsluiten. Zij legde het medegebragte boek neder op hare kaptafel en ontdeed zich van haar hoed en mantille. Al woog dat hoedje geen nederlandsch lood, haar kapsel had daaronder een weinig geleden, en zij wilde in de eerste plaats die wanorde herstellen. Zij trok hare handschoenen uit en bragt, met een bevallige beweging van beide armen, het kapsel weder in zijne natuurlijke plooi. Een beeldhouwer zou jaloersch geworden zijn, indien hij hare vingers zich tusschen de gecrêpeerde lokken had zien bewegen. Toen die arbeid voltooid was, ging zij eenige keeren de kamer op en neder, met de oogen naar den grond geslagen en de eene hand aan hare wang brengend, als iemand die òf geheel en al met dezelfde gedachte vervuld is, òf eene ligte vermaning van aangezigtspijn ondervindt. Gevoelde zij werkelijk pijn en overwoog zij in die stemming de belangen van het Fundatiehuis? Dit scheen zeker, dat het gaan haar weldra verdroot, evenzeer als de warmte haar hinderde. Zij trad naar de alkoof, en nam uit de daarin voorhanden garderobe een lang kleed van eene fijne witte stof, gemaakt om als een peignoir gedragen en met eene cordelière om het middel bevestigd te worden. Nevens het ledikant stonden twee kleine muilen van wit satijn; kleiner dan de strik waarmede zij aan de bovenzijde versierd waren en die den smallen voorschoen bijna onzigtbaar maakte. Zij bukte met een zucht naar de muiltjes, en nam ze op. Den peignoir hing zij over de leuning van den fauteuil, die voor haar kapspiegel stond, liet de muiltjes langs haar kleed op den grond glijden, zoodat zij den voet slechts behoefde uit te steken om ze te kunnen aanschieten, en ging toen de openstaande vensters sluiten. Hoewel die vensters uitzagen in den tuin, en men in de populieren aan de overzijde had moeten klimmen om uit de verte een blik in hare kamer te hebben kunnen werpen, onthaakte zij nogtans de gazen gordijnen en sloeg ze over elkander, zoodat zelfs het doordringendst oog niet in staat zou zijn geweest, door de ranken en bloemen van zoo veel borduursel heen, waar te nemen hetgeen daarbinnen voorviel. Bovendien zou men een bedorven schepsel hebben moeten zijn om aanstoot te nemen aan hetgeen zij ging verrigten. Er viel toch binnen de muren van dit vertrek niets anders voor als dat eene jonge schoone vrouw, op een drukkende namiddag in de maand September, wanneer de warmte soms lastiger is dan in het midden van den zomer, zich in de eenzaamheid ontkleedde, haar knellend schoeisel verwijderde, en in een ruim kleed gehuld zich met een boek in de hand uitstrekte op haar sofa.

André had niets gezien; maar hetgeen hij vermoed en gehoord had vervulde hem tegelijk met blijdschap en met ontzetting. Hoe reddeloos verloren zou hij zijn, indien Lidewyde, onkundig en onbewust van zijne tegenwoordigheid, hem ontdekte! Hoe onuitsprekelijk belagchelijk zou hij zich in hare oogen gemaakt hebben, indien zij, hem gewaar wordend, opstond en hem de deur wees! Geëconduiseerd te worden als een luistervink en bespieder, welk een lot! Toch zou zelfs die harde en vernederende uitkomst, meende hij, indien zij zijn deel moest zijn, hem in sommige opzigten eeuwig benijdenswaardig blijven schijnen. Want al kon hij zich niet beroemen, meer geweest te zijn dan een blind getuige, hij had zich in Lidewyde's innigste nabijheid voelen verkeeren; had genoten van den waan, dat al de schatten harer schoonheid hem toebehoorden; had den droom geliefkoosd dat hij het was, om wiens wil zij de eenzaamheid zocht, en al de ceremonien der wereld uitschudde, en zich met geene andere sieraden tooide als waarmede God haar begiftigd had. Die ideale uitlegging had voor hem aan al hare bewegingen eene hoogere beteekenis gegeven. Toen zij hare armbanden had nedergelegd op het marmeren blad van haar toilettafel; toen zij haren gordel ontgespt had; toen zij haar gewaad had laten afglijden op het tapijt,—had elk dier ritselende geluiden hem als muziek in de ooren geklonken en had zijne verbeelding daaraan voorstellingen verbonden die hem in verrukking bragten. Dit zou hij nimmermeer vergeten; en het scheen hem toe dat die ééne herinnering genoeg zou zijn om hem daarna voor altijd te verzoenen, ook met de grievendste bejegening. Doch wat pijnigde hij zich zelven met allerlei vreezen? Zeker zou hij het onedel gevonden hebben, misbruik te maken van een voordeel, hem door het lot in den schoot geworpen. Lidewyde te kwellen, te vervolgen, te beleedigen,—daartoe was hij niet in staat. Indien zich haar regtmatigen toorn op den hals te halen in zijne oogen de zwaarste straf was, hoe zou hij het denkbeeld hebben kunnen verdragen, haar afschuw voor hem in te boezemen? Doch met dat al was het een feit, dat zij zich op dit oogenblik in zijne magt bevond. Hij had haar geen strik gespannen, haar niet belaagd, had niets gedaan om den toestand in het leven te roepen, waarin hij zich thans tegenover haar geplaatst zag. Was hare kamenier door hem omgekocht? Was hij het geweest die Lidewyde hier bescheiden had? Had hij niet veeleer te goeder trouw in de meening verkeerd dat zij den geheelen namiddag afwezig blijven zou, en waren niet allerlei kleine bijomstandigheden, met Sarah's uitgang aan de spits, hem in dat geloof komen versterken? Des te meer vrijheid zou hij desverkiezend thans gehad hebben, om uit zijnen schuilhoek te voorschijn te treden, zich aan Lidewyde's voeten te werpen, haar tegelijk zijne misdaad en zijne liefde te bekennen, en van hare ontroering partij te trekken om haar den hoogsten prijs te doen betalen voor zijne toekomende bescheidenheid. Doch hij verwierp die keus. Lidewyde, dacht hij, mogt niet boeten voor een trek, dien de kans haar gespeeld had. Argeloos was zij herwaarts gekomen; argeloos had zij zich opgesloten; argeloos rustte zij in zijne nabijheid. Het zou eene laagheid geweest zijn, die rust op eenigerlei wijze te verstoren.

Op eene proef van vele uren zou dat heldhaftig besluit misschien bezweken zijn. Doch eene zoo moeijelijke taak werd niet van hem gevergd. Den tijd, dien hij had doorgebragt met te luisteren naar het kloppen van zijn hart (want nu klopte het) en met na te denken over de licht- en schaduwzijden van zijnen toestand, had Lidewyde zich ten nutte gemaakt om zachtkens in te sluimeren; en getuige de regelmatigheid van hare ademhaling, was haar slaap weldra even diep als de onwetendheid waarin zij verkeerde omtrent André's liefde en André's nabijheid. Hij zegende nogmaals zijn gesternte. Niets verhinderde hem nu, zich over de leuning der sofa te buigen, en voor eene wijl aan zijne oogen het feest te gunnen van Lidewyde's aanschouwing. Langzaam en voorzigtig zou hij naar voren sluipen, en reeds had hij aan de lage zijde der rustbank de zoom van haar kleed meenen te onderscheiden, toen een zachte doffe slag hem met de snelheid van den telegraaf deed terugdeizen. Hij hield den adem in, en waande het oogenblik zijner ontdekking,—het smartelijk oogenblik waarop een schoone droom misschien voor altijd verstoord zou worden,—nabij. Doch het was niets geweest. Lidewyde's boek was haar ontgleden en op den grond gevallen, zonder dat de slag haar had doen ontwaken. Eene sekonde lang trilde haar ligchaam, gelijk slapende ligchamen in zulke omstandigheden plegen te doen; daarna verzonk zij weder in hare rust, nog dieper dan te voren; en naarmate zij vaster insluimerde, gevoelde André op nieuw zijnen moed ontwaken. Gedreven door de kracht van eenen hartstocht, die menigmaal de wijsheid beschaamd heeft van sterkeren dan hij, boog hij zich nogmaals voorover en zochten zijne oogen Lidewyde's gelaat. Ditmaal slaagde hij; en voor hij het zelf gelooven kon, stond hij overeind achter de sofa en zag hij neder op de rustende gestalte.

Hetgeen u het meest verwonderd zou hebben, indien gij hem op dat oogenblik gadegeslagen en in zijne ziel hadt kunnen lezen, zou geweest zijn, dat hij van geene andere gewaarwording zoozeer doordrongen was als van het geloof aan Lidewyde's onschuld. In hare kleeding was niets wat niet tot het schoonheidsgevoel, maar ook, volgens hem, niets wat tot de zinnen sprak. De wijde plooijen van haar lang en blank gewaad geleken de draperien van een standbeeld, en men moest van haren schouder af de lijn van hare heup volgen, tot waar de strik van het muiltje zigtbaar werd, om te bespeuren dat de rooskleurige tint van den kleinen blanken voet niet door menschenhanden geweven, maar door de natuur-zelve gemengd was. Zij lag met het aangezigt naar het getemperd licht gekeerd; haar blozende wang,—een blos door de sluimering verhoogd,—rustte op de zaamgevouwen handen, blank als sneeuw, en op die wang een lange zwarte wimper.

Waarom, helaas, bezit de voorspoed de eigenschap, hare gunstelingen overmoedig te maken? Toen hij Lidewyde eene poos in haren sluimer bespied had, wilde André ook weten, de onvoorzigtige, of zij werkelijk sluimerde; en hoewel gedruisch te maken het grootste gevaar was, waaraan hij zich blootstellen kon, de zucht naar zekerheid was magtiger dan hij. Op de toonen sloop hij van de achterzijde der sofa naar de voorzijde, waar haar gelaat en hare gestalte zich in al hunne schoonheid aan hem vertoonden: een mengsel van majesteit en bevalligheid. Die beweging kon hij echter niet maken zonder zich tusschen haar en het licht te plaatsen, en het was te vreezen dat het vallen zijner schaduw op hare oogleden en haar voorhoofd, haar zou doen ontwaken: doch zij verroerde zich niet. Hij bukte en raapte haar boek van den grond; een heldenstuk dat hij niet volbrengen kon zonder zich schier over haar heen te buigen: doch het bleek niet dat zij het geringste besef had van hetgeen voorviel om haar henen. Hij verwijderde zich van de sofa en deed ruggelings gaande eene schrede in de rigting der kaptafel; doch ofschoon op die eerste schrede eene tweede en eene derde volgden, haar slaap bleef even diep en hare houding dezelfde. In de nabijheid der kaptafel gekomen, strekte hij, zonder zich om te wenden, de hand uit en betastte, achter zich, de gouden sieraden, door Lidewyde daarop nedergelegd. Zoo voorzigtig kon hij dit alweder niet doen, of het aanvatten en loslaten dier voorwerpen was hoorbaar; hijzelf althans, toen zijne vingers aan het marmer raakten, onderscheidde duidelijk den klank van trillend goud. Doch Lidewyde's rust scheen onverstoorbaar. Begon hij argwaan te koesteren? Viel het hem in dat hij regt kon hebben, hare bewusteloosheid als een vrijgeleide te beschouwen? Toch niet. Ten einde toe volhardde hij in zijne eenmaal opgevatte meening; en toen hij, zich eindelijk omwendend, zoodat hij met het aangezigt voor den spiegel stond en Lidewyde's beeld zich op een afstand daarin weerkaatste,—toen hij haar eensklaps twee schitterende oogen naar hem zag opslaan in het glas en om hare lippen een glimlach zag spelen die niets verbood,—zelfs toen zou hij gezworen hebben (maar was het nu tijd voor zulke eeden?) dat elke berekening vreemd was geweest aan hare handelwijze, en alleen een gelukkig toeval haar in zijne armen en hem in de hare voerde.

Vierde Hoofdstuk.

Even buiten de poort, op den weg die van de stad naar Soekabrenti voerde, verschool zich tusschen het geboomte een bierhuis van den tweeden rang, in welks gelagkamer het zondagsavonds na kerktijd, en somtijds tot laat in den nacht, druk genoeg kon toegaan. In de dienstbodenwereld te M. was dit uitspanningsoord algemeen bekend onder den naam van het Fonteintje, en naarmate men tot diegenen behoorde welke aan de danspartijen in dit lokaal al dan niet deel namen, werd men naar de uitspraak dezer jury òf tot de klasse der femelaars gerekend, òf tot de talrijker en verlichter schaar van hen, die van oordeel zijn, dat de mensch aanspraak heeft op eene betamelijke mate van levensgenot. Het was zoo weinig eene kerk, en gold tegelijk zoo weinig voor een mauvais lieu, dat onlangs eene meerderjarige M'sche keukenmaagd van goede zeden, toen hare jeugdiger kameraad zich eene wijsneuzige aanmerking veroorloofde, het regt meende te hebben haar toe te voegen: "Hou je mond, kleuter, je hebt van je leven nog niet in het Fonteintje gedanst!"

In dezen tempel der maatschappelijke mondigheid was het dat Jakob, de huisknecht van dokter Ruardi, weinige dagen na de gebeurtenissen uit hooger sfeer waarvan in de voorgaande hoofdstukken gewag gemaakt is, des ochtends tusschen elven en twaalven eene hartsterking kwam gebruiken. Hij moest voor den dokter eene boodschap doen op Soekabrenti, en zou het eene daad van onnatuurlijke zelfverloochening geacht hebben, hier in het voorbijgaan niet even zijn anker neder te werpen en aan de toonbank een morgenpraatje te houden met zijne vriendin, de buffetjufvrouw. Hij beroemde er zich op, die jufvrouw te kennen van "haver tot gort"; hetgeen in zijnen mond beteekende, dat zij tot den kring der populaire Hebe's behoorde, die somtijds door hem met kleine geschenken werden vereerd, en van wie hij getuigen kon dat ondankbaarheid hare hoofdzonde niet was.

—"Wel nu nog fraaijer, mijnheer Jakob," zeide de buffetjufvrouw, in de eenzame gelagkamer bezig de groote glazen met tinnen deksels te reinigen, die in den loop van den dag herhaaldelijk gevuld en door de bezoekers van het etablissement herhaaldelijk geledigd zouden worden,—"zoo vroeg al op het pad? En nu zeggen de menschen nog, dat er geene witte raven bestaan!"

—"Geen kompliment dat gij mijn krullebol maakt, jufvrouw Bella!" antwoordde Jakob, zijn gegalonneerden hoed even optillend, ten einde haar eene vrijen blik op zijne kortgeknipte en gitzwarte borstels te gunnen. "Maar zwarte raaf of witte raaf, het staat u niet fraai, mij bij een roofvogel te vergelijken."

—"Gij zoudt toch niet willen, dat ik u bij een struisvogel vergeleek, mijnheer Jakob?"

—"Om den dood niet, jufvrouw Bella! Neen, indien ik volstrekt een vogel moet verbeelden... Mag ik u iets influisteren?" En voor zij nog wist of zij zijn verzoek zou toestaan of weigeren, had hij over de toonbank heen zijne holle hand aan haar oor gebragt en lispelde hij: "Ik ben het met Linnaeus eens, dat er geen beesten bestaan, die meer van kippen houden dan een haan."

—"Foei, mijnheer Jakob, gij moest u schamen," zeide de buffetjufvrouw, die de verzen van den Schoolmeester niet kende. "Een getrouwd man!" En zij bloosde wel, maar glimlachte toch.

—"Ik zou er u nog meer van kunnen vertellen," zeide Jakob. "Luister eens."

—"Dank u, genoeg is meer dan veel. Spaar mijne ooren, wat ik u verzoeken mag."

—"Uwe ooren, jufvrouw Bella, loopen niet het minste gevaar. Wat zegt de Schrift? Niet hetgeen door den mond ingaat verontreinigt den mensch, maar de booze gedachten, die opwellen uit zijn hart. Welnu..."

—"Zwijg, goddelooze spotter! Gij weet wel, dat zulke aardigheden mij niet aanstaan. Ik zou bijna gaan denken, dat het Fonteintje uwe eerste aanlegplaats van dezen ochtend niet was. Zijt gij den geheelen nacht weder aan het zwieren geweest?"

—"Toch niet, jufvrouw Bella; mijne positie is volkomen normaal. Met de kippetjes naar bed en 's morgens weer 't eerst op de baan, is eene vaste gewoonte bij den haan."

—"Gij wordt eentoonig, mijnheer Jakob," zeide het meisje, met eene poging om strak te zien. "Wat zult gij gebruiken? Een glas Kitzinger, of een glas Amsterdamsch?"

—"Geen van beiden, jufvrouw Bella. Voor apoplektische gestellen als het mijne, is beijersch bier geen gezonde drank. Het blaast op, het echauffeert, het bevordert de korpulentie. De dokter heeft mij het Banting-systeem voorgeschreven, en daar bevind ik mij uitmuntend bij."

—"Is dat een systeem van laffe rijmpjes maken, mijnheer Jakob?"

—"Rijmpjes? En ik onthaal u op het werk van een der grootste dichters, die Nederland ooit voortgebragt heeft! Gij leest geen kranten? Nu, zoo lang de Pruissen of de Franschen ons niet zullen ingepalmd hebben, zoolang zullen de Hollanders hunnen Schoolmeester in eere houden."

—"Zeg mij liever wat gij gebruiken zult, mijnheer Jakob. Van al die wijze praat begrijp ik niets."

—"Ik volg het Banting-systeem, heb ik u gezegd, jufvrouw Bella, en geef boven alles de voorkeur aan een morgenslokje uit het kommetje onder mijn stokje."

—"Bedoelt gij dit?" vroeg de jufvrouw, naar eene karaf jenever op schillen wijzend. "Of zijt gij weder in de war met uw schoolmeester?"

—"Gij raadt mijne geheimste gedachten, jufvrouw Bella. Werkelijk strekt mijne begeerte zich uit naar een glaasje citroen met suiker, buiten onder de verandah, als ik u verzoeken mag... Gij zijt immers niet boos op mij, jufvrouw Bella?"

—"Volstrekt niet, mijnheer Jakob. Mijne liefste gasten zijn zij, die zich eene plaats onder de verandah kiezen. Dan heb ik vrede in het buffet."

Hij trad naar buiten en zette zich neder op de groen geschilderde bank achter een der groen geschilderde tafeltjes, waarmede het voorplein der herberg gestoffeerd was. Jufvrouw Bella volgde hem, met een blaadje in de eene en een tot den rand gevuld glaasje in de andere hand.

—"Ik kan er immers op aan, dat gij niet boos op mij zijt?" vroeg hij, eene beweging makend alsof hij den arm om haar middel wilde slaan.

—"Ik zou het kunnen worden," antwoordde zij, onder het nederzetten van het kelkje. "Raak mij niet aan, wat ik u bidden mag!"

—"Ik zou u onbeleefd noemen, jufvrouw Bella, wist ik niet van nabij, dat uw hart voor zachter aandoeningen vatbaar is dan het nu openbaart. Jufvrouw Bella! jufvrouw Bella!" riep hij haar achterna.

Zij was de gelagkamer weder binnengewipt en stond hem te woord over de onderdeur.

—"Mijnheer Jakob, gij zijt een mooiprater. Is dat nu taal voor een gewoon mensch?"

—"Zoo praat men op het tooneel, jufvrouw Bella, en zoo behoort het. Wilt gij mij de eer doen voor morgen-avond een vrijkaartje van mij aan te nemen? Dan zal ik u de Schoone Helena laten zien."

—"Dank u hartelijk, mijnheer Jakob! ik moet te vroeg bij de hand zijn, om tot 's nachts twaalf uur in de komedie te zitten."

—"Reden te meer, ook voor u, jufvrouw Bella, om met de kippetjes..."

Doch toen hij weder van zijne kippetjes begon, was jufvrouw Bella eensklaps verdwenen.

—"Ik heb mij versproken, naar het schijnt," mompelde hij, legde het eene been over het andere, stak een sigaar op en savoureerde in de eenzaamheid zijn goudgeel borreltje.

Er scheelde intusschen veel aan, dat Jakob dezen ochtend werkelijk zoo vrolijk gestemd zou zijn geweest als men uit den luchthartigen toon van zijn onderhoud met het buffetmeisje mogt afleiden. Briefjes voor mevrouw Dijk waren zoo menigmaal aan zijne diskretie toevertrouwd geworden, en hij had zich te allen tijde met zoo goeden uitslag van de taak der overbrenging gekweten, dat zijn tegenwoordige gang naar Soekabrenti hem niet de geringste kwelling zou veroorzaakt hebben, indien eene soortgelijke boodschap ook ditmaal het doel van zijnen togt geweest was. Doch dit was het geval niet. Het biljet, hetwelk hij in de borstzak van zijn blaauwen rok met verzilverde knoopen bij zich droeg, was niet aan mevrouw Lidewyde, maar aan mijnheer Adriaan geadresseerd. Hij wist dat de dokter het geschreven had naar aanleiding van eene exceptioneel onstuimige konversatie, den vorigen avond te zijnen huize met Sarah gevoerd; en wanneer hij de opgevangen fragmenten van dien twist in verband bragt met hetgeen hem reeds sedert lang bekend was, kon hij met die bouwstoffen eene geschiedenis zamenstellen, geschikter dan eenige andere om den dokter te exaspereren. Misschien zou het natuurlijker of althans gewoner zijn geweest, indien hij zich in zijne kwaliteit van knecht over de déconfiture van zijnen heer in stilte verheugd had, denkend: boontje komt om zijn loontje, groote dieven worden te zelden gehangen, en het is niet meer dan billijk, dat wie zoovele anderen vernederd heeft, eindelijk ook zelf aan de deur wordt gezet. Doch niet-alleen was Jakobs inborst zoo niet, maar het streed ook met zijn belang, dat zijn meester zich brouilleerde met mevrouw Dijk. 's Dokters relatie met die dame was in den loop des tijds voor hem de bron geworden van een overvloediger casuel dan waarop menig dorpspastoor in Frankrijk of Oostenrijk voor het drijven van zijne huishouding en het onthalen van zijne superieuren rekenen kan; en van lieverlede was hij die buitengewone belooning zijner schranderheid en bescheidenheid als een vast inkomen gaan beschouwen. En wat zou nu gebeuren? Wanneer het Italiaansche bloed in 's dokters aderen eenmaal aan het gisten ging, deinsde hij voor niets terug, ook niet voor handelingen, die menigeen wreedaardig en verraderlijk genoemd zou hebben. Evenmin kon men weten, wat mijnheer Dijk zou aanvangen, wanneer iemand van dokter Ruardi's talent hem inzage van de boeken gaf. Mijnheer Dijk had geheel en al het voorkomen van een goedaardig man; en dat hij zich gedurende zoo langen tijd met open oogen had laten bedriegen door zijne vrouw en den dokter, was zeker geen bewijs van opvliegendheid; "doch ook mijn eigen vader ging door voor een sukkel," dacht Jakob, "hetgeen niet wegneemt dat hij mij somtijds bont en blaauw geranseld heeft." In dat briefje zelf zou nu wel niets staan, waar dadelijk gevaar bij was, maar het kon een begin zijn van eene door den dokter beraamde wraakoefening; en wanneer dat potje eenmaal te vuur stond, zou de dokter wel zorgen, dat mijnheer Dijk er zich het hardst den mond aan brandde. "Enfin," dus luidde de konklusie van Jakobs overwegingen, "het is een miserabel geval, en ik wilde om een lief ding, dat die mijnheer Kortenaer en zijn meisje (onder ons gezegd, dat meisje kan haar plezier ook wel op!) buiten ons vaarwater gebleven waren."

De weg naar Soekabrenti was in de week en op dit uur van den dag eene eenzame heirbaan, en van de plaats waar Jakob zat uit te rusten van de wandeling die hij nog moest ondernemen, kon men, tusschen de boomstammen door, de weinige voetgangers, die zich in de rigting der stad bewogen, reeds in de verte zien aankomen. De glooijing eener hooge brug met witte leuningen, waar eene vaart op eenigen afstand den weg door midden sneed, verminderde nog de voor die waarneming gevorderde inspanning; en Jakob vermaakte zich eene poos met op te merken, hoe van de personen, die hem naderden, nadat de ronding der brug hen gedurende korten tijd onzigtbaar had gemaakt, eerst het hoofd, dan de romp, en eindelijk ook de beenen weder allengs zigtbaar werden.

—"Een saai kijkje," sprak hij echter weldra in zichzelven. En schier onmiddelijk daarna, zich vooroverbuigend, ten einde scherper te kunnen toezien: "Dat 's casueel!" riep hij uit, alsof het kijkje hem eensklaps nieuwe belangstelling inboezemde, "hij is het, al zijn leven!"

De zwarte pet van glimmend wasdoek, de korte donkergrijze jas met metalen knoopen en de om het been spannende slobkousen van chocoladebruin laken, wier verschijnen op den top der brug Jakob dien kreet van verwondering deed slaken, behoorden aan niemand anders als Isidoor, den eerzamen huisknecht op Soekabrenti; in zoo ver namelijk een livereibediende zeggen kan dat zijne kleederen hem toebehooren, en niet hij aan zijne kleederen. Het duurde niet lang, of Isidoor, die met eene boodschap van Lidewyde naar stad moest, merkte op dat van onder den luifel van het Fonteintje, met dichterlijke vrijheid door Jakob en jufvrouw Bella de verandah genoemd, telegrafische seinen tot hem gerigt werden. Toen hij evenwel, nader gekomen, Jakob herkende, was zijne vreugde slechts matig; want Jakob had onder zijne kameraden den naam, in meer dan gewone mate "bij de pinken" te zijn, en Isidoor deelde in zoo ver in het zwak dier onbedeesden wien het niet aan verstand of doorzicht hapert, dat hij ongaarne overbluft werd. Des te meer viel het hem in de hand, dat Jakob dezen ochtend in het geheel niet spotziek gestemd scheen te zijn, en volstrekt geene aanstalten maakte om hem, Isidoor, voor het lapje te houden. De ontvangst was integendeel even hartelijk als gemeenzaam, en indien Isidoor het voorregt had gehad, Jakob meer van nabij te kennen, zou hij aan diens welwillendheid bemerkt hebben, dat Jakob hem noodig had.

—"Hou je me gezelschap," vroeg Jakob, naar zijn kelkje wijzend, "of ben je van de Afschaffing? Er is in mijn eigen leven een tijd geweest, dat ik vóór twaalven nooit iets anders als water met suiker dronk."

—"Voor mij moet die tijd nog komen," zeide Isidoor, die meende te weten dat men tot de dagen van Jakob's zuigelingsschap zou moeten opklimmen, alvorens de door hem bedoelde water- en suiker-periode te bereiken. "Maar als ik regtuit spreken zal, drink ik vóór twaalven liefst bier."

—"Ieder zijn meug," antwoordde Jakob. En zich naar de openstaande deur der gelagkamer wendend: "Jufvrouw Bella," riep hij, "een glas Beijersch voor mijn vriend Isidoor! Groote maat, als ik je verzoeken mag."

—"Ik ben op weg naar jelui toe," vervolgde hij, een deel van zijne eigen geheimen verklappend, ten einde des te spoediger achter die van Isidoor te komen. "De dokter zendt me met een briefje naar Soekabrenti. En wat moet jij zoo vroeg in de stad uitvoeren? Ik dacht dat jelui nooit anders boodschappen deedt als met rijtuig?"

—"Ik moet voor mevrouw een pakje brengen naar het expeditie-kantoor."

—"Dat verandert. Spoortreinen wachten niet."

—"Dat doen ze net niet; maar in dit geval zou de trein geen eer inleggen met te wachten, want mijn pakje hoeft niet mee."

—"Hoe heb ik het met je? Breng jij pakjes naar het expeditie-kantoor om thuis gelaten te worden?"

—"Niet precies. Mijn pakje moet worden bezorgd aan een adres in de stad."

—"Wat? Zoo als de rijke lui op Sinterklaas-avond doen, om te zorgen dat de vrinden niet weten zullen uit welken hoek de wind waait? Jou mevrouw is er tijdig bij, moet ik zeggen. Ik heb juist gisteren aan mijn kleine meid verteld, dat Sinterklaas' mooije japon nog twee maanden in de Bank moet staan, voor hij hem lossen kan."

—"De kleine meid, voor wie mijn pakje bestemd is, zou blij zijn, geloof ik, indien ze twee maanden uitstel kreeg," zeide Isidoor op geheimzinnigen toon.

Een minder naauwlettend hoorder dan Jakob zou het spel bedorven hebben door te vragen: "Voor wie is het dan?" Doch Jakob begreep dat de ander op den goeden weg was, en van hemzelven nog slechts een weinig meer openhartigheid gevorderd werd, om Isidoor de zijne te doen voltooijen.

—"Luister eens," zeide hij, eensklaps de hand op Isidoor's arm leggend en insgelijks een mysterieusen toon aannemend, "het gaat mij niet aan, welke boodschappen jou worden opgedragen, en mijn vader heeft me geleerd, dat een booi, die niet hooren, zien en zwijgen kan, geen knip voor zijn neus waard is. Maar, òf ik heb het mis, òf de wagen gaat op dit oogenblik bij jou aan huis evenmin regt als bij den dokter."

—"Bij den dokter?" vroeg Isidoor verwonderd. "Daar weet ik niet van."

—"Indien je alles wist, zou ik je niets te vertellen hebben, dat spreekt. Wil ik je eens wat zeggen? Ik geloof dat die mevrouw van jou een rare dame is."

—"Ik wou," zeide Isidoor met een zucht, "dat het anders was; maar ik vrees dat je gelijk hebt."

—"Waarom zet je daar een bedrukt gezigt over? Ze is geen kind; en wanneer ze dingen doet, die niet deugen, moet ze zelf weten wat er bij staat."

—"Jawel, maar voor de rest is ze een goed mensch; veel te goed om zich te vergooijen."

—"Dat is de vraag, Isidoor. Ken je de geschiedenis van prins Potemkin?"

—"Neen, van dien snuiter heb ik nooit gehoord."

—"Nu, er is reis een keizerin van Rusland geweest, die eerst er man gemold en toen een sleep vrijers nagehouden heeft, waarvan vriend Potemkin het verder heeft gebragt dan al de anderen. Minister, admiraal, generaal, stadhouder, prins,—de hemel weet wat de kerel al niet geworden is, ofschoon hij van afkomst maar de zoon van een armen kapelaan was. Want in Rusland, moet je denken, mogen de kapelaans trouwen, als ze willen, en kinderen krijgen als ze kunnen. Maar denk je dat iemand ooit precies geweten heeft waarom keizerin Katharina zoo'n zin had in dien jongen?"

—"Misschien was het wel..."

—"Je wilt zeggen dat hij meer verstand of meer courage had dan de anderen? Mis, maat! Hij was zoo dom als een eend, al hield hij zich, wanneer het op vechten aankwam, wijsselijk buiten schot. Er kan maar één reden geweest zijn, waarom de keizerin zich aan hem verslingerd heeft."

—"En dat was?"

—"Men kan alle dingen zoo niet bij 'er naam noemen; maar ik geloof dat keizerin Katharina om dezelfde reden van prins Potemkin hield, waarom jou mevrouw een hekel heeft aan 'er man. Ja, ja, Isidoor, sommige vrouwen zijn vreemde zeeschepen, en prins Potemkin was een mooije jongen, zoo hoog en zoo breed als een tamboermajoor. Maar dat 's tot daaraan toe. Is die mijnheer Kortenaer nog bij jelui gelogeerd? Hij is een keer of wat bij den dokter komen praten, en de dokter is een keer of wat met hem uit rijden of uit wandelen geweest. Het zou mij niet verwonderen, indien het briefje, dat ik in mijn zak heb, bestemd was om daar een einde aan te maken. De dokter is op zijn gezelschap niet bijzonder gesteld, lijkt het wel."

—"En zendt mijnheer Ruardi jou om die reden naar Soekabrenti?" vroeg Isidoor, die het oogenblik gekomen achtte om op zijne beurt Jakob een weinig uit te hooren.

—"Dat zou ik je niet kunnen zeggen," antwoordde Jakob droogjes; "maar wel, dat het briefje niet voor mijnheer Kortenaer, maar voor mijnheer Dijk is. Het zou evenwel kunnen wezen, dat mijnheer Dijk alleen dienen moest als tusschenpersoon, net als jou expeditie-kantoor."

—"En voorzie je dat daar ongenoegen van komen zal?"

—"Wel zeker voorzie ik dat, en erg ongenoegen ook."

—"Het doet me pleizier dat je niet luchtig denkt over hetgeen tegenwoordig bij ons aan huis voorvalt. Ik heb medelijden met dat juffertje."

—"Nu zeg je precies hetzelfde, Isidoor, wat ik bezig was bij mijn eigen te overleggen, toen ik je daareven zag aankomen. Dat meisje, zei ik, kan 'er pleizier meer dan op."

—"En ik vrees dat haar pleizier nog verminderen zal, wanneer ze dit pakje ontvangt."

—"Heb ik het niet gedacht," riep Jakob, achter een schijn van verontwaardiging zijne zelfvoldoening over Isidoor's mededeeling verbergend. "Mevrouw Dijk doet met jufvrouw Emma even als de dokter met mijnheer André."

—"De tijd moet het leeren, Jakob; maar ik kan je zeggen dat ik van mijn mevrouw nooit zoo iets vermoed zou hebben."

—"Ik ook niet," antwoordde Jakob. "Gelukkig voor ons, dat wij onze handen in onschuld wasschen kunnen. Maar onze lieve Heer is regtvaardig, dat heb ik altijd gezeid. Wij, arme drommels, moeten het werk doen; maar de verantwoording komt voor rekening van de grooten. Zoo krijgt elk zijn deel. Nog een halfje Beijersch?"

Het aanbod was niet geheel en al opregt; doch al ware het dat geweest, Isidoor zou het in elk geval van de hand gewezen hebben. Hij was een te naauwgezette knaap om ter wille van zijne gemoedsbezwaren zijne boodschappen te verzuimen.

Jakob was ruimer van geweten, en vond het geene doodzonde vóór hij Isidoors voorbeeld volgde, nog een halfje citroen met suiker te gebruiken. In het eind evenwel nam ook hij afscheid van het Fonteintje, en ging hij zich kwijten van den hem opgedragen last.

—"Veel wijzer ben ik niet geworden," zeide hij bij zichzelven, toen hij zijne vertering betaald had en men hem den weg naar Soekabrenti zag opwandelen. "Maar toch wel een beetje. Wel, wel, moet jufvrouw Emma de vesting ruimen! Wonder is het niet, want voor Isidoors mevrouw is zij geen portuur. Met dat al spijt het mij vervl—, dat de dokter en mevrouw Lidewyde met elkander over hoop liggen. Dat zal een geduchte streep door mijne rekening zijn. Een lieve jongen, die mijnheer André!"

Vijfde Hoofdstuk.

Hoewel Adriaan Dijk voorwaar geen genie was, zou men hem ten onregte voor een lafaard gehouden hebben, en wie hem in de eenzaamheid had kunnen gadeslaan, toen hij, uit de stad gekomen, Ruardi's briefje vond en zich daarmede naar zijne kamer begaf, zou getroffen zijn geweest door de uitdrukking van vastberadenheid, welke zich eensklaps over zijne gelaatstrekken verspreidde. Eerst stapte hij, met de armen over de borst gekruist, eenige malen het vertrek op en neder, opende toen zijn bureau, waarvan de cylinder naar achteren week, wanneer men het blad bij den knop vatte en naar zich toe trok, en zette zich toen met het hoofd in de hand, blijkbaar zonder eenig voornemen om thans schrijf- of ander werk te verrigten, peinzend neder in zijn ronden stoel.

—"Gij zijt ijdel," zou de wereld hem hebben kunnen toevoegen, en tot staving van dat verwijt had zij zegevierend kunnen wijzen op zijn hunkeren naar een mandaat waarvoor hij niet berekend was. "Gij zijt dom," kon zij vervolgen, en onder vier oogen zou Lefebvre het haar uit den grond zijns harten hebben nagezegd. "Gij zijt veel te goed van vertrouwen," kon zij er bijvoegen, en indien Jakob of Sarah uit de school hadden willen klappen, zouden zij hem van de waarheid dier stelling op eene voor zijn gevoel uiterst pijnlijke wijze hebben kunnen overtuigen. Doch juist Ruardi was de man, die hem van elke opkomende achterdocht ten aanzien van Lidewyde telkens genezen had; zoodat zijne eenige fout, in zake van ligtgeloovigheid, hierin bestond, dat hij Ruardi's vriendschap voor eene uitgemaakte zaak hield. Zal men weigeren te erkennen dat die dwaling hem tot eer verstrekte, ook al was hij overigens die hij was? Schranderder lieden dan hij, lieden van wie elk erkent dat hunne handelingen te geener tijd door vaniteit bestuurd werden, zijn dwaas genoeg geweest om ten einde toe aan de goede trouw van sommige personen te gelooven; en het moet nog uitgemaakt worden, of het beter is, alle menschen zonder onderscheid te verdenken, dan enkelen hunner als het uitgedrukt beeld der welwillendheid aan te merken.

Er rustte op Dijks huwelijksleven een dier sluijers, welke alleen door de dienstboden van Jakobs soort plegen opgeligt te worden. Lidewyde had hem indertijd hare hand geschonken,—ja waarom? omdat zij eene natuurlijke dochter was. Op een leeftijd dat andere jonge meisjes nog naauwelijks de kinderschoenen ontwassen zijn, had het besef van dien toestand haar reeds naar een huwelijk doen verlangen. Zij wilde levenslang aan iemand toebehooren; een eigen naam dragen, gelijk alle andere menschen in haren kring; een eigen huis en eene eigen omgeving bezitten. Die wensch verdrong bij haar destijds al het overige; en toen zij op achttien- of negentienjarigen leeftijd aan Adriaan Dijk verbonden werd, was haar geduld, meende zij, reeds op de uiterste proef gesteld geworden. Wat hem betreft, hare ongemeene, uitheemsche schoonheid had hem eene wijl betooverd, en daarbij was het vragen van hare hand in zijne oogen eene daad van courtoisie, bijna eene heldendaad geweest. Zijne moeder, tegen wie hij van jongs af zeer had opgezien, wier afkeuring hij nog nooit getrotseerd had, was eerst te elfder ure tot berusten gekomen, en het had hem vrij wat moeite gekost, haar eene vondeling, gelijk zij Lidewyde noemde, als schoondochter te doen erkennen. Doch de vreugde over die zegepraal was slechts van korten duur geweest. Geene drie maanden na zijn huwelijk was tusschen Lidewyde en hem eene onoverkomelijke verwijdering ontstaan; eene dier scheidingen, welke voor het oog der wereld verborgen kunnen blijven, omdat zij haren oorsprong nemen in eene door haar zelve ten toon gedragen koelheid. Weldra zou het zes jaren worden dat Adriaan en Lidewyde voor elkander niets anders geweest waren als twee personen, die in hetzelfde hôtel, ten onregte hun huis genoemd, verschillende appartementen bewoonden.

Het was heden geenszins voor de eerste maal in dat half dozijn jaren dat Adriaan nadacht over hetgeen hij doen zou, indien Lidewyde hem te eeniger tijd openlijk ontrouw werd. In bijzonderheden, wel is waar, had hij daaromtrent nooit iets kunnen vaststellen, omdat de te nemen wraak of de te eischen voldoening zich natuurlijkerwijze zouden moeten regelen naar de omstandigheden, waaronder de beleediging zou plaats hebben. Doch indien hij met zijne wenschen te rade ging, wist hij met genoegzame zekerheid op welke soort van strafoefening, al zou de wereld daarvan dan ook schande spreken, zijne keus zich vestigen zou, en zelfs zou hij de wapenen hebben kunnen noemen en aanwijzen, waarvan hij zich bij die gelegenheid liefst zou bedienen. In het eerste jaar van zijn huwelijk had hij een gitzwarten Newfoundlander bezeten, aan wien hij om zijne vrolijkheid en hartelijkheid bijzonder gehecht was, en wiens doodvonnis (het dier was sporen van dolheid gaan vertoonen, of was althans eensklaps niet langer te vertrouwen geweest) hij met een verdeeld gemoed onderteekend had. Eerst had hij Marcelis last gegeven, den hond buiten zijne voorkennis te doen afmaken; doch naarmate het oogenblik naderde, waarop hij berekenen kon dat zijn bevel ten uitvoer zou worden gelegd, was de vrees hem gaan bekruipen, dat men het dier meer zou doen lijden dan volstrekt noodig was. Ten slotte was hij naar de stad gereden, had bij een geweermaker den moorddadigsten revolver gekocht, die in 's mans magazijn te vinden was, en had met eigen hand den armen Moor, die roerloos en met bloedroode oogen op eene binnenplaats aan zijne ketting lag, door den kop geschoten. Sedert dien tijd rustte dat wapen achter de kleine kunstig gesloten deur onder den cylinder van zijn bureau, en slechts enkele malen haalde hij het voor den dag, ten einde het te reinigen en in bruikbaren staat te houden. Naast den revolver lag de korte zweep met den langen en zwaren slag van gevlochten leder, dien hij gewoon was geweest bij zich te steken, wanneer hij met Moor eene verre wandeling ging doen. Niet dat de hond veelvuldig behoefde gekastijd te worden; maar hij was te gelijk een zwemmersbaas en een aartsvijand van wolvee, en indien men onderweg geen ongenoegen krijgen wilde met herders of boeren, was het somtijds zaak hem tot zijnen pligt te roepen. Zoo verleidelijk evenwel konden de ontstelde schapen met hunne dikke lijven en hunne korte pooten niet voor hem uitrennen; zoo breed kon de molenvliet niet zijn, die hij moest overzwemmen om zijnen meester weder in te halen, of op het eerste geluid van Adriaans zweepslag keerde Moor, druipend en hijgend, op zijne zevenmijlssprongen terug.

De vraag of er eene bijzondere predispositie noodig is om te eeniger tijd een doodslager of een beul te worden, dan wel of de aanleg daartoe, zonder onderscheid van individuen, bij alle menschen als kiem wordt aangetroffen, is welligt niet meer dan eene thesis voor de eene of andere debating-club. Predikers der godsdienst hebben herhaaldelijk in den loop der eeuwen het laatste alternatief tot het onderwerp van roerende toespraken gemaakt; het eerste is door moralisten van de physiologische school meermalen als ruim zoo waarschijnlijk voorgesteld. Doch zoo min die zede-als die godsdienstleeraars zouden in staat zijn geweest Adriaan Dijk de bekentenis te ontlokken, dat, indien een man hem zijne eer ontroofde en zijne vrouw aan dien roof medepligtig was, hij het regt niet hebben zou, Lidewyde voor dat misdrijf te tuchtigen en haren minnaar te dwingen, zich met eigen hand het leven te benemen. Op dat punt koesterde hij eene vastheid van overtuiging, waarvan men beweren kon dat zij aan zinsverbijstering grensde, doch tevens erkennen moest, dat zij de onbeduidendheid van zijn persoon tot op zekere hoogte neutraliseerde. Het eene wapen om hem te vernietigen, het andere om haar te vernederen: van die opvatting was hij niet af te brengen. Dat stond geschreven, meende hij. En aan de regtmatigheid van dat inzigt geloofde hij met dezelfde onverzettelijkheid als een Arabier gelooft dat God groot en Mohammed zijn profeet is.

Zesde Hoofdstuk.

De besteller van het expeditie-kantoor had zijnen pligt kwalijk betracht, of wel de chef van het bureau had aan verstrooidheid geleden. Althans, eerst in den loop van den avond, toen zij van huis was en met André eene wandeling in het Park deed, was het voor Emma bestemde pakje aan haar adres bezorgd geworden.

—"Hier is een pakje voor de jufvrouw," had Floris gezegd, toen hij de lampen was komen opsteken.

—"Van wien komt het?" had freule Bertha gevraagd.

—"Dat is er niet bij gezegd," had Floris geantwoord. "De man, die het bezorgd heeft, is dezelfde die boodschappen pleegt te doen voor het expeditie-kantoor."

—"Leg het dan maar neder op de jufvrouws plaats," had de freule bevolen. "De jufvrouw kan elk oogenblik thuis komen."

Emma kwam, en vond de freule als naar gewoonte bij haar theeblad zitten. Zij zou even naar hare kamer gaan, zeide zij, om zich van haar wandelkostuum te ontdoen; dan kon zij verder rustig beneden blijven en zou zij de freule iets voorlezen.

—"Doe dat, liefkind! Hoe meer gij mij mijne oude oogen helpt ontzien, hoe grooter dienst gij mij bewijst. Floris heeft daareven een kleinigheid voor u binnengebragt, die gij misschien zult willen medenemen naar boven. Ik heb hem gezegd, dat hij het dingje op uwe plaats zou deponeren. Ligt het daar niet?"

—"Waar?" vroeg Emma, die het pakje eerst niet opgemerkt had.

—"Voor u, op de tafel."

—"Hoe kan ik zoo onoplettend zijn! Gij bemerkt, freule, dat men jonge oogen niet te spoedig prijzen moet."

—"Nu, nu, gij zult eene aanstaande bruid niet hard vallen, omdat zij kleine distrakties heeft."

—"Staat dat in de Schrift, freule?" vroeg Emma lagchend.

—"Neen, jufvrouw ongeloof, de Schrift bezondigt zich niet aan zulke zwakheden. Dat doen alleen oude vrouwen, die een te goed hart hebben voor de jonge."

—"Mag ik dan even gaan? Binnen vijf minuten ziet gij mij weder hier."

Emma had dien avond aan André niets ongewoons bespeurd. Alleen toen hij reeds afscheid van haar genomen had was haar ingevallen, dat het hartelijker van hem geweest zou zijn, indien hij voor het minst eene poging had aangewend om de wandeling nog een weinig te rekken. Doch ook dat verzuim had haar niet bijzonder getroffen, omdat zij wist dat hij altijd vol bezorgdheid was voor hare gezondheid en hij de avondlucht bepaald schadelijk achtte voor haar gestel. Arm in arm hadden zij tusschen de oude boomen en het jonge plantsoen gedwaald,—van de kiosk, waar muziek gemaakt werd, naar den vijver, en van de hertenkamp terug naar de kiosk. Buitengemeen vertrouwelijk of teeder waren hunne gesprekken niet geweest; daartoe was het dien avond in het Park niet eenzaam genoeg, en hadden zij te vaak zorg moeten dragen, den groet van nieuwe M'sche bekenden met wedergroeten te beantwoorden. Niettemin had het onderhoud geen oogenblik gekwijnd. Zooveel de gelegenheid het toeliet en met zorgvuldig vermijden van Lidewyde's naam (bij stilzwijgende overeenkomst was tusschen hen in de laatste dagen geene spraak van Lidewyde geweest), hadden zij als van ouds gekeuveld over tijd en toekomst. Toen de duisternis begon te vallen, waren zij den stroom der huiswaarts keerende wandelaars gevolgd en voor de deur van freule Bertha's woning had André, meteen vriendelijk: "Tot morgen!", hare hand eerst zacht gedrukt en daarna gekust.

—"Wat beteekent dat?... Van waar komt dat?... Wat zal nu volgen?... Hoe zou hij het verloren,... wie zou het hem ontnomen,... aan wie zou hij het gegeven hebben?... Ach, dat ik niet zien kan!... Floris, Floris, breng licht!"

In de meening, dat het pakje afkomstig was uit een magazijn, waar zij des ochtends eenige kleine emplettes had gedaan, had zij het gedachteloos met zich medegenomen naar hare kamer; en reeds was zij op het punt weder naar beneden te gaan en het aan freule Bertha gegeven woord gestand te doen, toen zij zich herinnerde, niet eenmaal inzage genomen te hebben van hetgeen de oude dame met zooveel trouwhartigheid voor haar in ontvang genomen had. Zonder licht naar boven geloopen, had zij, half op het gevoel, het pakje nedergelegd op hare schrijftafel; doch de gaslantaarn op de straat brandde helder genoeg om het haar weldra te doen terugvinden. Zij beproefde, of welligt de hand van schrijver of schrijfster op het adres haar de herkomst van het gezondene zou kunnen doen raden; want het pakje scheen van buiten de stad te komen, of was althans anders en zorgvuldiger gesloten dan met gewone, bezendingen uit winkels het geval pleegt te zijn. Doch het schrift was te fijn, en zij onderscheidde alleen de aanvangletters van haar eigen naam en voornaam. Eerst toen zij drie of vier malen haar schaartje gebruikt, het bindgaren doorgeknipt en het eene papier voor, het andere na verwijderd had, ontwaarde zij, dat die windselen alleen hadden moeten dienen om haar zoo lang mogelijk naar een klein rond voorwerp te doen zoeken, hetwelk nogmaals in een papier gewikkeld was. Zij betastte het, en ofschoon zij nog niet wist wat het was, begon haar hart eensklaps sneller te kloppen en bekroop haar een geheime angst. Zij zou gezworen hebben, dat het voorwerp, hetwelk zij in de hand hield, haar eenmaal in eigendom had toebehoord; dat zij het honderd malen had aanschouwd; het jaren achtereen, aan een fijn zwart koord bevestigd, om haren hals gedragen had. Doch hoe kon het medaljon, hetwelk zij eenige dagen geleden aan André had geschonken, en dat hij plegtig beloofd had, levenslang te zullen bewaren als een onderpand van hare liefde, zich eensklaps in dit pakje bevinden? Moedig verbande zij elke gedachte, welke op nieuw eene schaduw zou hebben kunnen werpen op André's karakter; en zelfs toen zij met bevende vingers het laatste papier, dat dunner en buigzamer was dan een der vorige, opengevouwen had; met onbedriegelijke zekerheid haar eigen geschenk herkende; als eene gejaagde het vertrek op en neder liep, om licht roepend en in hare radeloosheid de middelen niet vindend om het zich zelve te verschaffen,—zelfs toen geloofde zij nog aan eene dier duizend gunstige mogelijkheden, wier naam zelfbedrog of misverstand is.

Eindelijk vond zij op den schoorsteenmantel, achter eene candelabre, het porseleinen doosje dat tot bergplaats voor de lucifers diende. Den vorigen avond had zij het zelve daar nedergezet, en in elke andere omstandigheid zou zij het onmiddelijk teruggevonden hebben. Doch met het licht kwam wel de waarheid, maar niet de vrede. Aan de binnenzijde toch van het glanzig blad, waarin vaardige vingeren waren aangevangen het medaljon te vouwen, stonden in het Fransch eenige woorden geschreven, die naauwlijks voor tweederlei uitlegging vatbaar schenen te zijn. Reeds voor zij er in geslaagd was eene bougie te ontsteken, had de gladheid en fijnheid van dat papier Emma's aandacht getrokken; en meer nog dan zijne schitterend witte kleur of zijne satijnachtige oppervlakte, de verveinegeur die het verspreidde. Zij bedroog zich niet. Eau-de-verveine was Lidewyde's geliefkoosde parfumerie, en het fraaije blad papier was afkomstig uit Lidewyde's buvard. Ook had Lidewyde de moeite niet genomen, haar schrift, dat zeer elegant en tegelijk zeer eigenaardig was, onkenbaar te maken. Recueilli sur le cœur d'un charmant infidèle, luidden de fransche woorden, bestemd om naar het medaljon te verwijzen; en die woorden waren geschreven met dezelfde vaste en loopende hand als het briefje, waarin Lidewyde Emma verzocht had, Belvedere voor eene wijl met Soekabrenti te verwisselen. Emma bezat dat briefje nog. Het lag in hare schrijfportefeuille; en de overeenkomst van het eene handschrift met het andere maakte elk verder onderzoek overbodig. Ten overvloede prijkte Lidewyde's voorletter, gevat in het schild van een gestempeld fantasiewapen, bovenaan links op den brief zoowel, als op het nu ontvangen biljet.

Hoe overtuigend dit alles ook was, duurde het eene poos alvorens Emma zich van het aan haar gepleegd verraad ten volle bewust werd. Welk leed had zij ooit aan Lidewyde berokkend, dat Lidewyde haar aldus naar het hart stak? Wat kon het Lidewyde schelen, hoe het André's bruid verging, mits André haar toebehoorde?... Doch bij het doen dier laatste vraag, waarin tot tweemalen toe den naam van André voorkwam, overmeesterde haar op nieuw het gevoel der doodelijke zekerheid. Lidewyde moest zelve weten hoe zij haar gedrag verantwoorden kon. Zij, Emma, was daarvoor niet aansprakelijk. Van zulke vrouwen en zulke hartstogten kon zij zich geene voorstelling vormen. Doch hoe kwam Lidewyde in het bezit van André's medaljon? Emma kon niet gelooven dat hij het haar geschonken zou hebben. Het lag niet in zijnen aard, meende zij, opzettelijk trouweloos te zijn; en daarin oordeelde zij juist. Doch wat lag dan wèl in zijnen aard? Nog den vorigen dag had hij haar verhaald, welken hoogen prijs hij stelde op het hem dien zekeren ochtend door haar geschonken verzoeningsteeken; hoe weldadig het hem had aangedaan, aldus door haar bejegend te zijn; dat zij de teederste en de edelmoedigste van alle bruiden was, en hij haar medaljon nacht en dag op zijne borst droeg. En zij, toen hij haar edelmoedig genoemd en daardoor zijdelings bekend had, dat door hem aanleiding was gegeven tot het gerezen misverstand, zij had niet voor hem willen onderdoen in openhartigheid, maar had het geheim der aan zijn oog onttrokken teekening,—met welk een ijver en welk eene droefheid zij had zitten arbeiden aan hare aquarel; hoe zij daarbij gestadig aan hem gedacht, en welke noodlottige voorstellingen hare fantasie aan de donkerroode kleur der al de andere rozen overschaduwende François Premier verbonden had,—eerlijk opgebiecht. Was er dan wel een naam te vinden voor André's gedrag? Slechts op ééne wijze was het medaljon uit zijn bezit in dat van Lidewyde kunnen overgaan, en wanneer Emma bedacht, wat daartoe noodig was geweest, verkreeg de eerste indruk weder de bovenhand en ontsnapte haar op nieuw de kreet waarmede zij Lidewyde's briefje van zich af- en op den grond geworpen had: "Afschuwelijk!"

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings