← Table of contents
Kinderen uit m'n klas

JUUDJE.

Reading edition

Enfant, vous êtes l'aube et mon âme est la plaine Qui des plus douces fleurs embaume son haleine Quand vous la respirez. VICTOR HUGO.

Wat is het toch, dat ons zoo machtig in het kind bekoort, ons zoo onweerstaanbaar tot hem aantrekt, ons steeds opnieuw weer weet te boeien?

Zou 't niet het nieuwe, frissche, ongerepte wezen? Die oogen, zoo helder en klaar, dat velletje zoo zuiver en fluweelig, de tandjes zoo blinkend wit, het haar zoo fijn en zoo glanzig! En meer dan dat alles tezamen, z'n zieltje! Is er iets bekoorlijker, aantrekkelijker, boeiender dan de kinderziel? Iets frisscher, nieuwer, oorspronkelijker?

Het kind volgt nog niet de versleten, platgetrapte paden van ons conventioneele denken, het oordeelt en handelt naar z'n eigen—meest zeer logischen—gedachtengang. En de resultaten zijn steeds belangwekkend, vaak oerkomisch, soms zelfs verrassend!

De wereld bestaat uit ooms en tantes, koekjes en bonbons zijn gratis overal verkrijgbaar, een veldbloempje, een blank kiezelsteentje zijn niet genoeg te waardeeren schatten, een vlechtmatje (liefst rood-met-goud of blauw-met-zilver) is oneindig veel mooier dan Moeder's Perzische kleedje, de hond van den melkboer is een zeer gezien persoon, wiens relatie op hoogen prijs wordt gesteld, met de schillenkar een eindje mee mogen rijden behoort tot de zaligste genoegens, den „IJsco-man” een uurtje helpen, tot de hoogste onderscheidingen.

Zoo zou ik kunnen doorgaan en ieder uwer zou m'n lijst kunnen verrijken met teekenende grappige voorbeelden.

Want elk kind, 't zij dom of schrander, stil of uitbundig, gesloten of mededeelzaam, onbeduidend of geestig—verraadt ons nu en dan door een komisch gezegde 't verrukkelijk-origineele van z'n denken en voelen. Een kind, beroofd van dit echt-kinderlijke, kunnen we ons haast niet voorstellen. 't Zou doen denken aan een lente zonder bloemen, aan een vrucht zonder sap, aan een bosch zonder vogels.

„Judith” las ik op de leerplichtkaart. En voor mijn verbeelding rees een Oostersche prinses met trotsche gebaren en een ongenaakbare houding, met amberkleurige huid en Egyptische oogen, gekleed in kleurige zijde en getooid met gouden sieraden en fonkelende juweelen.

„Juist juffrouw, zoo staat ze ingeschreven, maar wij zeggen altijd maar Juudje.”

Nog met het beeld van m'n Oostersche prinses voor oogen, richtte m'n blik zich op het bleeke, sjofele kindje in haar groenig-zwarten omslagdoek. En ik was blij om die naamsverandering.

„Ik kom 'r zelf even brengen”, ging de vader voort, zich blijkbaar niet heelemaal op z'n gemak voelend in deze omgeving van moeders-met-kinderen. „Want 'r moeder is niet meer zoo erg goed ter been, ziet u, die kan alle dagen numero vier verwachten.” En, dadelijk m'n vragenden blik begrijpend, met echte vadertrots: „Ja, zij is de oudste, onder haar heb 'k nog een jongen en een meisje!”

Weer keek ik naar m'n Oostersche prinses. En opeens, met een schok, zag ik, dat dit kind geen kind was, maar een oud vrouwtje in miniatuur. Kwam het door die ouwelijke omslagdoek, door de gelige bleekheid van 't magere gezichtje, door het wisselen der tandjes, wat haar een mummelmondje gaf? Nee, dat was het allemaal niet: 't was het ouwelijke, zorgelijke kijken der half toegeknepen oogjes, 't was het ouwelijke, zorgelijke zieltje zelf, dat me uit die oogjes aankeek.

Ze schenen te weten, die oogjes, van al de zorgen en pijnen der aanstaande bevalling, ze schenen me levenswijs toe te knikken met een: „Ja, wat zeg je dr van, nou al nommer vier, waar moet het op die manier naar toe? En wat een moeite en getob, om die allemaal fatsoenlijk groot te brengen!”

En met ontzetting dacht ik: Wat moet dat kind in die zes jaar van haar bestaan aan levensvreugde te kort zijn gekomen, met hoeveel zorgen en zorgjes is dat heel-jonge zieltje al bezwaard, dat het nu reeds iedere frischheid, iedere veerkracht mist! Of, erger nog, zou het die ooit wel bezeten hebben? Zouden misschien de zorgen en bekommernissen van een lang voorgeslacht al vóór de geboorte hun stempel op haar hebben gedrukt; zou ze met dit oude versleten zieltje op de wereld zijn gekomen?

Twee jaar hield ik Juudje in m'n klas, niet één keer in al dien tijd zag ik haar als een echt kind. Spelen deed ze nooit. „Je schoene hebbe d'r zoo van te lije en de kindere trekke je altijd je goed stuk”, antwoordde ze, als 'k haar vroeg, waarom ze niet mee hinkelbaantje of kruip-door-sluip-door speelde. Veel liever kwam ze aan m'n arm hangen, om me deelgenoot te maken van alles, wat er zoo zwaar op haar hartje woog.

Want snateren kon ze en deed ze graag, als een echt oud wijfje. En terwijl ze zoo bezadigd naast me heen en weer drentelde, onthulde het schelle stemmetje met de scherpe keelgeluidjes me heel de intimiteit van het huishouden, waarin ze leefde. Van kleine Iesie af, die „niet zuigen wou” en „dauwwurrem” had, tot Opoe toe, die met oome Mau ook bij hen inwoonde en die kookte en de aardappels schilde, terwijl oome Mau met Vader op negosie ging.

't Scheen wel, of dat kind nooit een pop of prentenboek bezeten had, of ze nooit vroeg naar bed ging, of ze nooit iets anders deed dan tusschen de groote menschen zitten, hun gesprekken afluisteren, en hun zorgen en zwarigheden in haar klein hoofdje opnemen en verwerken. En ook scheen 't, alsof er nooit iets anders dan zorg en narigheid verhandeld werd in dat gezin!

Met de andere kinderen ging Juudje om, zooals ze 't, denk ik, van haar moeder met de buurvrouwen had afgekeken: wantrouwig, scherp, venijnig en bovenal, critisch! „Gunst, wat een gekke hoed heb je op!” „Ajakkes, dat zou ik niet lusten, hoor,” of „'t Gaat jou wat an, as me moeder me haar zoo wil strengele”.

Maar nooit zag ik haar met een „vriendinnetje” samen van dezelfde appel bijten, hapje om hapje, zooals kinderen zoo graag doen, of met de armen om mekaars hals en oogen als sterren elkaar de gewichtigste geheimen influisteren: „Nee zeg, en moetje hooren...”

Zelfs met haar eigen broertje en zusje speelde ze niet, veeleer had ze iets van een bedillerige zure gouvernante. Als 't Zaterdagsmorgens mooi weer was, kwam ze, keurig uitgedost, met ze naar 't plantsoentje, om mij in 't speelkwartier te begroeten. En dan moest je haar hooren: „Lewietje, geef de juffrouw een handje.... Nee domme jongen, je mooie handje.... he je nou wéér een vuile neus? waar he je je zakdoek dan gelate?... Sefietje! wil je hier blijve, mot je valle en je mooie jurk vuil make?... Lewie schop niet zoo tege die steentjes, je stoot je heele schoene stuk!”

Meen niet, dat ze niet van ze hield. Maar haar liefde wist geen andere uiting dan de getrouwe nabootsing van moeders opvoedingssysteem en ze kwam dus niet verder dan tot knibbelen en vitten en een angstvallige zorg voor hun kleeren en schoeisel. En broer en zusje van hun kant? Noch het nerveuze rustelooze jongetje, noch de kleine waggelende dikzak met haar rooie wangen en tintelende pretkijkers trokken zich iets aan van de vermaningen van groote zus Juudje, maar evenmin toonden ze haar eenige aanhankelijkheid. 't Leek me een ondankbaar werk, de educatie van Lewietje en Sefietje, maar toch gaf zij er nooit den moed bij op.

Het voorjaar bracht eenigen welstand in 't gezin: Vader was nou „in de bloeme”, zooals Juudje me, niet zonder trots, vertelde. En de bewijzen daarvan ontving ik dan ook spoedig genoeg: Alle voor den handel afgekeurde koopwaar werd grootmoediglijk voor mij bestemd, zoodat van nu af aan m'n lokaal steeds vol stond met verlepte, half-uitgevallen bloemen.

't Was een echte bezoeking. Toch had ik niet het hart, ze weg te gooien, eer ik er met Juudje over geconfereerd had en we samen tot de conclusie waren gekomen, dat het mooie er nu toch wel zoowat af was. En ook probeerde ik maar ieder keer opnieuw een opgetogen gezicht te zetten, als ze weer met zoo'n handjevol slappe geknakte pronkstukken kwam aanzetten. Erkend dient te worden, 't koninklijke gebaar, waarmee ze mij werden aangeboden, maakte veel goed. En bovendien kreeg ik bij iedere bezending een gratis les in de plantkunde op den koop toe.

„Weet u nou, wat dat benne?” vroeg ze dan, met een neerbuigende vriendelijkheid.

„'k Geloof een soort dubbele narcissen?” giste ik aarzelend, vooruit al bevreesd, dat 'k weer „onvoldoende” zou halen.

Haar meelijdend glimlachje bevestigde m'n vrees. „Nee”, wees ze me terecht, zooals je 't een klein kind doet, dat vraagt, of die rooie dingetjes daar boven in de denneboomen nou geen worteltjes zijn, „nee juffrouw, dat benne prins-augeenejussen! En die, dat benne kweenviktorejaa's!”

Ja, dank zij 't „Geschäft” van haar vader, had ze van veel artikelen verstand. Toen ze eens een klein ventje in verrukking zag over een purperkleurige capsule van een flesch, goot ze koud water op z'n enthousiasme door te beweren, dat „dat geen cent waard” was. Een volgend keer wist ze een andere dreumes, die zich schatrijk waande met een stuk zilverpapier, nauwkeurig in te lichten, dat het geen „echt zilver” was en dat haar vader dat verkocht voor zóóveel centen het kilo. Voor hoeveel centen wist ze ook precies, maar ik ben het tot m'n spijt vergeten.

Op mijn beleid viel ook heel wat aan te merken, vond Juudje. Lieve hemel, wat was ik roekeloos! Ik nam zóó maar een nieuw pijpje krijt, als 't andere nog niet heelemaal op was. In 't begin hadden we zelfs formeel strijd over dit laatste punt. Als zij 's Zaterdags verzuimd had en dus 't blad van haar schrijfboek niet mee had kunnen vol schrijven, verzette zich haar gansche ikheid er tegen, om 's Maandagsochtends op een nieuw blaadje te beginnen en steevast kwam dan haar vingertje omhoog: „Juffrouw, mijn blaadje is nog lang niet vol.” Tot ik haar vertelde, dat ze later, als ze 't heelemaal netjes volgeschreven had haar schrijfboekje mee naar huis mocht nemen. „En dan kun je je thuis nog eens oefenen op al die open plekjes”. Toen was ze met het idee verzoend: „en daar kan me moeder dan nog es een briefje op schrijve”, oordeelde ze praktisch.

't Ergste had ze het te stellen, als ik nieuwe pennen uitdeelde. Ten eerste: waren al die pennen nu wel genoegzaam versleten? Zij had b.v. met de hare gisteren nog best kunnen schrijven. Stel nu eens, dat er nog een stuk of wat zulke dragelijke pennen onder waren, die ook nog eenige dagen meegekund hadden! 't Was eenvoudig niet om aan te zien, zoo'n kapitaalsvernietiging! En dan, dan liet ik al die oude pennen ophalen—en zóó maar in de prullemand gooien! Wie gooide nu iets weg, dat nog zooveel waarde had? Wie weet, hoeveel ze nog wel per kilo opbrachten!

Zoo ongeveer moet haar gedachtengang wel geweest zijn, want alleen op die manier kan ik haar aarzelend verzoek verklaren, of zij die pennen mocht hebben, die in de prullemand lagen. En gelukkig heb ik het begrepen en haar stellig beloofd, dat ik ze een volgenden keer voor haar zou bewaren. Intusschen schijnt ze echter bij vader haar licht te hebben opgestoken, betreffende de handelswaarde van roestige pennen; ze heeft er tenminste nooit weer om gevraagd.

Arme kleine Juudje! Voor ons allen breekt eens de dag aan, waarop we tot de droeve ontdekking komen, dat er op de wereld ook nog andere menschen zijn, dan „ooms en tantes”, die slechts ons welzijn beoogen. Vroeger of later ervaren we, dat veel van wat zoo mooi blonk en schitterde, enkel klatergoud of „zilverpapier” was. Maar nog nooit is iemand door die wetenschap gelukkiger geworden.

En daarom bekruipt me telkens, als 'k weer aan m'n arme Juudje denk, het diepste medelijden. Want niets lijkt me troosteloozer, dan het leven nooit anders dan van z'n meest dorren, prozaïschen kant te hebben bekeken, en dus nooit volop kind te zijn geweest. En heel smartelijk voel ik, dat de toekomst geen schatten genoeg kan brengen, om haar dit gemis te vergoeden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings