Vierde druk Utrecht—H. Honig—1905 (continued 4)
D. Logeman-van der Willigen translation
“Kijk dat ventje eens gegroeid zijn!”
“Ja, en Mevrouw is zoo mooi en jong alsof zij juist haar belijdenis gedaan heeft,” zeide een ander vol bewondering, terwijl zijn pruim tabak van den eenen mondhoek naar den anderen verhuisde.
“Ja, ja,” zeide de derde, terwijl hij naar oom Frans keek, “hij mag waarachtig wel blij zijn! Het is geen wonder dat hij van vreugde buiten adem is!”
Dit laatste zeide hij, omdat hij zag hoe kortademig oom Frans was.
“Nou, veel geluk hoor!” zeiden zij nog eens tot afscheid.
Doch een eind verder keerde één van de drie zich nog eens om en zeide langzaam, terwijl hij zijn oogen richtte op het huisje, dat geheel door de zon beschenen werd:
“Dat was een echt gelukkig gezicht” En hij kon zijn blikken niet van de drie gestalten daar bij de deur afwenden.
“Ja, die man heeft waarachtig wel reden om gelukkig te zijn,” zeide een ander knikkend.
En zij spuwden hun pruimen uit hun mond en liepen door. Zonder dat zij het zelf wisten, slaakten zij alle drie een lichten zucht.
Oom Frans sloeg zijn arm om Kaja heen en keek haar diep in haar van geluk stralende oogen. Toen zeide hij:
“In deze laatste vierentwintig uur heb ik zooveel geluk opgedaan, dat ik nooit van mijn leven meer arm zal kunnen worden.”
“Vader!” riep Helle uit, die gehoord had hoe blij zijn stem klonk: “Is men altijd vroolijk als men trouwt?”
Oom Frans lachte hartelijk en zeide, terwijl hij Kaja mee naar binnen trok: “Ja, natuurlijk, kereltje.”
“Dan wil Helle ook trouwen,” verklaarde het ventje met onweerstaanbare waardigheid, terwijl hij met zijn handen in zijn zakken achter hen aanstapte.
De visschersvrouw had overal in de kamer gele narcissen neergezet. Op de vensterbanken, op de tafels, kransgewijze op het witte tafellaken en zelfs om de oleografieën aan den muur.
“De lucht is bijna te sterk,” zeide Kaja, terwijl zij met haar mouw er een paar weg streek. “Ik heb nog nooit zooveel narcissen bij elkaar gezien.”
“Ik houd er veel van,” zeide oom Frans, terwijl hij er een paar opnam. “Zij doen mij denken aan een eigenaardig klein kerkhof, dat ik als jongen eens gezien heb. Heel in het Noorden van Jutland, waar ik toen mijn vacantie doorbracht. Het was een arm en kaal kerkhof, doch de inwoners van het plaatsje hadden er iets op bedacht en gele narcissen op alle graven geplant. Het wemelde er van. Ieder jaar met Paschen schitterden al de graven van de gele bloemen en steeg er uit duizenden bloemkelken een wolk van zoete lucht naar boven. Al die bloemen zongen van opstanding! Ik verzeker je, dat ik nooit een schooner opstandingsgezang gehoord heb.”
“Ja, maar wat hoor jij al niet!” zeide Kaja met een verstrooiden glimlach. Zij wist niet waarom, doch zij voelde zich plotseling onaangenaam aangedaan. Onwillekeurig nam zij hem de bloemen uit de handen. En daarna stond zij op en legde al de bloemen die op het tafellaken uitgespreid lagen, op de vensterbank. “Waarom doe je dat?” zeide hij verbaasd.
“Ach, ik weet het zelf niet,” antwoordde zij, “ik deed het in gedachten.”
Toen zij ontbeten hadden, wilde Kaja dadelijk naar het strand, maar oom Frans zeide, dat hij eerst een brief moest schrijven, dus dat zij maar met Helle vooruit moest gaan, dan kwam hij wel na.
Toen ze weg zou gaan, gaf hij haar een kus op haar hand juist daar, waar haar ring zat, en lachend kuste zij hetzelfde plaatsje.
Toen hij hen aan de deur stond na te kijken en zag, hoe zij samen wegdansten—want loopen was het niet, het was werkelijk dansen, zij met lichte, vroolijke, de jongen met kleine, korte sprongetjes—en toen bedacht dat die twee hem nu voor het heele verdere leven toebehoorden, werd hij zóó door zijn groot geluk overweldigd, dat hij onwillekeurig zijn hart vasthield. Evenals er verdriet is, dat zóó hevige pijnen veroorzaken kan, zóó geheel tot wanhoop kan drijven, dat het een genade wezen zou als het dadelijk doodelijk werkte, zoo ook is er een vreugde, die de borst bijna uit elkaar doet springen. Oom Frans was langzamerhand zoo gewend aan teleurstellingen, dat, als op dit oogenblik een groot verdriet hem getroffen had, hij het zijn geheele leven zonder morren op zijn schouders gedragen zou hebben—doch het geluk dat hem hier aangeboden werd, was zóó groot en zóó nieuw, dat het hem volkomen overweldigde.
Zachtjes ging hij de kamer binnen. Die brief was eigenlijk maar een uitvlucht, omdat hij voelde, dat hij behoefte had aan rust. Hij ging in een hoek van het kamertje zitten aan den lessenaar, die voor schrijftafel dienst deed. En zonder er bij te denken, haalde hij een oud spaarbankboekje uit zijn borstzak en begon er verstrooid in te bladeren.
“Het is goed, dat ik den jongen iets verzekerd heb,” scheen hij te denken, “want in de jaren die komen, zal er geen sprake van overleggen zijn.”
Hij glimlachte en bladerde door, maar dacht tegelijkertijd aan iets heel anders,—het boekje stond op Helle’s naam.
Vele jaren lang had hij trouw iets voor Kaja ter zijde gelegd—doch van Helle’s geboorte af, had hij het op den jongen overgebracht. En het boekje was gedateerd van den dag, dat zij voor het eerst met hem over het kind sprak.
Hij legde het op den lessenaar voor zich neer en stond op. Hij begon het koud te krijgen en liep naar het raam. In een lange, warme streep viel de zon over hem heen.
“Heerlijke zon!” zeide hij onwillekeurig.
Hij hoorde iets tegen de ruiten fladderen, en zag dat het een vlinder was. Daarop hoorde hij de spreeuwen fluiten. En een regel uit een oud morgengezang kwam hem in de gedachten, waar:
“De vogels fluitend danken voor licht en leven.”
“Als ik zelf eenmaal vleugels heb,” dacht hij, “dan zal mijn eerste vlucht zijn naar Gods troon om fluitend te danken voor haar en den jongen!”
En een wonderlijke glimlach gleed over zijn gelaat. Hij wist zelf niet, hoe hij zoo plotseling aan dit alles dacht, doch zoo was het nu eenmaal.
Het was of er iets dat op zweetdroppels geleek, op zijn voorhoofd uitbrak, en hij wilde zijn zakdoek nemen, om ze af te vegen. Tegelijkertijd haalde hij een stukje papier mee uit zijn zak. Het was een brief, dien hij een jaar geleden aan Kaja geschreven had en sinds dien altijd bij zich had gedragen. “Ik zal hem nu meteen verscheuren,” dacht hij, “nu kan ik het haar immers allemaal zelf zeggen.” Maar plotseling bedacht hij zich en legde den brief tusschen de bladen van het spaarbankboekje.
Het was of hij op hetzelfde oogenblik Kaja’s stem, zooals den avond te voren, in zijn oor hoorde fluisteren: “O, wat heb ik je lief, wat heb ik je lief, oneindig lief, Frans!” En alsof hij haar met Helle aan de hand een smal boschpad af zag gaan, en haar steeds weer hoorde herhalen met dien gloedvollen klank en dat diepe, innige gevoel, dat haar stem eigen was: “O, wat heb ik je lief, wat heb ik je lief, oneindig lief—!” En bij de gedachte daaraan voelde hij zich zóó gelukkig—zóó oneindig, zalig, volmaakt gelukkig....
Het was of hij haar hoorde roepen, en hij stond op om haar te gemoet te gaan. Doch op hetzelfde oogenblik weigerden zijn beenen hun dienst. Hij viel achterover en sloeg met zijn hoofd hard tegen den lessenaar aan, voordat hij op den grond zwaar ineenzakte. Even vloeide er bloed uit een kleine wond aan zijn nek—doch hij merkte het niet—zijn ziel was reeds lang weg—hoog boven alle paden—ver, ver weg van de wijde wereld—!
Als een stomme getuige van het rijke geluk dat hij genoten had, lag een glimlach verstijfd om zijn mond....
Geen mensch op deze heerlijke, droeve aarde stierf gelukkiger dan oom Frans:
Zijn hart was van geluk gebroken!
Kaja en Helle plukten in het bosch een grooten ruiker voorjaarsbloemen. Zij zocht vooral naar blauwe anemonen want “daar houdt vader zooveel van,” zeide zij.
“Jawel, maar vader houdt ook van die!” zeide Helle terwijl hij een paar groote, gele boterbloemen in de hoogte stak.
“Ja zeker—pluk maar al wat je wilt!”
En met glinsterende oogen en warme, roode wangen plukten zij door.
Zij traden op het dikke, zachte mos en in het fijne, groene gras zonder zich er om te bekommeren, hoe nat het was. Zij staken hun neuzen bij elkaar over de lichte zegeltjes en lachten als zij naar dezelfde bloem grepen. Helle plukte voortdurend kleine, korte steeltjes en zelfs heel dikwijls bloemen zonder steel, en als hij ze dan bij elkaar wilde doen, vielen ze weer even gauw door zijn kleine, dikke vingertjes heen als hij ze opraapte. Ondertusschen werd Kaja’s bouquet al grooter en grooter.
“Die zal bij zijn plaats op tafel staan en naar het voorjaar in zijn oogen kijken,” dacht zij. En zij plukte door met ijverige vingers en al plukkend zong zij:
Op heel deze aard, zoo groot, zoo wijd, één ziel slechts, in wie ik vertrouwe!
Heel diep in de aard, heel diep en koud, één ziel slechts, bij wie ik wil wonen!
Wanneer en waar, alom, altijd één ziel slechts, met wie ik wil leven!
Doch plotseling hield zij op, hield haar hand boven haar oogen voor de zon en keek eens vóór zich uit. Wat moest dat een lange brief zijn, dat hij nu nog niet in het zicht was! Plotseling werd zij door een onverklaarbaren angst aangegrepen—doch zij legde dien zelf uit als een gevolg van haar groot verlangen.
“Vader schrijft veel te lang,” zeide zij tegen Helle. “Nu schijnt de zon bij hem het venster in. Ik begin jaloersch te worden op de zon. We zullen naar huis gaan en eens op de ruiten tikken.”
En met Helle aan de hand ging zij op een draf naar huis. Zij hield voor het venster van het kleine zitkamertje stil. Het eene raam was dicht, het andere stond een eindje open. De kiezelsteenen knarsten onder haar voeten, daarom liep zij zoo zacht zij kon en gaf Helle ook een teeken dat hij op de teenen loopen moest.
Eerst ging zij guitig op haar hurken zitten en tikte met haar parasol tegen de ruiten—toen stak zij haar grooten hoed, geheel gevuld met al de bloeiende heerlijkheid van het voorjaar, door het openstaande raam naar binnen.
“Ik bestrooi je pad met rozen,” zong zij vroolijk.
Doch daar niemand antwoordde, ging zij voorzichtig op haar teenen staan om door het venster naar binnen te kijken... Nooit van zijn leven zou Helle den doordringenden, wilden kreet vergeten, dien zij toen uitstiet! Lang daarna weerklonk die nog in zijn ooren—hij hoorde dien na jaren nog.
“Moeder!” riep hij en greep haar angstig bij haar rok.
“Wat is er, moeder?”
Doch zij kon niet antwoorden. Tot aan haar lippen toe wit, ging zij hem voorbij het huis in, en zij liep hem omver op de trap, toen hij haar rok niet wilde loslaten, zoo heftig stormde zij naar boven.
Helle begon vreeselijk te huilen, niet zoozeer van pijn als wel van angst—doch zij gaf er geen acht op. Snikkend wierp zij zich over het lijk in het kleine kamertje en riep steeds woester en woester:
“Frans! Frans! Hoor je mij niet? Antwoord me, Frans! Je kunt niet dood zijn, nu dat we juist zouden beginnen te leven! Ik kan je niet missen—Ik wil je niet missen—ik wil niet!
Maar als je heengegaan bent—neem mij dan tenminste mee! Toon me tenminste die barmhartigheid, dat je me meeneemt!”
Maar niemand antwoordde.
“Alleen! Alleen!” snikte het in haar. “Alleen voor het heele leven! Nooit meer gelukkig, nooit meer!”
Helle kwam door de open deur aangeloopen en wilde naar haar toe gaan, doch bleef plotseling met de handen op zijn rug staan en liep toen achteruit de levenlooze gedaante op den grond voorbij.
“Bang!” was al wat hij zeide—“bang!”
Doch toen verloor zij haar zelfbeheersching en keerde zich met vlammende oogen naar het kind toe:
“Waar ben je bang voor, kind?” fluisterde zij. “Ben je bang voor hem, die je meer dan een moeder heeft liefgehad? Ga dan maar weg! Ga weg!”
En Helle kroop in den versten hoek in elkaar en huilde bitter. Doch kort er op waagde hij zich weer naar haar toe, bleef bij haar staan en fluisterde: “Helle niet bang meer.”—
Al wat leeft, heeft een aangeboren angst voor den dood, en zonder het te begrijpen had het kind zoo iets gevoeld, toen hij de kamer binnenkwam, doch nu was alle vrees verdwenen.
Hij stond dicht bij het lijk en herhaalde met zijn kinderstemmetje vol vertrouwen: “Helle niet bang meer!” En ten laatste legde hij zijn dikke knuistjes op de hand van oom Frans, maar schrikte, toen hij voelde hoe koud die was.
Kaja bemerkte zijn tegenwoordigheid volstrekt niet. Zij lag met haar hoofd op de borst van den doode te luisteren naar het hart, dat niet meer sloeg.
Het was of zij voortdurend hardop gilde, doch in werkelijkheid had zij haar lippen vast op elkaar geperst. Geen geluid kwam uit haar keel.
“Moeder,” zeide Helle bevend, terwijl hij haar bij haar rok trok, “roep vader eens!”
Doch toen begon zij zoo luid en wild te lachen, dat Helle angstig naar de deur vloog, en de visschersvrouw met al haar verschrikte kinderen achter haar aan kwam aangeloopen.
“God beware ons!” zeide zij, terwijl zij onwillekeurig een kruis sloeg, “dat was een korte huwelijksvreugde.”
Op hetzelfde oogenblik weerklonken zware, regelmatige voetstappen door het venster. Dat waren de drie visschers, die weer voorbijkwamen. “Komt eens een handje helpen!” riep de visschersvrouw, terwijl zij naar het venster liep en hen toewenkte.
Langzaam kwamen zij binnen en bleven zwijgend bij de deur staan. Stil wreven zij de tranen weg, die over hun gebruinde wangen liepen, en lichtten toen voorzichtig het lijk op, zóó zacht en zóó behoedzaam, alsof het een klein kind was. Maar de derde nam Kaja zelf op, droeg haar naar de slaapkamer en legde haar voorzichtig op het bed naast den doode. Toen slopen zij weer zwijgend heen. Hier was ieder woord te veel.
De visschersvrouw beproefde Kaja’s aandacht op den jongen te vestigen. “Zou Mevrouw hem niet eens willen troosten? Hij is toch zoo bedroefd.” Maar Kaja hoorde haar niet. Op dat oogenblik was Helle haar geen troost—veeleer een aanklacht. Had zij oom Frans niet eenmaal voor het kind willen opofferen? Had zij niet tot God geroepen: “Red mijn kind! Red hem, tot welken prijs ook!” Onwillekeurig wendde zij ieder maal haar aangezicht van den jongen af, als hij naderbij kwam. Eindelijk nam de vrouw hem maar mee, en een half uur later hoorde zij hem met de andere kinderen stoeien.
Den geheelen dag bleef zij op het bed naar het fijne bleeke aangezicht naast haar staren. Zij zag de trekken al meer en meer verstijven, de huid al strakker en de lippen al blauwer worden.
Zij wond de zachte haarlok die over zijn slapen viel, om haar vingers, en drukte herhaaldelijk haar lippen op den kouden mond, dien zij gisteren zoo warm nog gekust had. Zij was geheel onder den indruk van de vreeselijke plechtigheid, die de groote stilte des doods met zich meebrengt—de geheele wereld scheen haar verder gering toe. Zelfs Helle, die tot nu toe zoo geheel haar leven vervuld had en als een deel van haar eigen zelf geweest was, zelfs Helle werd klein en scheen veraf.
Het was of hij haar niet meer aanging, terwijl zij daar zoo naar haar doode liefde zat te staren.
Er zijn oogenblikken in het leven van de vrouw, dat de kinderen haar nummer één zijn—voor hen heeft zij geleden, zij hebben haar noodig gehad, zij hebben haar behoefte aan liefde, aan teederheid en opoffering gestild—doch als het uur des doods daar is, dan worden zij, die vóór hen één waren, weer opnieuw één, dan geraakt al het andere op een afstand, dan voelt zij, aan wien zij haar ziel gegeven heeft.
Kaja had het gevoeld, toen zij zich met moeite oprichtte en beide deuren afsloot, zoowel de deur naar de gang als die naar de zitkamer, opdat niemand, zelfs Helle niet, zou binnenkomen.
Maar zij begreep niet het gevoel van berouw, dat haar kwelde, terwijl zij naar haar lieven doode staarde. Zinneloos hield zij haar oogen op hem gericht, terwijl zij met het bovenlijf heen en weer wiegde en zichzelf afvroeg, wàt het wezen kon—en plotseling ging er een licht voor haar op en zij snikte luid:
“Ik heb je gedood! Ik! Eerst heb ik jou verloochend voor een ander en toen verkoos ik Helle boven jou. Nu heeft God mij gestraft!” En die gedachte maakte haar zoo wanhopend, dat zij strak vóór zich uit bleef staren met haar handen om haar knie gevouwen. Geen tranen vloeiden meer over haar wangen. Toen begon zij te huiveren en onwillekeurig stond zij op en begon de kamer op en neer te loopen.
“Moeder, moeder! Doe toch open!” klonk een fijn stemmetje buiten—en zacht deed zij de deur open, doch draaide het slot weer om, zoodra hij binnen was.
Aarzelend liep Helle de kamer door. Hij had zijn schortje vol voorjaarsbloemen. “Vaders bloemen!” zeide hij, terwijl hij haar de geurige bloemen voorhield. Haastig haalde zij ze uit het schortje van het kind en legde ze onder het hoofd van den doode.
“Morgen zullen we er nog meer plukken,” zeide zij. “Iederen dag zullen we versche plukken, in een echten lentetuin zal je rusten.”
Doch de lucht alleen van de bloemen was reeds genoeg, om haar geheel te overweldigen—zij verborg haar aangezicht in zijn koude handen en barstte in tranen uit.
Helle sloop zachtjes naar haar toe. Eerst keek hij angstig naar “vader”. Doch toen hij zag, hoe vriendelijk de doode glimlachte, kreeg hij moed. Als vader zoo glimlachte, dan moest hij ook wel gelukkig zijn! En hij knikte hem eens vol verstandhouding toe, éénmaal en nog éénmaal. Toen trok hij zijn moeder bij den arm, hij was wel een beetje bang voor haar vandaag, maar hij beproefde het nog maar eens, net zoo lang tot zij opkeek, en toen zeide hij:
“Kijk eens, vader lacht!”
Zij volgde de richting van zijn blik—en toen zag zij het ook! Zij zag, hoe een glimlach het geheele aangezicht verlichtte. Zij zag, hoe die als een protest tegen allen angst en verschrikking voor een doode om zijn mond speelde. Als een licht schitterde die fijne glimlach in de duisternis.
“Goddank, dat je gelukkig bent!” fluisterde zij. “Je hebt niet geweten, wat komen zou! Want nù zou je het niet kunnen dragen—geloof je wel? Je zoudt ’t niet gedragen hebben, als je geweten hadt hoe het mijn ziel vanéén rijt om van je te moeten scheiden,—langzaam en zeker vanéén rijt—!”
Er was iets in haar wanhopende stem, dat Helle ontmoedigde.
Waarom antwoordde vader toch niet?
Hij sloop naar het hoofdeneind van het bed en ging op zijn teenen staan, om vader beter te kunnen bereiken. Hij had zoo’n verlangen hem weer te hooren praten. “Vader moet met Helle spelen,” drong hij aan. Hij greep naar een van de stijve handen, die over het bed hing, maar liet die dadelijk weer los. “Vader moet met Helle spelen,” herhaalde hij met tranen in zijn keel.
Maar Kaja schoof hem driftig op zij. Zijn woorden sneden haar door het hart. “Het geeft niet of je al roept,” zeide zij, “vader kan je toch niet hooren.”
Toen rolden er groote, ronde tranen over zijn wangen. Zoolang hij zich herinneren kon, was er nooit een oogenblik of een plaats geweest, waar vader hem niet hooren kon—en nu zeide moeder hem, dat het toch niets gaf of hij al riep!
“Vader kan me niet hooren!” klaagde zijn kleine hartje, en hij huilde zóó wanhopend als hij nog nooit gehuild had. Maar toen voelde hij zich plotseling door moeders armen vastgegrepen en drukte moeder hem stevig tegen haar borst. “Ach Helle, Helle!” fluisterde zij hem toe. “Nooit zullen wij over hem uitgehuild zijn!” En hij voelde haar tranen zonder ophouden in zijn krulhaar vallen, het was of zij brandden. Helle wist niet wat dood was, hij had er niet het minste vermoeden van, hoe onbarmhartig die de menschen scheidt, maar hij huilde, omdat vader zoo onwrikbaar stil lag en niet antwoordde.
Kaja droeg hem naar de aangrenzende kamer.
Op de tafel lag het horloge van oom Frans. Zij keek er terloops naar en verbaasde er zich over, dat het bij zeven uur was. Waar was de dag gebleven? Had zij zes volle uren bij den doode doorgebracht?
Zij riep de visschersvrouw en verzocht haar, haar te helpen met het verzetten van Helle’s bedje naar de huiskamer. En toen begon zij hem langzaam uit te kleeden.
“Waarom mag ik niet bij vader slapen?” vroeg Helle.
“Vader moet rust hebben.”
Toen vloog er een stralende glimlach over Helle’s gezichtje en hij vroeg: “Wordt vader morgen dan weer wakker?”
“Neen—neen, vraag nu niet verder, wees nu maar stil,” zeide Kaja, terwijl zij met moeite haar tranen terugdrong.
De visschersvrouw wierp een blik op haar bleeke, pijnlijke aangezicht en verdween even, om terug te komen met een grooten kop dampende koffie en een stukje wittebrood.
“Mevrouw moet iets eten,” zeide zij, “anders wordt Mevrouw ziek.”
Maar Kaja schudde het hoofd en keek het voedsel niet aan.
Toen bloosde de vrouw en zeide driftig met een blik op de deur van de slaapkamer: “Wat denkt u, dat hij daar wel van zeggen zou? Hij zou ’t niet goed vinden, dat u zich ziek maakte van verdriet, zoolang u hèm heeft om voor te zorgen,” en bij dat “hèm” wees zij naar Helle, die met saamgeknepen handjes zijn nachthemd over zijn borst hij elkaar trok, en nog snikte na het vele huilen.
Door den driftigen toon van de vrouw ontwaakt, keek Kaja op. Het was alsof zij door die stem uit een sluimering wakker werd.
“Het mensch heeft gelijk,” dacht zij. “Zij heeft gelijk. En dat een vreemde komen moet, om mij te zeggen wat mijn plicht is!”
Zonder een woord te zeggen, ging zij naar de tafel, nam den grooten kop tusschen haar handen en spoelde den inhoud door haar keel. Maar toen schoof zij ook met een gevoel van afschuw het blad van zich af. “Dank voor uw vriendelijkheid, maar neem de rest nu maar mee, ik kàn niet meer,” zeide zij.
De vrouw begreep, dat aandringen niet zou helpen—en tevreden, dat zij de koffie tenminste er bij haar had kunnen inkrijgen, sloop zij zacht weer weg.
Ondertusschen had Kaja Helle in bed gelegd.
“Moeder zingen voor Helle!” zeide hij, terwijl hij als gewoonlijk zijn handjes voor zijn avondgebedje vouwde.
“Moeder kan van avond niet zingen, Helle.”
Toen gleed er een blik over het kindergezichtje, alsof er plotseling een licht voor hem opging: “Dan wordt vader misschien wakker?”
“Neen, dat niet, maar—” wanhopend keek zij om zich heen naar een uitweg, om al deze vragen te kunnen ontwijken, die hij met kinderlijke vasthoudendheid steeds weer herhaalde, en die haar hart zulke diepe wonden toebrachten—
Zacht fluisterde zij hem zijn avondgebedje voor—dat zij gewoonlijk voor hem zong—doch Helle was er blijkbaar niet mee tevreden.
“Morgen moet je zingen,” zeide hij.
Zij knikte toestemmend. Een uitstel tot morgen was tenminste al iets. Zacht ging zij op een stoel bij Helle’s bedje zitten, maar het kind kon den slaap niet vatten.
“Wie zal met Helle spelen als vader niet kan?” zeide hij, terwijl hij weer overeind in het bed ging zitten. “Wie zal paard met me rijden? En wie zal moeder en Helle helpen, nu vader ons niet meer hoort?”
“Wees nu maar stil!” zeide zij. Morgen zullen we daarover praten.”
Onwillig legde Helle zich neer, doch zijn kleine hersentjes werkten door. “Vader kan Helle toch wel hooren,” hoorde zij hem zeggen, voordat de kleine, zware oogleden eindelijk toevielen.
Nadat zij zich overtuigd had, dat hij vast sliep, stond zij op en toen vielen haar oogen op het spaarboekje, dat op den lessenaar lag. “Aan Helle” stond er buiten op, en zij zag, dat het gedateerd was den dag, waarop zij hem voor het eerst over het kind gesproken had. Nu wist zij, hoe hij toen geleden moest hebben, nu voelde zij het met gloeiende tangen door haar eigen borst gaan! En wat was er op dat lijden gevolgd? Wat was nu het treurige einde van alles?
Zonder eenige vertooning, zonder drukte, fijngevoelig als altijd, zonder spoor van sentimentaliteit had oom Frans dit offer op zijn eigen stille wijze gebracht. Nu begreep zij, waarom hij de laatste jaren zoo mager was geworden, hoewel hij oogenschijnlijk gezond en wel was—hij had maar van de helft van zijn sober inkomen geleefd!
En plotseling werd zij door een soort afgunst overvallen: Zou hij werkelijk dat kind, dat niet eens zijn eigen was meer liefgehad hebben dan zichzelf, meer lief dan haar? Want hij moest wel weten, dat er voor haar geen grooter verdriet bestond dan hem te moeten missen.
Toen steunde zij hardop, want: had zij hem misschien niet bewezen, dat, als zij te kiezen had tusschen hem en het kind, dat zij het kind zou kiezen?
Bittere tranen vielen door haar vingers op het boekje en zij wenschte niets liever dan ook maar te mogen sterven.
Toen zag zij een geel geworden brief tusschen de bladen uitsteken. “Aan mijne! Mijne!” stond er buiten op den omslag in het duidelijke, nette handschrift van oom Frans. En als een drenkeling naar een plank, strekte zij haar hand naar den brief uit.
Herhaaldelijk las zij dien en steeds rijkelijker vloeiden haar tranen. Het was, of een zware last haar ontnomen was. Hij had haar begrepen! Hij had haar vergeven!
“Lieveling!” begon de brief. “Als ik misschien eens heen mocht gaan vóór jou en je opnieuw die treurige gedachten krijgen zoudt, die je sinds Helle’s ziekte zoo gepijnigd hebben, dan wil ik je hierbij zeggen, dat je daar nooit aan moet toegeven en dat je je zelf niets te verwijten hebt. Iedere moeder zou gedaan hebben zooals jij. Of geloof je, dat ik nu niet zie, dat je liefde voor mij grooter is dan al het andere? Ik weet wel, dat ik even verdriet had, dat ik mij even gekwetst voelde, omdat je mij als ’t ware voor Helle op zij schoof—maar daarna heb ik leeren begrijpen, dat jij niet anders handelen kondt. En denk ook niet, dat jij het gedaan zoudt hebben, want dan zou je niet zijn, die je bent. Nu weet ik, dat een vrouw eerst waar echtgenoote is als zij eerst moeder is. En wij beiden zijn het in de innigste zaken immers altijd eens? En eens zullen wij werkelijk geheel één zijn, zoodat alles om ons heen nietig en klein wordt, vergeleken bij onze liefde, bij ons genot te weten dat die liefde leeft en dat die nooit zal sterven!”
Langzaam liet zij den brief in haar zak glijden, terwijl zij de haastige slagen van haar eigen hart telde. Toen voelde zij, dat, als zij dien brief niet gelezen had, juist op dit oogenblik niet gelezen, dat haar gemoed en zinnen dan zieker geworden zouden zijn dan zij had kunnen dragen....
Zoo had hij haar dus gevrijwaard voor al het kwade—ook voor krankzinnigheid.
Toen ging zij weer naar hem toe. Zij verlangde er naar zijn aangezicht weer te zien. Zij knielde bij het bed neer en verborg haar hoofd aan zijn koude borst. Zóó lief had zij hem, dat geen spoor van angst voor den dood haar terughield.
Toen zij de klokken hoorde luiden, vloog zij op. En plotseling schoot het haar te binnen, dat het Paschen was. Tusschen het getjilp der musschen en het gefluit van de spreeuwen, drong, door het halfopen venster, het klokgelui tot haar ooren door. Gisteren luidden zij het huwelijk in en heden verkondigden zij den dood...
Zij keerde zich om en keek naar den glimlach om zijn lippen.
En op eens scheen het haar zoo natuurlijk, dat oom Frans juist op Paschen sterven moest. Lang bleef zij met zijn hand in de hare zitten. Toen ging zij aangekleed op het bed naast hem liggen en viel in een zwaren, diepen slaap. Eerst toen de dag aanbrak, ontwaakte zij met dat verlammende, gebroken gevoel, dat een groot verdriet meebrengt. Zij stond op. Toen zag zij de verandering in het aangezicht van hem, dien zij boven alle anderen had liefgehad, en haastig spreidde zij er het laken over heen. Zij bedacht hoe hij zelf gezegd had, toen zij bij het lijk van haar moeder stond: “Waarom wil je meer zien? Wat er nu over is, is niet mooi.”
Neen, zij wilde hem niet meer zien—zijn hand alleen wilde zij vasthouden, zijn groote, stevige en toch zoo zachte hand, waarin zij zoo veilig de hare gelegd had.
Ook nu legde zij die veilig in de zijne,—zonder angst voor de koude des doods—en zoo viel zij weer in slaap, terwijl de spreeuwen buiten ontwaakten en de musschen hun nesten gereed maakten en het eerste morgenrood de kleine ruitjes van de visschershut begon te kleuren.
“Met week geluid van zoete, stille wijzen heb ik verheven der Liefste lof....
’t Gezang is uit.... Mijn hart moet ijzen, ijzen.... Mijn lieve leven ligt... dood... in ’t stof...”
Drie dagen later zette een kleine stoet van Höjstrup zich langzaam in beweging naar Rödvig. Voorop de kist, bedekt met voorjaarsbloemen en wintergroen, daarachter een oud dorpsrijtuig, waarin een jonge vrouw en een kleine jongen. Stapvoets vervolgde de stoet zijn weg—moeilijk zooals lange uren die men in verdriet doorleeft—langzaam zooals tranen, die nooit ophouden te vloeien. Kaja zat in het rijtuig ineengedoken en dacht aan hun huwelijkstocht.
Hier—op denzelfden weg—hadden zij een paar dagen geleden samen gereden—samen—samen naar het beloofde land! Hier bij dezen grijzen mijlpaal had hij haar in zijn armen genomen en gefluisterd: “Nu zijn wij de grenzen over!” En daar, waar het hek naar het bosch voerde, had hij zich voorover gebogen en met zijn lichtsten glimlach gevraagd: “Geloof je, dat er in de heele wereld twee menschen zijn, die zich zoo gelukkig voelen als wij?”
Neen, neen! Dat geloofde zij niet!
En nu keerde zij alleen terug naar het tehuis, dat hij met zooveel zorg voor haar bereid had. Neen, niet alleen, hij ging immers mee—zij kon zijn kist niet zien, als zij zich uit het rijtuig boog—zij kon de anemonen zien bewegen en de blauwe viooltjes sidderen en de hyacinthen hoorde zij op hun korte, dikke stelen knarsen. Zij wist, dat hij daar glimlachend, te midden van al het heerlijke voorjaarsleven voor altijd stil ter neder lag.
“Waar is vader?” zeide Helle plotseling. Den geheelen weg had hij geen woord gezegd en stil naast haar gezeten met zijn kleine handjes vast in de hare—en nu keek hij haar op éénmaal vorschend aan en vroeg opnieuw:
“Moeder! Waar is vader?”
“Vader is ons voorgegaan,” antwoordde zij met afgewend gelaat. Zij wilde zijn kinderfantasie niet door de kist verschrikken. Zij had er hem vandaan gehouden en de visschersvrouw verzocht, hem er niets van te vertellen.
Maar Helle had een trouw hartje en den geheelen tijd had hij in zichzelf zitten denken, dat het leelijk was om van vader weg te gaan, die daar nu zoo alleen in de visschershut achter bleef. Hij begreep niet, dat moeder zoo iets doen kon—en al kon moeder het ook, hij kon het niet en hij wilde het niet, want vader had Helle nooit ergens alleen achtergelaten.
“Helle wil niet van vader weg,” zeide hij beslist.
“Dat behoef je ook niet, vader is ons voorgegaan, hoor je?”
“Waar naar toe?”
Wanhopend keek zij naar het kindergezichtje naast haar en vroeg zich zelf af, of hij dan nooit ophouden zou haar met vragen te pijnigen, maar zijn blikken waren zóó ernstig op haar gevestigd en eischten zoo duidelijk een antwoord, dat zij zag dat het niet geven zou, of ze er al om heen draaide.
“Waar naar toe?” herhaalde zij langzaam en met tegenzin. “Ja, hoe zou ik dat weten! Hoog, daar waar de zon schijnt—ver, ver de wereld uit.”
“Ver—ver—” herhaalde Helle. Het klonk zoo mooi, vond hij, net als een sprookje, zooals vader vertellen kon, en voorloopig stelde hij er zich mede tevreden. Maar kort er na trok hij haar weer bij de hand en zeide hij, gejaagd ademhalend: “Zoo ademde vader, toen we in den trein zaten.”
Zonder te antwoorden staarde Kaja hem aan. Was het mogelijk, dat het kind opgemerkt had, wat zij in het geheel niet gezien had? Was zij zóó verdiept in haar huwelijksgeluk en zóó vervuld van haar eigen vreugde geweest, dat zij niets gezien of vermoed had? Zij, die een halfjaar geleden heele nachten angstig wakker lag, uit vrees dat hij zou kunnen sterven? Hoe had zij den laatsten tijd zóó volkomen gerust kunnen zijn? Zij had niet het allergeringste vermoeden gehad, dat iemand van geluk zou kunnen sterven! Van verdriet en verlangen—dat kon zij begrijpen—maar van geluk! Van geluk zou men toch onmogelijk kunnen sterven.
En plotseling dacht zij aan het gedichtje:
En het Leven schreef met kleuren, die waren als bloed zoo rood——
Zij bedacht, hoe zij eenmaal snakte naar ondervindingen—blijde, of droeve—als zij de witte bladen van haar levensboek maar vulden! En gevuld waren zij! Zij zag ze alle vóór zich—de laatste van verdriet en teleurstelling te midden van hoop en stralende vreugde—en de voorgaande van bittere tranen en stom klagen!
Wat voor waarde had het leven nu nog voor haar? Zou het niet veel beter geweest zijn, als zij met hem daar in de kist gelegen had, tusschen de voorjaarsbloemen, die zij nu niet meer zien of luchten kon!
Was zijn verlangen naar haar niet zóó sterk, dat het Gods wil kon buigen en Hij haar ook liet sterven? Jawel! Het was alsof hij om haar riep. Hij wist immers dat al haar vreugde gestorven was—waarom zou hij haar dus niet roepen?
“Vader houdt van Helle!” zeide een klein kinderstemmetje naast haar langzaam en plechtig—en zij schrok op, want deze woorden gaven zoo wonderlijk antwoord op haar gedachten. Zij trok den jongen naar zich toe en kuste hem hevig.
“Ja—ja,” fluisterde zij. “Vader houdt van Helle—daarom roept hij niet, hij weet dat het vreeselijk voor Helle wezen zou, als hij moeder riep!”
Maar Helle keek haar niet-begrijpend aan. Hij had zijn eigen kinderlijken gedachtengang gevolgd en was steeds weer tot dezelfde gevolgtrekking gekomen, dat het leelijk was om van vader weg te reizen. Toen had hij hardop tegen zich zelf gezegd: “Vader houdt van Helle—” om hierdoor de trouw van zijn eigen gevoelens te verontschuldigen. De woorden omschreven als ’t ware zijn eigen kinderlijke, begeerige liefde—en hij begreep niet, waarom moeder hem er zou innig voor kuste. Maar tegelijkertijd kwamen zij aan het station, en had hij druk werk met naar de kist te kijken, die in een goederenwagen gezet werd—en naar zijn moeder die met stijf-starende oogen achteraan kwam.
Instinctmatig en half bewust, dat hij te doen had met iets dat hij niet recht begreep, bracht hij al die bloemen in verband met vader. En hij nam zich voor, om zoodra als moeder er wat minder bedroefd uitzag en hem niet meer zoo vreeselijk bij zijn handen vasthield, er haar eens naar te vragen.
In den trein viel hij in slaap, en door het vele denken vermoeid, sliep hij door, totdat hij in het rijtuig zat, dat achter den lijkwagen aan, naar de kerk reed. Toen zij stilhielden, wilde hij er uit, maar moeder zeide dat hij heel zoet moest blijven zitten, totdat zij terug kwam, en zij zeide het zoo beslist, dat hij niet durfde tegenspreken.
Het scheen hem eindeloos lang toe, voordat zij terugkeerde, hoewel het slechts weinige minuten duurde. De koetsier keerde zich om en vroeg waar hij naar toe moest.
“Ja, waar naar toe?” ging het haar door de ziel. Zij beefde terug voor de vreeselijke aandoening, die zij hebben zou als zij zonder hém naar ’t nieuwe huis terugkeerde! Maar tegelijkertijd voelde zij, dat het de eenige plaats was, waar zij nu zou kunnen verblijven. Haar eigen tehuis kon zij opruimen, maar het zijne nooit. Daar, waar hij al die jaren gewoond had—daar, waar zelfs de geringste zaken door zijn liefderijke hand in orde waren gebracht en waar alles op haar stond te wachten—daar, waar zij voelde dat hij was, daar moest zij ook heen. En haastig antwoordde zij: “Naar de Studiestræde!” en het rijtuig reed door.
“Gaan we niet naar huis?” vroeg Helle teleurgesteld toen zij door straten reden, die hij niet kende. Zij knikte, maar antwoordde niet. In haar gedachten reed zij met oom Frans naar hun nieuwe huis, en doorleefde zij al de smarten die een arm menschenkind in enkele van de vreeselijkste uren des levens doorleven kan.
Toen zij voor de deur stilhielden, zag zij dat het huis feestelijk verlicht was en één oogenblik geloofde zij, dat alles slechts een kwade droom was geweest. Maar toen bedacht zij, dat zij ook dien avond gemeend hadden terug te komen, en dat hij natuurlijk zijn hospita orde had gegeven de lichten aan te steken.
“O, als zij ’t maar vergeten had!” jammerde het in haar. “Als ze maar opgebrand geweest waren, vóór we hier aankwamen!”
Maar met onbarmhartige helderheid schenen de kaarsen door de vensterruiten. Zij betaalde den koetsier en sleepte zich met Helle aan de hand, de trap op.
“Is vader al thuis?” juichte de jongen, toen zij bij de welbekende deur stilhielden. Zij schudde het hoofd, maar antwoorden kon zij niet—het was of de woorden in haar keel bleven steken.
“De huissleutel!” vroeg zij zichzelf angstig af. “Heb ik dien wel?”
Maar tegelijkertijd werd de deur van binnen opengedaan en de oude hospita—dezelfde, die oom Frans twintig jaar lang gehad had—verscheen aan de deur met een kolossaal bouquet rozen in haar hand.
“Welkom!” zeide zij, diep nijgend; maar toen zij de versteende uitdrukking op Kaja’s aangezicht zag, schrok zij zoo hevig, dat zij de bloemen op den grond liet vallen.
“Heere God, waar is Meneer!” zeide zij.
“Ik heb hem juist naar de kerk gebracht,” antwoordde Kaja met een stem, die zóó vreemd en zoo afgrijselijk toonloos klonk, dat zij het zelf hoorde.
“O, onze lieve, jonge Meneer! Onze goede, beste Meneer!” zeide de oude vrouw, haar hoofd schuddend, terwijl de tranen haar over de gerimpelde wangen liepen. Toen sloeg Kaja de armen om haar hals en barstte in een wanhopend huilen uit.
De oude vrouw deed zachtjes de deur achter haar dicht en streek met haar hand over Helle’s krulhaar—toen deed zij de deur van de zitkamer open. “Ja, mevrouw moet nu niet boos op mij zijn,” zeide zij verontschuldigend, terwijl zij deelnemend Kaja’s hand streelde, “maar Meneer heeft het allemaal zoo besteld—bloemen en kaarsen en champagne—alles.”
Kaja antwoordde niet. Als een slaapwandelaarster stapte zij over den drempel. Feestelijke lichten en een fijne bloemenlucht straalden haar tegemoet. Alles was in volmaakte feeststemming en dan die bloemengeur! Rozen en viooltjes—veel viooltjes, want daar hield zij het meest van—overal waren zij tusschen gestoken, waar zij ook keek—maar hij die haar binnengevoerd zou hebben, naar het Tooverland, hij lag daarginds in de kapel—koud en dood! Neen, niet dood—haar heele ziel kwam er tegen in opstand. Zijn geest was hier, in deze kamers. Zij zonk op een stoel neer, naast een mooi, oud tafeltje. Daar lag een groot bouquet van mooie, gele rozen, viooltjes en myrthen, omwonden met een smal, wit zijden lintje: “Aan Rachel”, stond er met kleine, gouden letters op. Overweldigd door smart, verborg zij het gezicht in haar handen. Zij had een gevoel, alsof zij haar oogen vast toe zou moeten drukken, om niet meer te zien, anders zou haar hart breken. Op hetzelfde oogenblik klonken korte, haastige voetstappen uit de aangrenzende kamer en kwam Helle aangeloopen.
“Vader is nergens,” zeide hij, en zijn stem beefde van de tranen. Hij was overal geweest—steeds in de gedachte, vader wel ergens te zullen vinden, maar toen hij in de slaapkamer kwam, waar de lamp brandde boven twee ledige bedden, verloor hij den moed en liep naar zijn moeder.
“Gaan we nu nog niet naar huis?” zeide hij, terwijl hij haar schuw aankeek. Maar toen bedwong zij zich met vreeselijke inspanning en beproefde te glimlachen. Met zijn handje in de hare stond zij op en zeide: “Wij zijn thuis! Wij zijn, waar vader gewoond heeft en waar hij wilde, dat wij ook zouden wonen. Kijk maar eens, hoe hij alles voor je in orde heeft gemaakt. Daar hangt je zweep en je hoepel! En hier in de eetkamer staat je eigen kleine tafeltje met een groote, nieuwe trom er op.” Helle nam de trom op, maar zette die dadelijk weer neer. “Helle heeft geen lust om te spelen, als vader niet meedoet,” zeide hij verdrietig, “jij wel?”
“Neen, ik ook niet!” En zij wierp een wanhopenden blik in de kamers, waar alles om hèm riep, die weg was, en waar alles in stilte zijn naam scheen uit te spreken. Zij ging naar een hoek in de kamer en haalde één van zijn lange meerschuimen pijpen voor den dag—die, waar hij gewoonlijk uit rookte, als hij zat te werken—liefkoozend streek zij er mee tegen haar wang en bleef er in gedachten heel stil mee in haar hand staan, tot een moe stemmetje zeide: “Helle heeft slaap. Helle wil naar bed.” Toen ging zij met hem naar de slaapkamer, gaf hem wat te eten en kleedde hem uit. Zij legde hem in zijn eigen ijzeren bedje, dat den dag dat zij vertrokken, hierheen gebracht was. Hij lag haar met zijn groote oogen vragend aan te kijken. “Waar is vader?” vroeg hij opnieuw, toen zij hem goeden nacht kuste.
“Ik weet het niet, Helle—misschien is hij in den hemel!”
“Ja maar, waarom zijn wij dan ook niet in den hemel?”
“Omdat—omdat niemand ons binnen laat.”
“Maar waarom doen ze dat niet? Kunnen zij ons dan niet hooren?”
“Neen.”
“Je mag mijn groote zweep wel even leenen, klap er mee, dan hoort Onze lieve Heer ons wel!”
“Neen, Helle!”
“Mijn trom dan! Vaders nieuwe trom. Geloof je, dat Onze lieve Heer die ook niet hoort?”
“Ik ben bang van neen.”
Helle slaakte een diepen zucht en viel in slaap met de overtuiging, dat de hemel iets was dat vreeselijk ver af moest zijn, veel verder dan Höjstrup.
Kaja keerde naar de zitkamer terug. De hospita kwam weer binnen en presenteerde haar taartjes.
“Och ja! Och ja!” zeide zij. “Dit heeft Meneer allemaal voor Mevrouw in orde gemaakt. Mevrouw had eens moeten zien, hoe de meubelen er uitzagen, toen ze hier kwamen!—Maar kom, Mevrouw moet toch iets eten,” zeide zij, toen Kaja het hoofd schudde. “Kom, een klein glaasje champagne?”
En met haar oude, gerimpelde hand omvatte zij reeds de flesch, doch Kaja zeide: “Neen, laat die staan. Die zullen we voor Helle bewaren. Als hij groot is, en hij mij niet meer noodig heeft, dan zal hij daar mijn begrafenismaal mee vieren. Maar, juffrouw Rasmussen, het zal geen echt begrafenismaal zijn, hoor, maar een bruiloftsdisch zooals u er nog nooit één gezien zult hebben!”
Juffrouw Rasmussen sloeg haar oogen neer voor den onnatuurlijk stralenden blik, dien haar jonge meesteres op haar richtte, terwijl zij in zich zelf dacht: “De hemel beware haar voor krankzinnigheid!”
Ondertusschen had Kaja den bouquet van de tafel in haar handen genomen, en geheel vergetend dat er anderen tegenwoordig waren, zeide zij in zich zelf: “Dat heeft hij zelf uitgekozen.”
“Ja, lieve God, dat heeft hij. Den allerlaatsten avond ging hij zelf naar den bloemist en bestelde precies welke bloemen hij hebben moest. Veel rozen en veel myrthen, zeide hij, maar toch vooral viooltjes, heel veel viooltjes, want van viooltjes houdt Rachel het meest.”
Zij glimlachte. ’t Was alsof zij zijn stem “Rachel” hoorde zeggen.
“En Mevrouw, kijk eens even hier, dat koperen bakje daar in de eetkamer heeft Meneer warempel zelf zitten oppoetsen den morgen vóór hij op reis ging. Hij hield het mij vóór en zeide: “Kijk eens, denkt u niet, dat zij er zich nu in zal kunnen spiegelen?” “Dat zou ik meenen,” zeide ik, “het is haast al te mooi;” maar toen had u hem eens moeten hooren lachen, toen hij zeide: “Ja, ja, u weet niet wat een lief gezichtje zich daar in zal moeten kunnen spiegelen.”—Kaja stond op. Zij kon het niet langer uithouden, kon juffrouw Rasmussen niet langer aanhooren.
Een oogenblik heerschte er volkomen stilte, alleen het tikken van de klokken hoorde men. Zij dacht aan de koude, donkere kapel, waar zijn kist nu stond, en een hevige lust beving haar om hem terug te gaan halen en hem dien avond nog in de gezellige kamer hier neer te zetten, waar hij alles voor hun tehuiskomst in orde had gemaakt. “Denkt u, dat ik de kist hier een paar dagen zou kunnen laten staan?” zeide zij plotseling. De hospita sloeg van schrik haar handen in elkaar. “Lieve God, Mevrouw, u wilt toch niet zoo met dat lijk rondsleepen? Laat hem toch rustig liggen, waar hij ligt. En wat zouden de andere huurders wel zeggen? Hier in de stad draagt men de dooden het huis uit, maar men draagt ze er niet in.”
Kaja keerde haar den rug toe en dacht: Allemaal flauwe lafaards zijn jullie, vreeselijk bang voor den dood—en toch is men van niets zekerder dan daarvan.” Zij liep naar de deur en zeide: “Goed, heel goed, maar ga nu maar naar bed. Goeienacht en dank voor uw zorgen.”
“Goeienacht, maar belooft Mevrouw mij te roepen als zij iets noodig mocht hebben?”
“Ja, dat zal ik, dank u.”
Zij liet het praatzieke ouwetje uit en draaide den sleutel om. Toen ging zij de kaarsen uitblazen.
“Mijn rijke droomen—!” dacht zij, bij de eerste die zij uitblies.
“Het oneindige geluk van ons samenzijn—” bij de tweede die zij uitblies.
“Al mijn wenschen en verwachtingen—” bij de derde.
“En al mijn zoete hoop op zacht schommelende wiegen!” sneed het haar door de ziel bij de vierde en laatste.
Maar toen barstte zij in tranen uit en weende zooals slechts vrouwen weenen kunnen, die weten dat zij van het rijkste geluk op aarde afstand hebben moeten doen.
“In de schemering zitten wij samen, stil—jij en ik, en denken aan hem, die weg is elk oogenblik. Wij leunen de hoofden te zamen, wang tegen wang heel dicht... en glinstrende tranen schittren in den glans van het helle licht——”
Gedurende de dagen, die op de begrafenis volgden, liep zij als een slaapwandelaarster rond. Zij sprak met niemand—dacht ook aan niets anders dan aan haar eigen diep verdriet.
Urenlang liep zij in de verlaten kamers heen en weer, waar alles met zijn stem tot haar sprak.
“Wat heb ik het leven voor ons beiden toch vergooid!” jammerde het soms in haar, en dan hamerde haar hart met woeste slagen, zoodat het haar bijna pijn deed....
En het bloed steeg haar naar de wangen, als zij dacht aan den dag, dat zij zich gegeven had aan een man dien zij niet liefhad, terwijl hij die haar diepste gedachten kende, aan haar zijde zat en er getuige van was! En dan was het altijd, of zij kleine kinderstemmetjes hoorde, die om haar huilden, die op verren afstand om haar riepen.... En dan strekte zij haar armen naar hen uit, maar liet ze in doffe, stomme wanhoop weer neerzinken—want nu kon zij immers niet meer tot hen komen! ’s Avonds zat zij bij zijn schrijftafel, maar miste de kracht om die open te doen. Zij was bang, door haar verterend verlangen overweldigd te worden, bang zijn schrift te zien.
Maar op een zekeren avond nam zij zijn pen en zocht één van zijn oude collegeschriften op. Toen zette zij zich op zijn stoel vóór de schrijftafel en schreef heel langzaam het volgende versje in het schrift:
“Als een gouden droom, tusschen heester en boom hangt en glanst een laatste straal van de gloeiende schijf, die haar nachtverblijf reeds hervond in het zeekristaal.
In mijn oogen zweeft, door mijn ziele weeft zoo Herinnering immervoort, Wie ik minde is heên... Lust en heil verdween, doch uw beeld leeft onverstoord,
door mijn Liefde gebeurd, door mijn Smart geschoord, als een hooggouden Muze op een zegepoort, immervoort, immervoort, in mijn hart, o mijn Liefste, in mijn harte!”
En toen zij dit geschreven had, deed zij haastig, zonder het geschrevene over te lezen, het schrift toe.
Iederen dag ging zij met Helle naar het kerkhof. Als een marmeren beeld bleef zij in elkaar gedoken op het graf zitten, terwijl Helle rondliep en speelde, en zij verroerde zich niet, voordat de jongen naar haar toe kwam en luid verklaarde, dat hij honger begon te krijgen. Dan stond zij op en ging even automatisch met hem naar huis, als zij gekomen was.
Helle kreeg al meer en meer het gevoel, dat zij niet meer bij hem was. Hij wist niet juist hoe, maar het was alsof moeder niet thuis was, en hij verlangde naar haar even erg, als toen zij in Noorwegen was, eigenlijk nog meer, want toen had hij vader tenminste nog. En uit den grond van zijn hart kon hij zitten zuchten en begon hij er over te filosofeeren, hoe hij moeder weer terug kon krijgen. Vader zou hem wel kunnen helpen, daar was hij zeker van—maar moeder zeide nu eenmaal, dat vader hem toch niet hoorde, of hij al riep, en hij wist dat de hemel zoo vreeselijk ver af was.—Ja—maar als hij eens telefoneerde? bedacht hij plotseling. Hij herinnerde zich nog heel goed hoe hij eens om licht getelefoneerd had aan God—en toen had hij het ook dadelijk gekregen.
Maar het zekerste was wel, eerst God op te roepen, want anders zou hij vader misschien niet kunnen bereiken—en anders zou God ook nog kunnen denken, dat hij hem vergeten had. Nu zou je zien, dat hij moeder wel terug zou krijgen! Als ’t nu maar gauw avond werd. Want ’s avonds was het het beste oogenblik, om met God te telefoneeren, als het donker was, meende hij. En den geheelen dag liep hij rond met een gezichtje, dat straalde van hoop en stille verwachting. Hij kon haast niet wachten, tot hij in bed was en moeder de kamer verlaten had, na de kaars uitgeblazen te hebben.
Kaja zat in de zitkamer met dien stijven, verstrooiden blik vóór zich uit te staren, die haar den laatsten tijd eigen was geworden. Toen hoorde zij plotseling Helle’s stem in de kamer ernaast en stond zij op, om te luisteren.
“Hallo!” hoorde zij hem roepen—eerst een weinig bedeesd, maar langzamerhand wat moediger en luider: “Hallo! Is God thuis?—Ja? Dank—Ach, lieve Heer, kunt u me niet zeggen, waar vader is? Moeder zegt, dat hij bij u is—Hallo! Vader ben jij het? Ach vader, help me, om moeder weer terug te krijgen! Moeder is niet meer bij Helle——”
Ademloos stond zij toe te luisteren. Toen maakte de versteende uitdrukking op haar gezicht plaats voor een uitdrukking van diepen weemoed. “Het kind heeft gelijk,” dacht zij. “Sinds zijn vader stierf, ben ik niet meer bij hem. Mijn ziel was ver hier vandaan. Ik heb de levenden vergeten voor den doode. Maar nu zal het anders worden—het moet!”
En zij vloog de slaapkamer binnen. “Moeder zal komen,” zeide zij, terwijl zij op haar knieën vóór het bedje neerzonk.
“Moeder zal bij Helle terugkomen en nooit, nooit meer van hem weggaan!”
Met een vreugdekreet vloog de jongen haar om den hals en riep juichend: “Vader kan Helle tòch hooren, moeder!”
Van dien avond af werd het haar levenstaak haar verdriet voor den jongen te verbergen, om hem niet al de vreugde van zijn kinderjaren te ontnemen. Zij dwong zichzelf om menig uur op den dag met hem te spelen, en de rest van den dag werkte zij met koortsachtigen ijver. In de schemeruren, als de lantaarns hun lichtstralen in de kleine kamer wierpen, zaten zij samen op de oude sofa van oom Frans—dicht ineengestrengeld, wang tegen wang, doordrongen van het gevoel, dat zij nu slechts elkaar hadden.
Meestal vertelde zij dan van vader—en met zijn vaste kindergeheugen vulde hij dan aan met “Weet je nog wel toen?” En “toen?” Maar af en toe zaten zij ook zwijgend bij elkaar en dan drukte zij hem steeds dichter tegen zich aan, terwijl de tranen langzaam over haar wangen rolden. En dan werd Helle zóó ernstig, dat zonder dat hij ’t wist zijn tranen zich met de hare vermengden. En niet voordat de lamp aangestoken en zij weer opgestaan was, werd hij weer het vroolijke, drukke kind van tevoren. Maar dan kon zij ook zichzelf volmaakt geweld aandoen en geheel met hem in zijn spel opgaan. Als hij in bed was, zat zij tot laat in den nacht over haar correctiewerk gebogen—over de vochtige bladen, die nog naar inkt roken—en dan dwong zij al haar gedachten bij haar arbeid. Maar als zij klaar was, liet zij haar armen moede vóór zich op tafel vallen, liet het hoofd zinken en gaf haar groot verdriet in tranen lucht. Dan haalde zij het oude collegeschrift voor den dag, dat na den dood van oom Frans haar eenige vertrouwde vriend geworden was, en waarin zij haar gedachten in verzen opschreef. Eén avond schreef zij:
In de schemering zitten wij samen, stil—jij en ik, en denken aan hem die weg is, elk oogenblik.
Wij leunen de hoofden te zamen wang tegen wang heel dicht... en glinstrende tranen schittren in den glans van het helle licht.
En duizend gedachten komen met treden zacht, zóó zacht... Zij banen zich duizend wegen door dag en nacht...
En iedre gedacht’ is verlangen en ieder verlangen is smart! En al die verlangens kent slechts één enkel hart...
Zóó hoog en zóó diep is ’t verlangen, dat in aller eeuwigheid de grenzen niet zijn te weten— ’t verlangen is eindloosheid.
In de schemering zitten wij samen stil—ik en jij, en kinderoogen hechten zich vol vertrouwen op mij.
En kindergedachten herdenken, wat vader eens heeft geleerd, en kinderlippen verraden, wat met die herinnering keert.
En kinderarmpjes en -beentjes drukken zich tegen mij aan— en kinderdroomen volgen mijn ziel op haar verre baan.
Wij leunen de hoofden te zamen wang tegen wang, heel dicht, en glinstrende tranen schitteren in den glans van het helle licht.
“Het verdriet is een heiligdom, waar men niet met anderen binnentreedt. Het is een toevluchtsoord van hen, die eenzaam zijn——”
Kaja bemerkte, dat, als zij in dien tijd met iemand sprak er altijd één zin was, die bijna allen, zonder onderscheid, voor haar herhaalden: “Je hebt toch je herinneringen om op te leven!” Begrepen ze dan niet, al die menschen, dat juist de troost der herinneringen een tantaluskwelling is voor dengeen, die ontbeert en verlangt! Begrijpen ze dan niet, weten ze dan niet, dat het knagend verlangen der ziel er slechts grooter door wordt?
Zij moest lachen, als zij hen hoorde spreken—want zij wist beter! Zij wist, dat het zoogenaamde leven op herinneringen niets meer dan een phrase is. Liefde kan er door aangevuurd, trouw er door versterkt worden—maar een mensch zelf kan niet op herinneringen leven. Een mensch eischt iets meer positiefs. Die heeft behoefte aan de zekerheid van een vereeniging, daar waar de horizon grooter en het gezicht ruimer is.
Af en toe was het, alsof zij van verlangen sterven zou, maar zij bleef leven, want een mensch sterft niet, zoolang er hoop op wederzien is. Maar soms was het alsof het verdriet, dat zij voor Helle zoo moedig verkropte, haar zou doen stikken en alsof zij het tot iederen prijs moest luchten. Dan hield zij een ouden bekende op straat staande, alleen om even te kunnen uitspreken. Maar slechts zoo lang het verdriet jong is, vindt men sympathie bij degenen, die er buiten staan; daarna gaat het zooals in het versje staat:
“Als een sterveling sterft, dan is ’t als een schip dat verzinkt in de zee. De golven sluiten zich over den mast, de zee klotst en zwalpt als te voren.”
Toen zij voor het eerst die holle phrases aanhoorde en die koele, gereserveerde blikken ontmoette, die een volmaakt niet-begrijpen uitdrukten, trok zij zich als een slak in haar huisje terug—en toen begon zij te begrijpen, dat het verdriet een heiligdom is, waar men niet met anderen binnen treedt. Dat het een toevluchtsoord is voor hen die eenzaam zijn, waar zij in alle geheimzinnigheid alleen vertoeven moeten.
Als zij met Helle aan de hand op straat liep en de een of ander haar staande hield, om een woordje met haar te wisselen, was haar aangezicht even kalm als vroeger en waren haar oogen niet vochtig meer van tranen, die toch ieder oogenblik op uitbarsten stonden. Een zware kring vertoonde zich onder haar diepliggende oogen en een smartelijke trek lag om haar lippen. Het verdriet zoog voortdurend aan haar ziel, maar niemand bemerkte het; als zij goedendag gezegd had, hield zij Helle’s handje nog vaster in de hare en vervolgde flink en recht haar weg door de straten, even als zij flink en recht haar levensweg aflegde. Maar die zielekracht dankte zij oorspronkelijk aan iets dat haar onlangs diep getroffen had:
Op een zekeren avond, laat in het voorjaar, was zij naar het graf gegaan. Een vriendje was Helle komen halen, om te spelen, en voor ’t eerst ging zij alleen naar het kerkhof.
Toen overviel haar groot verdriet haar dieper en zwaarder dan ooit tevoren. Het was alsof zij iets in zich voelde bevriezen. Daar hoorde zij plotseling een scherp-fijn, zacht en innig, voorjaarsverkondend fluiten door de lucht weerklinken.
Vóór haar in de treuresch, die het graf naast haar overschaduwde, zat een spreeuw zijn liefdelied te zingen. Wijd sperde hij zijn gelen snavel in de avondzon open, en de tonen weerklonken zonder ophouden uit zijn keel, terwijl zijn vleugels van trillende vreugde heen en weer gingen. Die spreeuw deed haar denken aan den morgen, toen hij achter haar aan de deur van de visschershut had gestaan en plotseling zijn armen om haar schouders geslagen en met zijn diepe, trillende stem gezegd had: “De laatste vierentwintig uren heb ik zooveel geluk genoten, dat ik nooit van mijn leven meer arm worden kan.”
Gold dit misschien ook niet voor haar? Had zij niet hetzelfde geluk genoten als hij? En was dit niet rijk genoeg geweest, om een heel, arm leven verder te vullen—? Had zij niet het toppunt van menschelijk geluk bereikt dien dag, toen zij met oom Frans het tooverland binnentrad? En al had het land daarna ook zijn poorten voor haar weer gesloten—zij was er toch met hem samen in geweest en zij zou weer met hem samen komen, dat wist zij, even zeker als dat de spreeuw daar in waanzinnige gelukzaligheid om zijn wijfje zat te roepen.
Zou zij misschien willen ruilen met één enkelen van die menschen, die zij zoo dikwijls tegenkwam, die zich nooit gedragen hadden gevoeld op den rug van de allerhoogste golven—en zich nooit in wanhoop op den diepen bodem der zee hadden voelen neergeworpen? Was zij niet rijk, schatrijk in het bewustzijn, dat zij bezeten had en nog bezat en eeuwig bezitten zou: een groote, heele liefde? Zij had altijd gemeend, dat zij miste wat oom Frans noemde: “dat wat meer karakter geeft aan de persoonlijkheid.” Zij had de uitéénloopende kanten van haar natuur gevoeld—nu werden die door de droeve hand van het verdriet bijééngebracht—de hand die het menschenhart kneedt, zooals de beeldhouwer zijn klei, en diepe groeven trekt, waar de vreugde niet meer dan een dunne streep achter laat.
Sinds de dood van oom Frans had zij het voorjaar niet kunnen uitstaan. Zij wenschte, dat het altijd winter wezen zou, koude, donkere winter zonder zon. Al het ontluikend leven, dat in de lucht om haar heen zong, scheen haar slechts een bespotting van haar eigen, dood geluk. Zij die daar alleen ronddoolde, zij moest het juichend bruiloftslied der natuur aanhooren! Haar vingers had zij in haar ooren gestopt als zij een vogel hoorde zingen—de gordijnen had zij neergelaten zoolang de zon scheen. Al het licht dat van den vroegen morgen tot den laten avond bij haar binnenstroomde, zij was het ontvlucht! En nu keerde zij plotseling haar aangezicht naar de zon. Had zij zelf niet gezegd:
Schrijf, heerlijk Leven al wat u lust! Mij open stel ik voor het blijde, voor het droeve... Doch laat niet ledig, de bladen wit!
Zij mocht de heerlijke, warme dagen vol zon niet vergeten, omdat zij nu voorbij waren.
De dagen, die er na kwamen, waren geweest:
dagen van zorg en verdriet—— Maar alle, o! alle— ik had ze geleefd!
Zij moest zoowel het verdriet als de vreugde geheel nemen. Het gaf niet, of zij al duizendmaal per dag tot zichzelf zeide, dat zij niet alleen kon zijn—zij moest—moest. En daarbij nog heel gelukkig zijn, dat zij Helle had.
Zij stond op. Zij liet al de duizenden voorjaarsstemmen haar ziel doordringen, tot zij geen pijn meer veroorzaakten. En toen trad zij de groote eenzaamheid binnen—die wel de vreugde, maar niet den rijkdom aan het leven ontneemt—die langzaam een ziel voorbereidt tot de laatste eenzaamheid, vóór de deur geopend wordt naar de plaats waar haar een eeuwig juichend samenleven wacht!
Al de kleine verdrietelijkheden en de kleine genoegens, de groote verwachtingen en de groote teleurstellingen van het leven, werden zandkorrels, die tusschen haar vingers weggleden. En zij wist het zoover te brengen, dat zij slechts één vreugde kende: vooruitzien naar het beloofde land, en één verdriet: dat de dagen zoo lang waren.
Zóó zag ik haar den stillen Juni-avond, die bijna onmerkbaar in den lichten nacht overging.
De muziek was reeds lang opgehouden, de lichten waren uit,—maar zij zat er nog.
Wat kon het haar schelen, of ieder geluid om haar heen al verstomde, terwijl de vuurtoren daarginds in den eenzamen nacht werd aangestoken—en dat de stilte levenden menschen wonderlijke fantasieën gaf over een spookschip, dat met slappe zeilen onhoorbaar over de golven vlood! Haar schrikte de dood niet af. Luisterend—voorovergebogen—zat zij daar. Zij zag als voorbij—door alles heen. Met brandende oogen staarde zij in het verloren tooverland van haar jeugd——!
Met toestemming van de schrijfster gaf ik, een enkele maal, in plaats van een getrouwe vertaling der door haar geschreven verzen, een citaat uit Nederlandsche gedichten, die mij volkomen de stemming van het origineel schenen weer te geven.
De Vertaalster.
Van dezelfde Schrijfster zijn bij den Uitgever dezes verschenen:
Inga Heine.—Derde Druk. Ingenaaid ƒ 2.40, gebonden ƒ 2.90.
Kjeld.—Ingenaaid ƒ 2.25, gebonden ƒ 2.75.
Frater Giovanni.—Ing. ƒ 1.75, geb. ƒ 2.25.
De Viool.—Ingenaaid ƒ 2.40, gebonden ƒ 2.90.
Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.