← Table of contents
Lidewyde

IN HET VUUR. (continued 3)

Reading edition

—"Heine beweert," zeide André, "dat Jan Steen een even groot schilder geweest is als Rafael."

—"Met die autoriteit kan het u geen ernst zijn, waarde heer," antwoordde de dokter. "Wie ontkent dat Heine de grootste europesche schrijver is van den nieuwen tijd? De eenige, misschien, die nooit verveelt, maar altijd nieuwe denkbeelden bij u opwekt? De onzigtbare weldoener en verlosser van eene in de pedanterie verzonken maatschappij? Doch wat hij van de godsdienst der vreugde zegt, die Jan Steen vertegenwoordigen zou, in onderscheiding van de door Rafael en zoo vele anderen in beeld gebrachte godsdienst der smart, is hoogst eenzijdig. Hij droomt van een tijd dat de nachtegalen vrijheid zullen hebben om naar hartelust hier beneden hunne blijde kreten te slaken: doch noemt gij het vreugde, met eene bierkroes in de hand en met den arm om het midden van eene dikke boerenmeid, in de gelagkamer van een dorpsherberg de horlepijp te dansen? Geloof mij, het staat met de slemppartijen van Jan Steen als met die van Frans Hals: de roem dier voorstellingen is in zekeren zin de schande van uw land. Voor het overige doet het mij genoegen dat gij Heine leest, en derhalve nog in iets anders smaak hebt als in den kost dien uwe landslieden u voorzetten."

—"Ik verdien dat kompliment maar half, dokter, niet-alleen omdat ik Heine slechts zeer oppervlakkig ken, maar ook omdat ik werkelijk tot de vereerders behoor van sommige onzer vaderlandsche auteurs."

—"Hoe is het mogelijk!" riep Ruardi, de handen ten hemel heffend. "Neen, dan moet ik u zeggen dat uwe schilders, hoe veel er ook op hen aan te merken zij, toch altijd nog hooger staan dan hunne kunstbroeders met de pen. Waarom bestaat er geene leesbare geschiedenis van uwe letterkunde? Omdat, lieve vriend, zelfs een fransche kok een haas noodig heeft om hazepeper te kunnen maken. Een volk, dat nooit een eigen denkbeeld vertegenwoordigd heeft; altijd, om zoo te zeggen, op den boer heeft gereisd; nooit iets anders heeft gedaan als navolgen en achteraan komen,—zulk een volk, dat spreekt, heeft geene litteratuur die het de moeite waard zou zijn te boek te stellen; en men rigt dan ook bij u standbeelden op voor letterkundige grootheden wier werken zoo weinig gehalte bezitten, dat wie beproeven wil, ze in eene beschaafde taal over te brengen, het er stelselmatig op aflegt. Ik heb evenmin verstand van litteratuur als van politiek, en verzoek u daarom, aan mijne meening niet meer waarde te hechten dan zij verdient; doch niemand heeft ooit in mijne oogen een juister oordeel over uw proza en uwe poëzie geveld dan de oude Disraëli, wanneer hij van u zegt dat bij eene natie, wier litterarische producten de middelmatigheid niet te bovengaan, het middelmatige voor uitstekend geldt, en hetgeen zulk eene natie meesterstukken noemt, in vergelijking van hetgeen beschaafder volken voortgebragt hebben, slechts knapenwerk is. Kent gij een hollandschen roman, een hollandsch drama, een hollandsch dichtwerk, waarin eene heldin voorkomt, die gij, ik zeg niet voor uwe grootmoeder of voor uwe schoonmaakster, maar voor uwe vrouw zoudt willen hebben? Ik niet. Men klaagt dat uwe welopgevoede dames die boeken versmaden, en aan fransche romans, soms van het ligtst allooi, de voorkeur geven; men noemt het ergerlijk, dat fatsoenlijke hollandsche meisjes, die uit volle borst van: "O mon Fernand!" en van: "Robert! toi que j'aime" zingen, wanneer men haar een minnedichtje van Hooft in handen geeft, aan het ginnegappen en blozen slaan. Doch niets is mijns inziens natuurlijker. De liefde, die de zenuw der romantiek is, heeft te allen tijde bij u om brood geloopen; doch tevens is die hartstogt zulk een tiran, dat gij hem hulde bewijst in de vormen van het buitenland. Missen kunt gij hem niet; maar wanneer hij uwe taal spreekt zet gij het op een loopen. Hij mag zichzelven bij u ridikuul maken; mag het idioom uwer achterbuurten nabootsen; mag optreden in de gedaante van een korporaal, die een dienstmeisje aan zijn hart drukt. Zoodra hij zich evenwel verstout, eene sport hooger te klimmen op den maatschappelijken ladder en hij het ernstig begint te meenen, beleeft men tweederlei verschijnsel: de kunst uwer dichters schiet dan eensklaps te kort, en de natuurlijke terugwerking van dat onvermogen is, dat men hen uitlacht of van hen walgt."

—"Zoodat?" vroeg André, oprijzend om te vertrekken.

—"Zoodat," antwoordde de dokter, hem tot afscheid de beide handen drukkend en eensklaps zijn gewonen lagchenden toon hernemend, "sommige jeugdige Nederlanders van geluk mogen spreken, de toekomstige echtgenooten te zijn van meisjes, zooals Rembrandt ze niet geschilderd en Hooft ze niet bezongen heeft."

Aldus korrigeerde dokter Ruardi, met meer valsch vernuft dan echte logica, hetgeen hij de fout van zijnen vriend Lefebvre noemde: jongelieden minachting in te boezemen voor andersdenkenden.

Vijftiende Hoofdstuk.

—"Hemelsche goedheid," zeide André bij zichzelven, toen hij buiten de stad gekomen was en het schijnen kon dat hij met het laatste gedeelte van Ruardi's sigaar ook de bedwelming van Ruardi's drogredenen van zich afwierp, "in welke verbijsterende mate bezit die goede man het talent van doorslaan! Zonder onbeleefd te worden kon ik hem niet telkens in de rede vallen, en daarom heb ik meestentijds gezwegen; doch het zou inderdaad al zeer weinig moeite behoeven te kosten hem slag op slag in zijne eigen woorden te vangen. Het kleingeestigst van al vond ik die aanmerking op de Nassau's. Wat doet het er toe, of eene dynastie al dan niet familie van ons is, indien zij ons eeuw in, eeuw uit, onbetaalbare diensten bewijst? Zulk een kosmopoliet als Ruardi behoorde daaromtrent minder bekrompen te denken. Doch hij schijnt mij toe een oppervlakkig man te zijn, en ik wil wedden dat hij de hollandsche boeken en de hollandsche schilderijen, waarover hij met zooveel minachting spreekt, meest van hooren zeggen kent. Neen, dan is Emma's vader in die zaken vrij wat beter te huis. Potsierlijk vond ik het, dat hij ons volk opvoeden wil door den omgang met vrouwen. Nu, men behoeft zijne vier jaargetijden slechts aan te zien, om te gevoelen dat het zeer onvoorzigtig zou zijn hem bij die soort van hoogere burgerschool tot docent aan te stellen! En wat doet Dijk met zulk een vriend? Doch vermoedelijk kent Adriaan hem even kwalijk als hij zelf Hooft en Rembrandt kent. Ruardi moet er slag van hebben, met allerlei soort van menschen om te gaan, anders kon hij hier in de stad onmogelijk zoo gezien zijn als ik geloof dat hij is. In gezelschap van jonge dames en oude heeren slaat hij stellig een geheel anderen toon aan als wanneer hij onder vier oogen met jongelui van mijn leeftijd praat. Van tijd tot tijd vond ik hem heel aardig, en ik kan mij best begrijpen dat men hem over het algemeen gaarne lijden mag. Zelfs verwondert het mij dat Lidewyde hem moede schijnt te zijn. Doch misschien pleit het in haar voordeel, dat zij genoeg van hem heeft. Om de gulle waarheid te zeggen,—wanneer Ruardi beweert dat de hollandsche vrouwen niet mooi of niet teeder zijn, geloof ik dat hij doet als de vos in de fabel, en hij de druiven, die hem te hoog hangen, zuur noemt. Hij zou wel anders spreken, verbeeld ik mij, indien Lidewyde van hem gediend was! Maar zij heeft groot gelijk dat zij dien gesublimeerden commis-voyageur,—want meer dan een commis-voyageur onder het masker van een wijsgeer is hij toch eigenlijk niet,—van zich afhoudt."

André zou meer fierheid en meer bekwaamheid ten toon gespreid hebben, indien hij onder een voegzamen vorm een gedeelte van deze denkbeelden voorgedragen had in Ruardi's bijzijn, en elk moet het afkeuren dat zijne gemaakte minachting voor den dokter ten slotte hare meest geconcentreerde uitdrukking vond in eene insolentie. Doch de Kortenaers der 19de eeuw zijn minder dapper en hebben minder tegenwoordigheid van geest dan hun stamvader, en wanneer de bron hunner argumenten uitgeput is, of niet vloeijen wil, vergenoegen zij zich somwijlen met beleedigende bijnamen. De omstandigheid dat Ruardi een bovenhuis bewoonde was dan ook noch de eenige, noch de voornaamste reden dat André's gevatheid eerst aan het licht kwam, toen hij 's dokters trap reeds een half uur geleden afgedaald was. Te schitteren met esprit d'escalier strookte met zijn karakter, helaas; en zijn gebrek aan moed was slechts een andere vorm van zijn gebrek aan opregtheid. Het was onwaar dat hij Ruardi met ergernis had aangehoord. Veeleer had het hem gevleid, dat iemand met zulke buitengewone gaven, die van zijne ware gevoelens voor alle andere menschen een geheim maakte, hem tot zijnen vertrouwde scheen te hebben gekozen. Het aanhooren van Ruardi's vermakelijken onzin, indien men daartegen niet met nadruk en waardigheid opkwam, stond gelijk, dit gevoelde hij, met een begin van medepligtigheid. Doch hij wilde wel zoo; en de ander was in zijne oogen een veel fijner opmerker en veel onafhankelijker denker dan men uit het in de eenzaamheid hem naar het hoofd geworpen epitheton zou hebben opgemaakt. De eenige reden waarom hij Ruardi's verdiensten met woorden poogde te verkleinen, was dat hij hem Lidewyde niet gunde; en hij zou over den afwezige met veel meer lof gesproken hebben, indien hij vaster overtuigd geweest was, dat Lidewyde ten aanzien van den dokter altijd dezelfde onverschilligheid zou blijven gevoelen.

Zestiende Hoofdstuk.

—"En is dat nu de stad waar mijnheer Lefebvre woont?" vroeg Emma, toen de trein zich in beweging zette en zij het oog kon laten gaan over de schoorsteenen en de kerktorens van T.

—"En tevens de stad waar gij van nacht gelogeerd hebt," antwoordde André, die tegenover haar zat.

—"Jawel," zeide zij, "maar groote steden hebben een geheel ander voorkomen wanneer men ze op een afstand ziet, als wanneer men er zich in ophoudt. En het is alsof men dan ook een anderen indruk van de menschen ontvangt."

—"Er is aan T. niet veel te zien," meende André.

—"Vindt gij? Váder zeide van wel. Zoodra hij mij gisteren-avond in het logement bezorgd had, is hij eene wandeling door de stad gaan doen, en van ochtend was ik nog niet bij de hand, of hij was al weder op het pad. Het stadhuis, de groote kerk, de vleeschhal, de poort aan de zijde van het bolwerk, ik weet niet wat al wonderen hij mij daarvan niet verhaald heeft. Het is jammer dat de treinen elkander zoo snel opvolgen, anders had hij u zeker uitgenoodigd tusschentijds het een en ander met hem te gaan zien."

—"Luister eens, Emma," zeide André, eensklaps van toon veranderend, "wij zijn nu nog alleen en kunnen dus vrijuit zamen spreken. Aan het volgend station bekomen wij welligt reisgezelschap, en moeten òf zwijgen, òf praten over het mooije weer. Wees dus openhartig, en zeg mij waaraan ik uwe afgemetenheid moet toeschrijven? Uw vader, daareven, was hartelijker dan gij."

Emma antwoordde niet en staarde het raampje uit. Van de monumenten van T's geloof en T's industrie was thans weinig meer te zien, en men behoefde het meisje niet van nabij te kennen, of te weten wat omging in haar hart, om aan de uitdrukking van haar gelaat te bespeuren dat zij zich op dit oogenblik minder dan ooit bekommerde om het verband of de tegenstrijdigheid van kerkgebouwen en katoenfabrieken, steenkolendamp en wierookwalm. Zij dacht aan andere dingen, die zij gewigtiger vond.

—"Emma," vroeg André nogmaals, "waarom zijt gij koel tegen mij? In veertien lange dagen hebben wij elkander niet gezien, en gij behandelt mij alsof ik een vreemdeling voor u was. Ik heb allen eerbied voor oude gebouwen; doch toen ik dezen ochtend van M. vertrok om u te komen afhalen, is mijne eerste zorg niet geweest, te T. onderzoek te doen naar de architektuur van den vleeschhal."

—"Ik geloof niet, André," zeide zij, bijna zonder hem aan te zien, "dat die veertien dagen u bijzonder lang gevallen zijn."

—"Hoe nu? Zal ik van gebrek aan liefde voor u beschuldigd worden, alleen omdat ik in de eenzaamheid zoo goed mogelijk mijn tijd zoek te korten? Indien gij geen lust hadt om naar M. te komen en van de uitnoodiging van freule Steinmetz gebruik te maken, waarom mij dat niet ronduit geschreven? Wat is de reden dat ik u niet mogt komen afhalen van Duinendaal? Uwe antwoorden waren zoo gul en hartelijk, dat ik niet anders denken kon, of gij waart met de door Lidewyde gemaakte schikking even ingenomen als ik. Of is er iets tusschenbeide gekomen dat ik niet weet? Vindt uwe moeder het niet goed dat gij te M. komt logeren? Aan uw vader heb ik niets kunnen bespeuren. Hij was even vriendelijk als altijd."

Er kwam beweging in Emma's trekken. Zij staarde nu niet meer naar eene zijde, het venster uit, maar hield, ofschoon met nedergeslagen oogen, het aangezigt naar André gekeerd. Hij vond haar in die houding schooner en lieftalliger dan ooit te voren. Het eenvoudig reistoilet scheen opzettelijk voor haar uitgevonden te zijn, zoo goed kleedde het haar en zoo volkomen voegde het bij hare taille. Het zuiver ovaal van haar gelaat vormde met hare blonde krullen, thans aan weerszijde in één zwaren lok vereenigd, het bekoorlijkst geheel. Op nieuw maakte hij in zijnen geest eene in de laatste dagen herhaaldelijk ontworpen vergelijking, en ditmaal sloeg de schaal zeer bepaald naar Emma's zijde over. Lidewyde had noch dat voorhoofd,—zoo rein, dat een engel het gekust zou hebben,—noch dien lieven trek om den mond, noch die zachte wangen, noch het zedige dier lange wimpers. Met kracht kwam zijne eerste liefde weder bij hem boven; en toen hij onder elk dier wimpers zich een kristalhelderen traan zag vormen, vonkelend als diamant, was de triomf voltooid. Hij greep hare twee kleine handen in de zijne en riep in geestvervoering uit:

"Om godswil, Emma, maak mij niet rampzalig! Kwel u zelve niet! Ik heb u lief met geheel mijn hart! Schrei niet, en zie mij aan!"

Nog kwam geen glimlach spelen om haren mond; doch zij voldeed niettemin aan zijn verlangen en sloeg de oogen naar hem op. Zulk een blik moet het geweest zijn, die de dichters der oudheid heeft doen zeggen, dat het licht in de oogen der vrouwen het doorbrekend zonlicht gelijkt.

—"André," zeide zij, hare eene hand loswikkelend uit zijnen greep en met haar zakdoek de opkomende tranen wegwisschend, "gij vergist u te eenemaal in mijn gevoelens. Vooreerst is het volstrekt niet waar, dat gij niet naar Duinendaal zijt mogen komen. Niemand heeft u dat verboden; maar het was, gelijk ik u geschreven heb"...

—"Ik bid u, lieve," viel hij haar in de rede, "doe geene moeite om mij van mijn ongelijk te overtuigen. Dat gij verdriet hebt gehad is het duidelijkst bewijs van mijne schuld. Wees vriendelijk tegen mij, en ik zal erkennen dat gij bij uitnemendheid de kunst van straffen verstaat."

—"Neen, André, zoo moet gij niet spreken. In het begin van onze kennismaking voerdet gij nooit zulk eene ligtzinnige taal, en juist de verandering die in dat opzigt eensklaps over u gekomen is, maakt mij bekommerd. Waarom mag ik u niet herinneren, dat uw niet-overkomen naar Duinendaal de natuurlijkste zaak der wereld geweest is? Vader vond het te vermoeijend voor mij, op één dag zulk eene verre reis te doen; en om die reden-alleen heb ik u geschreven, mij te T. te komen afhalen. Het is niet goed van u, het te doen voorkomen, alsof mijn oogmerk met die schikking geweest was, u op een afstand te houden."

—"De schikking heeft niettemin op mij dien indruk gemaakt."

—"Neen, André, dat kunt gij niet meenen. Van het oogenblik af dat ik de reis in twee dagen zou doen, sprak het van zelf dat gij te M. bleeft en vader mij tot T. geleidde. Indien ik iets tegen u heb, is het dat gij eene vergoelijkende uitlegging zoekt te geven aan uwe eigen onverschilligheid. Ik verg niet van u, ik mag niet vergen, dat gij iederen dag en ieder uur van uw leven mij even teeder zult liefhebben als ik het u doe. Ik wil gelooven dat de mannen in dit opzigt anders zijn als wij. Doch neem den schijn niet aan, bid ik u, alsof in dit geval de meeste genegenheid van uwe zijde gekomen was. Ik heb dat niet aan u verdiend."

—"En welken anderen schijn wilt gij dan dat ik aannemen zal, melieve?"

—"Mijn wensch, André, is dat gij uzelven zijn en iederen schijn ter zijde stellen zult. Hoe kunt gij vragen, of moeder het afkeurt dat ik te M. ga logeren? Gij weet even goed als ik, dat ik zonder haar goedvinden Belvedere niet verlaten zou hebben. Neen, niet zij, maar ik zag er tegen op, de uitnoodiging dier vreemde dame aan te nemen. En niet om freule Steinmetz aarzelde ik, maar om mevrouw Dijk. Ik heb een voorgevoel dat onze kennismaking met die dame tot niets goeds leiden zal; en gij kunt mijne brieven niet met aandacht gelezen hebben, zonder te bemerken dat ik uwe Lidewyde wantrouw."

—"Mijne Lidewyde, zegt gij? Maar ik zweer u, Emma, dat Lidewyde niet in uwe schaduw staan kan. Al was zij een jong meisje, het zou niet in mij opkomen haar het hof te maken; nu zij de vrouw is van Adriaan Dijk, spreekt het van zelf dat ik mij vergenoeg met te haren aanzien de burgerlijke beleefdheid in acht te nemen. Uwe vrees voor haar is eene idée fixe van u, meer niet. Heden-avond zult gij hare kennis maken, en morgen-ochtend, daarvoor sta ik in, zal uw eerste werk zijn, met uwe eigen bekommeringen den draak te steken. Lidewyde is eene belangwekkende vrouw, daarmede is alles gezegd; en zelfs dat gematigd kompliment zou overdreven zijn, indien men niet nu en dan aan hare vrolijkheid-zelve bemerken kon, dat zij ongelukkig is. En nu vraag ik u of het verstandig, neen, of het edelmoedig is, haar om dat ééne charme in den ban te doen?"

—"Ik heb u reeds geschreven, André, dat Lidewyde's rampen mij tamelijk koel laten. Laat het zoo zijn, dat zij niet gelukkig getrouwd is: heeft zij indertijd niet hare eigen keus gevolgd? En indien zij zich in uw neef Adriaan vergist heeft, geeft dat haar het regt om uit de hoogte neder te zien op een man die haar niets in den weg legt en alles doet wat in zijn vermogen is om haar leven te veraangenamen? Ik kan geen medelijden hebben met vrouwen, hoe ongelukkig ook, die alles geoorloofd achten, alleen omdat hare mannen geene engelen zijn."

—"Nu ja, ik heb u geschreven, dat mijn eerste indruk omtrent Dijk te gunstig is geweest, en ik al spoedig ben gaan bemerken, dat hij er de man niet naar is, om eene vrouw als Lidewyde gelukkig te maken. Doch ik zou meer hebben kunnen schrijven. Behalve dat Lidewyde verbonden is aan iemand, dien zij onmogelijk met haar geheele hart liefhebben kan, wordt haar het hof gemaakt door dienzelfden dokter Ruardi, die zich Adriaans intiemsten vriend noemt. Zeer toevallig ben ik dat te weten gekomen door een gezegde van Lidewyde's kamenier."

—"Luister, André, ik heb een ingeschapen afkeer van al dergelijke intriges, en hetgeen gij daar zegt vermeerdert niet, maar vermindert nog mijne hoogachting voor Lidewyde. Indien zij het ernstig wilde, zou het haar geene moeite behoeven te kosten, dokter Ruardi op een afstand te houden zonder aan haren man te doen blijken dat zijn beste vriend een verrader is. Doch Lidewyde is eene kokette, daar houd ik het voor. Uw oom doorgrondt haar, en omdat hij haar kent voor hetgeen zij is,—omdat hij hoopt, dat zij u van uwe liefde voor mij genezen zal, daarom en daarom-alleen heeft hij u naar M. gezonden."

—"Lieve Emma, hoe komt gij er toe, u zulke dingen in het hoofd te halen? Mijn oom mag wezen wie hij wil, hij is onbekwaam, zulke quasi-diabolische plannen te ontwerpen. En al ontwierp hij ze, hebben wij het niet in onze magt ze te verijdelen? Zijt gij niet de vrouw van mijne keus? "Kom en zie," schreef ik u, en dat herhaal ik. Leer Lidewyde kennen, en in een omzien zult gij u verlost gevoelen van uwe vooroordeelen. Op mijn woord van eer, gij maakt noch uzelve een kompliment, wanneer gij haar een vermogen op mij toeschrijft, grooter dan het uwe, noch mij, wanneer gij mij voor zwak genoeg houdt om voor eene zoo gewone verzoeking te bezwijken."

Hoewel niet verbaasd over de gladheid van zijne eigen tong,—want Emma's nabijheid inspireerde hem, en hij zou onder dien invloed, zonder van zijn stuk te geraken, geheele redevoeringen hebben kunnen houden,—schrikte André toch min of meer op, toen het schel gefluit der lokomotief, onder het voortrammelen van den trein, zijne laatste betuiging van genegenheid met eene soort van fanfare begeleidde, die niet regtstreeks uit de gewesten der hemelsche gelukzaligheid afkomstig scheen te zijn. Het is inderdaad jammer dat Virgilius en Dante, die zulke fraaije beschrijvingen van de onderwereld geleverd en zulke uitgezochte helsche klanken nagebootst hebben, onbekend geweest zijn met het schrille stemgeluid van het privatief vehikel der 19de eeuw. Hadden zij daarvan een voorgevoel kunnen hebben, elk ander symbool van de verschrikkingen des gewetens zou hun toegeschenen zijn, kleur en toon te missen. Voor het verdeeld gemoed van de kinderen onzes tijds is dat valsch en snerpend geluid hetgeen voor een vroeger geslacht het bazuingeschal geweest is, waarmede de joodsch-christelijke eschatologie het laatste oordeel laat aanvangen. Doch André maakte zich noodeloos ongerust. Instede van de om zijne dubbelhartigheid lagchende booze geesten zijner opgewekte verbeeldingskracht, zag hij eensklaps aan zijne zijde, op de loopplank nevens het portier, het onschuldig aangezigt verschijnen van een kondukteur, die plaatskaartjes kwam ophalen, en op den meest aardschgezinden toon der wereld vroeg, of zich in dit kompartiment welligt passagiers bevonden, die te G. wenschten uit te stappen. Er was in de alledaagsche belangstelling van dien man iets zoo ontnuchterends; de goedige uitdrukking zijner oogen neutraliseerde zoo te eenemaal het fantastische van zijn verschijnen; zij vernietigde zoo onherroepelijk de ontsteltenis, die zijn borstelige knevel en zijn zware sapeursbaard anders welligt nog hadden kunnen teweegbrengen, dat men voor het minst een moord op het geweten zou moeten gehad hebben om niet aanstonds te beseffen dat de dichterlijke Furien der mythologie niets te maken hadden met het plotseling optreden van dezen man, die een dood-onschuldig Metalen Kruis in het knoopsgat droeg en voor het overige slechts de voorwaarden zijner broodwinning vervulde. Zoo is het leven en zoo worden de menschen slecht! Wanende Beëlzebub aan zijne zijde te zien verschijnen, aanschouwt men een gepasporteerd militair in de gedaante van een wellevend spoorweg-kondukteur.

Het toeval wilde, dat bij het stilhouden te G. geen enkel passagier plaats kwam nemen in het rijtuig, waarin André en Emma zich bevonden. "En is dat nu de stad waar de kapelaan Stephenson woont?" had Emma kunnen vragen; doch zoomin als André was zij zich van het bestaan van dien belangwekkenden jongen priester bewust; en haar vervulde alleen de gedachte aan hetgeen André daareven gezegd had. Hoe kon hij wanen, dat het haar te doen was om òf hem, òf haarzelve een kompliment te maken? Wie had hem zulke dingen in het hoofd gebragt? Wat beteekende die wereldsche taal? Doch aan den anderen kant viel het niet te ontkennen, meende zij, dat hij de hartelijkheid-zelve scheen en zich te haren opzigte geheel en al als een vurig bruidegom gedroeg. Nu ja, ook zonder den kapelaan Stephenson geraadpleegd te hebben, gevoelde zij dat André sommige drogredenen verkondigde en zijn oordeel over Lidewyde den toets niet doorstaan kon. Doch zij had nu eenmaal hare eigen denkbeelden omtrent het hart der mannen in het algemeen en André's hart in het bijzonder; en een dier axioma's was, dat de verloofde van hare keus, hetzij als bruidegom of als echtgenoot, het mogt gaan hoe het wilde, haar nimmer geheel en al ontrouw worden kon. De bloem onder het uitrukken van wier bladen zij beurtelings indertijd: "Hij zal mij vragen" en: "Toch niet" gefluisterd, en wier laatste woord in eene stellige toezegging bestaan had,—die denkbeeldige bloem was geen kortstondig madeliefje, maar eene immortelle geweest. De voorstelling dat André in staat was haar te verwaarloozen, kwetste hare fierheid en deed haar naar de wapenen der beleedigde onschuld grijpen. Doch pas bedacht zij, dat niemand hem zoo volkomen kon liefhebben als zij en hij telkens zou moeten eindigen met dit te erkennen, of zij deed afstand van hare verontwaardiging en verzoende zich met hem in den geest. In het leven van een man, die aan zulk eene vrouw zijn woord verpand heeft, kunnen zich oogenblikken voordoen dat hare al te groote teederheid hem verdrietig maakt en hij wenschen zou, bij minder zenuwachtigheid, meer in haar te vinden van hetgeen ledepoppen eene gemakkelijke soort van speelgoed doet zijn. Doch de mannen, die het regt zouden hebben dergelijke verzuchtingen te slaken, vormen eene uitzondering op den regel; en André was zulk eene uitzondering niet. Hij behoorde veeleer tot de klasse dergenen, die eene vrouw als Emma onwaardig zijn en aan wie eene liefde als de hare verspild is. Hij wilde wel de baten van Emma's vergevensgezindheid genieten, doch was niet bereid om daarvan de lasten te dragen; en het was jammer dat zij dit niet in tijds doorzag. Ware zij daartoe onbeneveld genoeg van blik geweest, zij zou zichzelve een lang en groot verdriet gespaard hebben; indien men althans met grond van oordeel is, dat eene vrouw wijzer handelt en zich minder ongelukkig maakt, indien zij sommige betrekkingen uit eigen beweging verbreekt, dan indien zij de gevolgen van hare verblinding voor hare rekening neemt. En tot Emma's verontschuldiging kon worden aangevoerd, dat zij niet blinder was dan gevorderd werd om hare liefde aan de voorwaarden van dat gevoel te doen beantwoorden. Of is eene vrouw te veroordeelen, alleen omdat zich in haar bestaan eene vaste wet van haren aard vervult? Alle deskundigen zullen dit ontkennen, en teregt. Toen gij liefhadt, waart gij blind, mevrouw; zonder dat zou uwe liefde niet van de regte soort geweest zijn. Tevens meent men te weten, dat de ongemeene schranderheid, die in de laatste jaren bij u is opgemerkt, en waardoor gij u eene volkomen verdiende reputatie van superioriteit verworven hebt, dagteekent van het oogenblik dat uw ideaal in de werkelijkheid omgekomen en de dienst van Eros door u voor die van Hermes misschien, maar in elk geval voor die van Athene verlaten is.

Op ieder honderd jeugdige kantoorbedienden, die in gemengd gezelschap, wanneer zij de zekerheid bezitten niet door hunne patroons beluisterd te worden, wel eens tot amusement van de dames eene gewaagde anekdote opdisschen, worden er negen en negentig gevonden, die meer dan eens genoegen hebben beleefd aan het verhaal van den Tunnel en het Moesje. Doch Emma droeg geene moesjes, en het geheele nederlandsche spoorwegnet is geen enkelen tunnel rijk. Het zou derhalve niet baten, den lezer te willen wijsmaken, dat een kleine zwarte stip, die gedurende de geheele reis, en nog bij het afrijden van G., een bekoorlijk relief gegeven had aan Emma's zachtgekleurde wang, bij de aankomst te M. bevonden werd aan André's bovenlip te kleven. En waartoe fabelen verhaald, wanneer men de feiten slechts voor het grijpen heeft? Emma, die zonder moeite over André's redenen zou hebben kunnen triomferen, was niet bestand tegen die van haar eigen hart. Zij beloofde, hare vooringenomenheid tegen Lidewyde ter zijde te zullen stellen; en reeds toen de trein, in weerwil van den geringen afstand, nog een goed eind van M. verwijderd was, had, dank zij de nederlandsche spoorwegzeden, die geene jongelieden van beiderlei geslacht verbieden zamen te reizen, een kus het hersteld verbond bezegeld tusschen de twistende gelieven.

Zeventiende Hoofdstuk.

Bij haar eerste ontwaken in de woning van freule Steinmetz, had André voorspeld, zou Emma zich van hare vooroordeelen omtrent Lidewyde ontheven gevoelen; en die profetie kwam ten deele uit. Geene benaauwde droomen hadden haar gekweld gedurende den nacht, en toen zij de oogen opsloeg, verrees voor haren geest, in Lidewyde's gestalte, geen enkel schrikbeeld. Integendeel, zij ontwaarde in hare kamer slechts voorwerpen, wier aanschouwing haar weldadig aandeed: een ochtendzonnestraal die van achter het hoofden-eind van haar ledikant op het tapijt viel en hoop gaf op een onbewolkten dag; in een hoek der kamer, aan hare zijde, een console en daarop eene pendule, die het uur van zevenen aanwees; halverwege den muur tegenover haar, een waschtafel en daarboven eene fraaije gravure, Van Dijks Ecce Homo voorstellend. Vooral de aanblik dier gravure deed haar goed en stelde haar gerust. Uit zichzelve was zij niet godsdienstig of niet christelijk genoeg om waarde te hechten aan dergelijke voorstellingen, en in gewone omstandigheden zou zij in staat geweest zijn te beweren, dat hare voorkeur aan wereldscher beelden behoorde. Doch zeker nieuw gevoel van hulpbehoevendheid, dat zij zich niet herinneren kon, vroeger in die mate met zich omgedragen te hebben, deed het haar eene aangename gewaarwording vinden, zich onder het dak te weten van eene vrouw, die aan Christus met de doornenkroon geloofde, en die, zonder ophef, tot in de beeldtenissen toe, waarmede zij hare logeerkamer versierde, daarvan getuigenis aflegde. André had beweerd, dat zij zichzelve ten onregte en noodeloos verkleinde door van haar eigen overwigt op hem een geringeren dunk te koesteren dan zij van Lidewyde's vermogen had. Met meer regt zou hij thans hebben kunnen aanvoeren, dat zij door hare onwillekeurige bekentenis van zwakheid, en hare daarop gegronde toenadering tot den Man van smarte, geen kompliment aan de christelijke godsdienst maakte, en indien òf de predikant van Duinendaal, òf de kapelaan Stephenson, òf beiden op hetzelfde oogenblik, André die stelling hadden hooren voordragen, zouden zij hem gelijk gegeven en Emma berispt hebben. Doch tot haar lof moet gezegd worden, dat haar brein voor dergelijke beschouwingen niet toegankelijk was. Zelve te allen tijde bereid om diensten te bewijzen, kon zij zich niet voorstellen dat Hooger wezens hunne welwillendheid immer van iets anders afhankelijk zouden maken als van het beroep daarop, door zwakkeren gedaan. Voor haar gemoed vloeide de hoogste nuttigheid der dingen met hunne werkelijkheid en verkrijgbaarheid ineen, en hare verbazing zou volkomen geweest zijn, indien zij had hooren betoogen, dat men om de baten der godsdienst te mogen genieten, zich eerst sterk genoeg moest gevoelen om haar te kunnen missen.

Zij stond op en kleedde zich, en toen zij haar koffer ontpakt en hare toilet-artikelen behoorlijk gerangschikt had, begaf zij zich naar de ruime en vrolijke bovenvoorkamer, die haar den vorigen dag, bij hare aankomst, door freule Bertha in persoon was aangewezen als haar salon. Zij trad naar een der vensters en vermaakte zich met het ontluikend leven te bespieden aan boord der pramen en beurtschepen in de gracht. Drukte op de straat beneden haar of aan de overzijde was er nog niet op dit uur, en de weinige sjouwerlieden die zij eene vracht opladen of eene handwagen voortduwen zag, namen nog die zekere stilzwijgendheid in acht, welke den arbeidzamen mensch eerst schijnt te verlaten, wanneer de zon hoog aan den hemel staat. Zij bleef evenwel niet lang in hare waarnemingen verdiept. Voor het ontbijt wilde zij een uitvoerigen brief aan hare moeder schrijven, en zij begreep dat zij om dit plan te kunnen volvoeren haren tijd niet verbeuzelen moest. Ook had zij een voorgevoel, dat die brief, waarin zij alles zeggen en nogtans het voornaamste verzwijgen moest, haar eene meer dan gewone inspanning kosten zou.

Freule Steinmetz ontbeet in eene tuinkamer. Eene breede vensterdeur verleende toegang tot een bestraat voorpleintje, dat door eene gemetselde rollaag, drie trappen hoog, gescheiden was van den eigenlijk gezegden bloemhof. De tuin was grooter en minder kinderachtig aangelegd dan die van den ouden pastoor te G. Hij bestond uit een middenperk, waarin een bed stamrozen bloeide, met een bed geraniums aan de voor- en een bed fuchsia's aan de achterzijde. Nevens dat perk liep aan weerskanten een breed voetpad, omzoomd met aardbezieplanten, waarachter heesters van allerhande soort zich beijverden eene heining te verbergen, die scheiding maakte tusschen dit pand en die der buren regts en links. Den achtergrond vormde de blinde muur van een hoog en breed gebouw, dat voor koetshuis en paardenstal gebruikt werd en uitkwam in eene straat van minderen rang, in dezelfde rigting loopend als de gracht voor freule Bertha's woning. Ten einde dien muur zoo veel mogelijk onzigtbaar te maken, hadden vroegere bewoners, eene halve eeuw en welligt langer geleden, aan zijnen voet een moerbezieboom geplant, die thans, dank zij eene zorgvuldige verpleging, geheel en al aan zijne bestemming beantwoordde en minstens over eene oppervlakte van honderd voeten in het vierkant zijne takken uitbreidde. Bijna verscholen tusschen de plooijen van dat groene scherm stond aan de regterzijde van den tuin, waar de grond een weinig opliep, eene lage hut, wier zijwanden van rietmatten en boschhout vervaardigd waren en wier dak gevormd werd door de overhangende takken van een wilden kastanje. De zorg waarmede die hut bevloerd, en zoo ook de moderne vorm der tafels en stoelen waarmede zij gemeubeld was, getuigden van eene kennelijke voorkeur voor dit plekje. Werkelijk zou freule Steinmetz aan haren "koepel" zoo veel geld niet besteed hebben, indien zij niet in den waan had verkeerd, dat zulk een verblijf haren stadstuin naar eene buitenplaats deed zweemen.

Voor Emma, die gewoon was uit de vensters van Belvedere den blik te laten weiden over een landschap van vele uren in den omtrek; die in de Duinendaalsche bosschen plekjes had leeren ontdekken waar geen sterfelijk oog u bespieden kon en zelfs de konijnen hunne schichtigheid schenen te hebben afgelegd; die honderd malen met hare ouders, of aan André's arm, den hoogsten top der duinen beklommen en nu eens voor zich uit naar de blaauwe streep der zee gestaard, of zich omgewend en met het oog op verren afstand de kronkelingen der rivier gevolgd had,—bezat de aanblik van freule Bertha's bloemhof geene magnetische kracht, en zij moest zichzelve eenig geweld aandoen om ingenomenheid te kunnen toonen met een vergezigt van vijftig schreden in de lengte op eene breedte van dertig.

In het geheel geene moeite daarentegen kostte het haar, aan het gezelschap van hare gastvrouw te gewennen. André, dit bleek, had van dier beminnelijken aard niets te veel gezegd, en Emma had geen half uur tegenover de bejaarde freule aan de ontbijttafel gezeten, of zij gevoelde zich volkomen op haar gemak. Ook het voorstel der freule om te zamen een hoofdstuk uit den Bijbel te lezen mishaagde haar niet, en toen die kleine huiselijke godsdienstoefening, waarbij Emma de taak van lectrice vervuld had, afgeloopen was, scheen aan beider gekeuvel geen einde te zullen komen.

—"Wij hebben gisteren veel te vlugtig kennis gemaakt, lieve jufvrouw," was freule Bertha's thema, "en het doet mij regt veel genoegen eens rustig met u te kunnen praten. Het was niet meer dan natuurlijk, dat mijnheer Kortenaer u aanstonds met zich mede troonde naar Soekabrenti, en ik begrijp dat gij in de eerste plaats mevrouw Dijk wenschtet te ontmoeten. Ook meen ik opregt hetgeen ik mijnheer André aanstonds gezegd heb, dat uwe vrijheid bij mij aan huis onbeperkt is. Gij kunt hem bij u ontvangen, kunt hem afwijzen, al naar het u gelegen komt. Ik houd niet van menschen die hunne logeergasten tiranniseren, en wil zelve niet voor zulk eene dwingster aangezien worden. Geef mij uwe ochtenduren, indien gij wilt; geef mij een deel daarvan, en ik zal tevreden zijn. Onderstel in geen geval, bid ik u, dat ik mij niet in uwe positie zou weten te verplaatsen, en doe mij het onregt niet van te gelooven, dat ik het gezelschap eener vrouw van mijne jaren en van mijne denkwijze zou wenschen op te dringen aan een jong meisje dat andere en voor haar gewigtiger dingen aan het hoofd heeft. Uw bijzijn bevalt mij, en daarom durf ik zoo spreken. Ik ga door voor eene overdreven kerksche vrouw, en sommige personen mijden mij daarom, doch van u geloof ik niet dat gij mij om die reden schuwen zult. Men moet eene christin zijn om met zoo veel gevoel eene bladzijde uit den Bijbel te kunnen voorlezen als gij daareven gedaan hebt."

—"Wat ik u bidden mag, freule, prijs mij niet om mijne vroomheid," antwoordde Emma, blozend en met eene onvaste stem. "In dat opzigt, en in menig ander, schiet ik veel te kort. Bij ons aan huis wordt over den Bijbel en de kerk weinig gesproken, en ik volg daarin het voorbeeld van mijn vader en mijne moeder. Ook mijn aanstaande man zwijgt meest over die onderwerpen. Neen, waarlijk, ik ben in het geheel niet vroom."

—"Verkeerd van u, mijn kind, en er zal een tijd in uw leven komen, dat gij mij dat zult nazeggen. Voor mij is de godsdienst nooit een schrikbeeld geweest. Mijne zoogenaamde regtzinnigheid is niets anders als de uitdrukking van hetgeen ik dagelijks gevoel, en dat gevoel is zoo eenvoudig en zoo natuurlijk, dat ik daarbuiten mijzelve niet zijn zou. Nooit heb ik een braaf mensch ontmoet, die niet datgene wilde wat ik ook wil, en het is mij altijd voorgekomen dat het eenige onderscheid tusschen de regtzinnige en de niet-regtzinnige menschen hierin bestaat, dat de regtzinnige geene vruchten verwachten van een boom die niet in eere gehouden wordt. Doch God beware mij, dat ik daarom mijne medemenschen, die anders denken als ik, veroordeelen zou. Ik gevoel mij aangetrokken tot al hetgeen liefelijk is en wel luidt, zoo als Paulus zegt; en mijn omgang met een aantal personen wier gevoelens zeer van de mijne verschillen, mijne vriendschap voor mevrouw Dijk, de vriendschap die ik nu reeds voor uzelve en voor mijnheer Kortenaer gevoel, zijn bewijzen genoeg dat ik in mijne soort even vrijzinnig denk als vele andere menschen, die voor vrijzinniger doorgaan dan ik. Zelfs vrees ik somwijlen, dat ik de maat overschrijd, en eene vrouw van mijne gevoelens, indien zij den schijn niet op zich laden wil van meer dan eenen Meester te dienen, scherper behoorde te onderscheiden tusschen de gezelschappen die zij bijwonen mag, en die, waaruit zij zich terugtrekken moet."

Emma kon de gedachte niet van zich afzetten dat in deze bedekte zelfkastijding eene toespeling op Lidewyde opgesloten lag; en de verzoeking om bij deze gelegenheid iets naders te vernemen omtrent de vrouw, die laatstelijk zulk eene voorname plaats in hare gedachten had ingenomen, was haar te sterk. Daar zij evenwel den moed niet had, dat onderwerp regtstreeks aan te roeren, beproefde zij een omweg.

—"Ik geloof, freule," zeide zij, "dat behalve de regtzinnige en de niet-regtzinnige, zoo als gij ze noemt, er nog eene derde klasse van menschen gevonden wordt. Ik spreek noch van André, noch van mijzelve; want wij zijn jongelieden, en onze meeningen tellen nog niet mede. Doch indien gij André's vader, en vooral indien gij mijne ouders kendet, zoudt gij begrijpen wat ik meen. Het is waar dat wij 's ochtends niet gezamenlijk in den Bijbel lezen en er 's middags aan tafel bij ons aan huis niet gebeden wordt. Wij gaan 's zondagsochtends naar de kerk, dat is al. En toch durf ik beweren dat mijn vader en mijne moeder, indien ik zoo spreken mag, engelen zijn. Ik heb een lieven broeder gehad, die in den bloei van zijn leven weggenomen is; iemand met buitengewone gaven, wiens verlies voor ons allen een onuitsprekelijk groot verdriet is geweest. Doch ik weet inderdaad niet, hoe het mogelijk zou zijn, zulk een slag dieper te gevoelen dan mijne ouders dit gedaan hebben. Al wordt mijn vader honderd jaren oud, hij zal sterven zonder het gemis van Reinier te boven gekomen te zijn, en zoo gelukkig kan André mij niet maken, of er zal in de vreugde van mijne moeder eene groote leegte blijven bestaan. Niettemin kan de buitenwereld niets daarvan aan hen bespeuren, en ook in hun hart klagen of morren zij niet. Zij zijn goed en vriendelijk voor iedereen, schrikken niemand af, trekken zich moedwillig uit niets terug, en leven in vrede met de geheele wereld. Mij komt het voor, dat alleen zulke gevoelens de waarde der menschen bepalen, en het verder eene onverschillige zaak is, of men al dan niet hetzij tot de regtzinnigen, hetzij tot de onregtzinnigen gerekend kan worden."

—"Jawel, mijn kind, in zekeren zin is dat ook eene onverschillige zaak. Wanneer het hart niet op de regte plaats zit, baat geene godsdienstigheid. Dat ben ik volkomen met u eens. Om beminnelijk te zijn, moet de godsdienst gepaard gaan met menschelijke gevoelens, en ikzelve ben daarvan zoo doordrongen, dat ik gevaar loop in het andere uiterste te vallen en, zooals ik daareven zeide, te groote waarde aan het menschelijke te hechten. En toch geloof ik, dat zij, die denken zoo als uwe ouders,—en zoo denken een groot aantal personen met wie ik dagelijks verkeer, Lidewyde onder anderen,—toch geloof ik dat hetgeen hen en haar beminnelijk maakt eene onwillekeurige hulde aan de regtzinnigheid is. Ook zou het bandeloos gemeen hen even goed willen vertreden als het lust zou hebben dit mij en de mijnen te doen, indien in deze wereld de magt van het geloof minder groot was of minder ontzag inboezemde. Doch is het dan ook niet waar, dat zij de vruchten plukken van instellingen en overleveringen, tot wier instandhouding zij regtstreeks niets bijdragen? Ik zeg nog eens, de Hemel beware mij dat ik personen als uwe ouders, over wie gij met zoo veel liefde en eerbied spreekt, minder achten zou dan mijzelve. Maar het is mijne schuld niet, dat ik de dingen anders inzie; en dit weet ik, dat openlijk voor mijne meening uit te komen, mij meer aanspraak op vertrouwen geeft, dan indien ik mijne ware denkwijze zocht te verbergen."

Emma was met hare gedachten niet genoeg bij de zaak om regt te laten wedervaren aan freule Bertha's liberaliteit. Haar belang bragt mede,—en vooreerst zal die drijfveer hier beneden haar monopolie wel niet verliezen,—de aandacht harer gastvrouw af te leiden van een onderwerp, dat thans niet in de eerste en voornaamste plaats de hare bezig hield. Zij zweeg eene poos, schijnbaar nadenkend over freule Bertha's laatste woorden en over de mate van instemming die zij daarmede zou kunnen betuigen, en vroeg toen, zoo veel mogelijk verhelend dat die vraag haar op de lippen brandde:

—"En zoudt gij denken, freule, dat Lidewyde, het verschil in leeftijd daargelaten, even veel vertrouwen verdient als mijne moeder? André heeft mij veel goeds van haar verteld; doch om de waarheid te zeggen kost het mij eenige moeite, aan die voorstelling te gewennen."

—"Lieve Emma," was het antwoord, "hoe wilt gij dat ik u daaromtrent zekerheid geven zal? Lidewyde is eene schoone, jonge vrouw, die veel menschen ziet en veel uitgaat; het spreekt dus van zelf dat zij somtijds aanstoot geeft en verschillend beoordeeld wordt. Ongetwijfeld zullen er personen gevonden worden, die haar voor ligtzinnig houden, en de wereld zou de wereld niet moeten zijn, indien vooral de dames van haar eigen leeftijd niets op haar aan te merken hadden. Doch gijzelve hebt haar gister-avond gezien en gesproken, en zult dagelijks, gedurende uw verblijf in deze stad, in de gelegenheid zijn om uwe opmerkingen te maken en uw oordeel te vestigen. Is de eerste indruk ongunstig geweest? Is dat de reden van uwe vraag?"

—"Integendeel, Lidewyde heeft mij met de meeste heuschheid ontvangen, en het zou mij niet fraai staan, daarop iets te willen afdingen. Haar eerste werk is geweest, mij een beeldig kleedje ten geschenke te geven, dat zij met André voor mij uitgezocht had. Ook mijnheer Dijk was zeer vriendelijk voor mij. En toch gevoelde ik mij op Soekabrenti niet geheel en al op mijne plaats. Ik vind Lidewyde niet natuurlijk, niet gewoon, niet zoo als andere vrouwen, hoe zal ik zeggen?"

—"Gij moet in aanmerking nemen, lieve, dat Lidewyde eigenlijk geene Hollandsche is. Zij heeft voortdurend moeite zich te gewennen aan ons klimaat en aan onze zeden. Doch indien mijnheer Kortenaer u gezegd heeft, dat gij billijker over haar zult oordeelen naarmate gij haar meer van nabij zult leeren kennen, heeft hij de waarheid gesproken. De oude mevrouw Dijk is eene vriendin van mijne jeugd, en ik heb Lidewyde bij haar aan huis om zoo te zeggen van jong meisje afaan zien opgroeijen. Ik heb haar ontmoet, toen zij nog een juffertje van de kostschool was, die in hare vakantiedagen te logeren werd gevraagd bij Adriaans zusters; ik heb Adriaan om haar heen zien fladderen als eene mug om de kaars; ik ben genoodigd geweest op hunne bruiloft. Vraagt gij mij, of hij en zij niet welligt gelukkiger zouden zijn, indien hun huwelijk met kinderen gezegend was geworden, dan zeg ik volmondig ja. Doch welk menschenleven heeft niet zijne schaduwen? Toen Lidewyde Adriaans vrouw werd, hebben al de leden der familie Dijk zich daarover verheugd. Adriaans vooruitzigten waren van dien aard, dat hij de inspraak van zijn hart gerust volgen kon en niet behoefde te zoeken naar eene vrouw met geld; en Lidewyde's schoonheid was zoo buitengewoon; zij had zoo uitmuntend geprofiteerd van het haar gegeven onderwijs; hare manieren waren zoo onberispelijk, dat men haar de positie, welke Adriaan haar aanbood, wel misgunnen, maar niet beweren kon, dat zij die in eenig opzigt onwaardig was. Zij heeft geen expansiven aard, en de intimiteit tusschen haar en Adriaans zusters is met den tijd niet toegenomen; doch dit kan ik u verzekeren, dat zij in weerwil van hare afgemetenheid bij Adriaans familie hoog aangeschreven staat. En volgens mij verdient zij dit ten volle. Ik heb u reeds gezegd dat zij in het godsdienstige anders denkt als ik; doch in de schatting van haren man en van diens moeder en zusters, die het daarin met haar meer eens zijn dan met mij, verkleint dat hare waarde niet. Somtijds karig met woorden, is zij de gulheid-zelve, wanneer het op geven aankomt; en meer dan eene liefdadige instelling in deze stad heeft groote verpligtingen aan haar. Waarlijk, Lidewyde heeft ontzaggelijk veel goeds; en het zou mij zeer verwonderen, indien gij haar niet weldra opregt leerdet liefhebben."

Emma's antipathie was te diep geworteld om voor freule Bertha's optimisme aanstonds te wijken, en in haren geest bleef ruimte voor de onderstelling, dat de scherpzinnigheid der oude dame, waar het op het beoordeelen van sommige karakters aankwam, geen gelijken tred met hare argeloosheid hield. Doch zij had nog te weinig menschenkennis om in haar eigen doorzigt veel vertrouwen te mogen stellen. Ook schaamde zij zich min of meer, achterdochtiger te schijnen dan de vrouw van leeftijd tegenover haar. "De liefde hoopt alle dingen; de liefde denkt geen kwaad;" had zij daareven in freule Bertha's Bijbel gelezen, en zij wilde niet aanstonds ontrouw worden aan eene leer, die zij ook voor de hare erkende. Juist dezen ochtend was het besef in haar ontwaakt, dat huiselijke godsdienstoefeningen hare nuttige zijde kunnen hebben; en schoon het te bezien stond, of zij haren wrok niet even goed zonder als met de vermaningen van den apostel Paulus zou hebben kunnen te boven komen, en het zelfs twijfelachtig was, of de heugenis van diens welluidende woorden haar op dit oogenblik eene dienst bewees,—zij schortte haar oordeel over Lidewyde op en nam zich voor, gunstiger over haar te gaan denken. Zoo volledig was evenwel hare bekeering niet, of zij poogde uitstel van schuldbelijdenis te verwerven door het voorwenden eener aan nieuwsgierigheid grenzende belangstelling.

—"En wie is," vroeg zij, "die zekere Sarah, welke Lidewyde schijnt te volgen als hare schaduw? Zij ontving ons in het voorhuis, en dat moest beteekenen, dat zij eene dienstbode was; maar indien zij mij minder spoedig behulpzaam was geweest in het afdoen van mijn hoed en doek, zou ik eene onderdanige dienaresse voor haar gemaakt hebben. Hoe komt Lidewyde aan zulk eene dame tot kamenier?"

—"Wie Sarah is, kan ik u niet zeggen, en weet Lidewyde zelve niet regt, geloof ik; doch zij geeft zich uit voor de weduwe van een Engelschman, die haar op Java heeft leeren kennen en haar medegenomen heeft naar Britsch-Indie, waar hij eene aanzienlijke betrekking bekleed heeft. Dit alles schijnt waar te zijn, en de geschiedenis van dien man moet vele jaren geleden het onderwerp hebben uitgemaakt van een levendigen strijd in de engelsche couranten. Hij had warme vrienden, maar ook onverbiddelijke vijanden. Er werd aan zijne eerlijkheid getwijfeld, en men beschuldigde hem een oproermaker te zijn. Na van zijnen post te zijn ontzet, heeft hij geruimen tijd met zijne vrouw door Europa gezworven, van de eene badplaats naar de andere verhuizend en al zijne bezittingen verspelend. Ook aan de waarheid daarvan schijnt niet getwijfeld te kunnen worden. Alleen geloof ik niet dat hij dood is, gelijk Sarah beweert. Hier in de stad althans worden personen gevonden, die zeker meenen te weten, dat zij hem nog dezen zomer in het buitenland ontmoet hebben. Zoo veel te erger voor die arme vrouw. Men behoeft haar slechts aan te zien, om te bemerken, dat zij veel geleden heeft, en hare tegenwoordige dienstbaarheid, hoe hard die haar ook vallen moet, niet eenmaal hare zwaarste beproeving is. Zij heeft zich sterk aan Lidewyde gehecht, en Lidewyde houdt ook hierom veel van haar, omdat zij gelooft dat Sarah op Java haren vader gekend heeft. Lidewyde is eene natuurlijke dochter, zoo als gij weet."

—"En zoudt gij denken, freule," vroeg Emma, "dat Sarah een gunstigen invloed op Lidewyde uitoefent?"

—"Ik ben daaromtrent niet geheel en al gerust; maar gij zult dit alweder aan mijne regtzinnigheid toeschrijven. De enkele malen dat ik met Sarah vertrouwelijk gesproken heb, heeft zij den indruk op mij gemaakt, eene waardige vrouw te zijn, met eere oud geworden in de school van den tegenspoed en achter wier rug een moeijelijk, maar smetteloos leven ligt. Maar tot mijne ontsteltenis meen ik tevens bespeurd te hebben dat zij geen geloof heeft."

—"Zou welligt haar man in het godsdienstige overdreven liberaal gedacht hebben? De meeste mannen, die uit Indie terugkomen, behooren tot die rigting, zegt men."

—"Helaas, lief kind, ik vrees maar al te zeer dat Sarah verder gaat dan de meest overdreven vrijzinnigen: en het is niet door den invloed van haar man, dat zij aan die meeningen gekomen is, maar uit haar zelve. Zij is volslagen ongeloovig, zeg ik u. Met de grootste koelbloedigheid heb ik haar hooren beweren, dat God voor haar niet bestond. Het was verschrikkelijk. En hoe aandoenlijk, te gelijkertijd, dat juist eene vrouw, die uit het geloof zulke magtige vertroostingen zou kunnen putten, te eenemaal daarvan verstoken is!"

—"En meent zij waarlijk, dat de wereld alleen door het toeval of het noodlot geregeerd wordt? Mij dunkt, zij kan dit wel met woorden beweren, of het meenen met haar hoofd; maar wanneer het hart boven komt, moet zij anders denken."

—"Neen, Emma, wanneer het God betreft, komt het hart bij Sarah nimmer boven. Zij is goed en vriendelijk; al de huisgenooten op Soekabrenti hebben haar lief, en dat verdient zij. Somtijds zelfs zou men in verzoeking komen te beweren dat zij gelooft zonder het te willen of te weten. Maar dit is zelfmisleiding. Hoe treurig het wezen moge, er valt niets aan te veranderen: zij is zonder hoop en zonder God in de wereld. Ook redeneert zij niet over dat onderwerp op zijn filosoofs, gelijk eene savante doen zou. Zij betuigt alleen dat zij vruchteloos gedurende haar geheele leven naar eenig blijk van Gods tegenwoordigheid gezocht heeft; dat Zijne stem geene enkele maal weerklonken heeft in haar hart, en zij vergelijkenderwijs meer vrede vindt bij de gedachte, dat Zijn bestaan een hersenschim is, dan dat Hij haar geheel en al vergeten zou hebben. Zij keert den troost van onze gezegende godsdienst om, en beweert dat haar ongeloof haar voor morren bewaart."

—"En wat zegt Lidewyde daarvan?"

—"Ziedaar een der punten waaromtrent ik zelfverwijt gevoel. Tot mijn leedwezen toch moet ik bekennen, dat Lidewyde zich den gemoedstoestand van Sarah niet genoeg aantrekt. Beweer ik, dat Sarah's ongeloof eene besmetting is waartegen men niet genoeg op zijne hoede kan zijn, dan haalt Lidewyde de schouders op en lacht schier om hetgeen zij mijne schrikbeelden noemt. Maar komaan, lieve Emma, verdiepen wij ons niet te zeer in de gevoelens van anderen. God is almachtig, en op uw leeftijd vooral moet men van alle menschen het beste hopen."

—"Dat moet men ook, freule," zeide Emma, met eene poging tot opgeruimdheid. Doch in haar hart voegde zij er bij met eene zucht: "Indien slechts de afstand tusschen moeten en kunnen niet somtijds eene breede rivier geleek!"

Op hare kamer teruggekomen, herlas Emma haren brief, vóór het ontbijt in gereedheid gebragt, en herlas dien met tegenzin. Had het haar te huis reeds moeite gekost, met woorden eene gerustheid te veinzen, die ver was van in haar gemoed te wonen, dubbel stuitte het haar tegen de borst, dezelfde onopregtheid in geschrifte te plegen. En onwillekeurig was het bedrog zoo kunstig door haar ingekleed, dat hare moeder, die van niets wist, door het ontvangen van dezen brief noodwendig gestijfd moest worden in hare onkunde. Het was een van hartelijkheid overvloeijend reisverhaal, waarin zij vertelde, hoe zij te T. afscheid genomen had van haren vader, hoe hulpvaardig André geweest was op den verderen togt van T. naar M., hoe gul zij ontvangen was geworden eerst door freule Bertha en daarna door Lidewyde, welk een aangenamen indruk die twee dames, bij alle verschil van leeftijd, uitzigt en karakter, op haar gemaakt hadden, hoe hare slaapkamer ingerigt en hare zitkamer gemeubeld was, hoe elk zich beijverde haar allerlei kleine beleefdheden te bewijzen, hoe al haar opzien tegen het verblijf te M. reeds dadelijk geweken was voor een gevoel van welbehagen, en hoe gerust men op Belvedere zijn kon, dat zij het in hare schijnbare ballingschap niet-alleen niet kwaad, maar veeleer te goed had.

De meeste menschen van boven de veertig hebben het schrijven van dergelijke brieven reeds zoo vaak bij de hand gehad, dat zij zich zonder inspanning over dat onwaarheid spreken heenzetten. Het verbloemen van hunne eigenlijke gevoelens is voor hen geheel en al eene stijloefening geworden, en om de ware toedragt der zaken bekommeren zij zich sedert lang niet meer. Doch Emma was nog slechts even in de twintig, en voor het eerst in haar leven had zij dezen ochtend de veder der historie in de kleurstof der fabel gedoopt. Vandaar kwellingen des gewetens, die wel misschien alleen bewezen dat ook het verdichten, even als de meeste andere vormen der ondeugd, slechts eene kwestie van gewoonte of ongewoonte is, maar niettemin pijn deden en onrust aanjoegen. Zij gevoelde aan haar hart, dat zij niet straffeloos romanschrijfster worden kon, en wilde haren brief verscheuren. Bij het herschrijven zou zij, met weglating van sommige andere zaken, in bijzonderheden kunnen treden omtrent het onderhoud dat zij daareven met hare gastvrouw gehad had, en hare moeder in het breede kunnen vertellen, welk eene partikuliere soort van orthodoxe dame freule Bertha was. Op die wijze zou de brief niet minder hartelijk, niet minder vrolijk, en vooral niet minder lang worden. Doch te goeder uur bedacht zij, dat zij zuinig moest zijn op hare onderwerpen en zichzelve het gras niet voor de voeten wegsnijden mogt, zooals de maaijers in de Duinendaalsche velden deden. Indien zij nu reeds ging uitweiden over freule Bertha's regtzinnigheid, waarover zou zij dan den volgenden keer aan hare moeder schrijven? Bovendien, zij kon niet zwijgen, of niet kort zijn, omtrent de ontvangst bij Lidewyde, zonder het vermoeden te wekken, dat de receptie op Soekabrenti eene teleurstelling was geweest, en daardoor een démenti te geven aan André, die in zijne brieven uit M. allerlei wonderen aangaande de villa en hare kasteleines verhaald had. Wel is waar zou zij zich kunnen bepalen tot de mededeeling, dat hare ingenomenheid met Lidewyde voor alsnog geen gelijken tred hield met de zijne; doch welk eene houding zou het hebben het oordeel en den goeden smaak van haar aanstaanden man aldus twijfelachtig te maken? en hoe ligt zou hare moeder daardoor op het denkbeeld kunnen komen, dat zij, Emma, òf door André veronachtzaamd werd, òf dat zij aanleg had om hem de wet te willen stellen? Neen, noch hem, noch haarzelve mogt zij in de schatting van anderen benadeelen; vooral hem niet. Het moest voor eeuwig een geheim blijven tusschen hen beiden, dat zij somwijlen aan hem getwijfeld had. Zelfs hare ouders behoorden daarvan niets te weten of te vermoeden. En wel mogt zij zeggen: getwijfeld had; want sedert gisteren twijfelde zij niet meer. André's ongeveinsde blijdschap bij het wederzien te T.; zijne onbedriegelijke betuigingen van teederheid onder weg; de fierheid, waarmede hij haar aan freule Steinmetz had voorgesteld als zijne bruid; de oplettendheden die hij op Soekabrenti, gedurende het middagmaal en daarna, niet opgehouden had haar te bewijzen; de kus, waarmede hij gisteren avond, voor de deur van freule Bertha's woning, afscheid van haar genomen had en die nog onder het insluimeren om hare lippen had gezweefd,—indien men niet, gelijk de rampzalige Sarah, opgehouden had in God te gelooven, moest men vertrouwen stellen in zulke onmiskenbare blijken van teederheid, en was het pligt, zoo als freule Bertha zeide, het goede te denken. Alles zou teregt komen, daaraan viel niet te twijfelen: waarom dan dubbelzinnige brieven naar huis geschreven? brieven, die misschien veel kwaad, maar in geen geval nut konden stichten. Het beste was derhalve,—want de staatkunde is geenszins het eenige terrein waarop men niet doet hetgeen men wil, maar hetgeen men kan,—het beste was, den brief te verzenden gelijk hij nu eenmaal luidde.

Meent men dat de brief nogtans niet verzonden werd? Billijkerwijze kan niemand daaromtrent in het onzekere verkeeren. In oogenblikken van tweestrijd toch, wanneer de evenaar nu naar de eene, dan naar de andere zijde overhelt, eindigt de mensch in den regel met zich te laten bepalen door zijne eigenliefde; en er worden slechts zeer enkele personen gevonden, die ondervinding en geestkracht genoeg bezitten om voor die verzoeking niet te bezwijken. Emma nu bezat die twee kwaliteiten nog niet; en wat hare eigenliefde betrof, zij zou in het tegenwoordig stadium van haren hartstogt voor André liever het onmogelijke verduurd hebben, dan zelfs aan hare moeder te bekennen dat zij zich in hem vergist had.

Achttiende Hoofdstuk.

Jean-Jacques Rousseau heeft somtijds gewaagde magtspreuken verkondigd, en men kan hem niet altijd op zijn woord gelooven. Doch indien het eene ligtvaardige profetie van hem geweest is, dat geene vrouw van eer zijne Nouvelle Héloïse zou kunnen lezen zonder zichzelve te gronde te rigten,—zou de uitkomst hem ook gelogenstraft hebben, indien hij van zijne Confessions beweerd had, dat enkele hoofdstukken van dat boek volstrekt ongeschikt zijn om onder vier oogen door een jong mensch te worden voorgelezen aan de echtgenoot van zijnen gastheer?

—"Weet gij," vroeg Lidewyde, toen haar man zich des ochtends naar zijn kantoor begeven had en zij met André alleen gebleven was (het mogt eene week of daaromtrent geleden zijn dat Emma gebiljetteerd was geworden ten huize van freule Bertha), "weet gij wat ik vind?"

De waarheid was, dat zij André als een stuk speelgoed beschouwde, welks maaksel tot op zekere hoogte hare belangstelling opwekte, doch waarvan zij zich overigens alleen als een middel tot tijdverdrijf bediende.

—"Ik vind," vervolgde zij op dien lagchenden toon, waardoor zij haar beslissendst overwigt op hem uitoefende, "ik vind dat gij een zeer koel en zeer afgemeten bruidegom zijt."

André zou hebben willen vragen: "Hoe dat?" of: "Wat meent gij daarmede?" Doch hij durfde niet. Lidewyde's schertsende aanklagt was met sommige zeer ernstige verwijten, die hijzelf in de laatste dagen zich in de eenzaamheid herhaaldelijk gedaan had, te zeer in overeenstemming, dan dat hij nu reeds met een goed geweten verwondering zou hebben kunnen veinzen.

—"En weet gij wat ik vind?" antwoordde hij overluid, met eene poging om Lidewyde's jovialiteit te evenaren, "Ik vind"...

—"Gij vindt dat ik mij bemoei met zaken die mij niet aangaan," viel zij hem in de rede. "Doch daarin bedriegt gij u. Emma is mijne zuster, en ik heb regt te eischen, dat gij haar al de eer geeft, die haar toekomt. Wij vrouwen zijn naijverig op ons geslacht, en wanneer eene van ons niet met de noodige onderscheiding bejegend wordt, nemen wij het allen voor haar op. Gij zijt beleefd jegens Emma, dat erken ik, en wie het tegendeel beweerde, zou u onregt doen; maar hartelijk, innig, teeder, eerbiedig,—neen, dat zijt gij niet. Vooral niet eerbiedig."

—"Dat ben ik wèl," zeide André, wien het overdrevene-zelf van hare beschuldiging tot tegenspraak prikkelde, en die niet begreep dat haar requisitoir, hoewel ernstig gemeend, nogtans door hem als kortswijl had moeten opgenomen worden. "Emma is niet-alleen in mijne oogen het beminnelijkste van alle schepselen, maar tegelijk met de hoogste liefde boezemt zij mij een geheel vrijwillig ontzag in. Indien ik immer iets tegen haar misdreef, zou ik hare verontwaardiging misschien nog meer vreezen dan hare droefheid."

—"Des te beter; doch er is ontzag en ontzag. De eerbied, dien ik bedoel, is van eene bijzondere soort. Het is eene ridderlijke hulde, zooals de groote dichters ons die beschrijven; een mengsel van onderdanigheid en vurige begeerte; iets demoedigs, dat nogtans in het geheel niet onmanlijk is. Ik meen niet dat gij bang moet zijn voor Emma; integendeel, zij moet bang zijn voor u, gelijk het een jong meisje tegenover een jong heer, met zulk een... knevel als den uwen, betaamt. Wat ik meen, is... doch ik kan het niet onder woorden brengen. Geef mij, bid ik u," en zij wees naar eene kleine werktafel, waarop tusschen eene bloemvaas en een borduurpatroon eenige fraaigebonden boeken lagen, "geef mij dat boek, en ik zal trachten, u mijne bedoeling duidelijk te maken."

Hij stond op en zocht.

—"Bedoelt gij dit?" vroeg hij, een der boeken omhoog heffend.

—"Neen," zeide zij, "dat niet, maar het andere vlak daarnaast."

Hij overhandigde haar het boek en bleef staan. Het was een dier op glanzig papier met een vorstelijke letter gedrukte folianten in miniatuur, waarvoor onze boekhandel den naam van imperiaal-oktavo uitgevonden heeft. Houtsnede aan houtsnede diende tot illustratie van den tekst, en elk nieuw hoofdstuk ving aan met eene weelderig versierde letter. Na eene poos in het boek gebladerd te hebben, eerst voor- en toen achteruit, als iemand die niet aanstonds vinden kan hetgeen hij zoekt:

—"Ga nu rustig tegenover mij zitten," zeide zij, "en lees mij deze twee bladzijden voor." En met de eene hand gaf zij hem het boek terug, terwijl zij met den voorsten vinger der andere hem de plaats aanwees waar hij beginnen moest.

Had het in zijne keus gestaan, hij zou zich nevens haar op de sofa nedergezet, of een stoel aangeschoven hebben. Doch zij had hem gezegd, tegenover haar te gaan zitten, en haar blik had hem naar de andere zijde der tafel verwezen. Hij voegde zich naar dien wenk, ofschoon half onwillig, en begon:

—""De tous mes châteaux en Espagne""...

—"Neen," riep zij uit, "zoo bedoel ik het alweder niet! Vreemde talen zijn uitvluchten. Voor ons is het hollandsch de eenige spraak, waarin wij ons volkomen rekenschap kunnen geven van hetgeen wij gevoelen. Doe alsof gij nog op school waart en de meester u leerde vertalen van het blad. Of zijt gij van die oefening verschoond gebleven? Mij heeft men er vijf jaren achtereen mede vervolgd."

Hij zag op uit het boek en staarde haar in het gelaat, als om te vragen: "Hoe heb ik het met u?" Misschien hinderde het hem, dat zij zoo veeleischend was, en vond hij dat hare wijze van met hem om te gaan werkelijk eenige overeenkomst vertoonde met die van den schoolmonarch zijner kinderjaren. Doch het kwam niet tot een openlijk verzet. Met eene gedweeheid, eene betere zaak waardig (tenzij te gehoorzamen op den wenk van twee schoone oogen, in bondgenootschap met een vriendelijk lagchenden mond, het beste deel en de hoogste verdienste is), hernam hij:

—""Van al mijne luchtkasteelen was slechts één nog niet ingestort: het vinden eener bezigheid, waardoor ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien; en zelfs het verwezenlijken van dien bescheiden droom had zwarigheden in. Ik dacht aan mijn voormalig handwerk, doch was daarin niet bedreven genoeg om te gaan arbeiden bij een meester. Meesters waren er bovendien te Turin niet veel.""

—"Wij zijn te Turin, naar gij bemerkt," zeide Lidewyde. "Herinnert gij u wie de persoon is die zoo openhartig de geschiedenis van zijne eigen geldelijke verlegenheden biecht? Om het even. Het was een jong Geneefsch horlogemaker, die ook een weinig graveren kon. Naderhand heeft hij meer boeken dan stempels gegraveerd. Doch ga gerust voort, want het fraaiste moet nog komen; dat spreekt."

André vervolgde:

—""Hierna beter, dacht ik, en ging van winkel tot winkel mijne diensten aanbieden, verlof vragend om een wapen of een naamcijfer in tafelzilver te mogen snijden, en hopend, door aan de welwillendheid der lieden het bepalen van den prijs over te laten, hen te zullen lokken door de goedkoopte. Productief was dat hulpmiddel niet. Bijna overal werd mij de deur gewezen, en van het weinige dat men mij liet verrigten volstond de opbrengst te naauwernood voor een maaltijd of wat. Op zekeren keer evenwel""...

—"Pas nu op, mijnheer André," schertste Lidewyde, "het stuk gaat beginnen!"

Hij ging voort:

—""Op zekeren keer, toen ik in het ochtenduur door de Contrà Nova ging, zag ik achter het venster van een magazijn eene jonge vrouw zitten, wier voorkomen zoo veel bevalligheid en zoo veel welwillendheid teekende, dat ik, in weerwil der in zulk gezelschap mij eigene bedeesdheid, het waagde binnen te treden en mijne geringe kunst te harer beschikking te stellen. Zij zeide niet neen, verzocht mij te gaan zitten, wilde weten wie ik was en van waar ik kwam, beklaagde mij, sprak mij moed in, en verzekerde dat goede medemenschen mij niet in den steek zouden laten. Zij zond naar een zilversmid, ten einde de gereedschappen te ontbieden die ik zeide noodig te hebben, verliet onderwijl het vertrek en keerde na eene poos terug met een ontbijt, dat zij eigenhandig voor mij opzette. Dit scheen mij toe, een veelbelovend begin te zijn; en de uitkomst logenstrafte die goede meening niet. Ik kon bespeuren, dat mijn werk haar aanstond en, meer nog dan mijn werk, toen ik mijne schroomvalligheid wat overwonnen had, mijn gekeuvel. Die schroom was niet onnatuurlijk, want zij was getooid met fluweel en zijde, en in weerwil van haar innemend voorkomen maakte dat schitterend toilet mij linksch. Hare vriendelijke ontvangst evenwel, haar belangstellende toon, hare stille en meewarige manieren, hergaven mij weldra mijne tegenwoordigheid van geest. Ik bemerkte dat ik slaagde; en door het zelfvertrouwen, dat die bewustheid mij schonk, slaagde ik nog meer. Maar hoewel zij eene Italiaansche en daarbij veel te schoon was om ook niet een weinig behaagziek te zijn, was zij met dat al zoo zedig, en ik zoo schuchter, dat onze kennismaking vooreerst wel niet vertrouwelijk worden kon. Nu, men liet ons daartoe dan ook den tijd niet. Doch des te levendiger herinner ik mij, hoe bekoorlijk de vlugtige uren waren, die ik in hare nabijheid heb mogen doorbrengen; en ik overdrijf niet, wanneer ik beweer, in die oogenblikken de zoetste en zuiverste genietingen der liefde gesmaakt te hebben.""

André zweeg eene poos; en in zekeren zin zou niets natuurlijker geweest zijn, dan dat hij het boek digtgeslagen en er hartelijk voor bedankt had, langer door Lidewyde gekatechiseerd te worden. Doch er is, naar het schijnt, al zouden de lichtvrienden van alle werelddeelen een genootschap oprigten uitsluitend met het doel om die stelling te bestrijden en hare onwaarheid alom voelbaar te maken, er is een katechismus, dien de meeste jonge mannen van André's leeftijd, wanneer de onderwijzeres eene zoo bekoorlijke vrouw als Lidewyde is, nimmer moede zullen worden zich te laten overhooren. Het kwam, dit was zoo klaar als het naderend middaguur, niet te pas, dat Lidewyde hem zulk een boek in handen gaf, zulk een gesprek met hem aanknoopte, zulk een houding tegenover hem aannam. Het was ongehoord, ongepermitteerd, en in de hoogste mate onbetamelijk. Doch toen zij met den vrolijksten glimlach hem vroeg, waarom hij zijne lektuur eensklaps staakte, en of hij meende, reeds aan het einde der geschiedenis te zijn, zou hij het niet minder ongehoord en vooral niet minder onbetamelijk gevonden hebben, het aangevangen werk onvoltooid te laten.

Hij vervolgde:

—""Het was eene zeer pikante brunette, uit wier gelaat met dat al zulk een goed hart sprak, dat hare levendigheid iets aandoenlijks behield. Zij heette Made Basile. Haar man, die veel ouder dan zij en tamelijk jaloersch was, liet haar, wanneer hij voor zijne zaken van huis moest, onder de hoede van een kantoorbediende achter; een te gemelijk persoon om gevaarlijk te kunnen heeten, en die, ofschoon hij zich te haren aanzien vrij wat aanmatigde, dit schier nooit anders blijken liet als door zuur te zien. Ik geraakte bij hem in zeer kwaden reuk, niettegenstaande ik hem somwijlen met welgevallen op de dwarsfluit hoorde spelen; een instrument, waarmede hij handig wist om te gaan. Deze nieuwerwetsche Egisthus knorde overluid, zoo vaak hij mij de kamer zijner meesteres zag binnentreden; doch zij gaf hem de minachting, waarmede hij mij bejegende, met woeker terug. Zelfs kon het schijnen dat zij, om hem te kwellen, mij in zijne tegenwoordigheid met opzet aanmoedigde. Die soort van wraakoefening was mij zeer naar den zin, en zou dat nog meer geweest zijn, indien Made Basile haar voortgezet had wanneer wij alleen waren. Maar dit deed zij niet, of althans niet zoo openlijk. Hetzij zij mij te jong vond, hetzij zij niet regt wist hoe het aan te leggen, hetzij bij haar een ernstig voornemen bestond om op haar hart te passen,—zoo vaak Egisthus er niet bij was wapende zij zich met eene soort van waardigheid, die wel niet afstiet, maar mij, ik wist zelf niet waarom, in de hoogste mate intimideerde. Ik was verlegen, bloosde; durfde haar niet aanzien, durfde naauwlijks ademhalen, en toch zou het mij minder moeite gekost hebben te sterven, dan voor altijd van haar te scheiden. Mijn oog verslond om strijd al hetgeen ik onopgemerkt begluren kon: de bloemen van haar zijden kleed; de spits van haar kleinen voet; haar gevulden en blanken arm, voor zoover die zigtbaar was tusschen een handschoen en eene ondermouw; haar hals, wanneer, gelijk somtijds gebeurde, haar kraagje niet bevestigd was aan den kanten doek, dien zij kruiselings over haar keurslijf droeg. De indruk van het eene voorwerp verlevendigde nog dien van het andere. Al turend op hetgeen ik zag, en durfde gissen, schoot een waas voor mijne oogen en was het of mijne borst digtgenepen werd; al mijne krachten moest ik inspannen om mijne ademhaling te regelen, die hoe langer hoe ongelijkmatiger werd; en het eenige wat ik doen kon was, hoewel de stilte om ons henen dit somtijds niet gemakkelijk maakte, mij lucht te verschaffen door het slaken van eene onderdrukte zucht. Gelukkig scheen Made Basile, verdiept in haar vrouwelijk handwerk, mijne ontroering niet te bespeuren. Nu en dan evenwel verbeeldde ik mij, alsof hetzelfde gevoel hare borst en de mijne doortrilde, haar keurslijf sneller te zien rijzen en dalen dan anders. Dat verleidelijk gezigt deed de maat mijner verbijstering overloopen; doch, was ik op het punt van aan mijnen hartstogt toe te geven, dan rigtte zij tot mij de eene of andere onverschillige vraag en deed mij aanstonds weder tot mijzelven komen.""

Op nieuw staakte André zijne lektuur.

—"Welnu," vroeg Lidewyde nogmaals, "waarom leest gij niet door? Ik herhaal, dat het fraaiste nog komen moet."

De verzekering was misschien niet te eenemaal geruststellend en de vraag in elk geval niet overbodig; want ofschoon André in weerwil van zichzelven werd medegesleept door hetgeen hij las, en het hem niet weinig leed deed (hetgeen een bedenkelijk verschijnsel heeten mogt) zich te moeten behelpen met eene geïmproviseerde en half gestamelde vertaling,—hij was nog niet zoo te eenemaal onder den invloed van Lidewyde gekomen, dat hij zonder hare toestemming, en zelfs zonder een uitdrukkelijk bevel uit haren mond, durfde voortgaan. De verlegenheid van den Geneefschen horlogemaker was besmettelijk, naar het scheen; en had Lidewyde met hare koele vraag niet juist van pas het voorbeeld van Made Basile tot rigtsnoer gekozen, en door haar onverschilligen toon de soort van verbijstering weggevaagd, waaronder ook hij van lieverlede geraakt was, hij zou welligt geen raad geweten hebben met zijn figuur. Thans evenwel, ofschoon niet bevroedend dat zijn verlevendigde moed niet uit hemzelven, maar meest van Lidewyde kwam, vermande hij zich, en las de les, die zij hem opgegeven had, in éénen adem ten einde:

—""Herhaaldelijk was ik met haar op die wijze alleen, zonder dat een woord, een wenk, of ook maar een te veel beteekenende blik, de geringste verstandhouding tusschen ons verried. Hoe pijnlijk voor mij die toestand ook was, toch gevoelde ik mij volkomen gelukkig; en nog zoo onbedorven was destijds mijn hart, dat ik van hetgeen mij kwelde mijzelven te naauwernood rekenschap geven kon. Ook haar schenen die kleine zamenkomsten niet ongevallig te zijn: ten minste, zij wist de gelegenheid er toe van pas te vermenigvuldigen. Noodeloos overleg, inderdaad, wanneer ik bedenk welk gebruik zij van die kansen maakte, en mij daarvan maken liet!... Ten einde door de zoutelooze praat van den kantoorbediende, die haar lastig was komen vallen, niet langer gekweld te worden, had zij op zekeren dag de wijk genomen naar hare kamer; en zoodra ik in het achter-magazijn, waar ik mij op dat oogenblik bevond, gereed was met mijn werk, sloop ik, den trap op, haar achterna. De deur van het vertrek stond aan, en ongemerkt trad ik binnen. Zij zat te borduren aan een der vensters tegenover de deur, met het aangezigt naar het licht gekeerd. Zij kon mij niet zien binnenkomen, en kon mij ook niet hooren, uithoofde van het geraas der zware vrachtwagens in de straat beneden. Altijd was zij met zorg gekleed; doch die dag zou ieder in hare kleeding een zweem van koketterie bespeurd hebben. Hare houding was de bevalligheid-zelve; het hoofd een weinig voorover,—zoodat ik de lijn van haar blanken hals kon volgen,—en met bloemen in het sierlijk gekapte haar. Haar geheele persoon had iets onuitsprekelijk betooverends, dat mij meer buiten mijzelven bragt, naarmate ik meer tijd had om het op te merken. Ik zonk aan den ingang van het vertrek op mijne knieën en breidde de armen naar haar uit, vast overtuigd dat zij mij niet hooren, en in den waan dat zij mij ook niet zien kon. Doch boven den schoorsteen hing een spiegel die mij verried. Welken indruk mijne hartstogtelijke handelwijze op haar maakte, weet ik niet; zij zag mij noch aan, noch sprak mij toe, maar wendde half het hoofd naar mijne zijde en wees met haren vinger, zonder meer, naar de gevlochten mat, waarop hare voeten rustten. Ik trilde, slaakte een kreet, en bevond mij in een oogwenk nevens haar, knielend op de door haar mij aangewezen plaats. Zal men gelooven, dat ik zelfs toen den moed niet had, het woord tot haar te rigten, of de oogen naar haar op te slaan, of haar aan te raken en de hand op hare knie te leggen om een steunpunt te zoeken? Sprakeloos, roerloos was ik, maar voorwaar niet weinig ontroerd. Alles verried de spanning, waarin ik verkeerde: mijne blijdschap, mijne erkentelijkheid, mijne vurige, maar onbestemde wenschen, in toom gehouden door de vrees van te zullen mishagen... Zij scheen even ontroerd en even bedeesd als ikzelf. Verlegen met mijne tegenwoordigheid aan hare zijde, zich bewust dat zijzelve mij geroepen had, verrast door de uitkomst van een wenk, welks gevolgen zij blijkbaar niet had berekend,—moedigde zij mij niet aan, maar stiet mij ook niet van zich af. Hare oogen bleven onafgebroken op haar borduurwerk gerigt, en zij deed haar best, niet te bespeuren dat ik nevens haar geknield lag. Doch ik zou blind moeten geweest zijn om niet te bemerken dat haar hart niet minder onrustig klopte dan het mijne...""

""Wie weet,"" besloot André zijne lektuur, ""hoe dit zwijgend tooneel geëindigd of gedurende hoe langen tijd ik in denzelfden even belagchelijken als streelenden toestand gebleven zou zijn, indien men ons niet gestoord had? Doch juist toen mijne ontroering haar toppunt had bereikt, hoorde ik in mijne nabijheid eene deur openen. "Sta op, daar is Rosina!" zeide Made Basile op verschrikten toon en met een schichtig gebaar. Rosina was hare dienstbode, en Rosina's vertrek grensde aan dat van hare meesteres. Ik rees ijlings overeind, greep en kuste vurig tweemalen achtereen de hand die zij mij reikte, en gevoelde hoe bij den tweeden kus die lieve hand schier onmerkbaar mijne lippen zocht. Zoeter oogenblik heb ik op aarde nooit beleefd. Doch de gunstige gelegenheid, die ik ongebruikt voorbij had laten gaan, keerde nimmer terug, en met dit eerste en eenige hoofdstuk eindigde onze roman.""

Negentiende Hoofdstuk.

André had Sarah, sedert zijn onderhoud met haar over Lidewyde's betrekking tot Ruardi, schier niet wedergezien. Opzet of toeval, van geene enkele gelegenheid om zich met hem alleen te bevinden was partij door haar getrokken.

Ware hij zich volkomen bewust geweest van hetgeen hij wilde, welligt zou die bescheidenheid hem verdroten hebben. Waarschijnlijker nog zou hij in dat geval het initiatief genomen en door de eene of andere daad van toenadering zijnerzijds mededeelingen hebben uitgelokt, die men uit eigen beweging niet voor hem ten beste scheen te hebben. Doch hij handelde niet overeenkomstig een vast plan; en zoo hij aan den eenen kant zou hebben gewenscht, vollediger door Sarah op de hoogte gehouden te worden omtrent Lidewyde's doen en laten, aan den anderen kant was het hem eene verligting, dienaangaande min of meer in het onzekere te blijven verkeeren. Hoe langer hij met een goed geweten zich zelven diets kon maken dat zijne betrekking tot Lidewyde eene zaak van geene beteekenis was en niemand anders als Emma bij voortduring de eerste plaats in zijn hart bekleedde, hoe aangenamer hij het vond. Het was dan ook geenszins een kreet van onvermengde vreugde, die hem ontsnapte, toen hij op het reeds vergevorderd avonduur van een der volgende dagen, terwijl hij, met de lamp aan zijne zijde, voor het geopend venster zijner kamer zat en de sterrebeelden aan den donkerblaauwen hemel bespiedde, eensklaps door een bezoek van Sarah verrast werd.

Met Adriaan, Lidewyde en Emma was hij in den vooravond uit rijden geweest naar Zeeburg, waar men gezamenlijk, luisterend naar de muziekale uitvoering van een militair orkest en groeten wisselend met bloedverwanten of vrienden, de zon had zien ondergaan. André was niet ongevoelig voor zulke genietingen. Hij vond Dijks landauer een voortreffelijk rijtuig, en het voorregt twee vrouwen tot vis-à-vis te hebben als Emma en Lidewyde vergoedde honderdvoudig in zijne schatting het ongerief van Dijks konversatie. Het Zeeburgsche badhuis was klein van omvang, dit gaf hij toe, en wanneer men het met dat van Scheveningen of Ostende vergeleek, verzonk het in het niet. Doch alle dingen zijn betrekkelijk; en niet zelden zal men aan een beperkt terras, mits men zich omgeven weet door een uitgelezen kring van bekenden, de voorkeur geven boven een veel uitgestrekter grondgebied, waarover vreemdelingen den schepter voeren. In het gezelschap van Lidewyde en haren man, gevoelde André zich opgenomen in de M'sche beau-monde, en al kende hij de meeste dier heeren en dames nog slechts van naam of van aangezigt, het was niettemin eene weldadige gewaarwording, zichzelven en zijn meisje tijdelijk als een onderdeel dier fiere keurbende te mogen beschouwen.

—"Kom binnen, Sarah," zeide hij opstaand en het venster sluitend. "Het is reeds laat, en de avonden beginnen koel te worden."

—"Vergeef mij, mijnheer," antwoordde zij, "dat ik zulk een ongelegen uur kies om u mijnen dank te komen betuigen. Mijne vrijheid is beperkt, en het behoort tot de zeldzaamheden dat ik voor mijzelve eenige oogenblikken uitbreken kan."

—"Om uwentwil wenschte ik, dat daarin verandering kwam, Sarah. Gij zijt in uwe afhankelijke betrekking hier aan huis niet op uwe plaats, en indien ik iets bijdragen kon om u eene betere positie te verzekeren, zou ik het gaarne en met ijver doen. Doch ik bezit geene noemenswaardige relatien, en moet voorshands in de eerste plaats voor mijzelven zorgen."

—"Ik dank u voor uwe belangstelling, mijnheer André, maar het is niet over mij dat ik kom spreken. Mijne positie is geheel en al het gevolg van mijne eigen keus, en ik twijfel of gij met den besten wil daarin eenige verandering zoudt kunnen brengen. Men heeft u verhaald, naar ik bemerk, dat mijn lot eenmaal zeer verschillend is geweest van hetgeen het nu is, en evenals vele andere welwillende personen verlangt gij, dat ik mijnen rang in de zamenleving, gelijk men dat noemt, hernemen zal. Doch gij zoudt mij toch niet gelukkig willen maken tegen mijnen wensch? Geloof mij, gij kunt niets voor mij doen, en elke poging die gij zoudt aanwenden om mij uit dit huis te verwijderen, zou mij juist van datgene berooven waarop ik den hoogsten prijs stel. Voor mij gaat niets boven de vriendschap van mevrouw Dijk, en de gelukkigste oogenblikken van mijn leven zijn die, waarin ik mij beroemen mag iets gedaan of beproefd te hebben om haar leven te veraangenamen."

—"Die gevoelens strekken u zeer tot eer, Sarah," zeide André op een gewigtigen en beschermenden toon, "en met u geloof ik dat mevrouw Dijk volle aanspraak heeft op uwe erkentelijkheid. Doch, in ernst, zijt gij overtuigd dat aan haar geluk iets wezenlijks ontbreekt? Zij heeft hare vlagen van somberheid en afgetrokkenheid, nu ja; doch welke vrouw is altijd dezelfde? Mij komt het voor, dat mevrouw Dijk niets anders behoeft als nu en dan een weinig afleiding."

—"Ik begrijp zeer wel, mijnheer André, dat gij tegenover mij uwe verdiensten poogt te verkleinen; doch mijne dankbaarheid voor uwe tusschenkomst is daarom niet minder levendig. Gij hebt gedaan hetgeen ik voor onmogelijk zou gehouden hebben, en tot hiertoe is uw overleg met den besten uitslag bekroond geworden."

—"Mijn overleg, Sarah? Verkeert mevrouw Dijk in de meening dat ik met overleg gehandeld heb?"

—"Mevrouw Dijk is geheel en al onkundig, mijnheer, van het verzoek dat ik mij verstout heb tot u te rigten. Zij vermoedt in de verte niet, dat gij kennis draagt van de zorgen, die haar kwellen, en waarvan de oorzaak bij dokter Ruardi ligt. Niet-alleen heeft zij mij niet opgedragen u eenigerlei mededeeling te doen omtrent hetgeen zij voor u gevoelt, maar tot hiertoe is uw naam te naauwernood door haar genoemd geworden. Ik kan u alleen zeggen, dat zij in de hoogste mate ingenomen is met jufvrouw Visscher, en daareven nog heb ik haar in den lof van uw meisje hooren uitweiden. Zij verhaalde mij dat jufvrouw Emma ook weder dezen avond aan het Badhuis het voorwerp van allerlei oplettendheden geweest is, en dat de geheele wereld haar u benijdt. Zoo is het ook, mijnheer, daar ben ik zeker van; en juist om die reden doet het mij zulk een groot genoegen, dat in weerwil van hetgeen gij aan jufvrouw Visscher verschuldigd zijt, gij middel hebt weten te vinden om dokter Ruardi op een afstand te houden. Sedert uwe komst, en vooral sedert de komst van jufvrouw Emma, gevoelt mevrouw Dijk zich veel krachtiger tegenover hem; en ik heb reden om te hopen, dat zij binnen kort voor goed van hem ontslagen zal zijn."

—"Ik bespeur, Sarah, dat men voor u geene geheimen behoeft te hebben; doch laat mij nu alleen, bid ik u, en spreek niet meer met mij over deze zaak. Het is volkomen waar, dat ik door u op het denkbeeld gebragt ben om mevrouw Dijk eene dienst te bewijzen, die zij van niemand anders scheen te kunnen verwachten. Ik verneem van u, dat ik daarin geslaagd ben, of kans heb van te zullen slagen. Des te beter. En nu gij alles weet, behoort ook dit u niet onbekend te zijn, dat ik gehandeld heb met voorkennis van jufvrouw Visscher en onder het zegel van hare goedkeuring. Met dokter Ruardi, die vooral in de eerste dagen van mijn verblijf alhier zeer vriendelijk voor mij geweest is, wensch ik voor het uitwendige op een goeden voet te blijven. Mijnheer Dijk, gelijk van zelf spreekt, weet van niets, en zal, dat beloof ik u, nimmer van iets weten. Ook mevrouw Lidewyde behoort onkundig gelaten te worden van hetgeen tusschen ons verhandeld is, en in geen geval zou ik meer voor haar kunnen doen dan hetgeen zij tot hiertoe door mij verkregen heeft. In een woord, het zal mij bijzonder aangenaam zijn, indien aan de scheve positie, waarnaar ik mij uit vriendschap voor mevrouw Dijk eene poos gevoegd heb, zoodra mogelijk een einde komt."

Nog nooit had André in éénen adem zoo vele onwaarheden op elkander gestapeld als in dit antwoord van hem aan Sarah. Dat Sarah hem op den inval had gebragt om voor de leus aan Lidewyde het hof te maken; dat hij daarover met Emma gesproken en Emma's toestemming op dat gedrochtelijk plan verworven had; dat hij in zijne verhouding tot Ruardi geene verandering wenschte te zien komen; dat hij hoe eer hoe liever ontslagen wilde worden van zijne geheime verstandhouding met Lidewyde: dit waren even zoo vele leugens; en Sarah kon, hij gevoelde het aan zijn hart, van al die verzinselen geen woord gelooven. Een uur geleden zou hij zichzelven onbekwaam geacht hebben om in die mate zijn eigen beter-ik geweld aan te doen, en nog daareven, toen Sarah de kamer binnentrad, had hij er op durven zweren dat geene magt op aarde hem immer tot zoo iets zou kunnen bewegen. Toch was de valschheid, waaraan hij thans eensklaps in zijne eigen oogen schuldig stond, slechts eene bevestiging der misdaad waarvoor Emma, gehoor gevend aan een schrander instinkt, hem van den dag zijner komst op Soekabrenti af gewaarschuwd had.

Vanwaar dat men somtijds in weerwil van zichzelven er toe gebragt wordt, de dingen voor te stellen onder een licht, waarvan men zich bewust is dat het daaraan een met de werkelijkheid onvereenigbaren schijn leent?... André zou dan-alleen in staat geweest zijn een bevredigend antwoord op die vraag te geven, indien hij tevens en in de eerste plaats had kunnen verklaren, hoe het kwam dat Emma's beeld in zijne ziel door dat van Lidewyde overschaduwd en verduisterd werd. Helaas, hij wist het niet; en daar hij de oorzaak van het kwaad niet kende, kon hij ook zijne gevolgen niet wegnemen. Waarom werd Theseus ontrouw aan Ariadne? Waarom deed Herakles op den tweesprong eene loffelijke keus? Omdat Herakles Herakles, en Theseus Theseus was.

Doch het zou er met de menschelijke wetenschap treurig uitzien, indien zij, om belangrijk te zijn, onvoorwaardelijk moest kunnen doordringen tot den diepsten grond der dingen. Ook tweede gronden kunnen somtijds belangstelling wekken; en zelfs dan nog bijwijlen bestaat er uitzigt op een wetenswaardig resultaat, wanneer de kennis der oorzaken u te eenemaal ontzegd is en gij u met de ontleding van feiten en overleggingen te vreden moet stellen.

Na eene korte poos—te kort, voor een held—geworsteld te hebben tegen het licht, hetwelk Sarah's dankbetuiging in zijnen geest deed opgaan, was André voor het eerst tot een besluit gekomen. Hij overzag nu den toestand, waarin hij zichzelven gebragt had, en meende wijs, of althans manlijk te handelen, door dien te aanvaarden. Waren zijne eerste antwoorden aan Sarah half ontwijkend geweest, het laatste had de kenmerken van een gevestigd voornemen vertoond. Of de schaduwzijden dier vastberadenheid niet welligt talrijker waren dan hare voordeden; of de strik, waarin hij verward was geraakt, instede van losser te worden, niet van nu af dagelijks meer zou gaan klemmen; of zijn geloof aan Lidewyde's genegenheid voor hem niet de vermetelheid-zelve was; of toe te geven aan dien mogelijken waan niet in den grond der zaak gelijk stond met het opofferen van zijne eerste liefde ter wille van eene andere en mindere,—daaraan dacht hij niet en vroeg zich dat niet af. Hetgeen hem aan zijn onderhoud met Sarah plotseling een einde had doen maken en hem op gemelijken toon den wensch had doen te kennen geven, alleen gelaten te worden, was de volgende redenering geweest:

"Er is tegenspraak tusschen Sarah's beweren, dat Lidewyde mijnen naam niet noemt, en het feit, dat zij zich aanvankelijk krachtiger gevoelt;

"Zoo Lidewyde mij al niet regtstreeks lief heeft, is het nogtans duidelijk dat zij aan mij de voorkeur geeft boven Ruardi;

"Ik wil voortaan niets meer met Sarah te maken hebben;

"Het beste middel om mij van haar te ontslaan, is haar te doen gelooven, dat ik haar plan geheel en al tot het mijne gemaakt en in alles met Emma's voorkennis gehandeld heb.

"Op die wijze zal de eenige persoon, welke thans nog tusschen mij en Lidewyde staat, uit den weg geruimd zijn, en zal het moeten blijken, of ik werkelijk in Lidewyde's oogen niets anders ben als een bruikbare afleider."

Ware dit laatste denkbeeld minder ondragelijk geweest, misschien zou André niet met zulk eene snelle vaart zijn voortgehold op den weg zijns verderfs. Doch tegen eene zoo sterke slingering tusschen hoop en vrees was zijn karakter niet bestand. Stelde hij zich voor, dat de verdorven Ruardi zich eene plaats in Lidewyde's hart had weten te veroveren, dan maakte een onuitsprekelijk gevoel van haat zich van hem meester, en hij zou, indien de dokter zich in zijne nabijheid bevonden had, hem een slag in het aangezigt hebben willen geven. Dacht hij daarbij aan Ruardi's gaven, dan klom, door het gevoel van zijne eigen minderheid, de haat tot woede. Te beseffen dat Lidewyde regt had Ruardi te verwijderen, en tevens te moeten bekennen dat hij zelf in het oog der wereld niet in Ruardi's schaduw kon staan, was in de hoogste mate smartelijk. Oneindig pijnlijker nog evenwel was de mogelijkheid, dat Lidewyde van zijne dagelijks aangroeijende liefde voor haar, die zij ongetwijfeld opgemerkt had, alleen gebruik maakte om daarmede haar voordeel te doen, en zij hem met geen ander oogmerk aanmoedigde,—of indien de gesprekken, die zij met hem voerde, indien de bladzijden, die zij hem liet voorlezen, geene aanmoediging waren, wat zou dan immer zoo heeten?—als om zich des te gemakkelijker te kunnen ontslaan van zijnen medeminnaar. Die vrees maakte hem waanzinnig. Zij gaf overmagt op zijn gemoed aan eenen invloed waaraan hij nog nooit onderworpen was geweest; en misschien lag in die demonische verbijstering,—tenzij men liever elke verklaring mist, dan zich op te houden bij eene zoo willekeurige,—de sleutel tot den nieuwen hartstogt, die hem aan Lidewyde ketende. Daarentegen geraakte hij buiten zichzelven van verrukking, wanneer hij zich de andere mogelijkheid voorstelde. Het was een gevoel, duizendmaal verhevener dan het oogenblik, toen hij, een half jaar geleden, voor het eerst van hart tot hart met Emma sprak. Aan Emma's zijde zou hij een bezoek aan de Elyzeesche velden hebben willen brengen; en zonder blozen zou hij, door haar begeleid, getuige zijn geweest van de reine blijdschap der gelukzaligen in het Paradijs. Doch wat zeide zulk eene hemelvaart, al moest dezelfde togt, met Lidewyde ondernomen, in eene hellevaart eindigen? Sommige genietingen, meende hij, waren voor geene vergelijking vatbaar; en indien men hem te dezer ure aan zijn woord gehouden had, zou hij de eeuwige straf geen te duren prijs gevonden hebben voor één kus van Lidewyde's lippen.

Twintigste Hoofdstuk.

Noordduitsche liberalen van vóór den slag van Königgrätz, uit den tijd toen men aan gene zijde van den Rijn nog aan het staatsomwentelend vermogen van politieke maaltijden geloofde, zouden het heden door den heer Dijk in de groote zaal van Soekabrenti aangerigt diner een Zweck-Essen genoemd hebben. Werkelijk bestond het gezelschap, voor zoo ver de heeren betrof, zoo niet uitsluitend dan toch grootendeels uit personen, wier ondersteuning de gastheer voor zijne parlementaire kandidatuur behoefde. Doch in koopsteden heeft de staatkundige wereld een zeer weinig afschrikwekkend diplomatisch voorkomen, en men weet in die kringen de regeling van 's lands zaken gepaard te doen gaan met een ongedwongen behartiging van al de belangen der gezelligheid. Het waren welopgevoede mannen, niet uitermate schrander of geleerd, geene feniksen in het staatsregt, maar doorkneed in hunne mercantile, of industriële of financiële specialiteit; mannen, die, onder den nederigen naam van commissionairs, russische leeningen sloten of americaansche spoorwegen hielpen aanleggen; makelaars in suiker, die niet opstonden voor een paar ton; eigenaars van scheepstimmerwerven, die met het grootste genoegen van de wereld den aanbouw van een volledig gepantserd eskader voor hunne rekening zouden genomen hebben. Huisvrienden van Adriaan Dijk waren zij niet; evenmin als hunne vrouwen of dochters tot Lidewyde's gewone omgeving behoorden. Doch zij vertegenwoordigden dezelfde maatschappelijke belangen als hij, en waren hem genegen omdat zij hem als den regten man beschouwden om in de Tweede Kamer (zoodat zijzelven te huis konden blijven) als orgaan van die belangen plaats te nemen. Die sympathie, niet overmaat van intimiteit, ontboeide wederzijds de tongen. En waarom ontveinsd, dat eene al te gemeenzame bekendheid het middel niet is om talrijke gezelschappen in eene aangename stemming te brengen? Vaak zal men een opgeruimder geest en levendiger gesprekken waarnemen bij lieden, die heden zamenkomen om morgen weder elk huns weegs te gaan, dan onder hen die sedert lang op de hoogte zijn van elkanders wedervaren en de een voor den ander geene geheimen meer hebben. "Men moet twintig jaren uitlandig geweest zijn," heeft iemand gezegd, "om het in een salon vol boezemvrienden twintig minuten te kunnen uithouden."

Toen de maaltijd afgeloopen was, en de dames, met Lidewyde aan de spits en Emma in de achterhoede, zich verwijderd hadden, vroeg Lefebvre het woord en stelde hij, in den vorm eener eindelooze redevoering, welke al de gasten van het sterker geslacht, en André niet het minst, met hooge bewondering voor hem vervulde, den volgende feestdronk in:

"Om te weten, mijne heeren, wie onze vrienden zijn, behooren wij ons eene juiste voorstelling te vormen van onze vijanden. Misprijst het niet, bid ik u, dat ik thans deze kwestie aanroer. Zij raakt ons zamenzijn van nabij.

"De rigting, die wij bestrijden, is geen alledaagsch kwaad, maar een voortwoekerende kanker. Triomfeerde zij, wij zouden niet-alleen in Staat en Kerk en School, in onzen handel en in onze nijverheid den treurigsten achteruitgang waarnemen;—neen, ook ons gezellig verkeer zou gestoord zijn, en eene bijeenkomst als de onze op dit oogenblik, zoo genoegelijk en vriendschappelijk, zou weldra tot de onmogelijkheden behooren.

"Onze tegenstanders hebben een woord gekozen en vastgesteld, waarmede zij deze voorspelling zoeken te brandmerken. Doch mij intimideert hunne aanklagt wegens intimidatie niet. De vrees, beweren zij, is de meest nuttelooze van alle hartstogten; en aan die spraak herkent men hun bestaan. Alleen het nuttige toch heeft waarde in hunne oogen; en vrijpostigheid is hun levenselement. Zouden zij niet anders denken en anders spreken, indien hetgeen zij nuttig noemen in het algemeen, schadelijk bleek te zijn voor henzelven? Zoo ja, ik zou er hen niet minder om achten. De vrees, die zij bespotten, is een trek der menschelijke natuur. Zij is het begin der wijsheid. De mensch is geschapen om te vreezen, even als hij geschapen is om lief te hebben en na te denken.

"Of is het zelfzucht en eigenbaat, indien wij in naam van dit ons zamenzijn waarschuwend den vinger opheffen? Ik loochen het. Wie de gezelligheid verwoest, is een vijand der maatschappij; en het is geen egoïsme, het is ware menschenmin, die ons de maatschappij doet liefhebben. De omwenteling en het despotisme hebben ook dit met elkander gemeen, dat zij in hun gevolg slemppartijen medevoeren. De ingehouden overvloed daarentegen, de gekuischte weelde, zijn een vast kenmerk van een toestand van orde en van eerbied voor de wet. Deze feestelijke tafel, mijne heeren, is meer dan zij schijnt. Zij is het symbool der konservative beginselen. Zij vertegenwoordigt de nationale welvaart, gegrondvest op nationale tucht.

"Zeide ik tucht? In het woordenboek der vrijzinnigheid zult gij die uitdrukking misschien niet vruchteloos zoeken; doch zij is een klank geworden, eene letter zonder geest, eene formule waarvan men zich bedient om zichzelven en anderen te misleiden. Die soort van bedrog is eene specialiteit van de mannen der vrijzinnige rigting. Hun dagelijksch handwerk is, te ploegen met den os van hunne tegenpartij.

"Vraag de liberalen, u den zetel van het gezag te noemen,—zij zullen u op den volkswil wijzen. Beteekent dit, dat zij het ernstig meenen met de heerschappij der menigte? In geenen deele: zij slaan een kruis bij die gedachte. Is dan de vorst hun souverein? Nog veel minder. Zij meesmuilen onder elkander om alle Koningen der aarde; zouden zesendertig gekroonde Hoofden, en meer, voor een droog flanelletje wenschen te kunnen bieden, en gelooven aan geene andere souvereiniteit als die der rede, zeggen zij. Doch met die aangelengde wijsbegeerte is geen praktisch resultaat te verkrijgen, en men regeert geen volk met paragrafen uit een schoolboek. Dit gevoelen zij. En ook weten zij wel, dat onze natie haar woord verpand heeft aan eene dynastie. Vandaar een Janussysteem, waarvan waarheid in staatsbeleid het uithangbord en onopregtheid de geheime kracht is. Zij zweren trouw aan een Vorst, dien zij in hunne binnenkamer minachten en bespotten, en vleijen de ijdelheid eener schare aan wier onmondigheid zij hunne populariteit ontleenen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings