MIENTJE.
Reading edition
Hij was koloniaal geweest en uit Indië teruggekomen met een stijven arm, een klein pensioentje en een medalje op z'n borst voor 'k weet-niet-hoeveel jaren trouwen dienst. Toen had hij hier een betrekking als kantoorlooper gekregen. En, toen hij zoo tegen de vijftig liep, was de liefde over hem gekomen.
Zij had van haar twaalfde jaar af „gediend”, had altijd „deftige diensten” gehad, waar ze netjes werken en respect voor 't gezag had geleerd. Een spaarbankboekje zal ze ook wel gehad hebben. En toen over haar de liefde kwam, was ze al aardig dicht bij de veertig. In elk geval, ze hadden geen van beiden de ouderlijke toestemming meer noodig.
En het eenige pand hunner jonge liefde, Wilhelmina Helena en nog wat (best mogelijk, dat ze haar naar de Koningin genoemd hadden), kwam op een goeien morgen aan Moeders hand m'n klas binnen.
Nog zie ik ze vóór me; 't was ook geen stel, zooals je ze alle dagen tegenkomt. De Moeder liep mank, op een eigenaardige resolute manier. Bij iederen stap zwaaide haar bovenlijf een eind schuin-rechts naar achteren, maar ze kwam evengoed vooruit als een ander en scheen er ook in 't minst geen last van te hebben. Ze droeg een lange, wijde rok, die 't stof van den vloer bij elkaar veegde, een soort ouderwetsche schoudermantel, waarschijnlijk een erfstuk, en een torenhoog kapotje, waarvan de gitjes vroolijk heen en weer schommelden bij iederen ruk van haar rechterbeen. Haar gezicht leek van hout, 't was geelbleek en vierkant en deed me dadelijk aan Katrijn uit de poppenkast denken. Ze zag er niet bepaald „gemakkelijk” uit, maar tegen mij was ze suikerzoet en uiterst beleefd, want ik vertegenwoordigde in haar oogen de autoriteit; den Burgemeester, de Leerplichtwet, alsjeblief!
't Kind zag er nog zonderlinger uit. 't Had een donkerbruin jurkje aan van een stijve, onmogelijke stof, een lang strak lijfje en een ruime geplooide rok, die haast op haar schoenen hing. 't Grauwe sluike haar was met veel water achteruitgekamd en bijeengehouden door een ijzeren sluitkam. Maar 't meest trof me het gezichtje; och Heer, nooit zag ik zoo'n kindergezichtje, zoo ouwelijk en triest. Uit haar groote bruine oogen keek mij een ziel aan, die voorgoed afstand had gedaan van 's levens blijheid en die met doffe berusting alle verdere slagen van 't noodlot afwachtte.
Zoo kwam het tweetal voortaan elken morgen het lokaal binnen. Pas bij haar bank liet Mientje Moeders hand los. Dan ging ze dadelijk, stil als een muisje, naar haar plaats, vouwde de witte handjes aan den rand en ging me zitten aankijken.
Een paar maal probeerde ik, 't haar af te leeren: „Dat hoeft niet Mien, je mag nu nog zitten, zooals je wilt. Straks als de bel gegaan is, zal ik nog wel waarschuwen.” Dan kwam er even een glimlach op 't groenbleeke gezichtje en gehoorzaam maakte ze haar handjes los. Maar geen minuut later zat ze weer „in de houding.” Blijkbaar vond ze den securen weg toch maar altijd den besten, je kon nooit eens weten, hoe die bel soms onverwachts zou gaan. En zeker had ze ook niet zooveel behoefte aan beweging en vrijheid als een ander kind.
Onder de les spande zij zich in met een ijver, die me soms zeer deed. Ze was niet zoo heel vlug van begrip en ze verzuimde vaak. Toch bleef ze bij, met groote wilsinspanning. Vooral met rekenen had ze moeite, dan hielp ik haar nog wel even apart en dan ploeterde en zwoegde ze zelf verder, tot ze de nieuwe sommen weer de baas was. Maar angstig en gejaagd bleef ze, ondanks mijn herhaalde geruststelling; vrees voor een afkeuring of voor schoolblijven hing steeds als een dreigende wolk boven haar armzalig leventje.
Zag ik b.v. een luie, speelsche jonge dame, die liever poppetjes teekende, dan haar sommen af te maken en zei ik dan: „Hoor eens, al wat je niet af krijgt, mag je na twaalven maken,” dan zag ik dadelijk, dat Mientje 't zich aantrok. Twee roode vlekjes kwamen op haar wangen, 't mondje prevelde gejaagd cijfers: „7 en 9, 7 en 9, eerst doe ik bij de zeven drie....” En of ik dan al zei: „Tegen jou is 't niet bedoeld, hoor Mientje; al heb jij geeneen som af, dan mag je toch naar huis, want 'k weet dat jij je best wel doet,” toch was ze maar half gerustgesteld.
Ja, ze verzuimde vaak, 't stakkertje. 't Begon al na een paar weken. Daar hoorde ik Moeders bekenden stap in de gang, en daar kwam ze al binnen, maar Mientje had ze niet bij zich. Ze putte zich uit in verontschuldigingen, de juffrouw moest niet denken, dat zij 't kind zonder reden zou thuis houden, ze wist heel goed, dat dat tegenwoordig niet mocht van de wet, trouwens 't kind ging zelf veel te graag naar de school. Maar vannacht had ze zóó gehoest en vanmorgen keek ze zóó koortsig uit 'r oogjes, dat ze 't niet op dr verantwoording dorst te nemen, haar met dat gure weer er door te sturen.
Ik verzekerde haar, dat ik overtuigd was van haar goeden wil en beloofde haar, dat ik m'n best zou doen, het dien dag zonder Mientje te redden. Of ze wel vaker hoestte, informeerde ik. En daar kwam ze los.
„Och juffrouw, als 'k u dat allemaal eens vertelde. 't Wurm het er van dr geboorte af an geleje. Toen ze zeven maanden oud was, toen het ze zoo de slijmhoest gehad, dat 'k kompleet dacht, dat ze dr in stikken zou. De tanden zatte vast op dr borsie, ziet u.”
Ik knikte wijs.
„Nou, en na die tijd, sóó as ze in de tocht komt, het se 't weer te pakken. De dokter weet 't ook al precies, 'k hoef me mond niet eens open te doen; soo as die me siet, schrijft ie al soon recepsie voor een drank, een beste drank, soon sterke rooie, u weet misschien wel. En daar knapt se dan soetjes-an weer van op. 'k Ga dr soo meteen maar weer eentje bij de dokter halen.”
Ik wenschte haar beterschap en goed succes met de sterke rooie drank. En werkelijk kwam Mientje een paar dagen later weer op school. Wel had ze nog leelijke hoestbuien af en toe, maar ze hield 't toch weer een poosje dapper vol. Tot op zekeren dag Moeder weer alleen verscheen met dezelfde boodschap van den eersten keer. Op 't laatst was ik al even ver als de dokter: als 'k haar hoofd maar om de hoek van de deur zag, wist ik al, hoe laat het was.
Zoo kwamen we met vallen en opstaan den winter door. Op 't eind van Maart echter miste ze weer op 't appèl, dit keer duurde 't drie, vier weken en nog steeds bleef haar plaatsje ledig. Toen besloot ik, haar eens te gaan opzoeken. En op een middag na vieren stond ik onder aan de donkere steile trap en op 't schelle: „wie daar?” van uit de zwarte holte, riep ik op goed geluk naar boven: „de juffrouw van de school; ik kom Mientje eens opzoeken.” Toen begon ik maar te klimmen, vertrouwend dat ik wel ergens bij Mientje en haar Moeder zou belanden.
Er hing een weeë walm van vuil waschgoed, vermengd met een scherpen geur van bleekpoeder of iets dergelijks; hoe hooger ik kwam, hoe benauwder de lucht werd, 't benam me haast den adem. Eindelijk op de derde of vierde verdieping ('k was de tel kwijt geraakt) werd ik op 't nauwe portaaltje verwelkomd door de moeder, die ik in 't halfdonker haast niet herkende in haar paars jak, zonder de schoudermantel en de wiebelende gitjes. De deur naar 't achterkamertje stond open en daar stond op 't fornuis de pot te broeien, die de vreeselijke lucht door 't heele huis verspreidde. 'k Moest al m'n moed bijeenverzamelen, om er binnen te gaan.
Maar o, die vreugde van dat kind, toen ze me zag! Met haar twee klamme handjes pakte ze m'n hand vast en zóó verheerlijkt keek ze me aan, of ik minstens een engel uit den hemel was, die haar de belofte van de eeuwige zaligheid kwam brengen.
„Ja” zei ik, „ik kom maar eens naar jou toe, want jij schijnt geen zin meer te hebben, om bij mij te komen.”
Ze lachte, een treurig lachje. Toen wou ze wat zeggen, maar op 't zelfde oogenblik kreeg ze een hoestbui. Moeder bood me een stoel aan en maakte haar verontschuldigingen, dat ze me niet in de „mooie” kamer ontving, maar, met een gebaar naar 't hoestende kind, ze kon dat schaap toch niet in zoo'n koude kamer laten.
't Arme kind kon niet tot bedaren komen, ze was bloedrood geworden en de aderen stonden dik op 't voorhoofdje. Ik kon 't niet langer aanzien, beschroomd vroeg ik aan Moeder, of ze misschien niet even 't raam een eindje zou open zetten.
't Was of ik voorstelde, 't kind met haar hoofdje in de kokende waschketel te stoppen. 't Mensch keek me aan, vol verwijt, ook met een tikje medelijden, of ik nou heusch niet wijzer was.
„Maar juffrouw, 't raam open! En u ziet, hoe 't schaap al geen asem kan hale van 't hoeste! Se kan geen tochie vele, dat siet u toch wel.”
„'t Is maar om de waschlucht,” waagde ik nog te zeggen, „daar zal ze last van hebben.”
Maar Moeder schudde medelijdend het hoofd, dat 'k zoo weinig begrip had.
„Dat 's nou juistement wat ze hebbe mot,” leeraarde ze. „Hoe meer natte wasem, hoe beter. Heb u dan nooit gehoord, dat se bij kindere, die de kroep hebbe, een ketel water te stoome sette?”
Ik voelde 't hopelooze van iedere verdere discussie en zweeg dus maar. Gelukkig herinnerde ik me op dat oogenblik 't zakje ulevellen, dat ik onderweg voor Mientje gekocht had, en haalde 't voor den dag. Het gaf een welkome afleiding. Moeders gezicht stond weer geheel verteederd en toen het kind er eentje in den mond stak, bedaarde gelukkig de hoestbui ten slotte.
„En laat je juffrouw nou eris zien, waar je net mee bezig was,” moedigde Moeder aan. „Guns juffrouw, dat kind het toch zoo'n ijver, de heele dag zit ze somme te maken, want anders is ze bang, dat ze niet verhoogd wordt. Nou vandaag zijn 't allemaal sommetjes met „keer”, he Mien, want die vindt ze zoo moeilijk, zegt ze”.
Mientje liet me haar lei zien; 't schaap had 'm vol geschreven met vermenigvuldigsommetjes, die ik de klas geleerd had, juist voordat zij ziek werd. En ze had zichzelf niet gespaard, de moeilijkste had ze uitgezocht.
'k Doorliep de lange rijen cijfers, met zooveel moeite en inspanning verkregen en bij m'n deernis voor 't stumpertje voegde zich eerbied en bewondering voor haar ijzeren plichtsgevoel.
„Je bent een knappe meid,” prees ik. „Maar je hebt ze veel te moeilijk gemaakt. Zoo ver zijn de andere kinderen nog lang niet.”
Er kwam een blijde glans op 't smalle gezichtje.
„Nee hoor, sommen hoef je nu verder niet meer te maken. Ik zal je morgen een mooi leesboekje sturen, dan mag je de verhaaltjes lezen en de prentjes kijken. En op je lei moet je dan maar eens wat moois teekenen. Jij zitten blijven? Geen sprake van, ik neem je vast mee over!”
'k Voelde een brok in m'n keel, toen ik de donkere trap weer af stommelde. En met bitterheid zei ik bij mezelf: „Als die tobberd over een week of wat in dr kistje gelegd wordt, dan heeft ze tenminste nog voor haar dood vermenigvuldigsommetjes geleerd.”
Want 'k dacht geen oogenblik, dat ze 't er door zou halen.
Maar ik had 't niet goed gezien. 't Leven is soms taai. Toen de lente kwam, knapte Mientje weer op en trouw kwam ze weer elken dag naar school. Ze was niet meer zoo schuw voor me, dat hadden zeker de ulevelletjes klaar gespeeld. Ze kwam me nu 's morgens eerst goeiendag zeggen, voor ze naar haar plaats ging, en af en toe kreeg ik wel eens een woordje uit haar. Maar verder den heelen dag bleef ze 't feillooze schoolkind, dat nooit praatte, nooit lachte, nooit zat ze te draaien, nooit onoplettend was onder de les.
En dat was een groot gemak. Haar bank werd mijn sanatorium voor onrustige zielen. De ergste babbelkous, de grootste draaitol kalmeerde onder Mientjes invloed. Ze was gewoon niet van het pad der deugd af te krijgen. Vaak heb ik gezien, hoe de verleiding haar besloop, maar nooit zag ik haar wankelen.
Zoo herinner ik mij, dat ze eens een flodderig meiske tot buurvrouw had, zoo een die thuis niet een al te beste opvoeding krijgt: op haar leerplichtlijst stond achter „Naam van den Vader” een streep en haar moeder was vroeger heel deugdzaam geweest.
't Was een onverbeterlijke snater en daarom had ik haar maar eens naast Mientje gezet, voor haar eigen zielerust en tevens voor de mijne. En nu was er op een morgen een gaping tusschen twee lessen ('k geloof, dat ik nieuwe leesboekjes had moeten opzoeken), waarvan de klas gebruik had gemaakt om heerlijk aan 't babbelen te raken.
Toen ik zoo ver klaar was, en weer bij m'n afgedwaalde kudde terugkeerde, zag ik, dat Floddertje er werkelijk in geslaagd was, Mientjes aandacht te trekken. Ze had één voetje op de zitplank opgetrokken en demonstreerde iets bizonders prachtigs, een gelakt laag schoentje met een „echt sillefere” gespje of een breede zijden veter, of misschien een opengewerkt wit sokje met een lichtblauw randje. 't Groezelige hoofdje met de ingezette krulletjes, waarop een reusachtige zalmkleurige strik danste, schudde waardig op en neer: „....he 'k gistere fan me Aume gekreige, het wel seife guldes gekost.”
Mientje was er zoowaar dwars voor in de bank gaan zitten, en bekeek met oprechte bewondering het reusachtige geschenk. Woorden vond ze niet, haar mondje hing half open en zoo zat ze de sprookjesprinses en haar verfomfaaiden opschik aan te gapen. Floddertje genoot haar triomf met volle teugen, maar ze was nog niet „au bout de son latin”. Ze liet haar voetje weer zakken, tilde haar rokje op. Wat had ze nog meer te vertoonen? Een geborduurde strookje aan 't broekje of onderjurkje? Een smoezelig zakdoekje met „haar eigen letter” er op of een gekleurd randje er langs? Of bevatte het onderzakje nog andere schatten? 'k Ben er nooit achter gekomen, want op dat oogenblik tikte ik met m'n liniaaltje, het gewone sein voor „opletten”! Tegelijk hield ik Mientje in 't oog. Toe kind, bezwijk nu ook eens voor de verleiding, kijk nog even; wat zou er wel in dat onderzakje zitten?
Maar jawel hoor, met een ruk zat Mientje al weer recht, handjes saam aan den rand, en devoot zag ze naar me op. Floddertje waagde nog even een stootje aan haar elleboog en een gefluisterd: „seg, kijk dan”, maar ze kon haar moeite gerust sparen. Mientjes wenkbrauwen trokken zich samen, de aangestooten elleboog maakte een beweging van: och, laat me toch! en gedurende de heele les nam ze evenveel notitie van haar buurvrouw, alsof die niet 'k weet-niet-wat voor verleidelijks onder haar rokje verborgen hield.
Wie onzer durft, wanneer er van nauwgezette plichtsbetrachting gesproken wordt, naast mijn kleine armzalige Mientje gaan staan?
Ze is twee jaar bij me in de klas gebleven. 's Winters was ze meer thuis dan op school, maar 's zomers teekende ze weer bij. Ze bleef klein en schraal, bleek en onooglijk, maar—ze bleef in leven. Toen ging ze over naar een „meester” en 'k zag haar nog maar zelden. Maar als 'k haar nog eens tegenkwam, in de gang of voor de school, dan merkte ik wel aan haar heele gezicht en de manier waarop ze me toeknikte, dat 'k nog steeds „dr juffrouw” voor haar bleef. En toen ze met „loffelijk ontslag” van school ging, kwam ze me nog eens „bedanken voor 't genoten onderwijs”.
Sedert heb ik haar niet meer gezien. Wat er van haar geworden zou zijn? 'k Denk haast wel, dat Moeder „een diensie” voor haar gezocht heeft. Dan kan ze nu zoowat een volleerde dienstbode zijn. En wat voor een! Eerlijk als goud, doodfatsoenlijk, onderworpen, gedwee en—goeie hemel, wat een ijver en plichtsgevoel! Wat zal ze zwoegen en ploeteren voor „d'r mefrou” en de kinderen, wat zal ze een zorg hebben voor „d'r keuken” en d'r „eten!” Wie zou de gelukkige zijn, die in dezen tijd dat lot uit de loterij getrokken heeft?
Daar valt me iets in. Me dunkt, ik heb toch de oudste rechten, ik heb haar „vermenigvuldigen” geleerd. Op 't oogenblik ben ik zelf gelukkig goed voorzien, maar zoodra ik ooit weer verlegen raak, roep ik haar op, per advertentie in alle bladen.
'k Weet zeker, dat ze den volgenden morgen vóór me staat. En over loon en uitgaansdagen worden we 't vast wel eens. Haar eenige voorwaarde zal wezen, dat ze wel een behoorlijken opzegtermijn krijgt voor die „andere mefrou”. Want—plicht en fatsoen boven alles, nietwaar Mientje?