't PRINSJE.
Reading edition
Ze zeggen, dat ze niet meer bestaan, de booze toovenaars en de goede feëen, de sprookjesprinsen en prinsessen. Maar ik weet beter, want 'k heb zelf zoo'n prinsje in de klas gehad.
Hij was geboren in een marmeren paleis met gouden poorten. Zijn ivoren wiegje was bekleed met dons en satijn en had kanten gordijntjes, zoo fijn als spinrag. Toen hij wat grooter werd, zat hij vaak op een fluweelen kussen aan de voeten van zijn moeder, de Koningin, die een schoone jonge vrouw was en steeds een sleepend, zijden gewaad droeg. Dan vertelde zij 't luisterend prinsje bonte verhalen of zong hem weemoedige balladen voor, waarbij ze zich al tokkelend op de harp zelf begeleidde. Soms nam zijn vader, de Koning, hem mede op zijn tochten door bosch en veld. De ernstige man sprak niet veel, maar hier of daar wees hij 't knaapje aan zijn hand een der vele wonderen uit de natuur: een kleurige vlinder, die voor 't eerst de stralende vleugels ontvouwde, of de duizenden doorzichtige blaadjes, die in één nacht aan den statigen ouden beuk waren ontloken.
Zoo groeide 't prinsje op, te midden van schoonheid en goedheid, de vreugde en trots van het edele koningspaar. Tot op een vreeselijken dag de booze toovenaar kwam. 'k Weet niet, wat zijn toorn zoo had opgewekt, ook niet, wien zijn wraak voornamelijk gold, het prinsje zelf of zijn rampzalige ouders. Maar heimelijk, in 't holst van den nacht, ontvoerde hij 't slapende kind en bracht het—naar de groote, zwarte stad, waar de glazenwasscher Jan Krul met z'n gezin woonde. Geruischloos nam hij den kleinen Keesje, die, wat leeftijd en grootte betrof wel wat op 't prinsje geleek, uit de bedstee en legde 't vorstenkind op zijn plaatsje. Daarop bestreek hij de oogen van vader en moeder Krul met tooverzalf, zoodat zij den anderen morgen de verwisseling niet bemerkten. Zoo heette 't prinsje voortaan Kajsie Krul en leefde in 't gezin van den glazenwasscher. En zoo gebeurde het, dat hij te midden van veertig gewone volkskinderen bij mij in de klas kwam.
Moeder Krul kwam hem zelf brengen, den eersten dag.
„Da's nou nummer vaif,” lachte ze. „Maar nou raak ik ook soowat door me sorteering heen, 'k het er nog maar twee thuis, een meissie van vier en eentje in de wieg.”
't Prinsje stond voor me met neergeslagen oogen. Een glanzende, zachtbruine lok viel even over z'n blank voorhoofd, de zijden wimpers lagen trillend op z'n even-rose wangetjes. Hij draaide en plukte aan 't parelmoeren knoopje van z'n kieltje, en 'k lette op, dat z'n vingertjes slank en fijn waren, met bolle ovale nageltjes en dat 't smalle handje en 't tengere polsje een delicate ronding hadden.
Moeder Krul scheen m'n verwonderden blik te zien.
„Hij is een beetje vreemdig,” zei ze zachtjes, als vergoelijkend. „Maar sacht as een lam, hij gaat maar stilletjes se aige gang, je het er gain kind an. Daarom is tie ook niet na 't klaine schooltje geweest, nog gain dag; 't was sonde fan de cente. Maar nou kent ie ook nog niks, niet eens tot tien telle. De juffrouw mot maar een beetje geduld met 'm hebbe—hier haperde ze even—'m niet te hard anpakke.”
Hem niet te hard aanpakken!
Heel voorzichtig nam ik z'n hoofdje tusschen m'n beide handen en streelde even z'n wangetjes. Ze waren zoo zacht, zoo zacht—nee, wie nog nooit een betooverd prinsje gestreeld heeft, kan zich toch niet voorstellen, hóe zacht die wangetjes waren.
En toen opeens, als het wonder in een sprookje, daar sloeg hij de sidderende wimpers op en gunde me een enkelen blik in z'n wijde, lichtbruine droomkijkers met de groote schitterende pupillen. En meteen had hij ze ook weer neergeslagen. Maar ik voelde me vreemd ontroerd, alsof ik een groote gift ontvangen had, iets heel geheimzinnigs en heel moois. En toen begreep ik, dat 't geen gewoon proletarenkind was, dat voor me stond, maar een betooverd sprookjesprinsje.
Hij leerde lezen en schrijven en sommetjes maken, gelijk op met de andere kinderen. Vooral schrijven deed hij allerliefst, fijne puntige letters met beverig-dunne ophaaltjes. Trouwens, alles wat uit z'n handjes kwam, was onberispelijk, de cijfers van z'n sommetjes stonden kaarsrecht onder elkaar en bijna nooit was er een fout in. Wat kon 't me dan schelen, dat hij nauwelijks één rijtje sommen af had, als de meeste kinderen er al vier klaar hadden!
Uit zichzelf praten deed hij nooit; als je hem wat vroeg, kreeg je nauwelijks een gefluisterd woordje terug. Z'n stemmetje kreeg je pas te hooren bij de leesbeurt, want dan moest het. 't Was een hoog, hel geluidje, haast met iets angstigs er in. Maar bij 't zingen—je moest dicht langs z'n bank loopen, want hij deed 't maar heel zachtjes en je moest net doen, of je heelemaal niet op hem lette—klonk het welluidend en fijn als een vogelgeluidje.
De jongens uit de klas namen in 't minst geen notitie van mijn prinsje, maar de meisjes waren dol op hem. In 't speelkwartier waren er altijd wel een paar, die hem bij de hand namen en mee in den kring trokken. Dan liep hij een klein poosje gewillig mee in de rondte te draaien, van
Blauwe, blauwe fingeroed Hadde we cheld en hadde we choed..
tot hij zachtjes z'n handjes los maakte en als een muisje tusschen de woelige bende doorglipte. Even later kon je hem dan in een hoekje van de speelplaats vinden, geheel verzonken in de bewondering van een glazen stuiter, die binnenin al de kleuren van den regenboog vertoonde of met z'n teere vingertjes een stukje glanzend rood staniol liefkoozend en er voorzichtig de kreukels uit strijkend. En als ik hem dan zoo zag staan, kon ik nooit de gedachte van mij afzetten; „Nu herinnert hij zich de duizend kleuren van de springfontein voor zijn voorvaderlijk paleis, of hij denkt aan de zijden gewaden, die zijn gracielijke moeder droeg.”
Al wat ik aan dergelijk moois in handen kreeg, bewaarde ik dan ook voor hem: het goudpapieren „hoedje” van een apothekersfleschje, of een plakplaatje met een rose satijnen roosje; want ik wist, dat ik hem daar den heelen dag gelukkig mee maakte. Wat hij er in zag? De gouden koningskroon van zijn vader, de bloemen uit het slotpark? Hij nam m'n geschenken altijd zwijgend aan, als een hulde, die hem vanzelf toekwam, bekeek ze lang en aandachtig en beloonde me alleen af en toe, met even z'n zachte kijkers naar me op te slaan.
Ik was trouwens niet de eenige, die hem verwende. Vaak midden onder 't spelen, kwam een troep meisjes met fladderende witte schorten als een zwerm vogels neergestreken, meest een van de groote zusjes Krul met haar vriendinnetjes. Onder luid gesnater omringden ze het prinsje, streelden en troetelden hem en brachten hem wat lekkers. Met neergeslagen oogen, het hoofdje wat afgewend en met een nauw merkbaar glimlachje in de hoekjes van z'n mond aanvaardde hij haar hulde, maar toch geloof ik, dat hij altijd blij was, als ze na een laatste haastige liefkoozing weer wegvlogen. Dan zocht hij een eenzaam hoekje op, en ging op een paaltje van 't hek of op een stoeptreetje naar hartelust zitten droomen. Zoo, in elkaar gedoken, de handjes om de knieën, was hij weer terug in z'n eigen sfeer, herdacht hij de purperen zonsondergangen op z'n lievelingsplekje in 't park en hoorde de klagende tonen van de gouden tooverharp en 't liefelijke gezang van de schoone Koningin.
Eén keer heb ik m'n sprookjesprins een kleinen dienst kunnen bewijzen en de herinnering daaraan verheugt me nog.
't Werd winter, en 't werd koud. En nog elken dag kwam hij op school in 't zelfde afgewasschen katoenen kieltje, waarvan de mouwen hem maar even over de ellebogen reikten. Z'n armpjes zagen akelig blauw, 't satijnen velletje voelde koud als marmer.
Toen vroeg ik hulp bij een van m'n kennissen, die zelf een zoontje in dien leeftijd had. En ze gaf me een allerliefst matrozenbloesje, dat haar jongsten zoon te klein was geworden, maar dat hij nog haast niet gedragen had. Ik zie het nog voor me; 't was van crême cheviot met koperen knoopjes, een fijn zijden lintje van voren en een geborduurd anker op de linkermouw. Graag had ik er m'n prinsje zoo mee gezien, maar dat wou ik moeder Krul toch niet aandoen, en daarom besloot ik, het eerst marineblauw te laten verven.
's Middags voor schooltijd ging ik het halen en nam het meteen mee naar school. Al uit de verte zochten m'n oogen het prinsje. Jawel hoor, daar stond hij tegen den muur geleund in z'n gewone houding, de oogen omlaag. Honderd kinderen speelden en stoeiden onder luid lawaai om hem heen, knikkerden, sprongen touwtje, zaten elkaar schreeuwend achterna, keven, vochten samen en sarden elkaar,—hij stond er onbewogen tusschen in en draaide in z'n dunne vingertjes een stukje griffel om en om, al maar genietend van 't mooie velletje met schuine paarse strepen.
'k Tikte 'm op z'n bolletje: „Zeg, wil je me helpen dragen? Dan mag je vast mee naar binnen. Maar niet laten vallen, dan breekt het.”
Doodvoorzichtig nam hij het pakje aan, en het behoedzaam in beide handjes voor zich uit dragend, liep hij met me mee. In de leege klas gekomen, zei ik: „Ziezoo, nu moet je maar eens kijken, wat er in zit, want het is voor jou.”
Dat begreep hij niet zoo gauw, en daarom maakte ik het pakje maar voor hem open. 't Bloesje was keurig geworden; zoo als het daar lag, netjes opgevouwen en gestreken, leek het werkelijk gloednieuw.
't Prinsje stond er bij te kijken. Z'n wangetjes kleurden er van, z'n oogen glansden, het mondje stond half open, z'n handjes trilden even. Maar hij wist toch nog niet goed, of het droom of werkelijkheid was.
Ik vond het te mooi, om er alleen van te genieten en haalde er een van m'n collega's bij, die al evenveel bewondering voor m'n prinsje had, als ik zelf. En samen kleedden we hem aan.
't Zat hem als „gegoten”. We strikten het zijden lintje met zorg, trokken den kraag nog wat af, keerden hem om en om; hij was in één woord onberispelijk.
't Prinsje keek en keek maar. Naar de glimmende knoopjes, naar 't mooie strikje, naar 't zijden anker, naar z'n twee fijne handjes, die nu zoo klein en sierlijk uit de goed-sluitende mouwtjes kwamen kijken, en toen, even, naar ons. Z'n groote, reebruine oogen met de zwarte schaduwstreepjes der lange wimpers hadden een warmen gloed, 't heele gezichtje bloosde, hij was midden in het tooverland.
En dien ganschen middag is hij daar gebleven. De klas heeft gelezen, geteekend, gezongen, m'n prinsje heeft gekeken, genoten, gedroomd. Telkens op nieuw gleden z'n blikken liefkoozend langs 't mooie blauwe kieltje, dan, aarzelend, krabbelde z'n rose vingertje even over 't koperen knoopje, peuterde aan 't strikje, streelde eerbiedig het geborduurde anker. Ik kon er m'n oogen niet af houden. Maar zoodra hij m'n blik voelde, trok 't vingertje gauw terug en blozend wendde hij 't hoofdje af. Even later was de verleiding echter weer te machtig en dan kroop het tastend vingertje weer voor den dag en dwaalden z'n oogen weer over den ontzaglijken rijkdom heen. 'k Weet werkelijk niet, wie dien middag meer genoten heeft, m'n prinsje of ik zelf.
Uit mijn handen is hij overgegaan in die van een „meester.” Of die 't geheim van z'n vorstelijke afkomst ook dadelijk geraden en hem „niet hard aangepakt” heeft? En ook degene, onder wiens leiding hij vervolgens is gekomen?
En wat hij later worden moet? Stratemaker, omroeper, fabrieksarbeider, of misschien ook glazenwasscher?
Ik kan me maar één oplossing denken, en zoo zal 't ook zeker wel gebeuren. In ieder sprookje toch heb je naast den boozen toovenaar altijd de goede tooverfee. Zij moet 't geweest zijn, die 't prinsje de bonte droomen en heerlijke visioenen voor oogen tooverde en hem, als hij op z'n stoepje zat, de mooie sprookjes in 't oor gefluisterd heeft. Ongetwijfeld waakt ze steeds over hem en tracht het uur van zijn bevrijding te bespoedigen. En slaat dat uur, dan hervindt mijn prinsje zichzelf, stralend van jeugd en schoonheid, gekleed in 't wit satijn, rijk met goud bestikt! Dan bestijgt hij juichend zijn vurig, zwart ros en snel als de gedachte verdwijnt hij voor onze oogen en rijdt zegevierend het wonderschoone sprookjesland binnen!