Vierde druk Utrecht—H. Honig—1905 (continued 3)
D. Logeman-van der Willigen translation
“En dagen kwamen en kropen, kropen als slakken voorbij, dagen van zorg en verdriet— Maar alle, o! alle— ik had ze geleefd!”
Den morgen, dat zij Rödvig verlaten zouden, kwam er bericht van den eersten geneesheer van Oringe, dat mevrouw Halling een hevige zenuwkoorts had gekregen, en hij geloofde niet, dat zij nog vele dagen te leven had. Als zij komen wilden, om haar nog te zien, moesten zij dit zoo spoedig mogelijk doen.
Denzelfden morgen gingen zij er heen en namen den jongen mee. Den geheelen weg over was Kaja zeer stil en het was oom Frans, die Helle moest bezig houden. Op zijn knie stond hij te trappelen en te lachen over de “tuf, tuf” en iedere nieuwe reiziger, die instapte, begroette hij met een kushand. En op zijn schoot viel hij ten laatste in slaap met het gekrulde, zwarte hoofdje en de samengeknepen knuistjes dicht tegen zijn borst.
Toen zij aan het gesticht kwamen, lieten zij Helle aan een verpleegster over en gingen samen naar de ziekenkamer. Buiten de deur bleef Kaja even stilstaan en haalde diep adem.
“Ik ben bang,” zeide zij—“ik ben bang voor den dood.”
Op zijn eigenaardige, vertrouwelijke manier nam hij haar hand in de zijne en als altijd kalmeerde haar dit.
“En ik ben juist blij, dat ik je toonen kan, hoe mooi die is,” zeide hij.
Zij gingen samen binnen, en dadelijk wendde de zieke het hoofd om.
“Wat voor bericht heb je voor mij van den prins?” zeide zij, terwijl zij haar van koorts gloeiende oogen op hem vestigde.
Kalm ging hij naast haar zitten. Toen zeide hij:
“De prins laat u weten, dat u nu kunt gaan, waarheen u wilt. De gevangenis is open!”
De oogen van de zieke glinsterden. Zij streek het zware grijze haar van haar voorhoofd en richtte zich op haar ellebogen op.
“Het is goed, dat je kwam,” zeide zij. “Je begrijpt altijd, wat ik bedoel. Er is iets hierna—een heel ander leven dan dit—beschrijf me dat eens.”
Oom Frans boog zich naar haar toe en fluisterde haar in het oor: “Ik weet niet, hoe het is,” zeide hij, “ik heb het zelf nooit ondervonden. Maar als ik er aan denk, is het alsof ik ketens hoor vallen.”
“Juist,—” zeide zij. “Ik ken dat geluid. Altijd als ik hier binnenkwam, was het alsof ik ketens hoorde rammelen. O, je moest eens weten, hoe vreeselijk dat was!” Zij rilde. “Ik liep en liep om ze te ontvluchten, maar altijd rammelden ze achter mij aan. En nu zullen ze vallen, zeg je? O, wat een groot, onmetelijk geluk!”
Oom Frans keek haar vlak in ’t gezicht, waar de dood al zijn kenteekens gedrukt had.
“Ja,” zeide hij met warme stem, “nu zullen we u gelukkig zien.”
Kaja lag op haar knieën bij het bed en drukte haar hoofd vast in de kussens.
“Arm, arm moedertje!” was al wat zij zeide, “arm moedertje!”
De zieke richtte het hoofd op en luisterde. Er was iets in die stem, dat tot haar doordrong, maar zij kon zich niet verklaren, wat het was.
Zij liet haar moede hand op Kaja’s hoofd neerdalen en keek oom Frans aan.
“Tegen haar moet je goed zijn,” zeide zij; “zij lijkt op een klein meisje dat ik eens gehad heb.”
Kaja barstte in tranen uit—lang en hevig weende zij met de handen vóór haar aangezicht—tot de zieke onrustig begon te worden en zeide:
“Ik kan je niet troosten, al mijn troost is weg.”
Toen legde oom Frans zijn hand krachtig op Kaja’s schouder en zeide:
“Houd je nu in! Laat haar nu gelukkig sterven!”
En oogenblikkelijk stond Kaja op, droogde haar oogen en ging op een stoel naast het bed zitten. Oom Frans zat aan den anderen kant en over het doodsleger staken zij elkaar de handen toe. Zoo zaten zij zwijgend, de verandering die komen zou, af te wachten. Ieder maal dat Kaja haar hoofd wilde afwenden, fluisterde hij: “Neen, blijf haar aanzien, je moet haar gezicht zien als de ketens vallen.” En met tegenzin gehoorzaamde zij hem.
Doch bij het eerste rochelend geluid uit de keel der zieke kromp zij in elkaar en wendde zich af. “Neen, het is te vreeselijk. Ik wil het niet zien!”
En met zijn blik dwong hij haar naar haar plaats terug en zeide: “Het is laf om het te ontloopen. Als je den dood niet krachtig in de oogen ziet, zal je er altijd bang voor blijven.”
En toen begon zij de zieke aan te staren—zij volgde de wisselende uitdrukking van de dwalende oogen en zag, hoe de moede handen het dek bevoelden en vastgrepen, en toen zij het koude zweet over de bleeke wangen vóór haar zag neerdruppelen, was het of zij het voelde op haar eigen voorhoofd. Doch plotseling werd zij achter al het vreeselijke iets anders gewaar. Zij begon achter de gebroken oogen de hoop op vrijheid van een gevangen ziel te zien... een geest, die zich zingend een weg baande door het lichamelijk omhulsel... En langzamerhand kreeg zij hetzelfde gevoel als oom Frans, wanneer hij over de pop stond heengebogen en wachtte op het oogenblik, dat de vlinder zou uitvliegen. Zachtjes aan begon zij het gevoel van juichende feestvreugde te begrijpen, dat een ziel doortrillen moet, als zij gewaar wordt, dat zij vleugels krijgt!
Zij begreep, dat, na de geboorte, dit het gewichtigste oogenblik in het menschelijk leven is. Het eerste, groote oogenblik is dat, wanneer de ziel den drempel naar haar bestaan op aarde overschrijdt, het tweede en laatste, wanneer de ketens vallen!
De zieke had haar oogen wijd open. “Ach neen!” zeide zij plotseling smeekend. “Trap er niet op! Het is maar een klein wormpje, maar het heeft toch ook een ziel!”
Oom Frans glimlachte. “Het is wonderlijk,” zeide hij, “ik dacht juist hoe goed zij altijd geweest was. Als zij vóór God’s rechterstoel stond en haar gevraagd werd: “Wat hebt gij gedaan?” dan zou zij kunnen antwoorden: “Ik heb nooit iets dat leefde, met voeten getreden.” En er zijn er niet veel onder ons die hetzelfde zeggen kunnen.”
Kaja keek hem aan, met tranen aan haar lange oogwimpers. “Ja jij kunt hetzelfde zeggen,” zeide zij. “Er is niemand zoo goed en fijn als jij. Ik ben overtuigd, dat zij gedurende al deze jaren gevoeld heeft, dat jij de harmonie in haar ongelukkig, uit elkaar gerukt bestaan hersteld hebt. Daarom hadt je die wonderlijke macht over haar.”
“Neen, neen!” riep de zieke plotseling luid, terwijl zij zich oprichtte, ”Mijn prins zal anders zijn! Op hem zou hij moeten gelijken, die dáár zit. Zijn oogen zouden even sterk moeten zijn, zijn handen even zacht, zijn gemoed even trouw en nooit zou een offer hem te groot moeten wezen. In één ding slechts in één, zou hij op de vrouw moeten gelijken: hij zou voor haar die hij liefhad, alles moeten kunnen opofferen. Maar hij, aan wien ik denk,” en zij lachte hard en bitter, “iederen dag van mijn leven trapte hij mij en het deed hem genoegen te zien, hoe ik leed. En zijn handen,” zij rilde, “zijn handen waren zoo groot en zoo hard.”
Oom Frans boog zich voorover en legde zijn hand op het koortsheete voorhoofd der zieke. Toen wendde zij haar verwilderden blik naar hem toe.
“Zeg het aan niemand,” fluisterde zij. “Als ik iets gezegd heb, verberg het in je eigen hart. Alle vrouwen, die het diepst lijden, lijden in stilte.—Wij durven er niet over spreken, zoolang wij leven—wij durven het niet fluisteren in ons stervensuur. Het grootste en zwaarste raadsel van ons leven hier op aarde nemen wij mee in den schoot van de aarde——”
Hij nam haar hand, die onrustig aan de deken plukte, in de zijne en zeide: “Dat is goed, de vrouw moet ook in stilte lijden.”
En onder den invloed van zijn diepe, kalme stem sloot zij de oogen en werd rustig. Doch een half uur later rees zij weer op.
“Zie!” zeide zij, terwijl zij met glinsterende oogen vóór zich uit staarde. “De deuren staan wijd open! Ik wil er uit! Ik wil vliegen!——Maar ik kan niet,” klonk het klagend, “want ik heb geen vleugels—”
“Blijf stil liggen,” zeide oom Frans, “dan zult u de vleugels voelen groeien.”
En onbewegelijk bleef de zieke liggen. Haar geheele aangezicht was één enkele, hoopvolle glimlach.
“Kijk eens, hoe mooi!” zeide oom Frans. Hij nam Kaja’s hand en bracht haar nader bij de zieke. Zij had haar hoofd in het kussen verborgen, als was zij bang om den dood in de oogen te zien; nu richtte zij zich op en volgde de richting van zijn blik. Doch de stervende zag haar niet meer—haar oogen barstten onder de warmte van een stralend, ver verwijderd licht, en zij hadden een uitdrukking van iemand die lang gevangen gezeten heeft, en nu plotseling loskomt. “De vleugels—” was al wat zij fluisterden—“de vleugels——!”
“Nu heeft zij ze,” zeide oom Frans en spreidde stil het laken over haar aangezicht.
“Laat mij haar nog éénmaal zien!” smeekte Kaja, en kuste snikkend de koude handen, die een oogenblik te voren nog tastend de hare zochten. Doch oom Frans nam haar hand in de zijne en ging met haar naar de aangrenzende kamer.
“Waarom zou je meer willen zien,” zeide hij, “wat nu over is, is niet mooi.”
En rillend drukte zij zich tegen hem aan.
“De dood is in ieder geval vreeselijk,” zeide zij.
“Maar een bevrijding—” voegde hij er bij. ”Denk eens wat een bevrijding voor een ziel als de hare!”
“Maar een bevrijding die scheidt—die duizenden mijlen tusschen ons in legt,” zeide zij, terwijl zij over zijn schouders naar het bed keek, waar de doode lag.
“Dat vind ik niet,” zeide hij op zijn kalme, zachte manier. “Wat zijn tijd en ruimte voor een ziel, die vleugels heeft—?”
Doch zij kon een gevoel van afkeer niet van zich afzetten en onwillekeurig nam zij den jongen in haar armen, die geheel onbewust, dat de dood hem een oogenblik geleden voorbij was gegaan, op den grond zat te spelen.
Zij drukte het kind vast tegen zich aan en zeide, met de oogen stijf op oom Frans gericht:
“Ik hoop, dat ik het eerst van ons drieën sterf, want ik zou noch jou, noch den jongen kunnen missen. Neen, neen, ik zou niet kunnen!”
Haar oogen stonden zóó angstig en haar stem klonk zóó bevend, dat hij niets beters te doen wist, dan haar bange hoofdje aan zijn borst te drukken en haar rood-gouden haren zacht te streelen en haar zachte wangen, met de bijna kinderlijke ronding, liefkoozend te aaien....
Dagen en weken lang daarna werd zij door iets vervolgd, dat haar dag noch nacht rust liet.
Het was, of zij een stem hoorde vragen, wien zij liever missen zou, hem of den jongen, hem of den jongen—?
En wien zij ook koos, altijd was het alsof haar hart breken zou. Zij voelde het met koortsheete, pijnlijke, harde slagen naar haar keel slaan. En plotseling kreeg zij een vreeselijken angst, dat zij de ziekte van haar moeder had overgeërfd.
Op het laatst kon zij het niet langer uithouden en vertelde alles aan oom Frans.
Een avond sprak zij er hem over, terwijl zij samen wandelden. Zij had haar arm in den zijnen gestoken, terwijl hij de parapluie voor haar ophield tegen de korte, hevige buien, die af en toe op eens neervielen.
Zij verborg hem niets. Tot in de kleinste bizonderheden vertelde zij hem haar pijnlijken angst en haar vrees, dat zij de ziekte van haar moeder zou overgeërfd hebben.
Onder haar spreken drukte hij verscheidene malen haar arm tegen zich aan, maar hij zeide niets. Zij zag alleen, hoe bleek hij was.
Toen Kaja nog een kind was en later als heel jong meisje, had hij soms zelf denzelfden angst gehad; daarom had hij haar met opzet van den omgang met haar moeder teruggehouden. Voorzichtig en zorgvuldig had hij haar alle pijnlijke indrukken bespaard, totdat zijzelf beslist verlangde, hem naar Oringe te volgen.
Tot nu toe had zij ondertusschen al wat zij daar gezien had, volkomen kalm opgenomen, zoodat hij langzamerhand zijn angst vergat. Doch nu verweet hij zichzelf bitter, dat hij er haar niet vandaan had gehouden.
“Mijn eigen lieveling!” zeide hij, terwijl hij haar hand, die op zijn arm lag, liefkoosde. “Het is allemaal mijn schuld. Waarom heb ik je ook meegenomen?”
“Maar oom Frans, hoe kun je nu zoo iets zeggen!” Zij keerde zich heftig naar hem toe. “Of,” en zij wierp hem een haastigen blik toe, “ben je misschien zelf bang—?”
Even bedacht hij zich, maar hij was zoo gewend altijd volkomen eerlijk tegenover haar te zijn, dat hij kort er op antwoordde:
“Vele jaren geleden ben ik werkelijk op sommige oogenblikken bang geweest, maar nu ben ik het niet meer. Zoolang je er zelf over spreken kunt, is er geen gevaar. Je hadt alleen je gedachten niet zóó lang voor mij verborgen moeten houden.”
Droevig keek zij hem aan.
“Ik was bang, dat ze je pijn zouden doen,” zeide zij zacht.
Hij bleef staan en nam haar beide handen in de zijne, terwijl hij zeide:
“Er is maar één ding, dat me pijn zou kunnen doen, en dat is, dat je een gedachte hebben zoudt, die ik niet zou kennen.”
Toen glimlachte zij gelukkig.
“Ik beloof je, dat ik er geen enkele voor mij zelf zal houden,” zeide zij.
“Dat is goed, kom maar met den kwelgeest voor den dag, zoodra je zijn nabijheid gewaar wordt, dan hakken we hem dadelijk den kop af.”
Zij lachte. ’t Was of ze hem al zag verdwijnen—en zij voelde, hoe de lucht haar wangen reeds deed blozen.
Toen hij de verandering zag, zwaaide hij van vreugde met zijn stok in de lucht.
“We zullen den kwelgeest er wel onder krijgen,” zeide hij. “Wacht maar, en als hij zijn kop weer in de hoogte steekt, dan sturen wij je naar de bergen; daar sterven alle mogelijke geesten.”
Zij schrikte.
“Voor Helle behoef je niet bang te zijn, op hem zal ik wel passen.”
“Ja, maar—ik kan volstrekt niet buiten jullie,” zeide zij, met een poging om te verbergen, dat haar oogen vol tranen stonden.
“Ja, dat kan je wel. Je zult me een jonge, gezonde vrouw willen geven het volgend voorjaar, dat weet ik.”
Toen liet zij haar hoofd weer op zijn schouder zinken, en zeide zonder zich een oogenblik te bedenken: “Ja, dat wil ik,” terwijl zij bij zichzelf dacht dat er niets was, wat zij niet met vreugde voor hem doen wilde.
Vele dagen daarna nog was zij vroolijk en zong, zooals zij gewoon was, deed haar werk en speelde met Helle, die nu al meer en meer haar leven vulde.
Hij sloeg haar in stilte gade, en het was alsof hem een zware last van de schouders viel.
De gedachte, dat zij haar moeders ziekte geërfd kon hebben, was ’t eenige wat hem kon neerdrukken; vergeleken daarmee was alle droefheid vreugde.
Doch nu was zij weer haar oude zelf, en de dagen vlogen met juichende snelheid voor hen voorbij. Hoe meer het oogenblik naderde, waarnaar zij zoo zeer verlangden, des te gauwer ging de tijd—en dikwijls scheen het hun toe alsof het nog maar een paar dagen waren. Oom Frans was begonnen “het nestje te bouwen”, zooals zij het noemden.
Zoodra zijn lessen op school ten einde waren, had hij allerlei zaken te beredderen.
Hij kon wel een half uur voor den winkel van een antiquaar blijven staan uitrekenen, of hij dit of dat hoekkastje niet zou kunnen koopen, of dat hij liever die oud Hollandsche klok zou nemen, die hij wist dat goed in de kamer zou passen. En hij had geen rust vóór hij ze beide had. Hij had zichzelf beloofd, dat al was de kamer ook nog zoo klein, zij dan toch bevatten zou waar zij ’t meest van hield—en iederen nacht droomde hij van harde eikenhouten meubelen, die hij zelf naar teekeningen van het slot Rozenburg restaureerde. Zijn hospita had hem nog een kamer ingeruimd behalve de drie, die hij reeds had, en Kaja en hij waren het er over eens, dat zij zijn oude woning betrekken zouden. De nieuwe kamer, die daarbij ook de grootste was, vulde hij iederen dag meer met nieuwe inkoopen.
Alle groote stukken zette hij daar, doch al het oude porcelein en de kleine koperen voorwerpen van waarde, waarvan hij wist dat zij veel hield, bracht hij naar haar, opdat zij ook het genot zou kennen allerlei voor hun eigen huis bij elkaar te zamelen.
En als hij zoo iederen dag opnieuw met allerlei verrassingen kwam aangeloopen, had hij veel van een van die groote, slanke vogels, van die zwarte meerlen die nooit moe worden strootjes en takjes voor hun nestjes aan te dragen....
“Ik heb een gevoel alsof ik reeds een geheel leven voor Rachel gediend heb,” kon hij zeggen, als hij stond toe te zien hoe verrukt zij alles inpakte. “Maar als we dan eindelijk samen leven mogen, zal ook niemands geluk zoo groot zijn als het onze.”
“Dat is zeker,” juichte zij. “En er zal geen tweede nestje zijn als het onze! Geen dat zoo fijn en zoo zacht is, en geen dat reeds zooveel inhoud heeft!”
“Als jonge menschen een huis inrichten, moeten ze ’t eerst nog inhoud geven—maar hier bij ons is ieder ding als een stuk leven dat al geleefd is—hier vertelt alles ons van dagen van gemis en dagen van vreugde en dagen van hoopvolle verwachting!”
“En,” voegde zij er bij, “het wonderlijkste van alles is dat we elkaar steeds hebben lief gehad en dat onze liefde toch altijd nieuw is—!”
Hij lachte.
“Ja, maar dat hebben we elkaar ook juist beloofd. Zoo zou het moeten zijn,” antwoordde hij slechts.
Voor Helle was het feest, ieder maal dat oom Frans met een nieuw pak onder den arm thuis kwam. Hij beschouwde alles dadelijk als zijn rechtmatig eigendom en zeide altijd: “Dat is voor Helle!”
En als men hem dan maar niet tegensprak, nam hij er altijd heel goed vrede mee, dat de voorwerpen weggezet werden, of tenminste zóó geplaatst dat hij er niet bij kon. Doch zoodra ze in zijn bereik waren, dan deed hij er mee wat hij wilde.
“Nu heeft Helle zeker weer moeder’s koperen bakje met de drie glimmende pootjes weggenomen?”
“Neen—niet weggenomen—alleen maar in de kamer gezet, anders Helle er mee wegloopen!” verklaarde de bengel, trotsch dat hij al voorzorgsmaatregelen tegenover zichzelf kon nemen.
Gezond en vlug—altijd in het beste humeur en vol guitige streken, voelde hij zich gelukkig en veilig onder het warme toezicht van twee paar oogen, die vol vreugde elkaar boven zijn krullenkopje tegenstraalden. Geen enkelen dag in zijn korte leven nog was hij ziek geweest, toen hij kort na nieuwjaar vreeselijk de kinkhoest kreeg, die hem zóó aanpakte, dat in een paar weken zijn dikke wangetjes geheel mager en bleek werden.
De aanvallen werden hoe langer hoe heviger en zijn oogen glinsterden van angst, als hij ze voelde aankomen.
Overdag zat hij wel met zijn speelgoed op, doch hij had er geen plezier in. Kaja kon hem het beste dat zij maar bedenken kon, voorhouden, geen hand strekte hij er naar uit, en oom Frans kon zich inspannen zooveel hij wilde, voor hond of kat spelen, of als een kikvorsch om de tafel springen, geen enkelen glimlach kon hij van de dunne lipjes te voorschijn roepen.
Op zekeren dag, toen hij van school kwam, vond hij Kaja met angstig starende oogen bij Helle’s bedje gezeten.
“Hij heeft hooge koorts,” zeide zij.
Zonder te antwoorden greep oom Frans zijn hoed en liep naar den dokter. Binnen een half uur was hij met hem terug en werd het kind nauwkeurig onderzocht. Toen het onderzoek was afgeloopen, nam Kaja den dokter ter zijde.
“Het is toch niet gevaarlijk?” fluisterde zij met droge lippen.
“Jawel, Mevrouw, het is kroep.”
Het was alsof zij een slag op haar borst kreeg, die haar hart deed stilstaan. Zij greep den dokter hard bij den arm en haar oogen dwaalden angstig van hem naar oom Frans en van oom Frans weer naar den dokter.
“En dus?” fluisterde zij nauw hoorbaar.—“Dus sterft hij?” De dokter wendde zich onwillekeurig af om haar oogen te ontwijken.
“Volstrekt niet,” zeide hij, “er is alle hoop, als we dadelijk tot een operatie overgaan.”
“Maar dat is een levenskwestie!” gilde zij bijna.
De dokter keek naar het bedje en zeide slechts: “Ja, maar hier geldt ’t ook een levenskwestie!”
De jongen lag hen met van koorts brandende oogen aan te staren. Hij kon niet spreken, doch steunde zonder ophouden. Het was of het schor, rochelend geluid met messen door haar hart woelde, en het in duizend kleine stukjes sneed.
Oom Frans hield de hand van het ventje in de zijne—oogenschijnlijk was hij volmaakt kalm, doch zij zag aan de uitdrukking van zijn oogen, hoe hij leed. En overweldigd door lichamelijk en geestelijk lijden, wierp zij zich plotseling aan zijn borst.
“Als hij sterft, heeft ’t leven geen waarde meer voor mij!” steunde zij radeloos, zonder te bedenken hoe haar woorden hem smarten moesten. Doch bijna tegelijkertijd bezon zij zich en had zij berouw van hetgeen zij gezegd had.
“O, wees niet boos,” snikte zij,—“ik weet zelf niet, wat ik zeg. Maar wat zullen we doen? Wat zullen we doen?”
Toen boog hij zich naar haar toe en zeide met wonderlijke kracht: “God zal raad schaffen.”
En zij was zoo weinig gewoon, dat hij iets openbaarde van hetgeen hij zelf “zijn eigen innigste mensch” noemde, zóó verborg hij gewoonlijk, zelfs tegenover haar, zijn eigen, persoonlijke godsdienstige begrippen, dat deze vier woorden haar bijna als een bevel tot onderwerping toeklonken.
Zij wist zelf niet, hoe zij naar de andere kamer gekomen was, doch zij wist dat oom Frans de deur achter haar op slot had gedaan en dat het op dit oogenblik het leven of dood gold voor haar eenig kind. Zij wist ook, dat als het kind stierf, zij niet met oom Frans zou trouwen, doch dat zij dan terecht zou komen op dezelfde plaats waar zij haar moeder had zien sterven. Een groot verdriet kon zij niet dragen, daar was zij niet sterk genoeg voor.
Zij volgde den secondewijzer op de klok boven de schrijftafel, ze zag dien rond gaan en weer rond gaan, terwijl het daar binnen beslist werd: leven of dood, leven of dood!
En plotseling was het alsof zij een stem hoorde zeggen: “Als ge nu één van beiden missen moet, hem of den jongen, wien kiest gij dan—?——Wien kiest ge dan——?”
Het was of zij verlamd werd van schrik.
“Ik kan niet,”—dacht zij—“o, neen ik kan niet, ik kan niet!”
En zonder dat zij het gewaar werd, stroomden de tranen haar zonder ophouden langs de wangen. Toen hoorde zij plotseling iets dat klonk als een half verstikte kreet uit de slaapkamer—toen hief zij haar samengeknepen handen in de hoogte en gilde luid: “God, neen, het kind niet! O, het kind niet! Red mijn kind!” Toen zonk zij met de handen vóór haar aangezicht op de sofa neer.
Zij wist niet hoe lang zij zoo gezeten had, toen zij de stem van oom Frans weer hoorde en hem met al de teedere zorg, die zij zoo goed kende van dat zij een kind was, over haar heengebogen zag. En evenals vroeger, ging hij ook nu naast haar zitten en streelde haar koude handen, en evenals toen drukte zij ook nu zich tegen hem aan en verborg haar beweende gezichtje aan zijn borst.
“Kom, kom,” zeide hij, terwijl hij haar zachtjes over het haar streek, “nu moet mijn klein meisje kalm zijn. De operatie is goed gelukt. Wij hopen dat hij nu buiten gevaar is.”
Zij wilde haar lippen openen, doch zij kon niet. Eindelijk bracht zij er uit: “Is het zeker?”
Hij knikte. “De dokter gelooft het. Doch zeker durft hij nog niets zeggen vóór morgen. Kom nu mee! Helle verlangt naar je.” En hij nam haar bij de hand en ging met haar de ziekenkamer binnen.
De dokter stond bij het raam zijn instrumenten in te pakken, terwijl Helle’s oogen met jagenden angst al zijn bewegingen volgden. Nooit zou zij die oogen vergeten—die herinnerden haar plotseling aan die van haar moeder.
Uit het open buisje bij de keel vloeide een dun, geelachtig vocht, met bloed vermengd, op het witte laken dat in vele lagen over zijn borst lag, en zijn kleine, dunne handjes hielden het ijzer van het bedje krampachtig omklemd.
Toen Kaja op haar knieën naast zijn bedje lag, en zijn handjes kuste, scheen het haar een onmogelijkheid dat hij zou kunnen blijven leven. En plotseling keerde zij zich naar oom Frans en zeide:
“Wil je me een dienst doen?”
Zonder te antwoorden knikte hij.
“Ik vind, dat nu ’t oogenblik daar is, dat zijn vader komen moet,” zeide zij. “Ik verlang er naar, ik vind dat hij hem zien moet vóór hij—voor——”
En haastig vloog zij op en schreef op een visitekaartje: “Helle is ziek. Als je hem nog eens zien wilt, kom dan dadelijk.”
Kaja.
Oom Frans liep met het kaartje in de hand de straten door. Bij een lantaarn bleef hij even staan om het handschrift te bekijken. En hij glimlachte bitter bij de gedachte aan de wonderlijk groote macht, die de band des bloeds heet.
Hij had Kaja’s heele liefde, hij had die gewonnen door duizend kleine offers, waar hij zelf nooit bij gedacht had, doch die hij zich nu herinnerde! Peter Dam had zijn zoon geen enkelen dag van zijn leven geofferd.
En toch—nu de dood voor de deur stond, was ’t aan hem dat zij dacht, om hem dat zij zond.
En onwillekeurig kwamen de volgende regels hem weer voor den geest:
Zielen zijn er op aarde, en niemand zal ’t ooit veranderen, wier lot het is, te dienen, te blijven dienen voor anderen.
Kaja had den dokter uitgelaten. Nu zat zij bij Helle’s bedje en telde de minuten, die nog verloopen moesten, vóór zij Peter Dam verwachten kon. Het was voor haar een gewetenskwestie geworden, dat hij het kind nog levend vinden zou, als hij kwam, “want het is toch ook zijn kind,” zeide zij tot zichzelf. En op dat oogenblik bedacht zij in het geheel niet, hoe onverschillig hij altijd tegenover den jongen geweest was, zij vergat wat er tusschen hen lag, zij wist slechts, dat de dood van nacht nog komen kon en het kind wegnemen dat het hunne was—en het was alsof Peter Dam haar nooit nader geweest was dan nu. Zij merkte dat zij naar hem zat te verlangen; niemand toch zou haar wanhoop meer voelen en begrijpen kunnen dan hij, nu de dood hun gemeenschappelijk eigendom bedreigde.
Zij kromp inéén toen zij de voordeur hoorde, en een minuut later stond Peter Dam in de kamer. Doch van het oogenblik dat hij den drempel overschreed, voelde zij, dat het een vreemde man was om wien zij gezonden had, en het berouwde haar, dat zij het gedaan had. Hier zaten zij nu, tegenover elkaar aan het bed van het kind, waarvan zij geen enkele herinnering samen konden deelen! Zij hadden het nooit samen bezeten. En juist dàt legde zulk een diepen afgrond tusschen hen. Zij zaten daar en voelden zich zoo wonderlijk gedrukt door elkaars nabijheid—en zoodra Peter Dam maar naar het kind keek, draaide Helle zijn hoofdje om. Dat deed hem oogenschijnlijk onaangenaam aan, hij werd verlegen en om dit te verbergen, zeide hij op zijn gewone, oppervlakkige wijze: “Arm schaap! Het is geen cent meer waard!”
Kaja antwoordde niet. Zij zat naar de voetstappen van oom Frans in de andere kamer te luisteren. En toen glimlachte zij. Het leven van toen en nu, was zóó opvallend verschillend, dat zij zelfs op dit oogenblik, dat haar gemoed overliep van verdriet, glimlachen moest.
Op hetzelfde oogenblik begon Helle vreeselijk te hoesten en vloog zij op om hem te helpen.
Verlamd van schrik stond Peter Dam naast haar het kleine, verwrongen gezichtje gade te slaan.
En terwijl hij met den rug van zijn hand een traan wegveegde, zeide hij: “Lieve God, dat hij niet eens rustig sterven kan.” Het was of zij ter wille van dien enkelen traan toch nog van hem houden moest. Doch toen herinnerde zij zich hoe bang hij altijd geweest was om anderen te zien lijden, en toen hij zijn hand voor zijn oogen hield en niets anders deed dan herhalen: “God, was ’t toch maar uit! Was ’t toch maar uit!” toen kon zij het niet langer uithouden.
“Ga maar liever heen,” zeide zij, na verscheidene malen getracht te hebben hem het stilzwijgen op te leggen. “Ik verzoek je vriendelijk om nu weg te gaan.”
“Heb je me misschien zelf niet laten halen?” zeide hij plotseling stijfhoofdig.
—“Ja—maar op ’t oogenblik kan ik je niet gebruiken—ik kan je nu niet zien,” fluisterde zij, terwijl zij het kind weer op het kussen legde. Het koude zweet parelde van angst op haar voorhoofd en haar oogen weken niet van het kindergezichtje vóór haar.
Helle begon een beetje vrijer adem te halen, doch voortdurend bewoog hij zijn lippen, alsof hij spreken wilde, maar niet kon. Wanhopend staarde zij hem enkele oogenblikken aan, en spande vergeefs al haar krachten in om zijn gedachten te raden.
Toen, plotseling, begreep zij hem.
“Zal vader komen?” vroeg zij, en de blijde glimlach in de oogen van het kind bewees haar dadelijk dat zij goed geraden had.
“Ik ben hier,” zeide Peter Dam, terwijl hij zich over het bedje boog.
Doch toen schoof zij hem op zij.
“Het kind bedoelt jou niet,” zeide zij. “Hij bedoelt dengeen die het in jouw plaats geweest is, van dat hij geboren is af—ja van veel vroeger al. De laatste dagen is hij hem juist vader gaan noemen, ik vond dat het voor het kind ook beter paste dan “oom” Frans.”
En met deze woorden deed zij de deur van de aangrenzende kamer open, waar oom Frans nog steeds heen en weer liep.
“Waarom kom je niet binnen?” zeide zij. “Helle verlangt naar je. En ik ook!”
Oom Frans kwam naar de deur. Een lichte blos bedekte zijn slapen, toen zijn blik over Peter Dam heen gleed.
Helle wendde zijn hoofdje naar hem om en tegelijkertijd gleed er iets als een glimlach over zijn gezichtje. En in dezen nauw merkbaren glimlach lag een stilzwijgende belofte, die zoowel gezondheid als leven over de bleeke, jeugdige trekken scheen uit te spreiden.
“Zag je dat?” riep Kaja jubelend uit, terwijl zij zijn hand greep. “Helle glimlachte! Hij glimlachte tegen jou!”
En de luidste lofzang zou haar liefde niet inniger hebben kunnen uitdrukken, ook haar dankbaarheid niet en haar trots niet, dan deze ééne uitroep: “Hij glimlachte tegen jou!”
Peter Dam voelde zich plotseling overbodig.
Toen hij die twee daar op die manier bij het bed van het kind zag staan, bemerkte hij opeens de oppervlakkigheid van zijn eigen gevoel, de leegte van zijn eigen leven;—en toen begon hij er een denkbeeld van te krijgen wat een samenleven eigenlijk zijn kon.
Haastig nam hij afscheid en zeide dat hij den volgenden dag terug zou komen.
Terwijl hij naar huis ging, was hij ten prooi aan de meest tegenstrijdige gevoelens—liefde en haat, wangunst en bewondering, diepe ontmoediging en onmachtige trots. Door zijn schoonvader had hij juist de koninklijke toestemming gekregen om te trouwen, vóórdat de bij de wet voorgeschreven tijd na de scheiding verstreken was, en het huwelijk zou de volgende maand plaats hebben. Maar nu, dat hij Kaja terug gezien had, vond hij plotseling dat al de rest er niet toe deed, als hij haar maar weer bij zich kon krijgen.
“Zij zal ’t nooit doen!” herhaalde hij steeds weer tot zich zelf, maar voegde er toch bij “of misschien—als ik ’t kind voor mij win.” En hij nam zich voor, dat als Helle bleef leven, hij niets onbeproefd zou laten om de gunst van het kind te winnen.
“De weg naar het moederhart voert door het kind,” zeide hij met een theatrale uitdrukking, en in zijn oude liefde voor klinkende phrasen kon hij niet nalaten, het hardop te herhalen.
Ondertusschen zaten Kaja en Oom Frans samen bij Helle’s bedje. Den geheelen, langen nacht wisselden zij in angst en spanning, en slechts af en toe, fluisterend een paar woorden. Het kind sliep onrustig. Af en toe opende het zijn oogen—en als het hen daar zoo stil en trouw op wacht zag zitten, glimlachte het gerust, zooals slechts een kind glimlachen kan, en sluimerde dan weer in.
Tegen den morgen begon er evenwel een heel zacht blosje over zijn wangen te komen.
“Ik geloof, dat we hem behouden,” zeide oom Frans, terwijl hij Kaja troostend toeknikte.
“Ik geloof het ook,” fluisterde zij verrukt terug.
Toen bleven zij weer eenige uren zwijgend zitten—hij stond slechts af en toe eens op om iets op de kachel te doen—en toen zij met haar hoofd op het bed van het kind in slaap viel, haalde hij een deken en spreidde die over haar uit.
Langen tijd stond hij haar fijne profiel en haar kleine, roze ooren, die half door het kroezende haar bedekt waren, gade te slaan, en het bewustzijn van haar liefde doorstraalde hem met een gevoel van oneindig geluk. Het was of zij in dezen enkelen nacht, waarin zij hun angst voor het kind samen gedeeld hadden, een heel leven samen hadden geleefd.
Hij zag, hoe zij na de sterke spanning thans diep ademhaalde en hoe de lange, zwarte wimpers door met geweld bedwongen tranen tegen haar zachte wangen trilden.
“Mijn eigen lieveling!” fluisterde hij zacht. “O, mijn eigen lieveling! Wat zou ik je graag alle verdriet besparen!”
En als had zij zijn stem gehoord, schrikte zij plotseling op en boog zich over het kind dat rustig sliep.
“Goddank! Ik geloof dat hij gered is,” zeide zij met bevende stem. En plotseling slingerde zij haar armen om zijn hals. “Wat ben je toch goed, om dit allemaal met mij te deelen!” zeide zij.
Om zeven uur kwam de dokter. Hij constateerde, dat het kind buiten gevaar was, en raadde Kaja aan wat rust te nemen.
“U kunt tenminste een paar uur daarbinnen op de sofa rusten, totdat Mijnheer Halling weg gaat,” zeide hij, “want hij is vertrouwd genoeg—aan hem durft u het kind toch wel een paar uur overlaten?”
Zij knikte oom Frans toe, terwijl zij zeide:
“Een paar uur? Het heele leven wel!” doch zóó zacht, dat slechts hij het hooren kon.
Toen zij den dokter uitgelaten had, ging zij plotseling naar oom Frans en zeide, terwijl zij bevend haar hand op zijn arm legde:
“Ik wil je eerlijk wat opbiechten. Er zal geen hoekje in mijn ziel zijn, dat jij niet kent. En je zult nooit beter over mij denken, dan ik in waarheid ben.”
Hij lachte zachtjes.
“Men denkt nooit over degene die men liefheeft,” zeide hij, “men weet gewoon dat zij de liefste op de wereld is. En dat is genoeg.”
Doch zij lachte niet. Zij zag hem recht in de oogen—en opnieuw viel het hem op, hoe wakker haar blik was. Het was of haar oogen zich diep in zichzelf weerspiegelden.
“Je zult weten,” zeide zij, “dat op hetzelfde oogenblik dat de operatie plaats greep, het mij was of ik een stem hoorde vragen: “Als één van beiden sterven moet—hij of het kind—wien kies je dan?” En toen koos ik het kind. Dat is juist het vreeselijke, dat ik overtuigd ben, dat ieder maal dat mij de keus gelaten wordt, dat ik dan het kind zou willen houden.”
Op eens voelde oom Frans zich wonderlijk arm worden. Het was of zijn lippen droog werden en hij met moeite zijn woorden kon uitbrengen.
“Waarom heb je me dat gezegd?” zeide hij. “Ik zou het liever niet geweten hebben.”
Toen begonnen langzaam de tranen onder haar neergeslagen oogleden voor den dag te komen.
“Frans!” zeide zij. “Je moogt mijn liefde niet beoordeelen na dezen nacht—o! neen je moogt niet!”
Doch hij schudde het hoofd.
“Die is voor jou nooit het allereerste geweest,” zeide hij, “daarom was die nooit volkomen. Nooit kwam jij voor mij in de tweede of derde plaats, jij was mijn alles en met minder ben ik zelf ook niet tevreden.”
Smeekend legde zij haar handen op zijn borst.
“Toe, zeg dat niet!” bad zij. “Je weet niet wat het zegt moeder te zijn. Geen man kan begrijpen wat dit zeggen wil. Geef dat mijn hart ten minste toe!”
“Ik kan niet,” zeide hij plotseling bitter. “Ik geef nooit toe tegen beter weten in, sus mijn geweten nooit in slaap—allerminst waar het liefde geldt, je weet dat.”
Toen liet zij haar handen zinken en wendde zij zich af. Zij voelde, dat zij zonder het te willen, hem een groot verdriet gedaan had, en het was alsof zij hem nooit meer gelukkig zou kunnen maken. Alsof zij zijn trouw met bedrog vergolden had en haar liefde de zijne nooit in sterkte evenaren zou.
Er was zooveel, dat zij hem zeggen wilde, doch zij kon niet. Toen hij weg ging, volgde zij hem slechts droevig met haar oogen. En den heelen dag zat zij bij Helle’s bedje, met het knagende gevoel van iets in hem gedood te hebben, en het bewustzijn, dat hij nooit zoo onvoorwaardelijk meer in haar zou kunnen gelooven als vroeger.
Om vier uur in den namiddag kwam hij weer.
Hij ging dadelijk naar Helle met een groote doos tinnen soldaten, die hij op het dek voor hem opzette. De jongen straalde van vreugde en klapte voortdurend van geluk in zijn handjes. Toen barstte zij in hevig snikken uit. En op hetzelfde oogenblik stond hij naast haar.
“Mijn eigen lieveling!” fluisterde hij met zijn teederste stem. “Wees niet boos! Ik was van morgen te hard tegen je!”
Zij sloeg haar armen om zijn hals en drukte zich steeds vaster en dichter tegen hem aan.
“Neen,” zeide zij, ”jij hadt gelijk. Nu begrijp ik het. Aan een heele, onverdeelde liefde heb je behoefte. Jij die zelf zoo’n heel mensch bent! Hoe zou jij met minder tevreden kunnen zijn! En mijn arme liefde is gedurende vele maanden maar half geweest,—maar nu beloof ik je: heel zal die worden!”
“Hut, hut paardje! Met je vlassen staartje! Met je koperen voetjes!”
Helle was voor ’t eerst op. Oom Frans droeg hem in de zitkamer en zette hem daar op een bonten kleedje op den grond. De zon scheen op zijn kleine, dunne handjes en het was feest in huis. Zijn speelgoed had stil en onaangeroerd in den hoek gestaan, doch toen Helle binnenkwam begon alles te herleven. De trekpop moest voor den dag komen en kunsten maken, de zweep moest klappen, de tol moest draaien en de speeldoos werd opgewonden.
“Helle teruggekomen!” zeide de kleine baas, terwijl hij stralend om zich heen zag.
“Ja, Helle teruggekomen!” herhaalden de twee gelukkige menschen, die naast hem stonden en in wier oogen het een geheel koninkrijk was, dat daar op den grond zat en de zon over zich heen liet stralen.
“We hebben allemaal naar Helle verlangd,” zeiden zij. “De bloemen in het venster lieten hun kopjes hangen en dachten, waarom komt Helle ons niet toeknikken zooals gewoonlijk? En de kleine, grijze poes heeft iederen dag gevraagd: waar blijft Helle toch?”
“Poes om Helle gehuild?” zeide de jongen. “Poes hier komen!”
En poes kwam binnen en spon en miauwde en streek liefkoozend tegen de beenen van oom Frans. En Helle moest zien, hoe moeder rondliep, om de bloemen water te geven—en luisterde vol aandacht als de groote klok sloeg. En op het laatst moest moeder hem op haar schoot nemen en zingen:
“Hut, hut paardje, met je vlassen staartje, met je koperen voetjes!”
Zij zong zóó luid, en zij en oom Frans gingen zóó geheel in het kind op, dat zij niet hoorden dat er gebeld werd, en er niet aan dachten dat er een vreemde in de nabijheid wezen kon, voordat Peter Dam plotseling vóór hen in de kamer stond.
Hij voelde onwillekeurig hoe zijn tegenwoordigheid een schaduw wierp over de drie gelukkige menschen daar binnen, doch hij deed alsof hij ’t niet bemerkte en wendde zich dadelijk tot Kaja, zeggende:
“Je hebt er zeker niets op tegen, dat ik eens naar den jongen kom zien?”
“Neen, volstrekt niet. Is ’t niet heerlijk dat hij weer op is?”
Zij sprak op gedwongen vroolijken toon. Peter Dam strekte zijn armen naar Helle uit—hij had een gevoel, dat hij iets doen moest—doch Helle verstopte zijn hoofdje in de mouwen van de jas van oom Frans en zeide:
“Vader op Helle passen!”
Toen vergat Peter Dam op éénmaal al de aan zichzelf afgelegde beloften, om verstandig en voorzichtig te werk te gaan. De aderen op zijn voorhoofd zwollen op en zijn stem beefde, toen hij zich tot oom Frans wendde en heftig uitviel:
“Ik verbied u, u een naam toe te eigenen, die u niet toekomt!”
Doch oom Frans verroerde zich niet. Hij keek slechts Peter Dam aan met een blik, die hem van het hoofd tot de voeten opnam.
“Hoort u, wat ik zeg?” ging Peter Dam even heftig door. “Ik verbied het kind, dien naam tegenover u te gebruiken.”
Toen kwam Kaja tusschenbeiden.
“Het kind begon mij na te praten en oom Frans te zeggen; die naam is mij zelf te lief geworden, dan dat ik voor mij er nu nog eenige verandering in zou kunnen brengen, doch ik vond het voor Helle beter, hem bij den naam te noemen, die hem van ganscher harte toekomt. Daarom heb ik hem zelf geleerd, vader te zeggen. Ik zelf, versta je?”
Peter Dam werd bleek van woede.
“Jij!” zeide hij, “met welk recht geef jij een naam weg, die slechts mij toekomt?”
“Met het recht, dat jij vergooid hebt,” antwoordde zij kalm. “En ik ben er trotsch op, dat mijn kind dien man vader noemen mag,” voegde zij er bij.
“Vader lief!” knikte Helle toestemmend en streelde liefkoozend met zijn kleine, witte handjes den arm van oom Frans. Doch iedere liefkoozing, die het kind aan hem gaf, was Peter Dam een klap in zijn gezicht, en daarbij was hij niet van plan den moed zoo gauw op te geven.
“Je vergist je bepaald in de situatie,” zeide hij tegen Kaja met een poging, om uit de hoogte te spreken. “Ik heb je het kind gelaten, maar ik heb mijzelf niet het recht ontzegd, zijn vader genoemd te worden. En dat recht zal ik altijd blijven opeischen.”
Zij keek op en haar oogen schoten vlammen.
“Dan zou je dat recht duurder moeten kunnen betalen, dan hij gedaan heeft,” zeide zij. “Wat heb jij er voor willen geven? Misschien een klein deel van je jaarlijksch inkomen maar hij? Hij? Hij heeft er nacht en dag met zich zelf om gestreden—met oneindige teederheid en met oneindige liefde—en met jarenlange, zware opofferingen—!”
Zij was opgestaan en drukte het kind vast tegen zich aan. Oom Frans wendde zijn oogen niet van haar af. Op dat oogenblik dacht hij volstrekt niet aan Peter Dam, of aan Helle, die hem steeds bij zijn mouw hield, hij dacht slechts aan haar! Nooit had hij, zooals nu, de warmte van haar liefde en de kracht van haar trouw gevoeld! En hij dronk met volle, gulzige teugen uit den geluksbeker. Het was of hij volstrekt niet gewaar werd, wat er om hem heen gebeurde.
Doch hij ontwaakte, toen Peter Dam vrij onzacht het kind plotseling naar zich toehaalde en het met hartstochtelijke kussen overlaadde.
De jongen spartelde met alle kracht tegen en sloeg met armen en beenen.
“Helle wil niet! Helle wil niet!” schreeuwde hij.
“Een volgend maal zal ik je wel leeren willen,” zeide Peter Dam, terwijl hij het kind hard op den grond neerzette, zijn hoed greep en zonder goedendag zeggen, verdween.
Het kwam oom Frans voor, dat Kaja hem wonderlijk ernstig nazag, doch hij lette er niet verder op, doordat hij druk werk kreeg met Helle te troosten, die hevig verschrikt op den grond zat te gillen...
Sinds dien dag kwam Peter Dam meer.
Doch Zondags of in den namiddag verscheen hij nooit. Hij kwam slechts als hij wist, dat oom Frans op school en Kaja dus alleen met het kind was. Hij lachte hard als de kleine bengel met de handen op zijn rug beslist verklaarde: “Helle vindt je niets lief.” En hij hield niet op, vóór hij hem door middel van suikergoed en chocolade een zoentje had afgedwongen.
Tegenover Kaja was hij óf buitengewoon heftig óf vleiend lief. Hij bracht haar in een toestand van voortdurende onrust. Zijn herhaald aandringen, dat het kind hem vader noemen zou, maakte haar zenuwgestel in de war en zij begon met angst den tijd tegemoet te zien, dat het kind de treurige verhouding tusschen hen zou beginnen te begrijpen.
“Meer dan twee jaar heb je hem volkomen kunnen missen,” zeide zij, “waarom dring je je nu plotseling op? Wat is eigenlijk je doel met je bezoeken?”
“Wat mijn doel eigenlijk is? Ik wil jullie terug hebben!” zeide hij uitdagend.
Zij staarde hem aan en zeide:
“Ben je niet wijs?”
Ja, ik geloof, dat ik het word als ik jullie niet terugkrijg.”
Plotseling werd haar stem koud als ijs, toen zij zeide:
“Als je dáár voor komt, dan sluit ik in ’t vervolg mijn huis voor je.”’
“Je kunt mij den toegang tot mijn kind niet ontzeggen,” zeide hij plagend.
“O, het is volstrekt niet om het kind, dat je hier komt. Je wilt ons hinderen, dat is het. Vóór dat jij ons kwam verstoren, hadden we ’t zoo gelukkig en vreedzaam—en nu—.”
Hij lachte, toen zij ophield.
“En nu is er een slang in het paradijs verschenen, hè?” zeide hij.
In het vervolg liet Kaja hem met Helle alleen, als hij kwam, en sloot zich zelf in de kamer er naast op. Doch die oogenblikken werden haar al meer en meer ondragelijk. Zij hoorde voortdurend zijn stem, en af en toe maakte hij het kind met opzet aan ’t huilen, in de hoop, dat door zijn luid om “moeder” roepen, Kaja wel voor den dag zou komen. Zij werd nog zenuwachtiger dan vroeger en voelde hoe het haar krachten ondermijnde.
Helle’s ziekte had een heilzamen invloed op haar geoefend. Haar energie was gesterkt, zij had leeren volharden en op weldadige wijze waren haar gedachten van zichzelf afgeleid geworden. Doch nu kwamen de oude angst en de vroegere slapeloosheid weer terug.
Oom Frans bemerkte de verandering en vroeg haar dadelijk, wat er gaande was. Zij wierp het op een grapje. Doch op zekeren dag, toen hij in de gang zijn goed ophing, kwam Helle naar hem toegeloopen—schijnbaar geheel vervuld van iets, en zeide, met zijn kleinen krullebol schuddend:
“Leelijke man bij Helle geweest, leelijke man—moeder huilen—”
En toen was het geduld van oom Frans ten einde. Regelrecht ging hij naar Peter Dam.
“Als je ’t nog eens waagt, haar te bezoeken,” zeide hij, “dan smijt ik je gewoon de trappen af! Denk er om! Of ze hoog zijn of laag, er af zal je, versta je?”
Sinds dien dag bleef Peter Dam weer onzichtbaar en een paar weken later lazen zij in de krant, dat hij getrouwd was. Kaja kreeg een gevoel van verlossing, maar toch was zij er niet zoo verheugd over als zij vroeger zou geweest zijn. Zij had weer het oude gevoel, de oude vrees, dat zij oom Frans zou moeten missen, en leefde in één voortdurenden angst.
“Het is of het geluk, dat we weldra bereiken zullen, al te groot voor mij is,” zeide zij. “Het is alsof ik er niet heelemaal op mag vertrouwen.”
Vol bekommering keek hij naar de donkere randen om haar oogen en wist niet wat te antwoorden. Doch op een zekeren dag in het begin van Mei, kwam hij met een grooten brief in zijn hand bij haar.
“Ik heb naar Modum geschreven en er een kamer voor je besteld. Nu moet je eens lief en gedwee zijn en van den zomer naar Noorwegen gaan. Terwijl jij weg bent, zullen Helle en ik goed op elkaar passen—en dan kom je terug met frissche, roode wangen—terug naar ons huis. Wat zullen we het druk hebben om het samen in orde te maken!”
Zij sprak hem niet tegen, doch bij de gedachte, dat zij van hem en van het kind afscheid zou moeten nemen, sloeg de kou haar om het hart. En toen het avond werd en zij alleen was, legde zij haar armen op de vensterbank, boog haar hoofd en huilde en snikte zonder ophouden.
“Ik wil niet van hem weg,” zeide zij in zich zelf. “Dat krijgt hij niet van mij gedaan. Dat wil zeggen, zooveel dagen en weken weg van ons geluk, en dat kunnen we ons niet veroorloven, dat kunnen we geen van drieën.”
Doch in den nacht werd zij door een droom gekweld, die haar den laatsten tijd voortdurend vervolgde. Zij droomde dat zij weer te kiezen had: den jongen of hem, en zij koos weer den jongen. Zij ontwaakte met vochtige, bange oogen en voelde hoe het koude zweet haar op het voorhoofd uitbrak. Het was of zij hem op hetzelfde oogenblik ter dood veroordeeld had—alsof zijn dood er een natuurlijk gevolg van zijn zou, nu, dat zij hem op ’t beslissende oogenblik ontrouw was geworden. En toen zij ’s morgens opstond, voelde zij zich zoo zwak als na een hevige koorts.
“Hij had toch gelijk,” zeide zij in zichzelf, “het is noodzakelijk, dat ik vertrek.”
Doch toen zij drie weken later op het dek van de stoomboot stond en naar den wal staarde, waar oom Frans met Helle aan de hand stond—en de brug weldra ingetrokken zou worden, had zij al haar zelfbeheersching noodig om niet op het laatste oogenblik terug te springen.
Oom Frans had zijn uiterste best gedaan zoo vroolijk mogelijk te zijn, om daardoor ook haar op te wekken, doch het was hem maar half gelukt. Bij de laatste omhelzing had hij haar nauwelijks los kunnen laten. En nu gleed de boot langzaam de haven uit. Met vochtige oogen volgde zij de groote en de kleine gedaante daar aan den wal—de twee menschen, die voor haar de geheele wereld waren. Helle zwaaide met zijn roode muts en zond kushanden, zoolang hij de boot met zijn oogjes volgen kon. Doch het laatst wat zij zag, was de groote zachte hoed van oom Frans, dien hij zonder ophouden groetend en wuivend door de lucht zwaaide.
De frissche, zuivere berglucht van Modum oefende een uitstekende geneeskracht op haar geschokt zenuwgestel uit. In minder dan twee maanden werd zij als een ander mensch. Zij sliep rustig zonder droomen, haar wangen kregen hun oude kleur terug, haar gang werd weer elastisch en haar stem weer vroolijk. Maar zij was het liefst alleen. Haar verlangen was haar liefste en trouwste compagnon. Zij leefde in werkelijkheid haar leven met die twee, die nooit uit haar gedachten waren. Zij maakte lange wandelingen alleen—doch oom Frans en Helle gingen mee—af en toe bemerkte zij op eens dat zij luid met hen sprak!
“Ik kom gauw bij jullie terug,” zeide zij, “vóórdat je het weet, sta ik vóór je.”
’s Avonds zat zij laat op om brieven te schrijven, of om de zijne over te lezen—niet omdat zij iets vergeten had van hetgeen er in stond—zij kende ze allen van buiten—maar zij had steeds behoefte om zijn schrift te zien zijn regelmatig, duidelijk schrift, een flinken, eerlijken handdruk gelijk.
“Ieder uur van den dag verlang ik naar je,” schreef hij, “doch er is zooveel heerlijks in mijn verlangen en mijn hoop is zoo licht en rijk! Nu heb ik weldra twaalf jaar voor Rachel gediend! Nu zijn het geen jaren meer, maar slechts een paar maanden vóór je de mijne bent! Als de spreeuw in het voorjaar begint te zingen, dan zal het huisje klaar zijn—en dan zal je de mijne zijn, heel de mijne!”
Zij wist, wat hij meende met “dan zal het huisje klaar zijn.” Zij wist dat hij van den zomer twee kamers gehuurd had in een klein huisje te Höjstrup “voor een paar lentedagen—voor een paar gelukkige menschen, die geen geld hebben om een huwelijksreis te maken,” had hij onder het huurcontract geschreven, dat in een groot, blauw couvert op zijn schrijftafel lag. En zij wist dat hij af en toe het een en ander naar het kleine, primitieve huisje toezond, dat hun eerste geluk zou herbergen. Het trof haar, hoe jong hij in den grond was, niettegenstaande zijn grijze haar—veel jonger dan zij zelf, meende zij!
Zij wist ook wel wat hij bedoelde met: “de mijne, heel de mijne!” Zij had het in zijn oogen gelezen en in zijn stem gehoord en in zijn omhelzing gevoeld, toen hij afscheid van haar nam.
En een bijna waanzinnige angst overviel haar plotseling, dat hij sterven kon, vóórdat zij dat wezen zou. Het was of het leven haar, zonder dat, volkomen doelloos wezen moest.
En toen schreef zij terug:
“Je eigen, heel je eigen, denkt nu aan niets anders dan aan het oogenblik dat het huisje klaar zal zijn! Midden in al de heerlijkheid der lichte nachten verlangt zij naar donkere, koude dagen—zij zou willen dat zij de koude sneeuw reeds in haar handen hield, omdat duisternis en koude haar nader brengen tot den dag, dat de spreeuw zingend zijn nestje bouwt!
Hij antwoordde door haar een teekening te zenden van het bosch te Höjstrup—hij kon er zelf niet langer naar kijken, schreef hij, want ’t was alsof hij dan vuur onder de vleugels kreeg....
En zij borg de teekening dadelijk in haar koffer—“want, als ik er nog langer naar kijk, vertrek ik morgen aan den dag,” zeide zij tot zichzelf.
Het was alsof het verlangen hen nog meer bij elkaar bracht dan vroeger. Zij leefden niet meer in het tegenwoordige, zij leefden beiden in de toekomst, die hun de vervulling van hun rijkste verwachtingen brengen zou, waarmee zij drie lange jaren altijd rekenschap hadden gehouden en die nooit uit hun gedachten was geweest.
Doch tegelijkertijd leefden zij ook met Helle.
Als altijd bracht hij allerlei berichten van den een naar den ander over. Helle dicteerde en oom Frans hield zijn kleine, dikke handje vast en schreef:
“Helle wordt nu groot—heel groot. Helle zit iederen dag op vaders schoot en vader vertelt geschiedenissen. Maar Helle wil moeder terug hebben—want alle geschiedenissen zijn altijd over moeder.”
Zij legde den brief onder haar kussen en ontwaakte herhaaldelijk gedurende den nacht en kuste hem. Den volgenden dag schreef zij:
“Zoete Helle! Moeders eigen, lieve jongen!
Iederen morgen vraag ik de zon, die door mijn venster komt kijken; “Heb je Helle gezien?” “Ja, dat zou ik meenen!” zegt de zon dan. “Een oogenblik geleden heb ik juist bij hem door de ruiten gekeken. Hij zat in zijn bedje liedjes te zingen en toen verstopte ik mij in zijn krullebol en gleed zachtjes tusschen zijn kleine, bloote voetjes door. Of ik hem gezien heb!” En als ik de spreeuw, die vlak onder mijn venster fluit, vraag: “Heb jij Helle ook gezien?” dan fluit de spreeuw: “Zeker heb ik hem gezien! Hij liep in het park paardje te spelen! En zijn wangen waren zoo rood en zijn oogen stonden zoo helder! En ik ging op een struik zitten zingen, terwijl hij voorbij liep. En ik vertelde hem hoe heerlijk ’t wezen zal als moeder weer terugkomt bij de twee menschen, die ze ’t allerliefst heeft op de heele wereld. Zeker heb ik hem gezien—!”
“Wanneer komt moeder?” vroeg Helle herhaalde malen op den dag en dan antwoordde oom Frans: “Als ’t bosch geel begint te worden.” “Dan moet het maar dadelijk geel worden,” zeide Helle. “Neen, wij moeten wachten tot het najaar wordt,” zeide oom Frans met een lichten zucht—en Helle begon te begrijpen dat het najaar iets was, dat nog heel ver af was.
Doch Kaja hield hen beiden voor den mal.
Op zekeren nacht werd zij zoo vreeselijk door haar verlangen overweldigd, dat zij den volgenden morgen dadelijk haar koffers pakte.
“Geen halven dag van mijn leven wil ik meer zonder hem zijn,” zeide zij tot zichzelf.
En zij reisde den geheelen avond en nacht door. Tegen zes uur in den namiddag kwam zij te Kopenhagen aan, nam dadelijk een rijtuig en reed naar huis. Iedere lantaarn die zij voorbij reed, begroette zij, en toen zij de laatste genaderd was, barstte haar hart bijna van vreugde.
Den huissleutel had zij in haar zak en heel zachtjes draaide zij dien in het slot om. Niemand hoorde haar binnen komen. Onhoorbaar deed zij haar goed af. De deur naar de zitkamer stond open en zij bleef een oogenblik op den drempel staan. Oom Frans zat met Helle op zijn schoot met zijn rug naar de deur toe. Hij zat op haar oude plaatsje bij het raam en zij zag, dat hij al haar portretten om zich heen had. Sommige hingen aan den muur vlak bij hem, andere stonden op het schrijftafeltje en op de vensterbank.
Helle stak juist zijn handjes naar een portret uit—een fotografie in kabinetformaat in een lijstje—en zij zag hoe voorzichtig oom Frans het opnam en het den jongen voorhield.
“Geef moeder een zoentje!” zeide hij, “maar voorzichtig, hoor!”
En toen de jongen het gedaan had, drukte hij zelf hartstochtelijk zijn lippen op het koude glas—eens—twee maal—drie maal—!
Toen maakte zij een onwillekeurige beweging—en keerde hij zich om. Met een kreet van vreugde lag zij vóór zijn voeten en bedekte zijn handen met kussen.
Helle viel dadelijk om haar hals.
“Moeder, moeder!” juichte hij. “Is ’t bosch nu geel?”
Doch oom Frans zeide geen woord. Zwijgend drukte hij haar hoofd dicht tegen zijn borst. Aan de bijna pijnlijk hevige slagen van zijn hart, bemerkte zij hoe groot zijn vreugde was—en toen hij eindelijk uitbracht: “Welkom, mijne, mijne!” was het alsof zijn stem zong van geluk.
“Beloof mij,” zeide zij, terwijl zij haar hoofd achterover boog, zoodat zij hem in de oogen zien kon: “beloof mij, dat je me nooit meer weg zult zenden! Het is een bloedige zonde tegenover ons beiden. Het is de zon uit ons beider leven wegsluiten. Beloof mij, dat, of het leven lang of kort is, we ieder uurtje er van met elkander zullen deelen! Iedere dag, die ons vergund wordt om samen te leven, is immers een groote, dierbare schat voor jou en voor mij! Daar zullen wij mee woekeren, dien zullen we op interest zetten, zoodat we er tot onzen ouden dag genoeg aan hebben!”
Hij nam haar kleine, krachtig saamgeperste handen in de zijne en kuste ze hartstochtelijk. Toen maakte hij ze los en legde ze op zijn oogen.
“Jou, lieve, gierige ziel! Ja, tot de eeuwigheid zullen we er genoeg aan hebben!” zeide hij.
Zij stond op en liep met lichte, blijmoedige passen de kamer rond, terwijl zij zachtjes neuriede. Helle kwam op haar af, gaf haar een handje en ging naast haar loopen.
Zij keek alles met nieuwsgierige blikken aan en voortdurend lag er een gelukkige glimlach om haar mond.
“Het is alsof je uit een tooverland komt,” zeide hij, terwijl hij haar met zijn oogen volgde.
Zij keerde zich om en keek hem aan.
“Dat doe ik ook,” zeide zij. “Ik kom uit het tooverland van mijn liefde. Het is of men al wat men daar aanraakt, hoort zingen. En dat heeft het gedaan zoolang ik mij herinneren kan. Als ik je maar hoorde spreken, was het alsof de lucht om mij heen zong. Je moest eens weten, hoe dikwijls ik in de schemering heb zitten kijken naar je zuiver profiel, dat zich op het venster afteekende, en hoe ik dan luisterde naar de heerlijke muziek, die er van scheen uit te stralen—muziek, zooals deze bijvoorbeeld...” En toen liep zij naar de piano en speelde de eerste maten van een fantasie van Chopin. Daarna zong zij:
“En woondet gij duizend mijlen van mij en stond heel het land in de vlammen, op mijn knieën kroop ik tot vóór je voet en baande me een weg door de vlammen.
En zoo je ziek werdt, ik legde mij neer zoo zacht en zoo trouw aan je zijde, en al de smarten, die jij leedt, die zou ik met je lijden!
Doch moest je bezwijken en liggen heel koud in de sombere aard, vol rouw, ’k gunde God in zijn hemel geen stondeken rust, vóór ik er je volgen zou!”
“Wat zong je daar?” vroeg hij, plotseling opmerkzaam.
“Niets anders dan één van mijn eigen liedjes.”
“Maak je zelf liedjes?”
“O ja! En allemaal over jou.”
“Heb ik van mijn leven! Je bent onbetaalbaar! Je geeft me niet alleen je zelf, je geeft me een heel liederenboek op den koop toe.”
“Wie zegt, dat jij het krijgen zal?”
“Wel, als de liedjes over mij zijn, dan—”
“Ja, juist daarom. Ik zou over niets anders kunnen dichten, het zou zelfs niet in mij opkomen, dan over jou. Als ik maar aan je denk, worden mijn gedachten van zelf liederen. Zoo is het altijd geweest. In mijn verzen had ik jou. Daarom, als jij niet bij me was, dan had ik in ieder geval mijn verzen en dus jou.”
“Je moet mij dat liederenboek geven, hoor!”
“Neen.”
“Je hebt me al je gedachten beloofd—”
Hij zeide het schertsend, maar zonder dat hij ’t zelf wist kwam er een licht weemoedige toon in zijn stem. Dat was voldoende—zij had er reeds berouw van. En met haar warme lippen dicht tegen zijn oor, fluisterde zij:
“Ik beloof je, dat je ze op onze zilveren bruiloft allemaal hebben zult.”
En zij neuriede:
“Eens, in den Herfst van het Leven, gebroken, oud en grijs, zingen wij de oude woorden op de oude bekende wijs.”
“Ken je dat?”
“Ja, maar ken jij dàt?” En hij floot een ander wijsje.
Maar toen moest Helle er ook het zijne van hebben.
“Moeder voor Helle ook zingen!” zeide hij.
En toen zong zij alle mogelijke liedjes, die zij zich maar herinnerde. Van “klein, klein kleutertje” en van “hut, hut paardje!” en vele andere.
En Helle juichte en vroeg steeds om meer, totdat zij een vast besluit nam, hem de slaapkamer indroeg en hem begon uit te kleeden.
“Zal je van nacht bij Helle slapen?” vroeg hij met veel belangstelling.
“Nou, of ik, hoor! Wil je misschien liever dat ik weg blijf?”
“Neen—maar vader moet ook komen! Vader sliep altijd bij Helle toen moeder weg was!”
“Ja, maar nu is er geen plaats voor vader, dat zie je wel.”
“Pachtig plaats!” zei de jongen verrukt. “Vader kan bij Helle liggen.”
En hij herhaalde: “Pachtig plaats.”
Oom Frans stond bij de open deur van de huiskamer en neuriede nog: hut, hut, paar-re-tje! Hij had haar best eens te hulp kunnen komen in plaats van daar maar glimlachend, met zijn sigaar in zijn handen, te blijven neuriën.
Helle wilde nog iets zeggen, doch toen sloot zij zijn mond met een kus en zeide:
“Nu zal ik je eens iets vertellen. Als we in het kleine huisje te Höjstrup komen, waarvan ik je zoo dikwijls verteld heb, dan hebben we meer plaats en dan zal Helle’s bedje tusschen dat van vader en moeder in staan, zoodat we goed op hem kunnen passen.”
“Gaat moeder dan niet meer weg?” vroeg Helle twijfelend.
“Neen, nooit meer!” antwoordden zij beiden tegelijk, terwijl zij lachten om de ongeloovige uitdrukking van Helle’s gezichtje.
En op die manier gerustgesteld, liet de jongen zich zoet naar bed brengen en kroop dadelijk onder de dekens.
Zij bleven samen in de huiskamer zitten en lieten de deur naar de slaapkamer aanstaan. Zij spraken niet veel, en als zij het deden, was het op gedempten toon. Het was of zij bang waren hun geluk door woorden te verstoren. Doch af en toe liet zij haar hand door zijn dikke haar gaan en volgde met haar oogen de beweging van haar vingers.
“Ja, nu zal je ze wel niet meer kunnen tellen,” zeide hij en glimlachte bij de gedachte aan al de grijze haren tusschen de zwarte.
Zij schudde het hoofd. “Ik ben er wat trotsch op,” zeide zij. “Ieder maal dat ik daarginds naar je liep te verlangen en een gevoel had alsof ik je eigenlijk volstrekt niet waard was, en alsof het gewoon een onmogelijkheid was dat je werkelijk van mij zoudt houden, en ik dan in eens aan je grijze haren dacht, dan was ’t of die mij toeriepen: “Vergeet ons niet! Wij zijn er ook nog! En wij zijn er niet voor niets!” En als ik half waanzinnig van angst was, dat wij één van beiden zouden kunnen sterven vóór we ons geluk bereikt hadden, dan waren ’t ook al weer de grijze haren die me troostten. Je grijze haren, die me stilzwijgend vertelden van vasthoudendheid en onwrikbare trouw, die mij weer in ons geluk deden gelooven.”
Zij trok zijn hoofd naar haar toe.
“Lieve, zoete grijze haren!” zeide zij. “Jullie zijn mij meer waard dan al het andere op aarde!”
”Al het andere?” zeide hij plotseling, terwijl hij haar met zijn eerlijke blikken aankeek. “Ben je er wel zeker van?”
Zij begreep den twijfel die uit zijn woorden sprak, doch antwoordde zonder zich een oogenblik te bedenken: “Ja, nu ben ik er zeker van!”
Op dat oogenblik scheen zelfs Helle haar zoo heel ver af. Het was alsof zij nu slechts plaats had voor dat ééne, alsof de groote liefde van haar leven nu haar zege-intocht door haar ziel—door al haar gedachten—door al haar gevoelens—door iedere zenuw van haar innigste, levende wezen hield.
Hij keek naar haar bewogen aangezicht en hij voelde dat hij haar nu geheel bezat.
“Het is bijna te veel,” stamelde hij. “Het geluk is bijna te groot.”
Doch zij lachte.
“Hoe heb je ooit kunnen gelooven dat je met minder tevreden zoudt kunnen zijn?” zeide zij. “In den grond van je hart heb je het nooit gewild. Ik weet heel goed, dat ik altijd degeen van ons beiden geweest ben, die het meest ontving. Ik weet dat ik mij niet geheel gaf, doch nu is dat anders. Je hebt niet voor niets twaalf jaar voor Rachel gediend. Nu heb je me geheel en onverdeeld—jij alleen, en niemand anders.”
Hij haalde haar handen naar zich toe en overlaadde ze met liefkoozingen—toen kuste hij haar hartstochtelijk op wangen en oogen.
“Lieveling! mijn eigen lieveling!” was al wat hij fluisterde.
En zij boog het hoofd en legde het op zijn schouder en fluisterde terug, innig en zacht:
“Ja—van jou—van jou alleen!”
Langen tijd bleven zij zoo bij elkander zitten zonder te spreken, en bemerkten niet dat de schemering inviel en zich al dichter en dichter om hen heen wierp. Doch toen werden zij tot de werkelijkheid teruggeroepen door Helle’s stem, die volkomen wakker, uit de slaapkamer tot hen doordrong.
“Hallo!” hoorde zij hem roepen: “Hallo! ik ben het, Helle!”
“Wat doet hij toch?” zei Kaja, terwijl zij opsprong.
Doch oom Frans lachte en zeide:
“Hij telefoneert zeker in zijn slaap; je moet weten, dat hij verleden week met mij in de stad was en mij hoorde telefoneeren. En sinds dat oogenblik heeft hij niet anders gedaan. Hij maakt een touwtje aan een spijker in den muur vast en dan begint hij! Laten we maar eens kijken—neen, de bengel is klaar wakker!”
Zij waren samen naar de deur geslopen en keken zachtjes door de kier. Zij zagen Helle in zijn nachthemd rechtop in zijn bed staan, met een touwtje dicht aan zijn ééne kleine, warme oor.
“Hallo!” klonk het opnieuw. “Is God thuis? Ja? Goed! Wel bedankt, maar—maar vraag hem of hij niet iemand naar mij toe wil sturen, want ik verveel me zoo vreeselijk!”
Kaja en oom Frans proestten het bijna uit van het lachen maar hielden zich in en luisterden of er nog meer kwam.
En jawel, een oogenblik later klonk het:
“Hallo!” en toen een weinig verlegen: “Is het Onze Lieve Heer zelf? Neen? Wees zoo goed hem dan te vragen om een beetje licht, ’t is hier zoo griezelig donker!”
Toen konden ze het niet langer uithouden. Zachtjes duwden zij de deur open en gingen naar binnen. Oom Frans streek een lucifer af en stak een nachtlichtje aan, dat op een tafeltje bij het bed stond.
Doch Helle liet zich niet uit het veld slaan. “Hallo!” telefoneerde hij weer met nieuwen moed in zijn stem: “Zeg God dat het goed is, dat er licht kwam! Wel bedankt. Goeiendag!”
Toen belde hij af, glimlachte gelukkig tegen hen beiden en kroop weer onder het dek. Een paar minuten later sliep hij gerust, met half open mond en zijn kleine handjes samengeknepen op zijn borst. Kaja en oom Frans stonden bij zijn bedje en zooals zoo dikwijls te voren, sprak er ook nu vreugde over het bezit van het kind uit de blikken, die zij elkaar toezonden. “Wat zijn we gelukkig, dat we Helle hebben!” zeiden ze.
Zij, die van de vroege Lente tot de najaarsbladeren vallen, te zamen gaan door het leven, die zullen ’t ervaren, vrouw en man, dat liefde niet veranderen kan! Die voelen in eigen harteslag, dat liefde wordt jonger elken dag! Hergroent het Woud niet ieder jaar?
Het kwam Kaja voor alsof nog nooit een winter zoo lang geduurd had als deze. De dagen schenen haar weken en de weken maanden. Het was alsof de sneeuw nooit op de daken smelten zou, hoewel de zon er iederen dag op scheen.
Zou het dan nooit voorjaar worden? En zou de vierde April dan nooit aanbreken? Zij hadden niet met elkaar over den trouwdag gesproken, doch zij wisten beiden dat het den vierden April zou zijn, want dan was de bij de wet vastgestelde tijd verstreken, en dan zouden alle papieren in orde zijn.
Eindelijk begon de sneeuw dan los te raken en in kleine lawinen van de daken te vallen—tot grooten schrik van degenen op wie zij juist neerkwamen. En een zekeren dag kwam oom Frans thuis met de eerste krokussen. Hij had één van zijn geheimzinnige uitstapjes naar Höjstrup gemaakt en de bloemen daar in den tuin gevonden.
Heel stil en aandachtig had hij ze bekeken en haar jonge heerlijkheid begroet, terwijl de leeuwerik in de lucht zijn teederste tonen weerklinken deed. Natuurlijk had hij zooveel bloemen geplukt als hij maar dragen kon—en daar stond hij nu aan de deur met een gezicht even stralend als de bloemen zelf.
“Heb je ooit zoo’n voorjaar gezien?” zeide hij, terwijl hij haar de bloemen vóórhield. “Er is geen spoor van sneeuw meer te ontdekken—en overal ontluikt het groen. Kan men zich heerlijker kleuren voorstellen? Kijk eens naar die gele en die witte hier en de blauwe met dien lichtpaarsen weerschijn! Zie eens hoe krachtig ze zijn, hoe recht en slank! Maar—kind, je kijkt er in het geheel niet naar!”
Kaja antwoordde niet. Zij had haar handen om zijn hals geslagen en trok zijn hoofd dicht naar zich toe.
“Ik kijk naar het voorjaar in jouw oogen—” zeide zij.——
Oom Frans had het den geheelen winter vreeselijk druk gehad. In November was het begonnen. Zijn kamers geleken veel op een uitdragerswinkel, zoo opgehoopt waren zij met oude en nieuwe zaken. Fijne antieke meubelen—erfstukken uit den boedel van zijn grootouders en oude snuisterijen uit zijn eigen jonggezellen-leven, alles was bestoven en oud en veelal in stukken geweest, doch nu had oom Frans alles zelf gelijmd en bijgewerkt en opgepoetst. Geen wonder dat Kaja altijd als zij zeide dat zij hem bezoeken wilde, ten antwoord kreeg: “Nog niet, het ziet er nog zoo ongezellig uit.” De studeerkamer was in een timmermanswerkplaats herschapen. Hij had spoedig ingezien dat de eenige manier waarop hij zich de antiquiteiten verschaffen kon, waarmee hij “zijn nestje bouwen wilde” was, ze in vrijwel gebrekkigen toestand te koopen en dan zelf te zorgen dat ze gerepareerd werden. Doch de prijs, dien Kopenhaagsche schrijnwerkers hiervoor verlangden, was zóó overweldigend, dat hij het koude zweet op het voorhoofd van oom Frans te voorschijn riep. Hij liep een paar uur voortdurend zijn kamer op en neer—toen had hij zijn besluit genomen.
Den volgenden dag ging hij naar een kleinen meubelmaker in de buitenwijken van de stad.
“Wil je mij les geven?” vroeg hij.
Hoonend keek de meubelmaker naar zijn witte handen en zeide:
“Waartoe zou dat dienen?”
“Ik zal betalen wat je me vraagt,” antwoordde oom Frans kortaf—en zoo begonnen de leeruren.
Iederen namiddag van vier tot zes uur stond hij zonder ophouden te schaven en te zagen, te wrijven en te polijsten tot hij er pijn van in zijn rug kreeg. Doch hij gaf den moed niet op. Na verloop van twee maanden had hij zooveel geleerd, dat hij op eigen hand verder durfde gaan. Toen verhuisde hij met al zijn gereedschap van de timmermanswerkplaats naar zijn eigen kamers, waar het spoedig overal naar lak en vernis rook en de geheele grond met krullen en splinters lag, tot groote wanhoop van zijn oude hospita, die de kamers in orde houden moest.
“Het is de afschuwelijkste oude rommel, dien ik nog ooit gezien heb!” zeide zij, terwijl zij haar handen in haar zij zette. “En als een mensch nu nog maar begrijpen kon waarvoor dat dienen moest! Maar ’t is God geklaagd zooveel geld aan dat goedje uit te geven. Wat denkt Meneer wel dat er van die oude, zwarte leeuwerikenkooi daar terecht kan komen?” En verachtelijk wees zij naar een antiek hangkastje, waarvan de uitgesneden kanten zoo vermolmd waren, dat zij bijna uit elkaar vielen.
“Wacht eens acht dagen!” zeide oom Frans met een trotschen blik op het verachte voorwerp. Doch als hij gemeend had de bewondering van het mensch op te wekken, dan had hij zich ditmaal toch vergist, want toen hij haar een week later het kunstwerk geheel gereed voorzette, zeide zij slechts met al overtreffende superioriteit: “Het was waarachtig wel de moeite waard om daar zooveel tijd aan te verdoen—er waren hier toch al meer dan genoeg meubelen. Kom, Meneer zit overdag al genoeg stil, Meneer zou beter doen ’s avonds eens wat uit te gaan dan hier zoo te zitten knoeien tot laat in den nacht toe. En als ik nu nog maar begrijpen kon waarvoor en waarom Meneer dat eigenlijk doet?”
En toen glimlachte oom Frans zoo vreeselijk geheimzinnig, dat zijn hospita haast van nieuwsgierigheid uit haar vel sprong.
“Zal ik u dat eens vertellen?” zeide hij toen, terwijl hij met van vreugde stralende oogen zijn hoofd schudde. “Zal ik ’t u eens vertellen?——Ik dien voor Rachel.”
Toen had zij dol graag geweten wie Rachel zijn zou—maar er was iets in de manier, waarop hij het zeide, dat haar plotseling het zwijgen oplegde—iets feestelijks en tegelijk iets heiligs. Zij had een gevoel alsof zij in een kerk stond en ging plotseling, zonder een woord meer te zeggen, weg. Toen Kaja hem een paar dagen later een hand gaf, zeide zij plotseling: “Wat zijn je handen den laatsten tijd toch verbazend hard geworden!”
“Vindt je?” antwoordde hij, terwijl hij met verlegen blikken naar zijn handen staarde. “Maar ’t is niet onmogelijk, ik ga van den winter ook op de slöjdschool.”
“Warempel? Maar waarom?”
“Och, zoo maar—voor mijn plezier!”
Zij vroeg niet meer, en hij zette kalm zijn arbeid voort. Doch hoe langer de dagen werden, des te meer was er dat hij absoluut klaar moest hebben, en zoo gebeurde er—wat nog nooit gebeurd was—hij veronachtzaamde Kaja en Helle—hij had geen tijd meer voor hen over. Als hij kwam, was het slechts om met een onrustigen blik op de klok te zeggen: “Ja, ’t is wel vervelend, maar er wacht mij thuis zóóveel werk, dat ik heusch niet durf blijven.”
Toen hij het voor het eerst zeide, was zij slechts verbaasd, doch toen hij het een tweede en derde maal herhaalde, werd zij jaloersch en toen hij het de vierde maal zeide, barstte zij bijna in tranen uit, doch hield zich in, tot hij weg was.
“Waarom gaat vader weg?” zeide Helle. “En waarom huilt moeder?”
Zij antwoordde niet—doch toen oom Frans de volgende maal met zijn geheimzinnigste gezicht aan de deur verscheen, kroop Helle tusschen zijn beenen door en zeide met zijn wijsneuzige gezichtje in de lucht op een toon van gewicht: “Moeder huilt iederen dag heusche tranen.”
Eén, twee, drie—daar had oom Frans hem op zijn arm.
“Wanneer doet moeder dat?”
“Als vader weggaat.”
Toen werd Helle weer op den grond gezet en ging oom Frans met een berouwvol gelaat de kamer in.
Kaja zat bij het raam te naaien. Hij ging regelrecht naar haar toe en nam haar hand.
“Je mag niet boos op mij zijn,” zeide hij. “Je kunt toch wel begrijpen dat het voor jou is dat ik werk. Ik wou je verrassen——”
“Och, ja,” zeide zij, terwijl zij trachtte haar tranen die onder de lange oogharen dreigden neer te vallen, te verbergen, “maar ik vind het zonde iets van onze dagen af te nemen—en ik—verlang zoo naar je,” viel zij plotseling uit.
En hij zag er op eens zoo wonderlijk berouwvol en tevens zoo vreeselijk onvoldaan uit, dat zij er hard om lachen moest en haar lachen deed Helle meelachen, hoewel hij volstrekt niet begreep waarom.
En eindelijk lachte oom Frans ook mee.
Het was of plotseling de geheele kamer door zonlicht bestraald werd—van de oude Venetiaansche kaarsenkroon aan het plafond, die hij haar gegeven had, en waar het licht altijd in duizend kleuren door de kleine prisma’s gebroken werd, af, tot in de verste hoeken van de kamer, waar anders nooit zon kwam, toe.
En dien namiddag bleef hij zooals vroeger bij haar, en ’s avonds zong zij zijn lievelingsliedje, terwijl hij achter haar stond en zachtjes mee floot:
“Lieve, roode roosmarijn Allerzoetste liefje mijn!” . . . . . . . .
En er klonk zoo’n feestvreugde in haar stem, dat hij haar hoofd naar achteren haalde, terwijl zij zong, om haar diep in de warm-stralende oogen te kunnen zien.
Nu was het April, de avond vóór het huwelijk. Die wonderlijke avond, zoo rijk aan zachte stemmingen, zoo doortrokken van lichten weemoed—waar men later altijd aan terugdenkt als aan iets schuchter bevends, dat eindigde in een grooten, schitterenden lichttoon.
De zon had den geheelen dag verwarmend in de kamer geschenen—nu was zij achter de groote boomen van het park in de verte aan het ondergaan, en een stralenveld van geel, rood en oranje spreidde zich voor Kaja’s oogen uit.
Helle lag rustig in zijn bedje te slapen.
Oom Frans kwam thans Kaja halen om de “verrassing” te komen zien en nu liepen zij gearmd de trap naar hun toekomstige woning op.
Toen hij vóór de deur stil hield om den sleutel uit zijn zak te krijgen, keken zij elkaar plotseling aan en dachten beiden aan dien avond toen zij het huis voor hem gesloten had, dat in waarheid het zijne was. En daarmee kwamen allerlei herinneringen uit vroeger dagen hun voor den geest. Toen sloeg hij zijn arm om haar schouders en zeide: “Wij zullen al wat achter ons ligt, vergeten en alleen maar denken aan hetgeen ons wacht!”
“Hij draaide den sleutel in het slot om. En toen zij nog draalde en niet binnen durfde gaan, zeide hij: “Kom, stap over den drempel van je eigen heiligdom! Liefste! Liefste!”
En met gloeiende wangen ging zij binnen.
Voordat hij van huis ging, had hij overal het licht aangestoken. In de gezellige, kleine vestibule brandde een geel lantaarntje en in de zitkamer brandden er kaarsen in oude koperen kandelaars.
Kaja kon een kreet van bewondering niet onderdrukken toen zij “de verrassing” zag. Haar stralende oogen gleden van het eene oude, uitgesneden meubel, naar het andere.
“Nou, heb ik mijn tijd goed besteed?” zeide hij. “Zie je wel dat ik zoo’n slechte schrijnwerker nog niet ben?”
“Slechte? Je bent een volmaakte meester in de kunst!” riep zij stralend uit, terwijl zij hem glimlachend in de oogen zag. “Ik wist wel, dat je veel kon, maar zóó iets had ik toch niet verwacht, hoor!”
“Nou, zoo zie je al weer....”
“En de heele kamer is op en top jou!—Trouwens, mij zelf vind ik er ook in terug.”—
“Dat zou ik meenen! Je bent geen minuut uit mijn gedachten geweest, terwijl ik die in orde maakte.”
“En de eetkamer dan! O, die oude rekken voor porcelein langs de muren en die aardige, kogelvormige snelkoker op de tafel!”
Zij keerde zich om en zeide met plotselingen angst in haar stem: “Zijn wij het heusch die hier in dit zalige huisje samen wonen zullen? Zijn wij niet al te gelukkig, Frans? Geloof je heusch dat het duren kan?” En hij voelde haar schouders onder zijn handen trillen, terwijl hij antwoordde:
“Nu mag je alleen maar gelukkig zijn, hoor, gelukkig en tevreden.”
Een glimlach vloog als een vluchtige zonnestraal over haar aangezicht, toen zij zeide: “Arm moedertje, zij kreeg den prins nooit. En nu sta ik hier met mijn Prins, midden in mijn koninkrijk! Het is bijna te goed voor mij. Ik verdien het niet. Herinner je je dat ik jou opofferen wilde toen Helle ziek was?” Een pijnlijke uitdrukking gleed over zijn gelaat.
“Waarom kom je daar nu weer op terug?” zeide hij. “Je hebt mij beloofd er nooit meer over te denken.”
“Niet boos zijn,” smeekte zij. “Het is alleen maar omdat ik niet in mijn geluk gelooven kan. Het is te groot voor mij. Het is alsof er een heel leven voor noodig is om het te kunnen omvatten.”
“Zoo moet het ook juist zijn. Je bent jong en je hebt een heel leven vóór je,” zeide hij schertsend, terwijl hij wijn in de glazen, die op tafel stonden, schonk. “Mag ik mijn vrouw met dit glas welkom wenschen?”
En toen klonken zij samen en kusten elkaar over de glazen heen en klonken nog eens en gingen toen gearmd de heele woning door. Zij bevoelden en probeerden alles. Zij gingen samen op de sofa zitten “om te voelen hoe zacht die was” en zij gingen over elkaar aan de tafel in de eetkamer zitten “om te weten wat voor een gevoel het was om je beenen onder je eigen tafel uit te strekken.” Zij deden alsof zij bij elkaar op visite waren en staken alle mogelijke lichten aan. Hun gedachten vlogen elkaar tegemoet, hun harten lachten en hun oogen straalden.
Doch op het laatst zaten zij zwijgend hand aan hand op het kleine bankje voor de kachel en toen overviel hun de wonderlijke weemoed, de stille hoop, de krachtige, groote, glansrijke plechtigheid, die die avond met zich voerde.
“Wilt ge in het werkelijk leven, het levende Leven uw deel, zoo wil dan en neem dan de zorgen zoowel als de vreugde—geheel!”
De vierde April was daar. De voorjaarszon gleed met overvloed van licht het venster binnen, verguldde Helle’s hobbelpaard en deed al diens tekortkomingen sterk uitkomen, sloop in de hoeken waar de tinnen soldaten op wacht stonden, en straalde in lichtende strepen over het vloerkleed.
Kaja’s reiscostuum—dat tegelijkertijd haar bruidskleed was—was gekomen en gelijk daarmee een groot bouquet van viooltjes en fijn Venushaar. Zij behoefde niet te vragen, van wien dat kwam.
Zij had het met zij gevoerde, donkerblauwe costuum, dat haar slanke vormen zoo fijn omsloot, aangetrokken, en hechtte nu de bloemen op haar borst. Helle liep heen en weer met een gezicht dat van vreugde straalde. “Vandaag houden wij bruiloft!” juichte hij. “Vader, moeder en Helle houden bruiloft!”
Hij was zoo gewend zichzelf altijd overal bij te rekenen, dat het absoluut van zelf sprak dat ook deze gebeurtenis zonder hem niet plaats kon grijpen.——
Oom Frans kwam hen in een gesloten landauer halen. Zelfs de voorjaarszon was mat, vergeleken bij het licht dat uit zijn oogen straalde. Nooit waren de lijnen om den fijnen mond zoo zacht en vol uitdrukking geweest als dien morgen, nooit was zijn voorhoofd zóó helder geweest als toen.
Oom Frans moest eerst in de zitkamer Helle’s glimmende laarzen en de ankerknoopen op zijn blouse bewonderen, doch eindelijk liet de jongen hem los en kon hij naar Kaja gaan.
Daar stond zij, fijn en slank, de viooltjes op haar borst te hechten. Hij ging recht op haar af en schoof haar een gouden ring aan den vinger—en zij glimlachte en gaf er hem een weer. Doch eerst hield zij beide ringen tegen het licht om te zien, wat er in geschreven stond, en in beide las zij: “Twaalf jaar voor Rachel.” Hun oogen glinsterden elkaar tegemoet—het was niet de eerste maal dat zij dezelfde gedachte gehad hadden!
Helle was eerst zeer beleedigd dat hij geen ring kreeg. Doch toen oom Frans hem in zijn armen het rijtuig indroeg, steeg zijn humeur weer aanmerkelijk. En toen zij alle drie ingestapt waren, zong hij luidkeels van louter vreugde.
Zij reden langs groene weiden en naakte bosschen. Overal schoot het zaad op en de knoppen der boomen stonden op openbarsten. De kruisbessenstruiken in de tuinen waren reeds geheel lichtgroen, terwijl de anemonen in het bosch tusschen het verdorde gebladerte hun zijden kleed aan ’t weven waren. Overal glinsterden krokussen en hyacinthen, leeuweriken zongen en spreeuwen floten—het geheele warme, heerlijke voorjaar heette hen welkom.
“Kijk!” zeide oom Frans. “Het is alsof de heele natuur een eerestoet voor je heeft opgesteld! Ik heb nog nooit zoo’n voorjaar gezien! Je kunt tevreden zijn over je huwelijksreis, hoe kort die ook is.”
Kaja genoot met diepe teugen van de frissche voorjaarslucht, die door het open raampje naar binnen stroomde.
“Ja, wat een zaligheid, hier vijf dagen lang te zullen blijven,” zeide zij. “Het is dan ook maar toevallig dat het vandaag juist de Zaterdag vóór Paschen is, hoe zou je anders vrij gekregen hebben?”
Hij glimlachte.
“Je moet niet vergeten dat dit een jubilaeum is, waar alles voor geschikt wordt,” zeide hij.
“Ja, een jubilaeum,” herhaalde zij langzaam terwijl zij hem in de blijde oogen keek, “dat is het woord. Wij zullen nooit meer iets dergelijks beleven!”
“Staat de trein niet gauw stil?” vroeg Helle. Hij stond met zijn neus tegen het raampje platgedrukt, alles met aandacht daarbuiten gade te slaan.
Op hetzelfde oogenblik stak de conducteur zijn hoofd door het raam en riep met een sterken neusklank:
“Stopt niet vóór Rödvig!”
Geen van beiden begreep waar de drie uren gebleven waren, toen zij tien minuten later aan het station stil hielden.
Daar wachtte hun een gesloten rijtuig, dat hen naar de kerk brengen zou. “Om half één worden wij verwacht,” zeide oom Frans, “en tegen twee uur heb ik het eten besteld.”
In flinken draf reden zij den landweg op, terwijl de zon voortdurend voor hen uit danste, de leeuweriken boven hun hoofden zongen, alsof zij een heel orgel in hun fijne, kleine kelen hadden, en de musschen langs den weg tjilpten.
De spreeuw schudde zijn staalgrauwe vleugels op de daken van de kleine boerenwoningen en de ooievaar wandelde statig op en neer in de ploegvoren van den akker, terwijl zijn wijze hoofd voortdurend op zijn langen hals in beweging was.
Toen hielden zij stil vóór de kleine, witgeverfde kerk, die in de zon schitterde. Zij gingen met Helle tusschen hen in, de kerk binnen. Onder het eerste gezang zat hij hen met open mond en gevouwen handen aan te staren, en toen zij samen vóór het altaar traden, stond hij achter hen en deed alles wat zij deden met zoo’n ijver na, dat hij tweemaal “amen” zeide. Daarna mocht hij weer tusschen hen in zitten en met zijn kleine, warme handjes vast in de hunne geklemd, verliet hij trotsch de kerk.
Toen reden zij samen naar het huisje te Höjstrup, waaraan oom Frans het laatste half jaar zijn beste krachten besteed had, om het met weinig middelen zoo goed mogelijk in orde te krijgen.
Hij wist hoeveel Kaja van bloemen hield. Het wemelde van krokussen en hyacinthen in de vensters, en in den eenen hoek van de kamer stond een kolossale waaierpalm.
In de slaapkamer hingen blauwe draperieën om de bedden en aan het voeteneind stond een klein, geheel nieuw, ijzeren ledikantje voor Helle.
Voor de vensters hingen schoone katoenen gordijnen en voor de deur was fijn wit zand gestrooid, terwijl de visscher, aan wien het huisje hoorde, een krans boven de deur gebonden had, waarop in het midden met groote letters “welkom” te lezen stond.
Het was meer vriendelijk dan wel mooi, doch Kaja en oom Frans waren zóó in verrukking over al het heerlijke dat zij zagen en genoten, dat zij den visscher zoo hartelijk de hand drukten, dat het lang er na nog pijn deed.
Toen traden zij samen het kleine huisje binnen, dat het eerst getuige zou wezen van hun onuitsprekelijk geluk. Zij gingen aan de feestelijk gedekte tafel zitten om te eten, doch zij waren in zulk een eigenaardige, plechtige stemming, dat de ware eetlust er niet was. Helle alleen deed den maaltijd alle eer aan—hij at, zooals zij hem nog nooit hadden zien eten.
Toen het gebraden vleesch opgebracht werd, stond oom Frans op en tikte aan zijn glas.
Het was voor het eerst van zijn leven, dat hij een toast moest drinken, doch ditmaal kon hij er niet af.
“Jacob diende twaalf jaar voor Rachel,” zeide hij. “Ik heb maar drie jaar voor jou gediend, maar die jaren zijn even lang geweest als twaalf andere.
Een vermogen kan ik je niet aanbieden—geen gouden horens, niets dan mijn jarenlange, trouwe liefde kan ik voor je voeten leggen en die zal de jouwe zijn tot aan den dood—neen, ook dan nog, lang, lang, daarna....”
Maar jij! Jij bent zoo rijk als het voorjaar zelf! Je hebt zooveel te geven van je jongen, heerlijken overvloed, je wilt je heele eigen geven, je wilt de mijne zijn! Mijne! en Helle heb je....
Toen Helle zijn naam hoorde, stond hij oogenblikkelijk op en probeerde met het weinigje wijn, dat hij in zijn glas had te klinken, doch bracht het niet verder dan dat hij ’t op ’t tafelkleed morste, vóórdat hij met iemand aangestooten had; maar dat schrikte hem niet af:
“Helle hoort ook bij de bruiloft!” juichte hij opgewonden.
“Of hij, hoor! Kom Helle, laten we klinken!”
En vroolijk klonken zij met hem.
“Daar gaat de kleine schattebol,” zeide oom Frans en dronk een teug uit zijn glas.
“En daar het kleinste prinsje uit het tooverland,” en hij nam een tweede teug.
“En daar de allerliefste, kleine morsebel, de schattigste bruine krullebol!” zeide Kaja en zij klonken weer.
“En daar de kleine amor aan den ingang van het paradijs!” zeide oom Frans.
En tegelijkertijd keek hij Kaja met zulke blikken aan, dat zelfs Helle er een beetje jaloersch van begon te worden. Kaja had haar glas opgenomen en hield haar oogen onafgewend op oom Frans. Toen zeide zij:
“Wij vrouwen gelooven af en toe dat wij iets te geven hebben, doch wel beschouwd krijgen wij zelf alles eerst van dengeen, dien wij liefhebben.”—
Toen Helle in slaap was—de zon onder en de dorpskerkklokken in de verte begonnen te luiden, gingen zij samen het kreupelbosch in.
Het was of zij bang waren alles wat leefde aan te raken, zóó zacht en licht betraden hun voeten het bosch. Tusschen groene meibloempjes vertoonden zich blauwe en witte anemonen aan hun voeten. Hij plukte er een paar en stak ze op haar borst—op haar warme, golvende borst, die de groene, koude steeltjes zoo moederlijk beschutte: “Een huwelijkscadeau van het voorjaar!” zeide hij schertsend.
De ondergaande zon wierp haar laatste rood-oranjeachtige stralen over de blanke oppervlakte der zee, de lucht was doordrongen van ontspruitend groen en vruchtbare aarde—de spreeuwen floten goedennacht, en uit het diepe kreupelbosch antwoordden de meerlen met lange, teedere fluittonen.
“Toe, zing nu ook wat,” zeide hij, “jouw stem is de eenige die aan het heele voorjaarskoor ontbreekt!”
En toen zong zij juichend, bijna uitgelaten, het versje dat zoo droef begint, zoo ernstig:
“Wilt ge, in het werkelijk Leven, het levende Leven uw deel, zoo wil dan en neem dan de zorgen zoowel als de vreugde geheel!”
doch dat eindigt in een vroolijken jubelzang.
“Het is wonderlijk,” zeide zij, toen zij eindelijk voor de deur stonden om binnen te gaan, “maar ik heb een gevoel alsof ik nog nooit te voren jong getrouwd geweest ben, en eigenlijk ben ik dat ook niet, want een vrouw is toch nooit getrouwd, voordat zij tegenover den man staat, dien zij liefheeft.”
Hij antwoordde niet, maar hij nam haar in zijn armen, zoo gemakkelijk alsof zij een klein schoolmeisje was, terwijl zijn oogen de hare zochten.
“Kijk!” zeiden zijn oogen. “Kijk, dit is mijn koninkrijk!” En hij floot—zacht als de spreeuw die zijn wijfje lokt, roepend als de meerle, die zijn nest gereed maakt.——
En zóó droeg hij haar voorzichtig de kamer in—— Jacob, die twaalf jaar voor Rachel gediend had!
Toen oom Frans den volgenden morgen wakker werd en Kaja in een blauwen kapmantel aan het venster haar lang, rood-gulden haar zag kammen, haar “Maria Stuart-haar,” zooals hij het schertsend noemde, en zij zich met haar warme, roode wangen en schalkachtig stralende oogen naar hem toewendde—kon hij bijna niet gelooven dat het werkelijkheid was.
Hij richtte zich op éénen elleboog op en hijgde naar adem, terwijl hij haar voortdurend met zijn oogen volgde.
“Wat zullen we een heerlijken dag hebben!” zeide zij.
“Ja dat denk ik ook,” antwoordde hij en zweeg toen weer.
“Kom, zeg eens wat!” zeide zij glimlachend, terwijl zij haar dikke haar om haar vingers wond.
“Ik kan niet.” “Waarom niet?” “Van geluk!” “O! jou!” zeide zij en vloog naar hem toe. Zij ging op haar knieën voor zijn bed liggen en sloeg haar armen om zijn hals, terwijl hij haar hartstochtelijk tegen zich aan drukte. Toen hij haar losliet, legde hij haar hoofd naast het zijne op het kussen en terwijl haar haar bij de slapen met het zijne inéénvloeide, keken zij elkaar zóó diep in de oogen, alsof zij elkaars innigste wezen in zich wilden opnemen en hun lippen vereenigden zich tot een langen, brandenden kus. Als een vreemde hen op dat oogenblik gezien had, zou hij zich zeker over de sterke gelijkenis tusschen deze twee aangezichten verbaasd hebben. Een gelijkenis zooals men die aantreft bij getrouwde lieden, die een lang, gelukkig leven samen geleefd hebben en nu hetzelfde denken, hetzelfde glimlachen.
“Ik weet zelf niet hoe ik ’t moet uitleggen,” zeide oom Frans zacht, “maar het was alsof het geluk mij den adem benam. Het doet iedere zenuw van vreugde trillen en iederen droppel bloed in mijn lichaam zingen—maar het is bijna alsof het mijn hartebloed opzuigt!”
Plotseling begonnen haar oogen te schitteren—zij wilde iets zeggen, doch werd door Helle daarin verhinderd, die juist in zijn ijzeren traliebedje wakker werd. Hij vond het een heerlijk grapje dat Oom Frans hier ook in bed lag.
“Helle bij je komen!” zeide hij, terwijl hij naar het groote bed overstapte. Doch Kaja greep hem in zijn rug vast en danste met hem de kamer rond, totdat zij hem, buiten adem, aan het voeteneind van het bed neerzette. Toen klauterde hij over oom Frans heen, trapte op zijn beenen, zijn buik en zijn borst alsof het niets was, en ging toen triomfantelijk boven zijn hoofd op het kussen zitten en trok hem aan zijn haren.
“Wil je wel eens loslaten, jou wildebras!”
“Helle, Helle, kijk eens naar de spreeuwen!”
Kaja had de gordijnen op zij getrokken en wees naar twee zwarte spreeuwen, die in den hollen stam van een ouden appelboom uit volle borst zaten te zingen.
“Haast je, dat je aangekleed komt en naar buiten kunt gaan!”
Dadelijk was Helle het bed uit en stond op een stoel bij het raam. Hij drukte zijn neus plat tegen de ruiten om beter te kunnen zien—en lachend en pretmakend kleedde zij hem aan, terwijl de duiven buiten kirden en de spreeuwen hem met hun heldere, zwarte oogen zaten aan te kijken.
Een half uur later kwamen zij alle drie het huis uit, drie gelukkig-stralende menschen, die de zon bijna wangunstig bescheen!
Een vochtig-zachte lucht sloeg hun tegemoet. Het had juist geregend en het was alsof zij konden zien, dat het gras ’s nachts groener was geworden.
Drie visschers kwamen met hun manden op den rug van het strand. Onwillekeurig bleven zij stil staan en hielden de handen boven hun oogen, zooals men doet voor een sterk zonnelicht.
“Veel geluk,” zeiden zij, terwijl zij hun geharde knuisten uitstaken om hen flink de hand te schudden.
Een van hen tilde Helle in de hoogte en zeide: