NEMESIS. (continued 2)
Reading edition
Zij was te lang boven gebleven om geheel en al zonder verontschuldiging in de tegenwoordigheid van freule Bertha te kunnen verschijnen; doch indien zij slechts eenmaal beneden was, meende zij, zou haar wel het een of ander invallen tot verklaring van haar gedrag. Intusschen was het in den gang, dien zij volgen moest om den trap te bereiken, geheel en al duister geworden; en ten einde niet te struikelen, of zich niet aan de ouderwetsche gebeeldhouwde linnenkast te stooten, wier vooruitspringende voet schier de helft van het portaal besloeg, nam zij den kandelaar mede, bij wiens schijnsel zij Lidewyde's schrift ontcijferd had. Bij het afgaan van den trap viel, door het wankelen van haren tred, een groote droppel was op de bovenzijde van hare hand; doch zij bemerkte dit eerst, toen het heete vocht reeds gestolten en strak geworden was.
Hoe zwak freule Bertha's oogen bij avond ook waren, zij bespeurde weldra aan Emma's voorkomen, en begreep uit het onwaarschijnlijke der door haar aangevoerde redenen, dat haar iets ongewoons en onaangenaams was wedervaren. Zoo lang evenwel Emma haar daaromtrent geene opheldering gaf, meende zij den schijn te moeten aannemen, alsof zij zonder bevreemding de aangekondigde vijf minuten zich had zien verlengen tot een uur. Om te toonen hoe gevoelig zij voor die bescheidenheid was, nam Emma het boek ter hand, waaruit zij beloofd had, de freule te zullen voorlezen. De eerste bladzijde ging goed, de tweede dragelijk. Doch van lieverlede werd hare stem onvaster, en toen zij de derde bladzijde nog ten einde brengen moest, snikte zij zoo luid en zoo hartstogtelijk, dat hare hoorderes de schepen der diskretie moedig in brand stak.
—"Kom hier, lief kind," zeide freule Bertha, de armen naar haar uitbreidend, "kom hier en zeg mij wat u kwelt."
Alles kon Emma de oude dame niet mededeelen; ten minste niet op eenmaal. En dat wilde zij ook niet. Er viel, ten bate van André, een wanhopige schijn te bewaren, en aan die verpligting mogt niet te kort gedaan worden. Doch wat het ongelukkige meisje ook achterhield en de brave freule ook raden moest,—toen zij elkander "goeden nacht" kusten, geloofde geen van beiden dat die wensch in vervulling zou gaan. Wakker liggen; de trage uren tellen; zich nu het een dan het ander in het hoofd halen; het gelaat in de kussens verbergen met het stellige voornemen om te gaan slapen; geene minuut later weder overeind zitten om nogmaals en vruchteloos een nieuw antwoord op de oude vragen te zoeken; het aanbreken van den dag verbeiden, en nogtans weten, dat ook het rijzend licht niet in staat zal zijn de benaauwde schaduwen te verdrijven,—zoo zal het wezen, dacht de vrouw van leeftijd; daarop zal het nederkomen, voorspelde zich het jonge meisje. En met een hart vol zorgen,—vlijmende zorgen, waarmede hier beneden alleen de vriendschap en de liefde teisteren,—begaven beiden zich naar hare slaapkamers.
Sommige nachten zijn zoo droog als de Noctes Haganae van onverschillig welken rector der latijnsche scholen in het 's Gravenhage der 18de eeuw; andere zoo amusant als de Florentinische van dokter Ruardi's lievelingsauteur. Doch zoo min in het leven als in de litteratuur is alles òf grappig òf vervelend. In beiden doet ook de weemoed zijne regten gelden; en het is voor de bedroefden,—voor hen en voor haar die in Emma's geval verkeeren, toen zelfs de ten hemel geslagen blik van het Ecce Home-beeld, waarop in het fantastisch uur haar slapeloos oog zich vestigde, geen antwoord gaf op de vraag, waarom André haar bedrogen had,—voor haar en voor hen is het, dat Musset in eene zijner Nuits die strofe vol zuchten en tranen gedicht heeft:
Partout où j'ai voulu dormir, Partout où j'ai voulu mourir, Partout où j'ai touché la terre, Sur ma route est venu s'asseoir Un malheureux vêtu de noir Qui me regardait comme un frère.
Dat lied der eenzaamheid, Emma zou het dien nacht gezongen hebben, indien elke andere aandrift voor haar op dat oogenblik niet natuurlijker geweest dan die tot zingen. Zij dacht aan niets als aan hare laatste wandeling met André in het Park. Wie haar toen had willen diets maken dat de man, in wiens arm de hare rustte, weinige uren later door eene andere vrouw zou worden verwelkomd,—zij had hem een lasteraar genoemd. Ware de onbescheidene zelfzuchtig genoeg geweest, door het aanvoeren van bewijzen zich te willen zuiveren van die blaam,—de minste menschen kunnen het denkbeeld verdragen, voor logenaars te worden aangezien, en wanneer zij kiezen moeten tusschen hunne eigene rechtvaardiging en uwe smart vergeten zij ligt de voorschriften der edelmoedigheid,—niet-alleen zou zij uit kieschheid geweigerd hebben toe te luisteren, maar de aantijging zou bij haar zijn afgestuit op een stalen ongeloof. Hoe jammerlijk was haar vertrouwen beschaamd geworden! Hetgeen toen monsterachtig zou geluid hebben, was nu eene werkelijkheid. Zij waakte, zij schreide, zij bad, zij bracht de handen aan hare slapen om niet waanzinnig te worden van verdriet,—terwijl Lidewyde's vingeren met de lokken van haren bruidegom speelden.
Zevende Hoofdstuk.
—"Vroeg dag geweest van ochtend," zeide freule Bertha's koetsier tot den ouden Floris, die nevens hem op den bok zat.
Floris antwoordde niet.
—"Vroeg dag geweest," herhaalde Hendrik, niet gewoon vóór twaalven te rijden, doch heden, ofschoon het uur van negenen nog slaan moest, reeds voor de tweede maal achter de paarden, eerst om Emma naar den spoortrein, daarna om freule Bertha-zelve naar Soekabrenti te brengen.
—"De jufvrouw zag er erg ontdaan uit," ging Hendrik voort, vast besloten Floris aan de praat te krijgen.
—"Hendrik," antwoordde Floris in het eind, niet willende dat zijn kameraad, door geheel en al onkundig te blijven, misschien achteraf nog veel onbeteugelder zou gaan babbelen, dan hij ongetwijfeld nu reeds doen zou, "er is in de familie van jufvrouw Emma eene treurige omstandigheid voorgevallen, zoodat de jufvrouw op stel en sprong naar huis moest; en de freule heeft beloofd, daarvan onmiddelijk mededeeling te zullen gaan doen aan mevrouw Dijk, met verzoek, er mijnheer André op te willen voorbereiden. Daarom zijn we van daag zoo in de vroegte. Pas gister-avond laat is de tijding ontvangen. Ik heb zelf den brief binnen gebragt."
—"Dat je den brief zelf hebt binnen gebragt," zeide Hendrik, dankbaar maar onvoldaan, "zal ik niet tegenspreken, want ik ben er niet bij geweest; maar ik vind het casueel, zoo als Jakob van den dokter om het andere woord pleegt te zeggen, dat wij om die reden op dit uur naar Soekabrenti moeten."
—"Ik heb je al meer gezegd, Hendrik," antwoordde Floris, die den aanval op het korps der vesting trachtte te ontwijken, door uit een der afgelegen buitenwerken een uitval te beproeven, "dat je verkeerd handelt door de kennis met dien Jakob aan te houden. Ik houd hem voor een gemeenen kerel."
—"Dat's tot je dienst," zeide Hendrik. "Je bent de eenige niet, die zoo over hem denkt; en als je niet te oud waart om zondagsavonds in het Fonteintje te komen dansen, zou je misschien nog wel erger over hem gaan denken."
—"Al kon ik er morgen twintig jaar mede worden," viel Floris hem driftig in de reden, "ik zou geen voet in jelui vervl—Fonteintje willen zetten. Dat je er zelf komt, laat ik daar; je bent jong gezel en de jeugd moet 'er tijd hebben, zeggen de menschen; ofschoon dat mijn leer niet is. Maar dat de vader van een huis vol kinderen zulke plaatsen bezoekt, is schande; en daar je meê verkeert, wordt je meê geëerd."
—"Dat wordt je," antwoordde Hendrik, met de oogen knippend, "en dat is de reden, zeggen ze, dat jufvrouw Emma niet langer verkeeren wil met mijnheer André. Of heb ik het mis?"
Floris zag hem verbijsterd aan. Tot zijn leedwezen bemerkte hij, dat de koetsier hem niet zoozeer uitgehoord had ten einde iets nieuws, maar alleen om van hem de bevestiging te vernemen van hetgeen hij reeds wist of op goede gronden giste. Het was nu evenwel geen tijd om Hendrik zoo ernstig onder handen te nemen als de zaak het verdiende. Daar reden zij de laan van Soekabrenti op, Floris moest bij de hand zijn om het portier te openen voor freule Bertha.
-"Zoodat gij niet voornemens zijt het bedreven kwaad op eenigerlei wijze goed te maken?" vroeg freule Bertha oprijzend, nadat zij een uur lang vruchteloos beproefd had Lidewyde òf eene bekentenis, òf eene toezegging te ontlokken.
Lidewyde was op dit of een dergelijk bezoek voorbereid geweest, en de gevoelens der oude dame waren haar te gemeenzaam bekend, dan dat zij langen tijd naar hare antwoorden zou hebben behoeven te zoeken. Bij tusschenpoozen evenwel, en ook nu weder, hield zij zich, alsof freule Bertha's vragen met de meeste naauwgezetheid door haar overwogen werden. In stede van het voorbeeld harer bezoekster te volgen en insgelijks op te rijzen, bleef zij zitten leunen in haar fauteuil, en zeide op nadenkenden toon, als iemand, die er in het minst geen belang bij heeft een aangevangen onderhoud vóór den tijd af te breken:
—"Neen, freule, ik ben inderdaad niet voornemens iets te doen van hetgeen gij bedoelt. Dat zou geene houding hebben en tot niets leiden. Doch ik herhaal wat ik daareven zeide: indien tusschen ons omtrent deze zaak eenig misverstand bestaat,—en ik erken, dat dit het geval is,—komt het alleen hieruit voort, dat dezelfde gebeurtenis door u als een kwaad wordt aangemerkt, en door mij niet zoozeer. Is het een kwaad, dat Emma eenige tranen stort? Dat hare ouders en die van André eene teleurstelling ondervinden? Ik kan het niet inzien. Spiegelen wij ons aan de natuur, die den mensch geene enkele smart bespaart, en laat ons niet wijzer willen zijn dan zij!"
—"Dat zijn drogredenen, Lidewyde, door u aangegrepen met het oogmerk om uwen misstap te vergoêlijken. Hoe kunt gij uwe handelwijze natuurlijk noemen? Is het natuurlijk, dat gij uwen man en uwe vrienden bedriegt? Dat gij droefheid brengt over het hoofd van personen, die, zooals Emma's ouders, u nooit het geringste leed berokkend hebben? Ik ken een anderen naam voor dergelijke handelingen."
—"Gij verstaat mij verkeerd, freule, en de beteekenis, die door ons aan dezelfde woorden gehecht wordt, verschilt. Men spreekt van oorlog, van pest, van hongersnood; doch neem nu eens het alle dagen zich herhalend verschijnsel van het sterven; neem de verpligting, waaronder een onnoemlijk aantal menschen liggen om te moeten werken voor hun brood. De een moet, om aan den kost te komen, veertien uren daags den vernederendsten arbeid verrigten, de ander zijne aangeboren talenten begraven, een derde zijn geweten verkrachten of zijne overtuiging verkoopen. Doch zoo is de wereld nu eenmaal zamengesteld."
—"Ik weet niet, Lidewyde, wat gij met dergelijke redeneringen bedoelt. Voorheen spraakt gij anders, en ik zou nooit gedacht hebben, dat het u in die mate aan gemoed ontbrak. Wat mij betreft, ik ben met geen ander oogmerk hier gekomen als om u te verzoeken, gebruik te maken van uwen invloed op André. Weigert gij mij die dienst, dan heb ik verder niets te zeggen."
—"Altoos hetzelfde misverstand, freule! Gij kondt even goed van mij verlangen, dat ik een einde maken zal aan de dienstbaarheid van mijn koetsier of aan de afhankelijke positie van Sarah. Ik heb dat niet in mijne magt. En al kon ik iets dergelijks uitwerken, dan nog zou ik van oordeel zijn, dat Emma's verdriet niet in de eerste plaats in aanmerking komt. Sarah is in mijne oogen veel ongelukkiger dan Emma, en het ongelukkigst van al vind ik Marcelis. Niets is onwaarschijnlijker, niet waar? dan dat Marcelis te eeniger tijd in beter doen komen zal; nogtans moet hij van den ochtend tot den avond tuigen poetsen, rijtuigen schoonmaken en op den bok zitten. Doch houd mij de aanmerking ten goede,—het behoort tot de zwakke zijde van uwe filanthropie, voor zulke tragediën geen oog te hebben."
—"Ik erken," zeide de freule, met een bitteren glimlach, "dat uwe filanthropie geen gevaar loopt, voor zwak te worden aangezien. Foei, Lidewyde, hoe kunt gij er behagen in scheppen, u zoo geheel anders voor te doen als gij zijt? Op uwe christelijke barmhartigheid zal ik mij niet beroepen: gij zoudt in staat zijn mij uit te lagchen. Maar ik kan niet gelooven dat gij enkel als vrouw, hoe hardvochtig de behaagzucht u moge gemaakt hebben, geene deernis gevoelen zoudt met een meisje in Emma's toestand."
—"Toch wel, freule. Ik ben niet overtuigd dat uwe barmhartigheid eene deugd is, in den zin van eene kracht. En nu gij van christelijk spreekt, grijp ik de gelegenheid aan om u ronduit te zeggen, dat ik mij hoe langer hoe minder in uwe denkwijze te huis gevoel."
—"Die mededeeling kondt gij sparen. Ik geloof niet, dat uwe antipathie mijne denkwijze tot schande strekt."
—"Meen niet, freule, dat mijn oogmerk is, u persoonlijk te grieven; mijn toeleg is veeleer u een kompliment te maken. Doch laat mij u mogen vragen, of de christelijke godsdienst niet bij uitsluiting geschikt is om over het vreugdeloos bestaan van personen zeker waas van poëzie te werpen? U houd ik voor eene voorbeeldige christin, en van Emma zal, naar ik voorzie, over dertig of veertig jaren, hetzelfde kunnen gezegd worden; doch is het christendom eigenlijk wel voor iets anders bestemd, als om—ik spreek niet van uzelve—vrouwen die in het geval verkeeren, waarin Emma dan verkeeren zal, te verzoenen met haar lot? Mijne bedoeling met die vraag is natuurlijk niet de waarde van uw geloof te verkleinen,—daarvoor is het aantal der gekontrariëerde vrouwenlevens te groot,—maar alleen u duidelijk te maken, dat voor mij geene reden bestaat, om, in strijd met mijn beter oordeel, gevolg te geven aan uw beroep."
—"Mijn geloof, Lidewyde, staat te hoog om door uwen schimp getroffen te kunnen worden, en ook zonder dat ik het behoef te regtvaardigen, veroordeelt het u. Wat mij veroordeelt en beschaamd doet staan, is, dat ik u zoo lang gekend heb zonder u te doorzien. Op mijne knieën zal ik om vergiffenis voor die kortzigtigheid smeeken tot denzelfden Heer, die Zijn aangezigt van u afgewend en u overgegeven heeft aan uwe verdorvenheid. Ook voor u zal ik tot Hem bidden, want Hij is magtig genoeg om zelfs steenen harten te kunnen verbrijzelen. Wordt mijn gebed verhoord, dan ziet gij mij weder; eer niet. Er bestaat van dit oogenblik af geenerlei betrekking meer tusschen ons. Wees de heidin van uwe keus, indien gij dat voor uw geweten verantwoorden kunt; doch zoo eene vrijdenkster te zijn voor u beteekent geen hart en alleen driften te hebben, verboden minnarijen te onderhouden, den naam te onteeren van den man aan wien gij duizend verpligtingen hebt, jongelieden in het verderf te storten en ouden van dagen in het aangezigt te slaan,—zoo dat de vrucht is dier hoogere beschaving, waartoe gij beweert opgeklommen te zijn, weet dan dat mijn bijgeloof en mijne wanbegrippen te fier zijn om zich af te geven met uwe wijsheid."
—"Freule Bertha! Freule Bertha!" riep Lidewyde, eindelijk oprijzend, toen de freule haar niet zonder digniteit den rug toekeerde en het vertrek wilde verlaten.
—"Wat is het, Lidewyde?" vroeg zij, het hoofd naar haar omwendend en haar aanziende met een bestraffenden blik.
Gelukkig voor haar en voor hare waardigheid verried niets in dien blik de schemering van hoop, die Lidewyde's roepen in haar binnenste had doen opflikkeren. Wel ver toch dat Lidewyde haar als eene berouwvolle zondares te gemoet zou gegaan zijn, of voor het minst eenig leedgevoel zou getoond hebben over hare onbeschaamdheid, ontving zij van haar een laatsten slag door de wedervraag:
—"Ik wenschte van u te vernemen, freule, wat ik, nu Emma vertrokken is, aanvangen zal met André?"
Achtste Hoofdstuk.
De persoon, wiens naam in het voorgaand hoofdstuk het laatst genoemd is, droeg van datgene, waarin hij zelf zoo van nabij betrokken was, nog geene kennis. Hij was een ochtendzwerftogt gaan doen, doch niet in de rigting der stad; anders zouden freule Bertha en hij elkander misschien tegengekomen zijn, hij te voet en zij in haar rijtuig, en zou die vroege togt der oude dame naar Soekabrenti hem welligt op het denkbeeld gebragt hebben van iets buitengewoons. In weinige dagen toch was het reeds zoo ver met hem gekomen, dat, zonder dergelijke uitwendige aanleiding, de toestand van aan waanzin of dronkenschap grenzende verblinding, waarin hij verkeerde, hem niet meer helder worden kon. Doch de diepe sluimer van zijn geweten werd door geene enkele ontmoeting gestoord; hij volbragt zijne wandeling, gelijk hij dat gisteren of eergisteren gedaan zou hebben; droeg zorg den terugtogt dus te nemen, dat hij van de andere zijde de stad weder binnenkomen kon, en schelde omstreeks hetzelfde uur, waarop hij meermalen in het voorbijgaan een bezoek aan Emma gebragt had, aan de woning van freule Bertha.
—"Vertrokken?" vroeg hij, met de uiterste verbazing, toen Floris hem aangediend had en hij bij de vrouw des huizes toegelaten was. "Is Emma vertrokken? Waarom? Waarheen? Hoezoo? Heeft zij geene boodschap voor mij achtergelaten? Geen briefje? Kon zij niet gewacht hebben totdat ik met haar gesproken had?"
—"Mijnheer Kortenaer," antwoordde freule Bertha, wier gevoelig hart tegen dezen toon met kracht in opstand kwam, "indien gij tegenwoordig waart geweest bij het onderhoud dat ik een uur geleden met mevrouw Dijk gehad heb, zoudt gij op dit oogenblik niet tegenover mij zitten. Of heeft een regtvaardig God ook uw hart verstokt, even als dat van Lidewyde? Eene boodschap voor u, of een briefje van haarzelve, heeft Emma niet voor u achtergelaten, neen; doch ziehier hetgeen door eene verraderlijke en onreine hand haar gisteren toegezonden is."
De freule opende hare schrijfcassette, die nevens haar op de tafel stond, en reikte André het medaljon over, met het daarbij behoorend biljet van Lidewyde. Emma had eerst niet gewild, dat zij die voorwerpen behouden zou, doch was geëindigd met toe te geven.
André herkende aanstonds, even als Emma gedaan had, de hand van Lidewyde. Hij herkende ook het medaljon met het fijne zwartzijden koord. Ten overvloede bragt hij werktuigelijk de hand aan zijne borst, ten einde zich te vergewissen dat het door Emma achtergelaten voorwerp inderdaad hetzelfde was dat hij in de laatste dagen getrouwelijk om den hals gedragen had. Gisteren nog, herinnerde hij zich, of anders eergisteren, was het medaljon op de gewone plaats bevestigd geweest; doch het was verdwenen, en thans hield hij het, daar viel niet aan te twijfelen, in zijne hand. Hij bezag het eene wijl aan de voor- en achterzijde, nam toen het papier nog eens op, waarin het gewikkeld was geweest, en herlas met aandacht de daarop door Lidewyde gestelde woorden.
Doch meent men dat òf de aanblik der achtenswaardige vrouw tegenover hem, òf het overtuigend bewijs der onverantwoordelijkste handelwijze, waarop zijn oog thans rustte, hem verlegen maakte? In geene deele. Misschien is het jammer, maar het is zoo, dat de stem van het geweten en de vrees voor het vonnis der wereld luider bij ons spreken, wanneer onze verkeerde neigingen om zoo te zeggen nog in de periode der kindsheid verkeeren, dan wanneer zij reeds zekeren graad van consistentie verkregen hebben; zoodat twee van onze beste schutsvrouwen tegen de verleiding, helaas, magteloozer worden, naarmate wij dringender behoefte zouden hebben aan hare bescherming. André's hartstogt voor Lidewyde was te sterk en tevens te onzuiver, dan dat freule Bertha's welmeenend bedoelde ontmaskering een noemenswaardigen indruk op hem zou hebben gemaakt.
—"Is uw wensch, freule, dat ik deze voorwerpen bij mij steken en medenemen zal?" vroeg hij, zijn zakportefeuille voor den dag halend.
—"Neen, mijnheer; mijn wensch is integendeel, dat gij ze mij onmiddelijk teruggeven zult. Althans, zoodra gij u met eigen oogen overtuigd zult hebben van uwe trouweloosheid. Foei, mijnheer Kortenaer, ik zou u niet in staat hebben geacht tot eene zoo laaghartige handelwijze!"
Met eene zwijgende buiging reikte hij freule Bertha het medaljon en het briefje over, greep zijnen hoed, en verliet, met eene aan fierheid grenzende koelbloedigheid, het huis, waaruit Emma door hem verjaagd was.
Hij vond het vervelend, ja, dat eene oude jonge jufvrouw, die hij daarenboven voor eene langtong hield, nu kennis droeg van zijne hartsgeheimen. Klapte zij uit de school, dan zou hem dit in sommige moeijelijkheden kunnen wikkelen. Die gedachte deed hem evenwel niet blozen of verschrikken, maar alleen de wenkbraauwen fronsen; en weinig scheelde het, of van ongeduld had hij op de openbare straat met den voet gestampt. Doch verder ging voorshands zijne bezorgdheid niet. Stond het Lidewyde fraai, achter zijnen rug het leven der goede Emma te verbitteren? O neen. Door den teugel te vieren aan hare antipathie, had Lidewyde eene verhouding onmogelijk gemaakt, die hij, wat hem betrof, gaarne zoo lang mogelijk zou hebben zien voortduren. Doch aan den anderen kant streelde het in de hoogste mate zijne gevoeligheid, dat Lidewyde prijs stelde op het onverdeeld bezit van zijn persoon. Dit was een triomf waarvan hij weinige dagen geleden zelfs niet zou hebben durven droomen. Daarbij kwam dat Lidewyde, in de zaak van het medaljon, hem toescheen meer uit onwetendheid dan met opzet gezondigd te hebben. Zij kon niet weten, dat Emma aan dat kleine voorwerp eene zoo groote waarde hechtte. Hijzelf althans kon zich alleen herinneren haar gezegd te hebben, doch zonder meer, dat het medaljon van Emma afkomstig was. Er was derhalve geene boosaardigheid in het spel geweest, maar er had een noodlottige zamenloop van omstandigheden plaats gehad.
Evenwel, er moest nu in sommige opzigten raad geschaft worden. Met zijn engagement was het gedaan, dat sprak van zelf. Emma,—daaromtrent maakte hij zich geene hersenschimmen,—Emma had eene soort van onafhankelijkheid over zich, die het gemakkelijker was te vertreden dan te buigen. Hare ouders zouden in geen geval gedoogen, dat hij òf hen, òf haar immer weder onder de oogen kwam. Ook zijne eigen ouders kwamen in aanmerking. Zij moesten niet in de waan kunnen verkeeren, dat hij den verkeerden weg was opgegaan, even als zijn broeder Lodewijk, die gestolen had; hetgeen geheel iets anders was. Vooral zijn vader, die hem steeds een goed hart had toegedragen en van wien hij veel vriendschap ondervonden had, moest weten, dat de schuld slechts gedeeltelijk aan hem, André, lag, en dat, al had zijn engagement nog eene poos geduurd, en al was hij ten slotte met Emma getrouwd, Emma toch nimmer eene geschikte vrouw voor hem zou geweest zijn. Hij zou onmiddelijk werk maken van een uitvoerigen brief naar huis, waarin hij een en ander duidelijk uiteenzetten zou.
En wat zou de wereld zeggen, indien het uitkwam dat het afspringen van zijn huwelijk met Emma het gevolg was van zijnen hartstogt voor Lidewyde? Men zou er zoogenaamd schande van spreken, dat hij een lief en onschuldig jong meisje opofferde of aan eene getrouwde vrouw. Doch wat bekommerde hij zich daarom? Lidewyde's liefde was hem genoeg, en voor Lidewyde's rust vreesde hij niet. Zij was te gevat en te vindingrijk, dan dat zij de openbare meening niet gemakkelijk op een dwaalspoor zou weten te brengen; en al gelukte haar dit niet, zoodat het geheim hunner betrekking verraden werd, ja zelfs al zou eene openbare breuk met een ondragelijk echtgenoot het gevolg daarvan zijn,—welnu, die scheiding zou haar vrij en hem, André, tot den gelukkigste der stervelingen maken.
Toen hij tot zoover met zijne overdenkingen gevorderd was, had zijn weg door de stad hem naar de Groote Markt gevoerd, waar de omnibussen naar Zeeburg afreden. Juist sloeg de klok van het stadhuis twaalf ure, en de schetterende trompet van een kondukteur kondigde aan, dat een der voor het Badhuis bestemde wagens zich in beweging zou gaan zetten.
"Door thans naar Soekabrenti terug te keeren," zeide hij bij zich zelven, "zou ik daar zoo goed als zeker te gelijk met Dijk aankomen, of in geen geval vroeg genoeg om rustig met Lidewyde te kunnen spreken. Ook moet ik eerst nog eens bij mij zelven overleggen, hoe ik dien brief aan den ouden heer inkleeden zal. Weet gij wat? Ik zal te Zeeburg gaan ontbijten. Dat zal mij goed doen. Eerst een bad, dan wat eten, dan met de eerstvolgende omnibus naar de stad terug,—zoodoende ontloop ik Dijk, vind Lidewyde alleen, heb eene explikatie met haar, en regel daarnaar mijn brief."
Er was overvloed van plaats in de omnibus, en de enkele passagiers, in wier gezelschap hij den rid naar Zeeburg maakte, schenen even weinig lust te hebben om met hem in gesprek te komen als hij met hen. Ook de groote zaal van het Badhuis vond hij bij zijne aankomst bijna verlaten. De meeste badgasten waren reeds vroeger te water geweest en deden nu een dutje in hunne slaapkamers, of kleedden zich om in den namiddag naar de stad te gaan. Hij bestelde vooruit een ontbijt, kocht een kaartje en begaf zich naar het strand. De heeren en dames, die hij daar nog aantrof, boezemden hem weinig belangstelling in. Het waren gewone badgasten van beiderlei geslacht, de mannen met schotsche plaids om de schouders, de vrouwen blootshoofds en met loshangende haren. Bekende aangezigten ontmoette hij niet. Ook in de babbelkoetsen op het terras had hij in het voorbijgaan niemand opgemerkt, dien hij zich herinneren kon gedurende zijn verblijf te M. wel eens gezien of gesproken te hebben. Men waarschuwde hem dat eene badkoets beschikbaar was; meer verlangde hij op dit oogenblik niet.
Le bain creuse, zeggen de Franschen; en wie André, na afloop van het zijne, in een hoekje der groote zaal had zien ontbijten, zou zich in zijn geloof aan de juistheid van dat gezegde niet geschokt gevoeld hebben. Nogtans was de graagte, waarmede hij zijne koffij verorberde en zijne lamskoteletten at, niet uitsluitend van stoffelijken oorsprong, maar tegelijk een symbool van hetgeen in hem omging. Dezelfde golven, dacht hij, waarin hij daareven geplast en zich alle vooroordeelen van het lijf, alle muizennesten uit de haren gespoeld had, hadden menigmaal ook de schoone ledematen van Lidewyde overstelpt. Lidewyde in het bad; Lidewyde nederduikend in het bruischend water of de brekende golf opvangend met haren schouder,—die voorstelling verschafte aan zijne fantasie niet minder en geen onaangenamer werk dan de aangerigte disch aan zijn verhemelte. Dat zulk eene vrouw, zoo schoon en zoo schrander, haar goeden naam in zijne hand gesteld had; dat hij alles van haar gedaan kon krijgen; dat zij zoover ging van zich naijverig te toonen op hare eigen heerschappij over hem,—die wetenschap was bijna grooter weelde dan hij dragen kon. In zijne opgewondenheid riep hij den knecht en bestelde eene halve flesch sherry.
—"Een glas sherry? Asjeblieft, mijnheer!"
—"Verstaat gij mij niet? Ik vroeg een halve flesch."
—"Asjeblieft, mijnheer!"
Sedert dien namiddag, dat hij met Dijk ontbeten en daarna in spijt van Sarah's waakzaamheid binnengedrongen was in zekere vertrekken, had een glas wijn hem zoo goed niet gesmaakt. Hij dronk een tweede en derde glas. Bij het vierde knipte hij met het linkeroog, bragt het vonkelend goudkleurig vocht aan zijn regter, liet het licht er in spelen, en zou lust gevoeld hebben een toast in te stellen op zijnen oom, den oud-minister, die hem met Lidewyde in kennis had gebragt.
Doch wiens stem weêrklonk daar in het galmend voorhuis, wie trad de zaal binnen en vroeg overluid aan den kellner, of hij mijnheer Z. (een der badgasten) voor eene wijl geen belet doen zou? Ja waarlijk, hij was het! Niet oom Timmermans, hetgeen in hooge mate onwaarschijnlijk geweest zou zijn, maar dokter Ruardi, wat niemand verwonderen kon en alleen op dit uur tot de zeldzaamheden behoorde; dokter Ruardi, die op het zien van André eensklaps al zijne opgeruimdheid scheen te verliezen en over wiens welwillend gelaat zich plotseling eene uitdrukking van haat en wraakzucht verspreidde, gelijk men aan onze noorderstranden en bij onze meer flegmatieke landgenooten slechts zelden in de gelegenheid is waar te nemen.
André's goede luim daarentegen steeg, toen hij den dokter herkende, nog hooger dan te voren. In een oogwenk was hij opgerezen, maakte zich met eene bewonderenswaardige gemakkelijkheid meester van den ongenaakbaren Ruardi, troonde hem met zich mede naar zijn tafeltje, deed alsof 's dokters onwil in het geheel niet door hem werd opgemerkt, en legde over deze ontmoeting eene in den aangenamen zin des woords zoo contagieuse blijdschap aan den dag, dat men met alle goede manieren gebroken zou moeten hebben om zijne demonstratien van ingenomenheid niet voor het minst met een schijn van vriendschap te beantwoorden. Het kostte Ruardi te minder inspanning dien glimp aan te nemen, omdat, indien André zijne redenen had om aldus openlijk over hem te triomferen, hij de zijne meende te hebben om te gelooven dat André's uitgelatenheid van korten duur zou zijn.
—"Dokter," zeide André op emfatischen toon, als moest de feestdronk, dien hij daareven zou hebben willen instellen, hem thans onder een anderen vorm van het hart, "het doet mij onbeschrijfelijk veel genoegen, uw aangezigt te aanschouwen. Mag ik u een glas wijn aanbieden? Jan, een glas!"
—"Waarlijk niet, mijnheer Kortenaer. Het maderaklokje heeft voor mij nog niet geslagen."
—"Zoo als gij wilt, dokter. Op eene verpligting meer of minder, komt het niet aan. De mijne aan u zijn talloos. Nimmer, dat zweer ik, zal ik vergeten wat gij voor mij geweest zijt en gedaan hebt. Wanneer ik betuig in u een ouderen broeder en te gelijk een voortreffelijk leermeester gevonden te hebben, zeg ik inderdaad niet te veel. Op uwe gezondheid, dokter, en dat gij voort moogt gaan eenig genoegen aan mij te beleven!"
—"Laat ons minder luid spreken, mijnheer Kortenaer," fluisterde de dokter. "Wij hebben wel geene geheimen te verhandelen, maar het zou niettemin kunnen gebeuren, dat personen, wien onze zaken niet aangaan, ons beluisterden. Gij houdt mij die opmerking ten goede, niet waar? Een medicus moet zich op publieke plaatsen somtijds meer in acht nemen dan hem lief is."
—"Ik begrijp u volkomen, dokter," antwoordde André, eenige oktaven lager dan daareven, doch met dezelfde hartelijkheid. "Het is alleen de medicus in u, die zoo spreekt. Als mensch zou het u slechts tot de hoogste eer kunnen verstrekken, indien de geheele wereld u beluisterde. Herinnert ge u ons eerste gesprek, daags nadat Adriaan Dijk de goedheid had gehad mij aan u voor te stellen? Zoo in eenig oogenblik van mijn leven eene onzigtbare hand in mijne ziel de kiem gelegd heeft van een ander en hooger bestaan, is het dien onvergetelijken dag geweest."
—"Gij schertst, mijnheer Kortenaer!"
—"Toch niet, dokter. Voorheen geloofde ik niet aan den invloed van priesters op mannen, en wanneer ik op de straat, of buiten, een predikant ontmoette, nam ik den hoed af en dacht bij mijzelven: "Geef kinderen zoeten koek, en vrouwen zoeten most." Doch sedert mijn gelukkig gesternte mij naar M. gevoerd en met u in aanraking heeft gebragt, ben ik van dat vooroordeel voor goed teruggekomen. Gij ziet in mij den katechumeen, die er in roemt en er zich op verhoovaardigt, van u zijne wijding ontvangen te hebben."
—"Uwe uitdrukkingen zijn zoo dichterlijk, mijnheer Kortenaer, dat ik met den lakonieksten der staatslieden, toen een poëet hem zijne politieke beschouwingen voordroeg, zou wenschen te zeggen: "Ik bid u, mijnheer, laat ons op de aarde blijven!" Waarlijk, gij overdrijft schromelijk de geringe diensten die ik u mag bewezen hebben. Zijn mijne inzigten naar uwen smaak, het is mij aangenaam; doch houd in het oog, dat de eenige denkbeelden, waarmede men in deze wereld verder komt, die zijn, waarvan men zelf de uitvinder is."
—"Hetgeen gij daar zegt, dokter, is weder zoo fijn gedacht en zoo keurig uitgedrukt, dat mijne ingenomenheid met u er volkomen door geregtvaardigd wordt. Vrees echter niet, dat gij in mij met een dier onwaardige discipelen te doen hebt, die hunnen meester slechts napraten."
—"Waarde heer," zeide Ruardi, die nu zijne contenance niet meer verloor, "niemand kan omtrent uwe originaliteit een gunstiger meening koesteren dan ik; en tenzij er ook eene oorspronkelijkheid gevonden wordt, die zich vergenoegt met nalezingen te houden,—hetgeen met zichzelf in tegenspraak zou zijn,—weet ik inderdaad niet hoe men billijkerwijze op het denkbeeld zou kunnen komen, u van gebrek aan zelfstandigheid te beschuldigen."
—"Ten opzigte van uw onderwijs althans, dokter, zou die aantijging onverdiend zijn," antwoordde André. "Want het is juist omtrent eene van uwe treffendste uitspraken, dat ik mij hij nader inzien verstout heb, met u van meening te gaan verschillen. Herinnert gij u?... Maar gij, die dagelijks zulke gesprekken voert, en, waar het op geestige en welsprekende aforismen aankomt, u de weelde moogt veroorloven een enfant prodigue te zijn..."
-"Nog eens, mijnheer Kortenaer, gij vergeet dat het voorwerp van uwen lof tegenover u zit. Hoe zou de kellner mij uitlagchen, indien hij de vlugt van uwe oden volgen kon! Gelukkig voor mij dat er waarheid is in het spreekwoord: men moet niemand prijzen vóór zijnen dood."
—"En waarom zou men u niet prijzen bij uw leven, dokter? Toen gij de eeredienst der vrouwen het aangewezen middel noemdet om onzen landaard die hoogere vorming te doen bereiken, waarvan de tegenwoordige tijd eene levensvoorwaarde maakt, waart gij de profeet der 19de eeuw voor Nederland. Mij ten minste heeft dat denkbeeld eene geheel nieuwe toekomst geopend, en ik zou alles willen opofferen om het in praktijk te leeren brengen. Onze kunst, onze litteratuur, onze over het paard getilde voorouders, den eenoogigen grondlegger van mijn geslacht niet uitgezonderd,—onze geheele volkshistorie doe ik u prezent."
—"Vrijzinniger kan het niet, mijnheer Kortenaer," zeide de dokter, "en ik zou geheel en al ontrouw worden aan mijzelven, indien ik u met die verandering van zienswijze niet van harte geluk wenschte. Doch uwe bruid zou inderdaad reden hebben mij te haten, indien ik eene dankbetuiging aannam, waarop buiten haar niemand regt heeft. Hoe vaart jufvrouw Emma? Hebt gij haar van ochtend reeds een bezoek gebragt? Ik moet verschooning vragen, dat ik eerst nu naar haren welstand verneem; doch erken, waarde heer, dat gij mij tot hiertoe geene gelegenheid gelaten hebt, mij van die aangename verpligting te kwijten."
—"Ik bid u, dokter, bezig het woord verpligting niet. Gij doet uzelven daarmede onregt aan. Ten eeuwigen dage zal ik de schuldenaar zijn van den man, die mij den hartstogt der liefde als den volmaaksten vorm van het menschelijk zijn heeft leeren beschouwen. Doch mag ik u thans op mijne beurt van een vooroordeel genezen? Er waren in Holland geene vrouwen, beweerdet gij, in staat eene neiging in te boezemen, sterk genoeg om u ter wille daarvan alles te doen vergeten. Dat was onbillijk van u. Ik althans mag eene vrouw de mijne noemen, die aan uwen eisch in allen deele voldoet; de levende heldin van den schoonsten roman."
—"En houdt gij mij voor zoo kleingeestig," vroeg Ruardi, "dat ik ter wille van mijne theorien u het genot van dat voorregt misgunnen zou? Ik zou het veeleer bejammeren, indien hetgeen ik gezegd mag hebben van de hollandsche dames in het algemeen, door u was toegepast op jufvrouw Visscher. Van het eerste oogenblik af heeft uwe bruid den aangenaamsten indruk op mij gemaakt, en het verwondert mij in geenen deele dat gij in haar de vrouw van uwe keus gevonden hebt. Zoo ziet gij, mijnheer de ingenieur, dat men tezelfdertijd een Archimedes in de werktuigkunde en in de liefde kan zijn!"
—"Voortreffelijk, dokter!" riep André, oprijzend. "Een Archimedes in de liefde! Men moet dokter Ruardi heeten om aldus in drie woorden een geheelen toestand te kunnen teekenen. Doch het wordt mijn tijd, en den uwen mag ik niet langer ontrooven. Krijg ik voor de vrouw van mijne keus uwe groeten mede?"
Een oogenblik scheen het, alsof André's moedwil Ruardi op nieuw zijne tegenwoordigheid van geest zou doen verliezen. Doch hij herstelde zich spoedig en antwoordde met zijne gewone minzaamheid:
—"Het zal mij zeer veel eer zijn, door u te worden aanbevolen in de herinnering van jufvrouw Visscher."
Hij volgde André naar buiten en zag hem eene plaats kiezen op den top der huiswaarts keerende omnibus. André groette hem met de hand en hij beantwoordde dien groet op dezelfde wijze. Toen keerde hij zijnen zegevierenden medeminnaar den rug toe en zeide binnensmonds:
—"Indien Dijk zichzelven gelijk blijft, zal vriend Kortenaers haan den langsten tijd viktorie gekraaid hebben."
Negende Hoofdstuk.
Op een zaterdagavond in de tweede helft van September, zes weken na dien anderen avond, des zondags, toen André en Emma te zamen op de bovenvoorkamer van Belvedere voor het venster gestaan en elkander de vonkelende ster gewezen hadden, die den hoorn der maan scheen te kroonen, sukkelde over den Duinendaalschen straatweg, van de stad naar buiten, een klein huurrijtuig met één paard. Het was hetzelfde paard waarmede André, vermoeid van het dreunen der lokomotiven en het ruischen der toasten, na afloop van de feestelijke opening der spoorwegbrug, in de koelte en de schemering naar Duinendaal terug was gebragt. Op den bok zat dezelfde voerman, die hem destijds had ingewijd in het verborgen leven van zes slepers-arabieren, waarvan deze de magerste, de stramste, en van afkomst de doorluchtigste was. Boven op het rijtuig, welks bouwvallige imperiaal en rammelende veren op onbedriegelijke wijze de spoorwegvigilante onzer provinciesteden kenmerkten, stond een groote reiskoffer, hooger en breeder dan met heeren-koffers het geval pleegt te zijn. De persoon, die zich in het rijtuig bevond, was dan ook geen heer, maar eene dame.
Het was Emma. Met den vroegen sneltrein uit M. vertrokken, had zij den geheelen dag doorgereisd, en bereikte nu het einde van haren togt. Ofschoon de duisternis haar belette het landschap te onderscheiden en de avond koel, om niet te zeggen koud was, had zij uit behoefte aan lucht het glas nedergelaten aan de zijde van waar de wind kwam. Zoo hotste zij voort langs den eenzamen weg, niets ziende en door niemand gezien. Tegelijk met den wind stroomde de walm van den petroleum naar binnen, dien de sleper in zijne lantaarns brandde. In elke andere stemming als die, waarin zij op dit oogenblik verkeerde, zou zij het glas opgehaald en de ondragelijke reuk geweerd hebben; doch hare zenuwen waren verstompt, en zij had alleen nog gevoel voor den scherpen wind, die haar door het geopend portier in het aangezigt blies.
Daar hield de vigilante stil voor het nederige hek van Belvedere; doch de ouderlijke woning ontsloot zich niet aanstonds. Zij hoorde den voerman, van den bok gestegen om aan te schellen, eenige woorden wisselen met eene der dienstboden, die zorg droeg de deur niet wijder te openen dan noodig was om te kunnen vernemen wat men van haar verlangde.
—"Het is zaturdagavond vader is naar het dorp," dacht Emma, toen zij dit oponthoud gewaar werd; want hoewel de openbare veiligheid te Duinendaal niets te wenschen overliet, kon toch de heer des huizes in dit saisoen, nu de avonden reeds begonnen te lengen, na zonsondergang de hielen niet keeren, of keuken- en werkmeid beijverden zich om strijd de ketting op de voordeur te doen; en lieten niemand binnen dan na zich vergewist te hebben dat er geen onraad was.
Hoe riepen die kleine bijzonderheden Emma dagen voor den geest wier rust te weinig door haar was gewaardeerd!
Aanvankelijk baatte het niet veel, dat de voerman, sprekend door de reet der deur, onder eede verzekerde, dat niemand anders als jufvrouw Emma, zich in zijne vigilante bevond. Men geloofde hem niet. De jufvrouw was uit de stad, werd hem geantwoord, en men verwachtte haar vooreerst niet terug. Hij beriep zich op zijn gezond verstand, op zijne goede oogen, op zijn goed geheugen, en eerst toen het niet langer mogelijk was de waarheid van zijn getuigenis in twijfel te trekken, werd de ketting losgemaakt.
In dezelfde kleine bovenkamer bij den trap, waar zij meest den laatsten avond der week doorbragt, zat mevrouw Visscher in de eenzaamheid de thuiskomst van haren man te verbeiden. Des zaturdagsavonds werd in het Wapen van Duinendaal heeren-societeit gehouden: en ofschoon de eigenaar van Belvedere noch kaart speelde, noch politiseerde, bezocht hij die bijeenkomst met naauwgezette regelmatigheid. Wie op een dorp woont, meende hij, moest zich niet afzonderen, en Lydia was dit volkomen met hem eens. Zelfs kwam de aansporing om op het gebruikelijk uur naar de societeit te gaan dikwijls van hare zijde, en ook dezen avond was zij de eerste geweest, om hem aan zijne goede gewoonte te herinneren.
—"De lust is niet groot," had hij gezegd, "en ik vind het aardiger, zoo lang Emma van huis is, de societeit er aan te geven en u gezelschap te blijven houden. De heeren zullen hun partijtje wel maken zonder mij."
—"En sedert wanneer wachten zij op uwe komst om de kaarten te schudden?" had zij lagchend gevraagd. "Neen, lieve man, dat zijn uitvlugten. Emma kan nog wel drie weken wegblijven. En wat zullen de Duinendaalsche heeren van mij denken, indien gij hun morgen verhaalt, dat uwe vrouw zelfs niet één avond in de week alleen kan zijn? Ik heb lektuur en bezigheden in overvloed, geloof mij. Wij verrigten elk een verdienstelijk werk: ik door afstand van u te doen, gij door te gaan."
Na zijn vertrek was de stilte om haar henen gedurende een vol uur door niets gestoord. Niemand had aangescheld, ook de postbode niet, die anders omstreeks dezen tijd van den dag dikwijls brieven bezorgde. Dubbel verwonderd was zij daarom, een rijtuig te hooren stilhouden voor het hek, en daarna een koffer te hooren afladen en binnenbrengen. Zij legde het tijdschrift, waarin zij had zitten bladeren, uit de hand, schoof hare werkdoos op zijde, en wachtte luisterend naar eene verklaring van het ongewoon gedruisch beneden in den gang.
—"Daar zal Bartje zijn," dacht zij, meenende dat de persoon, die zij den trap hoorde opkomen, de werkmeid was. "Waar blijft gij, Bartje? Waarom talmt gij zoo? Zeg mij spoedig wat er te doen is."
—"Ik ben het, moeder," zeide Emma, die in haar reisgewaad, en met de hand aan de kruk, wankelend bij den ingang van het vertrek bleef staan. "Kom naar mij toe en help mij; ik ben ziek."
Emma moest zooveel moeite doen om te spreken, dat Lydia in het eerste oogenblik te naauwernood hare stem herkende. Zij geloofde aan eene hallucinatie, en rees wel op van hare zitplaats, maar snelde niet aanstonds naar hare dochter.
—"Help mij, moeder, ik kan niet meer," fluisterde op nieuw de doffe stem; en ware Lydia niet toegeschoten, Emma zou van vermoeidheid en aandoening ineengezonken zijn.
—"Is er een ongeluk gebeurd?... Hoe komt gij hier?... Waar is André?... Wat schort er aan?... Waarom hebt gij niet geschreven?"...
Emma moest op die onstuimige vragen het antwoord schuldig blijven.
—"Breng mij naar bed, moeder," zeide zij, "dan zal ik u alles vertellen."
De moeder wist niet, of zij waakte dan droomde. Doch ofschoon hare gissingen met de snelheid van het licht het onbegrensd gebied der mogelijkheid doorvlogen, zij was er de vrouw niet naar om zich daardoor te laten afbrengen van hetgeen thans in de eerste plaats van haar gevorderd werd. Emma moest ontkleed en naar bed geholpen worden.
—"Waarom wilt gij heengaan, moeder?" vroeg Emma, toen Lydia de gordijnen van haar ledikant met die zekere zorgvuldigheid geplooid en weder ontplooid had, waaraan zieken bemerken kunnen dat men voornemens is, hen te verlaten. "Nu ik eenmaal rustig nederlig, behoeft gij niet langer voor mij te vreezen. Blijf bij mij, totdat vader thuiskomt. Is vader opgeruimd? Heeft hij dikwijls naar mij gevraagd?"
—"Morgen zal ik al uwe vragen beantwoorden, mijn kind; maar houd u nu stil, en beproef of gij den slaap kunt vatten. Gij hebt de koorts."
—"Toch niet, moeder. Ik ben wel ziek, maar anders als gij meent. Voel eens naar mijne voeten hoe koud zij zijn."
—"Als marmer, kind. Ik zal Bartje zeggen, dat zij onmiddelijk water heet maakt om de tinnen kruik voor u te vullen."
—"Dat is lief van u. Maar een ding zou ik nog liever van u gedaan hebben."
—"En dat is?"
—"Warm mijne voeten tusschen uwe handen, zoo als gij deedt toen ik nog een kind was. Misschien zal ik dan van zelf gaan slapen."
Lydia knielde neder aan het voeteneind van het ledikant, de armen uitgestrekt onder de dekens en het aangezicht verbergend in de plooijen der sprei die zij zelve gebreid had. Zij hief het hoofd niet op om Emma aan te zien, en Emma wendde het hare niet af om den blik van hare moeder te ontwijken. Doch het oogmerk der dochter was bereikt. Er bevond zich in het vertrek geen ander licht als dat eener veilleuse, en bij die weifelende schemering verhaalde zij, terwijl Lydia hare voeten warmde, al hetgeen tusschen André en haar voorgevallen was.
Tiende Hoofdstuk.
Van Belvedere naar zee, het bosch door en de duinen over, was bij dag eene wandeling van niet meer dan twee uren. Doch kan het wonder schijnen dat Aart Visscher dien nacht het dubbel van den tijd behoefde om te gaan, en nogmaals het dubbel voor den terugtogt? Toen hij tegen tien ure uit de societeit thuis gekomen was, had hij onmiddelijk aan zijne vrouw bespeurd dat hen eene ramp had getroffen, en met den besten wil was het haar niet mogelijk geweest, de waarheid voor hem te verhelen. Emma terug, omdat André een slechtaard was? Die gedachte dreigde hem te doen stikken. Emma's toestand gedoogde niet, dat hij naar haar toevloog om haar te omhelzen; en zelfs smeekte Lydia hem, slechts fluisterend te spreken. Voor zijn overkropt gemoed, en de gezwollen aderen zijner kloppende slapen, was die dwang eene duldelooze kwelling geweest. "Geef mij mijn hoed en mijn regenmantel!" had hij gezegd. "Ik wil naar het strand, ik moet de zee zien! Hier kan ik het niet uithouden!"
—"En laat gij mij den geheelen nacht met Emma alleen? Indien haar iets overkwam, wat zou ik beginnen?"
—"Zeg Bartje, dat zij met u wake. Ik ben tot niets nut. Het is voor ons allen beter dat ik ga."
—"Maar indien Emma iets overkwam?"
—"En welk grooter leed kan haar overkomen dan hetgeen die lafaard haar berokkend heeft? Gij weet zoo goed als ik, Lydia, dat ik u van geenerlei dienst kan zijn."
—"En wanneer zie ik u terug?"
—"Morgen-ochtend, met het aanbreken van den dag."
—"Laat mij dan voor het minst uwe veldflesch vullen en u een stuk brood medegeven. Is dit een uur om geheel alleen door de duinen te gaan dwalen! Gij zult mij twee zieken voor eene bezorgen."
—"Die wandeling zal mij niet ziek maken, Lydia, maar gezond. Vrees niet voor mij. Ik ken den weg en neem ten overvloede Tiras mede."
Met Reiniers hond aan zijne zijde stak hij het bosch door en besteeg een voetpad door het zand, dat voor den kortsten weg naar zee gehouden werd. Doch door de duisternis raakte hij het smal en dagelijks verstuivend spoor weldra bijster, en kon zijnen weg alleen voortzetten door nu eens met zijnen stok zich door de bremstruiken heen te slaan, dan zich vast te klampen aan de helmplanten links en regts, dan zijnen voet los te rukken uit de ineen gewoelde ranken der duinbeziën, de angels en klemmen der natuur. Bij het afgaan van eene der hoogste duinen viel hij eensklaps voorover en moest in het rond tasten om zijnen hoed weer te vinden: de bovenlaag van een konijnenhol was niet sterk genoeg geweest om hem te dragen, en hij mogt van geluk spreken dat zijn struikelen geene erger gevolgen had dan eene schram over het gelaat en opgekrabde handen.
—"Maak geen leven om niets!" zeide hij, toen de hond om hem henen sprong en aansloeg. "Kom hier, en speel voor chirurgijn."
Hij rigtte zich op, zette zich neder in het zand, en liet zich door Tiras het aangezigt en de handen lekken. Zoo ging het voort, duin op, duin af, in de rigting der zee. Doch toen hij de laatste duinenrij achter den rug had en alleen nog het strand hem van den grooten waterplas scheidde, vond hij de begeerde verademing niet. Hij had zich voorgesteld, onder het bruischen der baren woorden te zullen vinden voor zijne verontwaardiging. Hoe sterker wind, had hij gedacht, en hoe woester golven, des te weldadiger zou de overeenstemming zijn tusschen het geraas om hem henen en den storm in zijne borst. Doch hij ontving niet een der indrukken, waarop hij gerekend had. De inspanning van het klimmen en dalen was vergelijkenderwijs eene afleiding geweest: de vlakke zandbaan was eene teleurstelling. Hij zag omhoog, doch bespeurde niets als een grijs en onrustig zwerk, met een zwartblaauwen achtergrond, waarin nu en dan eene enkele ster kwam vonkelen en dan weder verschoot. Verder dan honderd passen voor zich uit kon hij het water niet van de lucht onderscheiden, en alleen in zijne onmiddelijke nabijheid zagen de kuiven der baren wit. Het strand, dat bij dag onafzienbaar zou zijn geweest, geleek nu eene kleine vlakte binnen enge fantastische grenzen. Het eenige wat hem half en half voldoening schonk, was het daverend geweld waarmede sommige reuzengolven nederkwamen en het strand beukten. Doch hij kon zich niet onverdeeld overgeven aan zijne gedachten, evenmin als hij een uitweg vond voor zijne aandoeningen. Hij zou in de eenzaamheid de vuist hebben willen ballen tegen André; maar om voort te kunnen komen moest hij met beide handen zijnen mantel bijeen houden. Het zou eene verligting voor hem geweest zijn, indien hij zich in Emma's droefheid had mogen verdiepen; doch nu moest hij al zijne krachten inspannen om tegen den wind op te worstelen, dan werd hij zijns ondanks voorwaarts gestuwd. Had hij geweten, dat André dien eigen ochtend, op twee dagreizen afstand, hetzelfde strand bezocht en daar in Lidewyde's bezit geroemd had; dat Ruardi's haat Emma's vernedering wreken zou; dat André op dit zelfde oogenblik... Doch van geen der dingen, die zijne belangstelling gewekt of hem bevredigd zouden hebben, ook al hadden zij hem te gelijk met afgrijzen vervuld, droeg hij kennis. Daarentegen vernieuwde hetgeen hij wist onophoudelijk in zijn binnenste het gevoel van zijne magteloosheid.
Zulke teleurstellingen zijn geene zeldzaamheid. Men heeft verdriet, en beeldt zich in, het te zullen kunnen verzetten, indien men van zijne smart door niets wordt afgeleid en men er zich geheel aan wijden kan. Doch naauwelijks is men met zichzelven alleen, of het blijkt, dat die verwachting eene hersenschim geweest is. De ligtzinnigheid eet in zulke uren opium, of drinkt alkohol; het piëtisme werpt zich op de knieën en bidt. Doch wie het laatste niet zou kunnen doen zonder zich aan huichelarij te bezondigen, het eerste niet zonder zich in eigen oogen te verdierlijken, voor hem blijft alleen over zich het zwaard uit de wonde te rukken en geduldig af te wachten of de tijd haar cicatriseren wil. Elke andere poging om verligting van pijn te bekomen staat gelijk met het heen en weder loopen van den leeuw in het hok eener diergaarde. Hetzij hij nog tien jaren leeft of morgen sterft, in de voorwaarden zijner gevangenschap komt geene verandering: eene plaatsruimte van vijfentwintig kubieke voeten, ijzeren bouten aan de voor-, ijzeren grendels aan de achterzijde, en tweemalen daags een stuk vleesch.
Ook Emma's vader zocht eenen troost die niet bestond, of althans nergens op aarde voor hem te vinden was. Hij mogt zijne woning ontvlugten als een vagebond, door bosschen en duinen dwalen gelijk een strooper, nu in deze, dan in gene rigting den zoom der golven volgen,—even als een moordenaar of dief gedaan zou hebben, die naar een vaartuig zoekt om hem met zijnen buit naar de overzijde te brengen,—zijn leed verminderde niet. Na Emma was hij het, die door André's trouweloosheid het diepst gegriefd werd, dieper dan Lydia, dieper zelfs dan André's ouders. Gulle vooringenomenheid had hem dien knaap zijn hart doen schenken; voor het eerst sedert vele jaren had hij weder vrolijk de toekomst ingestaard, had hij zich de waarschijnlijkheid voorgespiegeld eener verwezenlijking van lievelingsdenkbeelden, tot hiertoe slechts op één gebied mogelijk geweest en daar in tranen verdwenen. En nu was het, alsof met het boosaardigst overleg en door de ruwste vuist hem, voor elke van zijne blijde verwachtingen, een stoot in de borst werd toegebragt. Wie of wat kon hem van de smart dier ontgoocheling bevrijden? Bedrogen en beleedigd was hij gegaan, beleedigd en bedrogen keerde hij op zijne schreden terug. De eenige verandering was dat de wind ging liggen en voor een digten motregen plaats maakte. Zijn mantel en Tiras dropen toen Lydia hem binnenliet.
—"Hoe maakt Emma het?"
—"Zij slaapt. Heeft de wandeling u goed gedaan?"
—"Neen, Lydia. Vergeef mij dat ik niet naar uwen raad geluisterd heb."
—"En wat beginnen wij nu?"
—"Zorg gij voor Emma, en laat mij naar André gaan."
—"Om wat te doen?"
—"Dat weet ik zelf niet."
—"Wilt gij hem rekenschap vragen van zijne handelwijze?"
—"O neen, zijne verantwoording verkies ik niet aan te hooren. Maar hij moet niet kunnen denken, dat wij hem vreezen."
—"En wanneer woudt gij vertrekken?"
—"Met den middagtrein van heden. Dan ben ik morgen-ochtend daar ginds."
—"Het is eene bittere beproeving voor ons allen."
—"Bitterder dan... Maar ook welk eene dwaasheid, dat wij ons vleiden met de hoop, André voor ons te zullen zien worden wat Reinier geweest is!"
Elfde Hoofdstuk.
—"Wat deert u, Lidewyde? Wat is er gebeurd?" vroeg André, schichtig oprijzend uit den slaap. "Gij vergist u, het is nog lang geen dag. Waarom loopt gij zoo driftig op en neder? Kom hier, gij zult ziek worden."
Bij het schijnsel der albasten lamp, die in het voorvertrek van den zolder afhing, kon hij alleen hare gedaante onderscheiden. Er was iets spookachtigs in het heen en weder golven van dat wit en slepend nachtgewaad: hetwelk het eene oogenblik zich van de alkoof verwijderde en dan telkenmale eensklaps weer zigtbaar werd.
—"Waarom antwoordt gij niet, Lidewyde? Schiet ten minste uwe muiltjes aan, zeg ik u. In het holle van den nacht op uwe bloote voeten!"
Zij trad naar het ledikant, sloeg de armen om zijnen hals, en fluisterde hem in het oor:
—"Ruardi heeft ons verraden. Dijk is hier geweest, terwijl gij sliept. Sta dadelijk op en ga naar uwe kamer."
—"Naar mijne kamer?" vroeg hij, overeind vliegend en naar zijne kleederen grijpend. "Neen, Lidewyde, ik verlaat u niet. Geef mij den sleutel van de kleine trapdeur. Ik zal Marcelis wekken en hem zeggen dat hij ijlings inspant. Verkiest gij den landauer?"
—"Gij droomt, André. Den sleutel, waarvan gij spreekt, bezit ik niet. Dien heeft Ruardi aan Dijk in handen gespeeld. Marcelis is omgekocht. Wij zijn in Dijks magt."
—"Is hij het dan die verlangt, dat ik naar mijne kamer zal gaan?"
—"Ja. Daareven stond hij eensklaps aan mijne zijde en wekte mij. Ik kon hem aanzien dat hij gewaakt had."
—"En wat heeft hij gezegd?"
—"Niet veel, maar genoeg. Over een uur, zeide hij, kwam hij hier terug en zou dan eene explikatie hebben met mij, na eerst met u te hebben afgerekend."
—"Hoe wenschte ik, dat hij mij uitdaagde! Het schreeuwt om wraak, dat gij vastgeketend zijt aan zulk een bloed. Doch hij zal den moed niet hebben om zich als een man te gedragen."
—"Gij zult hem niet sparen, wel?"
—"Wees zonder zorg. Het genot zou grooter zijn, indien ik, tegelijk met hem, ook Ruardi treffen kon; maar Ruardi zal mij daarom niet ontloopen. Met den prijs uwer liefde in het verschiet..."
—"In het verschiet? Gij zoudt mij bijna doen glimlagchen. Zie mij aan, en zeg welke vrouw zwakker voor u kan zijn dan ik? Doch de tijd dringt. Rep u! Dijk wacht."
—"Voor zijne rust zal ik vroeg genoeg tot zijne dienst zijn."
—"Maar hij zal u verdenken, indien gij hem niet spoedig te woord staat."
—"Verjaagt gij mij? Dat is hard. Misschien zie ik u heden nacht voor het laatst."
—"Onzin, André! Zelfs in den dood ben ik de uwe!"
—"Laat mij nog vijf minuten mogen blijven, Lidewyde! Het kon zijn dat wij voor eeuwig gescheiden werden."
—"Geloof toch niet aan dwaze voorgevoelens, André! Dijk mag niet wachten. Gij bederft uwe zaak... en de mijne."
—"Gij hebt gelijk. Omhels mij dan, en ik ga. Omhels mij, bid ik u."
—"Ziedaar."
—"Omhels mij nogmaals, en zeg overluid dat gij mij liefhebt."
—"Nu dan."
—"Neen, niet fluisteren."
—"Ik heb u lief, André! Is het zoo naar uwen zin?"
—"Bijna. Eerst moet ik u op den hals mogen kussen, even als ik dien avond in den tuin gedaan heb."
—"Maar dan gaat gij ook?"
—"Stellig en zeker."
—"Gij breekt uw woord! Laat mij los, André! Zoo kust een man zijne aanstaande vrouw niet."
—"Dat kunt gij niet meenen, Lidewyde. Uw hoofd op mijnen schouder en mijne lippen op uwen hals: zoo behoort het. Mag ik?"
—"Al wat gij wilt, mits gij mij loslaat."
Reeds voor het bekomen verlof, ofschoon zij het niet aldus bedoeld had, had zijne hand over haren schouder heen, haar gewaad ontknoopt, en viel het matte licht der van den zolder afhangende lamp op haar nu met geen enkel floers bedekten boezem. Het baatte niet dat zij met den eenen arm hem van zich poogde af te weren en met den anderen haar kleed bijeenhield. Haar gordel zelf bezweek weldra voor zijne drift, die alles wilde aanschouwen. Toen ook de laatste sluijer verwijderd was, deed hij eene schrede achterwaarts, verslond met de oogen het golvend marmer van Lidewyde's schoonheid, drukte haar nog eenmaal aan zijne borst, en ging.
Twaalfde Hoofdstuk.
Toen André in den voornacht zijne kamer verlaten had om zich naar die van Lidewyde te begeven, had hij de deur voorzigtig aangezet, en noch licht ontstoken, noch de overgordijnen tot elkander getrokken. Thans waren die gordijnen zorgvuldig digtgeschoven; op de tafel brandde eene lamp, en om binnen te kunnen treden had hij de deur moeten ontsluiten. Ook de gang en het portaal waren min of meer verlicht, en hij had ditmaal niet noodig, gelijk anders, afgaande op de flaauwe schemering der lantaarn van gebogen glas, die zich hoog in de lucht boven den trap welfde, tastend zijnen weg te zoeken. Hij opende de deur met kracht, om te toonen dat hij geene vrees kende, en meende niet anders, toen hij de ontstoken lamp bespeurde, of Lidewyde's echtgenoot zou eensklaps op hem toeschieten. Doch er heerschte in het vertrek eene doodsche stilte. Eerst had zijn oog moeite, de voorwerpen behoorlijk te onderscheiden; want de kamer was te groot om door slechts ééne lamp in alle rigtingen verlicht te kunnen worden, en de donkere kleur der meubelen, bij het diepe groen en rood van het behangsel en de draperiën, vermeerderde nog de duisternis op den achtergrond en aan de zijden. Des te sterker daarentegen was het schijnsel dat van onder de kap der lamp op de met een gebloemd kleed van fluweelachtig trijp bedekte tafel viel. Ook kon het geen toeval zijn, dat geen enkel ander voorwerp op dat oogenblik de aandacht afleidde van het tweetal, door Dijks hand aan den voet der lamp nedergelegd. Niemand kon het vertrek binnentreden zonder die twee—eene pistool en een brief—aanstonds op te merken.
André had zoo vast geloofd, Dijk te zullen aantreffen, dat zelfs het lezen van zijnen naam op het adres van den brief hem niet overtuigde dat hij alleen was. Hij rukte de overgordijnen open, als kon er voor Adriaan eene reden bestaan hebben om zich daarachter te verbergen; doch ook dit onderzoek leidde tot niets. Het verdroot hem, dat hij Dijk niet onder de oogen kon treden. Niet één, maar twee pistolen waren noodig; en niet hier of nu was daaraan behoefte, maar tegen morgen of overmorgen, in het afgelegen veld, wanneer alles voor het duel in gereedheid zou zijn gebragt en hij in den vorm van een doodelijken kogel Dijk de voldoening schenken zou, welke voor Lidewyde's rust gevorderd werd. Doch hoe bestierf eensklaps op zijne lippen de taal van den overmoed; tot welk eene armzalige werkelijkheid kromp voor zijn gevoel de poëzie van het wanbedrijf, zoodra hij kennis genomen had van Adriaans wilsbeschikking! Dijk schreef hem:
"Het is beneden mij, u met woorden te berispen of te straffen. De zorg om dat met daden te doen, heb ik aan anderen opgedragen. Wend geene pogingen aan om te ontvlugten; zij zouden u slechts te spoediger in de handen van Marcelis en zijne palfreniers doen vallen. Al mijne maatregelen zijn genomen, en indien gij het waagt, den voet buiten uwe kamer te zetten, zal ik u voor uw leven tot verminkens toe doen tuchtigen. Eén middel schiet u over om te toonen, dat gij geen lafaard zijt. Het ligt voor u op de tafel. Gij zult daardoor tevens de toekomst kunnen redden van het meisje dat door u verraden is. Terwijl ik dit schrijf, slaat de klok twee ure; mijne lieden hebben in last, indien met slaan van drieën uw schot niet gevallen is, binnen te dringen in uwe kamer, u gekneveld mede te voeren naar den stal, en hunnen euvelmoed aan u te koelen op eene wijze, die ik niet noemen wil. Gij hebt te kiezen tusschen het wapen nevens u en de straf der overspelers.
"PS. De pistool is niet met kruid geladen; maar de bussen der kogels zijn met donderpoeder gevuld. Er zijn er zes, zooals gij ziet. Ketst de eene, gebruik dan den volgenden. Doch ik geloof niet dat het noodig zal zijn. Het is dezelfde revolver waarmede ik Moor door den kop geschoten heb. Het dier heeft geene minuut behoeven te lijden. Dit tot uw narigt."
André's eerste daad na het lezen dezer woorden was eene poging om door een sprong in den tuin zijn leven te redden. Doch hoe hij nu aan het eene, dan aan het andere venster rukte, er was aan de spanjoletten geen verwrikken: eene geoefende hand had ze onbruikbaar gemaakt, en hij verspilde noodeloos zijne krachten. Wat erger was, zoodra de stilte in het vertrek door het gedruisch zijner voetstappen en het rammeijen aan de vensters was afgebroken, hoorde hij een sleutel steken in het slot der kamerdeur. Een onzigtbaar cipier draaide tot tweemaal toe den sleutel om in het slot, en de gevangene kon voor-noch achteruit.
Het besef dat die voorzorg noodig was geweest om hem het vlugten te beletten, vernederde hem, en hij schaamde zich over zijne eerste opwelling. Alle verdere pogingen tot ontsnappen liet hij varen, en beproefde een juist inzigt in zijnen toestand te bekomen.
Zou Dijk zijne bedreigingen ten uitvoer durven brengen? Sedert hij van Lidewyde wist dat Ruardi langer dan een jaar onder Dijk's oogen haar aangenomen minnaar was geweest, had zijne verachting voor Adriaan haar toppunt bereikt. Daareven nog was Adriaan in zijne oogen een walgelijke stumpert, dien hij de moeite niet zou genomen hebben te haten, indien hij niet een onoverkomelijke hinderpaal voor zijne eigen vereeniging met Lidewyde geweest ware. Was het mogelijk, dat diezelfde Adriaan thans eene koelbloedigheid ten toon spreidde, die misschien niet veel persoonlijke dapperheid, maar eene dubbele maat van hartstogt verried? Hoe blinder evenwel Adriaans woede was, des te meer reden bestond er om te duchten dat hij behagen scheppen zou in de door hem aangekondigde wraak. En de voorstelling dier strafoefening deed het Kortenaersbloed André naar het aangezigt stijgen. Te zelden was voorheen de stem van dat bloed bij hem ontwaakt, en indien men hem gestreng beoordeelen wilde, had men het regt hem een treurig voorbeeld van de verbastering van onzen landaard te noemen. Doch eene beleediging als die, welke Dijk hem toedacht, was meer dan zelfs hij verdragen kon. In zijne verbeelding zag hij zich door de geheele wereld met den vinger nagewezen...
De tranen sprongen hem in de oogen toen hij de pendule op den schoorsteenmantel half drie hoorde slaan. Daareven had hij zich nedergeworpen in zijn gemakkelijken stoel, ten einde des te rustiger te kunnen nadenken; doch die metalen klank werkte zoo galvanisch op zijne zenuwen, dat het hem niet mogelijk was langer te blijven zitten. Met de kin op de borst en de handen in de zakken, krampachtig spelend met zijne beurs en zijne sleutels, stapte hij de kamer op en neder, en poogde, doch vruchteloos, zich zelven in te prenten dat, wilde hij handelen als een man, hij binnen dertig minuten een lijk moest zijn. Hij was geen Kato, en zou zonder wroeging den val van zijn vaderland overleefd hebben; geen Hamlet, vragend naar te zijn of niet te zijn, en over dat onderwerp, met een eigenwilligen dood voor oogen, onsterfelijke diepzinnigheden verkondigend. Maar hij was jong; en gelijk dat volstond om den lust naar het leven als wassend water te doen klimmen in zijne borst, evenzoo was het verschoonbaar dat zijne aandoeningen hem voor eene wijl overstelpten. Hij snikte overluid en moest zich de oogen afwisschen. Emma had hij verraden, Dijk bedrogen, Ruardi gesard, naar Lidewyde's omhelzingen gehunkerd, het was alles zijne eigen schuld. Zijne ouders zouden ontroostbaar zijn. Die van Emma, waaraan hij zulke groote verpligtingen had en die zoo goed voor hem waren geweest, hem levenslang haten. Emma-zelve zou zich door zijn toedoen diep ongelukkig gevoelen; en al was de vreugde van haar bestaan niet noodzakelijk voor altijd verwoest, het zou eindelooze jaren kunnen duren eer haar gevoelig hart weder aan deugd en liefde kon gelooven. Al dien tijd zou zij het kruis van zijne nagedachtenis moeten dragen en zouden de menschen haar elkander aanwijzen als de voormalige bruid van dien André Kortenaer, wiens vader en moeder zooveel verdriet beleefden van hunne zonen. Nogtans waren het geene tranen van berouw, die zijne oogen verduisterden en hem deden aanloopen tegen de meubelen regts en links. Het gevoel van schuld had te geener tijd luid bij hem gesproken, en deed dit ook nu niet. Hij schreide niet omdat hij slecht was, maar omdat hij pas dertig jaren telde; en indien men hem gevraagd had wat hij meer betreurde, voor altijd Emma te moeten missen of nimmermeer verzadigd te zullen insluimeren aan Lidewyde's zijde, zou hij het antwoord schuldig gebleven zijn.
En hoe zou Adriaan met Lidewyde handelen? Het vermoedelijkst was, dat hij openlijk van haar zou willen scheiden; en misschien werd het voornemen daartoe haar op dit oogenblik-zelf door hem aangekondigd. Zou zij daarna het land verlaten en in vreemde werelddeelen gaan omzwerven? Moeten eindigen met even als Sarah haar eigen brood te verdienen? Dat dit haar deel zou kunnen zijn, was eene ondragelijke gedachte. Doch duldeloozer nog was de voorstelling, dat de nood haar op nieuw in Ruardi's armen zou kunnen drijven, en zij, ten einde in haar levensonderhoud te voorzien, liefkozingen zou moeten dulden, neen, beantwoorden, die zij in den grond van haar hart verafschuwde. Arme Lidewyde, hoe duur zou het haar kunnen te staan komen, dat zij hem, André, onvoorzigtig had liefgehad! Het zou hare schuld niet zijn, indien zij voor Ruardi's aanbiedingen bezweek, maar alleen die van den verfoeijelijken dokter. Zulk een schepsel had de wereld nog nooit voortgebragt: tegelijk een wellusteling en een lafaard, een verrader en een bluffer, een wijsgeer en een zielverkooper.
Van tijd tot tijd wierp hij een blik op de pistool. Het gepolijste staal van den loop glinsterde in het licht der lamp, en het donkerbruin der kunstig gesneden kolf kwam zoo schilderachtig uit tegen de hooggekleurde bloemen van het tafelkleed, dat men gewaand zou hebben een feestgeschenk te zien liggen: eenige dier nuttige snuisterijen waarmede eene verstandige vrouw haren man op zijn verjaardag verrast, of die een bevoorregt pupil bij zijn aanstaand vertrek naar de akademie van een edelmoedig voogd tot eene gedachtenis ontvangt. André was het nog in het geheel niet met zichzelven eens hoe hij handelen zou; doch dit was geene reden, meende hij, om met het door Dijk hem opgedrongen wapen niet meer van nabij kennis te maken. Spoedig evenwel ontzonk hem die belangstelling. Door de gleuven van den metalen kraag, tusschen de kolf en den loop, grijnsden hem zes grijze puntkogels aan, en hij herkende in Dijks revolver een dier uitheemsche moordtuigen, waarvan men den haan slechts behoeft over te halen om telkens een nieuw schot te kunnen doen. Er was geen twijfel aan: één zulk een kogel volstond om iemands hersenen uit elkander te doen spatten, en zijne hand beefde toen hij de pistool weder op de tafel legde.
Allerlei voornemens speelden hem door het hoofd. Eerst zou hij beproeven een brief aan zijnen vader te schrijven, toen een brief aan den ouden heer Visscher, toen een brief aan Emma. Doch geen dier plannen slaagde. Moest hij sterven, dan zou het beste ongetwijfeld zijn, dat hij Emma vergiffenis vroeg voor het haar aangedaan onregt, en haar verzocht zijne voorspraak te willen zijn bij hare ouders. Aan zijnen vader zou hij dan kunnen melden, dat het hem innig leed deed door een jammerlijken zamenloop van omstandigheden in den bloei zijns levens te zijn weggerukt. Doch zoolang het niet onherroepelijk vaststond dat zijn laatste uur aanstonds slaan zou, wilde hem geen enkel woord uit de pen; en hoe gering de kans ook zijn mogt om aan het door Dijk gesteld dilemma te ontkomen, hij klampte zich met de halstarrigheid van een ter dood veroordeelde aan de hersenschimmige voorstelling vast, dat zijn lot, op welke wijze dan ook, in het beslissend oogenblik eene gunstige wending nemen zou.
Onder het staren in dat denkbeeldig verschiet, verloor hij allengs weder het besef van zijnen toestand. Daareven had hij met ontsteltenis den grooten wijzer der pendule zich zien reppen om van de eene minuut naar de andere te komen; thans scheen het alsof de groote wijzer de kleine geworden was en het eene eeuwigheid duren zou eer hij den eindpaal bereikte. Naarmate zijne wilskracht insluimerde, ontwaakte op nieuw zijne fantasie, en hij begon het als eene uitgemaakte zaak te beschouwen dat hij zich noodeloos verontrust had. Wanneer het zoo aanstonds drie ure sloeg, zou de deur van zijne kamer openspringen en—Lidewyde op den drempel verschijnen. Met den vinger op den mond, ten teeken dat hij voorzigtig moest zijn, zou zij hem een sluijer aanbieden en hem wenken zich dien voor de oogen te binden. Zoodra hij daarmede gereed was, zou zij hem bij de hand grijpen en langs een onbekenden weg hem naar beneden voeren, waar zij eenige woorden fluisteren zou in het oor van iemand, die haar met gedempte stem zou antwoorden, doch niet zoo onverstaanbaar of hij zou bemerken dat het Sarah was. In het volgend oogenblik, nadat hij Sarah een grendel had hooren wegschuiven, zou hij zich met Lidewyde in de open lucht bevinden en langs honderd kronkelpaden door haar naar eene plaats gevoerd worden, waar hij snuivende paarden met ongeduld zou hooren stampvoeten op een geplaveiden weg en een postiljon tot het ongeduldigste dier beesten met eene doffe stem zou hooren zeggen: "Stil, knol!" Het rijtuig, waarin Lidewyde hem nevens haar zou doen plaats nemen, zou in vliegende vaart den geheelen nacht voorthollen, dorpen en steden door, en eerst wanneer de zon reeds sedert geruimen tijd aan den hemel moest staan, zou Lidewyde, die al dien tijd zijne hand in de hare gehouden had, hem vrijheid geven om zich den blinddoek van het gelaat te rukken. Op hetzelfde oogenblik zou het rijtuig stilhouden voor het hoog bordes van een oud en vervallen kasteel, omgeven door verwilderde bosschen en verwaarloosd bouwland, maar zoo verrukkelijk gelegen en met zulke prachtige vergezigten voor en achter, dat men zich onwillekeurig afvroeg, waarom niemand de moeite nam, orde in dien chaos te scheppen. "André!" zou Lidewyde tot hem zeggen, op nieuw zijne hand grijpend en die aan haren boezem drukkende, "ziedaar de plek die ik heb uitgekozen om er levenslang gelukkig met u te zijn. Te zamen zullen wij deze wildernis een paradijs doen worden, waaruit alleen de dood ons zal kunnen verdrijven."
Uit het oogpunt eener verheven zedeleer gezien, was deze droom, waarin hijzelf en Lidewyde zoozeer de hoofdrollen vervulden dat voor Emma te naauwernood eene plaats onder de toeschouwers overbleef, een nieuw bewijs van André's verdorvenheid. Zij daarentegen die van oordeel zijn dat de mensch een te zwak en te nietig schepsel is om met een idealen maatstaf gemeten te mogen worden, zullen zich om André's wil verblijden dat zijne laatste gedachten in deze wereld ten minste niet bezoedeld zijn geweest met de smet der zinnelijkheid. De gelegenheid om eenmaal een beteren dunk van zich te doen koesteren werd hem niet geschonken; want toen het slaan der pendule hem uit zijne verdooving deed opschrikken en hij op hetzelfde oogenblik eene ruwe stem buiten de deur bevel hoorde geven om naar binnen te dringen, daagde de spookgestalte van Adriaans bedreiging met zulk eene overweldigende kracht voor hem op en ontstak het gevoel der naderende schande zulk een vuur in zijne aderen, dat hij met éénen sprong zich op den revolver wierp, den loop aan zijnen mond bragt, en met een onvasten, maar daarom niet minder wreeden vinger den trekker de beweging mededeelde, die aan alles een einde moest maken.
Dertiende Hoofdstuk.
—"Sta op!" zeide Dijk, voor het ledikant tredend, dat Lidewyde na André's vertrek weder opgezocht had. "Sta op, zeg ik u!"
Zij was verkleumd geweest, en het beste middel, had zij gedacht, om van den schrik te bekomen, dien André's hartstogtelijkheid haar had aangejaagd, was geweest, zich in hare dekens te wikkelen. Hoe dwaas van hem, haar de kleederen van het lijf te scheuren, nadat hij zelf aanmerking had gemaakt op hare bloote voeten! Doch nu zij geene koude meer gevoelde, vergaf zij hem zijne drift en dacht met welgevallen aan het tooneel van daareven. Alleen van zulk een minnaar, niet van een berekenend egoïst gelijk Ruardi, kon zij verwachten, dat hij niets en niemand ontzien zou. Wanneer het tot een tweegevecht kwam, zou André, die alles voor haar over had, in vollen ernst Dijk om het leven zoeken te brengen; en zijne meerdere bedrevenheid in het hanteren van wapenen zou de kans om daarin te slagen nog doen toenemen. Omtrent hetgeen zij daarna met hem zou aanvangen had zij nog niets bij zich zelve vastgesteld. Dit zou afhangen van de middelen, waarover zij na Dijks dood zou kunnen beschikken. André was haar medegevallen; doch niet in zoodanige mate, dat zij gebrek met hem zou willen lijden. Het deed haar geen leed, dat zij geene enkele voorzorg genomen had om hare betrekking tot hem voor Dijk te verbergen. Geheime minnarijen waren niet langer van hare gading, en met één overleg had zij twee oogmerken bereikt. Sproten daaruit voor André sommige gevaren voort, zij vergde niets van hem als hetgeen ieder man, die haar lief had, gaarne voor haar wagen zou. Bovendien was de vrees, dat Dijk overwinnaar blijven zou in den strijd, bijna hersenschimmig. Eenmaal op het terrein verschenen, zou Adriaan onmiddelijk zijne tegenwoordigheid van geest verliezen. Harerzijds zou zij, wanneer hij kwam om met haar te spreken, hem tot het uiterste drijven, en van hare liefde voor André zoo hoog opgeven, dat het gevoel van zijne minderheid hem geheel en al demoraliseren zou.
—"Verstaat gij mij niet?" vroeg hij, op nog barscher toon dan te voren. "Ik zeg u, dat gij op zult staan."
—"Zeg gij mij eerst waar André zich bevindt," antwoordde zij. "Ik ben niet doof of slaap niet, en gij hebt verlof minder luid te spreken."
—"André is in goede handen."
—"Belooft gij mij, dat hem geen leed geschieden zal? Hij is onschuldig. Indien ik hem niet aangemoedigd had, zou hij de oogen niet naar mij hebben durven opslaan."
—"De onbeschaamde, die mij niet ontzag al gaaft gij u den eersten den besten prijs!"
—"Hij onbeschaamd? Zijne bescheidenheid is integendeel zoo groot, dat hij er zich mede vergenoegd heeft de opvolger van Ruardi te worden."
—"Dat liegt gij. Ruardi's vriendschap voor mij zou hem het regt geven zich uw bittersten vijand te toonen; maar er is niemand die met meer verschooning over u spreekt dan hij."
—"Het is waar, dat hij slechts enkele nachten in dit ledikant heeft doorgebragt; maar ik een des te grooter aantal in het zijne. Ten laatste walgde ik van hem, even als van u, en heb ik aan André de voorkeur gegeven."
—"Gij liegt, maar uwe fabelen zullen noch uzelve baten, noch André."
—"Dat behoeft ook niet. Hij en ik, wij kunnen uwe bescherming ontberen. André is een gentleman."
—"Veel geluk er mede!"
—"Ik heb hem lief, omdat hij in alles het tegenbeeld is van u."
—"Ik gun hem uwe liefde. De genegenheid van lichtekooijen heeft nooit veel aantrekkelijkheid voor mij gehad."
—"En ik kan mij levendig voorstellen, dat de onverschilligheid wederkeerig geweest is."
—"In uwen mond is dat antwoord voegzaam. Zult gij opstaan?"
—"Ja, indien gij mij zegt waar André is."
—"Dat raakt u niet."
—"Het is integendeel het eenige wat mij op dit oogenblik schelen kan!"
—"André is in den stal, bij Marcelis."
—"In den stal!"
—"Ja. Ik heb Marcelis last gegeven hem zijne booze lusten te verleeren. Het is evenwel mogelijk dat hij zich nog in zijne kamer bevindt."
—"Waarom?"
—"Omdat ik het in zijne keus gelaten heb, zich voor den kop te schieten, of kennis te maken met wapenen van minder allooi. Zulke knapen moeten loon naar werken ontvangen."
—"Gij bluft. Al zou André zich van kant willen maken, hij zou niet kunnen. Ik weet zeker, dat hij geene pistolen bij zich heeft."
—"Die kan hij missen. Ééne pistool is genoeg, en die heb ik hem verschaft. Denkt gij, dat hij er gebruik van maken zal?"
—"En gij?"
—"Ik denk van neen."
—"Gij beoordeelt hem naar uzelven."
—"Misgeraden, ik beoordeel hem naar u. De schoot van ontuchtige vrouwen is het graf van den moed der jongelieden, zegt men. Doch mijn geduld is ten einde. Voor het laatst vraag ik u, of gij zult opstaan?"
Hij wilde haar bij den schouder grijpen, ten einde meer klem bij te zetten aan zijne tot hiertoe vruchteloos herhaalde vraag, doch voor hij de hand naar haar had kunnen uitstrekken, vloog zij overeind. Voor het eerst in haar leven had zij in een woordenstrijd met haren man het onderspit gedolven. Keer op keer was hij er in geslaagd haar grievender te beleedigen dan zij hem; en de spijt over die teleurstelling, gevoegd bij de woede en den angst waarmede de gedachte aan André's hopeloozen toestand haar vervulde, deed haar zichzelve zoozeer vergeten, dat zij Adriaan met hare vlakke hand een luidklinkenden slag in het aangezigt toebragt.
Die slag besliste over hetgeen Lidewyde dezen nacht wedervaren zou. Adriaan toch was niet teruggekomen met het stellige voornemen om haar te tuchtigen, en hij had zijne zweep alleen bij zich gestoken, ten einde een middel van bedreiging bij de hand te hebben. Hij zou tevreden zijn geweest, indien zij eenig leedgevoel of eenige schaamte aan den dag gelegd had; ja zelfs, mits zij geene enkele poging aanwendde om weder aanspraak op zijne genegenheid te verwerven, zou hij met haar in overleg hebben willen treden over hetgeen gedaan kon worden om hare misdaad te bedekken en de gevolgen daarvan zoo onschadelijk mogelijk te maken. Doch nu zij in stede van berouw te toonen of vergiffenis te vragen, hem met de uiterste impudentie te woord stond, luid pronkte met hare schuldige liefde voor André, Ruardi (gelijk hij waande) schandelijk belasterde, en zich ten laatste niet ontzag hem in het aangezigt te slaan, achtte hij zich tot alles geregtigd. Onder het uitspreken van een barbaarschen scheldnaam tastte hij naar zijne zweep en viel op haar aan. Zij wilde vlugten en om hulp roepen, doch reeds bij de eerste schrede struikelde zij over haar nachtgewaad en stortte voorover op den grond. Hij wierp zich op haar, scheurde haar den halsdoek van de borst, snoerde haar daarmede den mond, en stiet, toen zij zich aan zijne knieën wilde vastklemmen om weder op te staan, haar meedoogenloos van zich af. Vier, vijf, zes malen snorde de lange zweep boven zijn hoofd door de lucht en kwam zij met een doffen slag op Lidewyde's krimpend ligchaam neder. Met striem aan striem teisterde Adriaan de schoone ledematen, waarvoor André een uur te voren zou hebben willen nederknielen. In het eind, toen Lidewyde in het eene oogenblik haar bewustzijn scheen te verliezen en het knallen van een schot haar in het andere stuiptrekkend deed opspringen, wierp hij haar het marteltuig in het gelaat, en zeide onder het heengaan:
—"Zoek nu André op, indien gij lust hebt, en laat mij voortaan met vrede!"
Vereischt Besluit?
Op den tweeden Pinksterdag van het volgend jaar waren de bedevaartgangers naar het Duinendaalsche bosch zoo talrijk als ooit te voren. Des ochtends was de lente hun genadig geweest, en toen zij des avonds huiswaarts keerden, favoriseerde hen de vaderlandsche Mei met eene gematigde November-koelte. Meer konden zij billijkerwijze niet verlangen.
Voor de deur der tolgaarderswoning verbeidde een gemengd gezelschap de komst van den tentwagen en het driespan, waarvan op de eerste bladzijde van dit verhaal gesproken is. De zon was nog niet ondergegaan, doch reeds sedert geruimen tijd waren de schaduwen der duinen bezig geweest bezit te nemen van de weilanden aan den voet van deze, en wanneer men het oog op den langzaam naderenden wagen gevestigd hield, die 's morgens naar de stad gezonden was om te stallen, was het of men hem zag opdagen uit het licht om door de vallende duisternis verslonden te worden.
Een gedeelte van het gezelschap had plaats genomen aan eene lange, smalle tafel onder het geboomte en werd door de schoone tolgaardersvrouw, de heeren van warme rumgrogjes, de dames van glaasjes curaçao voorzien. Een minnend paar versmaadde die lekkernijen, en mijmerde, zich zelf genoeg, het erf op en neder dat de hofstede van den slagboom scheidde. Eerst luisterden de jongelieden niet naar de gesprekken der anderen, meerendeels personen van leeftijd en wier konversatie, na een geheelen dag pleizier-hebben, weinig pikants aanbood. Doch weldra werd een onderwerp aangeroerd, dat hen de ooren deed spitsen.
—"In de bruidsdagen, zegt u?"
—"Ja, mijnheer, of ten minste zoo goed als in. En daarom is het huis nu gesloten, zoo als u ziet."
—"En waar zei u dat zij begraven ligt?"
—"Begraven, mijnheer? Bewaar me! Wij hopen haar toekomend voorjaar gezond en wel hier weêr te zien."
—"Is zij dan niet dood?"
—"Mijnheer André is dood, maar jufvrouw Emma niet. Die is met haar vader en moeder verleden jaar in den natijd op reis gegaan."
Het was de tolgaardersvrouw die deze inlichtingen gaf; en zij schonk ze aan een oud jong heer, die met de gewone belangstelling naar Belvedere en naar den naam van Belvedere's eigenaar gevraagd had. Doch de twee gelieven wilden er meer van weten. Ongemerkt slopen zij de boerin achterna.
—"Lieve tijd," zeide de schoonoogige en breedgebouwde, "heeft u daar nooit van gehoord? Het heeft verleden jaar in al de kranten gestaan. Terwijl de jufvrouw in het eene huis bij goede vrienden gelogeerd was, heeft mijnheer zich in het andere 's nachts te kort gedaan. Den vorigen avond had men ze zamen nog zien wandelen, en geen mensch wist dat er iets aan haperde."
—"Was hij niet wel bij het hoofd?"
—"Een dokter in die stad heeft verklaard, dat hij hem 's morgens erg van streek had gevonden; en dat zal wel zoo geweest zijn. Hier op het dorp, anders, heeft nooit iemand kunnen bespeuren dat mijnheer Kortenaer maalde."
—"Woonde hij vroeger dan ook te Duinendaal, even als jufvrouw Visscher?"
—"Wonen niet zoozeer, maar hij is een klein jaar lang zooveel als kommensaal geweest in het logement achter de kerk. De menschen hier mogten hem gaarne lijden, en toen zij wisten dat hij met jufvrouw Emma zou gaan trouwen, noemden zij hem in de wandeling mijnheer André. Jufvrouw Emma is erg gezien hier op het dorp."
—"Hoe treurig voor dat lieve meisje!" zeiden de geëngageerden uit éénen mond.
—"Toen zij voor het eerst weêr buiten de deur kwam, leek zij een schim, kan ik u zeggen. Dat zal zoo wat een week of drie na mijnheer André's dood geweest zijn. Maar over mijnheer André mogt ik niet met haar spreken. Dat had haar vader ons uitdrukkelijk verzocht."
—"En waar is zij nu, sedert al dien tijd?"
—"Dat zou de brievengaarder u beter weten te zeggen dan mijn man of ik. De oude heer heeft alleen gezegd: Wij gaan met jufvrouw Emma naar het zuiden."
—"Arme mijnheer Kortenaer!" zuchtte de aanstaande bruid.
—"Dat is een waar woord, jufvrouw. Indien mijnheer André was blijven leven, zou jufvrouw Emma een goed man aan hem gehad hebben. En een knap man ook. Heeren, die er verstand van hebben, heb ik hooren zeggen dat nog niemand een beter brug gebouwd heeft dan de onze. Maar ons leven is in Gods hand, en wanneer onze lieve Heer ons met waanzin slaat, moeten wij buigen of barsten."
Toen Adriaan Dijk, in zijn meedoogenloos briefje, André op Emma gewezen en hem gesommeerd had met zijne eigene eer ook den goeden naam van zijn meisje te redden, was zijn oogmerk met die aansporing alleen geweest, André eene drangreden meer aan de hand te doen om naar de vernietigende pistool te grijpen. Doch het goede doel, dat hij niet beoogd, of alleen als bijzaak beoogd had, werd nogtans bereikt. Wel is waar luidde de traditie omtrent André's uiteinde niet overal zoo gunstig of zoo dichterlijk, als in den mond der welwillend gezinden onder de Duinendalers;—en zelfs volgden verschillende personen, wier theologie voor het overige met die der tolgaardersvrouw overeenstemde, omtrent de aanleiding tot dat uiteinde eene geheel andere lezing. Doch met dat al wist de buitenwereld over het algemeen niet beter, of er hadden zich bij André, gedurende de laatste dagen van zijn verblijf te M., sporen van krankzinnigheid vertoond.
Die uitspraak der openbare meening, welke Emma's positie redde, was door André's begrafenis met tact voorbereid. Twee koetsen waren het lijk naar het kerkhof gevolgd: in de voorste zaten André's vader en de oude heer Visscher; in de andere de geridderde heer Timmermans, Adriaan Dijk, dokter Ruardi, en de aan het Fundatiehuis verbonden deken der M'sche predikanten. Met uitzondering van den geestelijke, die bij den geopenden grafkuil een gebed deed en eene korte toespraak hield, was er onder deze mannen niet één, die niet volkomen wist hoe de zaak zich toegedragen had; en indien zij op de begraafplaats, aan het einde van 's leeraars toespraak, den teugel hadden gevierd aan hunne hartstogten, zouden kreten van haat en toorn met snikken ondermengd, de schimmen der dooden in hare eeuwige rust gestoord hebben. Doch één gevoel en één belang breidelde aller driften. Zelfs Ruardi's tegenwoordigheid werd door niemand der anderen gewraakt. Zijn verhaal van hetgeen des ochtends vóór den zelfmoord tusschen hem en André was voorgevallen op het Badhuis, bleek een kostbaar getuigenis.
Toen de stoet Soekabrenti verliet, kon men aan een der vensters van de bovenverdieping de hand van een onzigtbaar persoon—eene magere vrouwenhand—het nedergelaten valgordijn aan de eene zijde voorzigtig bijeen zien houden. De opening was niet wijd genoeg om de gelaatstrekken der bespiedster te verraden, maar wel om haar van alles getuige te doen zijn. Freule Bertha zou, indien zij Sarah op deze daad betrapt had,—want het was Sarah, die achter het gordijn stond,—daarin een nieuw bewijs hebben gevonden voor hare stelling, dat eene vrouw niet ophouden kan aan God te gelooven, zonder tevens al hare betere gevoelens uit te schudden. Doch Sarah bekommerde zich niet om zulke gevolgtrekkingen. Haar interesseerde het meest André's oom, de oud-minister, en de houding van geen der heeren, die zij achtereenvolgens in de koetsen zag stijgen, boezemde haar zooveel belangstelling in als de zijne. André had aan Lidewyde en Lidewyde aan Sarah verhaald, dat het denkbeeld om hem met mevrouw Dijk in kennis te brengen van Zijne Excellentie was uitgegaan, en Sarah vond het belangwekkend, dat hetgeen zij gedaan had om André te gronde te rigten, buiten hare voorkennis, slechts had moeten dienen om de bedoelingen van André's oom in de hand te werken.
—"Daar komt hij aan", zeide zij, toen zij hem met gebogen hoofd en knikkende knieën de stoep zag afgaan. "Hij steunt op den arm van den lakei om in de koets te klimmen. Zou hij zich verwijten, André op den verkeerden weg te hebben gebragt? Een gewezen diplomaat, dunkt mij, moest minder aan het oordeel der wereld hechten. Hoe kon hij van te voren weten, dat zijne aansporing nadeelige gevolgen hebben zou voor André? Wordt, al naar de uitkomst, dezelfde handeling niet beurtelings boosaardig en weldadig genoemd? Geloof mij, mijnheer Timmermans",—en dit zeggende trok zij de hand terug van het gordijn,—"indien gij meer ondervonden hadt, zoudt gij kalmer toezien!"
De goede naam van mevrouw Dijk is tot op dit oogenblik niet volstrekt verloren, en tenzij de hoogmoed haar tot wederspannigheid verleide, kan zij blijven wie zij was. Zij weet nu, dat Adriaan haar aandurft. Doet zij haar voordeel met die wetenschap, dan zullen de praatjes der dienstboden haar weinig deren. Hare vriendinnen zullen haar blijven dulden, omdat sommige van haar insgelijks behoefte hebben aan een toegevend oordeel. Adriaan is edelmoedig genoeg geweest Marcelis eene andere dienst te bezorgen, zoodat zij naar hartelust uit rijden kan gaan met den nieuwen koetsier, zonder gekweld te worden door het denkbeeld, dat haar Automedon bijna de beul van haren minnaar zou geworden zijn. Tot hiertoe heeft zij zich goed gehouden. De dames Dijk, uit Engeland teruggekeerd, weten nog van niets, en het zal slechts van haarzelve afhangen, heeft Adriaan haar gezegd, die onkunde te doen voortduren. Doch zal zij nog eenmaal in haar leven een bezoek van freule Bertha ontvangen? Daaromtrent make niemand zich hersenschimmen. De schrijver van dit verhaal kent slechts één man, die welligt in vervolg van tijd, mogt het toeval hem met Lidewyde in aanraking brengen, een gunstigen invloed op haar zou kunnen uitoefenen: Eduard Stephenson.
Met een kort berigt omtrent dezen zou de auteur reeds hier ter plaatse afscheid wenschen te nemen van het publiek. Er is evenwel een persoon wiens naam hij ongaarne voor het laatst bewaren zou en van wiens doen en laten men nogtans niet geheel onkundig mag blijven. Dokter Ruardi namelijk verkeert tegenwoordig veel minder bij Adriaan Dijk aan huis dan voorheen. Sarah heeft zorg gedragen dat Lidewyde's striemen niet door balsem van zijne hand zijn verzacht, en tot hiertoe deed geenerlei ongesteldheid, voorgewend noch wezenlijk, haar de hulp der fakulteit inroepen. Mogt zij te eeniger tijd ernstig ziek worden, dan zal zij Dijk verzoeken, een professor te ontbieden van eene onzer hoogescholen, of anders, want de vermaardheden wisselen gelijk het weêr, uit Amsterdam. Zij mijdt het gezelschap van Ruardi zoo veel zij kan, en hij maakt haar dit gemakkelijk. Want hoewel hij schijnbaar over haar getriomfeerd heeft, hindert het hem, dat zij hem eerder moede is geweest dan hij haar, en nimmer zal hij vergeten, dat aan een onervaren knaap, met wien hij gemeend had te kunnen spelen en die hem eensklaps met gelijke munt had durven betalen, eenmaal boven hem de voorkeur gegeven is, door haar. Ook heeft, vreemd genoeg, de man, die anders altijd met zichzelven in vrede leefde, er geene rust bij, dat hij Dijk heeft moeten gebruiken om den hoon hem aangedaan op Lidewyde en André te wreken. Met uitzondering van dien éénen doorn in het vleesch, is hij nog steeds dezelfde en gaat voort den type te vertegenwoordigen van den valschen kosmopoliet der 19de eeuw. Jonge mannen, voor wie die les dienstig zou kunnen zijn, mogen van hem leeren, dat het niemand tot eer verstrekt, geen gemoed te hebben en geen vaderland te erkennen.
De jonge priester, wiens orthodoxie, gestaalder dan die van freule Bertha, het misschien eenmaal gelukken zal, Lidewyde tot het inzigt te brengen, dat de Bekentenissen van Augustinus de voorkeur verdienen boven die van Rousseau, Stephenson woont nog te G. en ziet iederen ochtend uit zijne boven-achterkamer den grijzen pastoor zijne klompen aanschieten en zijne bloemen reinigen. Men had mij verhaald dat hij een echt handschrift bezat van de oudste hollandsche vertaling der Imitatio Christi, en daar ik er belang in stelde, eene onder mij berustende kopij dier vertaling, genomen naar een sedert uit het oog verloren tweede exemplaar van hetzelfde handschrift, met het zijne te kollationeren, heb ik mij zelven het vorig najaar het genoegen gegund, hem een bezoek te gaan brengen. Hij bleek de dienstvaardigheid in persoon, en nam het volstrekt niet kwalijk dat ik Thomas à Kempis niet voor den maker van het boekje der Navolging hield. Toen wij eenigen tijd over dat onderwerp hadden doorgepraat, bemerkte ik dat zijne stem hem van lieverlede begaf. Hij moest zich nederzetten in zijne matten stoel bij het venster, en over zijn gelaat verspreidde zich eene bijna doodelijke bleekheid. Ik vroeg, of ik hem welligt met iets van dienst kon zijn. Met de hand wenkte hij van neen, en noodigde mij uit, weder plaats te nemen; want ik was opgestaan met het oogmerk mij te verwijderen om een der huisgenooten te roepen. Naderhand zou het mij gespeten hebben, indien ik niet had mogen blijven; want toen hij eene poos had uitgerust en weder spreken kon, vroeg hij naar mijn geloof en schetste mij het zijne met een vuur en eene liefde, die de hoogste bewondering verdienden. Het was vijf uur in den namiddag, toen ik bij hem werd toegelaten, en toen de zon tegen zeven uur onderging, was ik nog niet vertrokken. Hij zat met het aangezigt naar het westen, en wees mij, achterover leunend in zijnen stoel, boven de daken der huizen en de toppen der boomen in de tuinen, den rozengloed aan het firmament.
—"Ik ben geen onvoorwaardelijk bewonderaar van uwe jongere protestantsche dichters," zeide hij, om weder op het onderwerp van ons gesprek te komen. "Maar een van hen, een vroeg gestorven vriend van u, naar ik meen, heeft toch somtijds den regten toon getroffen. Er is zuiver godsdienstig gevoel in de bede die hij ergens een kranken voorganger onder uwe dissenters laat slaken:
Leid mij zachtkens naar huis, In de dienst van uw kruis, Die mijn ziel zich zoo lieflijk gedacht heeft! Dat ik werkend bezwijk, Als een knecht van uw rijk, Die zijn dagwerk geloovig volbragt heeft!
—"Het metrum is misschien niet geheel en al oorspronkelijk;" ging hij voort, "maar de toestand van den stervenden jongen leeraar is goed begrepen en juist weergegeven. Het is anders het fort van uwe protestantsche dichters niet. Het is alsof de wereld van het priesterlijk gevoel een gesloten paradijs voor hen is."
Nog geruimen tijd fantaseerde hij voort op dit thema, en poogde mij aan het verstand te brengen, dat geene andere mannelijke roeping in deze wereld zulk een voorregt en tevens zoo rationeel is als die van den roomschen priester. Doch mijne aandacht was voor goed afgeleid. Door mij te herinneren aan dat gedichtje, had hij mij woorden doen vinden tot kenschetsing van zijnen eigen toestand, en ik wist niet of de zelfverblinding van den teringlijder, die niet gevoelde dat zijn eigen leven aan een zijden draad hing, aandoenlijk dan wel een al te sprekend bewijs der menschelijke kortzigtigheid was. Onder dien indruk verkeer ik nog thans. Denk ik aan Eduard Stephenson dan zie ik hem, gelijk op dat oogenblik, in zijnen stoel bij het venster zitten, met zijn manuscript der Imitatio naast zich op de tafel, en met den vinger naar het westen wijzend. Tevens vind ik dan op nieuw de strofe, die hijzelf mij toen aan de hand deed:
En ik hoorde hem aan Met een lach en een traan; 'k Had de zon nooit zoo plegtig zien dalen: En dat bleeke gezigt Werd zoo sprekend verlicht Door de laatste, haar stervende stralen.