IN HET VUUR. (continued 2)
Reading edition
—"En wat," vroeg Lidewyde, de wenkbraauwen fronsend en op ongeduldigen toon het gesprek voortzettend, "wat is zijn antwoord geweest?"
—"Eerst verbleekte hij, tegen zijne gewoonte, en beet zich op de lippen. Toen ik aanhield en zeide dat gij den sleutel en de brieven tot iederen prijs terug verlangdet, wilde hij de reden kennen. Hij vroeg—ja wat al niet."
—"Wat vroeg hij dan?"
—"Hij vroeg, waarom gij in plaats van mij die boodschap voor hem op te dragen, haar niet zelf gedaan hadt, en wat het beteekende dat ik hem achterna gezonden werd, daar het toch een oogenblik te voren in uwe magt had gestaan, hem uwen wensch mede te deelen."
—"Dat kon, dat wilde ik niet. Indien ik hem alleen haatte, zou ik wel woorden vinden; harde of zachte om het even. Maar bij de gedachte dat hij mij in zijne magt heeft,—hij mij,—gevoel ik mij zelve in zulk eene woede ontsteken, dat de spraak mij begeeft. Wat vroeg hij nog meer?"
—"Iets dat hij niet gevraagd zou hebben, indien hij u had hooren spreken gelijk gij nu doet. Hij vroeg, of gij hem niet meer lief hadt?"
—"Dat kan hij niet gemeend hebben. Hij weet dat ik hem haat. Hij moet het weten!"
—"Met uw verlof, mevrouw, zoo lang onverschilligheid de eenige vorm is waaronder gij hem uwen afkeer laat blijken, kan hij te goeder trouw meenen dat uwe koelheid slechts voorbijgaande is."
—"Noem Ruardi en de goede trouw niet in één adem, wat ik u verzoeken mag. Hij is de valschheid in persoon. Hebt gij hem dan niet gezegd dat ik hem met mijn geheele hart verfoei? Waar waren uwe zinnen, Sarah?"
—"Ik had geene vrijheid om hem dat te zeggen, mevrouw. Mijn antwoord is dan ook geweest, dat hij alsnog, voor zoo ver ik wist, niet aan uwe liefde behoefde te twijfelen, en ik uw wensch meer als eene gril dan als een bevel of een eisch beschouwde."
—"Gij hebt gelijk, Sarah. Vergeef het mij, dat ik daareven iets onvriendelijks tot u zeide. Het zou lafhartig van mij zijn, u een last op te dragen waarvoor ik zelf tot hiertoe teruggedeinsd ben. En wat antwoordde hij, toen gij hem om bestwil met die halve waarheid tevreden hadt zoeken te stellen?"
—"Dat dezelfde redenen, die u den sleutel en de brieven deden afvragen, hem bewegen moesten om ze te houden."
—"Juist een antwoord voor hem. Zoo iets puntigs en snijdends, dat een schijn van diepzinnigheid heeft, maar in den grond der zaak niets beteekent. O Sarah, Sarah," zuchtte Lidewyde, terwijl zij als in vertwijfeling de handen aan het voorhoofd bragt, "waarom heb ik dien man ooit mijn vertrouwen geschonken!"
Had Sarah de booze wereld vertegenwoordigd, zij zou geantwoord hebben dat Lidewyde ongetwijfeld minder wanhopig en bekommerd zou zijn geweest, indien zij dokter Ruardi nooit iets anders geschonken had als haar vertrouwen. Doch stekelige gezegden van dien aard vielen evenmin in Sarah's smaak of karakter, als het openbaren eener in dit geval anders niet onnatuurlijke deernis. Eene gewone vrouw van Sarah's leeftijd en positie zou Lidewyde, hoe schuldig deze dan ook wezen mogt, niet zonder mededoogen hebben kunnen zien lijden. Want dat zij leed was duidelijk. Daarvan getuigde de ongelijkheid van haar humeur; hare onnatuurlijke neerslagtigheid in het eene, hare even onnatuurlijke opgewondenheid in het andere oogenblik; de sombere stemming, waarin gisteren avond André haar aangetroffen had; de gemaakte opgeruimdheid, waarmede zij dien ochtend met hem had geschertst en gekeuveld; de hartstogtelijke toon, waarop zij daareven was uitgevaren tegen Ruardi. Doch voor Sarah was het eene uitgemaakte zaak dat Lidewyde ophouden zou zich ongelukkig te gevoelen, van het oogenblik af dat zij haren minnaar zou kunnen trotseren, en de reden van Lidewyde's verdriet alleen hierin bestond, dat zij voorshands niet in de gelegenheid was, haar overwigt te doen gevoelen. Dat onvermogen, meende Sarah, noopte tot nadenken, niet tot medelijden. Het kwam er slechts op aan, een middel te ontdekken en aan te wenden, waardoor Lidewyde, die zich thans in de magt van den dokter bevond, hem op hare beurt tot onderwerping zou kunnen brengen, of althans hem op eene kwetsbare plaats zou kunnen grieven.
—"En toch," vervolgde Lidewyde, "er moet een einde komen aan onze valsche verhouding. Zoo kan het niet langer. Zijne gemeenzaamheid is mij ondragelijk geworden. Liever openlijke vijandschap dan zulk een omgang."
—"Mevrouw weet even goed als ik," antwoordde Sarah, "dat al het ongerief eener vriendschapsbreuk met den dokter nederkomen zou op haar eigen hoofd. De blindheid van mijnheer Dijk heeft grenzen."
—"Mijn man is een ellendeling," viel Lidewyde haar in de rede. "Nimmer zal ik hem de helft van het leed kunnen berokkenen dat hij gebragt heeft over mij. Wat raakt het mij, of hij verdriet heeft? Wanneer heeft hij zich over het mijne bekommerd?"
—"Niet dikwijls, dat erken ik; maar," ging Sarah voort, "daar staat tegenover dat mijnheer Dijk, toen gij gelukkig waart met dokter Ruardi, geen hinderpaal voor u geweest is. Die verdienste behoort erkend te worden."
—"Eene fraaije verdienste!" riep Lidewyde op minachtenden toon.
—"Thans, nu ieder weet dat dokter Ruardi de beste vriend is van uw man,"—de kamenier vond het niet noodig het "mijnheer Dijk" tot in het oneindige te vermenigvuldigen en verhielp onder de hand nog eene kleinigheid aan Lidewyde's kapsel,—"thans bestaat er voor zijne veelvuldige bezoeken hier aan huis eene natuurlijke reden. Doch zoodra gij zelve dat voorwendsel vernietigt, zullen uwe vriendinnen van de gelegenheid gebruik maken om zich van u af te zonderen. En zij, die het meest op haar geweten hebben, zullen uw gezelschap het ijverigst mijden. Op die wijze zult gij u dubbel eenzaam gaan gevoelen."
—"Maar moet ik dan," vroeg Lidewyde, met ongeduld oprijzend, ten einde Sarah in staat te stellen de knoopjes aan de achterzijde van haar kleed te bevestigen, "moet ik ten eeuwige dage vastgeketend blijven aan een schepsel, dat ik niet liefheb, dat ik haat, dat ik veracht? Is het niet genoeg, dat iemand die zich mijn man noemt, dag aan dag mijn leven verbittert? Ben ik gedoemd, hetzelfde ten tweede male te lijden door toedoen van een ander, die er zich op verheft mijn minnaar te zijn? Dat is duldeloos, zeg ik u."
Het leven was voor Sarah-zelve zoo onvriendelijk geweest; wettige instellingen en deugdzame menschen hadden haar zoo ongelukkig gemaakt; zij had zooveel en zoo lang geleden door op de werkelijkheid te willen toepassen hetgeen zij van kindsbeen af onder braaf-zijn had leeren verstaan,—dat het haar niet tegen de borst stuitte, maar veeleer eene verademing voor haar was, te doen te hebben met eene vrouw als Lidewyde. Misschien was Lidewyde haar mindere in geboorte, en stellig was er in haar eigen leven een tijd geweest, dat zij het regt zou gehad hebben, haar ook als hare mindere in maatschappelijken rang te beschouwen. Doch wat zou dit? Zij was oud; zij was nooit eene schoonheid geweest; zij had met het verledene onherroepelijk afgerekend. Lidewyde daarentegen telde nog slechts vijfentwintig jaren (geheel ten onregte had André haar voor ouder aangezien); elke trek van haar gelaat, indien zij wilde, ademde levenslust; elke lijn van haar fraaigebouwd ligchaam was rond en zacht. Om tot model eener Venus te kunnen dienen, was zij misschien een weinig te breed en te gevuld; doch de andere Pradier, die haar had mogen voorstellen als eene rustende Bacchante, met wingertranken en druiventrossen gekroond, zou door zijne romantische kameraden begroet geworden zijn als een wreker der antieken. Onder de weinige dingen die Sarah nog aan het leven hechtten, behoorde het dagelijksch verkeer met dit van onder een anderen hemel herwaarts overgeplant natuurkind, dat in ons noordelijk klimaat, in onze germaansche maatschappij, niet aarden wilde. Wanneer Sarah aan den eindeloozen winter dacht, dien hare meesteres aan de zijde van een man als den haren sleet; aan de nieuwe teleurstelling, die Lidewyde's deel was geworden sedert zij voor den vriend van dien man vrijwillig had opgeofferd hetgeen duizend andere vrouwen onder tranen en gebeden zouden verdedigd hebben als haar hoogste goed, betrapte zij zichzelve op eene belangstelling, waarvan zij moeijelijk rekenschap zou hebben kunnen geven en misschien ook liever geen rekenschap gegeven had. Tot geenen prijs zou zij aan Lidewyde iets hebben willen veranderen, en elke poging van deze om hare inborst geweld aan te doen, zou in hare oogen eene dwaasheid geweest zijn. Doch Sarah kende de wereld, meende zij, beter dan hare meesteres die kende. Met bezorgdheid zag zij Lidewyde als voortspelen aan den rand van een afgrond; zich geene rekenschap geven van de meedogenlooze dommekracht van zeden en gewoonten; zich inbeelden dat men haar zou blijven dulden, ook indien zij openlijk als eene echtbreekster en overspeelster bekend stond. Banaliteiten, dit gevoelde Sarah, waren de gronden, door haar tegen Lidewyde's voornemen om met den dokter te breken aangevoerd; doch de slotsom van hare levenservaring was, dat eene maatschappij, welke leeft van gemeenplaatsen en daarin ademhaalt, in de eerste plaats voor banaliteiten eerbied eischt. Dat zij Lidewyde idealiseerde; dat alleen hare eigen verbeelding van Lidewyde eene martelares en van eene courtisane een natuurkind maakte, daarvan was Sarah zich niet bewust, en zij zou zeer verwonderd zijn geweest, indien men hare opvatting van Lidewyde's karakter sentimenteel genoemd had.
Zou zij nogmaals beproeven, Lidewyde af te brengen van haar plan? Het oogenblik scheen daartoe weinig geschikt. De huisknecht kwam aankondigen dat het rijtuig wachtte; aan het te naauwernood voltooid toilet werd de laatste hand gelegd, en Sarah begeleidde hare meesteres tot aan het portaal, waar de trap, die naar beneden voerde, zich in tweeën scheidde.
Tiende Hoofdstuk.
Aan den avond van den volgenden dag, tusschen licht en donker, zat de oude dame, die uitgekozen was om voor eene poos Emma's gastvrouw te zijn, te lezen en thee te schenken in haar eenzaam salon. Op grond van een briefje, dien ochtend van Lidewyde ontvangen en aanstonds toestemmend beantwoord, wachtte zij op dit uur haar en André's bezoek. Het was intusschen reeds laat geworden. De ondergaande zon kleurde met hare laatste stralen de toppen der boomen aan de overzijde der gracht, en de schemering had in het groote vertrek met zijne hooge verdieping reeds zulke vorderingen gemaakt, dat het vlammetje onder den trekpot diensten begon te bewijzen. Bij de flikkering van dat kleine licht onderscheidde men op het groote wortelhouten theeblad met ebbenhouten rand een overvloed van zilver en porcelein, en daarachter, in een ruimen leunstoel, het beeld van freule Bertha, die door de invallende duisternis genoodzaakt was geworden, hare lektuur te staken.
Het geduld der bejaarde dame was onuitputtelijk; niet uit gebrek aan karakter, maar door overvloed van blijmoedigheid. Zij was nooit gemelijk, omdat zij altijd rustig en altijd vrolijk was. Toen dan ook Lidewyde's rijtuig ten laatste stilhield voor de deur, en een oogenblik daarna Lidewyde-zelve, door André gevolgd, werd aangediend, ging zij hen even vriendelijk te gemoet als zij gedaan zou hebben, indien de bezoekers met onberispelijke naauwkeurigheid op hunnen tijd gepast hadden.
—"Het was zulk eene stille, zoele avond," voerde Lidewyde tot hare verontschuldiging aan, "en de muziek in het Park klonk zoo lief, dat wij onwillekeurig langer zijn blijven rondstappen dan ons plan was geweest. Ik had met mijn neef eene weddenschap aangegaan, dat hij geen weerstand zou kunnen bieden aan de verleidingen van ons Bois de Boulogne."
—"Voor de eer van ons Bois de Boulogne doet het mij genoegen dat gij de weddenschap verloren hebt, mijnheer Kortenaer," zeide freule Bertha, "en ik heb een veel te goeden dunk van u om het niet in u te prijzen dat gij in het gezelschap van mevrouw Dijk juist niet gehunkerd hebt naar het mijne. Gij doet mij de eer," ging zij voort, "in mijn huis een plaatsje te vragen voor eene jonge dame van uwe kennis? Dat is braaf van u. Veel genoegens kan ik jufvrouw Visscher niet beloven; doch aan hare vrijheid om u te ontvangen zal niets ontbreken; en misschien," voegde zij er met een gullen glimlach bij, "misschien zal jufvrouw Emma niet weigeren, het met die eene uitspanning voor lief te nemen."
—"Uwe vriendelijkheid is inderdaad beschamend, freule," zeide André. "Toen mijn neef Adriaan mij te verstaan gaf dat ik eene vergeefsche reis gemaakt had, was ik onbeleefd genoeg, den lip te laten hangen en nu wordt, dank zij uwe bereidvaardigheid, die teleurstelling voor mij eene bron van aangename surprises."
—"Zoo ziet gij, mijnheer Kortenaer," antwoordde freule Bertha, eensklaps in een min of meer sententieusen toon vervallend, "dat men verkeerd doet, te spoedig het ergste te vreezen." En toen, zich weder met haar gewone opgeruimdheid tot Lidewyde keerend: "Zeg mij nu, melieve, hoe zullen wij doen? Verlangt gij, dat ik jufvrouw Visscher schrijven zal, of schrijft gij liever zelve?"
—"Mij dunkt," zeide Lidewyde, "dat wij van uwe goedheid reeds te veel gevergd hebben. Morgen-ochtend schrijf ik aan Emma, en André zal mijn briefje insluiten. Hij vraagt dan meteen verlof aan Emma's ouders om zijn meisje te mogen gaan afhalen. Niet waar, André?"
—"O, wat mij betreft," riep hij met geestdrift uit, "ik dweep met die schikking. Indien ik morgen schrijf, kan ik zaturdag antwoord hebben. Zondag maak ik dan een vliegreisje naar Duinendaal en kom maandag of dinsdag met Emma hier."
—"En indien men te Duinendaal onze invitatie versmaadt?" vroeg Lidewyde, om hem te plagen. "Verlaat gij ons dan, en zullen wij in dat geval tevens uw gezelschap moeten missen en uw meisje niet te zien krijgen?"
—"Mijnheer Kortenaer is te bescheiden," zeide freule Bertha, "om overluid te beweren dat jufvrouw Visscher hem niets weigeren kan."
—"Het is zeer edelmoedig van u, freule," antwoordde hij, "mij aldus uit de strikken mijner ondeugende nicht te redden. Doch ik geloof inderdaad niet, dat er reden bestaat om voor het mislukken van ons plan beducht te zijn. Mijne eenige vrees is, dat Emma u door mijne schuld overlast zal aandoen."
—"Geen woord meer daarover, waarde heer," zeide de vriendelijke oude dame. "Ik herhaal wat ik dezen ochtend aan Lidewyde schreef, dat het mij bijzonder aangenaam is, haar en u een klein genoegen te kunnen doen. Word ik daarvoor beloond door de kennismaking met een lief meisje, dan zal de verpligting aan mij zijn. Mag ik van uwe goedheid iets zeer huiselijks vergen, mijnheer Kortenaer?"
—"Gaarne, freule."
—"Trek dan even voor mij aan de schel. Gij vindt het immers goed, Lidewyde, dat ik Floris licht laat brengen? Mijne oogen weigeren mij de dienst. Of hebt gij haast, en mag uw rijtuig niet langer wachten?"
—"Neen," zeide Lidewyde, "ik ben volstrekt niet gepresseerd, en indien wij u geen belet doen, blijf ik gaarne nog een kwartiertje."
Een oude in het zwart gekleede knecht, even oud en even zilverharig als freule Bertha zelve, bragt achtereenvolgens drie of vier lampen binnen. Hij plaatste ze zoo,—op de tafel, op een buffet, op eene étagère, op eene console,—dat het groote vertrek eensklaps ophield somber te schijnen. Ten overvloede stak hij, na de luiken aangezet en de overgordijnen over elkander geslagen te hebben, aan weerszijden van den hoogen spiegel boven den schoorsteen, een bouquet waskaarsen aan. Het salon van freule Bertha had bij avond dergelijke illuminatie zeer noodig. Het was eene voorvaderlijke, ietwat reusachtige zijkamer, opgemaakt en gemeubeld in den smaak der vorige eeuw: een geschilderd behangsel, in vakken; eene lambrizering, grijs met vergulde randen, die het geheele vertrek omsloot; deuren, kozijnen en vensterbanken, een geheel uitmakend met de boiserie beneden en de zoldering boven; een gebogen marmeren schoorsteenmantel met smallen rand; een smirnaasch tapijt, blijkbaar voor deze kamer besteld en geweven. Het grijs met goud was in zich zelf niet genoeg tot neutralisering dier zekere zwaarmoedigheid, waarmede groote landschappen met zware boomen en breede watervallen, hoe fraai ook geschilderd, een zitvertrek plegen te vervullen; doch freule Bertha kende de zwakke zijde van haar salon, en sedert jaar en dag was Floris gewoon, wanneer zijne meesteres avondbezoeken ontving, met kracht van zwavelstokken de duisternis te bestrijden. Die moeite werd beloond, en het was voor den binnentredende een aardig schouwspel, freule Bertha te zien troonen in het midden dezer ouderwetsche, maar uitnemend gekonserveerde en van piëteit getuigende heerlijkheden. Zij droeg nooit anders als zwarte of donkerbruine kleederen, eer sluik dan ruim, en wanneer zij oprees uit haren stoel, zag men eene lange gestalte zich verheffen, die behoefte scheen te gevoelen aan een steun. Meestal legde zij dan hare eene hand op den rand der tafel, en maakte met de andere eene wuivende beweging om hare bezoekers te verwelkomen. De gladde mouwen van haar kleed waren zoo lang, dat zij de vingers halverwege bedekten, en ruime manchetten van geplooid batist deden hare handen nog smaller en kleiner schijnen dan de natuur ze gemaakt had. Van geplooid batist was ook de kraag vervaardigd, die haren hals omsloot en een gedeelte van hare schouders bedekte, en evenzoo de breede half nederhangende strook om hare met geen enkel lint versierde muts. Een korte, bijna sneeuwwitte lok, die aan weerszijde op hare slapen rustte, verhoogde nog het eerwaardige in de uitdrukking van haar gelaat. Zij was eene oude vrouw, dat teekenden niet slechts die grijzen lokken, maar ook de scherpe trekken om neus en mond, de zaamgetrokken plooijen der oogleden, de horizontale groeven in het voorhoofd; doch eene afgeleefde vrouw was zij niet. Er brandde in hare verduisterde oogen een dier stille vuren, welke aan inwendig verlichte wit porseleinen vazen doen denken: een gesluijerde gloed, maar die het langer uithoudt dan sommige kunstige lampen.
—"Is freule Steinmetz familie van u?" vroeg André aan Lidewyde, toen hij weder nevens haar in het open rijtuig zat en zij door de woelige straten, waar in winkel aan winkel het vrijpostig gaslicht schitterde, naar Soekabrenti terugkeerden.
—"Van mij? In het minst niet. Ik heb geene familie in dit land. Zij is eene vriendin van mijne schoonmoeder, meer niet. Doch wij verkeeren met haar alsof zij eene nabestaande van ons was. Denkt gij dat Emma het met haar zal kunnen vinden?"
—"Ongetwijfeld zal zij dat. Dacht gij van neen?"
—"Dat is de vraag. Ik laat aan freule Bertha's goede kwaliteiten volkomen regt wedervaren, en naar hetgeen gij mij van Emma verteld hebt, houd ik het er voor, dat zij elkander uitmuntend verstaan zullen. Doch zult gij boos worden, indien ik zeg, dat Emma's smaak en de mijne vermoedelijk in één opzigt verschillen? Om u de waarheid te zeggen, mij is freule Bertha te stemmig. Ik erken dat zij van alle vrome dames in de stad de eenige is, die ik waarlijk liefheb; de eenige, bij wie ik het kan uithouden. Niettemin maakt zij mij met hare bidstonden en hare bijbeloefeningen somtijds zenuwachtig."
—"Is freule Steinmetz iemand van die kleur? Dat verwondert mij. Ik zou haar voor eene vrouw van de wereld gehouden hebben."
—"In vele opzigten is zij dat ook; maar hebt gij niet opgemerkt dat zij somtijds geheel en al in den preektoon vervalt? Mij frappeerde het ten minste, dat zij op ik weet niet welk gezegde van u aanstonds eene zedeles liet volgen."
—"Ik zou het mij ontgeven hebben; doch ja, nu gij er mij aan herinnert, er was iets preekerigs in de manier waarop zij zeide dat ik niet moest toegeven aan het gevoel van teleurgestelde verwachtingen. Houdt zij dikwijls van die kleine sermoenen? Denkt gij dat zij Emma zal willen bekeeren?"
—"Heb daar geene vrees voor. Gij hebt zelf kunnen bemerken dat de natuur bij haar boven de leer gaat. Ook moet gij aan mijn oordeel over haar niet te veel waarde hechten. Freule Bertha gaat door voor de goede genius van mijn mans familie, en het zou mij leed doen, indien gij anders over haar dacht. De schuld ligt aan mij. Ik houd niet van vrome menschen."
—"Er is vroom en vroom."
—"Jawel, gelijk er blond en blond of bruin en bruin is. Maar zoo bedoel ik het niet. Met vroom meen ik bekrompen. Freule Steinmetz is eene ongewone, eene voortreffelijke, eene allerliefste oude vrouw; maar denkt gij, indien gij of ik iets deden waarover de domme wereld het hoofd schudde, dat zij het ons vergeven of zich met onze verdediging belasten zou? Maak u daaromtrent geene hersenschimmen. Zelden heb ik eene vrouw ontmoet die zoo à cheval is op hetgeen zij hare eeuwige waarheden noemt. En ik bid u, wat zijn eeuwige waarheden? Laat een vooroordeel honderd jaren geduurd hebben, en gij zult menschen vinden, bereid om voor dien waan den marteldood te sterven."
—"Met uw verlof, Lidewyde..."
—"Ik weet wat gij zeggen wilt; maar ga met mij mede, en ik zal u bewijzen dat vergankelijk barège somtijds evenveel waarde heeft als de bovennatuurkunde van freule Bertha. Marcelis, stilhouden bij Made Philidor!"
—"Om u te dienen, mevrouw," antwoordde Marcelis van den bok, even het hoofd omwendend; en met een sierlijken zwaai reed hij tot vlak voor de stoep van het hem welbekende mode-magazijn.
Zulke dames behoeven zulke koetsiers.
Elfde Hoofdstuk.
—"Te veel en te weinig;" zeide André bij zelven, toen hij den volgenden ochtend onder het kleeden zijne kamer op en neder stapte. "Dijk is een zot, beweerde mijn oom, en ik zal niet ontkennen dat daarvan iets aan kan zijn; doch mijn oom had zelf een slag van den molen weg, toen hij met minachting over Lidewyde sprak. Lidewyde is eene vrouw, gelijk er niet vele gevonden worden. Zij toont veel minder humeur dan ik gedacht zou hebben. Dijk schijnt mij toe, geen man voor haar te zijn. Het zal mij benieuwen, welken indruk die dokter op mij maken zal. Wie weet of mijnheer Ruardi niet nog iets anders is als Adriaans boezemvriend? Dat zou komiek zijn, maar verwonderen zou het mij niet. Lidewyde is juist eene vrouw om een minnaar te hebben. Het eene oogenblik is zij buitengewoon vrij in haar spreken, het andere oogenblik weet zij zich op zulk eene natuurlijke wijze in te houden, dat men er dupe van is. Wie zou gedacht hebben, toen zij gisteren-avond met freule Steinmetz zat te praten, dat zij geene vijf minuten daarna over diezelfde dame zulk een vrijmoedig en, naar mij voorkomt, zulk een juist oordeel vellen zou? Doch met hare schoonheid en haar smaak maakt zij alles goed. Het kleedje, dat zij voor Emma gekocht heeft, is inderdaad een model van bevalligheid, en het was een lieve inval van haar, mij met zich mede te nemen in dat magazijn en mij voor de leus te raadplegen over hetgeen zij kiezen zou. Zij heeft blijkbaar verstand van toilet maken, en alles staat haar goed. Zonder mooijer te zijn dan Emma, is zij toch ook in hare soort eene schoonheid. Zij heeft iets vorstelijks over zich. Emma doet mij denken aan een vergeet-mijnietje, Lidewyde aan eene tulp. Het zou inderdaad grappig zijn, indien tusschen haar en dien dokter de eene of andere relatie bestond. Hij schijnt een jong weduwnaar te zijn met een interessant voorkomen. Bovendien beweert Adriaan dat hij een aardige prater is. Noch het een, noch het ander maakt het minder waarschijnlijk dat Lidewyde iets met hem heeft. Wij zullen zien. Misschien vind ik dat geheim nog wel uit, en wie drommel weet of Lidewyde's gedienstige geest Sarah..."
Er werd aan de deur getikt.
—"Binnen!" riep André, die niet zoo verdiept geweest was in zijne meditatien, of hij had onder de hand zijn toilet voltooid, zoodat hij zonder schroom voor den bediende kon verschijnen, dien hij meende voor zich te zullen zien.
De deur werd behoedzaam geopend. Het was—de gedienstige geest Sarah met een brief in de hand.
—"Mijnheer Dijk heeft mij gelast u dezen brief ter hand te stellen", zeide zij, "en u tevens te verzoeken, indien het u schikt, van middag tusschen tweeën en drieën even bij hem aan het kantoor te komen."
—"Is mijnheer Dijk al naar de stad?" vroeg André, den brief aannemend en onderwijl een blik op het adres werpend, waarin hij aanstonds de hand van Emma herkende.
—"Mijnheer scheen het van ochtend buitengewoon druk te hebben", antwoordde Sarah. "De besteller heeft daareven meer dan een dozijn brieven gebragt, waaronder ook deze was, dien mijnheer in vergissing bijna opengebroken had."
—"Dat bemerk ik," zeide André lagchend, terwijl hij den aan de achterzijde half gescheurden enveloppe bezag. "Nu, de fondsen zouden er niet door gerezen of gedaald zijn, al had mijnheer Dijk bij ongeluk kennis genomen van den inhoud."
—"Mijnheer Dijk heeft mij ook nog opgedragen u te zeggen," vervolgde Sarah, zonder André's opmerking te beantwoorden, dat hij tusschen tweeën en drieën in de stad een bezoek van dokter Ruardi verwacht, en hij van die gelegenheid gebruik wenscht te maken om u aan den dokter voor te stellen."
—"Zeg mij eens, Sarah," zeide André, eensklaps van toon veranderend, "dokter Ruardi is immers dezelfde persoon, met wien ik u een dezer dagen in den tuin heb zien wandelen?"
Sarah, die tot hiertoe zonder gemaaktheid onafgebroken naar den grond gestaard had, sloeg thans de oogen langzaam op en vestigde op André een blik, dien hij wel belangwekkend vond, maar die hem nogtans niet zeer aangenaam aandeed. Evenwel verdween die ongunstige indruk, toen zich over Sarah's gelaat een glimlach verspreidde; de statige, wellevende glimlach der matrone van goeden huize, zou men gezegd hebben, die zich in stilte vermaakt met een onschuldigen inval.
—"Ik wenschte wel, mijnheer," zeide zij, "dat gij die vraag niet enkel uit nieuwsgierigheid gedaan hadt."
—"Waarom, Sarah? Mag ik niet nieuwsgierig zijn te weten, of dokter Ruardi en zeker iemand elkander van nabij bestaan?"
—"Van mogen of niet mogen is geene spraak, mijnheer; maar indien ik aan uw verlangen voldeed, zou het u aanstonds spijten, door mij ingelicht te zijn. Het is immers waar, dat uwe aanstaande hier zal komen logeren?"
—"Mij dunkt, Sarah," zeide André, eenigszins geraakt over die vrijpostige wedervraag, "dat gij en ik, waar het op nieuwsgierigheid aankomt, elkander niets te verwijten hebben. Nu ja, er is spraak van, dat jufvrouw Visscher eenige dagen ten huize van freule Steinmetz zal komen doorbrengen; maar wat zou dat?"
—"Vergeef mij, mijnheer, ik wilde zeggen, dat uw engagement met jufvrouw Visscher het voor u eene onverschillige zaak doet zijn, te weten of niet te weten, wie dokter Ruardi is."
—"Ik bid u, Sarah, laat ons over iets anders spreken. Dokter Ruardi heeft met mijn engagement niets te maken."
Sarah deed alsof zij wilde vertrekken; André alsof hij gaarne alleen wilde zijn. Doch de een wist nog niet hetgeen hij verlangde te weten, en de ander moest nog zeggen hetgeen zij op het hart had.
—"Ik erken, mijnheer," zeide zij, "dat mijn toon u ongepast moet voorkomen; doch indien gij wist hoe hartelijk ik aan mevrouw Dijk gehecht ben, zoudt gij mij ongetwijfeld mijne onbescheidenheid ten goede houden."
—"Is mevrouw Dijk dan ook al in de zaak betrokken? Gij wordt hoe langer hoe duisterder, Sarah."
—"Mevrouw Dijk is de hoofdpersoon, mijnheer; doch indien zij kennis droeg van hetgeen ik u thans mededeel, zou ik voor altijd hare genegenheid verbeuren. En hare genegenheid is voor mij alles waard.".
—"Hetgeen gij mij thans mededeelt? Gij deelt mij integendeel niets ter wereld mede, en ik vraag mij nog altijd af wat gij eigenlijk zeggen wilt."
—"Belooft gij mij op uw woord van eer, mijnheer Kortenaer, dat hetgeen ik u zeggen zal een diep geheim zal blijven? Dat mevrouw Dijk daarvan nimmer iets bemerken zal?"
—"Dat spreekt, Sarah. Maar indien hetgeen ik van u vernemen zal niet duidelijker is dan hetgeen ik tot hiertoe te weten kwam, zal ik voor mevrouw Dijk niet veel te verbergen hebben."
—"Nu dan, dokter Ruardi,... doch ik kan er staat op maken, niet waar, dat gij mij niet verklappen zult?" fluisterde Sarah.
—"Wilt gij zeggen dat dokter Ruardi mevrouw Dijk het hof maakt?"
—"Wat erger is, mijnheer, hij vervolgt haar met zijne beleefdheden tot in haar eigen huis."
—"Mij dunkt, tegen dat ongerief is kruid gewassen. Aan lastige minnaars wijst men de deur."
—"Doch indien die minnaar de vriend des huizes is? Indien de heer des huizes geen kwaad van hem kan hooren spreken? Indien men geen afkeer, zelfs geene onverschilligheid kan laten blijken, zonder vijandschap te stichten en opspraak te verwekken? Neen, mijnheer Kortenaer, er is maar één middel om mevrouw Dijk van de vervolgingen van dokter Ruardi te verlossen, zonder in de plaats van het eene kwaad een ander en grooter te brouwen."
—"En waarin zou dat middel bestaan?"
—"Dat weet ik niet, mijnheer. Of liever, het zou niet baten het u te noemen; en daarom spijt het mij dat gij naar dokter Ruardi gevraagd hebt. Dingen, die niet gebeuren kunnen, al zou men het nog zoo gaarne willen, moet men zich uit het hoofd zetten."
—"Hoor eens, Sarah, mijn eerbied voor mevrouw Dijk is zoo groot, dat ik er mij in verheugen zal, haar op de eene of andere wijze van dienst te kunnen zijn. Zeg mij uw plan, en ik zal zien."
—"Mijn denkbeeld is onuitvoerbaar, mijnheer, en dat grieft mij het meest. Ik zou willen, dat iemand zich ongemerkt tusschen mevrouw Dijk en dokter Ruardi plaatste; dat mevrouw Dijk in de gelegenheid werd gesteld, hare genegenheid in schijn op iemand anders te vestigen, en zoo te vestigen, dat dokter Ruardi van alle verdere pogingen om haar te behagen voor goed afzag. Doch ik vraag u, wat baat het, u met deze wenschen bekend te maken? Binnen weinige dagen zal jufvrouw Visscher uwe geheele aandacht in beslag nemen; ieder weet hier daarenboven, of zal weldra weten, dat gij geëngageerd zijt; dokter Ruardi zal geen oogenblik dupe zijn van de beleefdheden die mevrouw Dijk voor u zou kunnen hebben, en zoodra gij ons zult hebben verlaten, zal die goede mevrouw haar kruis weder moeten opnemen."
—"Gij hebt gelijk, Sarah: ik kan de dienst, waarvan gij spreekt, onmogelijk bewijzen."
—"Niet waar, mijnheer? Mijn plan is eene hersenschim. Hoe zoudt gij onder de oogen van jufvrouw Visscher, van wie gij doodelijk zijt, den schijn kunnen aannemen alsof tusschen mevrouw Dijk en u iets bestond? Niemand kan zulk eene rol spelen. Het zou eene onnatuurlijke, eene scheve, eene in alle opzigten valsche verhouding zijn."
—"Dat zou het, Sarah. Eene in alle opzigten valsche verhouding."
—"En waartoe zou het dienen? Al de belanghebbenden zouden u onmiddelijk in de kaart zien."
—"Onmiddelijk."
—"Het zou een komedie zijn zonder knoop, een vervelende roman zonder intrige."
—"Een vervelende roman."
—"Tenzij misschien jufvrouw Visscher er in toestemde, mede te spelen? In dat geval zou de knoop niet onaardig kunnen worden."
—"Jufvrouw Visscher zal zich daartoe nimmer leenen. Zij is een veel te gevoelig en veel te ernstig meisje voor zulk soort van aardigheden."
—"Dat dacht ik wel, mijnheer; en zonder u een kompliment te willen maken, voeg ik er bij: indien zij anders was, zoudt gij haar niet voor uwe aanstaande vrouw gekozen hebben."
—"Zoodat Sarah?"
—"Zoodat ik u verschooning vraag voor mijne dwaze praatjes, mijnheer. Hoe gaarne ik mevrouw Dijk ook van haren vervolger zou willen bevrijden, ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat, buiten dokter Ruardi, iemand daardoor eenig leed ondervinden zou."
—"Dat is braaf van u. En mag ik nu eens even zien wat deze brief inhoudt?"
Sarah liet zich gedwee de konversatie opzeggen. Haar doel was bereikt. Met de enquête, die zij zich had voorgenomen in te stellen, behoefde zij niet op eenmaal gereed te komen. Zij wist nu voorshands genoeg van André.
Twaalfde Hoofdstuk.
Voor derden moest de toon van Emma's brieven iets te kinderlijks hebben. Het flinke in haar karakter kwam in haar korrespondentie niet tot zijn regt, en zij scheen alleen woorden te kunnen vinden voor eene zachtheid, die aan zoetheid grensde. Doch André genoot te zeer van het bezit van haren brief en van hetgeen daarin streelends was voor zijne fatuiteit, om door die eenzijdigheid getroffen te worden. Zich aangebeden te weten, was voor hem, zonder dat hij zich daarvan rekenschap gaf, de streelendste der gewaarwordingen; en een ingewijde zou het hem kunnen aanzien, dat hij op dit oogenblik meer dan louter een gevoel van welbehagen ondervond. De zelfvoldoening waarmede hij, alvorens zijne lektuur aan te vangen, een laatsten blik in zijn toiletspiegel wierp,—Emma zou, indien zij tegenwoordig had kunnen zijn bij die pantomime, tevreden zijn geweest over haar triomf.
Zij schreef:
"Maandag-ochtend.
"Ik neem dit blaadje uit mijne portefeuille, zonder te weten wanneer ik het opvouwen en verzenden zal. Dat zal afhangen van uwe eigen vlugheid in het schrijven. Zoo lang ik geen brief van u heb, volg ik het voorbeeld dier lieve ouders, wier kinderen zich in de Oost bevinden, en die iederen dag eenige regels voegen bij den brief, bestemd om met de eerstvolgende mail hun toegezonden te worden. Zoo lang zal het nu wel niet duren eer ik dezen op de post doe, maar wachten is wachten, en wanneer gij niet bij mij zijt, is het zoo goed alsof gij in de Oost waart.
"Ik zal eerlijk zijn en bekennen dat ik den geheelen nacht van u gedroomd heb. Waarom zijt gij ook zoo lief? Toen wij gisteren-avond aan het venster stonden, zou ik met u hebben willen wegvliegen naar die schitterende ster, boven de maan. Van ochtend vroeg zou ik gewild hebben, dat gij met mij in den tuin had kunnen wandelen, en op dit oogenblik wenschte ik dat gij tegenover mij zat, terwijl ik aan het schrijven ben. Helaas, mijnheer, men is uwe slavin of men is het niet!
"Daareven ben ik, snuffelend in vaders woordenboeken, achter den franschen naam gekomen van het vogeltje, welks hollandsche de eer niet heeft u te behagen. Oiseau grenadier heet het, en nu behoef ik mij de fraaije snorren van mijn baardmannetje niet langer te schamen. "Ik acht een schoonen naam, die waardig wordt gedragen," en hij draagt den zijnen met even veel digniteit als zijne knevels. Doch gij, mijnheer, indien uw wijfje stierf, zoudt gij even als mijn baardmannetje en zijne stamgenooten wegkwijnen van verdriet? Neem mij niet kwalijk dat ik op dat punt overdreven nieuwsgierig en een weinig ongeloovig ben. Och, André, indien gij mij half zoo lief hadt als ik u, gij zoudt... Doch ik behoef u niet bepaald dwaasheden te zeggen.
"De tuinman is ons van ochtend eene nieuwe stamroos komen brengen, eene François premier. Zij is donkerrood met een vol hart en ruikt overheerlijk. Ik vrees alleen dat ik haar niet zal kunnen aanzien zonder dikwijls aan de arme vrouwen te denken, die koning Frans ongelukkig gemaakt heeft. De bloem is prachtig en herinnert aan de warme kleuren van Titiaans portret, op het Trippenhuis te Amsterdam. Maar voor eene nieuwe roos vind ik den naam ongelukkig gekozen. Waarom niet Romeo? Waarom niet Abélard? Bijna schreef ik,—doch ik heb mij nu eenmaal voorgenomen geene dwaasheden te zeggen,—waarom niet André?
"Omtrent de ontvangst bij uw oom zult gij mij wel het noodige schrijven, ook al vraag ik daar niet naar. Droom ik voor een keer dat gij mij niet liefhebt, of dat men mij van u scheiden wil (doch gelukkig gebeurt dat bijna nooit), dan is altijd uw oom de persoon, die zich tusschen u en mij komt plaatsen. Ik heb hem maar eenmaal in mijn leven gezien en zou geene dragelijke reden kunnen aanvoeren voor de vrees die hij mij inboezemt. Doch ik ben bang voor hem; en (ach, wanneer zult ook gij aan voorgevoelens gelooven!) eene geheime stem zegt mij dat ik hem geen onregt doe.
"Een nieuwtje. Van avond komt Miss Sampson, de vrouwelijke Numa Pompilius van mijne jeugd, thee bij ons drinken. Tot mijne spijt wil moeder haar voor eene week te logeren vragen, wanneer de familie op Jagtlust, waar zij op dit oogenblik geherbergd is, genoeg van haar hebben zal. Ook met haar ben ik maar half op mijn gemak. Zij is met den tijd geheel en al eene schooljufvrouw geworden en behandelt alle menschen als kostmeisjes. Toen zij nog maar de secondante was, vond ik haar veel liever. Vrees niet, wanneer wij getrouwd zullen zijn, dat ik haar te logeren vragen zal. Oude vrijsters voegen niet in jonge huishoudens, en wanneer ik kiezen moet, zie ik liever tien van uwe vrienden komen dan één Miss.
"Van die vrienden van u hoop ik nog eenmaal partij te trekken, dat weet gij. Het minst dat gij koel tegen mij zijt, word ik koket en maak ik u jaloersch. Dat zal eene voortreffelijke uitwerking doen. Of kunt gij niet jaloersch worden? In antwoord op die vraag zie ik u fijntjes glimlagchen; doch ik stoor mij niet aan dien spot, en zal mij te mijner tijd weten te wreken. Dit voorspel ik u, dat indien gij immer ophoudt mij het hof te maken, en gij een dier akelige getrouwde mannen wordt gelijk ik er sommige ken, gij weinig genoegen aan mij beleven zult.
"Waarom heb ik u lief? Waarom heb ik mijn hart geschonken aan een man die mij uitlacht, mij drilt, mij tiranniseert, mij op alle mogelijke wijzen doet gevoelen dat de vrouwen zwijgen moeten in de vergadering? Helaas, al werd ik honderd jaren oud, dat raadsel, vrees ik, zou onopgelost blijven. En toch zeggen de wijze menschen dat alles eene reden heeft! Lieve hemel, heeft dit geschrijf dan eene reden? Ik vrees integendeel dat het de zinneloosheid-zelve is."
"Dinsdag-ochtend.
"Nadat ik u geschreven had, is de tijd gisteren mij minder lang gevallen dan ik had durven hopen... Ondankbare die ik ben! Men zou de liefde gaan haten, wanneer men bemerkt hoe zelfzuchtig zij maakt. De twee wezens, van wie ik na u op deze wereld het meest houd, hebben mij den genoegelijksten dag bezorgd dien men bedenken kan; en ik spreek alsof de trage uren langzaam omgekropen waren en ik de minuten had zitten tellen in eene gevangenis, even als weleer op de hangklok in de schoolkamer van Miss Sampson!
"Of er dan zooveel bijzonders gebeurd is? O neen, maar alles hangt af van de wijze waarop en de stemming waarin. Wanneer ik u zeg dat vader gisteren-avond een uur lang kollege heeft staan geven over het dames-toilet van den tegenwoordigen tijd, zult gij mij begrijpen. Gij glimlacht, niet om vader, maar om mij? Nu ja dan, gisteren-middag vóór het eten ben ik met moeder naar de stad gereden en hebben wij ons hart opgehaald aan de heerlijkheden van de Wede Muller en Cie. Ik plaagde moeder, en beweerde dat zij mij behoefte aan eene afleiding toedichtte, ten einde voor zich zelve een nieuwen hoed te kunnen koopen; en zij plaagde mij weerom met te zeggen, dat ik sedert mijne kennismaking met u al mijn zelfvertrouwen in het kiezen van parasols en handschoenen verloren had. Doch de vrolijkheid begon eerst regt, toen na het eten de Wede Muller in persoon, gevolgd door een knecht met eene groote doos aan den arm, bij ons kwam aanzetten. Wij hadden er op gerekend, moeder en ik, dat vader ons met de noodige sermoenen bestormen zou; zoodat onze voorzorgen genomen waren. Er was geen enkele schotel op tafel verschenen, waar niet iets extra's aan was; en aan het dessert had hij bij zijne koffij zijn geparfumeerdst likeurtje en zijn geurigste sigaar gehad. In het gevoel dier goede werken en van hun apaiserend vermogen, wachtten wij dan ook de komst der modiste onverschrokken af en gaven bij haar binnentreden geen enkel blijk van ontsteltenis of verlegenheid. Doch het was vreeselijk, kan ik u zeggen. Er werd betoogd dat elke vrouw gekleed behoorde te gaan overeenkomstig hare eigen taille en haar eigen teint; dat de mode niets anders was als iets dat goed stond aan de eene of andere aanzienlijke dame buitenslands; dat andere vrouwen, die ook hare bekoorlijkheden hadden, maar toevallig niet op die dame geleken, uitzinnig handelden met juist zoo gekleed te willen gaan als zij; dat moeders nieuwe hoed geen hoed, maar voor het overige onberispelijk was; dat van de kleedjes, waaruit wij eene keus wenschten te doen, of het dessin misteekend was, of de kleuren schreeuwden, of het weefsel te wenschen overliet; in één woord, dat wij ons geld in het water wierpen, of zouden werpen, of reeds geworpen hadden. De modiste zette bij dit alles een onnavolgbaar gezigt. Een menschenkenner zou er uit gelezen hebben, dat zij haar dierbaar vak met de grootste gelatenheid nog tien maal smadelijker zou hebben laten verguizen, indien slechts alle hoofden van huisgezinnen, even als mijn engel van een vader, met een geopend oog voor de zwakke zijden van hare industrie, blindelings hare nota's voldeden.
"Woensdag-ochtend.
"Vader heeft zich opgesloten in zijn atelier. Hij verkeert in den waan, dat wij niet weten waarom; doch onze liefde voor hem heeft ons sedert lang zijn geheim op het spoor doen komen. Ik hoop, André, neen ik weet zeker, dat gij hoe langer hoe meer van vader zult gaan houden. Hij is de beste vader en de liefste man, die ooit geleefd heeft. Onze modemaaksters vervelen hem, en hij heeft alle moeite om niet korzelig te worden, wanneer zij hare wijsheid en hare doozen komen ontpakken. Doch ofschoon God weet, dat hij sedert den dood van Reinier reden heeft om somtijds mistroostig te zijn, denkt gij dat hij moeder of mij op eenigerlei wijze zal laten blijken, hoe hij te worstelen heeft met zijn humeur? Nooit bemerken wij iets daarvan. Zijn stelregel is, dat een man behoort te waken over zijne luimen en middelen moet verzinnen om, indien het noodig is, zichzelven onschadelijk te maken. En dat doet hij met voorbeeldige trouwhartigheid. De ijver waarmede hij op dit oogenblik zit te schilderen is niets anders, wil ik wedden, als een voorwendsel; en wanneer hij van middag aan tafel verschijnt, zal niemand het hem kunnen aanzien, hoe hij geleden en gestreden heeft. Zoo is hij. Het leven is eene zaak die de krachten der meeste menschen te boven gaat, beweert hij, en volgens hem zou de geheele wereld van adel moeten zijn, indien men wilde dat nooit ergens de plaats der liefde werd ingenomen door stuurschheid of onverschilligheid. Nu, hij is van adel; en indien ik zijn bloed niet onwaardig ben, zult gij u mijne afkomst tegenover niemand behoeven te schamen.
"Donderdag-avond.
"Dezen ochtend eerst heb ik uw brief ontvangen. In 's hemelsnaam! Men kan van den Duinendaalschen bode de volmaaktheid niet vergen; en is hij langzaam, hij is ten minste getrouw. Zeer getrouw zelfs, want van uwe twaalf blaadjes is onderweg geen enkel zoek geraakt. Doch stil, het schreijen staat mij nader dan het lagchen, en zoo ik scherts, is het om mijn verdriet te verzetten. Wat? heeft uw oom u van mij weggetroond? Heeft hij een middel bedacht om u voor eene poos van Duinendaal te verwijderen? Welnu, hij doe wat hij niet laten kan. Speel vrij den boozen geest, oom Bertram, gij zult Robert niet van Alice, Alice van haren Robert niet scheiden! Foei, ik wilde dat die man geen familie van u was. Zijn toeleg is inderdaad al te doorzigtig, en ik zou u onregt doen, indien ik u ried op uwe hoede te zijn. Geloof mij, André: uw oom heeft plannen met die mevrouw Dijk. Gij schrijft dat zij niet jong, niet mooi, niet vriendelijk is: ik wil het wel gelooven, maar een onbedriegelijk voorgevoel zegt mij, dat gij met geen ander doel naar M. gezonden zijt als om u van mij te vervreemden.
"Mag ik volkomen opregt zijn? Uw brief maakt mij ongerust. Kinderachtig, niet waar? Doch het is zoo. Wat ik op het hart heb, deel ik u thans nog niet mede. Den geheelen dag ben ik er mede bezig geweest, doch ik moet de regte woorden nog vinden. Misschien vind ik ze morgen, misschien eerst over een paar dagen; doch zoo lang mag ik u niet zonder antwoord laten. Daarom zal ik dezen nu sluiten en hem voor het venster zetten; dan neemt de postbode hem morgen-ochtend tijdig mede naar de stad.
"Doch laat ik mijzelve, eer ik naar bed ga, nog even uitlagchen. Uw oom, met zijne ruwe manieren, is inderdaad een potsierlijke Mefistofeles, en ik ben wel goed, mij om zijnentwil het hoofd te breken. Hoe grappig zou het zijn, indien wij hem vangen konden in zijne eigen netten! Verbeeld u dat gij den schijn aannaamt, alsof die mevrouw Dijk u plotseling betooverd had, en mijnheer de ex-minister zich daardoor ontheven waande van de zorg, mij eenmaal als zijn nichtje te moeten erkennen? O, wat al middelen zou ik u aan de hand doen om hem in het ootje te nemen! Hoe zou ik mij uitputten in kunstgrepen om het hoofd dier kokette dame door u op hol te doen brengen! En wanneer uw lieve oom zich dan deugdelijk verbeeldde het spel zoo goed als gewonnen te hebben; wanneer hij nog slechts op een briefje van u wachtte, met berigt dat ons engagement verbroken was,—hoe onbeschrijfelijk aardig zou ik het dan vinden, met u eene deftige visite bij hem te gaan maken en hem te vragen tegenwoordig te willen zijn bij onze bruiloft!... Maar neen, neen, neen, weg met die valsche vrolijkheid! Onze liefde, verstaat gij André? is te heilig om door zulke vertooningen bezoedeld te worden. Ik ben niet bang voor u of voor mij; ik maak mij niet ongerust over uwe afwezigheid. Eenmaal heb ik gezworen, u levenslang te zullen liefhebben; en de overtuiging dat gij mij toebehoort, even als ik u, is zoo diep in mijne ziel geworteld, dat men mij om het leven zou moeten brengen om mij haar te ontnemen. Fladder dus vrij, lieve man! Ik weet wel waar het bloempje bloeit, waarop mijn vlinder te allen tijde weder zal komen nederstrijken. Gij zijt van mij, bedenk dat wel, en beproef maar niet (het zou u toch niet baten) daar iets aan te veranderen. In gedachten neem ik uw blond hoofd tusschen mijne beide handen en kus u zachtjes op de oogen. Zoo is het goed. En wil ik nu de kroon zetten op mijne barmhartigheden? Nu dan, ik belast u met mijne vriendelijke groeten voor mijnheer Adriaan en mevrouw Lidewyde!"
Arme Emma! Even trotsch als zij op haren bruidegom geweest zou zijn, toen hij haar brief nog lezen moest, even vreemd zou zij hebben opgezien,—neen, even snel zou op haar lieve wangen het blosje der vreugde verschoten zijn, even popelend zou haar hartje geklopt hebben, even onheilspellend zou zij haren moed en hare grootmoedigheid in hare nette schoentjes hebben voelen zinken, indien zij getuige had kunnen zijn van den ernst en de deftigheid, waarmede André, aan het einde van haren epistel genaderd, dien weder opvouwde, hem wegschoof in den half gescheurden enveloppe, zijne zakportefeuille voor den dag haalde en met een nadenkend gelaat de kamer verliet. Doch dit goede heeft de onwetendheid, dat sommige verwonderingen door haar toedoen ons voor een tijd bespaard blijven. Bovendien zou het onbillijk geweest zijn, omdat André het voorhoofd fronste en een peinzende trek zich om zijnen mond plooide, daaruit af te leiden dat hij voor het innemende in Emma's brief ongevoelig was. Indien een jager geen wreedaard is, alleen omdat hij er behagen in schept het wild op de daad te betrappen, hoe zou een jonge man, gelijk André, tenzij hij een monster ware, en dat was André in geenen deele,—koel kunnen blijven bij het besef, dat onder het zijden lint van zijn zakboekje, en derhalve in de onmiddelijke nabijheid van zijne borst, een hart vol liefde klopte? Dat zulke harten niet dagelijks voorkomen, is op zichzelf reeds genoeg om aan hun bestaan zekere waarde te doen hechten; en André was in de laatste maanden te wijs geworden om niet te gevoelen, dat Emma vergelijkenderwijs eene uitzondering verdiende te heeten. Doch hoe bereid men hem ook vinden mogt toe te geven, dat de minste vrouwen een vrouwenhart bezitten en de prijs van Emma's liefde daardoor niet weinig verhoogd werd, hij was op dit oogenblik te zeer met eene bepaalde gedachte vervuld om aan de teederheid van haar schrijven volkomen regt te laten wedervaren. Een eerst door haar opgenomen en toen door haar verworpen denkbeeld, waarvan hij moeijelijk scheiden kon, speelde hem door het brein; en zoo geschiedde het dat de opwelling van genegenheid, waarmede hij haren brief ter hand had genomen, gesmoord werd in eene kombinatie, die het hart koeler liet, naarmate zij meer inspanning vorderde van het verstand.
Dertiende Hoofdstuk.
Het kantoor van Adriaan Dijk was in het geheel niet een dier wijdluftige gebouwen gelijk in onze eeuw het Krediet in alle groote steden doet verrijzen. Het geleek noch op een spoorweg-station, noch op een ander Felix Meritis. Ook was het geen vertimmerd heerenhuis uit den goeden ouden tijd, welks nieuwe en welligt insolide bestemming herkend wordt aan een geschilderd naambord boven of nevens de deur. Het was—en deskundigen mogen beslissen of de goede zaak der architektuur hierbij won of verloor—het was een pakhuis, zes zolders hoog, met eene reusachtige poort tot hoofdingang, aan wier eene zijde zich twee of drie zoo niet bewoonbare, of overvloedig verlichte, dan toch ruime en stevig gebouwde vertrekken bevonden. Gedurende even zoo vele geslachten op zijn minst als het pakhuis verdiepingen telde, had de firma Dijk in het voornaamste dier vertrekken—in de twee anderen arbeidden een boekhouder en klerken—zaken gedaan; en dat die zaken niet onvoordeelig waren geweest, daarvan getuigde de meer dan gewone welvaart, te midden waarvan het tegenwoordig hoofd der firma leefde. Het was een familietrek in dit geslacht, dat zijne leden van oudsher de toepassing van het begrip comfort voor hunne woonhuizen bewaard hadden, en hun geld hadden verdiend in eene werkplaats, die meer naar eene spelonk dan naar eene kamer geleek. De vader, de grootvader, de overgrootvader,—al de Dijken hadden het gedurende tien of twaalf uren daags voor lief genomen met een vertrek, welks donkergeel geverfde zolder van lieverlede zwart gewalmd was, eerst door smeerkaarsen, later door olielampen, nog later door gasvlammen; welks wanden beschoten waren met getraliede schuifdeuren, waarachter grootboeken en journalen van ouder en jonger dagteekening grijnzend in het gelid stonden geschaard; welks eentoonige aanblik alleen afgewisseld werd door eene stijve dekoratie van opgeplakte kantoor-almanakken, en in welks midden, als eenig en sober ameublement, eene groote dubbele lessenaar stond voor vier personen, omgeven door even zoo vele ouderwetsche leuningstoelen van bruingeschilderd hout met zittingen van weleer zeegroen katoen-damast. Toen Adriaan nog een kind was en zijn vader hem somtijds medenam naar het kantoor, had hij van dat alles weinig of niets bemerkt; hij wist toen niet beter, of het behoorde zoo. Naderhand, in zijne dandy-dagen, had hij er zich aan geërgerd en was het voorvaderlijk kantoor hem toegeschenen, het voorkomen aan te bieden van een paardenstal. Thans, en sedert hij zelf als chef van het huis was opgetreden, gevoelde hij zich in dien stal volkomen op zijn gemak. Hij prees nu zijne voorouders om de scheiding die zij gemaakt hadden tusschen hunne tabak en hunne weelde; zou aan dat dualisme, dat hij zoo niet als een onderpand van soliditeit, dan toch als een zinnebeeld daarvan had leeren aanmerken, niets hebben willen veranderen, en sleet met een gerust geweten het grootste gedeelte zijner dagen aan de zijde van een venster, dat geen ander uitzigt aanbood als de bijna eenzame kade der achtergracht waaraan het pakhuis gelegen was.
—"Ga zitten, Ruardi," zeide hij, toen de dokter op het bepaalde middaguur eensklaps voor hem stond. "Gij zijt een man van de klok."
—"Is uw neef nog niet hier?"
—"Zoo als gij ziet; maar ik twijfel niet, of wij zullen hem onmiddelijk zien verschijnen. Ik heb Sarah opgedragen hem te verwittigen dat hij u van middag hier vinden zou; en Sarah vergeet zulke dingen niet ligt."
—"Is het al bepaald, dat het meisje van uw neef hier zal komen logeren?"
—"Nog niet; maar ik kan niet gelooven, dat daartegen eenig bezwaar zou bestaan. Er wordt heden aan haar geschreven, meen ik, en de brief moet op dit oogenblik reeds verzonden zijn."
—"Kunt gij het vinden met uw logé?"
—"Tot nog toe uitmuntend. Eerst vreesde ik dat Lidewyde hem het leven een weinig zuur zou maken, en hij geen lust zou hebben om te blijven. Doch het tegendeel is het geval: Lidewyde heeft hem bepaald en amitié genomen."
—"Hij is ingenieur, niet waar? En zijn meisje is eene jufvrouw Visscher? Kent gij die familie? Oppervlakkig geoordeeld zou men meenen dat uw neef over eenigen tijd gemakkelijk een ander en beter huwelijk had kunnen doen."
—"Onder ons gezegd, ik geloof dat zijn oom Timmermans, aan wien hij veel verpligting heeft, er insgelijks zoo over denkt. Doch dat zijn zaken waarmede ik mij niet inlaat. Ik vind hem een aardigen jongen, en naar ik hoor is jufvrouw Visscher een allerliefst meisje."
—"De ingenieurs zijn tegenwoordig in de mode. Er wordt bijna geen fransche vaudeville vertoond waarin niet een ingenieur voorkomt."
—"Zijt gij bang dat zij de dokters verdringen zullen?"
—"Wat mij betreft, mogen zij dat veilig doen; doch ik geloof niet, dat zij de konkurrentie zullen kunnen volhouden. Zijn eenmaal overal spoorwegen aangelegd, dan zullen de ingenieurs, die nu zulke goede diensten aan de tooneelpoëzie bewijzen,—en geen wonder, want zij zijn de meest portative sujetten van onzen tijd en men kan ze, even als champignons, overal laten opschieten,—van zelf weder van de planken verdwijnen. De dokters daarentegen blijven eeuwig jong, en nog over twee duizend jaar zullen zij even onvermijdelijk zijn op het tooneel als in de wereld."
—"Lefebvre praat over de advokaten even als gij over de dokters."
—"Nu, daar doet hij zoo dom niet aan. Zoo lang het menschdom niet uitgestorven is, zal het groote publiek te goeder trouw aan de onmisbaarheid van dokters en advokaten blijven gelooven. Mij is het wel. Maar daar is de man in levendigen lijve!"
—"Wie? André Kortenaer?"
—"Wel neen? Zie maar eens uit."
Juist toen Dijk het hoofd omwendde, ten einde onder de voorbijgangers den persoon te onderscheiden dien Ruardi bedoelde, zag hij iemand, wiens slordige kleeding en zwaaijende gang geen twijfel overlieten omtrent zijne identiteit, de poort van het pakhuis binnentreden, en hoorde hij met eene krijschende stem aan een der klerken in het voorvertrek de vraag doen: Of hier het kantoor van mijnheer Dijk gehouden werd en of mijnheer te spreken was? Dijk rees op, opende de deur en riep met de kruk in de hand:
—"Kom binnen, mijnheer Lefebvre, kom binnen, als ik u verzoeken mag. Wij zijn onder ons. Er is niemand hier als mijn vriend Ruardi, dien gij kent, en voor wien wij geen van beiden, geloof ik, geheimen hebben."
—"Bonjour, Ruardi," zeide de binnentredende, den netten dokter eene breede ongewasschen hand toestekend, die intusschen zonder pligtplegingen aangenomen werd. "Hoe maakt gij het sedert gisteren? Indien gij niet meer geheimen hebt voor ons als wij voor u, zijt gij een man om in een glazen huis te wonen. Wat dunkt u? Zal onze vriend Dijk de reis halen? Zal het ons gelukken, in zijn persoon een man in de kamer te brengen op wien de liberalen zich de tanden stomp zullen bijten? Ik voor mij heb goeden moed. Beweert men dat hij laauwe vrienden en heete vijanden heeft, van het eerste is mij tot heden niets gebleken. Al de personen, die ik in den loop van den ochtend gesproken heb, schenen mij vol ijver. Zijne onze vijanden fel, zij zijn tevens onmogelijk; en wij zullen met die gezegende infirmiteit ons voordeel weten te doen. Eene partij die alleen oppositie maken, maar niet regeren kan, moet eindigen met het onderspit te delven."
—"Gij zijt optimist, mijnheer Lefebvre," zeide Adriaan. "Geloof mij, er zal eene zware wijs op gaan om mijne kandidatuur te doen slagen, en zonder slapelooze nachten kom ik er niet."
—"Slapelooze nachten, waarde heer? Indien ik voorzag dat de politiek mij een uur van mijne kostelijke nachtrust rooven zou, kreeg zij voor goed haar afscheid. Neen, mag ik u een goeden raad geven, en ziedaar de reden van mijne komst, vraag dan in de volgende week, of in de week daarna,—op eenige dagen vroeger of later komt het niet aan,—een dozijn personen, die ik u noemen zal, bij u te gast. Ik heb in mijne gesprekken met dezen en genen laten doorschemeren dat het plan daartoe bij u bestond, en meen opgemerkt te hebben dat men van die gelegenheid om u nader te leeren kennen gaarne gebruik maken zou. Doch geen diner van enkel heeren, wat ik u bidden mag! De wereld moet weten, dat een konservatief kandidaat een gezellig schepsel is. Er moeten dames van de partij zijn. Belooft gij mij dat? Belooft gij op uw woord van eer dat gij met mevrouw Dijk zult zamenspannen om het uwe gasten zoo aangenaam mogelijk te maken? Nu dan, geen woord meer daarover. Ook de aanzienlijkste kiezers zijn gevoelig voor een keurig onthaal, en het is zonder voorbeeld in de parlementaire jaarboeken, dat iemand, wiens soep naar den rook of wiens wijn naar de kurk smaakte, zich een toonbaren aanhang verworven heeft."
De man, die aldus den makelaar in verkiezingen uithing en de politiek van het cynisme in zijne banier scheen geschreven te hebben, stond in de meeste opzigten hooger dan zijn programma. Wie wilde mogt met hem in meening verschillen, doch aan zijne goede trouw viel evenmin te twijfelen als aan zijne bekwaamheden. Zoon van een predikant, had men hem indertijd als eene van zelf sprekende zaak naar de akademie gezonden om te studeren in de theologie; doch zijne vaardigheid in het ledigen van halve ankers rooden wijn was niet de eenige drijfveer geweest die hem achtereenvolgens, met veronachtzaming der vaderlijke wenschen, in de letteren en in de regten had doen promoveren. Het pleitte voor zijne opregtheid, dat hij eene loopbaan vaarwel gezegd had, waarin hij niet minder aan zijne natuur dan aan zijn verstand geweld zou hebben moeten aandoen; en die daad had aan zijne geheele levensbeschouwing eene andere rigting gegeven. Zoo lang het vaststond dat hij predikant zou worden, haatte hij de christelijke dogmatiek met een mohammedaanschen haat, en zou hij, met den Sultan van Bantam, aan drie vrouwen en één God ver weg de voorkeur gegeven hebben boven drie Goden en ééne vrouw. Doch zoodra had hij geene vrijheid bekomen om zich in zijne natuurlijke rigting te bewegen, of hij was een opregt vereerder geworden dierzelfde Kerk, als wier dienaar hij nooit iets anders zou hebben kunnen zijn als een wolf in schaapskleederen. Zelfs in zijne vereering van la Dive Bouteille, gelijk hij met rabelaisiaansche spotternij zijn zwak voor de vrucht van den wijnstok plagt te bestempelen, was eene verandering ten goede gekomen: hoe slordig hij er bleef uitzien, en hoe verward zijne sluike zwarte haren hem over het voorhoofd bleven hangen, op zijne matigheid viel voortaan niets af te dingen. Sommigen misprezen het in hem, dat hij in strijd met zijne antecedenten van lieverlede een behoudsman was geworden. Men noemde dit verschijnsel abnormaal, zag er eene inconsequentie in, en schreef het aan zekere zucht tot tegenspraak toe, die niet zelden pleegt aangetroffen te worden bij menschen met buitengewone bekwaamheden, wel is waar, doch niet buitengewoon genoeg om hen met het voorwerp hunner eigen antipathie zich in hoogeren kring te doen verzoenen. Misschien was hij van dat gebrek niet geheel en al vrij, en personen die hem ongaarne lijden mogten waren in hun regt, wanneer zij hem een paradoxenjager noemden; doch wanneer men hem het beloop van zijnen overgang, uit de eene orde van denkbeelden tot de andere hoorde verhalen, moet men erkennen dat zijne redenen, vergelijkenderwijs, den toets konden doorstaan. Het liberalisme was tegelijk een ideaal en eene negatie, beweerde hij; zoodat men, om aan die rigting getrouw te blijven, haar alleen moest toepassen op een denkbeeldig gebied, gelijk dat der wetenschap, maar niet beproeven moest, haar eene plaats te verzekeren in de praktijk. Historische studiën waren in den loop des tijds zijne specialiteit geworden, en als historicus was hij de vrijgevigheid in persoon. De nakomelingschap, meende hij, had regt op elk dokument, hoe bedenkelijk ook voor sommige nagedachtenissen; en bij uitnemendheid illiberale onderzoekers, in zijne oogen, waren zij, die ter wille van eene geliefkoosde opinie of van eene dierbare persoonlijkheid uit den voortijd, feiten verdonkermaanden of ondeugden vergoêlijkten. Doch men moest niet bij hem aankomen met het beweren, dat dezelfde soort van kritiek, die zulk een uitmuntend werktuig tot reconstructie van het verledene vertegenwoordigde, ook in staat was iets op te bouwen voor het tegenwoordige of voor de toekomst. Toen hij liberaal was, haatte hij de maatschappij, was zijn zeggen, en zou het zijn grootste lust geweest zijn alles onderst boven te werpen; en ten bewijze van de opregtheid zijner conservative gevoelens voerde hij aan, dat de geest der echte humaniteit eerst vaardig over hem geworden was, nadat hij zich ontslagen had gevoeld van de verpligting, zich een hervormer te heeten, ten einde straffeloos een slooper te kunnen zijn.
Gedienstige vereerders noemden Lefebvre een genie; en zij grondden die meening op het feit dat hij alle talen van den aardbodem verstond en de wereldgeschiedenis van buiten kende. Volgens anderen daarentegen was hij een warhoofd, misschien uitermate geschikt om bibliotheken te ordenen en voor snuffelaars den weg te banen, doch niet bestemd om immer zelf iets te leveren, hetwelk door een volgend geslacht naar zijn naam genoemd zou worden, en in elk geval bij zijn leven veroordeeld tot den omgang met lieden, die niet in zijne schaduw konden staan. Voor zoover Dijk en Ruardi betrof, was van dit laatste werkelijk iets aan; of, zoo de dokter in sommige opzigten, wanneer het niet op studie of nadenken, maar op intelligentie en aangeboren doorzigt aankwam, zijn evenknie mogt heeten, de koopman stond in elk geval ver beneden hem. Adriaan Dijk begreep geen iota van Lefebvre's transcendentale behoudsleer. Hij was konservatief, omdat zijn aard dit medebragt, en omdat de Aprilbeweging, gelijk hij in vertrouwelijke oogenblikken erkende, hem de oogen geopend had. Tien of vijftien jaren geleden—want de meeste menschen hebben overlast van zeker trop plein des gemoeds en wie daarvoor geene afleiding vindt bij zijne vrouw of zijne kinderen werpt zich alligt in de armen der publieke zaak,—zou hij gemeend hebben, het doel van zijne eerzucht niet anders te kunnen of te mogen bereiken als onder het opsteken eener vrijzinnige vlag. Doch sedert 1853 was daarin verandering gekomen. Van dien tijd af, zeide hij, had hij het protestantisme leeren beschouwen, niet-alleen als een voornaam, maar als het deugdelijkst element van den publieken geest in Nederland en Europa. Voortaan onderscheidde hij de volken in roomsche en protestantsche; hield het voor uitgemaakt dat aan laatstgenoemde de toekomst behoorde, en zag in de geschiedenis der jongste vijftig of zestig jaren,—niet de opkomst van den stoom en van de telegrafie,—maar de lotgevallen van het stuiptrekkend romanisme, zijne uiterste, maar nog altijd geduchte krachten verzamelend tot eenen strijd op leven en dood met een providentieel mededinger en voorbestemd overwinnaar. De nagedachtenis van Koning Willem I werd door hem in eere gehouden, omdat die Vorst in 1830 en vroeger, gelijk Adriaan het noemde, niet voor "den priester" had willen buigen; terwijl het bondgenootschap tusschen katholieken en liberalen hier te lande, in 1848 gesloten en in 1853, volgens hem, aan het licht gekomen, in zijne oogen vooral hierom bedenkelijk was, omdat daardoor aan eene kleine, maar schrandere en digt aaneengesloten roomsche minderheid in de Kamer, welke bij menige stemming naar welgevallen den doorslag geven kon, de koorden der nationale beurs in handen werden gespeeld. Zijn protestantisme, gelijk men ziet, stond niet rechtstreeks in verband, hetzij met braafheid of godsdienstigheid, hetzij met regtzinnigheid in de leer. Doch het was van eene konservative soort. Het beteekende handhaving van de gemengde school als anti-papistische instelling; van het kultuurstelsel als schepping van Koning Willem I, die de roomschen had aangedurfd; van het koninklijk gezag en van de prerogativen der Kroon als tegenwigt tegen het bondgenootschap van liberalen en katholieken. Een welligt onwijsgeerig, maar daarom niet minder welgemeend programma.
—"Mag ik binnenkomen?" vroeg iemand, die reeds een paar malen vruchteloos had aangeklopt en nu het hoofd om het hoekje der deur stak. "De heeren zijn zoo druk aan het redeneren en hunne gedachten bewegen zich in zulke verheven kringen, dat een gewoon sterveling vergeefsche pogingen aanwendt om gehoor te erlangen. Wordt er kiesvergadering gehouden? Ben ik overkompleet?"
—"In het minst niet, André," zeide Dijk, "kom gerust binnen. Ik vraag verschooning dat wij u onbehoorlijk lang antichambre hebben laten maken."
—"Volstrekt niet overkompleet, mijnheer Kortenaer," voegde Lefebvre er bij. "Verheugd u hier weêr te zien. Maar het is niet aardig van u, glossen te maken op onze luidruchtigheid. Is het wel, Ruardi? Gij vooral, die eene stem hebt als eene primadonna, moogt u dat verwijt niet laten aanleunen."
—"Toch wel," zeide Ruardi. "Wij hebben alle dingen gemeen en zijn solidair aansprakelijk voor elkanders keelgeluiden. Bovendien heeft mijnheer Kortenaer groot gelijk, wanneer hij een weinig den draak steekt met onze debatten. Mag ik u welkom heeten te M., mijnheer Kortenaer, en mij aanbevelen in uwe vriendschap?"
—"Ik bemerk," antwoordde André, "dat mijn neef niets te veel gezegd heeft, toen hij voorspelde dat dokter Ruardi mij met de meeste voorkomendheid bejegenen zou. Doch gij maakt mij verlegen, dokter. Het is aan mij, om mij aan te bevelen, ik zal zeer erkentelijk zijn, indien ik mij bij dezen en genen, gedurende mijn verblijf te M., op u beroepen mag."
—"Kom morgen of overmorgen op ditzelfde uur een praatje bij mij maken, indien gij lust hebt; dan zal ik u van de M'sche heeren en de M'sche dames, de M'sche licht- en de M'sche schaduwzijden alles vertellen wat ik er zelf van weet."
—"Neem u in acht, mijnheer Kortenaer," krijschte Lefebvre, die heden bijzonder goed gemutst was en daardoor nog luider sprak dan gewoonlijk. "Dokter Ruardi is een menschenhater en welsprekend. Hij zal u van deze goede stad en van hare inwoners een donker tafereel ophangen."
—"Indien zulke tafereelen niet dienstig zijn voor uw gemoed," antwoordde de dokter, "draag dan zorg, mijnheer Kortenaer, dat gij de woonplaats van mijn vriend Lefebvre mijdt, en sla, indien hij u verleiden wil hem daar een bezoek te komen brengen, zijne uitnoodiging wijsselijk af. Hij zou door zijne verhalen van hetgeen in het doodonschuldige T. voorvalt niet-alleen uwen eetlust bederven en uwe nachtrust verstoren, maar, wat erger is, uwe vaderlandsliefde ondermijnen."
—"Gekheid!" riep Lefebvre, door 's dokters beschuldiging op een van zijn geliefkoosde topics gebragt. "Luister niet, mijnheer Kortenaer, naar den boozen raad van dezen Achitofel, en houd u verzekerd dat het u niet berouwen zal, indien het toeval, wat zeg ik? indien uwe gelukster u vroeg of laat naar het eerzame T. voert. Zou ik de stad mijner inwoning lasteren? Die bakermat van het liberalisme? Eer vergete mijne regterhand zich zelve! Misschien hebt gij hooren verhalen, mijnheer, dat T. eene plaats is, waar de dienst van Amor naar evenredigheid meer volgelingen telt dan in eenige andere stad van Nederland; doch ik beroep mij op uw gezond verstand en vraag, of die beschuldiging, indien zij niet veeleer eene hulde verdient te heeten, niet de onwaarschijnlijkheid-zelve is? T. is eene stad met dertig duizend inwoners, mijnheer, en het kan niemand bevreemden, dat op eene bevolking van twee synagogen, vijf roomsche en zeven gereformeerde kerken, een half dozijn galanterie-winkels aangetroffen worden. Doch, geloof mij, aan andere galanterien wordt te T. niet gedaan. Men zal u verhalen dat het jongste kind van onzen burgemeester sprekend gelijkt op den kolonel van ons garnizoen, of dat de vrouw van den schout-bij-nacht op non-aktiviteit, dien T. de eer heeft te huisvesten, de hand heeft in de voordragten van den president onzer arrondissements-regtbank. Geloof het niet, mijnheer; of liever, kom met eigen oogen die heeren en die dames aanschouwen, kom hunne konversatie aanhooren, wees getuige van hunne gezellige bijeenkomsten, en wanneer gij de insipiditeit zult hebben zien heen en weder fladderen van de schamele borst van mevrouw X. naar den breeden schoot van mevrouw Y., wanneer gij de maagdelijke Célestine Z. met de aanminnigheid eener geit zult hebben zien glimlagchen om de dubbelzinnigheden van den luitenant A. of de naïveteiten van mijn konfrater, den advokaat B., zult gij mij zeggen of T. er al dan niet de plaats naar is om aan Clarissa's tot geboortestad of aan Lovelace's tot oord van ballingschap te verstrekken. Neen, mijnheer, wij van T. zijn een eerbaar en ordelijk volk; een volk van katoenspinners en garentwijnders, van landbouwers en veehoeders. Van de weinige hartstogten, die ons kwellen, genezen wij ons door een overvloedig gebruik van mout-extrakt, en onze eenige eerzucht is, de liberaalste stad van Nederland te zijn of daarvoor door te gaan. Wilt gij een staaltje van onze virtuositeit op dit gebied? Tot voor weinige jaren hadden wij eene speelbank, die wel niet met de banken van Spa of Homburg kon vergeleken worden, maar toch dit goede had, dat zij een subsidie van vijfentwintig duizend gulden 's jaars aan onze opera uitkeerde. Voor dat geld engageerden wij tenors en baritons, sopranen en alten, zoo veel wij noodig hadden; en in dien tijd bezat T. een theater, dat, hoe klein en nederig ook, met de beste uit het land wedijveren kon. Het was een centrum van beschaving, en twee-of driemalen in de week vonden wij er eene weldadige verpoozing van onzen arbeid. Doch naarmate wij toenamen in liberalisme, gingen allengs onze oogen open. Wij petitioneerden bij den gemeenteraad om opheffing der zedelooze speelbank die de zenuw onzer opera was, en niemand is in staat het verheven gevoel te schetsen hetwelk onze borst doorstroomde, toen het stedelijk bestuur gehoor gaf aan onzen wensch. T. scheen ons toe eensklaps een Paradijs geworden te zijn. Het gebouw der speelbank gesloten en weldra in een venduhuis herschapen; op het affiche van onzen schouwburg de woorden: Relâche pour cause de suppression,—wij zagen in die verschijnselen de voorboden van het naderend godsrijk; en waren sommigen onzer niet van eene twijfelachtige regtzinnigheid geweest, wij zouden het hemelsch Jeruzalem hebben wanen te zien nederdalen binnen de muren onzer stad. Want supprimeren, mijnheer, dat weet gij, is de hoogste vreugde van het liberalisme. Verleden jaar hebben wij de opera gesupprimeerd, omdat wij de speelbank goddeloos vonden; toekomend jaar zullen wij de terrines de foies gras supprimeren, omdat wij het treden op warme koperen platen, al geldt het slechts ganzen, voor onvereenigbaar houden met onze beginselen van filanthropie. En vraag niet wat wij voor een en ander in de plaats bekomen hebben, of hoe wij het voortaan zonder ganzenleverpasteipotjes en zonder opera stellen zullen. Het liberalisme supprimeert; doch remplaceren, daar doet het niet aan. Ons ideaal is eene eeuw, waarin niemand muziek maken en niemand truffels eten zal, het onderscheid tusschen arm en rijk, knap en dom, man en vrouw zal zijn opgeheven, de geheele maatschappij er uit zal zien als een egyptisch korenveld waarop de sprinkhanen te gast zijn gegaan, en onze kaalgeschoren aarde zich in de onmetelijke ruimte zal wentelen, dikker dan een ton en gladder dan een kampernoelje. Nog heeft men te T. dat toppunt van volkomenheid niet bereikt; nog worden daar smulpapen gevonden, die aan biefstuk met aardappelen de voorkeur geven boven andijviesla met beetwortelen; nog vindt men bij ons (doch alles kan ook niet op eens komen) onhebbelijke vrouwen, die nu en dan een welgeschapen kind ter wereld brengen. Houd u evenwel bedaard, mijnheer, en wanhoop niet aan onze toekomst. Den stroom des tijds kan niemand tegenhouden, en mits gij twaalf maanden wacht met mij een bezoek te komen brengen, maak ik mij sterk u eene bevolking te toonen, aan wier volmaaktheid alleen nog ontbreken zal dat zij niet gesupprimeerd is."
—"Mij dunkt," zeide Dijk, toen Lefebvre deze uitboezeming ten einde had gebragt, "wij moesten gezamenlijk naar de Buitensocieteit wandelen en daar een luchtje gaan scheppen onder de verandah. Hebt gij lust, André?"
—"Wat mij betreft," zeide Ruardi, "ik kan bezwaarlijk van de partij zijn; doch laat dit de heeren niet afbrengen van hun plan. Mag ik er staat op maken, mijnheer Kortenaer, dat gij mijne uitnoodiging niet versmaden zult?"
—"Zoo zeer, dokter," antwoordde André, "dat gij mij misschien reeds morgen aan den dag te uwent zult zien verschijnen."
Veertiende Hoofdstuk.
"Ik wenschte dat Dijk mij dien knaap niet aanbevolen had," zeide dokter Ruardi bij zichzelven, toen hij den volgenden ochtend zijn ontbijt had gebruikt en zich gereed maakte om visites te gaan rijden. "Hij schijnt verbazend groen, en wie weet of het de moeite loont hem te helpen ontbolsteren? Het best zou zijn, dat hij eenigen tijd bij Lefebvre in de leer ging, om zijne denkbeelden te vormen; want dat er in de praktijk immer iets van hem teregt zal komen, geloof ik niet. Lidewyde heeft hem en amitié genomen, zegt Dijk; dat verstaat zich. Zij haalt hem aan uit tijdverdrijf, en zal beproeven zijn meisje jaloersch van haar te maken. Indien dat lieve kind haar belang kende, zou zij stil bij vader en moeder blijven en zich hier in geene wespennesten komen steken. Die goede Lefebvre! Hij is de onschadelijkheid-zelve, en men lastert hem, wanneer men hem een corrumperenden invloed toeschrijft. Toch kan ik mij voorstellen, dat onervaren jongelieden door hem zoogenaamd op het dwaalspoor gebragt worden; en misschien is het maar goed, dat vriend Kortenaer niet onder zijne leiding komt. Indien ik ooit pædagoog word, waarvoor de hemel mij beware, ben ik voornemens zulk soort van meesters op een afstand te houden. Ik kan niet gelooven, dat het dienstig is voor jongelui, hunne tegenstanders te leeren minachten. Die taktiek is alleen goed, dunkt mij, ten aanzien van de vrouwen; tegenover mannen deugt zij niet. Om die onder den duim te krijgen... Maar genadige goedheid, neef André is geen schoolknaap, en ik behoef hier in de eenzaamheid geen cursus over opvoedkunde te zitten houden. Jakob, ben je daar? Luister eens."
—"Wat is er van uwe dienst, mijnheer?" vroeg Jakob, die in een aangrenzend vertrek bezig was eenig huiswerk te verrigten.
—"Ik verwacht van middag bezoek."
—"Mijnheer kan er op rekenen, dat ik de dames behoorlijk ontvangen zal."
—"Wat praat gij van dames? Er is kwestie van een jong heer, een logé van mijnheer en mevrouw Dijk. Het kan gebeuren dat ik nog niet thuis ben tegen dat mijnheer komt: in dat geval laat gij mijnheer in de rookkamer, en verzoekt hem een oogenblik te willen wachten. Vergeet niet, het noodige gereed te zetten. Mijnheers naam is Kortenaer; verder ben ik voor niemand thuis of te spreken."
Het vertrek waarin André, in den namiddag van dien dag, door Jakob verzocht werd de thuiskomst des dokters te verbeiden, maakte geen deel uit der appartementen waarvan het middelste toegang tot den wintertuin verleende. Evenmin was het dat, waarin Ruardi des ochtends den kapelaan ontvangen en dezen op een overzigt zijner wijsbegeerte onthaald had. Het lag evenwel in dezelfde rigting als dit laatste en kommuniceerde daarmede. Zijn omvang was die van een ruim kabinet, gemeubeld met divan aan divan. Hier en ginds stond eene kleine tafel, wier japansch-verlakt blad, glanzig rood met gouden vogels, in eene ebbenhouten lijst gevat was en op een kunstig gedraaiden zwarten voet rustte. Een dier tafeltjes droeg een zilveren schenkblad met vonkelende wijnkaraffen, waarnevens een kistje veelbelovende sigaren en eene turksche pijp. Boven den schoorsteen hing een trofee van indische wapenen, terwijl de plaats onder den schoorsteenmantel, waar 's winters de haard zich uitbreidde, thans ingenomen werd door eene monsterpul van oud-blaauw. De wanden prijkten met vier medaljons in pastel, levensgroote kniestukken, de vier jaargetijden voorstellend in de gedaante van even zoo vele schoone vrouwengestalten. Echter verbraken die beelden min of meer de oostersche tint die over het vertrek uitgespreid lag, en men behoefde niet in Azie gereisd te hebben om weldra te gevoelen dat les filles de marbre, die tot modellen voor deze teekeningen hadden gediend, geene geboren bayadères waren. Te zeggen dat André, toen hij uit tijdverdrijf, nadat Jakob hem alleen gelaten had, van het eene medaljon naar het andere ging, de oogen nedersloeg, of zich met weerzin afwendde, zou met de geschiedenis in strijd zijn. Doch wel is het waar dat hij zich in de beschouwing dier nuditeiten niet regtstreeks verlustigde. Daartoe had verbazing te zeer den boventoon in zijnen geest; verbazing dat er vrouwen gevonden worden, die voor geld te bewegen waren om in zoodanige mate met de vooroordeelen misschien, doch in elk geval met de overleveringen der schaamte te breken; verbazing dat dokter Ruardi eene voorstelling der saizoenen nahield, waaraan het element der draperie zoo te eenemaal ontbrak. Bloemen en vruchten in overvloed; ook bekers en schalen. Doch van de onontbeerlijkste kleedingstukken nergens een spoor.
Een gulle lach uit den mond van den binnentredenden heer des huizes maakte een einde aan André's kunstbeschouwing.
—"O, o, mijnheer de puritein," schertste de dokter, "ik zie wel waaraan het hapert; gij ergert u aan mijne jaargetijden. Maar ga zitten, neem een sigaar en een glas madera, en ik zal u haarklein de geschiedenis dier medaljons vertellen."
Ruardi kon liegen of het gedrukt stond, niet-alleen, maar of een volleerd tooneelspeler zijne fabelen met studie voordroeg. De inhoud zijner verhalen wisselde naarmate van het gezelschap waarin hij zich bevond, en het geval moest zich nog voordoen dat hij in de tegenwoordigheid van een jong meisje eene anekdote aanroerde die alleen door gehuwde vrouwen gesavoureerd kon worden, of het voorhoofd van grijsaards glad zocht te strijken met geestigheden waar alleen een jong mensch met ongedwongenheid om glimlagchen kon. Hij kende André nog te weinig om een bepaald oordeel over hem te hebben; doch zooveel vaster dan de meeste jongelieden van zijnen leeftijd, meende hij, stond deze vaudeville-held, gelijk hij hem noemde, niet in zijne schoenen, dat hij aarzelen moest hem de legende der medaljons op te disschen. Het was het onderhoudend verhaal van een vaderlandsch edelman, een van Ruardi's voormalige patienten, die gedurende eene lange reeks van jaren al den tijd, hem door eene sinecure aan ons Hof gelaten, te Parijs plagt door te brengen. "Hier te lande," zeide Ruardi, "werd hij aangezien voor een groot heer, en wanneer hij bij officiële gelegenheden in gala-kostuum als ceremoniemeester fungeerde, of zoo iets, zag hij er met zijn geborduurden rok vol ridderorden zeer voornaam uit. Doch daarginds, waar het krielde van russische prinsen en hongaarsche magnaten, twintig maal rijker en aanzienlijker dan hij, maakte hij met zijne schelvischoogen en zijn onverbeterlijk hollandsch accent zulk een beklagelijk figuur, dat hem niets anders overschoot als zich in de armen van den demi-monde te werpen. Op zijn landgoed in Gelderland of Overijssel had hij de afgod der boeren en de trots van den burgemeester kunnen zijn; doch liever dan zich des zondags door den dominé der plaats te hooren gedenken in den gebede, liever dan uit de hand van onschuldige dorpskinderen verjaarverzen en pionierozen aan te nemen, liet hij zich plukken door uitgebloeide actrices of de les lezen door ondernemende figuranten uit de vrouwelijke helft van een corps-de-ballet. Verleden jaar, in het eind, is hij getrouwd met een schatrijk meisje uit onze bankierswereld, wier familiewapen, dat verzeker ik u, minder kwartieren telt dan er hypotheken op zijne boerderijen staan; en toen ik hem tegen het aanbreken van den grooten dag weder een weinig op zijn verhaal geholpen had, heeft hij mij dringend verzocht, hem wel te willen ontheffen van dit viertal souvenirs uit den tijd zijner losse haren. Ik heb het geschenk aanvaard, en laat de medaljons daar hangen als eene dagelijksche waarschuwing aan mijzelven om toch niet af te dwalen van het pad der deugd."
—"Durfde ik," zeide André, "ik zou beweren, dat de vermaning te wegslepend is om volkomen ernstig te kunnen zijn."
—"Dan zweemt zij naar de predikatien van onzen vriend Lefebvre, die mij insgelijks toeschijnen, meer te boeijen dan te stichten."
—"Is dat inderdaad uwe meening? Houdt gij hem niet voor een ernstig man? Op mij heeft hij een aangenamen indruk gemaakt. Wanneer hij daar voor u staat met zijn hoog en breed ligchaam, zwaaijend met het bovenlijf, zich de haren uit het gelaat strijkend, dan vergeet men, vind ik, zijne korpulentie, zijne krassende stem en zijn groezelig linnen, en wordt men onwillekeurig medegesleept door zijne denkbeelden, meer nog dan door zijne woorden. Het is of hij eene elektriseer-machine in het hoofd heeft, wier vonken hem uit de oogen schieten."
—"Ongetwijfeld geef ik u toe, dat Lefebvre een buitengewoon man is, en gij moet niet denken dat ik kwaad van hem spreek. Zonder dat hij tot mijne oudste vrienden behoort, ken ik hem toch reeds sedert geruimen tijd, en telkens als ik hem na eene korter en langer tusschenpoos weêrzie, gelijk nu dezer dagen het geval is, word ik versterkt in de meening dat hij de grootste hoogachting verdient. Maar ofschoon ik over een aantal zaken even zoo denk als hij en hij zonder eenigen twijfel een man van overtuiging is, wantrouw ik hem toch in sommige opzigten. Ik geloof inderdaad niet, dat hij zulk een anti-liberaal is als waarvoor hij zich uitgeeft."
—"Dat begrijp ik niet. Hetgeen hij zegt komt blijkbaar uit het diepst van zijne ziel, en hij zou onmogelijk met zooveel vuur kunnen spreken, indien hij niet geheel doordrongen was van de waarheid zijner denkwijze."
—"Maar dat vuur, waarde heer, dat vuur? Let wel dat ik u van uwe gunstige meening omtrent Lefebvre volstrekt niet wil afbrengen. Ook ben ik niet genoeg te huis in de denkbeelden, waarmede hij voortdurend vervuld is. Alleen schijnt het mij toe, dat hij liberaal en konservatief onophoudelijk met elkander verwart. Wat is liberaal zijn? Vergeef mij, dat ik zulke pedante vragen opwerp, maar ik, die niets ben, noch liberaal, noch konservatief,—en in dat opzigt varen wij in hetzelfde schuitje, niet waar?—ik beweer dat al wie voor iets ijvert, met iets dweept, aan iets gelooft zoo als de menschen zeggen, liberaal is. De ernstige behoudsman is positivist, dunkt mij en neemt de menschen en de dingen gelijk zij zijn. Hoe doet Lefebvre daarentegen? De vonken van het enthusiasme, gelijk gij teregt opmerkt, spatten hem uit de oogen. Hij is in zijne soort een fanaticus, en men hoort hem zijn konservatisme bepleiten met eene ingenomenheid, die den trouwhartigsten liberaal niet misstaan zou. Neem mij niet kwalijk, maar ik houd niet van zulke begripsverwarringen. Lefebvre is met al zijne paradoxen en al zijne sarkasmen een goed man, en toch geloof ik dat hij de lieden van het spoor brengt. Wie mede spreekt over de publieke zaak, moet weten wat hij wil; en dat weet Lefebvre niet. Hij dooft bij anderen juist datgene uit, waarin het aantrekkelijke van zijn eigen persoon gelegen is; en indien ik u de gulle waarheid zeggen mag,—mijn onbeduidende kamerheer-ceremoniemeester, met zijn schelvischoogen en zijne vooze konstitutie, is in mijne oogen een onschadelijker lid der zamenleving dan de geniale Lefebvre."
—"Jawel; maar men behoort in deze wereld nog iets meer dan alleen onschadelijk te zijn. Lefebvre is in elk geval eene kracht."
—"En mijn ceremoniemeester dan? Daareven heb ik zoo onbarmhartig den draak met hem gestoken, dat ik mij verpligt acht, nu ook iets te zijnen voordeele te zeggen. Het is, dat hij in een ander land als het onze, een genoeglijk leven en schoone vrouwen is gaan zoeken. Die verdienste schijnt gering, maar in mijne schatting is zij eene daad van toegepaste metaphysica, niet-alleen, maar van de eenige metaphysica die onze aandacht verdient. Ik geloof namelijk aan het bestaan van den hartstogt dien men liefde noemt, en dien ik voor mij als den volmaaktsten vorm van het menschelijk zijn beschouw. Gij begrijpt mij? Wanneer iemand mij komt verhalen dat hard werken zijn lust en zijn leven is, keer ik hem in gedachte den rug toe; want ofschoon ik zeer wel inzie dat de wereld niet zou kunnen voortduren, indien wij niet elk op onze beurt ons inspanden, vind ik in den arbeid iets vernederends, en zoo menigmaal een dusgenaamde werkezel mij den lof van zijn bestaan komt zingen, gevoel ik lust hem aan zijn naam te houden, en hem te zeggen dat hij inderdaad een langoor is. Nu, iets dergelijks is ook het geval met alle andere quasi-genoeglijke aandoeningen van onze ziel, de liefde uitgezonderd. Rijk te willen zijn, beroemd te willen zijn, een eerzaam huisvader te willen zijn, lid van de Tweede Kamer te willen zijn,—van elk dier idealen, deze nederig, gene subliem, is zekere mate van trivialiteit onafscheidelijk. Daaronder is er niet één... Doch ik verveel u met mijne bespiegelingen?"
—"Neen," zeide André, "het tegendeel is waar; maar ik vraag mij af, of ook de minnarijen van uw verloopen kamerheer niet insgelijks min of meer triviaal waren?"
—"Natuurlijk, wel zeker," hervatte de dokter, "maar mijn kamerheer bevond zich niettemin op den goeden weg. De soort van liefde, waarmede hij, omdat hij een Hollander, een stumpert en een kamerheer was, zich vergenoegen moest, beantwoordde op ver na niet aan het begrip van dien hartstogt. Het was er eene karikatuur, eene parodie, eene charge van. Doch dit neemt niet weg dat men met een weinig takt zeer wel in die misvormde trekken het oorspronkelijk beeld herkennen kan. Geen man, daar houd ik het voor, vervult zijne bestemming, indien hij zich niet aan de vrouwen wijdt; en geene vrouw draagt haren naam met eere, indien zij niet in staat is een hartstogt in te boezemen, sterk genoeg om u ter wille daarvan alles te doen vergeten. Elke vrouw, die dat vermag, is schoon, ook al zouden hare vriendinnen haar leelijk noemen; en ziedaar"—hier barstte de dokter op nieuw in een gullen schaterlach uit, die moest aanduiden dat hij met zijne eigen theorien een loopje nam en er niet om gaf of hij zichzelven al dan niet tegensprak,—"ziedaar waarom ik beweer dat er in Holland geene schoone vrouwen zijn!"
André zou hebben willen vragen: "En Emma dan? En Lidewyde?" Doch het was duidelijk dat Ruardi met zijne stelling niets personeels bedoelde, en het zou belagchelijk geweest zijn, vond hij, aan diens woorden meer beteekenis te hechten dan waarop zij aanspraak maakten.
—"Meent gij," vroeg hij, 's dokters woorden voor de leus au sérieux nemend, "meent gij dat de vrouwen in Holland minder hartelijk of toeschietend zijn dan in andere landen? Mij is dat zoo niet voorgekomen. Ook het tegendeel niet. Het is waar, dat ik weinig in het buitenland verkeerd heb. Maar te oordeelen naar de vreemdelingen met wie ik nu en dan in kennis ben gekomen, zou ik zeggen dat zoowel de mannen als de vrouwen in alle landen van Europa tamelijk veel op elkander gelijken."
—"Nu ja," zeide Ruardi, "ik geef u toe dat de gelijkvormigheid van menschen en van dingen een der sprekendste karaktertrekken van onzen tijd is. Al onze mannen dragen een ronden hoed, al onze vrouwen een hoepelrok, en men moet in onze dagen de menschen persoonlijk kennen om Rothschild van zijn kantoorbediende, of Keizerin Eugénie van hare modemaakster te kunnen onderscheiden. Zelfs bij de militairen vindt men bijna geene onderscheidingsteekenen meer; en de kolonel van een regiment huzaren in groot uniform gelijkt sprekend op zijn oppasser. Onder ons gezegd is dat niet de beste dienst die de Fransche Revolutie ons bewezen heeft. Het is niet natuurlijk dat elk huisonderwijzer president van een ministerraad, elk adjunkt-kommies onderkoning van eene kolonie worden kan. Goede onderkoningen bekomt men niet op die wijze, maar wel ongedurige adjunkt-kommiezen. Daar is nu evenwel niets aan te doen, en men moet de tijden nemen gelijk zij zijn. Daarenboven zou het mij niet fraai staan, kwaad te spreken van de egaliteit. Toen mijn piemontesche overgrootvader zich hier te lande als schoorsteenveger kwam nederzetten, droomde hij ook niet dat zijn achterkleinzoon eenmaal ongestraft, wat zeg ik? op uitdrukkelijk verzoek de hagelblanke pols zou mogen voelen der meest patricische dames. Ik beweer alleen, dat onder de oppervlakte der gelijkheid, in onze europesche maatschappij, een bepaald verschil van rassen is blijven voortbestaan, waaronder het hollandsche van beiderlei geslacht vooral niet uitmunt. De Duitschers praten van kultuurvolken, en zij houden zichzelven voor één daarvan. Ik mag het lijden, ofschoon het mij nooit is mogen gelukken, in de duitsche beschaving iets noemenswaardigs te ontdekken wat niet van de Franschen of de Engelschen geborgd was. Indien de Duitschers werkelijk een kultuurvolk zijn, zijn zij het van de nabootsing; hetgeen, let wel, in elk geval beter is dan, zoo als wij, zelfs in de nabootsing niet uit te munten en traînards te zijn tot in de assimilatie toe. De Spanjaarden en de Italianen (moge mijn overgrootvader mij die gelijkstelling vergeven!) hebben hun besten tijd achter den rug; zij zijn kultuurvolken geweest, gelijk de Russen het nog worden moeten; indien althans mijn vriend Börne het bij het regte einde had, toen hij de Moskoviten het eenige volk van Europa noemde, van hetwelk onze maatschappij nog een weinig bloedvernieuwing verwachten kon. Ik voor mij ben op die verversching in het minst niet gesteld, en zoo lang er Franschen en Engelschen zijn, vooral Franschen, geloof ik dat wij de Russen best missen kunnen. Werkelijk zijn de Franschen het universeelste volk van de geheele wereld. Hunne taal te radbraken is zelfs onder ons een vast kenmerk van rusticiteit. Wanneer wij goed gekleed willen gaan, bedienen wij ons van een franschen snijder, en iederen keer dat wij een feestelijken maaltijd wenschen aan te rigten, nemen wij onze toevlugt tot een franschen kok. Parijs is de stad waar het toilet van alle toonbare vrouwen der beide halfronden vastgesteld wordt, en onze meest orthodox-gereformeerde dames zouden niet op de openbare straat durven verschijnen, indien hare hoeden of japonnen niet zweemden naar de Parijsche modeplaatjes van den vorigen dag. Het is inderdaad merkwaardig, dat eene hollandsche vrouw van den eersten rang, indien zij voor een keer er regt achtbaar en fashionable wenscht uit te zien, dat doel het best bereiken kan door zich te kleeden gelijk twee saizoenen geleden de bloem der Parijsche courtisanes zich uitdoste. En die hulde is niet onverdiend. Zulk eene Parijsche courtisane toch staat als vrouw, ik bedoel als liefhebbend wezen, werkelijk hooger dan de gedistingeerdste vrouwen bij ons. Noem mij zoo onbeleefd als gij wilt, de feiten getuigen in mijn voordeel. Mij is in Nederland geene enkele vrouw bekend, die voegzaam de heldin van een roman zou kunnen zijn; en men moet tot Jacoba van Beijeren opklimmen,—van Beijeren, hoort gij wel?—om in onze vaderlandsche geschiedenis een persoon te ontmoeten, die eenigszins (en dan nog!) tot draagster zou kunnen dienen van de edelste aandoeningen van het vrouwelijk gemoed. Ik zeg u, de hollandsche vrouwenwereld is eene wereld van bakers en kindermeisjes, gelijk onze mannenwereld er eene van katechiseermeesters is."
—"Ik wenschte," zeide André, "dat mijn aanstaande schoonvader u hoorde. Hij erkent wel, dat onze landaard tegenwoordig niet half zoo veel te beduiden heeft als voorheen, maar gelooft toch aan het bestaan eener hollandsche nationaliteit en is daarvan een vereerder. Hij zou uwe invektiven beter weten te beantwoorden dan ik."
—"Ik heb de eer niet uw aanstaanden schoonvader persoonlijk te kennen," antwoordde Ruardi, "en indien ik het genoegen had hem te ontmoeten, zou ik waarschijnlijk mijne denkbeelden voor mijzelven houden. Het is eene vaste gewoonte van mij, en die ik u ter navolging durf aanbevelen, nooit te redetwisten met mannen van zekeren leeftijd en zekere rigting. De oude heer Visscher is artist geweest, niet waar?"
—"Geweest, ja, en in zekeren zin is hij het nog. Zijne groote bewondering voor onze dichters en schilders der 17de eeuw doet hem belang stellen in al hetgeen ook nu nog bij ons op dat gebied voorvalt. Volgens hem, zouden onze kunstenaars van den tegenwoordigen tijd slechts hun eigen voorgeslacht tot model behoeven te kiezen, om den hollandschen naam weder tot eer te brengen. En zoo denkt hij in de meeste dingen. In de politiek behoort hij tot geene der tegenwoordige partijen, maar is een vaderlandlievend man, die met zijne geheele ziel aan eene providentiële roeping van ons Vorstenhuis gelooft en maar één programma kent: Oranje en de vrijheid."
De dokter schudde ongeloovig het hoofd.
—"Waarom houdt gij dat voor eene illusie?" vroeg André. "Is het onnatuurlijk dat een Koning zich tot orgaan der volkswenschen maakt?"
—"Ik bid u," antwoordde Ruardi, "bewaar die vragen voor uw eerstvolgend onderhoud met Lefebvre. Mij klinkt het programma van uwen schoonvader in hope als een fragment uit ik weet niet welke gedenkschriften d'Outre-Tombe in de ooren; doch wat bewijst dit? Ik bemoei mij niet met politiek, en mijne vreemde afkomst maakt mij ongevoelig voor de tooverkracht met uwlieder nationale overleveringen en sympathien. Waarom regeert in Nederland eene familie Oranje-Nassau? Wat beduiden die uitheemsche namen? Is uw land zoo arm aan edele geslachten, dat buitenlanders naar hier zijn moeten overkomen om u te regeren? Ik versta het niet en weet het niet. Van mijnheer Visschers bondgenootschap tusschen Oranje en de vrijheid begrijp ik geen syllabe. Uw vorstenhuis is, voor zoo ver ik oordeelen mag, nooit iets anders geweest als de bondgenoot van the mob, en zijne geschiedenis is die van eene fortuinzoekende dynastie, die er in den loop des tijds in geslaagd is, de rol van ambtenaar te verruilen voor die van souverein. Doch ik kwets met mijne ketterijen uwe regtzinnig-nederlandsche ooren?"
—"Dat doet gij," zeide André, "maar het is mijne eigen schuld. Bovendien zou mijnheer Visscher u niet toegeven, dat de Hollanders geene natie zijn, alleen omdat de grondlegger van hunne nationaliteit een vreemdeling geweest is. Er is eene hollandsche kunst en eene hollandsche litteratuur geweest, beweert hij; en zoo lang Holland bestaat, is er mogelijkheid dat die kunst en die litteratuur terugkomen. Het zijn de besten die zich beteren, volgens hem."
—"Beterschap is een woord", zeide de dokter, "waarvan de medici zich uit goedhartigheid bedienen in den dagelijkschen omgang met individuen, doch waarvoor in het leven der volken geene plaats is. Men is eene natie, of men is het niet."
—"Men zou kunnen opgehouden hebben het te zijn, en het niettemin naderhand weder kunnen worden", meende André.
—"Wel mogelijk," was het antwoord; "doch voor de Hollanders, die te geener tijd eene natie geweest zijn, is die troostgrond zwak. De Japannezen zijn het eenige volk der aarde, dat zich ooit ingespannen heeft om uwe taal te leeren; en nu eindelijk voor hen het oogenblik gekomen is om voor die moeite beloond te worden, kunnen zij met uwe wanspraak nergens teregt. Is dat een bewijs van nationale kracht? Is het dat van de zijde van een volk, dat twee honderd en vijftig jaren lang in het bezit geweest is van de prachtigste kolonien en met de geheele wereld handel gedreven heeft? Geloof mij, eene natie wier taal men ontberen kan, telt niet mede in de rij der volken. Wanneer de wereldgeschiedenis haren gang kan gaan, zonder notitie van u te nemen; wanneer zij zichzelve zou moeten benadeelen en stil zou moeten staan, om zich met u onledig te kunnen houden,—deedt gij beter, zooals de boeren zeggen, eijeren voor uw geld te kiezen. Er is een tijd geweest, nu ja, dat Holland eene plaats in den europeschen kabinetsraad had; doch op welken voet? Niet uwe beschaving deed u den toegang tot dien areopagus verwerven, maar uwe schaggeraarsnatuur. Gij zijt een tijdlang de woekeraars van Europa geweest; en daarin heeft het voornaamste punt van overeenkomst tusschen u en het volk Israel bestaan. Doch toen uw geld op was, hebben de welopgevoede natien u den rug toegekeerd, even als aan de akademien de jongelui van goeden huize wel voor eene poos omgang houden met den vermogenden kinkel die hun oesters voorzet en champagne schenkt, maar hem aan zijn lot overlaten zoodra het uitlekt dat zijn vader bankroet gemaakt heeft. Gij zijt, met uw verlof, te allen tijde de risée en de dupe van Europa geweest; en alleen het isolement, waartoe gij vervallen zijt, is oorzaak dat het menschdom,—hetwelk thans van die dingen geene kennis neemt en dan ook waarlijk zijn vrijen tijd nuttiger besteden kan,—niet nog dagelijks schatert van lagchen om al die boeken en bladen waarin gij u zelven honig om den mond smeert, uwe mediokriteiten tot den rang van geniën verheft, en uwe voorvaderen groot noemt, in de hoop dat uwe kinderen niet bemerken zullen hoe klein gij zijt."
—"Ik geloof inderdaad niet," zeide André, "dat mijnheer Visscher zich door uwe beschouwingswijze van zijn stuk zou laten brengen. Niets zou ons verhinderen, volgens hem, weder een toonbaar volk te worden, gelijk gij het noemt, indien wij ons op nieuw leerden onderscheiden door onze degelijkheid. Wij zouden dan wel niet kunnen wedijveren, gelijk voorheen, met de Engelschen of de Franschen, en zelfs niet met de Duitschers, maar dit zou niet beletten, dat wij onder de volken van den tweeden rang eene eervolle plaats konden innemen."
—"Mijn lieve mijnheer Kortenaer," antwoordde de dokter, die op zijne wijze van lieverlede ernstiger geworden was en nu bijna gemoedelijk werd, "ik herhaal dat ik voor uw aanstaanden schoonvader den meest mogelijken eerbied heb en hem gaarne voor een merkwaardig man houd; doch neem mij niet kwalijk, dat ik zijne denkbeelden droomerijen noem. Hoe kan eene natie weder in het bezit komen van eene eigenschap, die zij verloren heeft? Dat is zuiver woordenspel. Nationale deugden zijn geene verdwaalde wandelstokken of doekspelden, waarvan de kommissaris van politie in de courant adverteert dat de eigenaren ze aan zijn bureau terugbekomen kunnen. Doch al konden uwe Hollanders zich de voorvaderlijke degelijkheid op nieuw eigen maken,—houd mij ten goede dat dergelijk ondernemen mij toeschijnt een even onbegonnen werk te zijn als uit het venster te gaan liggen, ten einde zichzelven te zien voorbijgaan op de straat,—die degelijkheid, waarmede mijnheer Visscher zoo ingenomen is, vormt mijns inziens juist een voornaam beletsel tegen uwlieder toenemen in beschaving. Predik degelijkheid aan een Franschman, en ik zal u begrijpen; want in het fransche volkskarakter is die kwaliteit niet in zoo ruime mate voorhanden, dat zij niet nu en dan aanmoediging zou behoeven. Predik degelijkheid aan de Spanjaarden, de Italianen, de Mexikanen, de Mohikanen, aan wie gij wilt. Doch wanneer ik haar u aan de Hollanders hoor verkondigen, verbaas ik mij. Gij kondt even goed tot hen zeggen: Lieve vrienden, gij zijt geboren lummels; draagt derhalve vooral zorg, dat gij den hoogsten trap der lummelachtigheid bereikt. Neen, indien gij van uw volk nog iets maken wilt, en gij niet vreest den moriaan te zullen schuren, leer den Hollanders urbaniteit, goede manieren, een goeden toon; bovenal, leer hen omgaan met vrouwen. Gij spot met mij, omdat ik telkens op hetzelfde aanbeeld sla; en ik ben op dat punt, ik erken het, een weinig monomaan. Doch zeg mij, zou uw aanstaande schoonvader, die zulk een bewonderaar der oude hollandsche schilders is, zou hij in staat zijn één doek dier heeren te noemen, waarop een aanvallig vrouwenbeeld voorkomt? Ik laster uwe nationale schilderschool niet, dat spreekt; maar dit durf ik volhouden, dat men in de italiaansche of de spaansche kunst een volslagen vreemdeling moet zijn, om niet te gevoelen dat de uwe in sommige voorname punten jammerlijk te kort geschoten is. Van Rafael, van Titiaan, van Murillo, van Velasquez, van honderd andere schilders uit die scholen, weet men de schoonste vrouwelijke typen te noemen; beelden, waarop het verste nageslacht met bewondering staren zal en bij wier aanschouwen men door de hoogste verrukking wordt medegesleept. Doch uw Frans Hals en uw Van der Helst, wat hebben zij geschilderd en aan welke onderwerpen hebben zij hunne beste krachten verspild? Schuttersmaaltijden, op mijn woord van eer! waar men het vet der karbonaden langs de vingers der onhebbelijke gasten ziet druipen, en de rhijnsche wijn hunne wangen zoo rood ziet kleuren als de kalkoensche hanen, die zij meteen naar binnen zullen slaan. Loopt er temet een vrouwenbeeld onder hunne voorstellingen, het gelijken altegader hofjesjufvrouwen, regentessen van weeshuizen, met gezigten om bang van te worden, en in het kostuum eener strafkolonie. Rembrandt in persoon maakt geene uitzondering op dien regel, en ik noem het karakteristiek, dat de bloem zijner vrouwenportretten eene dame in de interessantste van alle positien voorstelt. Low life, ziet gij, low life is het natuurlijk element van uwe groote hollandsche schilders geweest; en dat veroordeelt hen. Zij hebben geen oog gehad voor den hoogsten vorm der schoonheid, of indien al, geen talent genoeg om dat schoon te reproduceren."