DE MEIJERTJES.
Reading edition
„Alida Antonia en Antonia Alida—of andersom,” stelde het Hoofd ze voor, met een quasi-plechtige armbeweging.
Ze stonden kleintjes en armoedig tegen elkaar aan gedrukt in de groote schoolgang, maar hun loerende oogjes keken toch dadelijk met een zekere vrijmoedigheid naar mij op. 'k Zag twee precies eendere bleeke oude-vrouwtjes-gezichtjes met rood omrande oogjes onder twee gelijke kakelbonte wollen mutsen, twee dezelfde solide wintermantels (knappe kleeren, maar zonder zorg of smaak gekozen voor deze schriele kindertjes) en daaronder twee paar stokkerige dunne beentjes, waar de te wijde kousen slordig omheen slobberden. Ondanks den betrekkelijken welstand van hun kleeding maakten ze zoo'n zieligen, armzaligen indruk, dat het meelij me bekroop.
Maar toen ik ze meenam naar de klas en ze in het zijgangetje hun kapstok wees, vielen ze me toch weer mee. Wel leken ze zonder die dikke jassen haast angstwekkend dun en schraal en hingen de confectie-jurkjes zoo wijd om hun magere polsen en nekjes, dat m'n eerste gedachte was: „He, even een naald en draad, om al die drukknoopjes te verzetten,” maar zij zelf schenen zich behaaglijk en op hun gemak te voelen. Zij begonnen tenminste dadelijk heel vertrouwelijk met me te babbelen.
„Op 't foorige school hinge me ook altijd naas mekaar”, vertrouwde de een me toe, waarop de ander voortging: „en me satte ook naas mekaar in de bank.”
„Hoe noemt moeder jullie nu eigenlijk?” vroeg ik, want ik voelde toch de noodzakelijkheid, ze vroeg of later uit elkaar te leeren kennen, al zag ik er voorloopig ook niet de minste kans toe. En daar ratelden ze weer door elkaar als een lesje, dat ze al zoo vaak hadden opgezegd, dat ze 't wel droomen konden: „Ikke heet Ali en ik Tonia. En we heete allebei na ons pa en moe—want me moe heet Alida en me pa Anton.”
„Ali en Tonia,” dacht ik, terwijl ik ze samen in een bank zette. „Dan moet ik Ali links hebben, zoo leer ik ze het vlugst uit elkaar.” En toen ze daar zoo naast elkander zaten, de twee precies eendere figuurtjes, had ik er toch wel schik van. 'k Was er geloof ik zelfs een beetje trotsch op, 'k vond het zoo iets, waar je thuis van vertellen kunt:
„'k Heb een tweeling in de klas gekregen, en ze lijken op elkaar als twee druppels water. Ik ken ze met geen mogelijkheid uit elkaar, als ze niet op hun vaste plaatsje zitten.”
'k Voelde 't haast, alsof ze van mezelf waren. Och, och, wat zou m'n vreugde me gauw vergaan!
Zij zullen misschien twee of ten hoogste drie dagen in de klas geweest zijn, toen op een morgen een klein meisje, dat achter ze zat, plotseling in tranen uitbarstte: „Juffrau, dat nieuwe meissie het me sponsedoos afgegapt,” waarop het tweeling dadelijk in koor begon te schreeuwen: „Nee juffrau, wij niet, gerust niet, fraag u maar aan de andere kindere.”
M'n eerste werk was natuurlijk, de gemoederen te kalmeeren.
„Bedaar maar,” zei ik tegen 't kleine ding, „die sponsedoos komt wel weer terecht. Maar 'k vind 't niet mooi van je, dat je zoo maar dadelijk zegt, dat dat nieuwe meisje 'm heeft, want je hebt toch niet gezien, dat ze 'm wegnam.”
„Nee juffrau, maar ze het 'r eerst aldoor soo na sitte kijke.”
„Dan was 't zeker een heele mooie. Hoe ziet hij er uit?”
Ze lachte gevleid, door haar tranen heen.
„Aan de eene kant staat de Koningin en aan de andere kant Julejaantje en in 't midden de heele optocht met de gouwe koets!”
„Ja, dat is zeker prachtig. Zoek nu eerst nog maar eens goed in je kastje en onder al de voetenplanken, dan komt hij vast wel voor den dag.”
Hij kwam echter niet voor den dag. En tijdens 't zoeken bemerkte ik een zekere onrust bij m'n tweelingen, een telegrafeeren en scharrelen met elkaar, dat me in 't geheel niet beviel. Daarom zei ik: „Zoeken jullie nu allemaal eens in je kastjes en dan in je zakken. Misschien heeft een van jullie 'm per ongeluk in z'n zak gestoken.”
IJverig gezoek; geen sponsedoos.
„Ja, dan zal ik maar eens gaan zoeken. 'k Begin maar het dichtst bij Nellie's bank.”
En ik begon een der Meijertjes te fouilleeren,—en had dadelijk beet. Groote ontsteltenis in de klas, terwijl Nellie riep: „Ja juffrau, dat is 'm.” Maar daar begon me die kleine deugniet te keer te gaan: „'t Is toch me eige sponsedoos, 'k heb er ook soo een,” en 't zusje ondersteunde haar: „Ja heusch juffrau, me moe hep 'm sellef voor d'r gekocht in 't besarretje bij ons in de straat.”
'k Geloofde er natuurlijk geen woord van, maar nu wou ik toch Nellie's eigendomsrecht bewezen zien. En 'k had een goeden inval.
„Vertel me dan maar eens,” begon ik, „aan welke kant je het sponsje geborgen hebt.” En tegen Nellie: „Jij je mond dicht!”
Ze had nog nooit de kansrekening bestudeerd en wist dus niet, dat ze met brutaal raden 50 pct. kans maakte. Ze liet 't hoofdje opzij hangen en keek verlegen.
Toen tegen Nellie: „Weet jij 't?” En die ratelde dadelijk zonder aarzelen:
„'t Sponsie sit bij Julejaantje en 't lappie bij de Koningin en dr binne drie gaatjes in.”
En daar een nader onderzoek deze getuigenis volkomen bevestigde, kreeg Nellie de sponsedoos terug, terwijl ik tegen 't Meijertje alleen zei: „Je hebt je zeker vergist, je moet thuis nog maar eens naar je eigen sponsedoos zoeken.”
Ze schikte zich heel gelaten in deze uitspraak, blijkbaar in haar schik, dat ze er zoo goed afkwam. Maar mij stond het geval lang niet aan, niet zoozeer nog om 't bezwijken voor de verleiding, als wel om de geraffineerde wijze, waarop die twee kleine dingen gelogen en gedraaid hadden. Hoe slim het echter met ze stond, daarvan had ik nog geen flauw vermoeden. Dat bleek pas eenige dagen later.
De kwestie van het snoepen is op de volksschool heusch geen onbelangrijke. Je moogt het natuurlijk onder de les niet toelaten, maar je kunt toch best begrijpen, dat een kleuter, die een zakje lekkers rijk is, daar geen paar uur van kan afblijven. Daarom tref ik altijd met m'n leerlingen de volgende schikking: Bij 't binnenkomen deponeeren ze vrijwillig hun schatten (ook speelgoed is daarin begrepen) op 't tafeltje en in 't speelkwartier neemt ieder z'n eigendom weer terug. Dat tafeltje is heilige grond: wie 't wagen zou, daarvan wederrechtelijk iets af te nemen, zou vrees ik, gelyncht worden. Vaak kan er een allersmakelijkste collectie uitgestald liggen: drie zuurtjes, een balletje, vijf stukjes drop, een aangebeten appel, een cent, een tol, vier knikkers, enz. Voelt de bezitter zich echter moreel sterk genoeg, om z'n schatten onaangeroerd in z'n zak te laten zitten, dan is hij daarin geheel vrij. Maar blijkt de verzoeking te sterk, dan gaat de zaak ook zonder pardon in de prullemand, al is 't een zak vol koekkruimels.
Toen 'k Tonia dus onder 't lezen rustig zag zitten kauwen, met een mond zwart van de drop, verzocht ik haar vriendelijk, mij den inhoud van haar zak maar eens te vertoonen. Na eenig tegenstribbelen kreeg ik de jonge dame zoo ver dat ze met blijkbare tegenzin een zakje drop voor den dag haalde. Maar 't onderzakje leek me nog zoo vol en m'n argwaan was nu eenmaal opgewekt, dus zei ik: „zoek nog maar eens, misschien heb je nog wel wat.” En toen kwam onder luid geschrei met horten en stooten een collectie snoepgoed voor den dag, waarvan ik de waarde toch minstens op een stuiver of zes schatte.
„Kind, hoe kom je aan al dat lekkers?” vroeg ik verbaasd.
„He 'k van me moe gekrege,” huilde ze.
„Hoeveel centen heeft moe je dan wel gegeven?”
„Een dubbeltje”.
„Dat heb je dan toch niet allemaal uitgegeven? Hoeveel centen heb je nog over?”
Aarzelend grabbelde ze twee centen onder uit haar zak. Toen wist ik genoeg en 'k liet haar de heele zak omkeeren. Er rolden een stuk of wat dubbeltjes en centen uit.
„Hoe kom je aan dat geld?”
„'k Mot een boodschap voor me moe doen, as 'k uit school kom”. Ze begon nu onraad te vermoeden en brulde of ze gekeeld werd.
„Wat moet je dan halen?”
„Een pond farkeslappies, bij de slager.”
'k Begon nu te gelooven, dat ze vanochtend werkelijk geld voor een boodschap had meegekregen en er de helft van versnoept had. Maar heelemaal zeker was ik nog niet. Toen kwam ik op de gedachte, ook bij 't zusje eens den inhoud van haar zak te onderzoeken en haalde daar een zoowat even groot kwantum lekkers en een ongeveer gelijk bedrag aan geld uit. Nu was ik de kluts heelemaal kwijt.
„En hoe kom jij aan al dat geld?” vroeg ik streng.
„'k Mot ook farkeslappies foor me moe hale”, blerde ze met een vierkante huilmond.
'k Vond het geval ernstig genoeg, om er werk van te maken en verloor dus maar geen tijd met pogingen, om bij die twee achter de waarheid te komen. 'k Nam al 't geld en snoepgoed in beslag en ging 't Hoofd inlichten. Die trok ook een bedenkelijk gezicht en zei: „We zullen dadelijk de moeder hier laten komen.”
En zoo werd ik een half uurtje later uit de klas geroepen: „Meneer fraagt, of u effetjes in 't kamertje wil komme.”
Toen 'k door 't leege, holle schoolportaal liep, waren ze in een der hoogere klassen aan 't zingen. Uit de ongeoefende kelen klonk het schel, in afschuwelijk grootestadsdialect:
Au teidre-e juigd, Au teidre-e juigd Wien saudt gaj niet beha-a-gen!
Een keurige ulster, fluweelen toque met een pluim, 'n groote bont om, zoo zat moeder Meyer in 't kamertje. Eerst had ze nogal verontwaardigd gedaan wat er nou met de kindere an de hand was, en of 't nou wel de moeite waard was, om haar uit d'r werk te halen? Maar 't Hoofd had kalm gezegd: „de juffrouw zal u alles wel vertellen.”
'k Gaf zoo kort mogelijk verslag van 't gebeurde. En dadelijk barstte ze los: „O God-nog-an-toe, hebbe ze weer in d'r vaders jaszak gezete, die kleine krenge! Me man is tramconducteur, moet u wete en nou laat-ie altijd z'n fooien in z'n zak zitten. En nou had-ie gisteravond late dienst en toen het-ie z'n natte jas in de keuken gehange en toen hebbe die slimme diere d'r vanmorgen vroeg de cente uit gegannefd!”
„Maar als u dat dan weet, waarom ziet u er dan niet wat beter op toe?” vroeg 't Hoofd.
„Och God meneer, 'k heb 't me man al zoo dikwijls voorgehoue, maar an die heb ik niks geen steun. Als tie 't merkt, vloekt en raast-ie tege mijn, dat 't mijn schuld is, dat de kindere zoo benne en dan zeg ik: pas jij dan beter op je cente. Zeg u nou zelf, wat kan een vrouw alleen tegen zoo iets beginne, as dr eige man dr tegenwerkt? Och Heere, dat 'k dat nog an me kindere mot beleve, 'k ben zelf zoo fatsoendelijk opgebracht!”
Ze haalde haar zakdoek voor den dag en snikte. 't Hoofd en ik wisselden een meewarigen blik, we hadden er toch medelijden mee. En we probeerden, haar wat moed in te spreken: 't Was wel verdrietig, als de kinderen zulke neigingen hadden, maar zij moest 't toch ook niet al te zwaar inzien. Ze waren nog jong, 't kon nog best terecht komen. Met verstandige leiding en goed toezicht hadden we nog alle hoop, dat ze 't heelemaal afleeren zouden.
Ze liet zich wonderlijk gauw troosten; ze veegde haar oogen af, stak den zakdoek weer op zak en knikte volkomen overtuigd. Och ja, he, snoepe was alle kindere eige, begon ze, en as de kindere 't geld niet versnoepten, dee dr man het zelf, of wat ie dr anders mee uitvoerde, dat wist ze niet, want—opeens haar woede niet meer meester—zij zag dr nooit een cent van. „Me loon ken je krijgen, 't fooiengeld hou ik zelf,” zei die altijd. „En daarom—nu vertrouwelijk—as ik dr wat van noodig heb voor 't huishoue, dan mot ik 't zelf wel neme. En 't was me vanmorge ook niet overkomme, dat 'k die neste van meide de baas heb late spele met die cente, as 'k vannacht niet zoo opgetobd had met het kleintje, want daardoor was 'k een beetje laat op, ziet u. Maar u kan dr gerust op rekene—dit weer met moederlijke waardigheid—dat ze dr portie van me hebbe zalle; 's kijke, of we die streke dr niet uit krijge kenne!”
Weer wisselden we een blik van verstandhouding. „'n Verloren proces,” telegrafeerden onze oogen. En toen stond ik maar op, 'k had er meer dan m'n bekomst van.
Toen ik 't portaal weer overstak, was 't zingen nog in vollen gang. Maar ze zongen nu een ander liedje, 'k ving er net een brokstuk van op:
„Waar moeder ons liefdrajk gelajdde aan haar hand, Waar fader ons formde naar hart en verstand.”
Meer dan een jaar hield ik de Meijertjes in m'n klas. 't Lijkt misschien niet zoo lang, maar wat ik in dien tijd met ze uitgestaan heb, weet ik zelf nauwelijks meer. Steeds moest ik alles achter slot en grendel houden: 't schoolgeld, de pennen, de potlooden. Alle kinderen waren op hun qui-vive, centen mochten niet op 't tafeltje neergelegd worden, want daarvan was 't eigendomsrecht zoo dadelijk niet te bewijzen. En toch gaf 't ieder oogenblik nog scènes. Hoeveel keer ik ze de zakken vol snoepgoed boven de prullemand liet uitschudden, hoeveel keer ik de gevonden centen met een briefje naar moeder terugstuurde ('t mensch laten komen deden we nooit meer), hoe vaak ik ook een of allebei naar huis moest laten brengen, omdat ze zich onpasselijk gegeten hadden aan al die delicatessen, 'k zou het heusch niet kunnen zeggen. Ook niet, hoeveel klachten er kwamen van de winkeliers uit de buurt, waar ze quasi met een boodschap binnenliepen en dan met aapachtige snelheid 't lekkers van de toonbank gristen. En nooit kon je ze tot een bekentenis brengen, ze zetten dadelijk een vervaarlijke keel op en dreinden, dat ze 't „heusch niet” gedaan hadden en dat 't dan zeker „me sussie” was geweest, wat bij hun groote gelijkenis en eendere kleeding ook werkelijk moeilijk uit te maken was.
Hun armzalige gezichtjes leerde ik op den duur wel uit elkaar, hun nog armzaliger zieltjes echter nooit. 'k Zou niet weten, wie de leugenachtigste, de doortraptste van de twee was. Meestal beraamden ze samen hun plannetjes en speelden elkaar er voor uit, als 't ontdekt werd. Ook als leerling waren ze een ramp in de klas: lui, slordig, babbelziek, onoplettend, zonder liefhebberij of belangstelling voor iets. Ze waren echter niet dom genoeg, om ze te kunnen laten zitten en zoo sleepte ik ze een paar maal mee over.
Tot ze me op een goeien dag kwamen vertellen: „Juffrau, me moe het soo'n rusie gehad met de juffrau van één hoog, en nou gane me lekker verhuise.” En een paar dagen later: „we komme heelemaal in de ..straat te wone en dan gane me hier fan 't school af.”
'k Dorst m'n ooren niet te gelooven, maar 't Hoofd kwam 't mij spoedig bevestigen.
Den laatsten dag brachten ze me hun portret. Daar stonden ze ten voeten uit, in hun mooiste plunje, ter weerszijden van een bloemstuk of een tuinhek of zoo iets.
Toen 'k dien middag thuis kwam, heb ik 't portret nog eens goed bekeken en het toen—wat 'k voor en na dien tijd nooit met het portret van een leerlingetje gedaan heb—in kleine stukjes gescheurd.
En 's avonds bij de thee heb ik op iets heel lekkers getrakteerd.