← Table of contents
Het paddenstoelenboekje

Aardzwammen-tabellen.

Reading edition

Tabel tot het bepalen van de Geslachten der Agaricaceën of Plaatzwammen (Geen houtpaddenstoelen).

1. Op andere paddenstoelen groeiende soorten: Collýbia tuberósa No. 88. Nýctalis asteróphora (fig. 53). Bolétus parasíticus (fig. 101).

Niet zoo: 2

2. P. met een ring en beurs (zak of knol):

a. Pl. wit: Amaníta zie tabel blz. 175 en Lepióta No. 193–197 en 276 (Plaat 2, fig. I en II).

b. Pl. rose: Volvária No. 259 (Plaat 4 fig. 15). (zie ook Amaníta rubéscens No. 21).

P. alleen met een beurs:

a. H. bruinrood of grijs: Amaníta vagináta No. 19.

b. H. geel: Amaníta junquíllea No. 20 (fig. 46).

P. zonder beurs, met een ring: Groep I blz. 166. (Plaat 2, fig. VII).

P. met een z.g.n. “gordijn” of “cortina”: Groep II blz. 167. (fig. 14).

Geen van deze kenmerken: 3

3. Pl. bij kneuzing een wit of gekleurd melksap uitdruppelend: Melkzwammen Lactárius blz. 191. (Plaat 2, fig. V).

Niet zoo: 4

4. P. die spoedig tot een inktachtige massa vervloeien: Inktpaddenstoelen: Coprínus Nos. 142 en 266–270. (Plaat 2, fig. VIII).

Niet zoo: 5

5. P. met plaatjes die op den steel afloopen: Groep III blz. 167. (Plaat 2, fig. VI en pl. 3 fig. 5 en 10).

Niet zoo: 6

6. P. met een dunnen of dikken, taaien, buigzamen, niet licht breekbaren steel: Groep IV blz. 168. (fig. 87).

P. met min of meer vleezigen, breekbaren steel: Groep V blz. 171. (fig. 54).

Groep I: Plaatzwammen zonder beurs met een ring:

1. Pl. zeer dun, samengepakt, later zwart vervloeiend,

H. wit-wollig: Coprínus comátus No. 266. (Plaat 2, fig. VIII en fig. 114).

Niet zoo: 2

2. H. en St. blauwgroen, kleverig: Strophária aeruginósa No. 222. (Plaat 5, fig. 32).

Niet blauwgroen, al of niet kleverig: 3

3. H. klein (1.5–2.5 cM.) geelachtig ± halfbolv. Op mest en bemesten grond, meest in groepjes: Strophária semiglobáta No. 265.

H. grooter, wit of geel, ten slotte vlak: 4

4. Pl. eerst wit, of rose, dan ± zwart: Psallióta No. 221 en 263–265. (Plaat 2, fig. VII).

Pl. blijvend wit, of geel of bruinachtig: 5

5. Pl. zuiver wit (of zeer licht egaal geel of groenachtig): 6

Pl. wit, later vlekkig geel of bruinachtig: Armillária (zie Houtzwammen).

6. Opperhuid met vlokjes, die gemakkelijk zonder de huid te beschadigen zijn te verwijderen: Amaníta blz. 175. (Plaat 2, fig. I en fig. 13).

Opperhuid met schubben of verhevenheden, die daarmede zijn vergroeid. Meestal echte parasolzwammen: Lepióta No. 193–197 en 276. (Plaat 2, fig. II en fig. 85).

Groep II. Plaatzwammen met een gordijn of cortina. (fig. 14)

1. Pl. dik en grof, afloopend, wit-grijs of rose-achtig, later zwart door de sporen (vaak groen door schimmel), aanv. een slijmerig-vliezig gordijn: Gomphídius. No. 244–247.

Pl. noch dik, noch grof en afloopend: 2

2. Pl. spoedig bruin door de bruine sporen of bloedrood: 3

Pl. spoedig grauw-violet-paarszwart door de sporen: Hypholóma (zie Houtzwammen) en No. 223.

3. Goed ontwikkeld gordijn, vooral bij jonge exemplaren zichtbaar, bij oudere meest als bruin bepoederde vezels of kringen op den steel zichtbaar (zie blz. 63): Cortinárius zie tabel blz. 204. (Plaat 5, fig. 25–30). Zie ook Naucoria No. 275.

Zeer vergankelijk gordijn, ten slotte hoogstens resten aan den hoedrand:

a. H. zijdeachtig, vezelig-schubbig of gespleten: Inócybe. No. 216 en 217.

b. H. glad: Hebelóma. No. 218. (Plaat 4, fig. 20).

Groep III. Plaatzwammen met plaatjes, die op den steel afloopen. (fig. 50).

1. Pl. geelachtig, (later bruin), gemakkelijk zonder beschadiging van het hoedvleesch te verwijderen. H. ingerold (fig. 91). Paxillus No. 136 en 220. (Pl. 4, fig. 23).

Niet zoo: 2

2. P. geheel dooier- of lichtgeel vleezig. Cantharéllus cibárius. No. 206 (Pl. 2, fig. VI en fig 19).

Niet zoo: 3

3. Kleine p. met langen, dunnen steel en komvormige indeuking, pl. uitstaande als de baleinen van een parasol: Omphália fíbula No. 205 (Plaat 3, fig. 8).

Niet zoo: 4

4. Pl. dun, wijd uitéén, h. wit, st. zwart; op plantenafval en takjes: Marásmius rótula No. 212 (fig. 90).

Pl. dik, wijd uitéén: 5

Pl. dun, dicht bijéén: 6

5. Pl. geel, aderig verbonden, h. met holte in ’t midden: Cantharéllus infundíbuliformis No. 208 (fig. 88).

Pl. grof, witachtig, rose of loodgrijs, spoedig zwart, (ook groen) wordend, jonge exemplaren met cortina: Gomphídius No. 244–247.

Pl. zuiver wit, geel of vuurrood; wasachtige, waterige eenigszins doorschijnende soorten: Hygróphorus. Zie tabel blz. 88 (Pl. 3, fig. 10 en fig. 10).

6. Geheele p. oranje, geel, slap: Cantharéllus aurantíacus. No. 207.

Niet zoo: 7

7. Pl. eerst wit, dan vleeschkleurig, vleezig; h. glanzend wit: Clitopílus No. 215 (Pl. 4, fig. 18).

Pl. bruin; p. op plantenafval en takjes: Tubária furfurácea No. 135 (Plaat 4, fig. 24).

Pl. wit, grijs, lichtbruin of ledergeel; p. op den grond groeiend: Clitócybe, zie tabel blz. 184. (Pl. 3, fig. 5).

Groep IV. Plaatzwammen met een taaien, buigzamen steel.

1. St. niet dikker dan pl.m. 3 mM. 2

St. dikker dan pl.m. 3 mM. 13

2. Pl. wit of grijsachtig: 3

Pl. rose, rose-rood of paars: 7

Pl. bruin: 8

Pl. zwart of bijna zwart: 10

3. Pl. afloopend, zie Clitócybe (blz. 184) en Omphália No. 205.

Pl. niet afloopend: 4

4. St. zeer lang in vergelijking tot h. (soms breekbaar)

H. kegel-klokvormig: Mycéna No. 202 en 204. (Plaat 3, fig. 7). Zie ook Bolbítius No. 262.

St. niet zoo lang, h. plat: 5

5. H. met zemelige vlokjes, geel of bruinachtig: Lepióta granulósa. No. 196.

H. kaal: 6

6. Vochtige, rottende soorten, steel bovenaan, dikwijls afgeplat: Collýbia No. 199 en 200. (Plaat 3, fig. 6).

Opdrogende niet rottende soorten: Marásmius No. 209–215, (Pl. 4, fig. 13 en fig. 25).

7. Pl. eerst grijs, dan rose. H. grijs of bruinglanzend: Nolánea páscua No. 260. Zie ook Mycéna. (Plaat 4, fig. 17).

Pl. dadelijk rose, rozerood of bruinrood: Laccária laccáta. No. 197 (fig. 87).

Pl. paars: Laccária laccáta, var. amethysthina No. 198 (fig. 23).

8. Voorjaarsp. H. stroogeel, soms kleverig. St. soms met overblijfsel van ring: Pholióta práécox No. 261.

Niet zoo: 9

9. St. lang, H. droog: Galéra hypnórum. No. 219. (Plaat 4, fig. 21).

St. lang. H. kleverig: Bolbítius vitellínus No. 262. (Pl. 5, fig. 29).

St. niet lang, pl. afloopend. Zie: Tubária furfurácea No. 135.

10. Pl. met witten rand, H. klokvormig: Panáéolus campanulátus. No. 270. (Pl. 5, fig. 35).

Pl. niet met witten rand: 11

11. Teere soorten, pl. niet vervloeiend: Psatyrélla dissemináta. No. 141. (Pl. 5, fig. 36).

Teere soorten, pl. vervloeiend: 12

12. In dichte zoden, pl. zwart: Coprínus micáceus. No. 142.

Eenzaam of in kleine groepjes, pl. violet-zwart: Psathýra corrúgis. No. 224. (Plaat 5, fig. 33).

13. Pl. afloopend, geel, aderig verbonden, H. met trechtervormige holte: Cantharéllus infundíbuliformis. No. 208. (fig. 88).

Pl. afloopend wit of grijsachtig: Clytócybe. Zie tabel blz. 184 (Plaat 3, fig. 5).

Pl. niet afloopend: 14

14. St. bovenaan afgeplat, onderaan meest vlokkig: Collýbia butyrácea. No. 199.

St. bovenaan niet afgeplat: 15

15. H. kegelklokvormig, geel, rood of bontgroen, wasachtige, eenigzins doorschijnende soorten: Hygróphorus. Zie tabel blz. 188.

Niet zoo: 16

16. St. wit, lang, eenigszins gedraaid, pl. eerst wit dan rose: Plúteus cervínus. No. 129. (Pl. 4, fig. 16).

Niet zoo: 17

17. H., st. en pl. éénkleurig, rozerood, roodbruin of paars; pl. wijd uitéén, wit bestoven: Laccária laccáta. No. 197 en 198.

Niet zoo: 18

18. Pl. grijsachtig-violet, dichtbijeen, h. bruin-paars: Tricholóma sórdidum. No. 30.

Pl. kaneelbruin of bloedrood. Cortinárius. Zie tabel blz. 204 (Plaat 5, fig. 27).

Groep V. Plaatzwammen met min of meer vleezigen, breekbaren steel.

1. Pl. bij kneuzing melksap gevend: Lactárius. Zie tabel blz. 191. (Plaat 2, fig. V).

Niet melkgevend: 2

2. St. en pl. zeer bros. Pl. wijd uitéén, zeer regelmatig: Rússula, zie tabel blz. 196, (Plaat 2, fig. IV, plaat 3, fig. 12 en fig. 54).

St. en pl. niet zeer bros: 3

3. H. en st. wit met roode vlekjes: Collýbia maculáta. No. 242.

Niet zoo: 4

4. Pl. bochtig aan den steel gehecht (plaat 3, fig. 4), wit, geel, grijs of paars, doch nooit bruin gekleurd. Tricholóma. Zie tabel blz. 180.

Pl. bruin: 5

5. H. zijde-achtig, vezelig-schubbig of gespleten: Inócybe. No. 216 en 217.

H. kaal: Hebelóma. No. 218.

Groep IV en V der Plaatzwammen nog te bepalen volgens de kleur der sporen en plaatjes.

Pl. blijvend wit, geelachtig of bleekbruin (sporen wit). Afd. 1.

Pl. rose of grijs, rose wordend (sporen rose of wit). Afd. 2.

Pl. heldergeel, oranje, groenachtig, vuurrood of paars (sporen wit of bruin). Afd. 3.

Pl. bruin of bruinwordend (sporen bruin). Afd. 4.

Pl. zwart of violet-zwart, of zoo wordend (sporen zwart). Afd. 5.

Afdeeling 1.

1. Eenigszins teere p. met langgest. kegelv. hoed: Mycéna No. 202–204. (Plaat 3, fig. 7).

Taaie, droge, niet rottende p.: Marásmius No. 209–215 (Plaat 4, fig. 13 en fig. 25).

Taaie, vochtige, rottende p.; st. bovenaan meest afgeplat: Collýbia No. 199 en 200. (Plaat 3, fig. 6).

Vleezige p.: 2

2. Pl. bochtig aan den steel vastgehecht: Tricholóma. Zie tabel blz. 180. (Plaat 3, fig. 4).

Pl. zonder bochtje aan den st. verbonden, bros: Rússula, zie tabel blz. 196. (Plaat 2, fig. IV, Pl. 3, fig. 12 en fig. 54).

Afdeeling 2.

1. Sporen wit: 2

Sporen rose: 3

2. Pl. lichtrose, teere p. met lange st., kegelv. hoed, zie Mycéna.

Pl. helrose, witbestoven h. en st. van dezelfde kleur: Laccária laccáta No. 197.

3. Pl. eerst witachtig dan rose, geheel vrij, st. forsch. gedraaid: Plúteus cervínus No. 129. (Plaat 4, fig. 16).

Pl. eerst grijs dan rose, bijna vrij; h. grijs of bruinglanzend: Nolánea páscua No. 268. (Plaat 4, fig. 17).

Afdeeling 3.

Pl. bloedrood (sporen wit) wijd uitéén: Hygróphorus, zie tabel blz. 188. (Plaat 3, fig. 10).

Pl. bloedrood (sporen bruin) dicht bijéén: Cortinárius cinnabarínus No. 95.

Pl. paars (roodekoolkleurig) wit bestoven, wijd uitéén: Laccária laccáta var. amethýstina. No. 198 (fig. 28).

Pl. paars (violet) dicht bijeen: Tricholóma núdum No. 29.

Pl. groenachtig-geel: Hygróphorus psittacínus No. 55.

Pl. geel, dik, wasachtig of vochtig: Hygróphorus ceráceus No. 54.

Pl. geel, droog, bochtig aangehecht aan den st.: Tricholóma sulfúreus, equéstre en rútilans. Zie tabel blz. 180.

Afdeeling 4.

1. H. kegelvormig: 2

Niet zoo: 4

2. St. pijpachtig dun: 3

St. eenigszins vleezig, h. schubbig of zijdeachtig: Inócybe No. 216 en 217.

3. H. kleverig: Bolbítius vitellínus No. 262. (Plaat 5, fig. 29).

H. droog: Galéra hypnórum No. 219. (Plaat 4, fig. 21).

4. H. ledergeel, voorjaarsp.: Pholióta práécox No. 261.

H. anders van kleur: 5

5. Pl. eenigszins afloopend. H. bruin; op plantenafval en takjes: Tubária furfurácea No. 135. (Plaat 4, fig. 24).

Niet zoo: 6

6. H. glad met omgeslagen witten rand: Hebelóma crustulinifórmis No. 218. (Plaat 4, fig. 20).

H. meest fijn geschubd: Cortinárius, zie tabel blz. 204. (Plaat 5, fig. 27). Zie ook Naucória No. 275.

Afdeeling 5.

1. Pl. spoedig vervloeiend tot een inktachtige vloeistof: 2

Pl. niet vervloeiend, opdrogend: 3

2. Pl. eerst wit, spoedig zwart: Coprínus No. 142 en 266–270. (Pl. 2, fig. VIII en fig. 114).

Pl. eerst grijs, dan violet-zwart: Psathýra corrúgis No. 224. (Plaat 5, fig. 33).

3. Pl. geheel zwart, teere kleine p. in dichte zoden: Psathyrélla dissemináta No. 141. (Plaat 5, fig. 36).

Pl. met lichteren rand, in kleine troepjes: Panáéolus campanulátus No. 270. (Plaat 5, fig. 35).

N.B. Van de volgende geslachten vindt men de tabellen: Amaníta (blz. 175), Tricholóma (blz. 180), Clitócybe (blz. 184), Hygróphorus (blz. 188), Lactárius (blz. 191), Rússula (blz. 196) en Cortinárius (blz. 204).

Voor de andere geslachten, zoeke men, al naar de plaats waar men de paddenstoelen verzameld heeft, onder één van de rubrieken: gemengde bosschen, naaldbosschen, enz.

Tabel tot het bepalen der Amaníta-soorten. (Plaat 2 fig. I.)

1. Steel zonder ring (manchet):

a. steel zonder knol, doch met wijden zak of scheede: h. bruinrood of grijs: Am. vagináta. No. 19.

b. steel met knol zonder zak; hoed geel: Am. junquíllea. No. 20. (fig. 46).

Steel met ring: 2

2. H. rood (licht of vleeschrood) of roodbruin met witte wratjes; het vleesch kleurt bij verwonding rood: Am. rubéscens. No. 21.

Hoed vuurrood of oranjerood, meestal met witte plakjes bedekt. ’t Vleesch kleurt niet rood: Am. muscária No. 22 (fig. 47).

H. anders gekleurd. 3

3. H. chocoladebruin met witte of grijze wratjes: Am. pántherina. No. 23.

H. wit, geel of groen. 4

4. Steel met door een zak omgeven knol, h. groen, meest kaal: Am. phalloídes. No. 24 (fig. 48).

Steel met knol zonder zak; h. lichtgeel of wit met witte of bruine plakjes: Am. citrína var. máppa. No. 25 (fig. 49).

No. 19. Am. vagináta. Slanke Amaniet.

H. klokvormig, later vlak, roodbruin of grijs; 3–10 cM. breed, met gestreepten rand, glanzend, kaal of met enkele witte plakjes bedekt; St. lang, slank, wit; het ondereinde besloten in een scheede, die teer en wit is. Zomer-Najaar in ’t Z. en O. van ons land. a. e.

No. 20. Am. junquíllea. Gele Amaniet (fig. 46).

H. citroengeel, 5–6 cM. breed, met gestreepten rand, glanzend met witte plakjes bedekt. Plaatjes wit. St. 7–9 cM. hoog, wit-vlokkig en bij jonge exemplaren soms met een teeren, vergankelijken ring. Zomer-najaar op diluvialen grond. vr. a.

Fig. 46. Amaníta junqúillea. (Gele amaniet.)
Fig. 46. Amaníta junqúillea. (Gele amaniet.)

Fig. 46. Amaníta junqúillea. (Gele amaniet.)

No. 21. Am. rubéscens. Paarl-Amaniet.

H. vleeschrood of roodbruin met kleine, witte wratjes bezet, 8–15 cM. breed. Steel, ring en plaatjes later roodachtig; de ring gestreept. Knol naar boven in meerdere ringen eindigend. Deze amaniet wordt soms met Am. panth. verward, doch is van deze te onderscheiden, door het rood worden van het vleesch bij ’t doorbreken. Zonder opperhuid is zij eetbaar, doch door haar gelijkenis met Am. panth. niet aan te bevelen. Zomer-winter. a. a.

Fig. 47. Amanita muscaria. (Vliegenzwam).
Fig. 47. Amanita muscaria. (Vliegenzwam).

Fig. 47. Amanita muscaria. (Vliegenzwam).

No. 22. Am. muscária. Vliegenzwam. (fig. 13 en 47).

H. vuur- of oranjerood, glanzend met groote witte of geelachtige plakjes bezet, 10–15 cM. breed, met kortgestreepten rand. St. vol, zuiver wit, 12–18 cM. hoog. Ring wit, vaak crême, breed afhangend. Groote bolronde knol, naar boven in vlokkige, onduidelijke ringen eindigend. Zomer-najaar. a. v.

No. 23. Am. pantherína. Panter-Amaniet.

H. chocoladebruin, glanzend met witte of grijze wratjes bezet, 5–10 cM. breed, met gestreepten rand. Ring klein, teer, gestreept, soms ontbrekend, evenals de st. eenigszins geelachtig. St. 12–18 cM. hoog. De knol eindigt naar boven duidelijk in 2–3 ringen. Zomer-najaar. a. g.

Fig. 48. Amaníta phalloídes (bulbósa). (Groene knolamaniet).
Fig. 48. Amaníta phalloídes (bulbósa). (Groene knolamaniet).

Fig. 48. Amaníta phalloídes (bulbósa). (Groene knolamaniet).

No. 24. Am. phalloídes. (bulbósa). Groene knolamaniet (fig. 48 en 16).

H. bleek, geelgroen of brons, later witachtig, 8–10 cM. breed, glanzend, kaal, zelden met witte of bruine plakjes bezet. Plaatjes wit of groenachtig, st. evenzoo, vlokkig, 8–12 cM. hoog. Ring breed afhangend. Knol naar boven in een zak uitloopend, die den steel als een scheede omvat. Onaangename geur, eenigszins naar rauwe aardappelen. Zomer-najaar. a. d.g.

No. 25. Am. citrína. Gele knolamaniet. (fig. 49 en 16).

H. meest wit, soms geel, als regel met witte of bruine (var. máppa) plakjes bezet, 6–9 cM. breed. St. en ring roomkleurig-wit, knol naar boven meestal in één ring afscheurend. (Gelijkt op Am. phall. is meestal korter van steel, heeft de h. lichter van kleur en met plakjes bezet, en geen zak om de knol). Zomer-winter. a.a. g.

N.b. Zie ook Am. junq. die soms resten van een ring vertoont.

Fig. 49. Amaníta máppa. (Gele knolamaniet).
Fig. 49. Amaníta máppa. (Gele knolamaniet).

Fig. 49. Amaníta máppa. (Gele knolamaniet).

Photo Dr. W. G. N. v. d. Sleen.

Tabel tot het bepalen der Tricholóma-soorten. (Plaat 3, fig. 4).

1. Vroeg in ’t voorjaar verschijnend in weilanden en in bosschen. H. lichtgeel of grijsachtig. St. wit. Vleesch riekend naar versch meel: Tr. gambósum (Tr. Georgii) No. 26.

Niet vroeg in ’t voorjaar, pas in den zomer of in ’t najaar verschijnend: 2

2. H. en st. zuiver wit, glanzend; vaak bij kneuzing rose, geel of groen aanloopend: Tr. columbétta No. 27.

H. muisgrijs met fijne zwarte schubjes. Pl. eerst wit dan grijs, wijd uitéén, voornamelijk in naaldbosschen: Tr. térreum No. 28.

H. paars: 3

H. geel of geelachtig: 4

H. anders gekleurd: 6

3. H. fraai paars, St. krachtig, vleezig. In bosschen vooral eikenbosschen: Tr. núdum No. 29.

H. bruinachtig paars, St. dun, taai, meest in weilanden, wegranden, enz.: Tr. sórdidum No. 30.

4. H. geelachtig, met groen of bruin; vezelig. St. wit, uitsluitend in naaldbosschen: Tr. lúridum No. 31.

H. en St. zuiver geel: 5

5. H. glad, St. lang en dun, pl. wijd uitéén, vleesch dun met sterk onaangenamen reuk: Tr. sulphúreum No. 32.

H. eenigszins schubbig, St. kort en dik, pl. dicht bijéén, vleesch zonder reuk: Tr. equéstre No. 33.

6. St. met duidelijke zwarte schubjes. H. groenachtig bruin, vleesch bij doorsnijden roodachtig, reuk soms naar zeep: Tr. saponáceum No. 34.

St. zonder schubben: 7

7. St. vleezig, krachtig, roomkleurig of geelachtig, H. bij vocht iets kleverig, bij droogte glanzend, bruin, zwartachtig met violette weerschijn, in bosschen: Tr. portentósum No. 35.

St. dun, taai, gestreept, H. grauw, zwartachtig, bij opdroging aschgrauw; op grazige plaatsen: Tr. melaléúcum No. 36. Voor Trich. rútilans zie blz. 223.

No. 26. Tr. gambósum (Geórgii). Voorjaarsridderzwam. H. wit-geelachtig, soms grijsachtig, verschillend in vorm en grootte 5–10 cM. breed, met zachtvlokkigen, gegolfden, later omgerolden rand. Pl. wit, dicht bijéén. St. tot 6 cM. hoog, dik, wit, krachtig, bovenaan vlokkig. Het vleesch riekt naar versch meel. Meestal in heksenkringen groeiend. Voorjaar. vr. a. e.

No. 27. Tr. columbétta. Duifzwam. Geheele p. fraai wit. H. 4–10 cM., vaak wat onregelmatig, met ingerolden rand, eerst glanzend, kaal, later vezelig. St. eenigszins wortelend, glanzend, 3–9 cM. hoog. H. en St. vertoonen dikwijls rose, gele of groene vlekken. Najaar. vr. a. e.

No. 28. Tr. térreum. Grijze ridderzwam. H. tot 10 cM. breed, muiskl. of bruin-zwart-grijs met fijne zwartachtige schubjes bedekt, zeer bros, dunvleezig, eerst klokvormig, dan vlak met bult in ’t midden en gegolfden rand. Pl. eerst wit, dan grijs, breed, wijd uitéén. St. slank, witachtig, glanzend, 3–8 cM. hoog. Zomer-herfst, vooral in naaldbosschen. a.

No. 29. Tr. nùdum (personátum). Paarse ridderzwam.

Geheele p. paars of bruinachtig paars. H. 6–15 cM., breed, kaal, dikwijls vochtig, eerst met ingerolden rand, later gegolfd. Pl. fraai paars, dicht bijéén. St. stevig. 4–9 cM. hoog; onderaan verdikt en viltig. Meest in eikenbosschen, veelal in heksenkringen groeiend. Zomer-herfst. a.e.

No. 30. Tr. sórdidum. Vaal-paarse ridderzwam.

Deze soort gelijkt veel op Tr. núdum, doch heeft een langeren, meer rolronden en dunneren st. dan deze en de h. is meestal kleiner tot 6 cM. breed, minder vleezig en van een bruin- of vuilpaarse kleur. Meest in weilanden langs wegranden, enz. Najaar. vr. a. e.

No. 31. Tr. lúridum. Groenige ridderzwam.

H. geel met groen of bruin, in ’t midden donkerder, glanzend met kleine schubjes, 6–9 cM. breed, vleezig, bolrond met gegolfden rand, gewoonlijk gebarsten. Pl. geel of groenachtig. St. krachtig 4–8 cM. hoog, dun, vlokkig bestoven. Uitsluitend in naaldbosschen. Najaar in het Z. en O. vr. a.

No. 32. Tr. sulphúreum. Narciszwam.

Geheele p. geel. H. 3–6 cM. breed, in ’t midden iets donkerder gekleurd (soms bruinachtig), kaal; pl. zwavelgeel, breed, wijd uitéén; vleesch geel, riekt onaangenaam (volgens sommigen naar narcissen of boerenjasmijn, volgens anderen naar zwavel-dioxyde). St. eenigszins gekromd, licht gestreept 5–9 cM. hoog. Zomer-herfst. vr. a. v.

No. 33. Tr. equéstre. Gele ridderzwam.

Geheele p. geel of bruingeel, gelijkt wat op sulphúreum, mist echter den onaangenamen geur. H. vleeziger en soms met fijne schubjes. Pl. dichter bijéén en talrijker. St. korter en krachtiger, meest in naaldbosschen. Herfst. vr. a. e.

No. 34. Tr. saponáceum. Zeepzwam.

H. zeer verschillend in kleur: lichtgrijs, donkerbruin en groenachtig (vooral aan den rand); eerst bol dan vlak, dikwijls in schubjes gebarsten, 4–10 cM. breed. Pl. wijd uitéén, eerst wit dan groen-geel. St. stevig, wortelend tot 8 cM. hoog, gedeeltelijk met zwartachtige schubjes bedekt. Kenmerkend voor deze soort is behalve de fijngeschubde st., het rood worden van het vleesch (dat bitter smaakt en soms naar zeep riekt) bij ’t doorsnijden, vooral waar te nemen, aan ’t ondereinde van den steel. Najaar in ’t O. en Z. vr. a. v.

No. 35. Tr. portentósum. Glanzende ridderzwam.

H. grijs of donkerbruin, vaak violet getint, bij vochtig weer eenigszins kleverig, bij droogte glanzend gestreept door zwart-bruine vezels, stevig, 8–12 cM. breed, eerst bol, dan uitgespreid, dikwijls gebarsten. Pl. breed, geel groenachtig. St. roomkleurig of geelachtig 6–8 cM. hoog. Het vleesch riekt naar versch meel. Najaar. vr. a. e.

No. 36. Tr. melaleúcum. Zwart-witte ridderzwam.

H. 4–7 cM. breed, asch-grijs of zwartachtig, eerst kegel-klokvormig, later uitgespreid met zwakke bult, dun-vleezig. Pl. wit, dicht bijéén. Steel slank, 6–9 cM. hoog, elastisch, wit, meest fijn grijs-vezelig, van onderen wat verdikt. Bosschen, wegranden, enz. Nazomer-herfst. vr. a.

Tabel tot het bepalen der Clitócybe-soorten. (Plaat 3, fig. 5).

1. Sterken geur naar anijs:

a. H. groot, groen: Clit. ódóra. No. 37.

b. H. klein, beige: Clit. suavéolens. No. 38.

Geen sterken geur naar anijs. 2

2. Plaatjes grijs, bij vochtig weer blauwachtig zwart: Clit. obbáta. No. 39.

Plaatjes wit: 3

3. H. bruin, plaatjes talrijk: Clit. fláccida. No. 40.

H. anders gekleurd: 4

4. H. sierlijk trechtervormig, ledergeel: Clit. infundibulifórmis. No. 41 (fig. 50).

H. niet duidelijk trechtervormig: 5

5. St. opgeblazen, h. grauw, bruingrijs. Clit. clávipes. No. 42.

Niet zoo: 6

6. H. groot tot 12 cM., grijs of aschgrauw, wit bestoven, vleezig, st. zuilvormig: Clit. nebuláris. No. 43. (fig. 27).

H. kleiner, leerachtig, wit of beige: Clit. dealbáta. No. 44. Voor Clit. (Laccária) laccáta zie blz. 266.

No. 37. Clit. odóra. Groene anijszwam.

H. blauw of grijsgroen, kaal, eenigszins vochtig, tot 6 cM. breed, aanv. bol, dan vlak met gewoonlijk onregelmatig gegolfden rand, soms bultig. Hoedvleesch stevig, evenals de plaatjes grijsachtig, deze niet dicht opéén, weinig afloopend. St. tot 5 cM. hoog, lichtgroen, scheef wortelend. Augustus-winter. vr. a. e.

No. 38. Clit. suavéolens. Kleine grijze anijszwam.

H. beige- of witachtig, in ’t midden donkerder, dunvleezig, eerst plat met ingerolden rand dan trechtervormig met ten laatste neergebogen, gestreepten rand, tot 3 cM. breed; plaatjes dicht bijeen, afloopend, witachtig. St. veerkrachtig, tot 4 cM. hoog, onderaan dikker en eenigszins viltig. Juli-winter. vr. a.

No. 39. Clit. obbáta. Kleine grijze trechterzwam.

H. bij vochtig weer bruin-zwartachtig, waterig, dun vleezig, bij droogte sterk verbleekend, 2–3 cM. breed, eerst vlak dan trechtervormig, aan den rand tot bijna in ’t midden gestreept. Plaatjes niet dicht bijeen, afloopend. St. taai, bruinachtig glad of wit gestreept, 5–6 cM. hoog. Alleen of in kleine troepen groeiend. Najaar-winter. vr. a.

No. 40. Clit. fláccida. Rood-bruine trechterzwam.

H. bruin- of rood-bruin, jong vleezig, later slap en verbleekend, 6–12 cM. breed, eerst met ingerolden, later met sterk gegolfden rand; plaatjes wit, later geelachtig, dicht bijeen, sterk afloopend. St. lichtgeel 3–8 cM. hoog, onderaan viltig. Najaar-winter, vr. a. e.

No. 41. Clit. infundibulifórmis. Slanke trechterzwam. (fig. 50).

H. ledergeel of kaneelkleurig, zijdeachtig, slap, 4–6 cM. breed, eerst bol en bultig, dan sierlijk trechtervormig. Plaatjes wit, dicht bijeen, sterk afloopend. St. dezelfde kleur als de hoed of lichter, 5–7 cM. hoog, slank, onderaan met een wit dons op de bladeren wortelend. Eenzaam of in kleine groepjes. Najaar. vr. a. e. (bevat blauwzuur).

Fig. 50. Clitócybe infundibulifórmis. (Slanke trechterzwam).
Fig. 50. Clitócybe infundibulifórmis. (Slanke trechterzwam).

Fig. 50. Clitócybe infundibulifórmis. (Slanke trechterzwam).

No. 42. Clit. clávipes. Knotsvoet-trechterzwam.

H. bruin of grauwbruin, aan den rand vaak wit, sierlijk trechtervormig tot 5 cM. breed. Plaatjes wit, niet dicht bijeen, sterk afloopend. St. opgeblazen met knotsvormigen voet, deze meestal hol, 4–6 cM. hoog, kleur als van den hoed. Eenzaam of in slechts enkele exemplaren bijeengroeiend. Najaar. vr. a.

No. 43. Clit. nebuláris. Nevelzwam. (fig. 27).

H. grijs of aschkleurig, jong meelachtig bestoven dikvleezig, 8–14 cM. breed, eerst bolrond met ingerolden rand, later komvormig rond, dikwijls gegolfd. Plaatjes dicht bijeen, afloopend, eerst wit, later geelachtig. St. wit, grijs gestreept, krachtig, gevuld, tot 8 cM. hoog, onderaan viltig. Sept.-winter. a. e.

No. 44. Clit. dealbáta. Weide-trechterzwam.

Hoed vuilwit, of beige, eenigszins glanzend, dun vleezig, slap, 2–5 cM. breed, trechtervormig met gegolfden rand. Plaatjes dicht bijeen, weinig afloopend, wit. St. taai, tot 4 cM. hoog. Meestal in heksenkringen groeiend. Zomer-najaar. a.

Tabel tot het bepalen der Hygróphorus-soorten. (Plaat 3 fig. 10).

1. H. sneeuwwit of ivoorblank (versche ex.). 2

H. anders, veelal levendig gekleurd: 3

2. H. ivoorkleurig, halfbol tot vlak, 3–8 cM.: H. ebúrneus. No. 45

H. zuiver wit (bij oudere soms wat bruinachtig), meestal kleiner: H. níveus No. 49 (fig. 10) en H. virgíneus No. 48

3. H. levendig rood, of oranje-geel: 4

H. geel (goud- of was-), groen, bruin of violet: 6

4. St. glad, pl. aangegroeid of wat afloopend: H. coccíneus No. 50 en H. miniátus. No. 51

St. vezelig gestreept, pl. bijna vrij: 5

5. St. van onderen, witachtig, H. stomp kegelvormig: H. puníceus. No. 52.

St. van onderen geel- of zwartachtig, H. spits kegelvormig: H. cónicus. No. 53.

6. Plaatjes wit, H. omber-olijfbruin, zeer slijmerig: H. limácinus. No. 46.

Plaatjes geel of groenachtig: 7

7. H. en st. groen, groen-geelachtig of bont: H. psittacínus. No. 55.

H. en st. wasgeel: H. ceráceus. No. 54.

H. bruin, geelbruin of violet, slijmerig; st. geelwit: H. hypothéjus. No. 47.

No. 45. Hygróphorus ebúrneus. Ivoorzwam.

H. 3–8 cM. breed, ivoorwit, halfbol-vlak, slijmerig, droog glanzend; pl. ivoorwit. St. 5–12 cM., wit, slijmerig; van boven droog en ruw door schubjes en puntjes. Nazomer-herfst in ’t O. en Z. vr. a. e.

No. 46. Hygróphorus limácinus. Bruine slijmkop.

H. 3–6 cM., omber-olijfbruin, soms bleeker, vooral de rand, gewelfd, later vlak, zeer slijmerig. Pl. wit, later grauw. St. 5–8 cM. stevig, dik, bleek-olijfkleurig, vezelig gestreept, kleverig, van boven fijn-schubbig. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 47. Hygróphorus hypothéjus Dennenslijmkop.

H. 2–6 cM.; dikslijmerig, kleur verschillend, geel-, bruin- of donkervioletachtig, doch de pl. steeds dooiergeel, evenals de st., die van onderen geel-wit is, glad en slijmerig met zeer vergankelijken ring. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 48. Hygróphorus virgíneus. Leliezwam.

H. 2–6 cM., dunvleezig gewelfd of vlak met bult in ’t midden. De geheele paddenstoel wit, later lichtgeel-bruin. De h. is vochtig-vettig op ’t gevoel, droog vaak vlokkig. St. gevuld. Zomer-herfst. vr.a.

No. 49. Hygróphorus níveus. Sneeuwzwammetje (fig. 10).

Eveneens geheel wit, doch kleiner (2–3 cM.), vochtig, eenigszins doorzichtig en kleverig, met gestreepten rand, steel hol. Herfst. vr. a.

No. 50. Hygróphorus coccíneus. Scharlakenzwammetje.

H. 2–6 cM., kegel-klokvormig, oranje-scharlakenrood, verbleekend, vochtig, kleverig, glad; vaak gespleten. Pl. geelrood, later rood met grauwe snede, aderig verbonden, met een tandje afloopend. St. vrij dik (± 1 cM.) en hol, van boven rood, van onderen geel. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 51. Hygróphorus miniátus. Vuurzwammetje.

Kleiner dan de vorige (h. 1–3 cM.), meer vermiljoenrood, niet kleverig, en vaak fijnschubbig, meer uitgespreid en zelden gespleten, pl. geel of oranjegeel. St. dunner (± ½ cM.). Nazomer-herfst. vr. a.

No. 52. Hygróphorus puníceus. Granaatbloemzwam.

In kleur, vorm en grootte vrijwel gelijk aan H. cónicus, doch er van te onderscheiden, door de gestreepte st., die van onderen wit is, en de pl. die bijna vrij zijn, niet met een tand afloopend. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 53. Hygróphorus cónicus. Gele kegelzwam.

H. 2–4 cM., geel tot oranjerood, spits-kegelvormig; van de voorafgaande vooral te onderscheiden door de bijna geheel vrije (oranje of gele) pl. en de vezelige en gestreepte, vaak gedraaide st. (kleur als h.).

Gewoonlijk wordt deze door ouderdom, vooral ook bij druk of verwonding of zware regens vuil-groenig tot zwart. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 54. Hygróphorus ceráceus. Waszwammetje.

H. 2–4 cM. bijna vliezig, bol-vlak, wasgeel, slechts weinig kleverig, spoedig droog, matglanzend, fijn gestreept. Pl. en st. als h. gekleurd of wat lichter. Pl. breed aangehecht of een weinig afloopend. Herfst. vr. a.

No. 55. Hygróphorus psittacínus. Papegaaizwammetje.

H. 2–3 cM. klokvormig, later meer uitgespreid, fijn gestreept, slijmerig, groen- of geelachtig, vaak bont met rood of rose gekleurd; droog: geel en glanzend. Pl. aangegroeid, geel- of groenachtig. St. hol, gekleurd als h., van boven meest groen. Herfst. vr. a.

Tabel tot het bepalen der Lactárius-soorten. (Plaat 2, fig. 5).

1. Melksap oranje, plaatjes bij kneuzing groen: Lact. deliciósus No. 56.

Melksap eerst wit, spoedig zwavel-geel, scherp: Lact. theiógalus No. 57, (fig. 51).

Melksap eerst wit, bij opdrogen grijs of grijsverkleurend: 2

Melksap blijvend wit: 3

2. Melksap eerst zoet dan scherp, h. loodgrijs tot vleeschkleurig: Lact. iétus No. 58.

Melksap dadelijk zeer scherp, h. grijs of geelgroen, droppelv. gevlekt. Lact. blénnius No. 59.

3. Melksap eerst zoet dan scherp; h. en st. mooi oranje-rood: Lact. aurantíacus No. 60.

Melksap nooit scherp hoogstens iets bitter: 4

Melksap altijd scherp: 5

4. H. grijs of bruinachtig, met rood of violet, geur aangenaam: Lact. glyciósmus No. 61.

H. éénkleurig, roodbruin, geen geur: Lact. subdúlcis No. 62.

5. Hoed kaal:

H. en st. rossig bruin: Lact. rúfus No. 63.

H. zwart-bruin, groot, st. kort: Lact. túrpis No. 64.

H. groot, wit, zie Lact. piperátus. No. 67. (Zie ook Lact. blénnius).

H. viltig: 6

6. H. vleeschrood of witachtig (gelijkt op Lact. deliciósus) met ingerolden, sterk viltigen rand: Lact. torminósus. No. 65, (fig. 52).

H. wit, groot, tot 20 cM., trechtervormig, weinig viltig, st. kort: Lact. velléreus No. 66.

H. kleverig, zie: Lact. blénnius, Lact. aurantíacus.

No. 56. Lact. deliciósus. Oranjegroene melkzwam. (Plaat 2, fig. Vc).

H. oranjeachtig-steenrood, met oranje of groene gordels 4–10 cM. breed. Vleesch en plaatjes rood oranje, geelachtig-groen wordend. St. kleur als h. kort. Zomer-herfst vr. a. e.

No. 57. Lact. theiógalus. Zwavelmelkzwam (fig. 51).

Fig. 51. Lactárius theiógalus (Zwavelmelkzwam).
Fig. 51. Lactárius theiógalus (Zwavelmelkzwam).

Fig. 51. Lactárius theiógalus (Zwavelmelkzwam).

H. meest rose-rood, geelachtig, met gordels, 4–6 cM. breed, iets glanzend; jong bol met ingerolden rand, later ingedrukt. Vleesch op de breuk geel. St. lichter dan h., 2–3 cM. hoog. Zomer-winter. a. v.

No. 58. Lact. viétus. Roodgrijze melkzwam.

H. loodgrijs tot vleeschkleurig, grauw, met gordels of vlekjes, 2–14 cM. breed, eerst bultig, later vlak of trechtervormig. St. kleur als h. 2–10 cM. hoog. Zomer-herfst, in ’t Z. en O. vr. a. v.

No. 59. Lact. blénnius. Grijsgroene melkzwam.

H. grijsgroen met in kringen geplaatste droppelv. vlekken, bij vochtig weer zeer kleverig. Hoedrand jong omgekruld en donsachtig. St. kort 2–3 cM. Vleesch onder de opperhuid bruin of grijs. Zomer-herfst. a. v.

No. 60. Lact. aurantíacus. Oranje melkzwam.

H. en st. fraai eenkleurig oranje-rood. H. vleezig, glad, iets kleverig, 2–5 cM. breed. Pl. talrijk, eerst wit, dan okerkleurig. St. 2–5 cM., gekromd, onderaan dunner. Herfst. vr. a.

No. 61. Lact. glyciósmus. Geurende melkzwam.

H. zeer verschill. in kleur, geelwit, vleeschkleurig, grauw- of lood-grijs met paarse tint (bij ouderdom), soms met gordels; 3–8 cM. breed, droog, dof, fijn-schubbig, dunvleezig. Pl. geelachtig-okerkleurig, soms wat rose. St. 4–8 cM. hoog, dun. Reuk naar bergamotolie. Herfst. vr. a.

No. 62. Lact. subdúlcis. Bitter-zoete melkzwam.

Deze paddenstoel komt voor in verschillende kleuren, meest roodbruin, ook lichter of ros-kaneelkleurig, zonder gordels, 5–7 cM. breed, droog, glad, glimmend. Pl. crême-rosachtig. St. bleeker dan h. eenigszins gekromd 3–4 cM. hoog. Herfst. vr. a.

No. 63. Lact. rúfus. Rossige melkzwam.

H. rossig, rood-bruin, glanzend, zonder gordels, 5–11 cM. breed (meest 4 cM.). Jong bol, iets bultig, rand ingerold, later trechtervormig, pl. oker-bruin, st. kleur als h. 5–8 cM. hoog, aan den voet donzig. Zomer-herfst. a.

No. 64. Lact. túrpis. Zwarte melkzwam.

H. donkerbruin, olijfgroen, zwart gevlekt, zonder gordels, 6–15 cM. breed, eenigszins kleverig, vleezig, St. kl. als h. 3 cM. hoog. Juli–Oct. In ’t Z. en O. van ons land. a. v.

No. 65. Lact. torminósus. Giftige melkzwam. (Plaat 2, fig. Vb en fig. 52).

Fig. 52. Lactárius torminósus. (Giftige melkzwam).
Fig. 52. Lactárius torminósus. (Giftige melkzwam).

Fig. 52. Lactárius torminósus. (Giftige melkzwam).

H. oranjerood of lichter tot bij wit af, 3–10 cM. breed, gelijkende op L. deliciosus doch nooit groen aanloopend, meest met duidelijke gordels. Kenmerkend is de sterk omgekrulde, dik viltige hoedrand. St. kleur als h., 3–6 cM. hoog. Juli-herfst. vr. a. g.

No. 66. Lact. velléreus. ’t Schaapje.

H. wit, later vuil geelachtig-rood, fijn donzig, vleezig, droog, 10–20 cM. breed, eerst bol dan vlak ingedrukt, trechtervormig met ingerolden rand, zonder gordels. Plaatjes wit, wijd uitéén, melksap spaarzaam. St. dik 3–6 cM. hoog, fluweelig wit. Zomer-herfst. vr. a.

No. 67. Lact. piperátus. Gepeperde melkzwam.

Paddenstoel van dezelfde kleur en vorm als vorige, doch kaal niet viltig, plaatjes dicht bijéén, met langeren steel. Smaak van ’t vleesch scherp, minder alg. Zomer-herfst. v.

Tabel tot het bepalen der Russula-soorten. (Plaat 2, fig. IV).

1. Vleesch bij doorbreken eerst rood, dan zwart wordend, plaatjes breed en dik: R. nígricans. No. 68 (fig. 53)

Niet zoo: 2

2. H. wit of witachtig, plaatjes wijd uitéén, afloopend: R. délica. No. 69.

Niet zoo: 3

3. H. geel of bruin: 4

H. anders gekleurd: 8

4. Sterke, onaangename geur. H. rossig geelbruin met knobbelig-gestreepten rand: R. fóétens. No. 70.

Geen onaangename reuk: 5

5. H. heldergeel: 6

H. bruin, omberkleurig, in ’t midden donkerder, hoedrand knobbelig gestreept, dikwijls tot in het centrum toe: R. pectináta. No. 71.

6. Smaak scherp, hoedrand glad, bleeker, steel grijswit; pl. wit, soms geel getint: R. ochroléúca. No. 72.

Smaak zoet, of eerst zoet, daarna iets scherp: 7

7. Pl. geelwordend. St. wit, nasmaak scherp: R. ochrácea. No. 73.

Pl. wit, st. wit, smaak zoet: R. citrína. No. 74.

8. H. groen of groenachtig: 9

H. rood of violet: 11

H. anders gekleurd: 18

9. Smaak scherp, vleesch roodachtig onder de opperhuid, die groen of geelgroen is, met steeds groen als boventoon. St. wit, pl. wit, dikwijls gevorkt (zie fig. 11): R. furcáta. No. 75.

Smaak zoet: 10

10. Kleur eerst bleekgroen, later frisch lichtgroen. H. door barsten in wrattige vakjes verdeeld: R. viréscens. No. 76.

Kleur olijfgroen, meestal met geel, grijs, paars en rood getint. Pl. wit, zeer dicht opeen: R. heterophýlla. No. 77.

11. Smaak niet scherp: 12

Smaak scherp: 15

12. Pl. wit: 13

Pl. geel: 14

13. H. carmijn of rose-rood. Vleesch hard, st. wit, vaak met rose getint. R. lépida. No. 78.

H. roodachtig of bleek purper-violet, bij ouderdom vuil geel wordend. St. grijsachtig: R. depállens. No. 79.

H. blauw- of donker violet-purper, gemengd met rood, bleek-groen en geel, straalsgewijs gestreept. St. wit. Vleesch onder de opperhuid meestal roodachtig: R. cyanoxántha. No. 80.

14. H. kleverig, gestreept, rood- of bruin-rood; bij ouderdom de roode kleur verliezend. St. gestreept, wit: pl. geelachtig. Vroege soort: R. íntegra. No. 81.

H. droog, glad, rood of purperrood met groen gevlekt. St. wit of rood gevlekt, pl. ledergeel. Late soort: R. alutácea. No. 82.

15. H. donker purper of zwart-violet; rand lichter. St. sterk violet of rose-violet gekleurd. Pl. wit (dennenbosschen): R. Quelétii. No. 83.

H. rood, rose of paars. 16

16. Vleesch onder de opperhuid rose: 17

Niet zoo. H. rood, paars, wit met rood of paars gevlekt; soms geheel rose. St. hol, zeer breekbaar: R. frágilis. No. 84.

17. H. éénkleurig, vuurrood, droog, vast. St. meestal wit. Opperhuid moeilijk loslatend: R. rúbra. No. 85 (fig. 54).

H. en st. meestal verschillend getint, bont-rood waterig; opperhuid gemakkelijk loslatend: R. emética. No. 86.

18. De kleur van verschillende der bovenstaande soorten van ’t geslacht Rússula, kan zeer varieeren, o. a. kan R. emética bijna bruin zijn, evenzoo R. integra en R. heterophýlla; R. cyanoxántha soms geheel blauw-violet, vaak met oranje gevlekt; of geheel vuilgeel wordend met paarse vlekken; het is daarom aan te raden steeds zooveel mogelijk exemplaren van verschillenden leeftijd te verzamelen.

No. 68. R. nígricans. Grofplaat-Russula. (fig. 53).

H. wit, grauw, olijfkleurig bruin, ten slotte zwartachtig, 8–14 cM., met omgebogen rand. Vleesch hard en vast, wit, eerst roodachtig, dan zwart verkleurend. Pl. dik en grof, wijd uiteen. St. dik, tot 8 cM. hoog, kleur als h. In bosschen. Zomer-herfst. a.

N.b. Op oude, rottende exemplaren ziet men niet zelden andere kleine, wit of bruin gekleurde paddenstoeltjes (plaatzwammetjes) groeien. Deze behooren ten eerste tot de soort: Nýctalis asteróphora No. 87, het Sterzwammetje, (fig. 52). H. 1–2.5 cM. breed, bolrond, eerst wit, spoedig bruin gekleurd, door een bruine, stuifzwamachtige laag van z.g.n. “chlamydosporen”, die ontstaan zijn uit het hoedje en onder ’t microscoop bezien een stervormige gedaante hebben. Ten tweede, tot de soort: Collýbia tuberósa No. 88. “Knolletjes-collybia”. H. wit, teer, 2–8 mM. breed, meest met langen en dunnen st. en aan den voet daarvan een geel-bruin zaadjesachtig knolletje of sklerotium, waaruit ’t paddenstoeltje gegroeid is. Deze soort groeit meestal in groote groepjes bijeen, op de plaatjes der rottende exemplaren ook van andere Rússula- en van Lactárius-soorten.

Fig. 53. Nýctalis asteróphora (Sterzwammetje) op Rússula nígricans (Grofplaat-Russula).
Fig. 53. Nýctalis asteróphora (Sterzwammetje) op Rússula nígricans (Grofplaat-Russula).

Fig. 53. Nýctalis asteróphora (Sterzwammetje) op Rússula nígricans (Grofplaat-Russula).

Photo B. E. Bouwman.

No. 69. R. délica. Witte Russula.

Geheele paddenstoel wit of geelwit, eenigszins glanzend, vleezig, eerst bol, dan trechtervormig, 8–14 cM. breed. Pl. wijd uiteen, afloopend, bij ouder worden, vooral bij den steel blauwachtig of grijsgroen. St. krachtig, tot 6 cM. hoog.

Deze Russula gelijkt op Lact. velléreus (No. 66). (Soms, doch zelden, groeit uit haar hoed een andere kleine paddenst. Nýctalis parasítica). Najaar. vr. a. e.

No. 70. R. foétens. Stinkende Russula.

H. rossig, geelbruin met gestreepten en knobbeligen rand tot 13 cM. br. eerst bol dan plat. Pl. wit, vleesch met zeer onaangenamen walgelijken geur, smaak scherp. St. wit tot 12 cM. hoog. Zomer-najaar. vr. a. v.

No. 71. R. pectináta. Gestreepte Russula.

H. bruin, omberkleurig, in ’t midden meestal donkerder. Hoedrand dikwijls tot aan het midden toe gestreept of knobbelig gevoord, vl., eerst ineen gedrongen bol, dan vlak, soms iets kleverig, 6–8 cM. breed. Pl. wit; vleesch niet naar blauwzuur doch zeer onaangenaam riekend en bitter smakend. St. wit, gestreept, gezwollen. 2–3 cM. hoog. vr. a. v.

No. 72. R. ochroleúca. Scherp-gele Russula.

H. vuil-geel, naar den rand toe iets bleeker. 5–7 cM. breed. Pl. wit, soms met iets geel, bijna alle even lang, sporen wit. Vleesch zeer scherp. St. grijs wit, tot 8 cM. hoog, netvormig gerimpeld. Zomer-najaar. a.v.

No. 73. R. ochrácea. Gele geel-plaat Russula.

H. geel-bruin, eerst ingerold dan vlak en ingedrukt, vleesch geelachtig, 5–7 cM. breed. Pl. spoedig geel; sporen okergeel, vleesch met scherpen nasmaak. St. wit of bruinachtig tot 6 cM. hoog. Najaar in ’t O. vr. a. v.

No. 74. R. citrína. Zoet-gele Russula.

H. mooi citroengeel, glad, eenigszins glanzend, dadelijk plat, dan ingedrukt met gemakkelijk loslatend huidje, 5–10 cM. breed. Pl. en st. mooi wit, smaak zoet. In ’t O. en Z. vr. a.

No. 75. R. furcáta. Geelgroene Russula.

H. groen of geelgroen, ook groenachtig-bruin, glad, eerst bol dan trechtervormig, 10–15 cM. breed. Vleesch onder de opperhuid roodachtig, smaak scherp. Pl. wit, wijd uiteen, sterk gevorkt. St. wit, dik, onderaan smaller, 3–5 cM. hoog. Najaar. a. v.

No. 76. R. viréscens. Grasgroene Russula.

H. frischgroen, geelgroen verbleekend, eerst half kegelvormig, dan vlak, dikwijls gespleten en de droge opperhuid door barsten en wrattige vakjes verdeeld, 6–12 cM. breed. Pl. en st. fraai wit. St. krachtig, tot 8 cM. hoog. Juni-Sept. in ’t O. en Z. vr.a.e.

No. 77. R. heterophýlla. Olijfgroene Russula.

H. olijfgroen, meestal geel, paars of rood getint, eerst bol dan vlak en komvormig verdiept, 5–12 cM. breed, bij vocht eenigszins kleverig. Pl. zeer dicht bijeen, met kleine en gevorkte er tusschen. St. witachtig, stevig, tot 8 cM. hoog. Zomer-najaar, vooral in ’t O. a. e.

No. 78. R. lépida. Slanke Russula.

H. carmijn, meestal roserood, naar ’t midden verbleekend, vleezig, eenigszins kegelvormig bol, 6–10 cM. breed. Vleesch hard, droog, smaak zoet. Pl. wit, later geelachtig. St. meest slank, gekromd, wit soms rood getint, 6–8 cM. hoog. Zomer-najaar, vooral in ’t O. en Z. vr. a. e.

No. 79. R. depállens. Verbleekende Russula.

H. roodachtig of bleek purperviolet, spoedig vooral in ’t midden wit of vuilgeel wordend, eenigszins kleverig, eerst bol dan vlak en gegolfd, flauw gestreept, tot 8 cM. breed. Vleesch niet scherp. Pl. talrijk, grijsachtig wit. St. grijswit, tot 4 cM. hoog. Najaar. a. e.

No. 80. R. cyanoxántha. Blauw-gele Russula.

H. blauw of donker violetpurper, vermengd met rood, bleekgroen en geel, eerst halfrond of bol, dan vlak, komvormig verdiept of trechtervormig, met straalsgewijs gestreepten rand. Vleesch onder de opperhuid roodachtig, smaak zoet. St. dik, wit, glad, tot 8 cM. hoog. Zomer-najaar, vooral in ’t O. en Z. vr. a. e.

No. 81. R. íntegra. Vroege geel-plaat Russula.

H. rood, bruinrood of bruin, kleverig, eerst bol dan plat en ingedrukt met gestreepten rand, 6–12 cM. breed. Pl. breed, bleek-geel. St. wit, buikig, gestreept, 5–8 cM. hoog. Smaak zoet. Zomer-najaar. a. e.

No. 82. R. alutácea. Roode geel-plaat Russula.

H. zeer verschillend in kleur, meest rood of purperrood met groen gevlekt, verbleekend, droog, glad. eerst bol dan plat met gestreepten rand, 5–15 cM. br. Pl. ledergeel, dik, wijd uiteen. St. gevuld, wit soms met rood, tot 5 cM. hoog. Smaak zoet. Najaar. vr. a.

No. 83. R. Quelétii. Purperroode Russula.

H. donker purper of zwart-violet, rand wat lichter, eerst bol dan vlak, 3–8 cM. breed. Pl. wit, st. sterk violet of rose-violet, tot 5 cM. hoog. Smaak zeer scherp. Najaar in ’t O. vr. a. v.

No. 84. R. frágilis. Broze Russula.

H. licht rose-rood, dikwijls wit of violet verkleurend, dun vleezig, breekbaar, vlak, 3–6 cM. br, met gestreepten rand. Pl. wit, st. wit, hol, zeer breekbaar, 2–5 cM. hoog. Smaak zeer scherp. Zomer-winter. a. a. v.

No. 85. R. rúbra. Vuurroode Russula (fig. 54).

Fig. 54. Rússula rúbra. (Vuurroode Russula.)
Fig. 54. Rússula rúbra. (Vuurroode Russula.)

Fig. 54. Rússula rúbra. (Vuurroode Russula.)

H. jong eenkleurig, vuurrood, droog, vast, met omgerolden rand, later verbleekend, geelachtig of bont, vlak, dikwijls gespleten, 6–8 cM. breed. Opperhuid moeilijk te verwijderen, vleesch daaronder rood; zeer scherp. Pl. wit, st. stevig, wit, onderaan iets roodachtig, 4–6 cM. Zomer-najaar. vr. a. v.

No. 86. R. emética. Braking verwekkende Russula. “Speiteufel”.

H. en st. meest van dezelfde kleur, deze zeer verschillend: roserood, bontrood of bruin, door regen verbleekend, waterig. H. plat met gestreepten rand, soms in ’t midden bultig. Vleesch onder de gemakkelijk afscheidbare opperhuid roodachtig, zeer scherp. Pl. wijd uiteen, breed, gelijk, grijsachtig wit. St. veerkrachtig, 6–8 cM. hoog. (Op sommige menschen moet reeds de geur van dezen paddenstoel braking-verwekkend werken.) Najaar. a. g.

No. 87. Nýctalis asteróphora. Zie blz. 199.

No. 88. Collýbia tuberósa. Zie blz. 199.

Tabel tot het bepalen der meest voorkomende Cortinárius-soorten.

(Plaat 5, fig. 25–29 en fig. 14).

1. H. en st. kleverig: 2

H. en st. niet kleverig: 4

2. St. schubbig, h. geel of roodachtig bruin. Pl. eerst violet dan bruin: C. (Myxácium) collinítus No. 89.

St. niet schubbig: 3

3. St. met paarse band (overblijfsel van cortina). H. bruin-violet, bol-bultig, weinig kleverig. Pl. eerst bleek violet, dan bruin: C. (Myxácium) elátior No. 90.

St. niet met paarse band, wit. H. geel-bruin, vlak, zeer kleverig. Pl. eerst geel- dan rood-bruin: C. (Myxácium) mucósus No. 91.

4. St. van onderen knolvormig, met 2–4 vermiljoenroode concentrische banden. H. rood-bruin: C. (Telamónia) armillátus No. 92.

St. met witten band. H. puntig kegelvormig, bruin met witten rand, dikwijls gebarsten: C. (Telamónia) hinnúleus No. 93.

St. zonder banden: 5

5. St. stevig, min of meer knol- of knotsvormig. H. en st. licht lila, zijdeachtig glanzend: C. (Inolóma) álbo-violáceus No. 94.

St. dun, niet knolvormig: 6

6. Pl. bloedrood: C. (Dermócybe) cinnabarínus No. 95.

Pl. kaneelkleurig: C. (Dermócybe) cinnamómeus No. 96.

No. 89. C. (Myx.) collinítus. Schubsteel-slijmkop.

H. geel- of roodachtigbruin, eerst met een dikke slijmlaag bedekt, later glanzend; eerst bol dan uitgespreid, 5–10 cM. breed. Pl. eerst kleikleurig-violet, dan roestbruin. St. met schubben als kleur van de h., 10–20 cM. hoog. Aug.–Oct. vr. a.

No. 90. C. (Myx.) elátior. Hooge gordijnzwam.

H. verschillend van kleur, meest bruin-violet (soms geheel paars), weinig kleverig, eerst bol dan uitgespreid en bultig, 4–12 cM. breed. Pl. eerst violet, dan bruin. St. naar boven verdund, van onderen spoel- of wortelvormig verlengd. Zijdeachtig, witachtig; vooral jong, bovenaan met duidelijke, paarse concentr. band, 12–15 cM. hoog. Najaar in ’t O. a.

No. 91. C. (Myx.) mucósus. Gele slijmkop (fig. 14).

H. geel-bruin, in ’t midden bruin, zeer slijmerig, eerst bol dan vlak, 6–10 cM. breed. Vleesch bitter smakend. Pl. eerst wit dan roestkleurig. St. wit (soms bovenaan iets paars), rolrond tot 8 cM. hoog. Najaar in ’t Z. en O. vr. a.

No. 92. C. (Telam.) armillátus. Armbandzwam.

H. rood-bruin, eenigszins vezelig of schubbig, dikwijls aderig gerimpeld, klokvormig uitgespreid, 6–15 cM. breed. Pl. eerst bleek- dan kaneel-bruin. St. onderaan knolvormig, rosrood of grijs met 2–4 duidelijke concentr. vermiljoenroode banden, tot 15 cM. hoog. De P. riekt soms naar radijs. Najaar in ’t Z. en O. vr. a.

No. 93. C. (Telam.) hinnúleus. Kegelv. gordijnzwam.

H. kegel-klokvormig, bij vochtig weer kastanje, bij droogte lederbruin, vaak met witten omgebogen rand, dunvleezig, 3–7 cM. breed. Pl. wijd uitéén eerst witachtig dan donkerkaneelkleurig. St. jong met reinwitten ring, later vuilbruin tot 8 cM. hoog. Zomer-herfst. a.

No. 94. C. (Inol.) albo-violáceus. Lila gordijnzwam.

H. en st. licht lila, zijdeachtig glanzend, eerst kegelvormig dan bol bultig, fijn vezelig, 5–10 cM. breed. Pl. eerst aschgrauw-paars, dan bruin. St. onderaan knotsvormig, tot 15 cM. hoog. Meestal meerdere exemplaren bijéén. Zomer-herfst vr. a.

No. 95. C. (Derm.) cinnabarínus. Vermiljoenzwam.

H., st. en pl. vermiljoenrood (de pl. ’t mooiste). H. zijdeachtig of fijn schubbig, eerst klokvormig dan uitgespreid, 4–8 cM. breed. Reuk naar radijs. Najaar in ’t Z. en O. a. verder vr. a.

No. 96. C. (Derm.) cinnamómeus. Kaneelkleurige zwam.

H. kaneelkleurig of roodbruin, zijdeachtig vezelig, bol, bultig, 2–8 cM. breed. Hoedvleesch dun, geel. Pl. eerst geelachtig dan licht kaneelkleurig. St. onderaan, kleur als h., bovenaan met gele cortina, 5–8 cM. hoog. Alleenstaand of in groepjes. Zomer-najaar a.

Bolétus. (Plaat 2, fig. IX).

De Boleten zijn alle vleezige grondpaddenstoelen. Reeds hierdoor onderscheiden zij zich van de echte Polyporeeën; kenmerkend is bovendien, dat men de poriënlaag zonder moeite van het hoedvleesch kan afscheiden. Er zijn een aantal goede eetzwammen onder (zie blz. 97); enkele giftige of verdachte kan men zonder moeite herkennen. Zij komen vrijwel alle op zandgrond voor en verschijnen al in den zomer. De meeste soorten vindt men in of bij de naaldbosschen, waar men ze in nazomer en herfst vaak in ontzaggelijke hoeveelheden kan aantreffen.

Tabel tot het bepalen der Bolétus-soorten.

1. Met een ring (zoek vooral bij jonge exemplaren):

a. H. bruin-bruingeel. Ring later paarsbruin, ten slotte meestal als een donkere band zichtbaar: B. lúteus No. 103 (fig. 26 en 56).

b. H. geel-goudgeel. Ring wit-vuilgeel: B. élegans No. 104 (Plaat 2, fig. IXb).

Zonder ring: 2

2. Het vleesch wordt bij doorbreken snel en duidelijk blauw: 3

—niet of heel weinig blauw: 7

3. De geheele zwam, zoowel steel als hoed, heeft zoowat eenzelfde kleur, bleek, wit-geel of okergeel-bruin: 4

Niet aldus, gedeeltelijk rood: 5

4. De geheele zwam is bleek, witgeel-geelbruin en wordt door druk overal fraai blauw: (indigoboleet) B. cyanéscens No. 105.

Zij is okergeel tot geelbruin en alleen het vleesch kleurt zich bij doorbreken min of meer blauw: Zie B. variegátus, zie ook B. bádius.

5. Poriën bleekgeel tot groenig, door druk blauw: B. cálopus No. 106.

Poriën oranje-rood of rood: 6

6. H. bruin, vleesch geel, snel blauw-groen wordend: B. lúridus No. 107.

H. lichter, vuil grijs-geel tot licht-bruin; vleesch bijna wit, eerst rood- dan blauw wordend: B. Sátanas No. 108 (fig. 58).

7. Poriën oranje-rood of rood: Zie B. Sátanas.

Poriën anders: wit-geel, rose, groenig, bruinachtig. 8

8. Vleesch bitter, poriën witachtig of vuil rose: B. félleus. No. 98.

Niet bitter, poriën anders gekleurd: 9

9. Steel ruw door vezelige schubjes:

a. H. rossig bruin, aan de rand vaak resten van een sluier: B. rúfus No. 110.

b. H. grijs-grauw of grauw-bruin geen resten: B. scáber No. 111 (fig. 57).

Niet aldus: 10

10. Steel dik, meestal buikig (zie Pl. 2 fig. IX) en van boven vaak netvormig geteekend: B. edúlis No. 97 (fig. 21).

Steel niet dik, rolrond, niet buikig en niet netvormig geteekend: 11

11. H. fijn-viltig, steeds droog en zacht: B. subtomentósus (chrysénteron) No. 109.

H. glad en kaal, bij vochtig weer vaak slijmerig: 12

12. H. bruin, ± kastanje, poriën worden bij druk groenig: B. bádius No. 99.

H. meer geel of geel-bruin, poriën niet aldus: 13

13. H. bij vocht zeer slijmerig, aan de poriën meestal kleine melkdruppeltjes, steel citroengeel: B. granulátus No. 102 (fig. 55).

H. niet zeer slijmerig, hoogstens kleverig: 14

14. H. okergeel-geelbruin, met donkere schubjes: B. variegátus No. 100.

H. geelachtig bruin-oranje, zonder schubjes: B. bóvinus No. 101. Voor B. parasíticus, zie blz. 287.

No. 97. Bolétus edúlis. Eekhoorntjesbrood. (Cèpe, Herrenpilz), (fig. 21).

Groote, vleezige boleet, h. 10–25 cM., licht tot donkerbruin, poriën eerst wit, later groen-geelachtig, fijn. St. eerst knolvormig, later buikig; bleek bruinbeige, van boven meestal een fijn witachtig adernet; vleesch wit, onder de opperhuid vaak rose; onveranderlijk. Smaak aangenaam, nootachtig. Zomer en herfst. a. e.

N.B. Niet te verwarren met de bittere boleet (Bolétus félleus).

No. 98. Bolétus félleus. Bittere boleet.

Onderscheidt zich van de vorige: hij is kleiner (5 à 10 cM.); het witte vleesch kleurt zich rose en smaakt bitter; de poriën worden van wit, lichtrose-bruin. De steel is meest wat meer cylindrisch en voorzien van een bruinachtig adernet. Zomer-Herfst. vr. a.

N.B. Een enkele bittere boleet kan een geheel maal van B. edúlis oneetbaar maken. Daarom prente men zich deze verschillen goed in!

No. 99. Bolétus bádius. Kastanje-boleet.

H. 5 à 12 cM. fraai bruin, bij vocht kleverig, droog, glanzend. Poriën bleek-geel tot groenachtig, bij druk blauwgroen wordend. St. rolrond, 1 à 3 cM. dik, 5–9 cM. hoog, vaak gekromd, geel bruin met fijne bruine stipjes. Vleesch wit of zeer licht geel, bij doorbreken lichtblauw. Zomer-herfst. vr. a. e.

No. 100. Bolétus variëgátus. Geschubde boleet.

H. 5 à 12 cM. okergeel tot geelbruin, met kleine donkerder haarschubjes bedekt. (Deze kunnen bij regenweer verdwijnen). Poriën geel-wit tot geel, later weer bruinachtig. Steel zelfde kleur als de hoed, wat lichter, cylindrisch, van onderen meest verdikt. Vleesch licht geel, bij doorbreken wat licht blauw. Zomer-herfst. a.

No. 101. Bolétus bovínus. Koeienboleet.

Fig. 55 Bolétus granulátus melkboleet, door lijster aangepikt.
Fig. 55 Bolétus granulátus melkboleet, door lijster aangepikt.

Fig. 55 Bolétus granulátus melkboleet, door lijster aangepikt.

H. 4 à 8 cM. helder geelachtig-bruin of ietwat oranje-rose, vochtig kleverig; droog glad en glanzend; poriën bij volwassen exempl. groot, hoekig en samengesteld, d.i. door dieper gelegen tusschenwandjes in kleinere verdeeld; bovendien afloopend op den steel. Zij zijn grijs-wit, geelachtig, roestkleurig of groen-bruin. De steel is meestal kort (2 à 6 cM.) en rolrond, kleur als de h. Vleesch blijvend wit. Vaak meerdere exemplaren met de stelen vergroeid. Zomer-herfst. vr. a.

N.B. Niet te verwarren met B. variegátus. Men vindt beide soorten vaak dooreen in naaldbosschen.

No. 102. Bolétus granulátus. Melkboleet (fig. 55).

H. 4 à 8 cM., helder geel tot bruin, vochtig zeer slijmerig; droog glanzend. Poriën aanv. zeer fijn, geel-wit en witte droppeltjes afscheidend; later geel, geelbruin. De steel is kort ± cylindervormig, lichtgeel, bovenaan met korreltjes bezet; deze zijn eerst geel, later bruin tot zwart. Vleesch blijvend lichtgeel. Zomer-herfst. vr. a. e.

No. 103. Bolétus lúteus.

Fig. 56. Bolétus lúteus. (Bruine ringboleet) doorsnede.
Fig. 56. Bolétus lúteus. (Bruine ringboleet) doorsnede.

Fig. 56. Bolétus lúteus. (Bruine ringboleet) doorsnede.

Bruine ringboleet (fig. 56 en 26). H. 6 à 10 cM. bruin tot bruingeel, meest zeer slijmerig, eenigszins kegelvormig of bolrond. Poriën fijn, licht-geel. Ring aanv. wit geelachtig, later paars-bruin, ten slotte als een donkere band zichtbaar. Vleesch wit tot geelwit. Nazomer-herfst. In of bij naaldbosschen. vr. a. e.

No. 104. Bolétus élegans.

Gele ringboleet. (Plaat 2, fig. IXb).

Onderscheidt zich van de vorige door lichter, geler kleur. Zij is ook minder forsch (5 à 8 cM.), de ring wordt niet paars-bruin en is vergankelijk en ten slotte vaak alleen als eene aanzwelling aan den steel zichtbaar. Nazomer-herfst. vr. a. e.

No. 105. Bolétus cyanéscens. Indigo-boleet.

De geheele P. (h. st. en pl.) is bleek, witgeel-geelbruin en wordt door druk overal fraai blauw. H. bol of bolvlak, een weinig viltig of schubbig, 5–12 cM. breed. St. 5–7 cM. lang. Zomer-herfst. vr. a. v.

No. 106. Bolétus cálopus. Pronksteel-boleet.

H. tot 15 cM., bruin-olijfkleurig dof, fijn viltig. Poriën bleek-geel, door druk blauw. St. dik, aanv. buikig, dan rolrond, geheel, of alleen bovenaan, fraai rood en netvormig geaderd. Vleesch wit, lichtgeel, blauw wordend. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 107. Bolétus lúridus. Heksenboleet.

H. tot 18 cM., mooi omberbruin of bruin-olijfkleurig. Poriën oranje-rood, rood, bij druk blauw. Kenmerkend is vooral de buikige steel, die geel tot oranje-rood is en er fijn fluweelig uitziet door roode schubvlekjes, soms netvormig gerangschikt. Het gele vleesch kleurt zich zeer snel blauwgroen. Waarschijnlijk niet giftig. Nazomer-herfst. vr. a. v.

N.B. Deze zwam wordt vaak verward met de volgende, de zeer giftige Satanszwam, die veel zeldzamer is.

No. 108. Bolétus Sátanas. Satansboleet (fig. 58).

In vorm en grootte ongeveer als de vorige; onderscheidt zich vooral doordat het witachtige vleesch zich eerst rood, dan blauwachtig kleurt. Ook heeft hij nooit het fraaie omberbruin van B. luridus, doch is bleeker, meer vaal oker- of ledergeel. Juli-Sept. vr. z.

N.B. Men hoede zich voor deze zwam, die een aangename geur en smaak heeft en zich slechts weinig blauw kleurt, doch in de hoogste mate giftig is.

No. 109. Bolétus subtomentósus. Fluweelboleet.

Zeer veranderlijk van vorm en grootte; het best te herkennen aan den steel, die geel is met rood- of bruinachtige strepen of ribben, soms bijna geheel rood, vaak krom en verbogen; aan de groote hoekige poriën, die aanv. fraai goudgeel, later groenachtig zijn. H. fijn viltig, bruin-olijfkleurig, vaak met geelachtige of roode (B. chrysenteron) barsten. Zomer-herfst. a.

No. 110 en 111. Bolétus scáber, berkenboleet (fig. 57) en Bolétus rúfus, rosse boleet, beide met een ruwen fijn-schubbigen steel, gelijken veel op elkaar en komen ook veel door elkaar voor, bij voorkeur in of bij berkenboschjes, te midden van naaldbosschen. Ze onderscheiden zich van elkaar, doordat bij B. rufus de steel dikker en de hoed steeds fraai rossig is, met aan den rand vaak de overblijfselen van een vliezigen sluier, terwijl B. scaber meer grauwbruin of grijs-olijfkleurig is, zonder die overblijfselen. Zomer-herfst. vr. a. e. (vooral B. rufus).

Fig. 57. Bolétus scáber (Berkenboleet).
Fig. 57. Bolétus scáber (Berkenboleet).

Fig. 57. Bolétus scáber (Berkenboleet).

Fig. 58. Bolétus Sátanas (Saransboleet).
Fig. 58. Bolétus Sátanas (Saransboleet).

Fig. 58. Bolétus Sátanas (Saransboleet).

Tabel voor de Aardzwammen=geslachten der overige families.

(Voor de houtzwammen zie blz. 257).

A. Polyporeën of Buisjeszwammen (Plaat 2 fig. IX).

1. Dikvleezige, gesteelde buisjeszwammen: Bolétus (Plaat 2 fig. IX). Zie blz. 207.

2. Leerachtige, tolvormige buisjeszwammen: Zie Polýporus perénnis. No. 145.

B. Hydnaceën of Stekelzwammen. (Plaat 2 fig. XI). Zie No. 247–254.

C. Telephoraceën of Korstzwammen:

1. Trechter- of trompetvormige, vliezig-vleezige zwammen: Crateréllus cornucopioídes. (Plaat 2 fig. XIII b). Zie No. 258.

2. Korstvormige, zachtvliezige, gefranjede zwammen: Teléphora terréstris (Plaat 2 fig. XIII a). Zie No. 225.

D. Clavariaceën of Koraalzwammen:

1. P. op een spons gelijkend, vleezig: Sparássis críspa (fig. 106). Zie No. 254.

2. P. koraalachtig vertakt, wasachtig: Clavária (Plaat 2 fig. XII a). Zie No. 226–231.

E. Phallaceën of Stinkzwammen: (Plaat 2 fig. XIV). Zie No. 231 en 232.

F. Nidulariaceën of Nestzwammen:

Leerachtige op bekertjes of vogelnestjes gelijkende zwammen: Cýathus (Plaat 2 fig. XV b). Zie No. 233 en 234.

G. Lycoperdaceën of Stuifzwammen: (Plaat 2 fig. XVI):

1. Er is een duidelijke afscheiding tusschen h. en st.: Tulóstoma mammósum (fig. 117). Zie No. 278.

Er is geen duidelijk onderscheid tusschen h. en st. 2

2. Er zijn 2 duidelijk afzonderlijke omhulsels, waarvan de buitenste in stervormige slippen openscheurt: Geáster (Plaat 2 fig. XV a). Zie No. 255–258 en 277.

Er zijn geen 2 duidelijk afzonderlijke omhulsels 3

3. Het omhulsel is dik, leer- of kurkachtig, dicht met wratten bezet. P. binnenin zwart: Sclerodérma vulgáre. (Plaat 2 fig. XVI f.) Zie No. 240.

Omhulsel papierachtig 4

4. P. zelden kogelvormig, zittend, meestal kort- of langgesteeld peervormig en met wratten of stekels bezet: Lycopérdon (Plaat 2 fig. XVI a, b en fig. 99). Zie No. 235–240 en 271 en 272.

P. altijd zittend, min of meer kogelrond, glad: Bovista (Plaat 2 fig. XVI c). Zie No. 273 en 274.

H. Hymenogastreën of Schijntruffels:

Op aardappeltjes gelijkende zwammen: Rhizopógon lutéolus (fig. 103). Zie No. 241.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings