← Table of contents
Het Verloren Tooverland

Vierde druk Utrecht—H. Honig—1905 (continued 2)

D. Logeman-van der Willigen translation

“Wel, wel—je praat misschien uit ondervinding?”

“Ja, u hoeft tenminste niet te denken, dat ik soms mijn ziel ook niet eens in verzen lucht geef!” zeide zij, met een guitig glimlachje.

“Jij?—Wanneer komen ze uit?”

“Ach, u weet heel goed, dat ik ’t zoo niet meen. In mijn heele leven zou ik nog geen honderd bladzijden kunnen vullen—maar dan zijn ze ook te goed om gedrukt te worden. Begrijp mij wel, niet voor anderen, maar voor mij zelf. Ik schrijf nooit iets, dat ik niet eerst gezongen heb, zoodat er dan ook altijd een beetje van mijn hartebloed aan kleeft—en ik houd er niet van, dat vreemde handen mijn hart beroeren....”

Hij lachte om de grappige manier, waarop zij zich uitdrukte, doch tegelijkertijd boog hij zich naar haar toe en zeide:

“Maar mijn hand is toch geen vreemde hand.”

Zij begreep hem dadelijk.

“U kunt ze toch niet lezen,” zeide zij, “want de meeste zijn in ’t geheel niet opgeschreven—maar ’s avonds zal ik ze voor u zingen.”

En zoo gebeurde het. Iederen morgen zaten zij samen onder den ouden kastanjeboom—zij naaide en hij las haar voor—en iederen avond zong zij op oude, bekende zangmuziek haar eigen, trillende woorden, terwijl hij, met zijn zachten, breedgeranden hoed diep over zijn voorhoofd, zat toe te luisteren. En als de zon aan ’t ondergaan was, liepen zij samen het klaverland door, tusschen glinsterende, roode papavers en gele paardebloemen, en dan was zij het meestal die sprak. Dan sprak zij over het kind—haar geheele ziel was één lofzang voor het kind. Zij wachtte er niet op moeder te zullen worden, zij was het reeds. Zij leefde en ademde met het kleine hartje, dat zij onder het hare kloppen voelde, en dat gevoel was haar heilig. En zij vertelde vol glorie, hoe het kind haar zijn eerste glimlachje geven en hoe het zijn eerste wankelende schreden wagen zou.

Zij verzekerde oom Frans, dat zij streng in haar eischen wezen zou, omdat zij zich sterk in haar liefde voelde. Haar kind zou een wonder van gehoorzaamheid zijn!

En alles nam hij ernstig op, oom Frans, en zij behoefde nooit bang te wezen verkeerd begrepen te worden. Hij gaf nauwkeurig acht op al haar afwisselende gemoedsstemmingen—hij verplaatste zich in de fijnste aandoeningen harer ziel—hij werd het nooit moede. Af en toe kreeg zij een gevoel, alsof hij haar hart in zijn handen ronddroeg en tot de geringste trilling er van gewaar werd. En dan dacht zij aan het versje:

“Zijn heele leven streed hij om het roode goud alleen, steeds heeft hem ’t geluk bedrogen, dat bedriegen kan als geen.

Eén harte sloeg hem tegen gestaag in vreugd’ en in rouw.... De jaren kwamen en gingen— onwrikbaar bleef het getrouw.

Toen lei hij zijn hand op dat harte, —het was hem zoo droef en benauwd— Daar glimlachte ’t vóór zijn oogen van louter rood-warm goud!”

Op een zekeren dag tegen het einde van de maand kwam Peter Dam. Hij was in een uitstekend humeur en sprak luid.

Hij kwam ’s morgens en vertrok ’s avonds weer.

“Je hebt er zeker niets tegen,” zeide hij, “dat ik met één van mijn vrienden eens een tochtje naar Bornholm maak? Jij hebt toch oom Frans.”

“Ja,” zeide zij, terwijl zij op haar eigenaardig-stille, gelukkige manier glimlachte, “ik heb oom Frans toch.”

En hij werd zóó dankbaar door haar meegaandheid, dat hij voor ’t eerst over ’t kind begon te praten. Doch toen zweeg zij plotseling.

En in het beste humeur reisde hij nog denzelfden avond weg.

Toen hij vertrokken was, herademde oom Frans, doch Kaja bleef nog lang gedrukt en zwijgend. Hoewel zij hem geen oogenblik miste, zag zij hem toch met een gevoel van bitterheid heengaan;—het was haar, alsof hij door zijn vertrek iemand onrecht aandeed, niet haarzelf—maar het kind. Het was toch even goed het zijne. En dat hij er zóó onverschillig onder bleef, bracht haar geheele gemoed in opstand.

Ondertusschen bleef Peter Dam de geheele vacantie op Bornholm en zoo gebeurde het, dat oom Frans, geestelijk gesproken, de vader van het kind werd. Hem sprak zij er over op de warme, stille wijze, die haar eigen was, met haar stem die zoo geheimzinnig klinken kon en haar oogen, die zoo wonderlijk nadenkend en bezield konden wezen.

Hem toonde zij het wiegje met de fijne, lichtblauwe, zijden gordijntjes, die zij met zooveel zwijgenden eerbied opzij wist te schuiven. Nooit zou zij het aan iemand anders dan aan oom Frans hebben kunnen toonen.

En hij zou nooit vergeten, hoe zij hem toegefluisterd had: “Kom eens kijken!” en op haar teenen, hem vóór, de trap was opgegaan.—Hij merkte, dat hij onwillekeurig hetzelfde deed.

Bij de deur van een klein zolderkamertje bleef zij staan, en deed die toen heel voorzichtig, o, zoo voorzichtig! open. Toen duwde zij hem zachtjes vóór haar de kamer in en sloot de deur weer achter zich.

Midden in de kamer stond het wiegje—zacht en lief, fijn en blauw—een klein koninkrijk, dat op zijn heerscher wachtte! En er naast stond zij zelf met gevouwen handen en haar hoofdje wat ter zijde, terwijl een uitdrukking van heilige aandacht over haar gelaat verspreid lag. Het rood-gouden haar kroesde over haar slapen en het bloed zag men gaan onder haar doorschijnende, fijne wangen.

Hij had haar nooit meer liefgehad dan op dat oogenblik, toen het diepste en vrouwelijkste van haar natuur zoo zeer op den voorgrond trad. Toen voelde hij weer dezelfde wonderlijke gevoelens in zich opkomen, die hij ook eenige weken vóór het huwelijk gehad had. Zooals hij zich toen verbeeldde, dat het de woning was van haar en van hem, die zij samen in gereedheid brachten, zoo verbeeldde hij zich nu één oogenblik, dat ’t haar en zijn kind was, waarop zij samen wachtten. Zonder dat hij ’t zelf wist, streek hij met zijn hand over het wiegje, en er sprak zooveel teederheid uit deze enkele beweging, dat zij geheel onwillekeurig zijn hand greep en die kuste.

Toen deed zij zachtjes de deur weer open en ging op haar teenen naar beneden.

“Zoo lieflijk lonkte al ’t weigebloemt ons tegen, als hadden gras en kruiden duizend oogen. Als had elk groenend blaadje een stem gekregen, zoo veêlde en kweelde ’t in de looverbogen.”

Zij liepen samen door het klaverveld—weelderige, dichte klaver, hoogopgeschoten, welriekende klaver, die de lucht om hen heen met een stroom van wellust vervulde.

“Wat verderop was het gras gemaaid en noodigden groote hooihoopen tot rusten uit. Zij gingen het boschhek door naar de weide.

De oude vrouw bij de bron knikte hen toe en zeide:

“Nu is Mevrouw zeker wel blij dat Mijnheer gekomen is?” terwijl zij oom Frans met haar gulsten glimlach aanzag. Kaja knikte slechts en liep door, terwijl het bloed haar naar de wangen steeg. Voor het eerst voelde zij zich achteruit gezet door het bewustzijn, dat haar man haar veronachtzaamde.

Zou het Peter Dam niet hebben moeten zijn, die zich gedurende dezen tijd voor haar opofferde? Was het niet beneden alle kritiek, dat het oom Frans wezen moest, die deze dagen en weken van verwachting met haar deelde? Zij zuchtte zoo diep en bitter, dat hij staan bleef en haar arm door den zijnen haalde. Zooals altijd trok hij de pijnveroorzakende naald uit de wonde.

“Het was heel lief van je, me hier te willen hebben,” zeide hij. “Van je geboorte af heb ik al zooveel met je gedeeld, dat ik mij niet zou kunnen voorstellen ook dit niet met je te deelen. En je weet ook heel goed, dat ik ’t liefst mijn vacantie ergens buiten rustig doorbreng, terwijl je man daarentegen behoefte heeft aan een opfrisschend toertje met goede vrienden.”

Zij was hem dankbaar voor die tactvolle woorden en zeide:

“Ja, de menschen zijn zoo verschillend.”

Zij had geen lust, hem te vertellen, dat het dien dag juist drie weken geleden was, sinds zij bericht van Peter Dam gehad had, en dat het toen slechts een paar regels op een open briefkaart geweest waren. Zij miste zijn brieven niet, en toch voelde zij zich door zijn stilzwijgen gekrenkt.

Zij zelf had drie brieven geschreven, die ieder maal korter en kouder geweest waren,

“Zullen we hier niet eens wat gaan zitten?” zeide hij, terwijl hij haar voerde naar een ouden boomstronk, die wonderlijk verlaten aan den oever van een beekje stond, dat midden door het hooge veldgras liep. Het beekje stroomde en murmelde tusschen de met mos bedekte steenen, terwijl de veldbloemen aan den oever stonden toe te luisteren.

De witte boksbaard knikte de gele dotterbloem vriendelijk toe. De ronde ranonkel kuste den ooievaarsbek. De wilde wikke babbelde met de witte sterrebloem en de winde kroop van den ouden boomstronk af en omhelsde het sappige standelkruid, alsof het de natuurlijkste zaak ter wereld was. De blauwe eerenprijs fluisterde met het bruine nagelkruid en de groene waterkers waagde een mislukte poging, om de slanke morgenster te bereiken. Doch boven alles verhief zich het waterlisch met zijn fijne stengels en sierlijke vormen. Die durfde niemand kussen of toefluisteren!

Het minste windje blies een bloempje om en wierp het in de beek, waar het in het zilver-klare water als een roode vlinder schitterde, en het was alsof er gezang weerklonk uit de lucht, die met het bloempje henenvlood.

Kaja en oom Frans zaten aan den oever toe te luisteren. Zij dachten hetzelfde en voelden hetzelfde. De liefde bond hun zielen samen. Het gezang van de babbelende beek aan hun voeten was hun de schoonste muziek, die hun innigste gevoelens scheen uit te drukken en waar zij een weerklank van hun geheelen levensloop in meenden terug te vinden. En toen dachten zij beiden, hoe het leven hun droomkasteelen omver had geworpen, als kaartenhuizen omgeblazen, en hoe zij hier als twee gelukkige menschen bij elkaar hadden kunnen zitten, als één van hen niet tegen beter weten in gehandeld had...

Doch daarover spraken zij niet—instinctmatig vermeden zij, wat tot een verklaring had kunnen leiden.

“Oom Frans,” zeide zij slechts, “wat zal ’t eenzaam zijn, als u weg is.”

Hij antwoordde niet dadelijk. Hij dacht er aan, hoe hij nog slechts twee dagen bij haar wezen zou, en bij die gedachte kromp zijn hart inéén. Hij wist niet, hoe hij haar of zichzelf zou kunnen troosten.

“Ik zal Zondags overkomen,” zeide hij toen—“als ik mag.”

Zij stak hem beide handen toe en antwoordde:

“Dan zal ik iederen dag verlangen, dat het maar Zondag was!”

Hij voelde, dat hij haar niet aan durfde zien, terwijl zij dat zeide, en boog zich neer, om een kevertje, dat in een spinneweb geraakt was, te bevrijden.

“Ja,” zeide hij toen bij wijze van afleiding, “je hebt behoefte om eens met iemand te praten—en je weet, dat je oude oom Frans je trouw is—op hem kan je altijd rekenen.”

Zij begreep dadelijk, waarom hij “oude” oom Frans zeide. Vóór alles wilde hij den voet van vertrouwlijkheid bewaren, waarop zij tot nu toe gestaan hadden—nooit zou hij haar tegemoet willen treden met woorden, waarnaar zij niet hooren mocht. Hij zou het wel volhouden! Hij hoorde tot die menschen, die tot zoo iets in staat zijn. En plotseling begreep zij, dat de liefde van een man zóó sterk kan wezen, dat die levenslang zijn paden rein houdt.

En terwijl zij met haar wakkere oogen voor zich uit zat te staren, kwam opeens alles haar zóó warm en stralend voor, dat een groote blijdschap zich van haar meester maakte en zij zachtjes begon te zingen:

“Zoo lieflijk lonkte al ’t weigebloemt ons tegen, als hadden gras en kruiden duizend oogen. Als had elk groenend blaadje een stem gekregen, zoo veêlde en kweelde ’t in de looverbogen.”

“Weet u nog wel, oom Frans?”

“Ja, dat heb ik je zelf geleerd, heel lang geleden!” antwoordde hij.

“Heel lang geleden,” herhaalde zij.

En aan haar voeten wuifde het schoone waterlisch... De beek kabbelde en het riet suisde....

De laatste dagen van Augustus ging oom Frans naar de stad terug en toen bleef Kaja alleen achter.

Zoodra hij weg was, werd zij weer door haar vroegeren angst overvallen, hoewel nu in anderen vorm. De angst voor het kind ging over in een angst voor oom Frans. Zij had hetzelfde wanhopende gevoel, dat zij als kind had, als zij vóór de deur stond te luisteren en niet binnen durfde gaan, uit vrees hem dood te zullen vinden. En zoodra zij ’s avonds haar oogen sloot, zag zij hem vóór zich, dood, of, liep zij achter zijn baar.... Zij hoorde de klokken luiden en zij zag zichzelf langzaam, heel langzaam achter de kist loopen. En zij voelde, hoe zij door het ontzettend gevoel van verlatenheid, dat haar overviel, geen voet verzetten kon. Als zij dan ontwaakte, riep zij fluisterend in het donker uit:

“Arme baby, arme kleine baby, wat moet er van jou worden, als hij sterft?”

En nu zij hem niet meer dagelijks zag, schreef zij hem. En in haar brieven sprak zij over het kind, zooals zij er met hem zelf over gepraat had, en hij antwoordde op dezelfde manier.

Hij vertelde haar, dat hij zich geabonneerd had op de nieuwe uitgave van de sprookjes van Andersen. Dat zou iets voor het kind zijn.

En zij beschreef hem, hoe zij het kamertje naast de zitkamer thuis tot kinderkamer zou inrichten, zoodat zij altijd het wiegje zou kunnen zien. Want niemand anders dan zij zelf zou het kind mogen aanraken. Dag en nacht zou zij er bij zijn. En hij vroeg schertsend, of hij audiëntie bij zijn Koninklijke Hoogheid zou moeten vragen, of dat hij gewoon buiten de deur moest zingen: “O, mijn lieve Augustijn——!”

Als zij zijn handschrift maar zag, was zij reeds gekalmeerd en verliet de wanhopende angst haar voor een oogenblik.

Zij kreeg een brief van Peter Dam, waarin hij haar vroeg, wanneer zij thuis dacht te komen. Zijn tijd werd den geheelen dag door repetities in beslag genomen, schreef hij.

Zij schreef terug, dat zij buiten wilde blijven tot na de geboorte van het kind en in October terug zou keeren.

Per ommegaande kreeg zij antwoord van hem, dat hij dat een bizonder verstandig besluit vond, waaraan hij volkomen zijn goedkeuring hechtte.

Tusschen de regels las zij, hoe blij hij was, dat zij weg bleef en dat deed haar vreeselijk pijn. Eerlijk gezegd had zij in het diepst van haar ziel wel eens getwijfeld aan zijn trouw, doch zij wilde er niet aan toegeven, nu vooral niet—haar heele natuur kwam er tegen in opstand.

Toen las zij op een avond in de courant, dat Peter Dam en de actrice, Mejuffrouw S...., die de vacantie samen op Bornholm hadden doorgebracht, nu naar de stad teruggekeerd waren. Toen steeg de verontwaardiging haar met woeste golven naar het hoofd. Doch het volgende oogenblik schaamde zij zich over zichzelf; hoe was ’t mogelijk, dat zij, al was ’t ook maar gedurende zeer korten tijd van haar leven, zich zoodanig door de uiterlijke schoonheid van een man had laten vervoeren, zonder dat zij ooit gevraagd had, wat die schoone bolster inhield! En hoe had zij zich kunnen verbeelden, dat zij hem werkelijk liefhad—hoe had zij zich zelf geweld kunnen aandoen, om hem lief te hebben, hoe had zij haar oogen kunnen sluiten voor het leege van het samenleven? Tot den dag toe, dat hij haar in haar diepste gevoelens tegenover het kind kwetste, had zij absoluut willen gelooven, dat zij hem liefhad. En met pijnlijke klaarheid stond dat oogenblik in de kerk haar nu voor den geest, toen het haar op eens duidelijk werd, dat oom Frans iets anders en iets meer voor haar had kunnen worden dan hij tot nu toe geweest was. Zij boog het hoofd en heete tranen vielen in haar schoot. Tegenover hem—ja, tegenover hem had zij gezondigd.

De slag, die haar nu trof, was dus niet veel meer dan rechtvaardig. Langen tijd bleef zij onbeweeglijk zitten met haar handen vast samengeknepen in haar schoot. En langzaam en vol bitterheid gingen de volgende regels haar door de ziel:

En het Leven schreef met kleuren, die waren als bloed zoo rood! Het Leven kwam, en al mijn bladen scheurde het stuk....

“Zielen zijn er op aarde, en niemand zal ’t ooit veranderen, wier lot het is, te dienen te blijven dienen voor anderen.”

Een van de laatste dagen van September—toen de leeuweriken zongen over de geoogste velden en de eerste trekvogels naar het Zuiden vlogen—toen het bosch geel begon te worden en de meren blauwer, toen de lucht zoo stil was en de beek zoo zachtjes voortstroomde, dat het bijna was, alsof zij geheel had opgehouden haar golfjes tusschen het hooge weidegras voort te stuwen,—kwam haar kleine jongen ter wereld.

Hij had haar bijna het leven gekost. Zij was nog bewusteloos, toen hij voor ’t eerst in zijn badje spartelde en met groote, verbaasde oogen deze wonderlijke wereld inkeek.

Doch toen men hem uit het water tilde, gaf hij een schreeuw, een kleinen, doordringenden kinderkreet, die haar ontwaken deed. Zij draaide het hoofd om en keek naar het kind. Toen gleed er een stralende glimlach over haar aangezicht—doch al spoedig sloot zij de oogen weer en kwamen er tranen onder de lange wimpers te voorschijn. Niemand aan wien zij haar vreugde kon uitjubelen! Niemand, om de blijdschap met haar te deelen!

De dokter keek haar medelijdend aan en zeide: “Zal ik uw man laten komen?”

Doch zij schudde beslist het hoofd.

“Mijn man kan onmogelijk komen,” zeide zij, “hij moet vanavond spelen.” Zij hoorde zelf, hoe belachelijk het klonk en een lichte blos gleed over haar gelaat.

“Zijn er geen anderen, die—”

“Neen, dank u, vandaag niet.” En vermoeid sloot zij de oogen.

Den volgenden dag had zij koorts.

En een jagende angst voer haar door de leden: “Als ik nu eens stierf, wat moet er dan van het kind worden?” En zij steunde luid. Toen antwoordden, bijna mechanisch, haar eigen gedachten: “Dan moet oom Frans voor hem zorgen.”

“Doch eerst moet ik weten, dat hij mij al ’t verdriet, dat ik hem aangedaan heb, vergeeft,” ging zij verder met haar gedachten voort. “Vóórdat ik hiervan zeker ben, kan ik niet sterven. Wis en zeker niet!” En toen lichtte zij haar brandend hoofd van het kussen op en verzocht, om oom Frans te telegrafeeren.

Een paar uur later was hij er. Heel zacht trad hij de kamer binnen en zij zag aan zijn bleeke aangezicht, hoe angstig hij geweest was. Zij zag het aan zijn arm, die beefde, toen hij een stoel nam en dien dicht bij het bed zette om er op te gaan zitten. Doch zij had geen vermoeden hoe sterk de spanning geweest was, vóór hij zijn hoofd naast haar op het kussen legde en in tranen uitbarstte.

Zij had hem nooit van haar leven zien huilen en zij schrikte er zóó van, dat zij niet wist wat zij doen zou. Zachtjes sloeg zij haar arm om zijn hals en fluisterde slechts: “Lieve oom Frans! Lieve, zoete oom Frans!”

Toen hoorde hij aan haar stem, hoe zwak zij was en op hetzelfde oogenblik had hij zijn zelfbeheersching teruggekregen. Haastig stond hij op en bleef met haar hand in de zijne bij het bed staan. Toen zeide hij verontschuldigend: “Het was uit puur genoegen van je weer te zien! Goddank, dat je nu buiten gevaar bent!”

Doch zij schudde het hoofd.

“Ik ben niet buiten gevaar,” zeide zij, “daarom liet ik om u telegrafeeren. Ik zou niet kunnen sterven, zonder dat u ieder donker hoekje van mijn hart kent—u, aan wien ik van kind af al mijn gedachten toevertrouwde. Ik moet weten, dat u mij vergeven hebt.”

“Ik heb niets te vergeven,” fluisterde hij met bevende lippen.

Met van koorts glinsterende oogen keek zij hem aan, terwijl zij doorging: “Ja, dat hebt u wel. Ik heb sterk tegen u gezondigd, en ook—tegen mijzelf. Herinnert u u nog, dat u tegen mij zeide: Sus je geweten nooit in slaap, waar het liefde aangaat! En—ik heb het toch gedaan.”

“Ja, maar je wist het zelf niet,”—bracht hij haastig in ’t midden.

Doch zij spaarde zichzelf niet.

“Ja, ik wist het wél,” zeide zij. “Toen ik met Peter Dam voor het altaar stond, begreep ik plotseling, dat ik jou lief had. Maar ik legde de stem in mijn binnenste het zwijgen op en deed al mijn best, om mijzelf iets anders wijs te maken.”

Hij kneep haar hand met zoo’n intense kracht, dat zij het van pijn had kunnen uitschreeuwen.

“God, waarom deedt je dat?” zeide hij en er klonk zoo’n bitter verdriet in zijn stem, dat het haar door de ziel sneed.

“Ja, waarom deed ik het?” zeide zij, in zich zelven. “Weet ik ’t eigenlijk zelf wel? Het op de proef gestelde, het oude, het echte, dat was u, dat was jij—hij was het nieuwe, het teleurstellende. Hij was de ondervinding,” voegde zij er bitter bij. “O, maar daarom mag je nu niet minder van me houden,” klonk het toen smeekend als uit een diep vertwijfelde ziel.

Oom Frans lachte even en zeide toen, vol zelfvertrouwen:

“Eens heb ik je mijn heele liefde gegeven, en ik neem nooit één van mijn gaven terug.”

Zij was niet bij machte, om te antwoorden. Zij legde zijn hand tegen haar wangen en liet er als toevallig haar lippen over heen glijden.

“Er komt nog iets,” fluisterde zij.

Hij boog zich naar haar toe, om beter te kunnen verstaan, wat zij zeide.

“Als ik sterf, wil jij dan het kind nemen?”

“Je zult niet sterven.”

“Maar als ik nu toch sterf?”

Hij knikte.

“Dan neem ik het kind,” zei hij, terwijl hij onwillekeurig naar het kind zocht. “Kom!” zeide zij, terwijl zij probeerde haar hoofd op te heffen. “Ik zal je hem laten zien. Ik zelf, hoor—ik zelf!”

Hij schoof het wiegje zoo dicht mogelijk bij het bed, zoodat zij er met haar armen bij kon. En zacht-eerbiedig, alsof zij iets heiligs aanraakte, schoof zij de lichtblauwe zijden gordijntjes op zij.

“Zie je, hoe hij op je lijkt?” zeide zij.

Hij bukte en kreeg onwillekeurig een schok. Dat was geen gewone familiegelijkenis, die hij daar zag—neen, dat kleine gezichtje geleek op hem tot in de kleinste bizonderheden! Die gespleten kin, die vorm van oogen, die gebogen neus—alles was een getrouwe kopie van hem zelf!

Nooit had hij een grooter bewijs kunnen vinden voor haar groote liefde voor hem, dan in hetgeen hij dààr vóór zich zag. En onwillekeurig ging hij op zijn knieën vóór het wiegje liggen van het kind, dat het zijne niet was, doch dat toch meer verwant met hem was dan met eenig ander mensch op aarde—het kind, welks geestelijke physionomie hij met zulk een kracht had gekneed, dat het zich zelfs lichamelijk daarnaar gevormd had. Nooit had hij zich meer verwant gevoeld met haar dan op dat oogenblik.

Een groot gevoel van geluk doorstroomde hem—tevens een gevoel van verwondering, van hoop en van trots, omdat zij hem liefhad—doch bijna tegelijkertijd veranderde dat gevoel in bitterheid.

Waarom zou hij altijd oom Frans moeten wezen—het heele leven lang slechts oom Frans?

Waarom zou hij meer ten offer brengen dan alle anderen, pleegvader zijn in plaats van vader—vriend in plaats van echtgenoot?

Was er iets, dat den menschen het recht gaf een last dien zij zelf niet torsen konden, op de schouders van anderen te leggen? Was hij zichzelf dan niets verschuldigd? Konden alle anderen het offer ontwijken—hij alleen niet?

Het scheelde niet veel, of hij vergat hoe ziek zij was en hij vroeg zoowel God als de menschen in heftige woorden om rekenschap, zóó kwam zijn geheele gemoed in opstand. Nu wilde hij zijn recht hebben, zijn deel van het geluk! En geheel en al zou hij het hebben—met minder stelde hij zich niet tevreden!

En een paar regels uit het gedenkboek schoten hem in de gedachte en brachten hem tot kalmte:

“Zielen zijn er op aarde, en niemand zal ’t ooit veranderen, wier lot het is te dienen, te blijven dienen voor anderen.”

Hij glimlachte weemoedig als tegen een oud bekende—en onder dien glimlach vond oom Frans zichzelf weer terug.

Kalm wendde hij zich naar Kaja, die angstig al zijn bewegingen gevolgd en met haar vluggen blik al de gedachten in zijn bewegelijke trekken gelezen had. Doch tegelijkertijd zag hij aan de veranderde uitdrukking van haar oogen dat zij het bewustzijn verloren had.

“Hij mag niet binnenkomen!” zeide zij, terwijl zij met strakken blik naar de deur staarde. “Hij mag het kind niet aanraken! Hij zeide zelf, dat het er niet veel toe deed of het stierf! Dat vergeet ik nooit!”

Met een diepen zucht viel zij op het kussen neer en haar voorhoofd en handen werden plotseling ijskoud.

Drie dagen en drie nachten woedde de koorts. Drie dagen en drie nachten zat hij bij haar bed, hield haar brandende handen in de zijne en verfrischte de ijscompressen op haar voorhoofd.

Op den morgen van den vierden dag herkreeg zij het bewustzijn. Zij sloeg haar oogen op en zag hem.

“Hoe goed, dat je kwam!” zeide zij. “Ik geloof, dat ik beter word als jij hier maar bent.”

En zij legde haar hand in de zijne, zooals een kind zijn hand legt in die van dengeen waarop het vertrouwt. Toen sloot zij opnieuw de oogen. En met haar aangezicht naar het zijne gewend, sliep zij haar eersten, gezonden, rustigen slaap.

In de laatste dagen van October, toen de avonden regenachtig en koud begonnen te worden en zij voortdurend den dichten bladerregen tegen de ruiten hoorde, keerde Kaja naar huis in de stad terug.

Peter Dam ontving haar met zichtbare verlegenheid, sprak gedwongen over honderd dingen tegelijk en deed een onhandige poging, om zich voor het kind te interesseeren.

Doch er was iets in haar blik, dat hem zeide, dat hij doorzien was, en toen gaf hij het komediespelen in zijn eigen huis op.

Zij zette het wiegje in het kleine kamertje, dat aan de zitkamer grensde, en week dag noch nacht van de zijde van haar kind. Op straat reed zij hem in een klein mandenwagentje en dan kreeg zij een gevoel, alsof zij als een slak haar huis op haar rug ronddroeg, want voor haar was de jongen haar “huis”, haar alles. Als zij hem ’s morgens baadde en zijn kleine, ronde hoofdje in haar hand hield, terwijl hij met zijn zachte lichaampje in ’t water rondplaste, voelde zij zich zóó gelukkig, zooals slechts zij zich gelukkig kunnen voelen, die zulk een klein kinderkopje, dat voor hen de heele wereld is, in hun hand gevoeld hebben! Peter Dam was er zelden bij, als zij het kind verzorgde, en als hij een enkele maal kwam, bleef hij bij de deur staan en verdween, zoodra het kind begon te schreeuwen.

Het viel haar op, zoo veranderd als hij de laatste maanden was. Zijn haar was dun geworden, zijn blik ontwijkend en zijn gang moeilijk. Zij behoefde niets te vragen en deed dit ook niet—zij hield zich slechts op een afstand. Hij zou wijs gedaan hebben, indien hij de koele verhouding, bijna als van twee vreemden, waarin zij nu tot elkaar stonden, kalm verdragen had, doch hij eischte daarentegen dat zij wat meer voor hem zou leven en de kindermeid voor het kind liet zorgen.

“Ik heb het eerste recht op je,” zeide hij.

Toen stond zij krachtig tegen hem op en zeide:

“Je hebt geen recht meer, je hebt je recht verspeeld.”

“Je hebt al een heel wonderlijke wijze van spreken,” zeide hij met een poging tot superioriteit, doch hij zag, dat die niet opging, bloosde en keek op zij.

Toen keek zij hem vlak in de oogen en vroeg hem:

“Ben je misschien vergeten, waar jij je tijd doorbracht, toen ik het kind verwachtte?”

“Ik—?” Hij zocht naar zijn woorden en stamelde—“Ja, ìk—”

“Je ging op reis met een andere vrouw. Je was het met haar eens toen, en al lang daarvóór ook. Heb je ooit wel goed begrepen, wat een grenzenlooze bespotting van het huwelijk er in dat feit schuilt?”

Zij sprak zóó beslist, dat hij de onmogelijkheid van een zelfverdediging inzag; in plaats daarvan zocht hij een uitweg en zeide: “Je hebt je toch zeker gauw getroost, want jij hadt immers oom Frans?”

Zij had hem op dat oogenblik een klap in zijn gezicht kunnen geven, zóó verachtelijk vond ze hem, doch tegelijkertijd werd ze als verlamd door zijn grove, lage gedachten.

Hij nam haar zwijgen verkeerd op en zeide met een zijdelingschen blik op den jongen in de wieg:

“Je maakt mij niet wijs, dat de gelijkenis dààr alleen maar toevallig is?”

Toen balde zij haar vuisten vóór zijn aangezicht en werd bleek van woede.

“Als je het nog eens waagt, op die manier over hem te spreken, jij, die niet waard bent, zijn voetzolen te kussen—dan verlaat ik het huis,” zeide zij. “Versta je ’t? Geen minuut langer blijf ik dan!”

Hij werd bang voor haar heftigheid, bang voor den ijskouden klank van haar stem. En plotseling werd hij angstig, dat zij gevolg aan haar bedreiging geven en hem verlaten zou.

En hij sloot zijn oogen niet voor de voordeelen, die zijn huwelijk met haar hem geschonken had. Deftige, oude families hadden door haar hem in hun midden ontvangen en zijn geheele maatschappelijke positie was daardoor verbeterd. Wel is waar had hij reeds meer dan de helft van haar vermogen opgemaakt, doch er was toch altijd nog wat over en daarbij hield hij ook nog wel van haar, op zijn manier altijd. Hij had wel lust, om zich met anderen te amuseeren, maar niet om met anderen te trouwen. Tot vrouw begeerde hij haar alleen. En plotseling werd hij ootmoedig en zeide:

“Ik vraag je duizendmaal vergiffenis! Ik weet, dat ik slecht tegenover je gehandeld heb en ik wil niet eens beproeven, mij te verontschuldigen. Je hebt het recht, boos te zijn—maar je moet dan ook toegeven, dat je je het laatste half jaar niet veel om mij bekommerd hebt!”

“Dat geef ik toe,” zeide zij eerlijk—“ik hoef niet bang te zijn, om oprecht tegenover je te wezen. Ik zocht eerst bescherming bij jou, maar jij stootte mij van je af. Je kwetste mij op de gevoeligste plaats, die ik had. Ik voelde me angstig en ellendig—en het was oom Frans, die mij troostte. Daarna was ik vol hoop en vreugde, en het was oom Frans, die de blijdschap met mij deelde. Onze gedachten toefden altijd bij het kind, vóór het geboren was. Wij spraken over het kind, schreven elkaar over het kind. Geen vrouw zou mij met meer fijn gevoel en teederder zachtheid tegemoet hebben kunnen treden dan hij dat deed. Het was dus wel niet te verwonderen, dat het kind op hem ging lijken.”

Haar wangen waren rood van ontroering en er was zoo iets reins en trotsch in haar blik, terwijl zij sprak, dat hij onwillekeurig zijn oogen neersloeg.

“Maar hoe zou jij dat kunnen begrijpen!” zeide zij. “Hoe zou jij kunnen begrijpen, dat twee menschen elkaar lief kunnen hebben zonder te zondigen? Want oom Frans en ik hebben elkaar lief—nu weet je het. En toch hebben wij er geen van beiden aan gedacht, om jou te bedriegen. Zelfs toen ik ontdekte, hoe vreeselijk trouweloos je waart, dacht ik er geen oogenblik aan, je huis te verlaten. Uit volmaakten, vrijen wil, deed ik den stap, die ons leven samen moest voeren; nu zal ik zelf ook de gevolgen van dien stap moeten dragen.”

“Doch één ding voeg ik er bij—” zeide zij, terwijl zij zich in haar volle lengte oprichtte en haar hoofd trotsch achterover wierp: “Ik wil mijzelf als vrouw kunnen blijven achten. Ik zal je huishouden waarnemen, en je kind verzorgen, maar ik wil niet leven als je vrouw, terwijl ik ’t in werkelijkheid niet ben. En ik herhaal, wat ik zooeven zeide: als je het nog eens waagt op die manier over oom Frans te praten, dan verlaat ik, zonder dat ik mij een oogenblik bedenk, het huis.”

Zij was mooi, terwijl zij zóó voor hem stond en al de vroegere liefde ontwaakte met nieuwe kracht in zijn borst—en gelijk hiermee zijn jaloezie.

“Er zit iets achter!” viel hij plotseling uit.

“Er zit volstrekt niets achter,” antwoordde zij volkomen kalm.

“Je weet heel goed, dat ik de waarheid spreek.”

Ja, dat wist hij en zijn stem werd weer zacht en aangedaan, toen hij zeide: “Ik beloof je, dat het de laatste maal zal zijn, dat je over mij te klagen hebt. Wil je het dan nog eens met mij probeeren?”

“Ja,” zeide zij. “Dat wil ik.”

Maar nu hij éénmaal bang gemaakt was, greep hij ook naar al de wapens, die hij tot zijn beschikking had, en voegde er bij: “Daarenboven moeten er voor een scheiding twee menschen zijn, evenals voor een huwelijk, dat weet je toch? En daarvoor zal ik mijn stem nooit geven. Verlaat je me dan toch, dan houd ik het kind, daar heb ik ’t recht toe.”

Hij zag, hoe zij tot haar lippen toe wit werd. Doch zij antwoordde niets anders dan: “Ik vind, dat degeen die zijn leven voor het kind op het spel gezet heeft, het eerste recht heeft.”

“Dan vergis je je toch. Als ’t een jongen is, kan de man hem opeischen. Je bent volkomen vrij natuurlijk—maar dan zal je ook weten, dat je te kiezen hebt tusschen hem en mij—of geen van ons beiden.”

Hij ging driftig heen en zij hoorde hem de voordeur hard achter zich toeslaan. Toen bleef zij achter, met een ongelukkig gevoel voor haar geheele leven gebonden te zijn, en met haar hoofd in ’t wiegekussentje gedrukt, barstte zij in tranen uit.

“De Prinses in het betooverde slot!”

De volgende dagen liep zij gejaagd heen en weer, zonder ergens rust te kunnen vinden. En het verlangen naar de moeder, die ze in zoovele jaren niet gezien had, werd weer in haar wakker.

Het bleeke aangezicht achter het rijtuigraampje doemde weer vóór haar op en knoopte den band tusschen hen dubbel vast, nu zij zelf moeder was.

Zij gaf de meid alle mogelijke inlichtingen voor het kind, drukte haar op het hart dat zij voortdurend een oogje op de wieg moest houden, terwijl zij weg was, en vertrok toen met den morgensneltrein naar Vordingborg.

Toen zij te Oringe aankwam, vroeg zij den eersten geneesheer te spreken.

“Waarom wilt u eigenlijk nu uw moeder zien—na zooveel jaren?” zeide hij, terwijl hij haar scherp aanzag.

“Omdat”—en een oogenblik zocht zij naar haar woorden, doch kon per slot niet anders dan volkomen oprecht antwoorden—“omdat ik zoo vreeselijk naar haar verlang.”

Hij wierp een haastigen blik op haar bleek, ernstig aangezicht—en schudde toen het hoofd, terwijl hij zeide: “U zult er niet het minste plezier van hebben. Want u weet toch, dat zij nu volkomen ongeneeslijk is?”

Zij knikte zonder te antwoorden.

“En weet u ook, dat zij het laatste jaar heelemaal in de war is en haar omgeving zelfs niet herkent?” zeide hij.

“Neen, dat wist ik niet.”

“Zou het dan maar niet beter zijn, als u haar niet zag?” waagde hij nog eens in het midden te brengen.

“O, neen, alsjeblieft, toe alsjeblieft, laat mij bij haar,” smeekte zij.

“Wel, zooals u wilt, Mevrouw. Doch dan is het ’t best, als ik u eerst wat inlicht—want het is absoluut noodzakelijk, dat u op haar ideeën ingaat. Tegenspreken doet haar maar lijden. Ziet u, zij heeft het idee, dat zij de prinses is van het betooverde slot—zij wacht slechts op den prins! Ik heb ondertusschen bemerkt, dat zij altijd kalmer wordt, als zij bezoek van huis krijgt. Vele dagen daarna is zij dan vroolijk en tevreden, doch dan begint de onrust weer. Daarom schreef ik ongeveer een jaar geleden aan uw vader, of het niet mogelijk wezen kon, dat hij éénmaal in de week hierheen kwam—maar hij antwoordde, dat zijn zaken beslag legden op zijn tijd en dat het hem onmogelijk was.”

Kaja sloeg haar oogen neer—zij had een blik uit de oogen achter de brilleglazen vóór haar opgevangen, waarin zij ongeveer hetzelfde las, als zij nu voelde. Zij schaamde zich over haar eigen vader. “Is—hij dan—in ’t geheel niet hier geweest?” stamelde zij.

“Neen—maar hij zendt zijn broer,” klonk het korte antwoord. “Mijnheer Frans Halling vroeg mij op zekeren dag, of hij niet voor zijn broer kon doorgaan—hun stem is zoowat hetzelfde, dat is dan ook trouwens de eenige gelijkenis, die ik heb kunnen ontdekken,” voegde hij er kalm bij. “En nu komt hij bijna iederen Zondag en ik verzeker u, dat hij een bizonder geschikte manier heeft, om met de zieke om te gaan. Hij heeft een merkwaardig scherp psychologisch oog en is daarbij van een fijne natuur. Den laatsten tijd verbeeldt zij zich, dat hij de adjudant van den prins is, die haar iedere week gewichtige mededeelingen komt doen, en hij heeft een merkwaardig kalmeerenden invloed op haar. Hij had dokter moeten zijn, die man, dokter voor krankzinnigen—en geen leeraar.”

Terwijl hij sprak, steeg het bloed haar al meer en meer naar de wangen.

Oom Frans! Ja, natuurlijk. Wie anders dan hij zou dit hebben kunnen doen? Zijn vrijen tijd opofferen voor een krankzinnige, zonder er ooit het minste van te gewagen!

Alsof oom Frans zijn aalmoezen niet altijd in stilte gaf—alsof hij niet altijd zijn gaven aan de armen anoniem zond, zonder er hoegenaamd eenigen dank voor te krijgen!

En terwijl zij daar zat, vond zij zichzelf zoo klein en hem zoo groot. Een warme stroom van dankbaarheid voer haar door de leden. Het deed haar goed, aan hem te denken. Zij was trotsch op hem. “Ja, hij is niet als iedereen—” zeide zij en bemerkte niet, dat zij haar gedachten hardop dacht.

De geneesheer keek haar aan en glimlachte. “Ja, dat is ook juist wat ik bedoel,” zeide hij. Toen keek hij vluchtig naar de klok. “Wilt u, dat ik met u mee naar haar toe ga?” vroeg hij.

“Neen, dank u, ik wil liefst alleen gaan.” Zij stond op, doch bleef met de hand aan den deurknop even staan en zeide: “Geef me alleen antwoord op één vraag: was er niet een tijd, lang geleden, dat zij thuis had moeten komen om te kunnen herstellen?”

Zij zag, dat hij met antwoorden aarzelde. Toen trok hij zijn schouders wat achteruit en zeide: “Ik durf niets met zekerheid zeggen, doch in ieder geval is er door de huisgenooten niet de minste poging toe gedaan.”

Het was, of zij bij die woorden in elkaar zou zinken, zoo wonderlijk en pijnlijk voelde zij zich aangedaan. De dokter zag het en kreeg medelijden met haar. “Ik merk, dat de situatie u niet heelemaal bekend was,” zeide hij—“doch hoe alles nu ook staat, één ding is nu tenminste zeker: dat zij nergens beter wezen kon dan hier. En ik geloof, dat zelfs gedurende den tijd, waarop u doelt, zij hier minder leed dan zij thuis zou geleden hebben. Het zou zeer de vraag geweest zijn, of een thuiskomst toenmaals een verbetering in den toestand gebracht zou hebben. Zij is de eerste vrouw niet, die lijden moet door de schuld van den man.”

Hij duwde haar zachtjes de deur uit en gaf een verpleegster bevel, haar naar de zieke toe te brengen. Het was of haar voeten onder haar trilden, toen zij op den drempel stond, en toen zij binnen gekomen was, verborg zij het aangezicht in haar handen. De zieke stond vóór den spiegel en was druk bezig met een sieraad in het haar te steken.

Bij het geluid van de deur, keerde zij zich om en schreed met groote waardigheid het vertrek door. “Wie ben je?” vroeg zij, terwijl ze de in elkaar gedoken gestalte bij de deur gadesloeg.

“O, een bedelaarster!” antwoordde zij zelf. “Wacht, ik zal je wat geld geven, de prins voorziet mij altijd rijkelijk.”

Zij haalde een beurs met oude koperen munten te voorschijn en zocht er in, tot zij de grootste gevonden had.

“Daar,” zeide zij, “de beste is nog niet goed genoeg voor je.”

Doch Kaja’s oogen stonden zóó vol tranen, dat zij niets zag.

“Moeder! Arm, lief moedertje!” was alles, wat zij kon uitbrengen.

De zieke was dicht naar haar toe gekomen en zeide toen, plotseling wantrouwend:

“Want je bent toch wel een bedelaarster, zeg?”

Kaja greep haar magere handen en bedekte ze met kussen.

“Ja,” zeide zei snikkend, “ik ben een bedelaarster. Ik bedel om de liefde, die het leven mij onthouden heeft. En ik vind het leven zoo moeilijk, o, zoo moeilijk!”

Onwillekeurig legde zij haar hoofd tegen de borst van de zieke en sloeg de armen om haar hals. Het was, of zij op eens al de teederheid geven wilde, die zij gedurende zoovele jaren had opgespaard.

De zieke begreep, dat zij troosten moest en streelde zachtjes haar wang.

“Ik houd van je,” fluisterde zij; “ik had eens een klein meisje, dat op je leek. Maar zij was veel schooner, versta je—want zij was een vorstenkind. Zij kon mij net zoo kussen als jij, met haar armen zoo om mijn hals gekneld——”

Kaja durfde nauwelijks ademen en nog veel minder opzien.

“Herinnert u zich haar nog?” zeide zij met een stem, die van aandoening trilde. “Toe, vertel me iets van haar.”

De zieke bracht haar hand aan haar voorhoofd en zeide toen:

“Neen, ik herinner mij niets meer—het is zoo lang geleden.”

Zij liep een paar maal de kamer op en neer en bleef toen weer stilstaan.

“Haar vader was niet goed tegen mij,” zeide zij—“en toen werd ik ziek. Ik droomde zoo akelig, maar toen ik wakker werd, was ik veranderd. En nu ben ik prinses in het betooverde slot—ik wacht alleen maar op den prins. Iederen Zondag komt zijn adjudant met groeten en berichten. Gisteren was hij hier ook en toen zeide hij, dat ik den prins iederen dag verwachten kon—daarom maak ik mij mooi. Kom, ga mee, dan zal ik je eens laten zien, wat de prins mij gezonden heeft.”

Zij ging weer naar den spiegel en haalde een nieuw versiersel voor den dag.

“Vindt je niet, dat het mij goed staat?” zeide zij, terwijl zij het op haar borst hield. “Kom eens kijken!”

Maar Kaja verroerde zich niet. Zij was op een stoel bij de deur neergezonken en bleef daar vóór zich uit zitten staren. Zij zag plotseling den modernen tijd met al zijn wondeplekken vóór zich: het grenzenloos egoïsme, al de bandelooze liefde, en het volkomen gebrek aan lust tot opoffering.

En toen scheen ’t haar, alsof het alleen maar kwam, doordat de menschen hun eigen geweten in slaap sussen. De vrouw, waar het haar idealen gold, de man, waar het zijn eer betrof—en zij zelf dan? O, als zij haar geweten niet in slaap gesust had, als zij niet tegen beter weten in gehandeld had—dan zou zij er nu niet haar heele verdere leven voor behoeven te boeten!

Alles scheen haar zoo droef en hopeloos, slechts één lichtpunt verscheen er aan haar horizont, en dat was oom Frans. Aan hem te denken was plotseling voet op rotsgrond krijgen, na lang in stuifzand rondgedwaald te hebben.

Zij had zich het laatste uur zoo wonderlijk terneergeslagen gevoeld, bijna gebroken;—nu was zij weer getroost. Zoo lang er mannen waren als oom Frans, zoo lang ook zouden er krachtige menschen staan tegenover de zwakken, sterke willen, die zich niet buigen lieten,—dat slag van lieden, waaraan de maatschappij het meest behoefte had: mannen uit één stuk.

Zij werd uit haar gedachten gewekt, doordat de zieke, die druk aan het passen en probeeren was geweest, weer naar haar toe kwam.

“Ken je mijn adjudant?” zeide zij. “Hij is op en top een gentleman. Zijn geheele wezen is zoo fijn en eerbiedig—en zijn stem is zóó zacht, ja, zijn stem zou ik niet kunnen beschrijven.”

Kaja glimlachte.

“Neen,” zeide zij, “dat kan niemand. Want hij heeft een sprookjesstem.”

De zieke keek haar verwonderd aan.

“Je hebt hem misschien aan de poort ontmoet,” zeide zij—“en toen heeft hij je zeker iets gegeven?”

Kaja knikte.

“Ja,” zeide zij toen zacht en innig, “hij heeft mij alles gegeven, wat hij bezat.”

“Ik begrijp je niet—.” De zieke werd plotseling onrustig en zag verward en angstig uit haar oogen. “Ik weet niet, wie je bent!” zeide zij. “Je zegt, dat je een bedelaarster bent, maar je handen zijn smal en fijn. En je kent mijn adjudant, die je aalmoezen geeft! Je zult me zeggen wie je bent, hoor, versta je me?”

Zij bleef vóór Kaja staan en keek haar met krankzinnige blikken aan. Toen begreep Kaja, dat zij op den gedachtengang van de zieke moest ingaan en dat het er hier eerst en vooral op aan kwam, haar te kalmeeren.

“Ik ben bij den prins in dienst,” zeide zij—“en ik kom u zijn groeten brengen.”

Toen gleed er een straal van blijdschap over het gelaat van de zieke en haar geheele gestalte nam een waardige kalmte aan.

“Dat dacht ik wel,” zeide zij en richtte zich op; “hij weet wat hij mij verschuldigd is. Verzocht hij je anders nog iets te zeggen?”

Kaja bedacht zich even, vóór zij antwoordde:

“Hij verzocht mij u te zeggen, dat u gelukkig en tevreden moest zijn tot hij komt.”

Zacht lachend ging zij naar den spiegel en bekeek haar eigen beeld, en herhaalde toen, terwijl zij zich zelf in het glas toeknikte:

“Ja, gelukkig en tevreden. Zeg hem, dat ik dit altijd ben.”

Kaja had een gevoel in haar keel, alsof zij stikken zou—zij wilde iets zeggen, doch op hetzelfde oogenblik kwam de verpleegster zachtjes aan de deur en wenkte haar met den vinger op den mond om stil heen te gaan. Kaja begreep, dat zij gaan moest zonder afscheid te nemen, en vertrok zoo zacht mogelijk.

Het laatste, wat zij van haar moeder zag, terwijl zij achteruit naar de deur ging, was de trotsche, hoopvolle glimlach waarmee zij een nieuw sieraad in het dikke haar stak, terwijl zij steeds tegen het beeld in den spiegel knikte en met zachte stem herhaalde—“gelukkig en tevreden—gelukkig en tevreden—”

Toen Kaja thuis kwam stond oom Frans met groote belangstelling naar den jongen te kijken, die in zijn badkuip rondspartelde. Hij hield hem een glinsterenden rammelaar vóór, wierp hem water in zijn gezicht en lokte hem het eerste glimlachje van zijn lippen.

Zij bleef op den drempel staan en sloeg hen beiden gade. Zij voelde zich op dat oogenblik zoo oneindig rijk—rijk in haar moederliefde—en rijk in het bewustzijn, dat zij een vriend had, waarop zij te allen tijde rekenen kon.

Doch tegelijkertijd sneed de tegenstelling tusschen hetgeen zij gezien had en deze idylle, haar zóó scherp door de ziel, dat de tranen haar uit de oogen sprongen.

Zij deed de deur achter zich toe. Op het geluid wendde oom Frans zich plotseling om, en toen hij haar bewogen trekken zag, vroeg hij angstig vorschend:

“Maar Kaja! waar ben je geweest?”

Zij schudde zonder antwoorden het hoofd en zond de meid naar de keuken om een warmen handdoek. Voorzichtig tilde zij het kind uit het bad, droogde zorgvuldig zijn kleine, warme lichaampje af en kuste zijn mollige beentjes en armpjes.

“Wat ben ik gelukkig, dat ik jou heb—en dat jij je moeder nooit zult behoeven te missen!” zeide zij met tranen in haar stem.

Hij keek haar droevig aan.

“Je bent daarginds geweest,” zeide hij dadelijk.

Zij knikte.

“Waarom nam je mij niet mee? Ik zou je graag het ergste bespaard hebben,” zeide hij.

Met een eigenaardigen glans in haar oogen, keek zij op en zeide:

“Je hebt me al genoeg bespaard. Ik zou bijna willen zeggen, dat je me te veel bespaard hebt. Maar ik zal je nooit genoeg kunnen danken.”

Hij keerde zijn gelaat van haar af.

“Je hoeft me niet te danken,” zeide hij, “ik deed het alleen voor haar, die ik liefheb!”

“Jawel, ik doe ’t toch!——En hemel, als ik dan bedenk, hoe ik je beloond heb!” ging zij opgewonden door. “Alles heb je me bespaard, zelfs hetgeen er in huis omging. Want dat er iets gebeurd is, dat weet ik nu. Als zij in tijds teruggekomen was, zou zij gered zijn—geloof je dat ook niet?”

Hij keerde zich om en zeide langzaam:

“Niet zooals de verhouding toen was.”

Zij had het kind in de wieg gelegd—keek nog even of het wel sliep en ging toen op de sofa naast oom Frans zitten.

“Vertel me wat van haar. Leg me alles eens uit,” zeide zei.

Hij knikte.

“Het is niet voor niets, dat zij steeds over den prins praat,” zei hij. “Zij hoort tot die vrouwen, die hun heele leven op hem wachten. De meeste wachten misschien, meer of minder onbewust, op den “man”, maar het soort, dat ik hier op het oog heb, wacht op den “prins”. Geestelijk gesproken, moet hij van koninklijken bloede zijn, versta je? Hun gedachtenweefsel is zóó dun, hun droomen zijn zóó fijn en daarmee omweven zij hem, dien zij wachten——. Dit soort vrouwen heeft altijd iets eigenaardigs, dat zich verraadt door een nadenkenden blik en door een glans van jeugd, die over hun geheele wezen uitgespreid schijnt, zelfs al is de eerste jeugd voorbij.

”Zij heeft dezen glans—zij heeft dien nog. Toen zij met mijn broer trouwde, meende zij, dat hij de prins was, doch zij vergiste zich. Hij schoof haar, voor zijn eigen belangen, op zij—hij veronachtzaamde haar en bekommerde er zich niet om, toen hij zag, dat zij er onder leed. Na jouw geboorte was zij jarenlang ziek en lag meest te bed. Vergeet niet, dat ’t niet gemakkelijk is voor een man, een vrouw te hebben die altijd ziek is. Probeer of je hem niet een beetje te verontschuldigen vindt—”

Zij legde haar hand op zijn mond.

“Moet ik ’t misschien ook verontschuldigen, dat hij haar ontrouw was?” zeide zij.

“Neen—dat zeker niet!”

“Want, dat was hetgeen haar brak,” ging zij door. “Hemel, als ik bedenk, dat vader ook zoo geweest is,” zeide zij en knelde haar tanden samen, vergetende dat zij door dat ééne “ook” zichzelf aan oom Frans bloot gaf.

Tot nu toe had hij er aan getwijfeld, of zij haar mans levenswijze kende—nu had hij plotseling zekerheid en het was een verlichting voor hem. Doch met die fijngevoeligheid, die zijn innerlijk wezen kenmerkte, begreep hij, dat zij het liefst den strijd alleen ten einde voeren wilde, en bracht het gesprek weer op de zieke.

“Zij is nu gelukkiger dan zij in vele jaren geweest is,” zeide hij.

Zij zweeg even—en vroeg toen:

“Waar praat je met haar over als je er heen gaat?”

“Natuurlijk over den prins. Ik tracht mij te verbeelden, hoe goed, hoe jong en hoe mooi hij zou kunnen zijn, en dan vertel ik haar kleine trekjes van zijn fijne natuur en dan geef ik haar groote bewijzen van zijn goed hart.”

Zij keek hem aan en glimlachte.

“Ja, dat is wel iets, dat jij zult kunnen,” zeide zij met groote bewondering in haar stem.

Zij nam den kleinen rammelaar, die nog op zijn knie lag en begon er mee te spelen.

“En hoe wonderlijk, dat jij ’t ook weer zijn moet, die hem zijn eerste speelgoed geeft!” zeide zij, toen hij opstond, om heen te gaan.

Hij stak haar de hand toe en zeide:

“Als je er een volgend maal weer heen wilt, dan neem je mij mee, hé? Beloof je mij dat?”

“Dat beloof ik je.” Toen legde zij haar beide handen op zijn schouders, keek hem trouwhartig in de oogen en zeide:

“Dag, oom Frans—dank voor alles!”

Toen hij weg was, bleef zij nog lang naar den rammelaar in haar hand staan staren. Toen bracht zij dien hartstochtelijk aan haar lippen en kuste hem ééns en nog ééns en nog ééns—en stopte hem toen in het wiegje aan de voetjes van den kleinen jongen.

“Leven is lijden— willen is strijden!”

De volgende maanden ontweken Peter Dam en Kaja elkaar zooveel mogelijk. Zij ging op in de zorg voor haar kind en schoof met geweld alle andere gedachten op zij.

Eén van de eerste, echte vorstdagen in Januari keerde zij van een flinke wandeling langs de meren naar huis terug. Plotseling bleef zij in gedachten bij de ijsbaan stil staan. Zij kòn niet begrijpen, dat het slechts twee jaar geleden was, dat zij ook zoo jong en vroolijk daar had schaatsen gereden en toen zoo van ganscher harte gezongen had:

“Schrijf meer, schrijf voort! Schrijf, heerlijk Leven, al wat u lust.”

Zij bleef, met haar armen tegen een van de oude boomen aan den oever geleund, stilstaan, en volgde de voorbijgangers met haar oogen.

Daar kwam een jongmensch sierlijk over de baan gezwierd. Zijn korte jas spande stijf om zijn slanke leden en zijn lange zijden das wapperde in den wind. Het was of een verfrisschend windje iemand tegenstroomde en allen keken hem vol bewondering na.

Zóó was hij haar twee jaar geleden ook tegemoet gereden, toen zij haar schaatsen aan ’t vastbinden was, en zóó had hij haar hand in de zijne genomen en waren zij samen over de blanke vlakte gegleden van de ijsbaan naar de lange, hobbelige levensbaan, waar men zoowel kleine en onaangename als groote, aangename tochten samen aflegt, en waar men niet alleen elkaar de hand geeft, doch waar men elkaar bij ’t hart moet vasthouden, als men samen den weg vervolgen wil.

Peter Dam was op dit oogenblik even mooi als twee jaar geleden. De frissche wind had zijn wangen hooger gekleurd en zijn muts zat zóó ver op zijn voorhoofd, dat men niet zag hoe dun zijn haar geworden was.

Hij deed een paar mooie streken op het ijs en ging toen af op een jonge, blonde dame in blauw wandelcostuum.—Kaja kende haar goed. Het was één van haar oude schoolvriendinnen. Vrijmoedig slingerde hij zijn arm om haar middel en Kaja hoorde hen zacht lachen, toen zij haar voorbij gleden. Fluisterend keken de menschen hen na.

Zij verborg zich achter den boom, waartegen zij leunde, en wachtte, tot zij terugkwamen. Zij deed dit machinaal weg, niet omdat zij ’t eigenlijk wilde, maar omdat iets haar dwong te blijven.

Daar kwamen zij aangesuisd en bleven een paar ellen van Kaja af, met hun rug naar haar toe, stilstaan. Zij hoorde hem duidelijk zeggen: “Dus van avond om elf uur kom ik je halen!” En haar antwoorden: “Maar wees voorzichtig, als je komt, hoor!”

Toen keerde zij zich plotseling om en ging door de stad terug. Onderweg stond zij een paar maal stil en haalde eens diep adem, als wilde zij haar longen met versche lucht vullen. Zij was ernstig en diep vertoornd. Toen liep zij weer haastig en vastberaden door, als iemand die een vast besluit genomen heeft. Zij ging regelrecht naar oom Frans.

Hij moest juist van school zijn thuis gekomen, want hij stond nog bij de voordeur en was zijn goed aan ’t ophangen.

“Oom Frans,” zeide zij zonder de minste inleiding: “Ik wil geen dag langer onder zijn dak blijven; het is een beleediging hetzelfde huis met hem te deelen. Ik wil van hem af—hoor je—wat ’t ook kost, ik wil van hem af.”

Oom Frans had haar hand in de zijne genomen en trok haar mee de kamer in. Daar liet hij haar op de sofa zitten en bleef, zonder spreken, voor haar staan. Dit was hem zóó onverwacht overvallen, dat hij zijn gewone zelfbeheersching miste. Bliksemsnel doorkruisten allerlei gedachten zijn brein. Wat was dat voor een stralend geluksland dat hij plotseling vóór zijn oogen zag? Wat was dat voor een gevoel van jubelende vrijheid, dat zich op dat oogenblik van hem meester maakte?—

Hij keek haar eens aan, zooals zij daar vóór hem zat, blozend door haar vluggen gang en door de sterke gemoedsbeweging.

“Van hem af, wat het ook kost!” herhaalde zij heftig.

Hij keek haar vorschend aan, terwijl hij haar vroeg: “En als hij nu ’t kind opeischt?”

“Ik weet, dat hij ’t doen zal,” zeide zij bitter, “dat heeft hij mij vooruit al gezegd. Maar hij kan me niet weigeren het te zien zoo dikwijls als ik wil. Hoe ’t ook zij, ik kan ’t nu niet langer uithouden! Ik wil niet méér verdragen, dan ik al verdragen heb. Ik moet het toch niet zóó ver laten komen, dat ik ook mijzelve ga verachten, omdat ik den moed mis van hem af te gaan?”

Hij had haar nog nooit te voren in zoo hevigen opstand gezien. Haar handen lagen saamgeknepen op haar knie—zij ademde gejaagd en een uitdrukking van onwrikbare standvastigheid lag over haar gezicht.

Hij was op het punt, haar in zijn armen te nemen, haar tegen zijn hart te drukken en tot haar te zeggen: “Blijf nu meteen! Je weet, dat je hier altijd een thuis hebt!” Doch tegelijkertijd was het, alsof uit de verte een noodkreet tot hem doordrong. Alsof dat kleine kind, waar hij zich op zoo wonderlijke wijze aan verwant gevoelde, plotseling zijn kleine, dikke armpjes uitstrekte en om hulp rìep. Hij zag zoo duidelijk voor zijn oogen, hoe het zijn kleine handjes aan den rand van het bad vastklemde om zich op te kunnen houden, en hoe het hem met zijn groote, ronde oogen aankeek, alsof ’t al zijn heil van hem verwachtte. Ja, al zijn heil, alles! Geen kleine aalmoes—maar alles, alles! Zou hij doen alsof hij het niet begreep——alsof hij het niet wist, dat het er op dit oogenblik juist op aankwam, zich staande te houden?”

Hij streek herhaalde malen met zijn hand door zijn dikke haar, als wilde hij op die manier zijn gedachten in het reine brengen.

Toen ging hij stil naast haar zitten. Nooit had hij een heviger storm te doorworstelen gehad. En ’t was, of die zijn ziel aan stukken scheurde.

Een heel voorjaarsleven zong in zijn bloed en deed zijn hart ontvlammen. De jonge vrouw, die daar vóór hem stond, was de zijne, haar wilde hij bezitten—zij zelf wilde immers den muur omverwerpen, die hen scheidde?

En dan eischte een klein kind in de wieg, dat hij haar op zij zou schuiven! Opnieuw kwam zijn geheele ziel in opstand tegen dat offer—en opnieuw legden de woorden: “Eisch alles! Geef alles!” ieder ander gevoel het zwijgen op.

“Ben je vergeten, wat je zeide, dien dag dat je van het bezoek aan je moeder thuis kwam?” klonk het gedempt, doch beslist.

Zij schrok op en keek hem met een bijna versteende uitdrukking op haar gelaat aan. Het was goed, dat hij haar blik niet opving.

“Je zei tegen je jongen: Wat ben ik gelukkig, dat ik jou heb—en dat jij je moeder nooit zult missen!” Terwijl hij sprak, durfde hij haar niet aanzien. Hij voelde, hoe zijn woorden doodend over hun geluk heenvielen...

Eenige minuten verliepen onder een volmaakt stilzwijgen. Al wat men hoorde was het langzaam, regelmatig tikken van de oude klok boven de sofa en een straatjongen, die op zijn vingers floot.

Toen stond zij langzaam op.

“Je hebt gelijk, oom Frans!” zeide zij. “Je hebt altijd gelijk.”

Zij keerde zich om en ging zwijgend naar de deur.

“Je bent toch niet boos op mij?” Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd en deed een mislukte poging om te glimlachen.

Zij draaide zich om en legde haar beide handen op zijn schouders, zooals zij gewoon was.

“Boos!” zeide zij. “Ach, oom Frans, je weet heel goed, dat ik op jou niet boos kan zijn!”

Toen liep zij haastig de trappen af. Doch bij het eerste portaaltje hield zij stil en riep zonder opkijken naar boven: “Je mag vooreerst niet bij me komen! Ik geloof—ik geloof, dat ik ’t leven beter dragen kan, als ik je niet zie.”

Hij kon niet antwoorden—hij boog zich slechts over de leuning naar beneden en zag haar met zijn oogen na, terwijl zij wegging. Hij hoorde de deur achter haar toeslaan en hij kreeg een gevoel alsof hij haar voor altijd weggejaagd had.

Toen zag hij haar door het venster langzaam—o, zoo langzaam, de straat doorgaan. En hij wist, dat zij nooit terug zou keeren. Toen werd het haar van oom Frans in één nacht geheel grijs.

“Als zwanen, zwart, over donkere meren uitspannend haar veeren met snerpend geklag,

zoo drijven van smart mijn uren henen.... In weenen, stenen kwijnt heel mijn dag.”

Indien Kaja de kracht gekend had van haar eigen verlangen en zich bewust was geweest, hoe pijnlijk dat in haar binnenste zou rondwoelen, dan zou zij zeker zichzelf het genoegen van de korte bezoeken van oom Frans niet ontzegd hebben. Als lichtpuntjes hadden zijn schaarsche visites over haar eenzamen levensweg gestraald. Nu ontwaakte zij altijd met een gevoel van gemis. Slechts de zorgen, die zij aan het kind besteedde, konden haar een oogenblik doen vergeten. Maar ieder maal als het kind sliep, ontwaakte haar verlangen met nieuwe kracht en dan wist zij met zichzelf geen raad. Zij kon opvliegen, als zij voetstappen op de trap hoorde—in de hoop, dat hij ’t wezen zou—maar dadelijk daarna schudde zij het hoofd over haar eigen dwaasheid. Alsof het oom Frans ooit zou invallen tóch te komen, terwijl zij hem zelf verzocht had weg te blijven!

Overdag beproefde zij moedig vol te houden, doch iederen avond als zij het kind ter ruste had gelegd en slechts het zacht roode lantaarntje boven zijn wieg de kamer flauw verlichtte, was het alsof haar verlangen haar vanéén zou rijten. Dan wist zij niets beters te doen dan in de zitkamer aan den vleugel te gaan zitten en haar vertwijfeling in liederen lucht te geven.

Er was toch niemand die haar hooren kon. Slechts een straal van het lantaarnlicht op straat gleed over haar voeten en verdween in de vouwen van haar zwarte kleed. En die lichtstraal zweeg. Die lag slechts op den grond vóór haar de tonen in zich op te nemen, die alleen hoorde haar zingen, hoorde al haar droeve liederen.

En als zij dan gezongen had haar droeve liederen en ook haar gedwongen vroolijke liederen, dan kon zij soms zwijgend bij het klavier blijven zitten, met de lippen nog half geopend, als luisterde zij diep, diep inwendig naar gedachten, die zij de hare voelde tegemoet treden——

Het ontging Kaja niet dat Peter Dam den laatsten tijd wonderlijk veranderd was. Soms zag zij, hoe hij haar met bijna schuwen eerbied zat gade te slaan. Doch het meest verbaasde het haar, dat hij af en toe naar de wieg ging en naar het kind keek, en ieder keer als hij dat deed, zag zij tranen in zijn oogen.

Op zekeren avond bleef hij tegen zijn gewoonte thuis. Hij stond toe te kijken, terwijl zij het kind ter ruste legde en toen hij haar het oude wiegeliedje: slaap kindje, slaap! hoorde zingen, barstte hij plotseling in tranen uit.

Zij hechtte anders niet veel gewicht aan zijn verschillende gemoedsstemmingen—daarvoor hadden zij haar te dikwijls teleurgesteld—doch nu onderscheidde zij zeer goed een toon van waarheid in zijn wanhopend weenen. Zoodra het kind in slaap gevallen was, ging zij naar hem toe en legde vriendelijk haar hand op zijn arm.

“Waarom wil je toch zoo’n treurig leven blijven leiden?” zeide zij. “Waarom wil je niet beproeven, de achting voor je zelf terug te winnen?”

“Het is te laat,” zeide hij.

“Waarom te laat?”

“Omdat—ach, je kunt het even goed dadelijk weten—omdat de kapitein wil dat ik met haar trouw.”

“Over wien heb je ’t?”

“Over kapitein Ström.”

“O, is het zijn dochter, waarmee je schaatsen rijdt?”

“Hoe weet jij dat....”

“Ik heb je op een avond bij het meer gezien,” zeide zij koud.

Plotseling zweeg hij. Hoe was ’t mogelijk, dat zij nooit met een enkel woord op deze verhouding gedoeld had!

Op eens begreep hij, wat een afgrond er tusschen hen in gekomen was—een afgrond zóó diep, als die tusschen twee menschen die op verschillende manier denken, op verschillende manier handelen en die een verschillende levensopvatting hebben, maar wezen kan. En toen hij bedacht, hoe licht en vertrouwelijk zij hem eens tegemoet was gekomen, ging er een steek door zijn hart.

“Dat is dan ook wel het eenige, wat je nu te doen staat,” zeide zij op denzelfden vreemden toon als zooeven.

“Wat?”

“Haar te trouwen.”

“Ja, ik weet heel goed, dat jij bereid bent,” klonk het ruw.

“Slechts op één voorwaarde.”

Verbaasd keek hij op.

Had zij werkelijk voorwaarden? Vatte zij niet met blijdschap de gelegenheid aan, die haar vrij zou maken?

“Ik begrijp je niet,” zeide hij, hoewel hij haar op hetzelfde oogenblik goed begreep.

Zij keek hem recht in de oogen en zeide onverschrokken:

“Als jij je niet al het recht op het kind ontzegt, dan eisch ik mijn recht en blijf hier als jouw vrouw.”

Hij antwoordde niet. Hij zat haar aan te staren. Het was of het nu voor hem opging wat hij verloor, toen hij deze vrouw van zich afschoof, die liever haar eigen hart in stukken liet scheuren dan zich van het kind, waaraan zij het leven gegeven had, te laten wegrukken. En hij was op het punt zijn recht te doen gelden, om haar op die manier vast te houden. Doch toen kwam het gezicht van den kapitein hem weer voor den geest, toen hij gezegd had: “Ik eisch van u, dat u haar trouwt!”

Dat gezicht kon hij niet vergeten; het stond in zijn geheugen vastgegrift, zoo doodsbleek was het geweest en zulk een hevige bedreiging had er uit gesproken. En daarbij had hij Henny beloofd, te scheiden.

Henny en hij waren het er over eens, dat zij elkander volmaakt vrij zouden laten, als hun verhouding voor het oog van de wereld maar zuiver was. Zij zou nooit zoo tegen hem opstaan als Kaja dat gedaan had. Hij zou het bij haar veel gemakkelijker hebben. Wel beschouwd, viel er niet veel meer te overdenken....

Ondertusschen stond zij, met haar armen over haar borst gekruist, vóór hem. Haar gelaat kenteekende een groote spanning. Het was bijna onnoodig, dat zij streed om haar aandoening te verbergen, haar gejaagde ademhaling verraadde haar toch—en plotseling kreeg hij lust, haar nog wat te pijnigen. “Ja, dan is het maar het best, dat alles blijft zooals het is,” zeide hij.

Het was alsof zij door een onzichtbaren slag getroffen was, alsof zij in elkaar zonk. Doch zij redeneerde niet verder met hem, keerde hem slechts den rug toe en ging naar de deur.

Met één sprong stond hij naast haar.

“Ik wou je alleen maar een beetje pijnigen,” zeide hij. “Je zult je zin hebben. Ik geef je het volle recht over het kind.”

Met een ruk wendde zij zich naar hem toe. Zij antwoordde niet, doch hij zag aan de wijze, waarop zij plotseling het hoofd oprichtte, flink en onvervaard, hoe bevrijd zij zich voelde. En toen hij haar blik opving, moest hij onwillekeurig de hand over zijn oogen strijken, zooals men dat doet voor een al te sterk zonlicht. Zóó straalden en lichtten haar blikken, zóó glinsterde en schitterde ook alles om haar heen.

Want op dat oogenblik staarde zij in “het beloofde land” en was zij zijn tegenwoordigheid nauw gewaar. Hij voelde weer denzelfden steek in zijn hart en keerde zich van haar af. “Ik mag het kind toch wel komen zien?” zeide hij.

“Zoo vaak je wilt,” zeide zij met plotselinge warmte in haar stem. “Maar,” en vol verbazing keek zij hem aan, “houdt je dan heusch van het kind?... O, als je van ’t kind houdt, dan doet het me vreeselijk pijn voor je,” voegde zij er bij.

En den heelen nacht lag zij er aan te denken, hoe vreeselijk het voor hem wezen moest, om het kind te missen. Zij ging zoover, dat zij het bijna zonde vond, hem er van te scheiden.

Doch Peter Dam sliep even rustig als gewoonlijk. Overdag moest hij al genoeg vermoeienissen doormaken, ’s nachts moest hij een ongestoorde rust genieten, anders hield hij ’t niet vol.

Den volgenden morgen sprak hij er met het grootste gemak en volkomen natuurlijk over, hoe zij alles zouden regelen, en zij kon niet nalaten te glimlachen bij de gedachte, wat een angstigen nacht zij voor hem had doorgemaakt.

Een vierde van haar fortuin stond vast. Met de rente daarvan en een toelage van vijfhonderd kronen ’s jaars kon zij zonder moeite met het kind leven. Hij stelde voor, haar de vijfhonderd kronen uit te keeren, doch zij verklaarde beslist, dat zij zelf voor den jongen zorgen wilde;—voor hem te werken, zou haar een geluk zijn.

Hij keek haar eens aan, haalde zijn schouders op en vond haar ijver vrijwel overdreven—doch hij beproefde niet lang haar over te halen.

Wilde zij absoluut die vijfhonderd kronen niet hebben—enfin, dan zou hij ze wel gebruiken. En fluitend liep hij de trap af.

Kaja had een paar regels aan oom Frans geschreven, waarin zij hem in weinige woorden het voorgevallene vertelde en hem verzocht, een kleine woning voor haar en het kind te huren.

“Zoo gauw als je maar iets vindt, dat geschikt is,” stond er in haar briefje, “want ik wil hier liefst dadelijk vandaan.”

Vijf uur geleden moest hij dien brief reeds ontvangen hebben en nog was hij niet gekomen. Nog zat zij in elkaar gedoken bij de open deur vlak bij den gang, naar de bekende voetstappen op de trap te luisteren. De oude angst had haar weer bevangen en haar hart bonsde in haar borst.

Als hij nu eens dood was! Als hij het nooit beleven zou dat zij vrij was! Als zij hem nooit zou kunnen zeggen:

“Over drie jaar, over drie jaar gaan we samen naar het beloofde land!”

Een heel uur lang had zij de kamer al op en neer geloopen—zij had den jongen uit de wieg genomen, hem er weer in gelegd—alles zonder te weten, wat zij eigenlijk deed—nu lag het kind met den rammelaar van oom Frans te spelen en keek haar aan met een paar oogen, die zóó op de zijne geleken, dat zij ze ieder keer weer kussen moest. Het kind liet den rammelaar vallen, en terwijl zij bukte om hem op te rapen, hoorde zij de bel en snel als de wind was zij bij de deur.

Zoo pijnlijk was haar angst geweest, en zoo ontzettend was haar vreugde nu, dat zij deed, wat zij zoo lang zij getrouwd was niet gedaan had, zij vloog hem om den hals.

En hij hield haar in zijn armen, als een jong vogeltje verborg hij haar dicht aan zijn borst—het was of zij geheel in zijn omhelzing verdween.

Als een lofzang zonder woorden was die omhelzing!

Doch toen zij merkte, hoe zijn handen beefden, toen hij telkens weer haar hoofd aan zijn borst drukte en haar op de oogen kuste, wist zij, hoe ook hij geleden had.

Eindelijk liet hij haar los en gingen zij samen de zitkamer in. Zij deed hem op den stoel met den hoogen rug bij het raam neerzitten en nam hem zijn hoed en stok af.

“Ga je nu ook niet zitten?” zeide hij, terwijl hij naar een stoel naast zich wees.

“Nog niet,” zeide zij, “ik moet je eerst eens goed aankijken.”

Zoodra het licht op zijn gezicht gevallen was, bemerkte zij, dat er een verandering met hem had plaats gegrepen, sinds zij elkaar het laatst gezien hadden. Eerst dacht zij dat het kwam door de fijne rimpeltjes bij de ooghoeken, doch toen ontdekte zij, dat zijn grijze haar er de oorzaak van was.

“Ach,” zeide zij, en er klonk een eerlijke droefheid in haar diepe stem, “je mooie, zwarte haar! Dat ik dat nu ook al grijs heb moeten maken!”

“Dat heb jij volstrekt niet gedaan,” zeide hij, ontwijkend, “dat is al lang zoo geweest!”

“Een beetje bij de slapen en achter in je hals, ja—maar niet zooals nu!”

“Ja, wat zal men er aan doen?” zeide hij, terwijl hij met een schelmsch glimlachje de hand door zijn haren streek. “Je ziet, ik begin oud te worden.”

Toen boog zij zich voorzichtig over hem heen, als wilde zij ieder grijs haartje dat zij zag, tellen.

“Weet je wel,” zeide zij, “dat ik ieder grijs haartje beschouw als voor mij gewonnen?”

Hij keek haar aan en knikte:

“Daar kan je zeker van zijn, hoor, en daar kan je tevreden over zijn ook—gelukkig en tevreden.”

Zij glimlachte.

“Gelukkig en tevreden—” herhaalde zij en bedacht, hoe zij zelf eens dezelfde woorden gebruikt had.

“Maar waarom kwam je zoo laat?” vroeg zij plotseling. “Ik begon bang te worden, dat je ziek was.”

Hij lachte om de angstige uitdrukking, die zich reeds op haar gelaat vertoonde, toen zij er slechts over sprak.

“Ik keek onderweg naar woningen,” zeide hij. “En toevallig zag ik er één, die voor je geschikt is, en ik durfde de gelegenheid niet voorbij laten gaan. Het is ver buiten de stad—lichte, mooie kamers—niet te groot—maar jij en het kind hebben zooveel plaats ook niet noodig.”

“Neen, we kunnen ons met weinig tevreden stellen. En dan te weten dat het ons heele eigen is—van Helle en van mij! Verbeeld je, dat je dan thee bij ons komt drinken! Juist als vroeger, toen ik thee bij jou kwam drinken en je me daarna voorlas. Weet je ’t nog? We zullen elkaar nu ook gaan voorlezen,” ging zij vol ijver door, “we zullen ’t precies zoo hebben als vroeger—elkaar volmaakt vertrouwen en niets voor elkaar achterhouden.”

“Ja, juist,” zeide hij. “We moeten elkaar iederen dag zien, zonder dat we ooit genoeg van elkaar krijgen. Iederen nieuwen dag, dien wij beleven, zal de vreugde van onze liefde even groot en even heerlijk zijn—dat eisch ik—met minder ben ik niet tevreden!”

“Daarin ligt juist je kracht,” zeide zij, “en dat is het laatste, wat ik in je missen wil.”

“Maar drie jaar is een lange tijd,” zeide hij, “een vreeselijk lange tijd—ben je niet bang dat je liefde het zoo lang niet kan uithouden?”

Zij lachte, zacht en gelukkig——

“Ben jij niet bang, dat je geduld ten einde raken zal?” zeide zij.

Hij schudde het hoofd en lachte, evenals zij. “Jacob diende wel twaalf jaar voor Rachel,” zeide hij, “dan kan ik zeker drie jaar voor jou dienen——drie jaar, die ons twintig jaren zullen schijnen,” voegde hij er bij.

Zij stond hem met haar verleidelijken glimlach aan te kijken en zeide: “O, wat zal ’t heerlijk zijn om met jou samen te leven! En wat zullen we Helle om ’t hardst liefhebben!”

En alsof hij zijn naam had hooren noemen, begon Helle op hetzelfde oogenblik duchtig in zijn wieg te trappelen en gaf door een paar korte, besliste kreten, zijn wensch te kennen om er ook bij te zijn—en Kaja haastte zich hem op te nemen. Zij tilde hem op haar schouders en danste met hem de kamer rond. De namiddagzon viel gedeeltelijk over haar kleed, streelde de fijne huid van den jongen en straalde verwarmend over haar gelukkig, jong aangezicht.

Hij stond hen aan te zien en het was alsof zij beiden al de zijnen waren—zoo’n overweldigend gevoel van rijkdom doorstraalde hem.

“Stel je voor!” zeide hij zacht tot zichzelf, “dat het werkelijk nog maar drie jaar is vóór we het beloofde land bereiken zullen! Het tooverland van ons geluk!”

Zij bleef staan en keek hem aan.

Dat hij nu ook juist dezelfde gedachten had—en ze in dezelfde woorden uitte!

Hij ging naar haar toe en met het kind op haar schouders, drukte zij zich tegen hem aan.

“Mijn eigen kleine wereld!” zeide zij zacht en innig, terwijl zij haar oogen van het kind naar hem, en van hem weer naar het kind liet glijden. “Neen!” zeide zij plotseling, terwijl zij haar hoofd weer tegen zijn borst drukte: “Mijn eigen groote, heerlijk zalige wereld——!”

“En dagen kwamen en vlogen voorbij, snel als de bliksem: dagen van kracht en warmte, dagen vol zon....

Als een jaar later iemand hun één van beiden gevraagd had, waar de tijd gebleven was, zouden zij het noch voor zichzelf, noch voor anderen hebben kunnen verklaren, zoo waren uren, dagen, weken en maanden voor hen voorbijgevlogen. Lichter dan de eerste blauwe vlinder een eersten warmen voorjaarsdag over het jonge groen vliegt, vlugger dan de eerste zwaluw zingend langs de eerste, witte zomerwolken zweeft.

Geen van beiden wist, waar de tijd gebleven was, doch af en toe zeide zij: “Waar blijven de dagen, oom Frans? Het is, alsof ik ze vast moet houden, alsof ze anders geheel in het niet zinken; het leven wordt àl te kort voor ons, als we er met zulke reuzenstappen doorheen vliegen.”

Doch hij lachte slechts en zeide: “Ja, ja, zoo moet het zijn. Denk er maar aan, dat het beter is, kort en rijk te leven dan lang en arm.”

Oom Frans was jonger dan ooit te voren. De guitige uitdrukking was in zijn oogen teruggekomen en hij liep weer even recht en veerkrachtig als voorheen. Op straat neuriede hij meestal zacht in zichzelf, af en toe betrapte hij er zich zelfs op, dat hij hardop zong!

Het was of er altijd een lach speelde om de fijne, beweeglijke lijnen van den mond, niet bepaald een glimlach maar zulk een blij gelukkige trek, dat men de oogen niet van zijn mond kon afhouden.

Kaja was slanker en bleeker dan gewoonlijk, maar zij straalde van vreugde als zij over het correctiewerk gebogen zat, dat oom Frans haar verschaft had, en waarmee zij ongeveer de vijfhonderd kronen verdiende, die zij noodig had, om er met de rente van haar klein kapitaal van te kunnen leven.

En Helle? Ja, Helle maakte het misschien wel het allerbest. Hij was begonnen op zijn kleine, korte, dikke beentjes de kamer rond te zeilen en hij deed dit met een gewichtigheid, alsof hij heer en meester was van ’t heelal. Oom Frans noemde hem “De Czaar”, als hij bij zijn moeders stoel stil bleef staan en met een echte commandostem riep:

“Helle op!” Doch zoodra hij op haar schoot zat, veranderde de uitdrukking van zijn gezichtje en stonden zijn oogjes weer schelmsch en zacht, en dan verborg hij met een gelukzaligen zucht zijn hoofdje aan haar borst. Zijn zwarte krulhaar viel, evenals dat van oom Frans, over zijn voorhoofd, en zijn oogen waren even veranderlijk van kleur als de zijne, maar mond en kin geleken meer op die van Kaja. Het eenige, wat Helle van Peter Dam geërfd scheen te hebben, was zijn sterk gebouwde, krachtige gestalte en de bizonder schoongevormde, kleine ooren.

Het was of Peter Dam zijn bestaan vergeten was.

Den dag, dat Kaja met het kind op de armen de trap af ging, om weg te rijden, stond hij hen aan de deur met vochtige oogen na te kijken, en had hij een gevoel of met deze twee, het beste wat hij had, hem verliet. Doch een paar uur later was er geen spoor van verdriet meer op zijn aangezicht waar te nemen.

Een week later kwam hij naar Helle hooren en toen hij wegging, liet zij hem vriendelijk uit en verzocht hem zoo dikwijls te komen, als hij behoefte voelde om het kind te zien.

Doch sinds dien had zij hem niet meer gezien. Zij hoorde dat hij koninklijke toestemming aangevraagd had, om te trouwen vóór den bij de wet bepaalden tijd, en zij hoopte oprecht voor hem, dat hij die krijgen zou. Over ’t geheel dacht zij aan hem als aan een volmaakt vreemde.

Oom Frans bracht onder een zwijgende overeenkomst al zijn avonden bij haar door. Hij kwam vroeg in den namiddag. Dan lazen zij eerst samen of maakten een wandeling.

Helle mocht verdiept zijn in zijn meest geliefde spelen, huizen bouwen die altijd invielen, zoodra hij ze met de grootste moeite had opgezet, of water pompen uit een pomp, die nooit leeg werd—zoodra hij de voetstappen van oom Frans hoorde, stond hij dadelijk op en liep naar de deur. Er was niets ter wereld zoo heerlijk dan op de schouders van oom Frans te zitten en hem duchtig aan zijn haar te trekken, of paard te rijden op zijn knie, terwijl oom Frans er de vroolijkste wijsjes bij floot. Dan was het: “Helle iets vertellen”, en oom Frans werd nooit moe in ’t verzinnen van nieuwe verhalen. Al de liefkoozingen, die hij haar niet geven durfde, verdeed hij aan den jongen. Zij glimlachte, als zij het zag. Hij sprak nooit tegen haar over liefde, maar hij verstond de kunst, haar op duizenderlei wijzen met zijn teederheid te omringen en er haar altijd weer van te overtuigen.

Op een goeden dag kwam hij thuis met een groot hobbelpaard. “Dat is voor Helle,” zei hij, als antwoord op haar vragenden blik. Een ander maal was het een ganglamp. “Want ik heb gemerkt, dat je je tegen de kast in den hoek stoot, als je me uitlaat,” klonk het bijna verontschuldigend. En op een zekeren dag kwam hij onverwacht met een met bont gevoerden mantel. “Je mag er niet boos om zijn, maar ik ben bang, dat je het te koud hebt in den ouden,” zeide hij en hing den mantel zonder verdere complimenten om haar schouders.

Het gevoel dat zij altijd in zijn gedachten was, maakte haar oneindig gelukkig.... en als zij alle drie, even verdiept in ’t spel, op den grond lagen, dan ontbrak er slechts één ding, om hun geluk volmaakt te doen zijn.

Zij hadden het tot een vasten regel gemaakt, iederen Zondag naar Oringe te gaan. Zij hadden de rollen op zich genomen van adjudant van den prins en van hofdame van de prinses, en oefenden een sterk kalmeerenden invloed op de zieke. Als zij eens oversloegen, werd zij dadelijk onrustig en woelig, en zoo werd het gewoonte, dat zij altijd kwamen.

Kaja had een gevoel, alsof zij nooit haar schuld tegenover haar moeder vereffenen kon, de schuld van al die jaren, dat zij zich niet om haar bekommerd had en zij als dood voor haar geweest was! En het was alsof zij zich ook verantwoordelijk gevoelde voor haar vader, die zijn schuld tegenover zijn vrouw vergrootte, iederen dag, die verliep, zonder dat hij naar haar omkeek. En Kaja wist nauwelijks, hoe zij dit alles goed kon maken.

Doch oom Frans, die zag, dat dit gevoel licht tot ziekelijke overdrijving kon overslaan, zeide op zekeren dag op zijn gewonen, kalmen toon:

“Als zij mij goed genoeg vindt, om in de plaats van den prins te komen, dan vind ik, dat jij er ook wel vrede mee zoudt kunnen hebben en mij kalm alleen laten gaan.”

En toen werd zij een beetje verlegen.

“Je bent veel te goed,” zeide zij, blozend, toen zij hem zag glimlachen. Maar daarna tobde zij er niet meer over.

Den eersten zomer, dat zij met het kind alleen woonde, bleef zij in de stad, ook gedurende de vacantie, doch den zomer dat de jongen twee jaar werd, stelde oom Frans voor, dat zij van half Juli tot het einde van Augustus naar buiten zouden gaan. Het zou zoo goed voor Helle zijn eens naar hartelust de buitenlucht te genieten.

Vol enthousiasme ging zij op zijn voorstel in.

“Maar waar naar toe?” vroeg zij.

“Ik stel voor naar Rödvig. Daar is ’t heerlijk baden en er is een verrukkelijk kreupelbosch.”

“Goed, dan gaan we naar Rödvig!” riep zij stralend uit.

“Hoera, Helle! Nou zal je plezier hebben! Huizen in ’t zand bouwen en de leeuweriken hooren zingen!”

En uitgelaten sprong zij met den jongen in het rond, die haar bij haar hoofd vast greep en met zijn kleine voetjes tegen haar aantrapte. Oom Frans volgde hen met zijn gelukkige oogen.

“Wat zullen we ’t daar heerlijk hebben,” zeide hij.

Zoowel zij als hij beschouwden ’t als iets dat van zelf sprak, dat hij mee zou gaan.

Maar er waren anderen, die ’t niet met dezelfde oogen beschouwden, en Kaja werd op straat dikwijls staande gehouden door kennissen, die vroegen:

“Is het heusch waar, dat je met oom Frans naar buiten gaat?”

Zij bloosde van verontwaardiging over de insinuatie, maar antwoordde moedig:

“Ja, waarom zou ik niet?”

“Waarom?” klonk het dan in koor, beleedigd. “Hemel, Kaja, je kent de wereld. Er is van den winter al genoeg over jullie gesproken, omdat hij je zooveel bezoekt, maar als je nu op den koop toe nog met hem naar buiten gaat, dan begrijp je heel goed wat de menschen zeggen zullen!”

Haar vingers jeukten, om de spreekster een paar flinke klappen om haar ooren te geven, maar zij bedwong zich. Zij wierp het hoofd in den nek, zooals zij altijd deed, als zij verontwaardigd was, en zeide trotsch:

“Ik geef geen cent om het oordeel der menschen. Ik heb niets te verbergen—en hij evenmin.”

Doch tegenover een bizonder opdringerige, oude vriendin viel zij, terwijl zij van verontwaardiging met haar voeten op de straatsteenen stampte, uit: “Kunnen de menschen hier in de stad zich dan in ’t geheel geen denkbeeld vormen van een reine verhouding?”

Doch daar de opmerkingen zich steeds herhaalden en iederen dag nieuwe toespelingen haar ter oore kwamen, begon het haar op het laatst toch pijn te doen.

Zooals iedere reine vrouw was ook zij teergevoelig, waar het haar reputatie aanging. Het deed haar zeer, dat iemand die besmetten kon. Doch allermeest pijnigde het haar, dat hun innigste private leven, hun fijne, mooie verhouding, die slechts hij en zij kenden, door nieuwsgierige vingers bezoedeld en aan de kritiek van kleingeestige wezens onderworpen werd. Zij kon, zoo dikwijls zij wilde, voor zichzelf herhalen: “Ik ben aan niemand rekenschap verschuldigd, waar het onze verhouding aangaat—dat gaat niemand anders aan dan hem en mij,”—toch vervolgde haar het bewustzijn, dat nieuwsgierige oogen hen gadesloegen en zij begon er over te denken, of het maar niet het best zou zijn, als zij, zoo ver mogelijk van elkaar, ergens naar buiten gingen. Doch aan den anderen kant kwam haar heele gemoed er tegen in opstand, volmaakt onverschilligen menschen zulk een offer te brengen. Zij, die zoo gierig was op iedere seconde die zij samen doorbrachten! Zij, die slechts leefde de uren, dat hij bij haar was! Zij kon noch wilde dit offer brengen. En de oude angst ontwaakte weer in haar: Als hij eens plotseling stierf! Wat zou zij zich dan iedere minuut, die zij niet met hem doorgebracht had, beklagen!

’s Nachts lag zij met allerlei verwarde gedachten wakker. Doch zij kon er niet toe komen, er met hem over te spreken, het was of zij er zich over schaamde.

Het oordeel der menschen! Wat was dat voor hem? De zoogenaamde publieke opinie—wat gaf hij er om? Hij ging zijn eigen weg, zooals hij altijd gedaan had, en zij wist, dat hij met oneindige minachting op zoogenaamde vormen neerzag. Doch de strijd liet zijn sporen achter. Zij werd bleek en stil, en toen zij haar koffers voor de reis begon te pakken, was de vreugde voor de reis verdwenen.

Zij liep rond als iemand die graag vroolijk wilde zijn, maar het niet kon.

Hij sloeg haar nauwkeurig gade, en zij was er zeker van, dat hij zag wat zij dacht, maar zeide niets. Het was, of hij haar alleen den strijd ten einde wilde laten voeren.

De dag vóór zij op reis zouden gaan, brak aan. Oom Frans zat in de zitkamer met Helle te spelen. Zij liep heen en weer en legde kleeren in den koffer, die half gepakt bij de deur stond. Plotseling zeide zij, schijnbaar onverschillig, terwijl zij zich diep in den koffer neerboog, om haar blozen te verbergen: “Heb je voor ons alle drie kamers in het hotel besteld?”

“Neen,” antwoordde hij kortaf, “ik heb alleen een kamer voor Helle en jou besteld.”

“Waar logeer jij dan?”

Plotseling keerde zij zich geheel naar hem toe.

“Ik weet het nog niet juist—als ik mee ga, neem ik misschien een kamer bij den een of anderen visscher aan ’t strand.”

”Als je meegaat?” vroeg zij angstig.

Toen stond hij driftig op en zeide:

“Ja, want ik kom alleen, als we den geheelen dag samen kunnen zijn. Begrijp je? Niet een paar karig toebedeelde uurtjes per dag, maar den heelen dag. Ik kom niet, als je van plan bent mij voor wat “mag” of wat “niet mag” op te offeren—en ik ben bang, dat je daar de laatste dagen mee bezig bent geweest, nietwaar?”

Zij was vuurrood geworden en haar oogen stonden vol tranen. Toen zeide zij met bevende stem: “Och, toe, wees niet boos op me.”

Met Helle aan de hand ging hij naar haar toe en de jongen stak oogenblikkelijk zijn andere handje naar zijn moeder uit die het haastig vast greep.

“Zie je,” zeide hij, terwijl hij haar diep in de oogen keek, “zoolang wij tweeën elkaar vrij in de oogen kunnen zien met dat handje in de onze, zoolang zijn wij niemand anders rekenschap verschuldigd. We zijn in ’t geheel geen ziel rekenschap verschuldigd,” ging hij heftig door, “dan aan den jongen hier. Tegenover hem zullen we eenmaal kunnen staan als twee reine menschen. Hij zal zich nooit over ons behoeven te schamen.”

Zij had de hand van den jongen losgelaten en sloeg haar arm om zijn hals.

“Oom Frans!” zeide zij met vochtige oogen, terwijl zij hem gekscherend bij den kraag van zijn jas schudde—“ik bezweer je, dat, waar je ook naar toe trekt in de wereld, daar gaan Helle en ik mee, hoor—je kunt nooit meer van ons af. En geen minuut van den dag zal ik je onthouden.”

“Geen minuut! Beloof je me dat?” vroeg hij stralend.

“Dat beloof ik.”

Haar geheele wezen straalde zóó van liefde, dat hij een gevoel kreeg, alsof hij haar nu in zijn armen nemen moest en haar niet meer loslaten, vóór zij geheel de zijne was. Doch toen keerde hij zich met een ruk om, tilde Helle op zijn schouders en sprong met hem de kamer rond.

“Meer, meer!” gilde Helle, en schopte met zijn beentjes oom Frans op de borst.

En oom Frans sprong en danste, dat het een lust was.

Als Kaja later aan dezen tijd terugdacht, begon haar hart altijd even snel te kloppen als toen, dat haar geheele ziel juichte van vreugde, juichte van geluk!

In dien tijd had zij Rödvig’s strand en Rödvig’s bosch voor eeuwig liefgekregen. Dáár, waar de wilde rozen zich slingerden om de kamperfoelie, als wilden zij gezamenlijk den weg naar een tooverslot verbergen, dáár groeide hun geluk voor altijd op, dáár ontwikkelde zich hun gedachtenleven in vollen rijkdom, en dáár begonnen zij voor het eerst samen te spreken over het tehuis, dat zij bouwen zouden, en ontwerpen en plannen voor de toekomst te maken.

“Nu nog maar anderhalf jaar!” konden zij tegen elkaar zeggen en zij spraken over die anderhalf jaar of het slechts een week was.

Urenlang konden zij aan het strand zitten luisteren naar de golven, of zacht samen praten, terwijl Helle om hen heen in het zand speelde en hen af en toe met zijn helderen kinderlach in de rede viel. Of zij lieten steentjes over het water keilen of schertsten met de visschers en verdiepten zich in de kleine genoegens en verdrietelijkheden van het dagelijksch leven—doch ieder maal dat zij bij ’t kreupelbosch kwamen, was het alsof zij door een toovermacht werden aangegrepen. Dan bleven zij stilstaan, en, terwijl zij elkaar aanzagen, zeiden zij soms vragend:

“Vindt je niet, dat het precies is, alsof we hier samen een tooverland ingaan?”

En geen van beiden dacht er aan, dat hun liefde het tooverland was, dat zijn draden spon over dagen en jaren, tusschen rozen en kamperfoelie recht door naar het tooverslot, naar het beloofde land, dat hun in dien tijd meer nabij scheen dan het bosch, waarin zij liepen, meer nabij dan de lucht, die zij inademden en het mos, dat zij betraden. O, heerlijk, heerlijk kreupelbosch! Met uw verrukkelijke paadjes, die zoo smal zijn, dat men ze nauwelijks ziet, en zóó diep, alsof ze nooit eindigen—met uw woudduiven die altijd kirren, met uw nachtegalen die zingen tot lang na Sint Jan—met uw kleine, plotseling te voorschijn komende watertjes, en uw geur—uw wonderlijk zaligen geur van volle, gele kamperfoelie! Geen wonder dat gij iemand de ziel betoovert! Geen wonder, dat de twee menschen, die hun lichtste levensdagen in uw schoot doorleefden, u nooit meer kunnen vergeten! Hun liefde werd even licht en harmonisch als overgangskleuren in de toppen van het jonge hout. Het was of zij inéénvloeide met de zonnenevelen over het blanke water.—

Helle werd daarbuiten door de zon verbrand en flink, zijn geheele kleine persoontje straalde van gezondheid, en hij danste van plezier, als hij tusschen hen inliep met zijn kleine, dikke handjes vertrouwelijk in de hunne. Hij maakte hen menigmaal door zijn grappige invallen, en door zijn volhardende pogingen, om zich verstaanbaar uit te drukken, aan het lachen.

Als zij zoo, met den jongen tusschen hen in, door het dorp liepen, was de familiegelijkenis zóó in ’t oogvallend, dat het niemand ontgaan kon, en tegelijkertijd lag er een glans van geluk over de geheele groep, die zich in alles om hen heen, zelfs in de aangezichten van de menschen die zij tegenkwamen, scheen te weerspiegelen.

“De gelukkige familie” noemden de menschen uit het dorp hen en zij hadden, als zij hen ontmoetten, een vaag gevoel, iets wonderlijks gezien te hebben.

En voor “de gelukkige familie” was iedere nieuwe dag, dien zij beleefden, een nieuwe vreugde. Zij wisten niet, waar de dagen en weken bleven—al wat zij wisten, toen de laatste dag aanbrak, was, dat het leven heerlijk was geweest.

Geen van beiden vonden zij woorden, die hun geluk konden uitdrukken—doch zij dachten hetzelfde en hun gedachten kruisten elkaar, en verkondigden elkaar wat zij beiden voelden. Het eene oogenblik liep hij te fluiten, het andere zij te zingen, en altijd sprong de jongen juichend tusschen hen in.

Iederen avond, als zij alleen naar het strand liepen, ging zij op een hoogen steen aan het water zitten, met haar handen onder de knie gevouwen, en dan zong zij met haar diepe, warme stem.... en haar gezang vlood ver weg van de kust, ging ver weg over de golvende, frissche zee....

Dan lag hij in het zand naast haar en keek haar aan met zijn oogen, die van kleur veranderden, evenals het water van de zee daar vóór hen.

En ieder maal, als zij ophield, zeide hij: “Nog wat!”

En dan zong zij weer één van zijn lievelingsliederen. En dan volgde hij de scherp sprekende lijnen van haar mond met zijn oogen, als zij na het zingen vóór zich uit zat te staren, met haar lippen nog half geopend, tot hij plotseling zijn oogen toekneep en weer zeide:

“Nog wat! Zing over de blijdschap van het leven en de vreugde van den dood.”

Doch dan zweeg zij.

“Ik begrijp je niet,” zeide zij, “alle anderen spreken van angst voor den dood—van lijden en vrees om te sterven—maar jij praat alleen maar van de vreugde.”

Hij keek haar eens aan.

“Ik geloof ook, dat het een vreugde is,” zeide hij. “Jij hebt misschien nooit een pop zien openbarsten en een vlinder zien uitvliegen—maar ik heb dat gezien meer dan eens. Urenlang kan ik een pop gadeslaan, die op de gedaantewisseling wacht—ademloos kan ik het oogenblik staan te verbeiden, dat het wonder geschieden zal. En zelf voel ik iets van de vrijheidsvreugde, die de pop bezielen moet, als zij voor het eerst voelt, dat zij vleugels heeft. Wat bekommert de vlinder zich om de doode pop! Vleugels heeft zij, óp naar de zon vliegt zij—zij denkt niet meer aan hetgeen nu stof is! Doch de menschen kunnen niet nalaten, te denken aan het leeg omhulsel, en dat maakt, dat men den dood vreest! En dan is het toch ook slechts een pop, die vlinder wordt! Want wat gebeurt als er een mensch sterft? Niets anders dan dat de ziel vleugels krijgt! En dat is toch een reden tot vreugde, zou ik meenen?”

Zij zuchtte diep.

“Och ja,” zeide zij, “als jij het op die manier zegt, dan ben ik het met je eens. Maar als ik den dood zie, dan geeft die mij angst, een grooten, vreeselijken angst!”

Hij antwoordde niet—hij scheen in gedachten verzonken.

“Ik zou je wel eens willen voorlezen, wat Sören Kirkegaard over den dood zegt,” zeide hij.

Doch zij schudde het hoofd.

“Ik heb nooit de verwantschap tusschen hem en jou begrepen,” zeide zij. “Hij kende slechts de droefheid van het leven.—En jij praat over de vreugde van te sterven! Zijn natuur was even uit zijn verband gerukt als de jouwe harmonisch is.”

Hij zweeg even, terwijl een zwakke glimlach zich aan zijn mondhoeken vertoonde. Toen zeide hij:

“Ja, ik ken zijn paradoxen, maar toch staat hij als een reuzeneik tusschen al het andere jonge groen. Het tegenwoordig geslacht zal nooit over zijn zeer sterk individualisme heenkomen. Het heeft niet veel gescheeld of hij heeft zoowel zichzelf als anderen door zijn eischen, aan een Christen gesteld, ten onder gebracht, maar toch—als ik er mij een kiezen moest, dan koos ik hem, ’t is of er voor anderen geen plaats is.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings