← Table of contents
Het paard

Het Paard.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

In het merkwaardige Faustgedicht, dat als „Het Boek Job” in het Oude Testament is gekomen, wordt een natuurbeschrijving gevonden met zulke geweldige beelden en zóó krachtige woorden, dat geloovigen zoowel als kinderen der wereld zich daaraan van oudsher hebben te goed gedaan en daarin stichting hebben gevonden. De groote vraag van het noodlot des menschen is opgeworpen: hoe het in het wereldsche beloop moet worden verklaard, dat ook de rechtvaardige smart moet ondervinden en de zondaar kan juichen? In het debat tusschen de menschenkinderen, die twijfelen en met elkander twisten, grijpt ten slotte de Wereldgeest in eigen persoon in. En om de onbeduidendheid en de armoede van alle menschelijke oplossingen, die alleen berusten op indrukken van het oogenblik, tegenover een dergelijk ontzaglijk wereldprobleem te geeselen en neer te slaan, legt de groote dichter (wiens naam ons niet is overgeleverd) dien Wereldgeest een hymne in den mond op de onnavorschbare en ontzaglijke verschijnselen der werkende natuur, waarin alle verschrikkingen van den kosmos ons gemoed in beroering brengen.

Van de wilde geiten van het gebergte (of, zooals in de vertaling staat, de gemzen) strekt zich de blik uit tot de eenhoevige dieren der steppen, de wilde ezels of wilde paarden. De woestijn is hun tot woning aangewezen en de steppe tot verblijfplaats, die zij snel, van alle banden bevrijd, doorvliegen. De woudezel lacht om het stadsgewoel, luistert niet naar het geroep van den drijver. Hij doorsnuffelt de bergen als zijn weide, en zoekt er allerlei groen kruid op. En naast dit type van wilde dieren wordt daar gesproken van het dier, dat door Luther als de éénhoorn wordt voorgesteld, terwijl inderdaad daarmede de geweldige woudos is geschetst, die toen eveneens nog het bergachtige noorden van het Babylonische stroomland en den Libanon heeft bewoond. Op hem is volkomen toepasselijk het woord, dat hij u niet kan dienen en overnachten aan de kribbe (zooals het tamme rund), dat hij niet achter u loopend den dalgrond kan eggen en uw zaad kan inbrengen en op uw dorschvloer zal inzamelen. De struisvogel eindelijk voert u geheel naar de woestijn, die door de zon doorgloeid is, waar zij haar eieren op den grond laat liggen en ze in het zand verwarmt, zoodat zij worden uitgebroed. „God heeft haar het verstand ontzegd, anders zou zij zich wel in de hoogte verheffen en spotten met het paard en zijn ruiter.” Daarmede is dan weer een nieuw, wonderschoon beeld gegeven.

Paard en ruiter! Het getemde paard in de hand van den mensch!

Het dient den mensch en toch heeft de mensch het niet geschapen. De natuur heeft reeds het paard zijn eigenaardigheid, zijn individualiteit medegegeven, zijn manen, zijn gang, die het doet huppelen als een sprinkhaan. En dan vervolgt de Wereldgeest met de onvergetelijke woorden: „Hoe ontzagwekkend is zijn fier gesnuif! Het krabt in het dal, zich in zijn kracht verheugend, en trekt uit, der wapenrusting te gemoet. Spot met de vrees en wordt niet vervaard, deinst voor het zwaard niet terug. Boven hem rinkelt de pijlkoker, het lemmet der lans en de strijdknots. Ontstuimig en wild verslindt het den bodem, en staat niet stil als de bazuin klinkt; het hinnikt zoo vaak de bazuin wordt gestoken, reeds van verre ruikt het den strijd, de donderende stem der aanvoerders en het krijgsgeschreeuw.”

Als het paard van de aarde verdwenen was zooals de oeros, en wij van dat dier geen ander waarheidsgetrouw bericht bezaten dan het bovenstaande, dan zouden wij toch reeds vermoeden, dat wij te doen hadden met één der edelste en meest interessante dieren, die onze planeet ooit heeft voortgebracht.

Met een dier, dat uit tweeërlei oogpunt merkwaardig is. In zijn wezen als dier onder de overige dieren. En in zijn betrekking tot den mensch.

Onze beschouwingen hebben ons vroeger wel gevoerd langs een bonte rij van zoogdiervormen van de meest merkwaardige soort. Van de rij af hebben wij in haar karakteristieke omtrekken trachten te schetsen: het vogelbekdier, het buideldier, het schubdier, den insecteneter, (egel en verwanten), den huidvlieger, de vleermuis, de Amerikaansche tandeloozen (luiaard, gordeldier) en den klipdas. Onder al die merkwaardige klanten was er echter zonder eenigen twijfel geen enkel huisdier. Van uitgestorven Amerikaansche aardluiaards is vroeger wel eens beweerd, dat zij door de Indianen evenals het vee binnen een omheining gehouden waren, dit is echter een zeer losse hypothese. Van een aantal kan men reeds uit hun geïsoleerd en verborgen leven afleiden, dat het geen huisdieren kunnen zijn zooals de vogelbekdieren, schubdieren en klipdassen. Van het nut van onzen egel wist men vroeger niets af. Bij de groote en zoo vormenrijke groep der buideldieren is het echter zeer in het oog vallend, dat er geen huisdieren onder gevonden worden. Het Australisch-Polynesische gebied, waartoe uitsluitend reeds in den praehistorischen menschentijd de buideldieren voor een groot deel en in hun krachtigste vormen behoorden, is volstrekt niet vrij van huisdieren. Het zwijn, het hoen, en in de eerste plaats de hond, waren ook daar in dienst van den mensch. Geen enkel buideldier daarentegen moet geschikt geweest zijn, huisdier te worden. Men zal toch wel moeten aannemen, dat bij die oudste en laagste orden der zoogdieren niet alleen het bloote toeval een grendel heeft voorgeschoven, maar dat het beletsel ook lag in hun geringere intelligentie, in den grooteren afstand, waarop zij van den mensch verwijderd waren. Hij die buideldieren in gevangen toestand in onze zoölogische tuinen verzorgd heeft, heeft steeds den indruk gekregen, dat een inwendige hinderpaal, die ongetwijfeld in de hersenen gelegen is, zich tegen het temmen verzet. Slechts in drie groepen van zoogdieren heeft de mensch huisdieren weten te verkrijgen: de hoefdieren, de roofdieren en de knaagdieren. Alle drie groepen zullen wij misschien later nog bespreken. Het paard is echter, zooals een kind wel weet, het meest duidelijke voorbeeld van een huisdier. Daarmede is voorloopig de engere richting bij dat dier voor ons bepaald.

Laat ons eerst nog een oogenblik vertoeven bij de vraag, wat een huisdier is. Dat begrip staat ons zóó helder voor oogen, dat het geen nadere verklaring schijnt te vereischen. Maar het begrip „mensch” staat ons nog helderder voor oogen, en toch is het voor ons een ontzettend werk geweest, den mensch zóó te teekenen binnen de overige natuur, dat men hem zag als een werkelijk onderdeel in de huishouding der natuur. Als een dergelijke verschijning in het drijven van de huishouding der natuur op aarde zou men ook het huisdier van den mensch moeten opvatten.

Daar komt ons het woord „gevangenschap” in de gedachte. Gevangen dieren. De geheele dierentuin is een duidelijke illustratie van dat woord. Sommige geleerden, die het begrip huisdier wilden verklaren, hebben gemeend, daaraan reeds voldoende te hebben. Voor Cuvier was het wezen en het grondbegrip van het huisdier „slavernij”. Als een ruwe huurkoetsier zijn armen knol afranselt, heeft het er werkelijk veel van. Maar de verstandige en ontwikkelde dierenfokker zal dit zeker ontkennen. Latere onderzoekers vatten volkomen terecht de juiste verhouding op als een „symbiose”. Wij hebben dat woord reeds vroeger genoemd, toen wij van de groene mieren in den pels der luiaards spraken. In den meest uitgebreiden zin beteekent het een samenleven van twee verschillende soorten van levende wezens tot wederzijdsch nut. In den meer beperkten zin bedoelt men er mede, dat de deelgenooten niet alleen als twee individuen van tijd tot tijd samenkomen, maar dat gedurende een aantal generaties het samenleven een vast gebruik blijft, zonder hetwelk men zich ten slotte die soorten in het geheel niet meer kan denken. Dergelijke gevallen komen zeer veelvuldig voor tusschen plant en plant, plant en dier, en ten slotte tusschen dier en dier.

Bij de planten zijn het beroemdste voorbeeld de zoogenaamde korstmossen, die men langen tijd voor een afzonderlijke plantensoort hield, totdat men op zekeren dag ontdekte, dat hier een wier en een paddenstoel vast aan elkander gehecht in de meest trouwe symbiose leven, waarvan ieder den anderen bepaalde voordeelen oplevert. Dat die compagnieschap niet uit elkander gaat, daarvoor wordt gezorgd, doordat bij de voortplanting iedere jonge paddenstoel reeds een jonge wierencel en iedere jeugdige wier een jeugdigen paddenstoel medeneemt. Het mooiste geval van symbiose tusschen dier en plant levert wel de paddenstoel kweekende mier van Zuid-Amerika. Zij bereidt aan een champignon, die haar in op koolrapen gelijkende knolletjes een bijzondere voedingsstof biedt tot ruimen oogst, bijzonder gemeste akkers in den vorm van kunstmatige mesthoopen, en ook hier draagt iedere jonge mierenkoningin, die naar het gebruik van dat merkwaardige volkje uittrekt, om een nieuwen staat met nieuw broedsel te grondvesten, als een waren talisman der natie, in haar mondholte (zoo te zeggen in een wangzak) een stukje ontwikkelingsvatbaren paddenstoel mede, opdat ook de symbiose zich in iedere nieuwe generatie zeker kan voortplanten. Eindelijk tusschen dier en dier zijn het meest leerzaam die andere mieren, die de suikerzoete pis van bladluizen met gretigheid opslorpen en die bladluizen als de voortbrengsters van zulke „lekkernijen” verdedigen als een herder zijn schapen verdedigt tegen den wolf; uit kleine kruimeltjes aarde bouwen zij voor hen echte schuthokken, en in het ingewikkeldste geval hebben ook zij de geheele gecompliceerde oppassing en verzorging van de eieren hunner melkdieren op zich genomen, dus ook het voortduren der symbiose gewaarborgd.

Volkomen duidelijk kan men opmerken, dat in dit laatste geval ten gunste van het van beide kanten zoo goed gelukte samenwerken bepaalde instincten bij beide partijen zijn ontwikkeld, die anders tusschen die vreemde diersoorten niet zouden bestaan. De bladluis vlucht niet voor de anders zoozeer gevreesde mier. Vrijwillig staat zij de tastende mier haar sap af, terwijl zij het aan andere dieren, die bij haar aankloppen, weigert. Omgekeerd zal de mier zich zelfs in den wintertijd, als zij het meest behoefte aan voedsel heeft, nooit vergrijpen aan het ei der bladluis, dat haar is toevertrouwd.

Een ieder ziet, dat wij juist met dit voorbeeld van de mieren onmiddellijk ook tot het vraagstuk der menschelijke symbiose bij onze huisdieren zijn gekomen. De cultuurmensch staat trouwens tegenwoordig zóó hoog boven ieder dier, wat betreft zijn intelligentie, die zulk een wijd veld kan overzien, dat de verhouding iets verschoven lijkt in de richting der eenzijdige opperheerschappij van den mensch. Maar wij mogen niet vergeten, dat die cultuurmensch niet zou kunnen bestaan zonder veeteelt en (voor de plant geldt ditzelfde) zonder koren en de overige gekweekte gewassen. Van den kant van het dier zelf is echter dezelfde „aanpassing” aan die blijvende symbiose met den mensch gevolgd als bij de mier. Voor het echte huisdier is zijn voedsel bereid door den mensch, en zoo ook zijn woning, zijn bescherming. De hoogste intelligentie van den mensch staat in zekeren zin in ieder opzicht ook in zijn dienst. Op de meest verfijnde wijze houdt de mensch toezicht op zijn voortplanting, regelt hij die en werkt hij die in de hand. Juist omdat ook hier de symbiose over ontelbare rijen van geslachten zonder eenige onderbreking voortgaat, hebben zich zijn lichaamsvormen in de meer speciale behoeften van die symbiose langzamerhand ingevoegd en zich daaraan ook aangepast. Zijn instincten zijn anders geworden: het jong van het reeds gedurende duizenden jaren verzorgde konijn, om slechts een enkel voorbeeld te noemen, is van den eersten dag af tegenover den mensch „tam”. En ook daar waar de mensch voor zijn eigen levensbehoeften somtijds de individuen decimeert en het rund slacht, behoudt toch de soort het geheele voordeel der symbiose, omdat ook haar voortduren bij dat slachten juist wordt gewaarborgd. Men moet bedenken, wat voor een absoluut verwoestende macht de mensch tegenwoordig is voor alle dieren, die hij niet opzettelijk verzorgt en kweekt. Maar hem, die gekomen is binnen het gebied dier verzorging en kweeking, valt omgekeerd daardoor een zóó groote zegen ten deel, dat het geringe en stelselmatige decimeeren door het slachten daarbij niet in aanmerking komt, nog afgezien hiervan, dat niet alle huisdieren geslacht worden en juist die, welke het edelst en het meest met ons verbonden zijn, het minst. Bij den hond en het paard heeft de symbiose in enkele gevallen een zóódanige hoogte bereikt, dat ook het individu hier in den waren zin van het woord wordt gewaardeerd. Geen bezitter van een paard of een hond met groote individueele gaven en bruikbare eigenschappen zal hun dood wenschen. Heeft de symbiose hier bij het dier geleid tot de meest volkomen aansluiting der fijnste individueele begaafdheden aan de wenschen van den mensch—tot zelfs in die mate, dat het dier geworden is tot een levend werktuig van den mensch—, zoo is omgekeerd in het schoonste bloeitijdperk der cultuur dit dier als individu bij den mensch binnengedrongen tot in het ideale beschermende veld zijner ethiek. Medelijden met het dier, verzet tegen dierenmishandeling, het denkbeeld ook van een bescherming van het dier, als het oud en afgeleefd is, en dus niet meer van onmiddellijk nut is, kortom al datgene, wat er van ethische beteekenis is in ons begrip van „dierenbescherming” toegepast op getemde dieren, welk begrip te midden der groote ruwheid, die nog steeds in den mensch gevonden wordt, toch merkbaar meer en meer doordringt—in die woorden openbaart zich de hoogste triomf van die symbiose in steeds toenemende mate ook in de hoogst verheven, edelste menschelijke eigenschappen.

Binnen de wereld der zoogdieren, waartoe wij menschen nu eenmaal—daaromtrent bestaat tegenwoordig geen twijfel—in het groote veld der natuur het nauwste behooren, is deze intensieve symbiose van den mensch eigenlijk een zeer eigenaardig verschijnsel. Wel vindt men enkele aansluitingen, men zou kunnen zeggen vriendschappen tusschen verschillende soorten, bij vele gezellig levende zoogdieren. Schillings heeft een aantal merkwaardige voorbeelden gegeven van de aansluiting van gnoe-antilopen en zebra’s, en van oude olifanten en giraffen op den Kilimandsjaro, en dit door passende photografische opnamen gefixeerd. Maar een geval, dat zelfs maar in de verte aan de mieren en bladluizen herinnert, is anders bij de zoogdieren niet bekend. De mensch heeft zich ook in dit opzicht gehandhaafd als het universeele wezen, dat van een bepaald punt af alle denkbare mogelijkheden van het organische leven begon uit te spelen. Dat punt lag echter eerst op een bepaalde hoogte van zijn beschaving. Eerst daar hebben zich voor het eerst zijn groote symbiosen geopenbaard.

Het schijnt, dat wij het beslissende keerpunt nog ongeveer kunnen bepalen. De praehistorische jagerstammen van Europa, die ons de bekende karakteristieke holencultuur der zoogenaamde oudere steenperiode hebben nagelaten, die in Midden-Europa nog jacht maakten op de diluviale olifanten en neushoorns en de omtrekken dier jachtdieren reeds zoo mooi op de wanden van hun holen wisten te schilderen, zoodat wij zeer nauwkeurig kunnen nagaan, met wat voor vreemdsoortige en merkwaardige klanten zij nog hebben samengehuisd—die stammen hadden, zooals alle vondsten ons leeren, nog geen huisdier. Eerst in de periode der paalwoningen komen onweerlegbare getuigenissen van dergelijke reeds gevorderde symbiosen voor. Al verplaatst men die mammouthperiode al met een paar flinke nullen achter het cijfer één naar achteren terug—in verhouding tot het bestaan van den mensch zelf op aarde is dat toch nog een klein en nog volstrekt niet oud getal. Al is er ook sedert dien tijd menige gaping gekomen in de zoogdieren, die op onze planeet aanwezig zijn—ik behoef slechts te herinneren aan den mammouth zelf—toch was het hoofdbeeld onzer wereld van wilde zoogdieren reeds in die dagen voltooid. Hond en rund, zwijn en schaap zijn door den mensch eerst tot symbiose opgeleid, nadat deze evenals de mensch zelf reeds lang op dezelfde planeet met hem samen hadden geleefd,—en wel in wilden toestand, zooals hij zelf ook in de beteekenis der cultuur zoo lang „wild” was geweest. En zoo was het ook met het paard. De lichaamsbouw van het paard heeft ons eerst een stuk wereldgeschiedenis te vertellen, dat nog volstrekt niets te maken heeft met de symbiose.

[

Inhoud

]

Als wij van dien tijd der oudste holenbeschaving nog een eind verder teruggaan, dan hebben wij, zooals wij reeds meermalen hebben opgemerkt, van de zoogdieren van den toen beginnenden voortijd meest alleen beenderen en skeletten over. Er is nu niet gemakkelijk een betere weg te vinden, om ons te brengen tot de oorspronkelijke natuurlijke eigenaardigheid van het paard in het algemeene beeld van het zoogdier, dan de vergelijking van het skelet van een paard met dat van een mensch. Skeletten maken op den leek een weerzinwekkenden indruk, door het ongelukkige denkbeeld den dood als geraamte voor te stellen. Goethe, die alle grove en ruwe vermaningen aan den dood gaarne uit den weg ging, heeft onophoudelijk het skelet geprezen als een ware openbaring, als één der schoonste werken der natuur, zooals deze de geestelijke eigenschappen vast in zich bewaart. Inderdaad is er nauwelijks een tweede plaats op aarde, waar de zuiver wiskundige logica der ontwikkeling zóó wonderduidelijk en prachtig helder voor oogen treedt als bij een skelet. Het moest de taak zijn bij het onderwijs in de natuurlijke historie, de kinderen reeds in de allereerste jeugd zóó op te voeden, dat zij evenzeer den onwaardigen angst voor een geraamte verliezen als de dwaze vrees voor spinnen en padden.

Als men een leek zet voor een skelet van een mensch of een paard, dan kan men hem dadelijk met een grappige vraag overbluffen. Gij hebt allen wel gehoord van den duivel in het volkssprookje: aan zijn menschelijk lichaam draagt hij een paardevoet. Teeken nu eens een dergelijk mensch met een paardevoet. Gij teekent hem netjes zooals ook alle groote schilders vóór u hebben gedaan: aan de menschelijke knie hecht gij namelijk eenvoudig een onderbeen van een paard vast met den hoef als voet. Kom nu voor het skelet en wijs mij bij mensch en paard de beenderen, die daarin zouden moeten steken.

Hier hebt gij bij het geraamte van den mensch het bovenbeen, het eenvoudige, lange dijbeen, dat van het bekken afdaalt. Daaraan sluit zich het benedenbeen aan, dat eigenlijk bestaat uit twee beweeglijke beenderen, het scheenbeen en het kuitbeen, maar dat in beginsel toch overeenkomt met één enkel hoofdbeen, dat van de knie naar den voet loopt. En hier eindelijk is de voet zelf. Dus drie hoofdgedeelten met twee buigplaatsen, twee gewrichtsplaatsen. Haak nu het skelet van den voet en dat van het onderbeen los, en hang daarvoor in de plaats het stuk onderbeen van het paardenskelet met het skelet van den hoef,—dan hebt gij het skelet van uw Mephistobeen. Haak echter die stukken weer aan het paard vast, en tel na, van onderen naar boven. Daar hebt gij den hoefvoet, het zooeven gebruikte onderbeen, daarboven het bovenbeen en dan—zou het bekken moeten komen. In plaats daarvan hebt gij nog één been te veel. Een boven-bovenbeen. Het paard heeft, naar het schijnt, een heel been meer in de reeks dan de mensch! De grap kan echter zeer wel verklaard worden. Feitelijk heeft ook het paard slechts drie groote beenderstukken in zijn been. Het zoogenaamde boven-bovenbeen komt overeen met het werkelijke menschelijke bovenbeen. Het zoogenaamde bovenbeen is in werkelijkheid reeds het onderbeen. Het stuk echter, dat nu volgt, en dat wij beschouwden als het onderbeen van Mephisto, is reeds „paardevoet”, dat wil zeggen: het is reeds een echte voet, en komt overeen met onzen voet van den enkel tot aan het begin der teenen. Het eenige verschil is, dat het zoo reusachtig lang is uitgerekt, en ons zoo als één geheel tegemoet komt, waardoor het dwaalbegrip zou kunnen ontstaan, dat het nog in het geheel niet een voet, maar een onderbeen is. En die vergissing was nog des te gemakkelijker te verklaren, daar er bij het paard, dat nog met zijn vleesch bedekt is, voor het uiterlijk nog een zeer merkwaardig verstoppertjesspel bijkomt. Het ware bovenbeen van het paard stak zoo te zeggen in den romp. Waar van buiten het been eerst begint, daar loopt het al over het kniegewricht heen. Dan komt reeds het feitelijke onderbeen als een bovenbeen te voorschijn en het buigt weer af tegen het reusachtige voetstuk (voetbeen zou men wel kunnen zeggen), zoodat men zou meenen, dat eerst hier de knie zit. Om dus uw menschenbeen een echten paardepoot te geven, zou werkelijk het volgende noodig zijn. Gij zoudt van het menschelijke skelet niet het onderbeen moeten loshaken, maar alleen den voet. Dan zoudt gij echter het menschelijke bovenbeen zóó naar boven moeten schuiven, dat het, als het met vleesch bedekt was, gewoon weg in het lichaam naar boven verdween en zijdelings zich plaatste naast het bekken. Daardoor zou natuurlijk nu het onderbeen ook zóó ver naar boven gaan, dat zijn bovenste hoek, de knie, onmiddellijk in de heupen kwam te liggen, terwijl zijn gewricht bij den voet nu daar hing, waar vroeger de knie was. Om nu echter van die valsche knie de leege tusschenruimte tot op den bodem te overbruggen, moest gij hier dan echter het ontzaglijk steile voetbeen van den paardepoot er tusschen voegen, dat geheel van onderen bij den hoef als de schoen van den laatsten teentop nog weer eens eenigszins omgebogen is. Nu eerst zou het skelet een echten „paardepoot” hebben,—en tevens is op die manier ook de tegenstelling van mensch en paard in dit geheele steunorgaan volkomen duidelijk.

Ons paard behoort niet alleen tot die dieren, die (op de vroeger geschetste wijze) hun teentop met een harden schoen, een „hoef” hebben omkleed. Maar het behoort ook tot die dieren, die zoowel teen als voet zóó steil hebben opgetrokken, dat het lichaam alleen nog maar op den teentop en den hoef balanceert. Maar ten slotte is het paard ook de vertegenwoordiger van dat uiterste type, waarbij aan ieder been nog slechts één enkele zoodanige hoef zit, zoodat feitelijk slechts vier teenen het geheele viervoetige lichaam hebben te belemmeren, in plaats dat, zooals bij ons menschen, als wij op vier voeten op de teenen zouden willen loopen, in de toppen van onze vingers en teenen twintig dergelijke steunpunten zouden aanwezig zijn. Slechts één enkele teen aan iederen voet: dan ligt het echter voor de hand, dat met dien éénen teen slechts één enkele wortel als voornaamste steun in het middendeel van den voet overeenkomt. Bij iederen druk van de hand kan men in onze menschenhand het volgende waarnemen (en bij onzen voet is het volkomen hetzelfde): achter onze vijf vingers komt in het gezamenlijke middendeel onzer hand met ieder dier vingers onder de huid en het vleesch der spieren telkens één enkel wortelbeen overeen. Men kan die vijf wortels zelf onder de huid van den rug der hand één voor één tellen en ze gemakkelijk voelen. Eerst vlak bij het polsgewricht hangen die wortels zelf weer als in een enkel wortelbed in een mozaïek van kleinere beentjes, den eigenlijken gemeenschappelijken handwortel. Vijf vrije vingers of teenen bij ons: en in overeenstemming daarmede vijf verschillende wortels. Één teen slechts bij het paard: daarom zal daar slechts één wortel aanwezig zijn. En met uitzondering van een onbeduidend feit, dat voorloopig nog geheel bijzaak is, en waarop ik eerst later nog terug kom, is dit ook zoo. Dat ééne uitsluitende wortelbeen van den teen bij den eenigen nog bestaanden teen van het paard vormt juist dat gewaande onderbeen of „voetbeen”, dat ons zooveel hoofdbrekens heeft gekost. Hij vormt dit, door uit te groeien tot een betrekkelijk kolossalen beenen staak, die nu als zoodanig in zijn afmetingen volstrekt geen overeenkomst heeft met onze vingerwortels of wortels der teenen. Terwijl de teen, die tot den hoef loopt, zelf zeer matige afmetingen blijft behouden, schuift door die ontzaglijke tusschenstang van den voet het eigenlijke been daarnaast. Dit moet zoo zijn, daar anders het lichaam van het paard op stelten van een onmogelijke lengte zou komen te staan. Van daar het naar boven drukken van het geheele bovenbeen tot in den romp, waarvan het gevolg is, dat het blijvende vrije been feitelijk alleen uit onderbeen en voet bestaat, en het op de gewone plaats van de knie niet meer de werkelijke knie, maar reeds het voetgewricht heeft, terwijl daar, waar men het voetgewricht zou verwachten, reeds het engere gewricht van den teen binnen in den voet, de buigplaats tusschen teenwortel (middenvoet) en teen gelegen is.

Als men nu die geheele tegenstelling van paard en mensch overziet, dan moet één zaak ondubbelzinnig duidelijk worden. In dien bouw van het paard heerscht in tegenstelling met den mensch een dubbele strekking. In de eerste plaats de strekking, om aan het geheele lichaamsdeel, tot aan de uiterste spits den bouw te geven van een in één enkele lijn uitgestrekt been, een stelt. Van daar ook de merkwaardige beperking van den geheelen voet tot één enkelen middenwortel in plaats van splitsing van den hoofdstam in vijf takken, zooals bij onzen menschenvoet of onze menschenhand. En van daar dan ook het bijna volkomen optillen van dien voet van dien stam in den rechten steltstand van het been. In de tweede plaats echter een even duidelijke strekking, om dien op een been gelijkenden voet nu ook naar boven toe, zoover als maar eenigszins mogelijk is, tot een werkelijk vrij been te maken, dat vrije been, zooveel mogelijk te vervangen door den voet.

Beide strekkingen worden echter in haar samenhang zoowel als in haar beteekenis onmiddellijk duidelijk, als men nagaat, waarvoor het paard zijn uiterste ledematen gebruikt. De dichter van het „Boek Job” spreekt reeds van de stoutheid, waarmede het opspringt, en vergelijkt dat met het wegvliegen van den sprinkhaan. Het paard in zijn zoowel meest natuurlijken als ook meest edelen gang is geen karrepaard of vigelantepaard. Het is een renpaard, dat vrij voortholt over de uitgestrekte, vlakke baan. Het is hier geen schepsel, dat den bodem drukt, dat zich in de eerste plaats op een breed steunvlak tracht op te houden. Het slaat den grond in zijn loop. Het beheerscht dien grond in die mate, dat het schijnt daarover heen te zweven, zoodat slechts de scherpste blik de enkele oogenblikken kan waarnemen, waarop die Antaeus de aarde nog juist even aanraakt om zijn kracht te vernieuwen. Die gave van de suizende vlucht over de vlakte geeft aan het paard zijn karakteristieke eigenschappen, waar het ons nog in zijn meest oorspronkelijke vrijheid in de vrije natuur te gemoet komt als wild of weer verwilderd galoppeerend dier der eindelooze grassteppe; maar tevens is daardoor ook zijn hoogste waarde bepaald als zuiver sportdier binnen de grenzen onzer cultuur.

Het meer eigenaardige geheim van dit schitterende bezit is echter, dat het in dit geval juist verbonden is aan een zeer groot, en in zijn meest edelen aard kolossaal dier. Een zoogdier van die grootte moet noodzakelijker wijze een kracht bezitten, die daarmede in overeenstemming is. De keerzijde echter van alle reuzengestalten is hunne zwaarte. Een reus zijn kracht te laten en hem toch even licht beweeglijk te maken als een dwerg, dat zou eerst eene gelukkige oplossing zijn. Bij het paard is die oplossing bijna bereikt. Zij is bereikt, in zooverre wel niet de zwaarte op zich zelf is opgeheven, maar deze is geneutraliseerd door een schitterend bewegingsapparaat. Hoe zwaar trouwens het paard is in zijn beste ras (dat juist zoo streng zijn grootte handhaaft), wordt oogenblikkelijk duidelijk, als men het paard ziet, als het op den grond is gevallen, uitsluitend overwonnen door de zwaartekracht, onmachtig om zijn ontzettenden last weer op de dunne stelten van zijn bewegingsmechanisme op te richten, ja zelfs ernstig in gevaar, dat een verkeerd aangewende poging om op te staan het fijne mechanisme door de geringste scheeve belasting breekt als glas, juist omdat het zoo ontzettend fijn is. En toch is bij het paard, als het rechtop loopt, die zwaarte niet alleen zóó overwonnen, dat een voortreffelijk, onder bepaalde omstandigheden bijna ongeloofelijk harddraven mogelijk wordt, maar dat de lichaamskracht van den reus nog een belangrijke overmaat beschikbaar heeft. Die kracht gaat niet verloren door de beweging alleen: zij weet zich te sparen, zoodat het paard nog meer kan volbrengen. Hier openbaren zich juist zoo duidelijk die twee voortreffelijke hoedanigheden, die aan het paard in de symbiose met den mensch zijn zoo bijzonderen roep hebben verschaft. Aan den éénen kant zijn volharding, die het niet alleen maakt tot een dier, dat gedurende een kort oogenblik flink draven kan, maar tot een dier, dat bij een niet te onregelmatig tempo een onschatbare draver over groote afstanden is. Aan den anderen kant zijn overmaat van kracht, waardoor het zelfs bij een snelle en langdurige beweging niet alleen zijn eigen reuzengewicht spelend overmeestert, maar door dat eigen gewicht volstrekt niet wordt uitgeput, en zelfs een aanzienlijke van buiten aangebrachte belasting nog rustig kan verdragen.

Het bewegingsmechanisme is feitelijk zóó practisch ingericht, dat het nog voldoende is voor een aanzienlijk grootere massa, het werkt met een groot overschot en een groote speelruimte. Dit geeft aan het vrije wilde paard een groote souvereiniteit van macht, het heeft steeds kracht in overvloed bij de hand, zijn bewegingen krijgen iets overmoedigs, vermetels, iets trotseerend-zekers, dat zich op een wijze, zooals dit bij geen ander schepsel gevonden wordt, combineert met het nog steeds daarachter doorschemerende type van het zware, in den grond der zaak logge dier. Het tamme paard maakt echter met dit middel in de symbiose der cultuur het rijden onder den man en het trekken mogelijk. Binnen die speelruimte van de overmaat van kracht van den natuurreus, die niet ten volle is in beslag genomen, kan hij het volle gewicht van den ruiter op den koop toenemen bijna zonder dat dit eenigen invloed heeft op zijn vermogen, zich gemakkelijk te bewegen. Het kan een wagen voorttrekken, terwijl het slechts weinig, en als het niet te erg is, zeker niet te veel van zijn snelheid en volhardingsvermogen opoffert.

Dit wonderlijke bewegingsmechanisme, dat een reus zóódanig ontlast, dat hij zijn kracht kan gebruiken als een dwerg, die nauwelijks eenigen overlast ondervindt van zijn zwaarte, is nu in het geheele skelet van het paard tot zelfs in ieder beentje weergegeven, als goed ingebeitelde letters, die nooit verloren gaan. Natuurlijk niet alleen in het skelet. Ook alle andere deelen en stelsels van het lichaam staan duidelijk merkbaar in dien dienst, in de eerste plaats ook de hersenen van het paard.

Over hetgeen die hersenen kunnen praesteeren vindt men meeningen, die elkander in velerlei opzichten tegenspreken, en dat zelfs bij de beste kenners. Nu eens wordt dit overschat, dan weer niet op de juiste waarde gesteld. Naar mijne meening moet men het verstand van het paard voornamelijk in die richting zoeken, waarin het bewegingsmechanisme van het paard ter sprake komt.

Het paard is dom, blind, schrikachtig, het is „schuw” en dwaas in zijn handelingen, naar gelang men bij hem stoot op een bepaalden oorspronkelijken aanleg en zijn instincten afmeet met den maatstaf van ons menschenverstand. Men moet daar geen rozen van een doornbosch willen oogsten. Het paard is nooit een loerend roofdier geweest, dat een aanval met overleg voorbereidt, en evenmin ooit een voorzichtig klein dier, dat zich verstopt. Zijn verdediging, de verdediging van den sociaal levenden graseter in de steppe, was van den eersten oorsprong af een wild wegrennen, een razende vlucht. Daartoe diende juist zijn ontzaglijk ontwikkelde beweeglijkheid met zijn volhardingsvermogen. Het instinct van die vlucht, die reeds begon bij het zien van een slechts half begrepen beeld, na het signaal van den aanvoerder der kudde of iets dergelijks, is nog heden gelegen in het „schrikken” van het paard, dat alleen dikwijls verkeerd verklaard wordt, zooals zooveel instincten van dieren, en dat dikwijls tot zijn verderf leidt, daar het eigenaardige onzer cultuur medebrengt, dat wegen worden afgesloten en worden versperd en gebarricadeerd in tegenstelling met de open steppe, waarop het instinct van het onnadenkend er op los razen oorspronkelijk was ingericht. Als een kazerne verbrandt, (waarvan ik mij nu juist een geval herinner) en de paarden, na zich te hebben losgerukt, in een zinnelooze vaart op een open schipbrug naar buiten razen en over de leuning heen onmiddellijk in den stroom rennen, dan is dat geen domheid van de dieren, maar het is hetzelfde oude instinct der steppen, waarbij zij bij een prairiebrand eenvoudig onwillekeurig over de vlakte rennen, omdat zij daar zeker zijn van een terrein, dat zich zonder letsel en gevaar uitstrekt tot aan den horizon.

Een erfenis van dat veelbewogen steppenleven is ook de zoo ongelijke ontwikkeling der zintuigen, die door den ongeoefenden en oppervlakkigen waarnemer eveneens gemakkelijk wordt beschouwd als een criterium van de werkelijke verstandelijke eigenschappen. Het paard is geen dier met een scherp ontwikkeld gezicht, dat zijn handelingen nauwkeurig afweegt naar bepaalde voorwerpen, die het met de oogen waarneemt. In de eentonige grasvlakte is er trouwens niet veel te zien. Indien er hier plotseling het ééne of andere nieuwe voorwerp van de verte uit binnen zijn gezichtskring binnenkomt, dan is het meestal raadzaam, dat hij dit in plaats van het te naderen ter betere aanschouwing, liever uit den weg gaat, wat trouwens ook voor het paard verreweg het gemakkelijkst is. Van daar dus de snelle instinctieve angst ook van het tamme paard, nog niet zoozeer voor het werkelijk vijandelijke, maar ook reeds voor het eenvoudig vreemdsoortige, merkwaardige, wat in zijn gewone bestaan afwisseling brengt, iets wat op den oppervlakkigen beschouwer weer den indruk maakt van buitengewone kortzichtigheid en onnoozelheid; men denkt: kan dan het paard niet zien, dat een wilgenbosch geen beer is! Daarenboven zijn de paarden oorspronkelijk ook sociale dieren, waarvan een aantal in een kudde medeloopen, op den aanvoerder vertrouwen en wat het uitkijken betreft zich in de bescherming der kudde veilig wanen als een tam paard tusschen de oogkleppen. Daarentegen kan een paard met den neus over de vrije vlakte uitstekend speuren, niet te vergeefs heeft het paard dien reusachtigen „neusschedel”, die hem zijn karakteristiek gelaat geeft; niet te vergeefs heeft hij zijn neusgaten, die zoo wonderbaarlijk veel uitdrukking hebben, al heeft de cultuur juist op het neuszintuig bij het paard niet meer zooveel gewicht gelegd. Maar in de eerste plaats is het, een in een kudde levend dier, van het allereerste begin af reeds een natuurlijk signaaldier, gewoon op het geringste signaal van het aanvoerende dier even nauwgezet te reageeren als een soldaat. Die eigenschap is omgekeerd één der belangrijkste eigenschappen geworden bij ons cultuurpaard,—zonder deze zouden wij nooit met het paard iets ernstigs hebben kunnen beginnen; zij komt zelfs reeds duidelijk uit bij het armoedigste vigelantepaard, dat onmiddellijk gehoorzaamt aan de zwakste aanraking van den teugel, en het is zeker, dat het paard in dit opzicht bewezen heeft, geschikt te zijn tot verdere opvoeding en ontwikkeling. De geschiktheid, om op een zeer fijn teeken op de ééne of andere wijze te reageeren—zooals het scheen zelfs een teeken, door een mensch onbewust en ongewild gegeven—is het laatste gebleven, wat het in der tijd beroemde paard: „de Slimme Hans” werkelijk van andere paarden onderscheidde; in ieder geval was het een paard, dat buitengewoon gevoelig reageerde, en dat bij willekeurige rekenkunstige vragen zóó lang met den hoef stampte, totdat het uit het ééne of andere teeken van den vrager in de buurt van het getal, dat het juiste antwoord aanwees, het bevel afleidde van op te houden. Dergelijke bewegingsteekens leiden echter werkelijk reeds tot het gebied, waar men het „verstand” van het paard in het algemeen niet hoog genoeg kan waardeeren,—en wel overal, waar het juist ook om de hulp der hersenen bij het bewegingsmechanisme te doen is.

Een paard, dat niet verschrikt is, en dat individueel acht geeft op den weg, is steeds een prachtig gezicht. Alle voortreffelijke individueele eigenschappen komen hier tot haar recht. Het individueele leeren viert hier zijn triomfen. Men moet in het Reuzengebergte het gedrag der paarden waarnemen, die met den zwaren vrachtwagen met volle biervaten de zwaarste wegen opklimmen naar de hoogliggende hutten in het gebergte, men moet zich eens laten verhalen, hoe op IJsland de rijpaarden met hun last op het gevoel af de natuurlijke steenen trappen der verkoelde stroomen lava afdalen. Hier ligt de echte zijde van het verstand van het paard, die sedert duizenden en duizenden jaren eenzijdig is gekweekt en waardoor het paard in de hand van den mensch ook ongetwijfeld werkelijk nog een heel eind verder is gekomen. Men moet in de eerste plaats hieraan denken, hoe de mensch hier het paard (ik neem het woord in zijn meest uitgebreide beteekenis, waaronder dus ook bij voorbeeld het muildier moet gerekend worden) tot een echt dier van het gebergte voor zich heeft weten te vervormen. Het is steeds wel is waar gaarne een dier der steppen van het hoogland geweest (zooals in Centraal-Azië, waar ontzaglijke steppen, feitelijk van de hoogte van den Mont-Blanc, zich van horizon tot horizon uitstrekken), dus wat het klimaat betreft hier van oudsher goed aangepast. Maar hoe het muildier tegenwoordig verstandig en zeker over de hooge Alpenpassen trekt, dat is toch (niettegenstaande de bouw van hoeven en pooten onveranderd is gebleven) ongetwijfeld een belangrijke vooruitgang in zijn verstand. En in die richting liggen ook alle resultaten der dressuur van paarden in een circus, een eigenaardige reeks van bravourstukjes van zijn verstand, waar dit op beweging berust. Die eigenaardige richting van het verstand is, wat zijn hersenen betreft, de kracht van het paard, doch tevens zijn eenzijdigheid. Wat het paard leert, moet het als het ware met de pooten leeren. Daarom was het dan ook reeds van te voren zoo onwaarschijnlijk, dat de „Slimme Hans” ingewikkelde abstracte rekenkunstjes zou hebben geleerd, terwijl het opletten op nog zoo fijne bewegingsteekens (op zich zelf trouwens merkwaardig genoeg) toch in ieder geval bleef in de lijn van het van ouds bestaande.

Het hoogtepunt vertoont echter de constructie van het been zelf. Hier worden voor ons werkelijk al die geschetste eigenaardigheden onmiddellijk duidelijk, en blijken deze even zoovele machinale kunstgrepen te zijn uit dien geheelen samenhang. Het been is ontlast tot op de grens der uiterste mogelijkheid—zooals een boom, waarvan men alle takken heeft afgeslagen. Dat begint reeds bij de beenderen van het eigenlijke been, waarvan de onderbeenen, de evenwijdige dubbele beenderen, die wij menschen aan het onderbeen en den onderarm dragen (elleboogspijp en spaakbeen, scheenbeen en kuitbeen) tot een enkele stang beginnen samen te groeien, terwijl het toppunt bereikt wordt in dien beenachtigen steltvorm der voeten. Te gelijker tijd worden echter die rechte stelten, waarop het lichaam is geplaatst, tot op het uiterste bewegelijk gemaakt en in haar onderdeelen verschuifbaar. En juist daarvoor dient de kunstgreep met het naar boven schuiven van den voet hoog in de constructie van het been. Terwijl een beenachtig verlengd steil voetstuk zoowel wat plaats als wat wezen betreft in de plaats treedt van het onderbeen—het voetstuk tusschen het voornaamste teengewricht en het enkelgewricht—wordt dit teengewricht feitelijk enkelgewricht en het enkelgewricht kniegewricht. Vooral de streek van dat nieuwe enkelgewricht wordt daarbij de plaats van de meest volkomen beweeglijkheid. Zoo wordt voor dat geheele lichaamsdeel als het ware een gewricht gewonnen, en wel het oude kniegewricht. Terwijl het been op die plek reeds lang genoeg van afmetingen is, kan het daarboven liggende oorspronkelijke bovenbeen als het ware nog aan den romp verwerkt worden, het kan nog een zoowel stevig als beweeglijk been tot aanzetstuk van de spier tusschen het vrije lichaamsdeel en het stijve bekken en het stijve borstbeen schuiven als een door het lichaam stevig vastgepakten en bestuurden steel van het steile beenwerktuig daaronder.

Men zou wel is waar kunnen zeggen: in beginsel zou dit ook kunnen bereikt zijn zonder optrekken en verlengen van den voet, eenvoudig door een nieuw gewricht in te voegen bij voorbeeld midden in het been van het onderbeen en door het rekken der zoo gewonnen deelen van dat onderbeen. Maar het is nu eenmaal een karakteristieke trek bij de vorming van ieder skelet, dergelijke radikale vernieuwingen te vermijden, en tot aan het uiterste toe te komen binnen de grenzen van de algemeene grondschets van wat voorhanden is. Dit beginsel is reeds ongeveer zeventig jaar vóór het optreden van Darwin door Goethe uitgesproken in zijn voortreffelijke anatomische studies. Hij noemde dit de grondwet van het type. Een bepaald type van skelet was voor een dierengroep, bij voorbeeld die der zoogdieren, als grondvorm gegeven. Bij voorbeeld aan de onderste ledematen de verdeeling: bovenbeen, onderbeen, voetwortel, middenvoet, teenen, en dat alles aan elkander vastgeschakeld met beweeglijke gewrichten. Dat type trachtte zich steeds weer in ieder bijzonder geval te handhaven. Maar daar binnen had men dan de noodige speelruimte. De lengte der beenderen kan bij de verschillende diersoorten verschillend zijn. Het aantal teenen kan naar beneden toe afwisselen. En zoo voort. Goethe zelf verklaarde reeds die verschillen binnen de gegeven speelruimte volkomen juist als een aanpassing aan de telkens bestaande bijzondere wijze van leven der afzonderlijke diersoorten. Voor de ééne diersoort waren lange beenderen voor de pooten beter geschikt, voor de andere korte. Die aanpassing zette zich dus voort door de ééne of andere macht der natuur. Doch het type kan daardoor niet worden omgezet. Wij zouden tegenwoordig die wet Darwinistisch iets minder abstract opvatten, haar daarentegen echter scherper willen definieeren in de wijze van zijn tot stand komen. In het steeds weer doordringen van het „type” zien wij de erfelijkheid, die telkens op nieuw een oorspronkelijken gemeenschappelijken stamvorm van elke groote dierengroep ook nog in de verste nakomelingschap tracht voort te zetten, zoo ver het maar mogelijk is. In de aanpassing zoeken wij een werkelijke historische verandering van die nakomelingschap onder den aanhoudend gedurende groote tijdsruimten daarop inwerkenden dwang van zijn milieu, waarvoor Darwin in zijn leer der teeltkeus ook den korteren weg meent gevonden te hebben. Doch nog geen enkele theorie geeft een in ieder opzicht bevredigende verklaring. Er zijn daar nog uiterst raadselachtige zetten op het schaakbord der organisatie. Zoo sleepen bij voorbeeld optredende veranderingen, ook zonder het type op zich zelf in de war te brengen, dikwijls zeer bepaalde, blijkbaar aan vaste wetten gebonden veranderingen aan andere, volkomen daarvan onafhankelijke, lichaamsdeelen na zich, die niet in het minste verband staan met het nut dier wijziging. Darwin noemde dat de „wet der correlatie”, zonder die zelf verder te kunnen verklaren. Het maakt den indruk, als ware er nog een derde macht en een derde instantie behalve type en aanpassing. Overal zijn wij nog steeds omgeven door geheimen. Maar onafhankelijk van iedere theorie: in die wet der typen op zich zelf ligt een waarheid, dat is zeker. Als in den paardepoot een nieuw gewricht gebracht was, zonder dat dit aansloot aan het officieele type van het skelet, dan zou dit een schaakzet tegen het type hebben beteekend, en wij zien, dat dit steeds wordt vermeden. Daarom moet de voet zich weten te helpen met zijn gewone gewrichten, en moet hij hoog in het been passen.

De gedachte, ontleend aan de ontwikkelingsgeschiedenis, zooals die ons half bij toeval weer in den zin kwam, bezit echter in dat prachtige bewegingsapparaat van ons paard uit den tegenwoordigen tijd nu nog een soort van classieke plaats, waaruit zij zich in weerwil van allen twijfel en alle aanvallen tot nu toe met geen middelen heeft laten verjagen. De paardepoot heeft, zooals ik zeide, slechts één teen, en omdat hij slechts één enkelen teen heeft, heeft hij ook slechts één enkelen teenwortel—zooals de anatoom het uitdrukt, slechts één enkel middelvoetsbeen, al is het dan ook zóó lang en zóó dik, dat het bevorderd is tot den rang van een werkelijk onderbeen. Die wijze van uitdrukking vereischt nu, zooals wij bij wijze van voorzorg reeds eenmaal hebben vermeld, een kleine verbetering—een wel is waar kleine, maar toch hoogst belangrijke.

Volkomen zonder beteekenis sluiten zich aan genoemde beenderen nog twee kleine beensplintertjes aan, die aan weerszijden van boven komen en die achterwaarts in een fijne punt eindigen, van geen belang in het gebruik, als gold het slechts werkelijk twee afgesplinterde woekeringen, die door het ééne of andere toeval vereeuwigd zijn. Naar hun vorm noemt men ze griffels of griffelbeenderen. Bij al hun onbeduidendheid is de plaats, waar zij gevonden worden, niet van zóó weinig beteekenis, dat zij ons niet noopt tot een bepaalde verklaring.

Ik vergeleek dien paardepoot met een stam, waar men alle takken heeft afgehouwen, namelijk alle andere teenen en teenwortels. Op een goed gladgemaakten boomstam zoude men echter de snoeiplaatsen nog als overblijfselen van stompjes herkennen. De griffelbeenderen van den paardepoot zitten nu juist daar, waar een zoodanig afgekapt overblijfsel van een „teentak” in stand zou hebben moeten blijven, als aan weerszijden naast den overgebleven „stamteen” een dergelijke tak zou zijn afgeknot. Zij bestaan uit één enkel lang stuk stift en vergezellen alleen den teenwortel, nu die behouden is gebleven: het zullen dus wel zelf ook alleen maar zulke overblijfselen van teenwortels zijn, geen teenstompjes zelf. Maar dat is reeds voldoende, om de zaak belangrijk te maken. Indien men nauwkeurig onderzoekt, hoe dat griffelbeen aan die onderlaag van den voetwortel zelf verbonden is, en iedere bijzonderheid overdenkt, dan wordt de zaak letterlijk absoluut zeker. Men heeft te doen met een geval van zoogenaamde „rudimentaire organen”, organen van een levend dier, die bij dat dier geen direct doel meer hebben voor het gebruik, maar die door de natuur nog steeds, hoewel in verkwijnden miniatuurvorm, in de groote inventaris van het lichaam worden medegevoerd, hetzij, omdat het de ontwikkeling nog niet is gelukt, ze geheel af te stroopen, hetzij (wat mij waarschijnlijker voorkomt), omdat zij (overdrachtelijk gesproken) als een soort van reserve worden medegesleept, om als het noodig mocht zijn desnoods weer snel te kunnen worden hersteld. Ons eigen menschelijk lichaam is vol van zoodanige overblijfselen, ik herinner slechts aan het beruchte wormvormige verlengstuk van onzen blinden darm, den zetel der ontsteking van den blinden darm, een gedeelte van de buik, die bij sommige zoogdieren een belangrijke afdeeling vormde van het darmkanaal, terwijl het bij ons niets anders is dan een verloren plekje, dat hoogstens somtijds de eigenschap heeft verwarring te stichten; de meeste rudimentaire organen hebben niet eens die eigenschap, zij blijven volharden in hun onverschillige rust.

Zoo dikwijls ergens een zoodanig verkwijnd orgaan wordt gevonden, heeft het, zooals reeds vroeger is medegedeeld, maar hier nog eens herhaald moge worden, voor ons begrip een gewichtige beteekenis. Het wijst namelijk op veranderingen in het verledene, op het opduiken van nieuwe organen van een andere soort en het op zijde treden van die organen, welke vroeger niet konden worden gemist, in één woord het wijst op ontwikkelingen, die hebben plaats gegrepen, op voorouders van het bedoelde schepsel, die een anderen bouw hadden. Zoo besluit men terecht uit de rudimentaire organen van ons menschelijk lichaam tot dierlijke voorouders van den mensch, daar die organen, die bij hem tegenwoordig buiten dienst zijn gesteld in afwachting dat zij misschien later weer in hun rol worden hersteld, en die alleen in rudimentairen toestand aanwezig zijn, bij bepaalde dieren nog in volle grootte en kracht worden aangetroffen.

Heeft ons paard dus in zijn beide griffelbeenderen aan iederen voet nog twee rudimentaire teenwortelbeenderen, dan zou dit bij hem moeten beteekenen, dat het oorspronkelijk moet zijn afgestamd van dieren, die, in plaats van één enkelen, drie zulke teenwortels bezaten. En daar bij drie teenwortels gemakkelijk drie teenen te denken zijn, moeten wij naar een stamvorm van het paard zoeken, die een voet bezat met drie teenen. En ook die laatste zaak wordt hierdoor zeker, dat af en toe wel eens onder het groote aantal onzer paarden abnormale gevallen voorkomen, waarbij aan zulke paardepooten niet alleen de griffelbeenderen ontwikkeld zijn, maar waarbij aan de ééne of andere griffel feitelijk ook nog werkelijk een overblijfsel van den teen hangt. Dit komt dan ook overeen met het somtijds waargenomen geval, dat een mensch een spitsoor of een uitwendig zichtbaren staart bezit, en dus enkele organen abnormaal nog eens in voltooiden toestand vertoont, die anders alleen nog maar in rudimentaire, verborgen aanwijzing bij het tegenwoordige menschengeslacht voortbestaan. Ja zelfs, er zijn gevallen bekend geworden, waar een dergelijke paardepoot zelfs een zóó volledig ontwikkelden bijteen droeg, dat ook nog de hoef daaraan zat, en dat ons dus een paard met twee echte hoeven (de abnormale was trouwens iets kleiner) aan denzelfden poot voor oogen werd geplaatst. Dergelijke merkwaardige paarden zijn reeds in vroegere tijden waargenomen. Men zegt, dat het beroemde rijpaard van Alexander den Grooten die eigenschap heeft bezeten. Ook Goethe kende dit feit en verklaarde het als een van tijd tot tijd naar voren treden van het type, dat oorspronkelijk aan alle zoogdieren meerdere teenen toekende, en dat ook daar, waar het zich tot één enkelen teen had laten terugbrengen, zijn ideëel voortbestaan gaarne nog eens in den vorm eener schijnbare abnormaliteit wilde aantoonen. Hebben wij hier ook werkelijk te doen met een ontwikkeling van één der beide normale griffelbeenderen en niet met een misgeboorte van den zich verdubbelenden hoofdteen (waartegen behalve andere redenen ook nog de ongelijkheid in grootte kan worden aangevoerd; tweelingen zijn gewoonlijk even groot), dan kan die geschiedenis werkelijk niet gemakkelijk duidelijker worden aangetoond. Daar in een dergelijk geval behalve dien ontwikkelden teen aan den bijhoef bovendien ook nog een griffelbeen bestond, wordt men hier verwezen naar een stamvorm met oorspronkelijk vier teenen.

Tusschen haakjes zij hierbij vermeld, dat meermalen vermoed is, dat ons paard zelfs in normalen toestand nog een laatste klein rudimentje vereeuwigd heeft van een voormaligen zijhoef in de bekende haarlooze en hoornachtige plekken in de nabijheid der vier voetwortels, die men de zwilwratten van den paardepoot noemt; de hoef van een verloren voortzetting van het griffelbeen zou dan hier, naar een eenigszins vreemde plek verdwaald, nog als een eeltplek oppervlakkig op de huid zijn gekleefd. Tegen deze meening is eigenlijk alles te zeggen, maar vooral ook dit, dat bij de zebra’s zoowel als bij de ezels, dus ook ongetwijfeld paarden en verwanten van paarden uit onze dagen, die zwilwratten aan de achterpooten eenvoudig ontbreken; als het hier een zoo belangrijk overoud rudiment der voorvaderen gold, dan zou het ongeloofelijk zijn, dat de taaiheid, waarmede het rudiment voortduurde, bij zóó verwante makkers zou schommelen tot aan een verdwijnen op bepaalde plekken. En inderdaad is men ook slechts op dat denkbeeld gekomen, omdat men tot op heden niet weet, wat die zwilwratten eigenlijk als actieve organen beteekenen. Misschien zijn het rudimenten van oude klieren. Wij hebben ze in ieder geval verder bij onze beschouwing niet noodig.

Voor onze beschouwing is alleen nog van belang, dat de ligging van den behouden gebleven paardeteen van onze dagen tusschen de beide evenwijdige griffelbeenderen aan weerszijden, zonder eenigen twijfel bewijst, dat die teen geen buitenste teen (dus in de beteekenis van onzen voet geen groote of kleine teen, in de beteekenis van onze hand geen duim of pink is), maar moet behoord hebben tot het middenstuk van den voormaligen waaier met de verschillende stralen als teenen. En de geheele anatomische toestand wijst er nog in meer beperkten zin op, dat die teen in de beteekenis van onze hand zelfs juist de middenstraal, de middenvinger is.

[

Inhoud

]

Hiermede zouden wij nu ongeveer gekomen zijn op het einde van datgene, wat de levende paardepoot van tegenwoordig ons kan leeren. Maar nu komen er juist op die plek een aantal werkelijk historische documenten bij, waarover, sedert zij bekend zijn geworden, bij de zoölogische theoretici van alle partijen twist en vreugde over de overwinning met elkander hebben afgewisseld—waarvan echter in ieder geval zóóveel vaststaat, dat zij bijzonder merkwaardig zijn.

Cuvier, met wien de wetenschappelijke kennis der uitgestorven dieren uit vroegere perioden van de geschiedenis der aarde haar eerste triomfen vierde,—Cuvier, die als theoreticus niet geloofde aan ontwikkeling, maar aan telkens zich herhalende moeilijk te begrijpen nieuwe scheppingen in den loop van de geschiedenis der aarde, wist nog niet, waar hij in het stelsel der levende dieren aan het levende paard zijn vaststaande plaats moest aanwijzen. Het moest voor hem natuurlijk buiten twijfel zijn, dat het een „hoefdier” was. Het was immers juist het grondtype van een hoefdier. Maar het ontging Cuvier niet, dat het begrip „hoefdier” bij de zoogdieren niet maar zoo onder een hoed kon worden gevangen. Een groote groep van die hoefdieren, de runderen, geiten, schapen, herten, kameelen, giraffen, hadden, behalve hun hoeven, nog de karakteristieke gewoonte van het herkauwen. Van daar dat hij die dieren, die inderdaad allen merkwaardig met elkander overeen kwamen, als orde der herkauwende dieren samenvatte. Nu bleven voor hem echter als rest der hoefdieren over: de olifanten, (juist door hem tot verbazing van alle vakgenooten hieronder gerangschikt) klipdassen, die de grootte hadden van konijnen, de zwijnen, de nijlpaarden, de neushoorns, de tapirs en eindelijk de paarden zelf. Het was zeker wel het ongelukkigste oogenblik bij de geheele systematiek der zoogdieren van Cuvier, toen hij voor die bonte reeks den titel „Pachydermen”, dikhuidigen uitvond. Dat woord spookt nog steeds in de hoofden, en in de natuurlijke geschiedenis van het volk is het een zóó gewone uitdrukking geworden, als geen tweede kunstmatige uitdrukking van het nieuwere stelsel. Ieder meende, dat hij daarbij iets kon denken, en toch kan men zich feitelijk bij een juiste systematiek wetenschappelijk niets daarbij voorstellen. Onder die groote onheilsrubriek maakt Cuvier ook nog een paar onderrubrieken, die niet veel gelukkiger waren. De olifanten en de klipdassen nam hij bij elkander, wat nog de beste zet was, de zwijnen echter bracht hij samen met tapir en neushoorn tot een werkelijken anatomischen Minotaurus, en de paarden liet hij weer als eenhoevige dieren geheel op zich zelf staan. Om het maar dadelijk te vermelden: bij de volgende poging tot systematiek is ten minste getracht, de paarden uit dien warwinkel weer uit te visschen, maar voorloopig wist men nog niet goed, waar ze heen te brengen. Als een mozaïek van zwijn, tapir, neushoorn, nijlpaard, klipdas en olifant heeft een afgesloten orde van hoefdieren nog voortgeleefd in de eerste drukken van Brehms „Leven der Dieren”, door welk werk de ongelukkige zaak nog wel het meest onder het volk is verspreid. Tegenwoordig is zij wetenschappelijk voor goed dood, en er kan niet genoeg op gewezen worden, dat het wenschelijk is, dat het woord „dikhuidigen” ook weer uit het spraakgebruik wordt uitgeroeid.

Dezelfde Cuvier (aan wiens onvergankelijke grootheid dergelijke dwalingen in de bijzonderheden volstrekt geen afbreuk doen) ontdekte aan het paard ten minste één geheel nieuwe zaak. Hij stelde uit versteende beenderen vast, dat er reeds in een tamelijk ver verleden van de geschiedenis der aarde dieren bestonden, die op paarden geleken. Reeds in de oudere tertiaire periode hadden dergelijke paarddieren, zooals men het Latijnsche woord „Equida” zou kunnen vertalen, in kudden rondgesprongen op den bodem van het tegenwoordige Frankrijk. Het moest reeds toen, onmiddellijk na zijn ontdekking, den indruk maken, dat over de paardenbeenderen uit de voorwereld een bijzonder gunstig gesternte had geschenen. Hetzij het een gevolg was van de groote hoeveelheid individuen bij die dieren, hetzij van hun samenblijven binnen een eng begrensd gebied, dat op dezelfde plek bij gelegenheid eener catastrofe geheele catacomben bijeen lagen, hetzij dat paardebeenderen een groot weerstandsvermogen bezaten—zeker is het, dat de oude aarde, die ons in haar eigenzinnigheid zooveel heeft onthouden, in dat geval bijzonder verkwistend was en bleef. Reeds in de eerste tientallen jaren na Cuvier werd het waarschijnlijk, dat wij meer zouden vernemen over het voorwereldlijke paard dan misschien over eenig ander zoogdier der oude tijden. Toen de ontzaglijke vindplaats van beenderen van tertiaire zoogdieren bij de pachthoeve Pikermi dicht bij Marathon—een in dubbele beteekenis classieke plek—ontbloot werd, kwamen daar zóó volledige overblijfselen van geheele exemplaren van tertiaire voorwereldlijke paarden voor den dag, dat in het museum te München het skelet van een zoodanig voorwereldlijk dier even gemakkelijk kan worden opgericht als van een tegenwoordig bestaand paard. De kroon werd daarop echter in lateren en zelfs in den laatsten tijd gezet in Amerika.

Theoretisch zou er niet gemakkelijk een plek op aarde kunnen gevonden worden, waar men minder naar overblijfselen van paarden zou moeten zoeken dan Amerika. Toen Columbus Amerika voor ons had ontdekt, en de Spaansche goudzoekers in een vreeselijk bloedbad de inheemsche Indiaansche beschaving van Mexico en Peru uitroeiden, waren de van Europa medegebrachte paarden een belangrijke factor voor het succes van hun ruw optreden. Geen bewoner van Mexico of Peru had tot nu toe een ruiter te paard gezien, evenmin als een vuurwapen. Het paard was, ten minste in symbiose met den cultuurmensch, in geheel Amerika in die dagen onbekend. Of het in wilden staat nog in enkele troepen daar ergens bestaan heeft in de dagen van Columbus en Cortez, is eerst in den laatsten tijd tot een onderwerp van debat geworden; wij zullen daarover nog spreken. Maar in ieder geval is dit punt eerst ter sprake gekomen, nadat men op het einde der negentiende eeuw het verwonderlijke feit had geconstateerd, dat geen land, van het hoogste noorden tot het laagste zuiden, zóó opgepropt vol lag met fossiele beenderen der meest verschillende soorten van paarden en paardachtige dieren, als Amerika.

In Amerika hebben twee dingen elkander voor de palaeontologie, de leer der voorwereldlijke schepselen, in de laatste tijden in de hand gewerkt. In de eerste plaats de omstandigheid, dat daar geheel aan de oppervlakte, dikwijls werkelijk voor het grijpen, voorwereldlijke dierenbeenderen in bijna ongeloofelijke massa bij elkander rusten. Maar bovendien de wijze van exploiteeren. Daar ginds wachten die schatten der wetenschap niet, totdat een industrieel, die voornemens is een steengroeve of een mijn te exploiteeren met het doel, daaruit winst te behalen, toevallig terloops daarop stoot. De palaeontologie is daar een sport. Millionairs, die reeds lang hun zaken aan kant hebben gedaan, werpen zich op dat vak, zooals zij zich op renpaarden of zeilwedstrijden werpen. Dit heeft een ontzaglijk materiaal geleverd. Al loopt er van tijd tot tijd wat reclame onder, om toch maar het record te slaan in het vinden van den „langsten sauriër”, of om alle voorgangers te overtreffen met een paar meters brontosaurus of diplodokus: toch blijft het waar en is het feitelijk van belang, dat de palaeontologie door die Amerikaansche millioenen een sprong vooruit heeft gedaan verder dan men tot nu toe had vermoed. De groote afgietsels van het kolossale skelet van den diplodokus, die tegenwoordig herhaaldelijk ook in onze Europeesche musea als geschenk van de overzijde worden opgenomen, steken uit als een uitwendig symbool. De beslissende en voornaamste beteekenis ligt echter in den detailarbeid, die er bij komt, nadat geschoolde geleerden het materiaal zorgvuldig hebben onderzocht. Onder dat soliede werk, dat als zoodanig niets meer te doen heeft met het sportvermaak, en dat dus niet deel neemt aan zijn stemmingen en goedmoedige overdrijvingen, staat nu de arbeid omtrent het paardengeheim bovenaan. En zoo is een eenvoudige keten van vaststaande gegevens voor den dag gekomen, die als zoodanig buiten elke theorie staan en door iedere partij bepaald moeten worden toegegeven.

In het diluviale tijdperk (dus ongeveer in de dagen der noordelijke groote glaciaire periode met haar warmere tusschenperioden, haar verbinding met steppenperioden en haar vervanging in zuidelijke streken door groote regenperioden en allerlei andere beroeringen op onze planeet) leefde in Noordamerika en (door landverhuizing) ook in Zuidamerika in groote hoeveelheden ons thans nog bestaand paard. Natuurlijk als wild paard, zooals het tegenwoordig nog in Centraalazië bestaat en eenigszins anders, als zebra, in het heete Afrika. Maar in het skelet reeds typisch de als paard aangeduide soort, dus met slechts één teenwortel en teen aan den voet en twee zwakke rudimentaire griffelbeenderen daarnaast.

Dat dit echte Amerikaansche wilde paard reeds vóór de ontdekking van Amerika weer geheel is te gronde gegaan, terwijl zijn makkers in Azië en Afrika tot heden toe in stand gebleven zijn, moge merkwaardig schijnen, maar het feit staat als zoodanig niet op zich zelf. Ook de mastodonten en mammouths, die in die dagen Noordamerika bevolkten, zijn eveneens absoluut verdwenen. Dezelfde redenen, hoewel die ons tot heden toe niet volkomen duidelijk zijn, zouden even goed de wilde paarden in Amerika kunnen uitgeroeid hebben als de mastodonten en mammouths. Als een aanwijzing, hoe een talrijk verbreid groot wild ook zonder verandering van klimaat of van voedingsplanten en zonder menschenhand somtijds tot op de grens van totale vernietiging kan worden gedecimeerd, kunnen beschrijvingen dienen van het verdwijnen der reusachtige wilde buffels in Duitsch- en Britsch-Oostafrika in de laatste vijf en twintig jaar. In het jaar 1887 schoot (zooals Schillings bericht) Graaf Teleki aan den Nguaso-Niyuki in drie maanden nog vijf en twintig buffels neer. Richard Böhm ontmoette kudden van honderden van die buffels, zoodat men herinnerd werd aan de bisons van Noordamerika. Die bisons zijn door de vuurwapenen verdelgd. De Amerikaansche buffel werd daarentegen in 1890 overvallen door de runderpest, die door het tamme vee werd overgebracht. Een Engelsch ambtenaar vond op één dag ongeveer honderd besmette, stervende dieren. Tegenwoordig ligt de steppe vol met gebleekte schedels. De buffels zijn bijna geheel uitgeroeid. Wie kan dus na zooveel tijd nog raden, wat voor toevallige processen en vermeerderingen in het rijk der protozoën, die leidden tot het ontzettend toenemen van den een of anderen doodelijken ziekteverwekker, in de dagen vóór Columbus ook over Noordamerika kunnen zijn heengetrokken? In dergelijke gevallen heeft er een natuurlijke schifting plaats, die niemand in de verste verte kan berekenen. De ééne diersoort blijkt minder vatbaar te zijn voor een epidemische ziekte, als deze verwoestend over het land heentrekt, de andere diersoort is daarentegen vatbaarder. Het zou kunnen zijn, dat de Amerikaansche wilde paarden het slachtoffer zijn geworden van een Tsetse-vlieg, die de smetstof in hen inentte, zooals sommige muggen ons de malaria inenten, terwijl de bison en de gaffelantilope derzelfde prairie toen bleven voortbestaan, om veel later echter weer even onverbiddellijk in de vizierlijn van het schietgeweer van den cultuurmensch te vallen, waartegen ook het immuun zijn tegen epidemische ziekten niets meer helpt. Zooals gezegd is, is zelfs de juistheid van het feit zelf tegenwoordig in twijfel getrokken. Het paard zou wel is waar in Mexico en Peru onbekend geweest zijn, maar niet absoluut over het geheele werelddeel uitgeroeid, en het zou eerst werkelijk verdwenen zijn, toen het zich vreedzaam vermengde met de snel verwilderde, door onze cultuur ingevoerde paarden, waarbij het versche bloed der laatsten in enkele geslachten de kleine eigenaardigheden der wilde paarden spoorloos zou hebben doen verdwijnen. Een interessant nog open vraagstuk, dat echter nog niet met vaststaande feiten kan worden opgelost.

In beide lagen liggen nu weer ondubbelzinnig beenderen van paardachtige dieren zoowel weer in Noord- als in Zuidamerika. Zij leveren het volgende beeld.

In de bovenste, nieuwe laag, de pliocene periode, die het dichtst ligt bij het diluvium, wemelde het over het geheele werelddeel aan de overzijde reeds van talrijke echte wilde paarden der diluviale soort. Doch daartusschen vertoonden zich groote hoeveelheden eener diersoort, die ieder volgens haar geheelen bouw reeds van verre zou hebben gehouden voor een dergelijk wild paard, alleen wat korter van pooten, wat kleiner en plomper. Men moet zich in het algemeen die echte diluviale wilde paarden niet denken als trotsche Arabische renpaarden, maar men houdt zich voor den gedachtengang het best aan de bekende omtrekken der kleinere zebra’s of nog juister der Aziatische Przewalski-wilde paarden, zooals zij in den laatsten tijd in onze dierentuinen gevonden worden. Tusschen deze forsche, lage en grootkoppige dieren, die de grootte hadden van stevige ponie’s, waren dus nog iets steviger en meer ineen gedrongen wezens gemengd als van een ras, waarbij die kenmerken sterker op den voorgrond traden. Maar één blik op het eigenaardige kenmerk van het paardenlichaam zou voldoende geweest zijn, om onze verbazing op te wekken. De kortheid der pooten ontstond bij die eigenaardige wezens hoofdzakelijk door iets meerdere kortheid van dat beenachtige bot in hun vier middenvoeten. Daarentegen waren echter de griffelbeenderen, dus dat stuk, dat tegenwoordig zoo weinig beteekent, in verhouding een heel stuk langer dan bij de echte wilde paarden. En nu het vreemdste: aan den buitenkant der voorpooten zat zelfs nog naast het griffelbeen aan dien kant een heel klein stompje van een derde griffelbeen. Die kleine stompjes hadden hier nog een spoor van een rudiment van den aangrenzenden vinger aan dien kant. Als de groote algemeene paardenvinger de middenvinger was en dus het binnenste griffelbeen het overblijfsel van den wortel van den wijsvinger, en het buitenste griffelbeen in overeenstemming daarmede dat van den ringvinger, dan hadden die zonderlinge dieren hier ten minste aan den voorpoot, menschelijk gesproken aan hun hand, ook nog een wortelstompje van den pink. En wel bezaten zij die abnormale beentjes niet als individueele, slechts een enkelen keer voorkomende misvormingen, zooals bij ons de zoo even besproken paarden, die wel eens individueel een afwijking vertoonen, maar stuk voor stuk vertoonden zij alle diezelfde verandering.

Dat zou nu niet meer beschouwd worden als een klein rassen- of soortkenmerk, immers zóózeer wijkt tegenwoordig geen tam of wild paard, geen zebra, zelfs geen egel van het normale type af. Die pliocene Amerikanen met een paardenvorm, maar toch niet meer met volkomen nauwkeurige paardepooten moesten gerekend worden tot een nieuwe soort van paardachtige dieren. Toch bleven het, zooals de vakuitdrukking luidt, echte equiden, of vertaald „paardachtigen”.

Evenals de echte diluviale wilde paarden reeds overal voorkomen in het allerlaatste gedeelte der tertiaire periode, zoo is het overigens wel mogelijk, dat ook die equiden met hun merkwaardige overblijfselen van een pink, op enkele plaatsen in Amerika zelf ook nog geleefd hebben tot in de diluviale periode. In dat vroeger beschreven wonderbare Patagonische hol, dat ons nog met haren voorziene stukken huid van reuzenluiaards heeft geleverd, is ook een paardepoot voor den dag gekomen, die nog hierbij schijnt te behooren. Ook hij draagt nog een ring van verbleekt geel rood vel. Ouder als diluviaal kan hij werkelijk niet goed zijn. De verdedigers der meening echter, dat het geheim van dit hol eigenlijk hierin bestaat, dat de overblijfselen, die daarin gevonden zijn, afkomstig waren van dieren, die tegenwoordig nog in het binnenland een onbekend en tot nu toe niet onderzocht leven leidden, zouden zelfs van oordeel moeten zijn, dat ook allerlaatste achteraankomers van die pliocene dikpooten nog tot in onze dagen rondzwierven in het donkerste Patagonië; waarschijnlijk is dit echter helaas al te boud gesproken, hoewel het natuurlijk nog interessanter was dan alleen het voortleven van echte Amerikaansche wilde paarden tot in den historischen tijd of in mengsels van rassen, tot zelfs in onze dagen.

Doch hoe dit ook moge zijn: het zuiver historische onderzoek der oude echt-tertiaire beender-voorraadschuren leert ons, als wij nog verder terugzoeken, iets nieuws kennen.

In de oudere afzettingen der pliocene periode zijn er in Amerika geen beenderen meer van echte wilde paarden. Die wilde paarden bestonden toen nog niet. „Nog niet” in de historische rij van beneden naar boven. Wel daarentegen waren er die merkwaardige wezens met dat veel beteekenende verlengstukje van den pink en die lange griffelbeenderen, ja zelfs zij beheerschten tegen dien tijd volkomen alleen den toestand over het geheele onmetelijke werelddeel.

Nu komt de miocene periode. In het laatste gedeelte dier periode leven reeds diezelfde „pinkdieren”. Maar daartusschen is thans nog in de overgangsperiode van plioceen een nogmaals nieuwe soort van equiden gemengd. Dieren, die naar hun vorm volmaakte paarden zijn, al zijn zij ook in het oog vallend klein, meestal niet grooter dan onze kleinere ezels. Dieren echter, die weer een anderen paardepoot vertoonen. Wel hebben zij eveneens het overblijfsel van den pink, zoodat zij in dit opzicht dus in zekeren zin de „pinkdieren” omvatten. Maar de beide zijdelingsche griffelbeenderen zijn van voren en van achteren niet meer alleen bijna even lang als de middenstam, maar aan ieder van die zijtakjes hangt nog iets vast. Wel niet iets, dat evenals het hoefstuk van den voetstam nog tot op den bodem reikt. Maar een verlengstuk, dat aan weerszijden slechts als een kleine kwast of een vrucht daaraan heen en weer bungelt. Het steeltje van die vrucht is echter, nauwkeurig bezien, niets anders dan een echte miniatuurteen of een miniatuurvinger, een teen met drie leden juist zooals de grootste middenste paardeteen. En de vrucht zelf is aan weerszijden een echte kleine hoef, die op het onderste lid van den teen zit als een hoedje. Als ons dier liep, dan liep het feitelijk ook zoo nog altijd op den grooten hoef van den middenteen of den middenvinger als een echt paard, want, zooals gezegd is, die was de eenige, die op den bodem kwam; maar te gelijker tijd hingen ongebruikt rechts en links als echte kwasten die voor de sierlijkheid waren aangebracht, de beide luxevingertjes met hun hoefjes naar beneden, de wijsvinger en de ringvinger, die er wel waren, maar die niets te doen hadden.

Zonder dat eenige twijfel mogelijk is, was hier in blijvenden toestand bij een geheel, in ontelbare hoeveelheden over de uitgestrekte steppen der nieuwe wereld rennend equidenvolk, datgene aanwezig, wat die enkele misgeboorten bij onze levende paarden vertoonden. Al die „kwasthoevigen” geleken (en zelfs aan beide zijden) op het paard van Alexander den Grooten en op het paard, zooals Goethe het zich als het oorspronkelijke type voorstelde.

Hoe dieper wij afdalen in de miocene lagen en wij haar equiden-kerkhoven bloot leggen (de beenderen dier equiden zijn als het ware de fossielen, die de richting en het karakter van die geheele geologische laag bepalen, die overal naar voren dringt), des te duidelijker wordt de eigenlijke heerschappij van die kwasthoevige dieren voor die geheele lange periode der aardgeschiedenis. De pinkdieren treden geleidelijk ook volkomen terug, hun tijd schijnt, zoodra men een stuk naar beneden gaat in de miocene periode, nog in het geheel niet te zijn aangebroken. De kwasthoevigen daarentegen beheerschen in allerlei bijzondere vormen ten slotte het geheele terrein—gedurende een tijdsruimte, die men zeker niet te kort taxeert op een millioen jaar.

Nu nog eens de gordijn naar beneden gehaald, en een stuk wereldgeschiedenis terug. De miocene periode wordt voorafgegaan door de oligocene, een soort van overgang of tusschenbedrijf tusschen de beide innerlijk meest van elkander verschillende afdeelingen der groote tertiaire periode. De profeet echter verzamelt weer zijn beenderen in het museum en laat een dierenwereld verrijzen.

Verdwenen is de geheele heerlijkheid der kwasthoevigen. Over het land wemelt het vóór en na van equiden. Maar zij zijn nog maar zoo groot als schapen. Hoezeer zij in hun geheele houding nog steeds „paard” zijn, het is toch nauwelijks meer mogelijk van een paardepoot bij hen te spreken. De kwastteenen met hun in de lucht zwevende hoeven hebben zich namelijk te gelijk vergroot en uitgerekt. Met de uiterste hoeken raken zij dus reeds onmiddellijk den grond. Men heeft één der meest zeldzame vormen van voet voor oogen, die denkbaar is: een voet, die als het ware voor tweeërlei gebruik afwisselt. Op een volkomen hard, vlak terrein kan een dergelijk paardje alleen met den middenhoef nog maar den grond stampen en galoppeeren als een paard uit onze dagen, dat aan iederen poot slechts één hoef heeft. Op een week terrein, op den drassen bodem van het woud of op een moerasgrond daarentegen zal de poot zóó diep inzinken, dat hij reeds op alle drie hoefvlakken, die in grootte volstrekt niet meer zooveel van elkander verschillen, stevig aandrukt en dus daarmede in uitgespreiden toestand het lichaam draagt. Een dergelijke dubbele functie vindt men in enkele zeldzame gevallen ook bij andere zoogdieren. Onze zwijnen bij voorbeeld hebben iets van dien aard. Hun voet is trouwens reeds in beginsel anders gebouwd, maar in het gebruik bezit hij ook die mogelijkheid: op den vasten bodem drukt hij slechts met een stam, die uit twee hoefteenen bestaat, in het moeras daarentegen kan hij er nog twee hulpteenen bij achteraan trekken. Naar gelang van de omstandigheden mag men in verband met het gebruik ook onzen oligocenen equide nog een éénhoevig of reeds een driehoevig dier noemen. Uit een zuiver anatomisch oogpunt zal echter de naam „driehoevig” dier als de eenig juiste moeten worden gekenschetst.

Een moeilijk te begrijpen zaak: een driehoevig paard. Men zou kunnen vragen, wat aan dat dier dan nog eigenlijk paard is. Maar aan het overige gedeelte van het skelet is er geen enkele reden te ontdekken, waarom het dier op een andere plaats in het stelsel zou thuis behooren, dan onder de „equiden”, de echte paardachtige dieren. Om de merkwaardigheid echter volledig te maken, nemen wij ook bij die driehoevige paardjes ter grootte van een schaap een verschil waar tusschen voorpoot (hand) en achterpoot. De handpoot heeft ook hier, behalve zijn drie van hoeven voorziene volledige vingers, nog dat worteloverblijfsel van den pink, dat wij nu reeds bij de beide het eerst besproken equiden vonden. Maar dezen keer begint ook deze zich werkelijk met ernst in te voegen in het totale beeld. Hij is langer geworden,—hij begint een echt griffelbeen te vormen. Drie hoefvingers (de wijsvinger, de middenvinger en de pink) zijn voltooid, en een vierde vinger, de kleine, ten minste als griffelbeen in aanleg,—hoe lang zal dat zoo voortgaan, eer wij hoe langer hoe kleinere paardjes hebben met hoe langer hoe meer op menschenhanden gelijkende handen! Maar tevens zijn de vingerwortels voortdurend korter geworden, terwijl zij onderling ongeveer even lang werden, het steile optrekken van hand en voet en arm en been, dat zoo karakteristiek was voor ons paard, schijnt zich eveneens heel zacht te vervluchtigen.

Wij komen nu in de eocene lagen, de eerste en oudste afdeeling der tertiaire periode. Het morgenrood van den nieuwen tijd, zoo heb ik vroeger al eens het woord vertaald. Maar zeker is het, dat dit morgenrood heel ver van ons verwijderd straalde. Maar nog steeds werpen die lagen paardenbeenderen naar ons toe. Bijna reeds paardebotjes.

De problematische driehoevige paarden zijn uit geheel Amerika verdwenen. In hun plaats: equiden nog slechts ter grootte van een vos. De eerste blik doet zien, dat die vospaardjes nu consequent zoowel van achteren als van voren steeds op drie hoefteenen moeten loopen, waarvan de zijdelingsche alleen nog maar in de dikte van de middelste verschillen. Maar tevens is aan den voorpoot dat griffelbeen van den pink even duidelijk in het stadium van den kwasthoef gekomen. Het heeft den hoef en alle drie leden van den vinger ontwikkeld, maar hangt, daar het nog niet voldoende gerekt is, nu nog evenzeer terug tegenover de drie voornaamste hoefvingers, als bij de kwasthoevige dieren de beide zijdelingsche voornaamste vingers dat deden tegenover den middenstam.

De eocene periode op zich zelf is echter weer geweldig lang. Ontelbare geslachten van dergelijke vospaardjes volgen elkander daarin op. In het begin (van boven af gerekend) zijn zij uitsluitend driehoevigen met kwastjes. Dan, verder in die periode, zijn er vospaardjes onder gemengd met nog eenigszins andere pooten. Van achteren, aan den eigenlijken voet, komt plotseling een in wording zijnd griffelbeentje thans ook van den kleinen teen te voorschijn. Wat van voren reeds kwastje is, vertoont zich daar voor het eerst in het stadium van griffelbeentje. Een tijd lang beheerschen die griffelvosjes den toestand. Maar dan vindt men bij geslachten, die nog een stuk ouder zijn, weer een kleine, maar toch uiterst karakteristieke nieuwigheid.

Aan den voorpoot, dus aan de hand van die vosjes, groeit tegenover het pinkkwastje ook een griffelbeentje in eerst juist merkbaren aanleg. Er is geen twijfel aan: hier zien wij den duim in het stadium van griffelbeen. Wij hebben dus aan de hand, van nu af aan in aanleg, overgang en voltooiing, als griffelaanleg, kwastgriffelbeentje of voltooiden hoefvinger, alle vijf vingers van onze hand aangeduid; en van achteren, aan den voet, op dezelfde wijze minstens vier teenen. Te gelijker tijd is bij die vospaardjes hoe langer hoe meer de totale lengte en de steilte der hand- en voetbeenderen verminderd. De „verbeening” der pooten in de uiteinden is verlaten, de stam van den voet van ons paard heeft zich hoe langer hoe duidelijker vertakt. Hadden de vospaardjes niet voor en na in hun geheele skelet de ondubbelzinnigste karaktertrekken van het paard, dan zou men aan hun poot het paardenkarakter ten slotte nog maar alleen van de blijvende dikte en zwaarte van stap van den middelsten teen kunnen aflezen.

Doch ook onder de paardenkenmerken in het overige lichaam hebben zich reeds allerlei afwijkingen en bijzonderheden vermengd, die reeds openlijk beginnen af te buigen van het paard. Men heeft het zekere gevoel, dat als dat nog een enkelen trap zoo verder ging, men ook bij het geheele skelet niet meer van echte equiden zou kunnen spreken.

De gordijn valt voor den laatsten keer. Wij staan in de oudste eocene laag van Noordamerika. Er is nog geen enkel vospaardje. Maar op dezelfde plek dolen door de grasvlakte bij het kreupelbosch die schepsels, waarvan een vertegenwoordiger, Phenacodus genaamd, op de laatste plaat van het vroeger genoemde „Dierenboek” in zijn gecompleteerden ruwen omtrek is weergegeven. Die weergave kon zonder veel bijmengselen der fantasie gelukken, daar juist van dat dier de volledigste skeletten zijn overgeleverd.

De vier pooten van die diersoort hebben, eerst op zich zelf beschouwd, daar wij tot nu toe nog altijd op het onderzoek der voeten uit zijn, nog een onmiskenbare overeenkomst met die van onze vospaardjes der volgende periode. Ook hier rust het lichaam zoowel bij de hand als bij den echten voet met zijn grootste zwaarte op drie stevige hoefteenen, waarvan de middelste nog steeds, volgens het model der paarden, de stevigste en langste is. In de deelen, die bij onze vospaardjes als kwastjes en griffelbeenaanzetsels optraden, is trouwens één gedeelte weer wat meer ontwikkeld in dien zin, dat het meer nadert tot onze menschenhand en onzen menschenvoet. Van voren, aan de eigenlijke handen, is de pink zóó ver voorbij zijn stadium van kwastje, dat hij op ieder eenigszins week terrein in elk geval nog goed meewerkt, zoodat op zulke oogenblikken de hand hier zonder twijfel op vier vingers steunt. Doch te gelijker tijd is ook de duim het stadium van griffelbeen voorbij, en is bij het loopende dier in het stadium van kwastje. En in overeenstemming daarmede is aan den achtervoet de kleine teen volkomen als hulpsteun voor bijzondere omstandigheden, de groote teen, die bij de vospaardjes nog in iederen vorm ontbrak, als kwastje ontwikkeld. Men zou kunnen zeggen, dat er bij dien voet een kleine sprong vooruit is in vergelijking met het vospaardje: men zou zich een tusschenvorm kunnen denken, die daar eerst den kleinen teen als volkomen griffelbeen of kwastje vertoonde, den grooten als begin van het griffelbeen. Het lijkt alsof er een tusschenvorm was als nauwere verbindingsterm, welke vorm hier echter verloren is gegaan. Intusschen is die sprong in beginsel toch weinig belangrijk. De voor oogen liggende haltplaats is nog steeds onmiskenbaar in de hoofdlijn gelegen. Evenzeer kan het nauwelijks verbazen, dat de vinger- en teenwortels nu reeds in het geheel niet langer meer zijn dan de vingers en teenen zelf, wanneer men zag, hoe reeds bij de oudere equiden de oorspronkelijke tegenstelling van het paard hier voortdurend meer verloren ging, totdat volkomen de afmetingen der hand bereikt werden.

Slechts één enkele omstandigheid schijnt werkelijk anders te zijn en voorbij al het vroegere te wijzen op een absoluut nieuwe richting. De eindleden der half- of volkomen ongebruikte gebleven zijvingers en zijteenen zijn zóó eigenaardig samengedrukt, dat men daarin in het geheel geen breeden hoef meer ziet. Zij schijnen veel meer overeen te komen met een spitsen, op een scheede gelijkenden klauw. En heffen wij nu in eens onzen blik op tot het geheele skelet, dan wordt het ons plotseling duidelijk: bij die vier equidenpooten, die reeds op de uiterste grens staan, maar die wij toch nog in hun belangrijkste kenmerken daarvoor moesten houden, behoort een lichaam, dat in de meeste van zijn kenmerken nu niet meer aan een echten equide behoort.

Een dier is te voorschijn getreden, dat met kenmerken van hoefdieren, paarden, op de meest in het oog vallende wijze ook kenmerken vereenigt van oorspronkelijke roofdieren, zelfs halfapen,—een zoogdier, dat in ieder geval nog een zeer primitieve mengvorm is op den drempel der hoogere zoogdieren.

Als de onmiddellijk overlevenden uit die groep hadden wij de insecteneters (egel, mol en consorten) begroet. Onder hun uitgestorven vormen hadden wij zóódanige waargenomen, die reeds iets naar boven wezen naar de halfapen en latere apen tot aan den mensch; andere, die het levende type van het roofdier reeds juist begonnen aan te wijzen; en ten slotte zoodanige, die reeds blijkbaar losstuurden op het hoefdier. Die laatste deelgenooten van die merkwaardige oorspronkelijke en gemengde troep noemden wij met een in de nieuwere systematiek ingeburgerden weinig handelbaren naam: Condylarthren; in plaats van een onmogelijke, werkelijke vertaling van dat anatomische speciale woord zullen wij ze oorspronkelijke hoefdieren noemen.

Met alle vertegenwoordigers der groep van Cernays vertoonden die oorspronkelijke hoefdieren nog de oorspronkelijke vijfvingerige hand en den oorspronkelijken voet met vijf teenen van de oudste zoogdieren. Dit is alles vroeger uitvoerig verhaald. Uit den bouw dier groep van Cernays hebben de apen en met hen wij menschen tot op den huidigen dag onze vijf vingers en vijf teenen behouden. Maar in dien ouden tijd zelf bezaten ook die oorspronkelijke hoefdieren in de groep hetzelfde aantal aan hand en voet. Dit maakt duidelijk, waarom, toen wij bij ons zoeken naar het paard met onze het laatst geschetste schepsels onverwacht in die groep binnenkwamen, hand en voet op eens zoo ontzettend veel overeenkomst hadden met die van den mensch, met uitzondering alleen van de ook hier nog aanwezige hoeven.

Intusschen hebben wij vroeger medegedeeld, hoe ook de hoef zelf bij deze oorspronkelijke hoefdieren als het ware begint weg te nevelen. Die hoef is historisch een product, een ontwikkelingstoestand van den klauw. Het is dus niet te verwonderen, dat in de reeks dier oorspronkelijke hoefdieren nog allerlei overgangsvormen, waarbij klauw en hoef en ook de derde vorm, de nagel, die toen eerst langzaam als uit de moederloog uit kristalliseerde, en die aap en mensch zoo stevig hebben bewaard, nog meer of minder in elkander overgaan. En dit is het nu weer, wat wij ook bij ons oorspronkelijk hoefdier bij zijn paardachtigen poot opmerkten, dat zijn zijvingers en zijteenen, die bij het loopen minder gedrukt waren, plotseling een neiging vertoonden tot klauwachtige of nagelachtige scheppingen. En juist dien trek kunnen wij zelfs binnen verschillende soorten van die oorspronkelijke hoefdieren met op paarden gelijkende voeten nog een eind vervolgen.

De op de laatste plaat van het „Dierenboek” gereconstrueerde vertegenwoordiger, dien de Amerikaansche geoloog Cope zijn geestelijke tweede vader, op grond der vondst van de beenderen „Phenacodus” heeft gedoopt, had historisch in Amerika op die plek nog een voorganger, die door dienzelfden Cope „Euprotogonia” genoemd werd. In zijn geheelen bouw reeds bijna geheel gelijk aan den Phenacodus, had hij toch aan den voorvoet zoowel als aan den achtervoet: duim en pink, grooten en kleinen teen, die nog alle volkomen buiten het stadium van het half of geheel ongebruikte kwastje lagen,—al die toppen van vingers en teenen raakten evenzeer reeds met hun uiteinden bij het loopen den bodem, als de drie oorspronkelijke, van voren en van achteren, in het midden. Maar tevens waren bij die van nu af aan ondubbelzinnig vijfvingerige dieren,—wier middenvinger en middenteen zelfs niet dikker meer waren dan hun naastliggende makkers en nog slechts zóó weinig langer als in onze menschenhand de middelste vinger,—alle tien toppen van alle tien vingers en teenen nog slechts bekleed met de besproken mengvormen van klauw en hoef—zoodat van nu af aan, evenals de laatste flauwe weerschijn van den equidenaard, zoo ook in het algemeen het echt karakeristieke der hoefdieren scheen te verduisteren en te verdwijnen als afzonderlijke soort, die het stelsel bepaalde.

Onder de verdere makkers der Euprotogonia waren er te gelijker tijd gestalten van dergelijke „verdwijnende hoefdieren” (verdwijnend in de beteekenis van een oplossing in een volkomen gegeneraliseerden oorspronkelijken grondstam), die hun voet met vijf teenen en hun daarmede overeenstemmende hand niet meer alleen met de toppen van teenen en vingers neerzetten, maar die zich bij het loopen evenals een beer of een loopend mensch geheel en al op de platte zool lieten vallen, met de hak te beginnen,—zoodat zij daardoor ook in dit punt het laatste doel en de laatste beteekenis van het hoefdier aflegden ter wille van die oudste en meest oorspronkelijke methode van loopen bij de zoogdieren, waarvan wij vroeger reeds bij de algemeene beschouwing van den hoef in het „Dierenboek” uitvoerig gesproken hebben.

En eindelijk moet hier nog aan worden toegevoegd, dat, evenals de echte equiden ten slotte reeds samenschrompelden tot schepsels van de grootte van vossen, onder die alleroorspronkelijkste eocene wezens nu werkelijk vormen voor den dag komen, die in hun grootte zelfs afdaalden tot die maten, die wij van een „hoefdier” nooit zouden mogelijk achten, als ons niet nog tegenwoordig in dien in het „Dierenboek” geschetsten klipdas feitelijk een echte, zij het dan ook een ouderwetsche hoevendrager voor oogen stond, die nog slechts de grootte heeft van een konijn. De beschreven en in beeld weergegeven Phenacodus had nog vertegenwoordigers van zijn soort, die het tot de afmetingen van een tapir brachten, naast andere, die, trouwens volkomen in overeenstemming met de vospaardjes, niet grooter waren dan honden en vossen. Andere soorten van dat gilde daalden echter ook toen reeds af tot de maat der klipdassen, en daarmede bevestigden zij het beginsel, dat die merkwaardige achteraanblijver uit onze dagen, ons zoo al niet de onmiddellijke physionomie der oorspronkelijke hoefdieren in alles voor oogen tooverde, toch in zijn grootte van een konijn nog een stuk der alleroudste geschiedenis der hoogere zoogdieren in het algemeen, en van de hoefdieren in het bijzonder, levend vertoonde.

Ik heb die geheele keten van opvolgende beelden, te beginnen met de Amerikaansche wilde paarden tot aan de eocene Euprotogonia tot nu toe opzettelijk doen voorbijgaan in de beteekenis van een zuiver historische reeks, waar telkens het ééne beeld op het andere volgt, zonder veel commentaren er aan toe te voegen. Hij die buitengewoon voorzichtig zou willen onderrichten, zou hier het boek sluiten en zeggen: verder geeft de wetenschap er niets meer bij, en wat gij er u nog zoudt willen bijdenken, is een subjectieve geloofsbelijdenis en bespiegelende natuurfilosofie, die den exacten natuuronderzoeker niets aangaan.

De eenvoudige logica, die toch ten slotte de grondslag van alle juiste natuuronderzoek is en moet blijven, laat zich echter niet zoo afschepen. Van het oogenblik af, dat het denkbeeld bestaat in de wereld der gedachte, dat er een voortdurende ontwikkeling in de dierenwereld kon zijn, een ontwikkeling, die reeds gedurende millioenen jaren van de ontwikkeling der aarde voortduurt, die reeds ontelbare rijen van geslachten omvat en binnen die samenhangende keten van geslachten in langzame omvorming groote en in het oog vallende veranderingen te voorschijn brengt,—van dat oogenblik af moet zich ook een logische waarschijnlijkheid aan ons opdringen, dat in die geschiedenis van den paardepoot een bijzonder aanschouwelijk voorbeeld van een dergelijke ontwikkeling voor oogen wordt gevoerd.

Wij zijn met onze beschouwing die ontwikkelingslijn in tegengestelden zin te gemoet gegaan. Doch als werkelijk historisch proces moet de lijn van beneden naar boven gestegen zijn. De beteekenis dier lijn was de omzetting, vervorming van een voet, die oorspronkelijk vijf teenen had en van een hand met vijf vingers, in vorm overeenkomende met onze tegenwoordig nog bestaande menschelijke hand bij een klein zoogdier, zooltreder en op klauwen loopend, en van zeer ouderwetsche vorming—, welke vervorming door een aantal langzaam zich wijzigende overgangsvormen voortging tot het merkwaardige eenteenige, steile en in het been opgetrokken, van een hoef voorziene bewegingsapparaat der vier paardepooten aan het lichaam van een groot, geweldig zwaar dier, dat echter, wat de wijze van zijn voortbewegen betreft, is geholpen op een wijze, die onder zijn omstandigheden als het ware een ideaal is. Van station tot station zien wij, doch nu van beneden naar boven, de keten nog eens overziende, hoe de hoeven en de steile stand zich van handen en voeten meester maken, zien wij, hoe het lichaam, dat door die ledematen gedragen wordt, hoe langer hoe grooter en zwaarder wordt, zien wij, hoe de overtollige vingers en teenen stuk voor stuk eerst dienst doen als reservestutten, daarna tot kwastjes, die al geen waarde meer hebben, eindelijk tot griffelbeenderen en griffelaanhechtsels overgaan, totdat zij eindelijk ten minste voor een deel absoluut verdwijnen, terwijl de ééne middenteen van den paardepoot, die in volle stevigheid overblijft, ten slotte de geheele kracht van het geheel in zich vereenigt en alleen handhaaft.

Hoe wij ons ook de drijvende krachten, de wegen, waarlangs dergelijke omvorming en ontwikkeling heeft plaats gegrepen, mogen denken—en er zijn werkelijk binnen de ontwikkelingsidee ongetwijfeld verschillende logische mogelijkheden, die ruimte laten tot discussie en bespreking (Darwin toch had in de bijzonderheden niet dezelfde meeningen hierover als Cope, de man, die met het gunstigste resultaat de zuiver geologische feiten juist op dit gebied heeft ontraadseld, en nog anderen hebben daarover weer andere meeningen),—toch zullen hierin toch alle partijen binnen de ontwikkelingsidee eenstemmig denken, dat hier een ontwikkeling voor oogen wordt gesteld, waarvan de engere beteekenis nog gelegen is in de vervorming van een orgaan door een zeer bepaalde behoefte voor het gebruik.

De levenswijze van het tegenwoordige paard is in beginsel nog altijd de verklaring van het eerste begin. Op een uitgestrekte, harde vlakte, waar het lichaam niet inzakt, en het dus zijn teenen niet behoeft uit te spreiden, om niet in het moeras te blijven steken, wordt het beginsel in de hand gewerkt, den vierteenigen voet op het middenstuk te concentreeren, en met één enkelen stoot der elastische middenhoeven den harden grond te stampen. In het begin helpt dit kleine dieren op de vlucht, bij het trekken over de stevig dragende grasvlakte beter voort, zoodat het zich op de ééne of andere wijze in hare organisatie als „aanpassing” afdrukt. Als dit kenmerk er eenmaal is, maakt het ook aan grootere, zwaardere vormen die levenswijze mogelijk, maakt het mogelijk, dat het dier zwaarder wordt zonder dat zijn beweeglijkheid daarbij vermindert, en daarbij dat de kracht veel meer wordt geconcentreerd. Maar voortdurend, hoe zwaarder het dier wordt binnen de perken van de eischen aan de beweging gesteld, moet het bewegingsapparaat in de eenmaal ingeslagen richting verder verbeterd en verfijnd worden. De middenteen wordt ten slotte alles. Wat nog een tijd lang als reserve wordt meegevoerd, zooals de kwastteenen, dat wordt eindelijk als ballast ook over boord geworpen, opdat het groote schip zal kunnen zeilen. Totdat ten slotte na zooveel duizenden jaren, na zooveel ontwikkelingstrappen, de eischen der functie zich een toestel hebben geschapen van een zóó bewonderenswaardige sierlijkheid, en zóó tot in het uiterste verfijnd, als wij dien tegenwoordig in den paardepoot vóór ons hebben.

Dit ongeveer is het, wat naar mijn meening door iedere engere ontwikkelingstheorie in onze dagen als de „grondbeteekenis” van het geheele proces zal worden toegegeven. Van den eersten dag af dat, oorspronkelijk nog zeer onvolkomen, die geologie van den paardepoot in Amerika te voorschijn kwam, is er dan ook voor de aanhangers eener ontwikkelingsidee in alle legerkampen geen twijfel geweest, dat er niet licht een duidelijker voorbeeld kon worden gegeven van de werkelijke wijze, waarop een ontwikkeling plaats had, en van het doel dier ontwikkeling, dan bij het hier gegeven voorbeeld van het paard.

Men moet hierbij echter in het oog houden,—en dit is ook van toepassing voor hen, die twijfelen,—dat ook bij dit voorbeeld moet gelden: men kan niemand dwingen tot het aannemen van het ontwikkelingsdenkbeeld op zichzelf. Hij die haar eenvoudige grondgedachten niet ontleent aan de gevolgtrekkingen, de logica en de wetten van het meest alledaagsche leven en gebeuren, zooals wij die bij ons zelf beleven en ervaren, zooals wij die in iedere courant lezen, zooals zij ons geheele openbare en particuliere leven onafgebroken beheerschen,—hij die niet van daaruit de groote logische analogie en denkmogelijkheid medebrengt tot in het leven der dieren en planten van thans en eertijds,—hij die niet bij dat leven van planten en dieren de eenvoudige fundamenteele opvattingen meebrengt, die bij voorbeeld iedere rechter ten grondslag legt bij ieder menschelijk proces, dat namelijk de dingen zich naar hun logische juistheid en natuurlijke consequentie hebben ontwikkeld en de loop van het misdrijf of van de onschuld niet plotseling wordt gekruist door een bovennatuurlijk wonder,— —hij, die, zeg ik, van die beteekenis niet reeds de grondgedachte in zich omdraagt om ze nog maar alleen te toetsen aan de mogelijkheid, dat zij verder doorwerkt en vruchten draagt: die kan niet overtuigd worden, en vooral niet door de meest voortreffelijke geologische bewijzen. Hij die de grondidee der ontwikkeling als zoodanig niet wil erkennen en alle middelen der fantasie laat medespelen, om daarnaast een anderen uitweg te zoeken voor zijn gedachten, kan ook tusschen twee logische stations van een dergelijke ontwikkeling van den paardepoot, hoe mooi die ook mogen wezen, een bovennatuurlijk ingrijpen aannemen, het wandelen van een geest, die geen geologische voetstappen achterliet. Hij heeft daar tijd genoeg voor, en niemand heeft werkelijk het veranderingsproces direct gezien, zooals steeds het geval is bij alle geologische dingen, die steeds voor ons berusten op louter aanwijzingen, hoe het tijdens het leven geweest is. Ten slotte zou zelfs dat met eigen oogen zien nog niet voldoende zijn, immers het bovennatuurlijke tusschen twee processen zou zóó snel kunnen gaan, zóó in het verborgen kunnen geschieden, dat iedere controle van onze grove zintuigen ophield. Hij die aanneemt, dat in de geschiedenis der menschelijke kiem in den moederschoot alles zóó toegaat in een trapsgewijze ontwikkelingsreeks, als onze embryologen het ons leeren, maar dat toch op de ééne of andere bepaalde plek door een bliksemsnelle en niet te controleeren daad de individueele ziel met haar erfzonde en mogelijkheid van verlossing er ingeblazen wordt, in plaats dat de enkel langs natuurlijken weg ontwikkelde zielswerkzaamheid voortschrijdt, die kan rustig ook al die feiten der geologische beeldenreeks van den paardepoot toegeven, en toch er bij kunnen blijven volharden, dat tusschen twee opvolgende beelden telkens één, misschien wel honderden bovennatuurlijke scheppingsdaden liggen.

Ik geloof, dat men daarover niet kan disputeeren. Maar het is niet te dulden, dat nu de vertegenwoordigers van die opvattingen tegenwoordig gaarne de meening verkondigen, dat ook voor hem, die principieel een ontwikkelingsidee, die een organisch geheel vormt, niet afgebroken door wonderen, erkent als de „meest waarschijnlijke denkmogelijkheid” ook voor dergelijke geologische processen, een keten van feiten als die wij hier zoo objectief mogelijk omtrent den paardepoot hebben medegedeeld, geen wezenlijken zin en geen bewijskracht zou hebben. Hier komt thans niet meer, zooals daar, de fundamenteele meening, maar de eerlijkheid van iedere logische gevolgtrekking in aanmerking, nadat men zijn geloof heeft uitgedrukt aan het onbeperkt heerschen van een zoodanige logica. Hij die aan de geologie logica toekent, moet naar mijne meening hier het hoofd buigen.

Voor den leek is de groote moeilijkheid, dat die draden tegenwoordig alle door elkander heen loopen. Vertegenwoordigers van die wereldopvatting buiten alle doorloopende natuurlogica (die, zooals gezegd is, aan niemand kan worden opgedrongen maar ook niet kan worden ontnomen bij de vrijheid van het subjectieve denken, die een zoo groote verovering is van onze cultuur), treden de kampplaats der ontwikkelingsgeschiedenis binnen en spelen daar hun sceptische opvattingen tegen de feiten uit. Om tot steun dier twijfelzucht te dienen, wordt een grenzelooze fantasie ontplooid, hoe de dingen anders zouden kunnen zijn—terwijl toch het eenvoudige schrift der natuur hier zóó ondubbelzinnig is, dat er niets ondubbelzinnigers bij mogelijkheid kan gedacht worden. Het zal echter gaan als altijd. Ten slotte zal het eenvoudigste toch wel zijn weg vinden, en dan zal men eindelijk ook inzien, dat het zelf innerlijk rijker en dieper is dan al de praal der fantasie, die daartegen is verzonnen. Hij die onder den logischen eenvoud van de ontwikkelingsgedachte banaliteit en oppervlakkigheid verstaat, heeft trouwens zelf het echte vaandel verlaten.

De geheele prachtige keten is ons nu niet uitsluitend in de pooten van het paard overgeleverd. Als proef op de som dient, dat men die keten naar verkiezing in vooruit- of achteruitgaande richting ook kan doorloopen bij andere deelen van het skelet, om even aanschouwelijke beelden eener volkomen consequente ontwikkeling te verkrijgen.

Aan het been zelf is nog het been van het onderbeen of den benedenarm bijzonder leerrijk. Zooals wij reeds eenmaal hebben medegedeeld, is het bij ons paard niet meer in dien zin een dubbelbeen als bij ons (ellebeen en spaakbeen in den arm, scheenbeen en kuitbeen in het been). Daar het onderbeen van het paard, wat plaats en functie betreft, eigenlijk tot bovenbeen bevorderd is, maar het bovenbeen (en ook de bovenarm) naar het oorspronkelijke type van alle dieren, die van armen en beenen voorzien zijn, steeds uitsluitend bestaat uit één enkelen, op zich zelf één geheel vormenden, solieden en onbeweeglijken beenen stam, lag het uit een werktuigkundig oogpunt weer voor de hand, dit onderbeen van het paard ook zelf stevig te maken op de wijze van het bovenbeen. Dit is nu ook zóó geschied, dat aan den voorpoot van het paard de ellepijp in verkwijnden toestand met het spaakbeen stevig vergroeit, maar dat aan den achterpoot van het paard van het geheele kuitbeen, uitwendig zichtbaar alleen een fragment van het bovenste stuk als griffelbeen behouden blijft. In beginsel en voor het gebruik valt dus het tweede been daar zoowel als hier eenvoudig weg, en het onderbeen vormt een enkelen stam in de beteekenis van een werkelijk bovenbeen.

Dat tot bovenbeen worden van het onderbeen kan nu in de keten volkomen evenwijdig met het tot onderbeen worden van den voet eveneens historisch worden gevolgd als iets dat langzamerhand „geworden” is. De oorspronkelijke hoefdieren, Euprotogonia en Phenacodus, bezitten nog ellepijp en kuitbeen als even lange, vrij beweeglijke beenderen naast spaakbeen en scheenbeen, volkomen op dezelfde wijze als wij menschen, die ook hier trouwer gebleven zijn aan het oorspronkelijke type. Ook bij de vospaardjes, dus reeds bij de oudste echte equiden, is de zaak nog eveneens. Op de volgende geschetste equidentrappen ziet men dan absoluut duidelijk, hoe van voren de ellepijp zich hoe langer hoe meer vastlegt tegen het spaakbeen, zich eerst wat de plaats betreft daarmede vereenzelvigt, zooals twee menschen, die elkander stevig omarmen, maar hoe zij daarna werkelijk vergroeit; terwijl tevens van achteren het kuitbeen dun wordt, zich eindelijk van onder op de dunste plek losrukt en in het blijvende boveneinde tot een hoe langer hoe korter griffelbeen wordt. De kwasthoevige dieren van de grootte van een egel hadden reeds ellepijp en spaakbeen vast aaneen verbonden en hadden als kuitbeen reeds een dun spits griffelbeen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings