← Table of contents
Het paard

Het Paard. (continued 3)

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Die kleine kortbeenige langgerekte nijlpaardneushoorns, waarover wij reeds gesproken hebben, dragen daarentegen hun hoorn ver aan de voorzijde op de uiterste spits der neusbeenderen. Een gelijktijdig voorkomende tweede soort heeft reeds den naam van tweehoornigen neushoorn, doch dit beteekent hier, dat op ieder neusbeen een afzonderlijke hoorn zat, zoodat de beide horens niet achter, maar naast elkander uitstaken, iets wat een uiterst vreemden indruk moet hebben gemaakt. De merkwaardigste proefneming was echter de keus tusschen een hoorn gewoon op den neus en een op het voorhoofd.

Bij onze levende tweehoornige rhinocerossen moet reeds eenvoudig uit gebrek aan plaatsruimte de tweede hoorn, als deze achter elkander gelegen zijn, in plaats van op de echte neusbeenderen, op het voorhoofdsbeen boven de oogen komen. Nu bestond echter een tijd lang blijkbaar ook de mogelijkheid, dat slechts één hoorn werd ontwikkeld, maar dat ook deze op het voorhoofd werd geplaatst. Het type, dat hier ontstond, moest, zooals wel onmiddellijk duidelijk wordt, tot een dier leiden, dat thans behoort tot de „mythen der zoölogie: een nog meer of minder op een paard gelijkend groot wezen met een langen, spitsen hoorn op het voorhoofd—in het kort tot den éénhoorn”. Onze wapens vertoonen ons dat legendarische, overal beroemde dier als een heuschelijk paard met een langen, gedraaiden hoorn, die scheef op het voorhoofd naar boven loopt. De mythe, dat die „éénhoorn” een nog levend schepsel is, is uit het oosten afkomstig. Wat men als het wapen van den zoogenaamden eenhoorn in vorstelijke variëteitenmusea als een hoogst merkwaardig en kostbaar iets bewaarde en men in kleine hoeveelheden zelfs als allervoortreffelijkst geneesmiddel aan vorstelijke patiënten ingaf, is gebleken iets geheel anders te zijn: die gedraaide spitse stangen zijn niets anders dan een echte tandmassa, en wel zijn zij als geheel ieder een kolossale hoektand, die afkomstig is van een zeezoogdier, den narwal, dus van een walvisch. Aan wat voor een dier echter de mythe van den éénhoorn zich vastknoopt, is tot op den huidigen dag niet met zekerheid opgelost; mogelijk is intusschen het volgende.

In die oude tijden schommelde het tongetje van de weegschaal, in welke richting bij bepaalde rhinocerossen de hoorn zou gaan, zooals gezegd is, heen en weer; het was niet uitgemaakt, of hij op den neus, dan wel, zooals dat bij de eenhoorns zou moeten zijn, op het voorhoofd zou komen. Bij die aceratheriën waren de neusbeenderen inderdaad zóó zwak, dat zij zeker geen hoorn konden dragen. Daarentegen vermoedt men, dat toen reeds vormen, met een hoorn op het voorhoofd, voorkwamen. En dat is dan het beginsel en tevens de uiterste consequentie geworden bij een in zijn soort werkelijk afgrijselijken neushoorn, die nog in de diluviale periode in de Rijnprovinciën en in Siberië heeft geleefd,—het Elasmotherium. Zijn gereconstrueerd beeld hebben wij reeds in ons „Dierenboek” weergegeven. Het was de grootste neushoorn, die ooit heeft bestaan. De schedel alleen was ongeveer een meter groot. In zijn hoektanden liet hij de grootste buitensporigheid zien, die ooit bij tanden van neushoorns waren waargenomen: in hun prismatischen vorm met zwakke wortels zijn het formeele paardentanden geworden, als wilde hier nog eens voor het allerlaatst een neushoorn als uitlooper ten minste in dat ééne punt den paardenstam trachten in te halen. Te gelijker tijd zijn echter de glazuurplooien zóózeer in arabesken gewonden, dat men herinnerd wordt aan den echten bijlooper der paardachtige dieren, het Hipparion, het dier, dat onder dezen de meest buitensporige windingen der tandplooien doet zien. Blijkbaar dus in ieder opzicht een groote zonderling. Dat Elasmotherium heeft nu op het voorhoofdsbeen boven de oogen (en alleen hier, niet ook op den neus) een zóódanigen halfbolvormigen beenknobbel, dat er werkelijk geen andere verklaring mogelijk is, dan dat daarop een ontzaglijk groote hoorn heeft gezeten. Voor dien reus met de kracht en de woede van een neushoorn ongetwijfeld een ontzettend wapen. Een beter geologisch model voor den eveneens als een vreeselijk dier geschetsten eenhoorn der mythe is niet goed denkbaar. Nu is het echter met die diluviale dieren een eigenaardige zaak. In hun tijd zijn zij zeker wel allen nog door menschen gezien en gejaagd, in ieder geval door praehistorische menschen. Vele soorten zijn toen volkomen verdwenen, zoo bij voorbeeld die roodgevlekte neushoorns van Weimar, die groote overeenkomst hadden met onzen tegenwoordigen tweehoornigen Afrikaanschen neushoorn, de mammouths en nog andere. Andere zijn echter tot heden in stand gebleven. De muskusos leeft nog binnen den poolcirkel, de Saiga-antilope in Zuidrusland, het wilde paard in Centraalazië—allen makkers uit dien voormaligen tijd. Beenderen van het Elasmotherium liggen in Siberië. In dat Siberië verhalen nu Mongoolsche jagerstammen, de Toengoezen, van ontzaglijke zwarte stieren, die eens bij hen het land onveilig zouden hebben gemaakt; op het voorhoofd zouden zij één enkelen hoorn hebben gedragen, zóó groot, dat een geheele slede nauwelijks groot genoeg was, om dien als jachtbuit te vervoeren. Is dat nog een gerucht van het Elasmotherium, dat nog voor het laatst weerklinkt? En heeft de mythe van den éénhoorn daar zijn aanknoopingspunt gevonden? Het zijn alles open vragen, maar merkwaardig genoeg, waarvoor wij misschien later nog eens aanwijzingen zullen vinden.

Intusschen moeten wij ons hiermede tevreden stellen, dat van al die merkwaardige bijloopers der paardachtige dieren, de neushoorns, nog een paar pronkstukken levend tot ons gekomen zijn. In Noordamerika zijn zij reeds vroeg geheel verdwenen. Naar Zuidamerika schijnt reeds geen enkele soort meer gekomen te zijn, toen de verbinding daarmede weer hersteld was. Daarentegen heeft de oude wereld voor hen reeds van een bepaalden voorwereldlijken tijd af als hun natuurlijke woonplaats gediend, waar zij zich langen tijd zoo weelderig mogelijk hebben kunnen ontplooien. Met heel wat meer energie dan de tapir hebben zij aan de invallende koude daar in het noorden nog weerstand geboden, maar eindelijk zijn ook zij alleen tot de tropen beperkt geworden. Op het hoogland van Tibet, waar de sneeuwluipaard op roof uitgaat en op de hellingen van het Himalayagebergte de merkwaardige Gnoe klimt, hebben ten slotte nog neushoorns geleefd, die aan die gebergten waren aangepast,—tegenwoordig vinden wij ook van deze nog slechts beenderen. Toch zijn nog drie scherp van elkander gescheiden soorten levend tot ons gekomen, een nieuw bewijs, hoe dat oude geslacht zich op verschillende wijzen heeft ontwikkeld.

De ongetwijfeld meest oorspronkelijke en in zijn soort meest op zich zelf staande vorm, is die, welke in onze zoölogische tuinen het zeldzaamst is. De bezoeker dier tuinen pleegt zich in te prenten, dat de Aziatische neushoorn de eenhoornige, de Afrikaansche daarentegen de tweehoornige is. Hier moet hij echter er nog bij leeren, dat er feitelijk ook een Aziatische tweehoornige neushoorn bestaat, die er echter geheel anders dan de beide anderen uitziet. Naar de plek, waar hij het eerst ontdekt werd, is men gewoon hem Sumatraanschen neushoorn te noemen, maar hij komt in een vastelandsvorm ook wel in Achterindië voor. Ongetwijfeld is hij ontsproten uit een oorspronkelijker tak van den stamboom en leidt nog het diepst in de reeks der nog tertiaire rhinocerossen. Zijn kiezen komen het minst met die van paarden overeen, zij blijven kort en zonder cement, zijn huid is betrekkelijk dun (en hoewel hij niets te maken heeft met die noordelijke pelsvormen) nog in het oog loopend sterk behaard. Daarenboven is hij kleiner dan alle andere en hij draagt den achtersten hoorn zóóver terug, dat deze nog den echten stand heeft van den eenhoorn.

Een exemplaar, dat Mützel (in Hecks „Dierenrijk”) meesterlijk heeft geteekend, vertoont beide horens bijna alleen in den vorm van groote knobbels, en het geheele dier herinnert bijna aan een grooten, zeer haveloozen en geplooiden tapir. Met dit uiterlijk kwam volkomen een Sumatraansche neushoorn overeen, dien ik lange jaren geleden in den „Jardin des Plantes” te Parijs levend heb gezien; deze was alleen dichter behaard. Volkomen dergelijke knobbelig korte horens heeft een opgezet paartje uit Malakka in het Londensche museum van natuurlijke historie; de dragers van die horens zijn twee in het oog vallend leelijke dieren, wier lange en verdroogde koppen bijna overeenkomen met krokodillenmuilen, die men heeft vastgemaakt aan het harige lichaam van een zoogdier. Des te interessanter was voor mij echter een levend dier van den zoölogischen tuin, dat den Achterindischen vastelandsvorm in een prachtexemplaar deed zien. Het leefde daar reeds sedert geruimen tijd, en een (in het jaar 1900 gestorven) wijfje van diezelfde soort had het daar zelfs twee en dertig jaar in de gevangenschap uitgehouden. Dezen keer was de voorste hoorn een ontzettend groot en lomp wapen in vergelijking met het kleine lichaam; de achterste vormde ook hier slechts een breeden heuvel. Aan het lichaam kwam de plooiing zeer sterk voor den dag. Buik en pooten waren zeer dicht, wollig en bruinzwart behaard. De rug was op enkele plaatsen slechts met korte haarborstels bezet en overigens als het ware glad afgeschuurd, de ooren daarentegen hadden een dikken pikzwarten rand, waaraan de naam „ruwoorneushoorn” zijn oorsprong ontleent. De geheele kleur neigde tot het roode. De pooten leken bijna sierlijk in verhouding tot den grooten kop. Terwijl ik naar hem keek, nam hij de hurkende zithouding der honden op het achterdeel aan, die zoo dikwijls beschreven en afgebeeld is bij den Afrikaanschen neushoorn.

De grootste tegenstelling met dezen kleinen harigen neushoorn levert de sedert de oudste tijden bekende Indische neushoorn op. Vroeger over geheel Vóórindië verspreid, leeft hij tegenwoordig nog alleen in de zuidelijke voorgebergten van den Himalaya en is hij blijkbaar op het punt van uit te sterven. Met hem verdwijnt één der meest ornamenteele dieren der aarde. Hij ziet er uit, als uit steen gehouwen, een prachtig beeldhouwwerk der natuur, dat alleen leelijk kan gevonden worden door iemand, die geen oog heeft voor stijl. Ook hem bekomt de gevangenschap zóó goed, dat hij daarin stokoud wordt, en dat hij ook hem, die niet zelf in de tropen kan rondreizen, ten minste een blik doet slaan op een volwassen en volkomen ontwikkelden neushoorn.

De levensuitingen, die men aan een dergelijken steenen kolos daar kan waarnemen, zijn trouwens zoo spaarzaam mogelijk. Een op en neer wippen der oogen, als hij lui in de zon ligt, en plotseling een ruk als van een vliegenklap. De gang is katachtig zacht op zijn veerkrachtige zoolkussens, die voor mij bij de ontzaglijke grootte steeds iets beangstigends, iets spookachtigs heeft—men meent, dat hij achter iemand kan komen staan met zijn kop met potsierlijke ooren, zonder dat men hem hoort aankomen. De papegaaienbek, die open staat als om te bedelen, stelt in de gelegenheid de verregaande verkwijning van het voorgebit gemakkelijk te bestudeeren. En ten slotte het oog, dat onvergelijkelijke oog van den rhinoceros, dat iets zoo eigenaardig boos heeft als geen ander oog van een zoogdier. De neushoorn kan in den waren zin dol van woede worden, hij handhaaft dan, zooals ik reeds vroeger heb gezegd, het onweerstaanbaar impulsieve van het schuw wordende paard, maar niet zooals deze als verdediger, maar als aanvaller. Maar dit is wel niet van toepassing op den bedelaar, die zich daar aan het getraliede hek door kinderen laat voederen, en van wien wij weten, dat hij als echtgenoot en vriend ook zijn teedere gevoelens heeft. Het oog van den rhinoceros heeft veeleer in zijn uiterlijk iets, dat aan een zoogenaamd „boos oog” doet denken.

Men zoekt het in het gelaat op een andere plaats, namelijk open en rond onder de diepe inzinking van het voorhoofd. Maar dan ziet men het plotseling heel ergens anders, veel lager, bijna eerst daar, waar men de neusgaten verwacht, en het komt juist bij den hoorn voor den dag, zoodat men het niet kon zien, zonder te gelijker tijd de bedreiging van het vreeselijke wapen te ondervinden. De booze indruk wordt in den oogappel nog hierdoor versterkt, dat onder de donkere pupil bij iedere beweging zooveel wit voor den dag komt. Als men den neushoorn zoo boosaardig ziet dreigen met blik en hoorn, zou men werkelijk meenen, dat hij in staat was onder het lichaam te hollen van den olifant op hooge pooten en hem een doodelijken stoot van beneden naar boven toe te brengen, zooals dit in het zoölogische sprookjesboek der strijdlustige oudheid, bij den ouden Plinius, zoo aardig geschetst is, maar in de werkelijkheid toch niet voorkomt. Het paard heeft immers in de mythe altijd reeds een groote rol gespeeld met zijn merkwaardigen kop en blik. Hoe zou dit nu niet het geval zijn met dit gepantserde paard, dat zijn wapen op een zóódanige plaats heeft, alsof het inderdaad met zijn oogen den stoot toebracht!

Van alle levende soorten der neushoorns heeft deze echte Indische neushoorn het meest zijn huid werkelijk in een pantser veranderd. De groote leeren platen hangen in de plooien juist zooals op zich zelf onbeweeglijke platen in verschuifbare geledingen. Daar echter ook die platen door een uitgebreide knobbelvorming iets van een wegnevelend mozaiekbeeld hebben, een trek, die bij een nauw verwante soort overgaat in een werkelijke sierlijke uitwendige begrenzing der veelhoekige lederen schilden, — dringt de overeenkomst met een wezenlijken drager van een hard pantser onder de zoogdieren krachtig naar voren, en wel die met het gordeldier. Men zou een oogenblik het denkbeeld kunnen koesteren, dat wij hier alleen te doen hebben met een ineenvloeien van echte mozaiekplaten, zooals bij die Glyptodonten van Zuidamerika, waarover wij hebben gesproken. Aan het embryo van den neushoorn komt met iedere wrat of ieder knobbeltje of met ieder schildje inderdaad een duidelijke op zich zelf staande harde huidpapil overeen. Zouden er achter die Indische vormen reeds vroeger eens neushoorns geweest zijn, die mozaiekpantsers droegen, welke volmaakt overeenkwamen met die der gordeldieren, in ieder geval uit een zóó leerachtige massa bestonden, dat daarvan niets versteend werd en dus de geologie ons geen uitsluitsel kon geven?

Ook naast dezen grooten gepantserden Indischen neushoorn bestaat er een eilandvorm, de zoogenaamde Wara, of Javaansche neushoorn, die echter eveneens verbreid is over het vasteland van Achterindië, zooals de Sumatraansche neushoorn. Deze heeft die fijnere mozaiekbedekking, waarvan wij reeds gesproken hebben. Het merkwaardigst is echter, dat eertijds ook de Afrikaansche tweehoornige neushoorns, die tegenwoordig zoo scherp van de andere zijn afgescheiden, onmiddellijk naast die Indische voorkwamen: hun beenderen liggen nog in het diluvium van Madras. Dit was dus in dezelfde periode, waarin die roodgevlekte neushoorns van Weimar in Duitschland leefden, en ook die Duitsche, later Siberische pelsrhinocerossen waren immers, zooals wij gezegd hebben, niet anders dan met een pels voorziene dubbelhoornige neushoorns van de familie der tegenwoordige Afrikaansche neushoorns. Die stam moet dus in een nog volstrekt niet ver afgelegen tijd de meest zegevierende en meest verspreide geweest zijn van alle overlevenden. Wat kan nu de reden zijn, dat zij zoo plotseling uitsluitend beperkt zijn geworden tot het aequatoriale Afrika? Een vraag, waarop geen antwoord kan worden gegeven.

In ieder geval was echter dat Afrika op het oogenblik, dat de Europeanen der cultuurperiode met hun vuurwapenen in dat land aankwamen, het meest met neushoorns gezegende land der geheele wereld, als men het aantal kolossen rekent, en ook tegenwoordig wemelt het in Duitsch en Britsch Oostafrika nog van hen, ten minste in het gebied van den Kilimandsjaro. Het is de plek, waar Schillings zijn meesterlijke momentopnamen heeft gemaakt. Aan hem zijn wij ook de tot nu toe beste beschrijvingen van den wilden steppenneushoorn verschuldigd.

Wij zien hem in zijn natuurlijke omgeving, de met gras en struiken begroeide steppe, die naar gelang het de regentijd of de droge tijd is, daar ligt in den groenen weerschijn van den nieuw ontstanen grastooi, over een uitgestrektheid van mijlen ook met water bedekt, door enkele stroombeddingen door den regen met zilver doorstroomd,—of ook dor en kaal, vaal en bruin met uitgestorven plantengroei, waar de plaatsen van „inzinking” het oog slechts hier en daar een rustpunt gunnen, „waar acacia’s, terminalia of andere boomen en struiken zooveel grondwater vinden, dat zij gedurende langen tijd hun bladerentooi konden behouden”. „Wij hebben hier te doen met dorre, uitgestrekte, vrije vlakten, die, in den regentijd overstroomd, als zij opdrogen, witachtige met zout doortrokken vlakten vormen, die slechts aan spaarzame grasstruiken het leven schenken, nu weer met onafzienbare groene of vaal verbrande grasvlakten, en dan weer met acaciaboschjes in onafzienbare uitgestrektheid of met hagedoornen bedekt zijn, die voor het leekenoog overeenkomst hebben met vruchtboomen en daarom ook zeer treffend boomgaardsteppen worden genoemd. Daar waar de steppe met blijvende acacia’s dicht begroeid is, kunnen deze natuurlijk hoog van stam zijn of, in jongere exemplaren, meer struikachtig. Ook kan de steppe bedekt zijn met heesters en struiken van verschillenden aard, waartusschen in den regentijd gras tot manshoogte opgroeit en planten van verschillende soort, met stekels en doornen bedekt, tusschen de boomen en struiken gevonden worden. Een aantal soorten Euphorbia’s, ook voor het leekenoog goed kenbaar, drukken op het geheel een typischen stempel”. Van tijd tot tijd onderbreekt een termietenheuvel van verscheidene meters hoog de vlakte of steekt een kolossale apenbroodboom uit; „vreemd en zonderling van vorm bereikt deze dikwijls, gehuld in een schitterend grijsglinsterenden bast, een omvang van vele meters, door zijn verschijning wekt hij den indruk van den voorwereldlijken tijd; de reiziger leert hem echter spoedig waardeeren; immers menigmaal bergt hij in zijn hollen stam rijkelijke hoeveelheden water, die uit den regentijd afkomstig zijn en dikwijls het eenige water uitmaken, dat over een omtrek van een aantal dagreizen gevonden wordt”. Op die steppe zien van verre hooge vulkanische bergen neer, die in weerwil van hun ligging in de tropen op hun toppen met overgebleven sneeuw en gletscherijs zijn bedekt, terwijl aan hun voet de steppenstruiken overgaan in een echt oerwoud. Ontelbare groote, voor een deel reusachtige zoogdieren bewegen zich vóór dat landschap als achtergrond. „Als stroohalmen geknakt liggen boomen van aanzienlijke dikte rechts en links van ons pad, daar waar een kudde olifanten haar weg heeft genomen, en de in den regentijd ontstane olifantensporen gelijken merkwaardig veel op diepe groeven, die een jaar en langer zichtbaar blijven, en waarin het volstrekt niet zonder gevaar is te struikelen. Behalve de olifantenkudden, die reeds maanden geleden hun weg door de steppe hebben genomen, zijn de sporen en kenteekenen van een ander groot dikhuidig dier, den neushoorn, duidelijk en op karakteristieke wijze uitgedrukt. Naar de verschillende waterplaatsen voeren over een lengte van verscheidene kilometers uitgeloopen, elkander kruisende wildpaden, die, zeer duidelijk merkbaar in de nabijheid van het water, zich in de uitgestrekte steppe geleidelijk verliezen. Evenals de olifanten hebben de neushoorns op verschillende plaatsen aan de stammen van heesters en aan de doornstruiken hun schatting geheven, en enkele struiken vinden wij meer of minder volledig van hun takken beroofd”.

Het is de moeite waard, bij die schildering stil te staan, en dat wel niet alleen ter wille van den neushoorn. Zij geeft ons tevens nog een beeld van het oorspronkelijke milieu, waarin de hoofdmassa der wereld van onze tegenwoordige zoogdieren in het algemeen is ontstaan. Dat landschap moet in de tertiaire periode onmetelijke gedeelten der aarde hebben beheerscht, begunstigd door een heel wat warmer klimaat tot op hooge noordelijke breedten. Met die verhoudingen zijn de kolossale verzamelplaatsen van beenderen in Noordamerika, Europa en Azië in overeenstemming. Zoo moet het er uitgezien hebben te Pikermi bij Marathon, aan den Sivalikheuvel in Indië, in het Rijndal bij Eppelsheim, in de zuidelijke staten van Noordamerika, toen daar een ontzettend gewemel van groote en zelfs van de allergrootste voorwereldlijke zoogdieren en in de eerste plaats hoefdieren te zamen leefde. In een zoodanig milieu heeft zich de geheele middelste geschiedenis van het paard eens afgespeeld, tot wier uiterste speelruimte ook de driehoevige neushoorn nog behoort. Het is het beeld van het landschap, dat ons steeds weer voor oogen zal komen, als wij misschien later zullen hooren van het ontstaan der groote groepen van herkauwende dieren, de wieg der buffels, antilopen, giraffen, zooals zij tegenwoordig of voor een gedeelte nog voor korten tijd behooren of behoord hebben tot de karakteristieke dieren der Afrikaansche steppen.

Hoewel tegenover de Aziatische neushoorns tegenwoordig een type, dat een organisch geheel vormt, vervallen toch de Afrikaansche neushoorns klaarblijkelijk in onderling zeer verschillende vormen, waarvan mij de systematiek nog niet voldoende uitgewerkt voorkomt. De grootste soort, juist die, welke bekend staat onder den naam van den „witten neushoorn”, werd voor een tijd als uitgeroeid beschouwd, maar is in de laatste jaren weer teruggevonden en naar versch geschoten stukken gephotografeerd. Uit onze dierentuinen waren de dubbelhoornige neushoorns voor eenigen tijd geheel verdwenen. Sedert Schillings ook hier de betoovering heeft verbroken, komen ten minste jonge dieren weer naar Europa. De Berlijnsche tuin kon een tijdlang bij dergelijke jonge dieren, die reeds schoone horens hadden, twee zeer van elkander afwijkende grondtypen voor oogen voeren. Heck heeft in het algemeen gelijk met zijn bewering, dat de Afrikaansche neushoorn leelijk is in vergelijking met den éénhoornigen Indischen neushoorn. De oorzaak ligt echter eigenlijk juist hierin, dat de meer beweeglijke, meer dunbeenige tweehoornige neushoorn meer gelijkt op zijn schoonen dubbelganger, het paard; maar daar hij, niettegenstaande die gelijkenis, toch een neushoorn blijft, lijkt hij een lompe en houterige, onhandig in elkander gespijkerde caricatuur van het paard, terwijl de Indische neushoorn geheel zijn eigen weg volgt. De Indische neushoorn is een prachtig etalage-voorwerp, dat geen ornamenteeler indruk maakt dan wanneer het dicht voor den beschouwer zoo rustig mogelijk stilstaat als om te worden gephotografeerd. Om den Afrikaanschen neushoorn recht te doen wedervaren, moet men hem over een uitgestrekte vlakte zien razen en voorthollen, moet men zien, hoe hij in weerwil van zijn lompe horens, die dikwijls de dikte hebben van komkommers, spelend gemakkelijk den kop omhoog werpt als een heuschelijk paard en de beenen naar voren werpt uit de leelijke heupen. Dan begrijpt men heel wat van den neushoorn uit het woord „getraind”, dat Schillings op hem toepast, en wanneer een deel der aesthetica van het dier toch altijd samenhangt met het volmaakt oplossen van een technisch bewegingsvraagstuk, zóó dat die beweging sierlijk en zonder eenige inspanning is, dan zal men juist van den tweehoornigen neushoorn moeten erkennen, dat hij in zijn soort in weerwil van ontzettend veel ongunstige factoren (die in de zwaarte, dikhuidigheid en bovenal de rol van het voorgedeelte van den kop als zetel van zijn wapen gelegen zijn), toch werkelijk nog al het mogelijke volbrengt tot aan de grens van een sierlijke lijn. Staat hij in een nauwe, afgeperkte ruimte, dan is hij zeker een verdraaid monster, dit kan ik niet ontkennen; het paard daarentegen blijft ook dan nog een prachtig dier.

Schillings heeft menig aardig staaltje medegedeeld van het verstand der tweehoornige neushoorns. Zoo bij voorbeeld, hoe bijzonder ontwikkeld hun plaatszin is in de steppe, die toch zoo weinig afwisseling biedt. Vier uur lang kon hij eens het spoor van een neushoorn volgen, dat oostwaarts rechtuit naar een kleinen waterpoel in de woestenij leidde; toen de dorstige reus dien had bereikt, bleek het, dat ook deze verdroogd was; nu boog dat spoor weer in een even rechte lijn westelijk af, om na drie uur bij een tweeden poel werkelijk naar water te voeren. Wat een ontzaglijke topografische kennis moet die neushoorn, die zoo rechtuit er op afging, in zijn kop hebben gehad, een kennis, die ongetwijfeld op persoonlijk verkregen ervaring berustte. Dat is de trap van verstandelijke ontwikkeling, van waar wij ons moeten voorstellen, dat het paard is uitgegaan.

Ook aan Schillings is de sterke individueele verscheidenheid niet ontgaan. Daarin is misschien wel het meest beteekenisvolle verschijnsel gelegen van het geheele hoogere dierenleven, maar hoe weinig is dat nog onderzocht. Hoeveel bronnen van meeningsverschil tusschen dierenschilders berusten daarop. Individueele trekken worden bij het teekenen der karaktertrekken onwillekeurig onbetwist tot soortkenmerken verheven, later neemt dan een tweede onderzoeker een individu waar, dat geheel anders handelt, en meent dan het recht te hebben tot de scherpste critiek; en toch hebben individueel beiden gelijk. Niet zelden leidt dit tot geringschatting van het intellectsleven der dieren, welke geringschatting tegenwoordig bij critisch aangelegde personen zoo geliefd is als tegengif tegen het oude „jagerslatijn”, maar even dikwijls weer niet minder „critisch onjuist” is. Iemand rilt van het denkbeeld, dat het ééne of andere bijzonder stompzinnige, onervaren en onpractische menschenexemplaar als voorbeeld zou genomen worden voor het verstand van het geheele menschdom; maar ook de meest sceptische dierenpsychologie is bij het geringe en aan zoo groote toevallen onderhevige materiaal steeds aan die mogelijkheid prijs gegeven. Het is volkomen dezelfde quaestie als bij het bang geworden, in een paniek medegesleepte dier. Het handelt dan steeds naar de meest blinde, oogenblikkelijke aandrift van zijn instinct, dikwijls zelfs zóó, dat dit instinct het dier juist het tegengestelde laat doen van wat noodig is, en dus in dat speciale geval zoo onnoozel mogelijk. Hoe gemakkelijk kan men nu uit een zoodanig gedrag de gevolgtrekking afleiden, dat in de hersenen van een dergelijk dier zoo goed als geen verstand in het spel is. Nu moet men echter eens een vergelijking maken, hoe menschen zich bij een paniek gedragen, en welken indruk dat gedrag zou maken op een kalmen waarnemer, die overal die handeling verwacht, die in dat individueele geval zoo practisch mogelijk is, als hij dat gedrag bij voorbeeld in vogelperspectief kon overzien, zooals hij het werk der mieren beschouwt. Aan den anderen kant moet men bij voorbeeld eens letten op een muis, hoe zij zich zinneloos gedraagt in den eersten panischen schrik, hoe zij de eenvoudigste mogelijkheid om te vluchten over het hoofd ziet—en hoe zij handelt, als (misschien eerst na eenige uren) die razernij overwonnen is en het verstand weer begint individueele mogelijkheden tot vlucht te beproeven, om op de ééne of andere wijze toch nog van den toestand zooveel mogelijk partij te trekken en met overleg en volharding de redding door te zetten; men zou meenen, twee geheel verschillende wezens vóór zich te hebben, waartusschen de geheele weg nog gelegen was naar het werkelijke verstand.

Nog van een ander voorwereldlijk schepsel moet hier een woord tot slot worden gezegd, om den kring der bijloopers bij het oorspronkelijke paard nog vol te maken. Het is vroeg weer op aarde verdwenen, maar dank zij de groote Amerikaansche vindplaatsen zien wij zijn goed bewaard gebleven geraamte tegenwoordig, in het oorspronkelijke of in gips afgegoten, dikwijls in onze musea voor palaeontologie.

In zijn meest volkomen vorm heet hij het „Titanotherium”. Het is over dien vorm in zijn tijd nooit heengekomen.

In zekeren zin kan het Titanotherium, dat niet langer bestaan heeft dan tot in de miocene periode, juist het best aan de neushoorns worden aangeknoopt. Zonder eenigen twijfel is ook zijn stam een korte zijloot van den paardenstamboom, maar die toch een eind ver voor ontwikkeling vatbaar is, en die zich evenals de tapir en de neushoorn in de nabijheid der jongere vospaardjes afscheidde. Wij kunnen in Noordamerika nog overgangsvormen herkennen, die in die richting liepen zonder nog den lateren eindtoestand te bezitten. Ook het echte Titanotherium heeft nog aan de voorpooten de vier teenen van den tapir en de oudste neushoorns. Maar zijn gestalte overtrof spoedig in grootte verre de afmetingen van den tapir. Reeds in dit opzicht vertoonden die vreemde bijloten der paardachtige dieren de eigenaardigheid van den neushoorn. Zelfs hebben zij eindelijk den neushoorn nog ver achter zich gelaten. Zwaarder in bouw, maar in hun geheel hooger dan de grootste rhinoceros, zijn zij geëindigd met de grootte van olifanten. Hun merkwaardigste lichaamsdeel was echter hun schedel. Hij doet denken aan den neushoorn, maar loopt in de merkwaardigste speling weer ontzaglijk ver daarvan af.

Wij hebben gezegd, dat de hoorn op den neus van den rhinoceros een reusachtige verharding is van de huid, waarin echter geen echte beenige haak zit. Toch heeft zich de schedel van den neushoorn eenigszins aan het bestaan dier horens als draagbalken aangepast. Waar zij de neusbeenderen belasten, ziet men ook aan den schedel de daarmede samenhangende verhoogde stevigheid om dien last te dragen. Met den hoorn op het voorhoofd van het elasmotherium was zelfs een opgeblazen en dik beenkussen op dat voorhoofd in overeenstemming. Stellen wij ons nu een dergelijk kussen nog een eind hooger van den schedel uit naar voren gedreven, dan moest dat toch langzamerhand den horen ontlasten, daar het dien voor een deel verving. Langzamerhand was een hoornscheede op de beenwoekering van den schedel voldoende, zooals onze ossen die hebben. Doch ten slotte kon ook dat zelfs wegvallen. De beenderenvoorsprong zou kunnen omkleed worden met een eeltachtige huid, en dan zou deze nog altijd een van verre zichtbare hoornversiering vormen,—het zou echter een open vraag zijn, of deze hoorn zoo veerkrachtig zou zijn voor het stooten, en de hersens, die in den schedel gelegen zijn, zou bevrijden van al te sterke schokken. Intusschen moest echter de beenige hoorn ook van het voorhoofd naar den neus verhuizen. En evenals bij die voorwereldlijke neushoorns, die naast elkander twee neuswapens droegen, op ieder der beide neusbeenderen één, rechts en links, zoo moest ook de beenwoekering zich in tweeën splitsen, opdat op ieder neusbeen een afzonderlijke voorsprong kwam. Wij hadden dan uit een neushoorn een zoo eenvoudig mogelijk, echt Titanotherium gemaakt.

Van zijn neus, maar wel te verstaan, nu niet van de eeltvormig verharde neushuid, maar van het been zelf, stegen twee korte, dikke komkommers evenwijdig naar boven. Met een eeltvormige huid oppervlakkig bedekt, moeten zij van verre in ieder geval eenigszins geleken hebben op een stompen dubbelen hoorn, zooals die bij den neushoorn voorkomt, alleen moet bij een stoot de eigenlijke schedel zelf opspringen. Ik geloof nu niet, dat die beenige horens van het Titanotherium werkelijk gestooten hebben, in de beteekenis, waarin de tegenwoordige rhinoceros dat doet. Zij maken op mij den indruk niet van een sabel maar van een vreedzaam werktuig, alsof zij oorspronkelijk als hefboom bestemd waren. Ik zeide vroeger, dat de eelthoorn van den neushoorn misschien in het allereerste begin ook een breek- en hefwerktuig is geweest in de doornstruiken en het dichte oerwoud, en eerst later de rol van wapen er bij heeft gekregen. De peenvormige beenderen op den neus van het Titanotherium zien er volkomen zoo uit, als waren zij nooit over dat oorspronkelijke doel heengekomen. Wij hebben een ander geslacht van hoog op de pooten staande reuzen in de oudste tijden en tegenwoordig, dat, van de oudste tijden af blijkbaar een zeer karakteristieke woudbewoner, breekijzers en hefboomen, om de boomen in het woud te ontwortelen, met een ander deel van zijn schedel heeft ontwikkeld, en wel met de snijtanden; ik bedoel de olifanten met hun ontzaglijke slagtanden. Niet zonder reden gelijken de Titanotheriën in lichaamshoogte juist op die olifanten. Ik houd ook deze op een bepaalde trap hunner ontwikkeling voor een uiterste aanpassing van den equidenstam aan het woud. Hun bijlen, breekijzers en hefboomen, hun „slagtanden” werden daar gevormd door het dubbele peenvormige been op den neus. In dat oorspronkelijke dikke woud zullen er wel geen aanvallers geweest zijn, die voor die kolossen gevaarlijk waren, zoodat het wel nooit gekomen is tot echte, spitse aan die hefboomen geplaatste horens met het doel zich te verdedigen. En in deze opvatting word ik versterkt door een zeer leerrijke analogie bij een verdere ontwikkeling van die Titanotheriën nog juist voordat hun bestaan was afgesloten, met een eigenaardige ontwikkeling, die een zekere soort van olifant, namelijk de mammouth, kort vóór zijn ondergang heeft doorloopen.

Evenals de andere olifanten, had ook die mammouth zijn stootwerktuigen medegekregen als wapen onmisbaar voor den pionier bij het „ontginnen van de bosschen”, dat wil zeggen voor het maken van paden in het oerwoud en het afbreken van takken (wij spreken later nog over de bijzondere methode bij dat werk der olifanten). In de diluviale periode bewoner geworden der mossteppen in het hooge noorden, waar geen boomen gevonden werden, had het geen bestemming meer voor die breekwerktuigen. Zoo kwamen zij in een stadium van „hypertrophie”, zij groeiden uit tot kromme arabesken zonder zin, die zonder eenig nut den drager langen tijd hebben bezwaard en gehinderd en eindelijk waarschijnlijk een oorzaak zijn geweest van zijn ondergang. Dit is ten minste het zeer voor de hand liggende en logische vermoeden, door Brandes, den voortreffelijken leider van den zoölogischen tuin te Halle, geuit, een vermoeden, dat werkelijk aansluit aan de in ieder geval volkomen onbruikbaar gekromde, krulvormige slagtanden der mammouths uit het diluviale tijdperk. Het slotbedrijf in het leven der Titanotheriën levert nu daarmede een zóó treffende analogie, dat men die werkelijk mag mede tellen onder de bewijsmiddelen voor de verklaring bij den mammouth gegeven.

Kort voordat zij weer voor goed van de aarde verdwijnen, vermeerderen zij tot in het onmetelijke. Geheele lagen, afgezet in het Noordamerikaansche gesteente, dragen haar naam naar de ontzaglijke ophooping van hunne beenderen. Die lagen zijn afkomstig uit den tijd, toen daarginds de reeds genoemde Protapirus, en van den echten paardenstam de driehoevige paardachtige dieren van de grootte van een schaap, leefden. Het is, alsof een uitwendige verandering in het landschap in die dagen aan het Titanotherium plotseling een tijdlang de allergunstigste levensvoorwaarden had geboden. Te gelijk echter begint in de geraamten van die zoo ontelbaar toegenomen schepselen een, zoo te zeggen, woest en wild varieeren. Allerlei vervloeien, allerlei spelingen, allerlei goochelen en heen en weer schommelen in de kenmerken begint. En dit geldt in de eerste plaats de breekijzers van den neus. Juist zooals die mammouthtanden groeien zij ten slotte uit tot ware vermommingen. Men staat er versteld van, hoe een dier met een dergelijken beenderigen snavel nog behoorlijk kon eten, zoolang hem het voedsel niet gewoon weg in den bek groeide. Als werktuig kon de dunne vork in ieder geval onmogelijk meer worden gebruikt. Noodzakelijk moet men denken aan de belemmerende kromme klauwen, waarin de hoeven der wilde ossen in de zoölogische tuinen veranderen, als zij niet meer gebruikt worden, en aan de potsierlijke woekertanden bij hazen, als de daarmede overeenkomstige andere snijtand, die anders zijn vis à vis door afslijting wist te regelen, toevallig is uitgevallen: woekertanden, die zich als spiralen oprollen. Wat hier van tijd tot tijd het individu wedervaart, schijnt daar de geheele soort te hebben getroffen. Bij de weelderigste voeding varieerde ook hier een orgaan, dat niet meer werd gebruikt, zonder eenige regelmatigheid, tot in het zinnelooze. Naar alle waarschijnlijkheid waren die Titanotheriën uit het dichte woud in de vrije, weelderige grassteppen gekomen. Hun neushefboomen waren daar niets anders meer dan een stuk speelgoed, zij ontsnapten volkomen aan de controle van het nuttige in den arbeid. Maar toen dat nu zijn toppunt had bereikt, was het, als veegde een storm plotseling het geheele geslacht weg. En men begrijpt volkomen, dat een plotseling hernieuwde eisch van den strijd om het bestaan korte metten moest maken met die gehypertropheerde gemaskerde neuzen, nadat zij vroeger (overdrachtelijk gesproken), steeds zeer behagelijk hadden kunnen blijven voortleven. De minste aanvaller, die opnieuw ten tooneele verscheen, en in eenigerlei opzicht gevaar kon opleveren, moest wel onmiddellijk met dien reus kunnen klaar komen, die door zijn ontzaglijke beenderwoekeringen niet werd beschermd, maar juist weerloos gemaakt. Zij moesten in eenigszins anderen vorm het lot ondergaan van die lompe Dodo’s of Dronte’s van het eiland Mauritius, die, daar zij langen tijd zonder eenigen vijand hadden geleefd, hun vleugels hadden afgeschaft en hun lichamen in vettonnen hadden veranderd; tot op het laatste exemplaar vielen zij als slachtoffers der eerste menschelijke bezoekers. In de beteekenis van de theorie van Darwin geloof ik er wel is waar niet aan, dat een diersoort zich zelf door hypertrophie van organen onmiddellijk te gronde kan richten, als het ware door eigen groei een zelfmoord kan plegen. Varianten, die onmiddellijk op innerlijke evenwichtsgronden van den lichaamsbouw tot een bankroet zouden leiden, zouden zich binnen de soort niet hebben gehandhaafd, en de toestand zou zich zelf weer van zelf hebben moeten regelen. Bij dergelijke woekerende beenige verzweringen betrof het echter buitensporigheden, die langen tijd volmaakt onverschillig waren, en die bij gelijkmatige uitwendige omstandigheden nog maar wat meeliepen zonder nut maar ook zonder eenig bezwaar. Het doodvonnis werd eerst over hen uitgesproken, toen van buiten wijzigingen optraden in den strijd om het bestaan, waarin zij plotseling ongunstige kansen aanboden. Hier werd de buitensporigheid hun tot verderf. Voordat in zoo en zooveel geslachten die buitensporigheid weer kon worden uitgeroeid, had deze de soort in haar geheel reeds vernietigd als gevolg van de nieuw gestelde eischen.

Heeft ons dus de zoölogische tuin in tapir en neushoorn toch nog minstens twee stations der oudere geschiedenis van het paard gered, in den vorm van een beeld, dat zeer duidelijk is voor hem, die in de zaak is ingewijd, er bestaat bovendien nog een derde middel tot onmiddellijke aanschouwing. De zoölogische tuin laat ons ook het voltooide paard zien nog op zijn trap als wild paard, voordat het in symbiose met den mensch heeft geleefd.

Er kan in ieder geval hieromtrent geen twijfel bestaan: ook die trap heeft tegenwoordig reeds een historisch karakter, het karakter eener overlevende reliquie. De groote bloeitijd der ongetemde wilde paarden is op onze planeet eveneens reeds lang voorbij. In onze periode van het leven op aarde zijn het in verval gerakende, uitstervende dieren. Juist in de meest karakteristieke dingen, die ons hier belang inboezemen, komt ons onderzoek hier weer eens erg laat, meestal te laat.

Uit die groote bloeiperiode der wilde paarden moet onze menschelijke cultuur haar tam paard hebben te voorschijn gehaald. Dit beginsel staat absoluut vast. Daar dit cultuurpaard ten slotte toch het uitgangspunt is geweest voor onze belangrijkste deelneming aan het geheel, moet hier de spanning tot het hoogst klimmen. Maar de storm heeft weer onverbiddellijk er over heen geveegd. De lange ketens van overgangen van oude wilde paarden tot aan de rassen onzer cultuur ontbreken ons geheel en al. Aan den éénen kant staan die rassen steil tegenover ons als voltooid werk, aan de andere zijde als een paar toevallige reliquieën van den stam. Zal er iets voor den dag komen, dan moeten ook hier de fijne wegen der bewijzen door aanwijzingen worden betreden.

Daarbij komt nog de omstandigheid, dat onze cultuur tegenwoordig tegenover die paar levende fossielen van het overoude materiaal niet meer assimileerend, maar vernielend staat. Terwijl het onderzoek met vliegende stift het weinige, dat toevallig is behouden gebleven, zou willen fixeeren, decimeert het materiaal onder onze handen. De inventaris aan wilde paarden is in het oog vallend verminderd, sedert deze door de wetenschap ontdekt is geworden. Terwijl wij tegenover huiden en schedels twisten over systematiek en nomenclatuur, hebben onwetende jagers ons in bijzondere gevallen daar buiten reeds de levende dieren tot op het laatste exemplaar neergeschoten. Een wedstrijd tusschen redden en vernielen!

[

Inhoud

]

Wij hebben reeds medegedeeld, dat in het uiteinde der tertiaire periode de oude wereld, dus Azië, Europa, Afrika, overal gevuld was met wilde paarden van het voltooide type. Dus paarden, die den laatsten voorbereidenden trap van de pinkpaardachtigen reeds voor goed achter zich hadden gelaten, en in voet, tand en geheelen bouw „paard” waren. Overblijfselen van beenderen van dergelijke tertiaire volkomen paarden, die tot de oude wereld behoorden, zijn wat Azië betreft in Oost-Indië, wat Europa betreft in Frankrijk en Italië, wat Afrika betreft in Algiers aangetoond. Men kan ze samenvatten onder den naam, die oorspronkelijk geschapen is voor de Oostindische paarden, en wel die van Sivapaarden. Siva is een Indische godheid, waarnaar een beroemde vindplaats van voorwereldlijke beenderen aan den zuidelijken voet van den Himalaya heet. In die tertiaire Sivapaarden moet in die dagen alles bij elkander gestoken hebben, wat tegenwoordig van paarden in de oude wereld over is. Alle tegenwoordig gesplitste rassen van ons cultuurpaard. Alle overblijfselen van wilde paarden van tegenwoordig. En ook nog wel de tegenstelling van paard en ezel.

Paard en ezel zijn voor ons immers tegenwoordig, vooral in hun typische gestalte als huisdieren, bijzonder van elkander verschillende schepsels. Niet gemakkelijk kunnen twee dieren, die anatomisch zoo nauw met elkander verwant zijn, sterkere tegenstellingen in hun physionomie bieden. Zij zijn zóó nauw met elkander verwant, dat men ze reeds sedert langen tijd met elkander pleegt te kruisen, en uit ezel en merrie het „muildier”, uit hengst en ezelin den „muilezel” voortbrengt; echter juist bij die kunstmatige combinaties vertoonen zich misschien de eigenzinnige afzonderlijke kenteekenen zoo duidelijk mogelijk. Toch blijft het bij dit alles onomstootelijk waar, dat ook ezel en paard niet anders dan twee varianten zijn binnen het grondtype „paard”. In die vroeger besproken kenmerken van het skelet, die het voltooide paard uit een geschiedkundig oogpunt karakteriseeren, zijn beide absoluut identiek. Als de ontwikkeling van het paard tot een organische eenheid zich tot het laatst toe ook hierin is trouw gebleven, dat het echte paardentype als eerste oorspronkelijke vorm slechts eenmaal is ontstaan, dan moeten in dien eersten vertegenwoordiger ook ezel en paard nog beide aanwezig zijn geweest als toekomstige mogelijkheid tot varieering. Uit de overblijfselen der beenderen is er niets tegen in te brengen, dat niet het tertiaire Sivapaard der oude wereld nog dat eenheidstype is geweest; maar uit de beenderen alleen kan het noch middellijk, noch onmiddellijk worden bewezen.

Overlevende onveranderde nakomelingen van dat Sivapaard hebben wij in ieder geval tegenwoordig op aarde niet. Een in geraamte met het paardentype overeenkomend dier, dat physionomisch in zijn uitwendigen aanblik niet als een latere kruising of een gelijkenis, maar in de beteekenis van een oorspronkelijke eenheidssoort in uiterlijk nog zóó duidelijk toonde, dat geen der bestanddeelen overheerschte, bestaat in levenden toestand niet. Met die gaping begint dus ons beslissend hoofdstuk van het paard in ieder geval. Binnen de nog aanwezige overblijfselen der wilde paarden bezitten wij reeds duidelijk de splitsing voorbij die plaats. Wij hebben daarbij echter wilde ezels en echte wilde paarden in engeren zin. En de tegenstelling kan ook historisch nog tot in den diluvialen tijd, dus tot voorbij het begin der cultuursymbiose van beide vormen worden gevolgd. Eerst daarmede wordt voor ons de gordijn weggetrokken.

Maken wij in het kort den inventaris op van de levende overblijfselen,—om te zien wat deze ons nog verder kan leeren. Europa is hierbij geheel buiten het spel. Het heeft geen spoor meer van een echt oorspronkelijk wild paard of wilden ezel. De gordel der reliquieën begint in het zuidelijke gedeelte van Siberië, in westelijk China, loopt in een breede strook over Perzië en Noordindië tot den noordoosthoek van Afrika en dan over geheel tropisch Afrika. Oorspronkelijk ook nog tot aan Kaapland, doch daar heeft tegenwoordig reeds het genoemde vernielingsproces gewoed. Op die breede strook der aarde wonen nog vier verschillende groepen van overblijfselen, en wel, van het noordoosten naar het zuidwesten gerekend, ten eerste op den Chineeschen hoek echte wilde paarden, dan, in het begin nog met die wilde paarden te zamen, maar verder over het geheele overige deel van Azië alleen echte wilde ezels, in Noordoostafrika een andere groep van dergelijke wilde ezels en daar tot aan het einde weer een andere groep van wilde paarden.

Ieder dier groepen geeft aanleiding tot afzonderlijke problemen. Het van oudsher gemakkelijkste en meest doorzichtige ligt echter aan den Noordoostafrikaanschen hoek, dus ongeveer in het midden van het gebied.

Wat het paard op zijn ontwikkelingsgang in den loop der wereldgeschiedenis hoe langer hoe beslissender is geworden, dat is het als wild paard ook nog tegenwoordig: een steppendier. Die geheele verbreidingsgordel is, wat de plaats betreft, tevens een steppengordel. In het hart van Azië het onmetelijke steppengebied, dat zich van de woestijn Gobi tot in Tibet en eveneens westelijk eindeloos ver uitstrekt, het land, dat door Sven Hedin zoo meesterlijk is geschetst. De steppengedeelten van Indië. De met kreupelhout bedekte steppen van Afrika, zooals wij die reeds hebben leeren kennen als de woonplaats van den neushoorn. Die steppe strekt zich ook daar uit aan den noordoosthoek van Afrika van de Somalilanden aan den Indischen oceaan tot ver in het binnenland naar den Nijl in een oneindige vlakte, van Kaap Gardafui tot naar Nubië. Door die steppe echter trekken nu kleine troepen vlugge, schuwe, eenhoevige dieren, wie men op het eerste gezicht kan aanzien, dat het wilde ezels zijn. Op dat uitgestrekte veld kan men twee ondersoorten herkennen, een kleinere (indien ten minste de scherpe verdeeling juist is), meer grauw van kleur met een zwart schouderkruis zonder strepen over de pooten, dieper landwaarts naar Nubië; en een grootere, meer roodachtige, meestal of altijd zonder schouderkruis, maar wel altijd met een paar duidelijke donkere dwarsstrepen aan de pooten, in de steppe aan de kust.

Die Afrikaansche ezels zijn, wat hun levenswijze betreft, wild; in hun uiterlijk zijn zij zóó ontwijfelbaar echte ezels in de beteekenis van onzen tammen ezel, dat geen kind zelfs een oogenblik kan aarzelen. Vooral de kleinere vorm zonder strepen over de pooten is in alle karakteristieke trekken eenvoudig onze „ezel”, alleen maar vrij en frank in de open steppe geplaatst. De andere is trotscher, zwaarder, rooder, meer gestreept, alsof die vrijheid ook reeds haar invloed op den vorm van het lichaam heeft doen gevoelen; maar ook ten opzichte van dien vorm vindt men, als men slechts goed zoekt, in de tamme rasvormen van den ezel nog de duidelijkste analogie. Hij die in de omheining van den dierentuin die Afrikaansche dieren terugvindt, ziet, dat zich hier eigenlijk volstrekt geen probleem verder voor hem voordoet, maar eenvoudig een gewone consequentie. In dat dier staat de oorspronkelijke wilde stamvorm van onzen getemden ezel zelf ons nog voor oogen!

Alles is daarmede in overeenstemming. Die wilde ezels wonen nog tegenwoordig in het Egyptische achterland. De vroegste sporen echter van den reeds getemden ezel vindt men in de Egyptische cultuur. In Opper-Egypte gaat hij daar terug tot voorbij de eerste dynastie, juist tot in de eerste tijden der Egyptische cultuurperiode. Op de oudste afbeeldingen ziet men hem reeds met absolute duidelijkheid als huisezel, overal met het zwarte kruis op den schouder, het erfdeel van den Arabischen wilden ezel. In die tijden en langen tijd daarna ontbrak het tamme paard in dat Egypte, naar het schijnt, nog volkomen; zijn beeld komt eerst voor den dag op gedenkteekenen der achttiende dynastie, dus omstreeks 1500 jaar vóór Christus. De ezel daarentegen liep reeds gedurende het bestaan van het geheele oude rijk op den dorschvloer om te dorschen, en droeg het zadel van den reiziger.

Er is geen enkel bekend feit, dat in strijd is met de opvatting, dat de geheele verspreiding van den tammen ezel over de landen aan de Middellandsche zee oorspronkelijk van Egypte zou zijn uitgegaan. Tot op onze dagen is de oostelijke uithoek daar de eigenlijke wereld, waar de ezel gedijt en zich in zijn element gevoelt. Daar is hij groot, krachtig, en nog steeds een werkelijke concurrent van het paard. Verder op naar het noorden in Europa neemt zijn rijk daarentegen zóó sterk af, dat men terecht heeft gezegd, dat hij nog alleen maar als caricatuur voortleeft. Zoo klein, ellendig en armzalig, koppig en afgeranseld de ezel in onze streken is, zoo statig, trotsch, betrouwbaar en dapper wordt hij in de richting van Palestina en Egypte, waar hij den bodem van zijn oude cultuur aanraakt. Voor onze noordelijke fantasie past hij volkomen als humoristisch rijdier voor den intocht van Sancho Panza als stadhouder; maar wij hadden nooit de onderstelling durven uiten, dat de Heiland hem op het beslissende oogenblik zou berijden; en juist dit is de meening in het oosten omtrent de komst van den verwachten Messias, dat hij zijn intocht zal doen op een witten ezel.

Zoo past dan in dit geval alles zoo goed mogelijk in elkander. Nauwelijks koesteren wij nog het verlangen, hier werkelijke overgangsschakels tusschen den wilden en den getemden toestand te zoeken. Uitwendige trekken der beide Afrikaansche witte ezels komen immers nog steeds zichtbaar in onze ezels voor den dag; behalve dat kruis op den rug ook telkens bij gelegenheid weer die donkere strepen over de pooten. De kleur gaat ook nog steeds van tijd tot tijd over in het roodgeel der steppen. En zelfs de als het ware psychische handeling van het temmen kan niet al te moeilijk juist hier weer in gedachten worden gereconstrueerd. Die wilde ezels zijn gezellig levende dieren, waarvan de kudde uit merries en jonge veulens onder de leiding staat van een mannelijk dier als aanvoerder. Een zoodanige merrie of een dergelijk veulen, plotseling uit het verband weggerukt en in de macht van den mensch gebracht, zou in zekeren zin al een schepsel zijn, dat aan leiding gewoon was. De menschelijke temmer neemt nu de rol van den vroegeren aanvoerder over. Hij behoefde de instincten der gehoorzaamheid en van het begrijpen der signalen niet eerst voort te brengen, hij vond die reeds voorhanden. Ik stel mij voor, dat misschien langen tijd uitsluitend merries gebruikt zijn, die men van tijd tot tijd steeds weer door wilde hengsten liet dekken. Dat proces zal bij elke temming van wilde, in kudde levende dieren, ook bij de echte paarden, op die wijze voltrokken zijn. De symbiose met den mensch was slechts een voortzetting, een bekroning der reeds aanwezige symbiose in de kudde. De manbare hengst is overal het langst nog het halfwilde dier gebleven, dat eigenlijk nooit volkomen is getemd geworden. Hoe kleiner, handiger echter de soort in het begin geweest is in verband met de grootte van den mensch, des te gemakkelijker moest in het algemeen de zaak gelukken. Hier bood de ezel de meest gunstige kansen. Het is duidelijk in te zien, dat men het eerst zijn krachten heeft beproefd op de kleinste soort. Op de oudere Egyptische afbeeldingen ziet men nooit een mensch op een ezel rijden, maar steeds ziet men een draagstoel tusschen twee ezels opgehangen. Eerst toen het temmen een bepaalde hoogte had bereikt, zal men het getemde ras ook wat steviger en grooter gefokt hebben, waardoor het weer meer overeenkomst gekregen heeft met den anderen wilden vorm; ook is het mogelijk, dat ook kruisingen met die aan de kust levende soort een rol hebben medegespeeld.

Afrika heeft anders geen wilde ezels. In alle landen van Afrika naar het zuiden toe met hun zebra’s, ontbreken zij geheel. Het is als het ware een goede luim der wereldgeschiedenis, dat zij in het geheele onmetelijke werelddeel zich als op een beperkt eiland alleen daar hebben kunnen handhaven, waar de loop der gebeurtenissen de eenige zeer oude en op zich zelf staande hooge cultuur van het werelddeel in hun nabijheid zou brengen. Een merkwaardig diereneiland en een merkwaardig cultuureiland, die beide iets geïsoleerds hebben, als het ware als een verloren post, zijn hier met hun inventaris samengekomen.

Intusschen hadden en hebben zich echter wilde ezels in ontelbare troepen nog op een ander terrein gehandhaafd, dat door zee en land van het andere gescheiden is, namelijk juist op den ouden stambodem, waarop reeds in grijze, geologische tijden de eerste inval en verspreiding van den geheelen echten wilden paardentroep had plaats gegrepen: en wel in de steppen van westelijk en centraal Azië. Daar, over veel grootere uitgestrektheden land verspreid, streken, die hoewel steppenland, toch van oudsher bijna van alle kanten aan groote, overoude cultuurrijken grensden—zijn die Aziatische wilde ezels toch tot in onze dagen voor een groot deel fabelachtige dieren gebleven. De jeugdige gymnasiast hoort over hen spreken in de anabasis van Xenophon: „Onagers” zwerven daar rond in de „dierentuinen”, de groote omheinde jachtterreinen der oude Perzische koningen; het woordenboek vertaalt het merkwaardige woord met „wilde ezel”. In een schoolboek voor natuurlijke historie met bont gekleurde teekeningen heb ik voor het eerst het woord „Dziggetai” gelezen, ook weer een dierennaam, die zich als een bijzonderheid in mijn geest inprentte. In het Mongoolsch is dit ons woord „langoor.” De teekening deed een reuzenezel zien ter grootte van een paard en citroengeel van kleur. Het was reeds lang mijn wensch, een dergelijk wonderdier te zien, doch de zoölogische tuin vervulde dien wensch niet.

Feitelijk wist voor dertig jaar ook de echte zoöloog nog niet al te veel af van hem en zijns gelijken. Die Aziatische steppen, waar omheen eertijds de oude beschavingen waren opgegroeid als aan de oevers van een onafzienbare binnenzee, lagen, wat haar dierenwereld betrof, voor onze Europeesche wetenschap als onder een nevelsluier. Men wist, dat zwermen dieren ongestadig daardoor heentrokken, en daaronder waren ook de wilde ezels. Indien hier of daar, aan de Chineesche, Turksche, Engelsch-Indische, Russische grens dergelijke zwervers van tijd tot tijd door reizigers werden gezien, wist men niet, of het plaatselijk scherp begrensde soorten waren dan wel één en hetzelfde vrije geslacht, dat van Mongolië tot Perzië of Indië rusteloos heen en weer trok. Hier hebben eerst in de laatste tijden werkelijk onze zoölogische tuinen eenigszins licht ontstoken, vooral de Berlijnsche dierentuin, die zoo systematisch zijn verzameling aanlegt. Hij heeft ons de Aziatische wilde ezels van de rij af in verschillende plaatselijke typen in vleesch en bloed voor oogen gevoerd, zoodat men zich daarvan een physionomisch beeld kon maken.

Als het ooit de moeite waard was een diervorm te beschouwen, dan was het wel deze. Het ezeltype ongetwijfeld nog gehandhaafd in de lange ooren en andere kenteekenen, maar tevens toch dat type tot een hoogeren vorm veredeld. Steile, hoog op de pooten staande, slanke, pezige dieren, met krachtige zenuwen, dieren met prachtige koppen en dunne halzen, met een trek van de fijne gazelle, en den Guanaco met zijn dunnen, schralen hals; het laatste spoor van den caricatuurvorm van den ezel is uitgewischt, het zijn in ieder opzicht prachtige schepsels, wier dartele sprongen men met ongestoord genoegen steeds weder gadeslaat. De kleur is in overeenstemming met het zwevende van den gang: van de pooten in bovenwaartsche richting als witte melk, waarin een meer of minder groote scheut bruine koffie gegoten is, zoodat deze er als een wolk doorheen loopt, en eerst geheel op het laatst, aan de bovenzijde van den rug boven de ruggegraat, een fijne donkere streep, die de silhouet, die van onderen verloren gaat, ten minste van boven nog afbakent, een donkere streep van de donkere manen tot den donkeren staartkwast. En dit alles bij de grootste soort tot de volle grootte van een flink paard, maar met nog langer pooten. In die afmetingen en met verschillen in de sterkte van de koffiekleur op de huid vindt men tamelijk duidelijk een aantal verschillende plaatselijke vormen. Zoo heeft men een fijnen Perzischen ezel met een fijnen, kleinen kop, met een fraai witte kleur met een zilverachtigen glans, welke kleur aan de bovenzijde van den kop, aan de zijden van den hals en van de romp en aan de heupen in een bleeke isabellakleur overgaat. Over de schouderstreek loopt een witte streep, een hand breed naar beneden, een breede streep loopt aan weerszijden langs het midden van den rug en dicht ter zijde der dijen; tusschen de beide overlangsche strepen ligt de koffiebruine rugstreep. Dit is de reeds bij Xenophon vermelde Onager. Dan een hoogpootige, betrekkelijk kleine Indiër, die in het oogloopend koffiebruin is gekleurd, en uit het achterland afkomstig is, die door de bewoners van Beloetsjistan Gorkhar genoemd wordt, dan nog de Koelan der Kirgiezen, een bijzonder mooi dier, van het Balkasjmeer, met den edelsten kop bij betrekkelijk korte ooren, met vurig zwarte oogen, donkerbruine manen, met een bruinachtigen streep over den rug tot op den staartkwast, met donkere oorspitsen, maar overigens bijna alles effen gekleurd met een isabellakleur. Men ziet duidelijk, hoe de steeds kalere, steeds geler woestijn zich uitbreidt en haar kleur geeft aan die dieren. De echte Dziggetai uit de Chineesche woestijn Gobi heeft die stofgele kleur wel in de sterkste mate. Omgekeerd gaat de reus van het geslacht, de geweldige „Kiang” van de hoogsteppen van Tibet, weer meer naar het bruin over, dat zelfs tot het schitterendste goudkleurige hoogrood overgaat.

Zonder twijfel zijn die luchthartige klanten geen van allen paarden. Maar als men van onzen getemden ezel het begrip ezel wegneemt, dan doen zij mij, wat hun physionomie betreft, steeds weer denken aan een derden vorm van wilde eenhoevige dieren, die noch het aanzijn heeft geschonken aan het paard, noch ook aan den ezel, maar die een geheel op zich zelf staande zijtak is, een bijlooper der ezellinie, zooals eertijds de Anchitheriën en Hipparions bijloopers waren van de oude groote paardenlinie. En ik geloof, dat die bijzondere aard zich ook hierin heeft gehandhaafd, dat zij in weerwil van de nabijheid van zooveel oude cultuurrijken nooit werkelijk getemd zijn. Een op een gazelle gelijkend, licht, slank huisdier met fijnen kop en op hooge pooten, dat in de beteekenis van die Aziatische wilde ezels noch paard noch echte ezel is, bezitten wij niet, het moet eenvoudig niet gelukt zijn, het in Perzië of in China of in Indië of in de steppen der Kirgiezen blijvend te fokken. Daarmede is natuurlijk niet gezegd, dat niet van tijd tot tijd vruchtbare kruisingen hebben plaats gehad op het aanrakingsgebied van den geïmporteerden Egyptischen ezel en de Aziatische in vrijheid levende ezels. Als paard en ezel zich gekruist hebben en dat wel blijvend veel vruchtbaarder dan men gewoonlijk meent, waarom dan niet die beiden? In den Berlijnschen zoölogischen tuin heeft een kruising van een Koelan met een ezelin van den beschreven vorm der Afrikaansche wilde ezels aan de kust van Somaliland het aanzijn geschonken aan een jong dier zonder echt schouderkruis, hoog op de pooten, van den bouw van een Koelan met de strepen op de pooten, die de Somalimoeder had en zelfs met een duidelijk zichtbaar kruis op den rug. Een bijzonder schoon ras van een huisezel in het oosten, uit fokkerijen in Centraal-Arabië, maakt met zijn witte huid bijna den indruk, alsof daarin van oudsher ook Onagerbloed aanwezig is. Maar zelfs daaruit is blijkbaar geen vaste regel ontstaan. Evenals het hooge schelle suizende gefluit in het geschreeuw van den wilden Aziatischen steppenezel noch past bij het hinniken van ons paard, noch bij het half komieke i-a, i-a van onzen getemden ezel, zoo staan wij ook over het algemeen bij hem tegenover een overblijfsel van vrije eenhoevige dieren, welk overblijfsel in geen enkel opzicht iets heeft te maken gehad met de symbiose in de dagen der werkelijke cultuur. En wij vinden nu als duidelijke parallel bij dien oorspronkelijk geheel onafhankelijken zijtak van het ezeltype nog een dergelijken volkomen onveranderd gebleven zijtak van het echte paardentype in den zebra. Evenals Azië den ezel heeft, die in den loop der cultuurgeschiedenis nooit blijvend getemd is, zoo heeft Afrika een paard, dat nooit tot symbiose is opgevoed.

[

Inhoud

]

Reeds in dien Noordafrikaanschen hoek in Somaliland komt de oude oorspronkelijke ezel samen met vertegenwoordigers van den stam der eenhoevigen, die zonder eenigen twijfel behooren tot een geheel ander overblijfsel van den ouden bloeienden stam van dat geslacht. Ook zij hebben zeker trekken van den ezel. In tegenstelling met ons cultuurpaard en in overeenstemming met alle ezels ontbreken bij hen aan den achterpoot de vroeger reeds genoemde eeltplekken of zwilwratten. Hun staart heeft (ten minste meestal) alleen den staartkwast, zooals die bij de ezels voorkomt, over het grootste deel van hun lengte kort en alleen bij de spits lang behaard, in plaats van, zooals bij de paarden, over hun geheele lengte met lange haren begroeid. Juist bij dien Somalivorm zijn de ooren nog zeer verdacht gerekt. En toch beslist een enkele blik op het geheel, waarbij de aandacht voornamelijk gevestigd wordt op de physionomie van het dier, een blik die voor den dierenkenner in hoogste instantie even belangrijk moet zijn als alle atomistische beschrijving der details, in dit geval zonder tegenspraak voor het paard. Het zijn voor een deel kleine, het zijn ineengedrongen, langbuikige, kortpootige dieren, met zachte hoeven, in een reeks kenmerken echt ezelachtige paarden,—maar paarden. En dat volkje is nu weer in een aantal soorten verspreid over een kolossaal district,—zooals wij zeiden oorspronkelijk over het geheele oostelijke, zuidelijke en zuidwestelijke tropische Afrika tot aan het Kaapland, onder den gemeenschappelijken naam van „Zebra.”

Het woord is voor ons niets anders dan een soort aanduiding van de kleur, en beteekent zooveel als zwart-wit gestreept. En hier hebben wij onmiddellijk weer een bijzonder punt, waarin die Afrikaansche wilde paarden zoo eigenaardig zijn en dat zij allen gemeen hebben. Zij hebben een neiging tot kleuring van hun huid, die geen enkele wilde ezel, tamme ezel of geen enkel tam paard bezit: de neiging, dwars over een helderen dikwijls volkomen sneeuwwitten ondergrond een prachtige teekening te hebben van koolzwarte strepen. Die teekening, de karakteristieke „zebrateekening” heeft den zebra beroemd gemaakt als pronkstuk, zoolang men hem kent. Het dier is, voor zoover geschiedkundige getuigenissen mededeelen, het eerst bewonderd in de arena ten tijde van den Romeinschen keizertijd, onder keizer Caracalla (211 na Christus); die zebrateekening wekt ook thans nog in iederen zoölogischen tuin de verbazing op van iederen eenvoudigen boer.

Het gebeurt zelden, dat zoogdieren door hun kleur alleen de belangstelling wekken. Het haar is in tegenstelling met de schubben van de hagedis en de veeren van den vogel meestal te weerbarstig, te onrustig voor zuiver bonte kleuren. Een onbeslist bruine, grauwe, grauw-zwarte, grauw-gele kleur hult geheele groepen in een eenvormig arbeiderskleed zonder eenige sierlijkheid. En als eens de bontheid van kleur ook bij het zoogdierenvolk een enkelen keer duidelijk toeneemt, zooals bij de apen, dan eindigt het spoedig hiermede, dat zij zich toch weer van het haar losmaakt en als een schelle kleur van de onbehaarde huid optreedt, zooals bij het cobaltblauw en het steenrood van de mandril; het is in zekeren zin reeds de ontwikkelingslijn naar den mensch, die bijna geheel naakt is, maar nu die naakte huid kunstmatig tatoueert of met gekleurde kleeren omkleedt. De zebra is daarentegen een uitzondering, waar de eigenaardigheid der kleur uitsluitend in de haren zetelt. Met schitterend wit en schitterend zwart in de sterkste tegenstelling, maakt hij een ontzaglijken indruk op het oog. Bij de schoonste variëteiten is er bijna geen plekje meer op de geheele huid, dat niet bijdraagt tot den eigenaardigen indruk van die strepen. De strepen worden gevonden aan de neusgaten, op de korte, stijve manen, de ooren, tot den staart toe, het geheele gelaat is daardoor met een traliewerk bedekt. En als men nu den eersten indruk van de tegenstelling van wit en zwart ten volle genoten heeft, blijft er voor het nauwkeurig onderzoekende oog nog de prachtigste verrassing over door het feit, dat de strepen niet meer ruw over de onderdeelen van het paardenlichaam heen loopen, maar dat lichaam in zijn meest intieme lijnen volgen. Wilhelm Busch heeft in een grappige teekening eens een zebra eenvoudig schematisch schuin gelinieerd als de wand van een Pruisisch schilderhuisje, zonder eenigszins rekening te houden met het leven van het gelinieerde lichaam zelf. Ongetwijfeld was die teekening in overeenstemming met den indruk van tallooze bezoekers van den zoölogischen tuin, die slechts oppervlakkig hebben toegekeken; dit is werkelijk de indruk, dien zij er in hun herinnering van hebben behouden. Maar het eigenlijk interessante is, dat de zebra feitelijk daarmede niet in overeenstemming is.

De werkelijke strepen sluiten nauwkeurig aan het levende lichaam aan met zijn verschillende in elkander ingrijpende onderdeelen. In de eerste plaats doet zij een hals en een rompgedeelte op zich zelf uitkomen, die in het skelet en in de aanhechting der spieren van boven naar beneden loopen, daar zij als het ware van de stijve wervelkolom neerhangen, die alleen een sterke buiging maakt in den nek. In overeenstemming daarmede hangen in dit gedeelte ook de zwarte strepen alle ten minste in beginsel recht naar beneden van de kruin naar beneden over de flanken van rug en hals, eveneens met een duidelijke aanwijzing van de buiging van den nek. Een tweede stelsel zijn dan de strepen op den staart, die, volkomen de werkelijke staartwervels volgend, van achteren hooger op den rug opstijgen dan de leek zou verwachten, die het skelet en de spierstelsels onder de huid niet kent. Reeds hier begint, wat ik de „doorzichtigheid” zou willen noemen in die zebrateekening. Zij doet ons een dieperen blik slaan in het inwendige van het dier, daar zij den samenhang van het inwendige mechanisme, die anders onder de huid verloren gaat, op een zoodanige wijze naar buiten doet komen, alsof men door een doorzichtig omhulsel een laag dieper kon naar binnen zien in het levende dier zelf. En dit alles viert zijn triomf in de pooten. Elk der pooten heeft zijn strepen als stelsel op zich zelf. Daar echter de stijve as van het been loodrecht staat op het horizontale rugstuk, loopen ook dezen keer de strepen loodrecht op die van den rug. Dat verschil in richting volgt echter het been naar boven ver over de plaats heen, waar het in den gewonen omtrek van het paard zich in de massa van den romp verliest. Wij herinneren ons, dat bij het skelet van het paard feitelijk eerst op die plaats de echte knie gelegen is, terwijl het been zelf zich nog een heel eind verder van binnen voortzet in de schijnbare borst- en buikmassa. En nu is het merkwaardig, hoe juist de strepen dien toestand zoo schitterend doen uitkomen. De strepen op de pooten loopen in een richting, die loodrecht staat op die van den rug, nog in een hoogen driehoek zoowel van voren als van achteren voort naar de flanken van het lichaam. Zoo ontstaat het prachtigste gedeelte van de geheele zebrateekening; die aan weerszijden in de neerhangende strepen van den rug ingrijpende driehoeken, bestaande uit fladderende wimpels, een verrukkelijk gezicht voor ieder kunstenaarsoog, en dat aan den zebra eerst zijn groote schoonheid geeft voor hem, die aan dat dier grootere opmerkzaamheid wijdt.

De teekening wordt tevens op die wijze een belangrijke factor in het totale beeld ook van den bouw van den zebra; terwijl zij namelijk het anders in het lichaam van het paard verborgen bovenbeen van achteren en van voren voor den uitwendigen blik duidelijk doet uitkomen, verlengt zij schijnbaar daardoor de pooten in het algemeen: de zebra lijkt ook hem, die zich volstrekt niet bewust is, wat de reden daarvan is, feitelijk veel hooger op de pooten te staan dan werkelijk het geval is, en ten gevolge daarvan maakt ook het geheel een veel fraaieren indruk.

Een eigenaardig stelsel van strepen vindt men ten slotte op den kop. De manen zijn wel is waar geheel opgenomen in het strepenstelsel van den hals, daar hier de neerhangende strepen eenvoudig doorgetrokken zijn tot in het haar, een omstandigheid, die voor den totalen indruk hier weer het voorste gedeelte van de kruin, waarmede die zwart-witte haren samenvallen, aanzienlijk hooger en statiger maakt. Aan het voorhoofd en de wangen daarentegen ontwikkelt zich de meest geraffineerde speling van fijne strepen, als moest duidelijk uitgedrukt worden, dat daar de meest zenuwrijke, meest gevoelige plaats van het geheel gelegen is. Om de oogen worden de streepjes gewone hanepooten. Men meent te zien doorschemeren, hoe het oog door de spieren wordt vastgehouden, horizontale plooien van het voorhoofd met tegen elkander in loopende hanepooten geven aan het oog iets ingespannens en dreigends, dat anders nooit voorkomt bij een vluchtend hoefdier zonder kopverdediging. En lager bij den bek duiden de halvemaans-strepen onmiskenbaar de krachtige kauwbeweging aan.

Hij die een zebra, ook als hij stilstaat, gedurende langen tijd nauwkeurig beschouwt met het oog op dat stelsel van strepen, moet noodzakelijkerwijze geleid worden tot de waarneming van zuiver optische verschijnselen. Door de verscheidenheid en talrijkheid der schelle, nauwe, dikwijls elkander kruisende contraststrepen lijkt de zebra niet alleen grooter, maar het oog van den waarnemer wordt onrustig van de beschouwing; het beeld begint te verschuiven, loopt in elkander en vloeit ten slotte formeel in elkander. Men kan die ervaring reeds opdoen, als men zeer natuurgetrouwe afbeeldingen beschouwt, zooals bij voorbeeld de voortreffelijke momentopnamen met magnesiumlicht, die Schillings heeft gemaakt van wilde zebra’s des nachts aan de drenkplaats. Juist Schillings, die reeds zuiver physisch een zeer scherp ziende waarnemer is, heeft er met bijzonderen nadruk ook op gewezen, hoe de zoo in het oog vallend zwart-wit gestreepte teekening der zebra’s de dragers dier teekening volstrekt niet doet uitkomen tegen het hen omgevende landschap. Naar gelang van de verlichting zien er zebra’s heel verschillend van kleur uit, tot zelfs het eenkleurige grijs; maar zelfs daar waar hun zwart-witte kleur van dichtbij zou kunnen uitkomen, vervloeien de dieren op de meest merkwaardige wijze met de kleur der steppe. Maar ook dan wordt ons een hoogst merkwaardig voorbeeld van mimicry vertoond, als zebra’s tegen het middaguur rust nemen onder boomen en struiken, die schaduw afwerpen; de trillende strepen der schaduwen, die door de takken der boomen worden veroorzaakt, vermengen zich dan op de meest verrassende wijze met de strepen der zebra’s. Dit citaat uit Schillings is uit den aard der zaak zeer merkwaardig. Het strepenstelsel, dat zich in den zoölogischen tuin zoo aan ons opdringt en naar voren treedt, schijnt in de vrije Afrikaansche steppe met haar kreupelhout omgekeerd juist tot de schutkleuren te behooren. De vraag zou slechts zijn, of de door Busch geleverde caricatuur der schilderhuisstrepen of een hoogst verward door elkander loopende zigzagversiering niet nog betere, in ieder geval even goede diensten zou kunnen bewijzen. Maar dat merkwaardige en verwonderlijke naar buiten doen treden van het inwendige lichaam met al zijn fijnheden en de geheele ornamenteele individualiseering binnen het rhythmische grondbeginsel schijnen mij in ieder geval er op te wijzen, dat ook nog inwendige factoren aan den bouw van het lichaam hebben medegewerkt, die met de uitwendige beschermende aanpassing hier uitsluitend door teeltkeus volstrekt niet kunnen worden verklaard.

Een lichte neiging tot het vormen van dwarsstrepen schijnt in alle levende wilde paarden aanwezig te zijn, wij herinneren slechts aan de strepen boven op den rug, de schouderkruisen en de strepen op de pooten der ezels; ook bij de tamme paarden komen een enkelen keer strepen op de pooten voor. Het zou in hooge mate interessant zijn, de huiden der oude paardachtige dieren, van het Sivapaard af teruggaande, in dit opzicht te kunnen vergelijken, om na te gaan in hoeverre hierin een oud erfstuk en een oude ontwikkeling steekt. Maar hier is de draad onzer kennis helaas volkomen afgebroken, aan de fossiele beenderen is niets te ontleenen. Misschien waren de Hipparions, die in menig opzicht aan de zebra’s herinneren, reeds even mooi gestreept. Maar wie kan het zeker zeggen! Voor zoover de zaken tegenwoordig staan, geeft juist dat bijzondere van de „zebrakleur” aan het overblijfsel van onze Afrikaansche wilde paarden nog in sterkere mate het karakter van iets eigenaardigs, dat afwijkt van de lijn, die naar het cultuurpaard leidt.

In engeren zin is ook bij die zebra’s de zwart-witte zebrakleur overigens aan heel wat schommelingen onderworpen. De hierboven gegeven beschrijving komt overeen met het meest in het oog vallende type. Maar van daar uit is er een tamelijk groote speelruimte, waar de strepen zich nu eens hier, dan weer daar als het ware van geheele groepen van lichaamsdeelen terugtrekken, zonder dat daar, waar zij behouden zijn gebleven, het karakter op zich zelf is gewijzigd. En juist hier kunnen de verschillende locale vormen ingeschakeld worden (die op zich zelf ook niet zoo gemakkelijk te verklaren zijn uit het beginsel van beschermende aanpassing), die voor de zebra’s karakteristiek zijn op hun uitgestrekt Afrikaansch verbreidingsgebied.

Toen ik mijn eerste studies maakte in den zoölogischen tuin, was de natuurlijke geschiedenis der zebra’s in haar systematisch gedeelte spoedig aangeleerd. Er waren in die dagen drie verschillende typen van zebra’s: de echte zebra met strepen tot over de geheele pooten; Burchell’s tijgerpaard (de dauw) met strepen alleen op het lichaam en met volkomen witte pooten; en de Quagga, die alleen maar over het halve lichaam gestreept was. Het tijgerpaard was in den dierentuin de gewone vorm, hoewel hij tegenover den echten zebra, zooals die bij Brehm beschreven stond, niet voor volkomen vol werd aangezien. Brehm had trouwens ook alleen maar drie soorten genoemd. Na dien tijd zijn, naarmate de nadere ontsluiting der merkwaardige Afrikaansche dierenwereld heeft plaats gegrepen, zooveel speciale soorten van zebra’s bekend geworden, dat men een geheele lijst van buiten moet leeren. Maar te gelijker tijd is de onzekerheid over de werkelijke grenzen en het aantal der onafgebroken op elkander volgende verbeteringen, twijfelingen en nieuwe rangschikkingen zóó groot geworden, dat men de neiging krijgt, weder tot dat oude drietal terug te keeren, dat in zekeren zin nog steeds zeer goed iets uitdrukt, wat op zich zelf onbetwistbaar is. Doch ook hier doet zich een moeilijkheid voor ten gevolge van een intusschen onverwacht plaats gegrepen sterfgeval.

De derde vorm, de Quagga, heet namelijk tegenwoordig volkomen uitgeroeid. Wij hebben hier te doen met een zeer eigenaardig geval, niet alleen voor de geschiedenis der dieren in het algemeen, maar ook voor de meer beperkte geschiedenis van onze dierentuinen.

De Quagga was sedert de dagen van Buffon één der meest bekende soorten van zebra’s, die zich door de plaats, waar zij gevonden werden, het gemakkelijkst aan ons aanbood, daar hij in talrijke kudden juist over het noordelijke deel van het Kaapland en den Oranjevrijstaat trok. Toen de eerste dierentuinen in Parijs, Schönbrunn en later, in de negentiende eeuw, in Londen geopend werden, was het zoo natuurlijk mogelijk, dat ook de Quagga, die zoo gemakkelijk te bereiken was en zoo veel voorkwam, daarin werd gezien, vooral daar het op zich zelf geen bijzondere moeite kostte, Afrikaansche wilde paarden levend te importeeren. En dat bleef nog zoo tot omstreeks de laatste twintig jaren der vorige eeuw. In den Londenschen dierentuin is de Quagga sedert 1831 niet minder dan driemaal aanwezig geweest, en hij heeft het daar jaren lang uitgehouden. Van daar zijn de huiden afkomstig, die men opgezet vindt in het museum van Rothschild en in het museum voor natuurlijke historie te Londen. Dergelijke huiden zijn tegenwoordig kostbare zeldzaamheden, en waar zij zijn, moeten zij zorgvuldig bewaard blijven, want zij zijn niet te vervangen; behalve Londen bezitten Berlijn, Weenen, München, Parijs en Amsterdam nog een enkel exemplaar. Immers op een goeden dag kwamen geen nieuwe Quagga’s meer in den dierenhandel voor. Na eenigen tijd waren de laatste paar exemplaren der Europeesche tuinen allen gestorven. Korten tijd daarna begon zich het gerucht te verspreiden, dat er geen Quagga’s meer in den dierenhandel voorkwamen—nooit meer—daar er in Afrika zelf geen Quagga’s meer waren. Het laatste exemplaar is, naar men zegt, reeds in het jaar 1880 geschoten. Een feit is het, dat men tegenwoordig geen enkele plek meer kent in de geheele oude woonplaats der Quagga’s, waar in de latere jaren nog een levende Quagga is gezien. En in andere deelen van Afrika is juist die soort nooit bekend geweest.

Het lot van die dieren schijnt dus bezegeld te zijn. En het betreft hier speciaal die soort van zebra’s, die het meest verschilden van alle andere, dus in zekeren zin de meest op zich zelf staande, al is het dan niet de allermooiste. Ik heb in der tijd verzuimd op den Quagga in den zoölogischen tuin te letten, en kan dus alleen oordeelen naar aanleiding van opgezette dieren in musea, van welke dieren ik het Amsterdamsche exemplaar nauwkeurig heb beschouwd. Dat exemplaar, een wijfje, had in het oog vallend korte en krachtige pooten. De Quagga heeft absoluut niets meer van het zwart-wit der andere zebra’s. Het is een bijna volkomen bruin paardje met een lichte aanduiding van strepen, gerangschikt als bij een zebra, maar het blijft meer een lichte nuanceering. Alleen aan den kop, aan het voorhoofd en de oogen heeft men op den bruinen achtergrond nog werkelijke donkere zebrastrepen. Op den hals, het eenige lichaamsdeel, dat van het geheele lichaam nog duidelijke strepen vertoont, ziet men daarentegen reeds geen echte zwarte banden meer op een helderden achtergrond. Maar door een donkeren, reeds sepiabruinen grondtoon loopen een paar heel zachte, golvende, lichte banden, die op de Amsterdamsche huid zelfs witachtig zijn, zoodat in het geheel een indruk wordt teweeg gebracht, dien ik niet beter zou kunnen vergelijken dan met het meer of minder fijn genuanceerde bruin op de vleugels van een aantal vlinders. Bij het Londensche exemplaar kon men iets wat op strepen geleek weg nevelend nog waarnemen tot op het gebied der achterdijbeenderen. Merkwaardigerwijze is de lichte staart een echte paardestaart, wat den indruk verhoogt, dat men met een gewonen pony te doen heeft, een indruk, die misschien nog veel sterker zou kunnen zijn bij minder willekeurig opgezette dieren.

Zoolang ik een dergelijken Quagga in het museum bestudeerde, heb ik de gedachte niet van mij kunnen afzetten, dat hij er uitzag als het resultaat van een kruising van een bruin tam paard met een Burchell’s tijgerpaard-zebra, die toch reeds onder het kniegewricht de strepen mist. In den Berlijnschen dierentuin leeft een „zebroïde”, dat wil zeggen een dergelijke werkelijke mengvorm van een hengst van een gelen Shetland-pony en een zebra-merrie, een dier, dat reeds eenigszins dergelijke fijn genuanceerde sepiakleuren doet zien. Maar in aanmerking genomen het feit, dat de eerste kolonisten in Zuidafrika den Quagga reeds aantroffen in talrijke kudden, is die losse gedachte natuurlijk niet vol te houden; met wat voor geïmporteerde paarden zou die kruising in onbekende dagen zijn geschied? In weerwil van dit alles blijft er voor mij toch nog altijd iets geheimzinnigs over in den Quagga. Des te meer is het te betreuren, dat die merkwaardigste soort onder de zebra’s niet meer bestaat.

Voor de overige dier harlekijnachtige wilde paarden zou ik als echte tijgerpaarden die soorten willen nemen, die tusschen de echte donkere strepen nog een soort schaduwspel van meer of minder duidelijke bijstrepen vertoonen; als echte zebra’s daarentegen alle dieren met het typische, zuiverzwarte traliewerk. Of de grondkleur daarbij meer geel of meer wit is, schijnt af te wisselen met leeftijd en geslacht binnen rassen uit dezelfde streken.

Ook in de beteekenis van die ruwe oudste definitie is het in ieder geval zeker, dat de tijgerpaarden een duidelijk uitkomende neiging vertoonen tot pooten, die bijna geheel vrij zijn van strepen. Bij de soort, die oorspronkelijk in alle zoölogische tuinen onder den naam van Burchell’s tijgerpaard bekend was en in die dagen dikwijls was ingevoerd, schijnen de strepen zelfs reeds op het bovenbeen te verbleeken; men is meestal van meening, dat die soort ook reeds in vrijheid volkomen is uitgeroeid, terwijl onze tuinen nog echt gefokt materiaal bezitten. Door de verflauwde tusschenstrepen en den algemeenen meer in het bruin loopenden grondtoon moet dat Burchell’s tijgerpaard op de kolonisten in den Oranjevrijstaat in ieder geval zóó sterk den indruk hebben gemaakt van een Quagga, dat zij het „de bonte Quagga” hebben genoemd. Maar veel sterker en donkerder gestreept over de achterpooten is het schoone tijgerpaard, dat in Duitsch Zuid-westafrika nog tegenwoordig bestaat, de zoogenaamde Damara-zebra. Uit een geografisch oogpunt zijn in ieder geval die tijgerpaarden de eenige Zuid-Afrikaansche wilde paarden, die van het zuiden uit ook nog een eind ver opklimmen naar de westkust.

De uit een geografisch oogpunt „echte zebra’s” gaan daarentegen van het uiterste deel van het Kaapland tot aan het gebied der ezels in Somaliland consequent door Oost-Afrika heen. De beide zebra’s, die in hun strepen het schoonste zijn en die merkwaardiger wijze aan hun lange ooren en andere kenmerken het meest op ezels gelijken, geven als het ware de hoekpijlers aan en wel: de reeds het langst bekende echte zebra of het bergpaard in het Kaapland en de zebra, die in den laatsten tijd hoe langer hoe veelvuldiger in de zoölogische tuinen wordt gevonden, de Grevy-zebra in Somaliland zelf. Van de daar tusschen gelegen overgangsvormen noem ik als den meest bekenden den „Böhms-zebra” uit het gebied van den Kilimandsjaro. Met zijn „gestreepte kousen”, die zich uitstrekken tot op den hoef komt hij bijzonder goed uit op de voortreffelijke met magnesiumlicht genomen photografieën van Schillings.

De Grevy-zebra was voor mij, toen ik hem voor het eerst in Londen zag, een ware verrassing. Een zoo kolossale zebra, waarbij de bergpaarden en andere kleine soorten tot ponys inkrompen, had ik absoluut niet voor mogelijk gehouden. De wonderen van de teekening, zoo fijn als de graten van een visch, en van het contrast tusschen wit en zwart hebben daar hun hoogtepunt bereikt. Geen enkele zebra maakt in zoo hooge mate den indruk, als ware hij met zwart lak op een melkwitten achtergrond kunstmatig geschilderd, en lijkt zoo volmaakt onmogelijk als natuurproduct. Daarbij schijnt er voor gezorgd te zijn, dat die allernieuwste indruk ons nog het meest getrouw blijft in de zoölogische tuinen, terwijl het echte bergpaard uit het Kaapland noodzakelijker wijze daar moet ondergaan onder den invloed der onverbiddelijke cultuur.

Gedurende langen tijd was die veel kleinere, maar wonderlijk rijk over het geheele lichaam, ook over de pooten, gestreepte vorm uit het Kaapland de eigenlijke schat in onze afgesloten zebraparken. In Berlijn heeft een oude merrie, die het meer dan een kwart eeuw flink heeft uitgehouden, mij het eerst van het tijgerpaard geleid tot het type van den echten zebra, en mij de liefde voor den zebra in het algemeen ingeboezemd, die ik, zij het ook van verre, nog tot den huidigen dag heb behouden; in de nabijheid als „vriend” is de zebra een valsche, bijtachtige kwant, waaraan men nog steeds bemerkt, wat toch altijd in het wezen der zaak het meest interessante aan hem is: het wilde paard. Ik heb mij daarom dan ook nooit zoo warm kunnen maken voor het debat, dat in den laatsten tijd zoo levendig is gevoerd over de mogelijkheid den zebra blijvend te temmen, en over zijn bruikbaarheid voor de cultuur. Voor mij is in de eerste plaats een werkelijk actueel vraagstuk, hoe de zebra als wilde vorm kan worden gered door alle mogelijke middelen der moderne bescherming tegen de jacht. Dat het mogelijk is, een zebra oppervlakkig, individueel te temmen, is tegenwoordig absoluut zeker, in weerwil van allen vroegeren twijfel. Tegenover de hoop om den zebra snel op den duur te temmen tot een echt cultuurdier, zooals ons cultuurpaard dit is, sta ik desniettemin even sceptisch als tegenover alle andere pogingen, om uit wilde dieren in een paar geslachten huisdieren te willen fokken. Wij menschen zijn tegenwoordig ten gevolge van bepaalde werkelijk kolossale gevolgen in den vooruitgang der cultuur allen eenigszins in het stadium der geestelijke koortshitte. Wij willen overal loopen met zevenmijls laarzen. Maar tegenover dergelijke karakterwijzigingen in het levende wezen zullen wij nog wat bemerken van de taaiheid der natuur, van de rotsgevaarten, die niet met geweld kunnen worden verbrijzeld, maar die alleen door een duizenden jaren voortgezet druppelen kunnen worden uitgehold.

Uit een historisch oogpunt mag men wel met zekerheid uitspreken, dat de zebra met het werkelijke oorspronkelijke temmingsproces van ons paard in niet den minsten samenhang staat. Geen enkel ras onzer getemde paarden vertoont het geringste spoor van de physionomie van den zebra. Alle zebra’s staan zóó geïsoleerd naast ons paard, dat men, wat de uiterlijke gedaante betreft, geen oogenblik verwonderd zou zijn, als de zebra in het skelet nog ergens een overtolligen teen of één dier oudere kenmerken aanwees, die hem zou doen kennen als een overlevend overblijfsel van één dier oudere groepen van paardachtige dieren. Doch zóó ver staan zij zuiver systematisch niet van elkander. Maar des te duidelijker ontbreekt iedere historische aanwijzing van een nauweren samenhang met onze cultuurgeschiedenis.

[

Inhoud

]

Hoewel ook de zebra komt tot in Somaliland, dus in het stamgebied van den ezel, is toch, even zeker als het feit, dat de ezel over Egypte in de beschaafde wereld is binnengetreden, het andere feit, dat het paard niet langs dien weg is binnengekomen. Egypte zelf heeft het paard eerst veel later gekregen, en als alle teekenen ons niet bedriegen, van het noorden uit. Zelfs echter indien er op den niet-Egyptischen noordelijken rand van Afrika van oudsher een zelfstandig uitgangspunt zou geweest zijn voor het fokken van tamme paarden (wat volstrekt niet bewezen is), dan zouden niet de tropische zebra’s daarvoor in aanmerking moeten komen, maar achterblijvers der diluviale Europeesche wilde paarden, waarvan men de beenderoverblijfselen in Algiers heeft gevonden.

Over die punten is men het dan ook vroeg tamelijk wel eens geweest. De vraag, die zich dan echter met kracht naar voren drong, was deze: waar dan ons tamme paard van afstamde.

Het eerste aannemelijke vermoeden wees op Azië. Men moet zich hierbij een oogenblik terugdenken in de andere voorstelling van de negentiende eeuw omtrent den geheelen gang der beschaving in het algemeen. In Azië wortelde, naar men meende, alle cultuur. Van hier uit hadden zich van oudsher cultuurvolken met golfbewegingen in westelijke richting voortbewogen. Een dergelijke golf was in de gedaante der „Kelten” over geheel Europa heengeslagen. Daarop volgde, de vorige gedeeltelijk overstroomend, van het oosten naar het westen een Germaansche golf, en daarop een Slawische. Bij een dergelijke voorstelling kwam een oorspronkelijk zelfstandige cultuur voor Europa zoo goed als niet in aanmerking. Europa rekende evenmin mede voor de oude cultuurdieren en dus evenmin voor het paard. Zoo bleef dan Azië alleen over. In de periode, waarin de geschiedenis van het huisdier op zuiver philologische grondslagen was gegrondvest en berustte op bewijzen, aan taal en literatuur ontleend, in de tweede helft der negentiende eeuw, toen de even geestige als op taalkundig gebied zaakkundige studiën over huisdieren en cultuurplanten van den energieken, in zijn bijzonder gebied zich absoluut souverein voelenden Viktor Hehn de opvattingen beheerschte, zonder dat men dadelijk haar eenzijdigheid bemerkte,—scheen het eenvoudig van zelf sprekend, dat men uitsluitend in Azië kon zoeken naar de voorouders van het paard.

Men hoorde nu in het eerst van „wilde paarden” uit de zuidoostelijke Russische steppe, dus ten minste nog in het naar Azië openstaande grensgebied. Zij werden beroemd onder den naam van „Tarpans” en hebben tot een uitgebreide literatuur aanleiding gegeven. Tegenwoordig mag men wel als vaststaand aannemen, dat de Russische Tarpan, die in zuiveren vorm niet meer is op te sporen, ook vroeger nooit „zuiver” is geweest in den zin van een oorspronkelijk wild paard, maar gerecruteerd is uit verwilderde afstammelingen van een aantal oude cultuurrassen, die onderling gekruist hebben; uit de kruising van die rassen zou hij als het ware proefondervindelijk nog tegenwoordig te maken zijn in zijn typischen vorm. In die dagen beschouwde men den Tarpan niet alleen als een werkelijk wild paard, maar men beschouwde hem gewoon weg als volkomen Aziatisch. Duistere geruchten over wilde paarden in de meer of minder geheimzinnige steppen van Centraal-Azië werden zóó gecombineerd, dat het Tarpanpaard als oorspronkelijk wild paard van steeds nog te herkennen gelijkenis met het cultuurpaard, maar toch „wild”, zich ten slotte nog tot in de woestijn Gobi op Chineesch gebied uitstrekte. Toen het eenmaal gevangen was in den binnen-Aziatischen ketel, was de gevolgtrekking ten opzichte van den Tarpan niet zoo moeilijk, dat de ééne of andere der oude culturen aan den rand van dien ketel het dier in het grijze verleden uit dien ketel heeft opgevischt.

De reactie bleef echter al spoedig niet uit. Reeds vroeg werd de Tarpan een problematiek dier. Het bleek, dat die zoogenaamde Tarpans van Perzië tot de woestijn Gobi, goed in het licht gezien, eenvoudig dezelfde waren als de vroeger besproken Onagers en Dziggetais, dus als wilde ezels. Ten einde raad nam Brehm, die één der weinige kenners uit eigen aanschouwing van de Aziatische steppe was, zijn toevlucht tot den uitweg, dat hij in een dergelijken wilden ezel zelf den Trans-Caspischen Koelan, dien hij gelijkstelde met den werkelijken Chineeschen Dziggetai der woestijn Gobi, den stamvader zag van ons cultuurpaard. De trotsche pracht dier wilde Aziatische dieren, die hij voor het eerst volkomen had leeren kennen, hield hem gekluisterd en gevangen. Maar toch was aan die opgedrongen oplossing op den duur niet ernstig te denken.

De twijfel aan het denkbeeld van Brehm vertegenwoordigde dan ook een zeker keerpunt. Ondertusschen was er een geheele reeks van nieuwe feiten bekend geworden over het ten minste eertijds voorkomen van wilde paarden midden in de voornaamste cultuurlanden van Europa. Uit de diluviale periode kwamen tallooze overblijfselen van paarden in Frankrijk en Duitschland, en zelfs tot in Zweden voor den dag. Ongetwijfeld had men hier te doen met inheemsche wilde paarden. Zij liepen reeds parallel met een eveneens inheemsche Europeesche cultuur, een praehistorische cultuur. Maar die cultuur bezat in het begin nog geen huisdieren. Op het paard werd jacht gemaakt als op een wild dier der steppe. In Westeregeln bij Maagdenburg liggen zijn beenderen midden tusschen die van andere wilde steppendieren, bij wie nooit sprake geweest kan zijn van temming. In een Zweedschen schedel, die afkomstig is van een jong paard, steekt nog een vuursteenwapen der steenperiode. Op een vindplaats onder een hoogen rotswand bij Solutré in Frankrijk liggen overblijfselen van vele duizenden paarden op een zóó karakteristieke wijze bij elkander, dat men bepaald moet aannemen, dat de praehistorische mensch hier langen tijd gewoon was vluchtige wilde paarden over den kling te jagen en zóó tot een zekeren buit te maken. Eindelijk werden als bewijsstukken, die voor goed den doorslag gaven, op ivoor gesneden figuren en verrassend goed uitgevoerde teekeningen, voor een deel groote muurteekeningen in holen ontdekt van de hand van praehistorische kunstenaars op de overoude Fransche cultuurplaatsen van een niet bij name bekend, maar blijkbaar zeer begaafd volk, waarop een diluviale dierenwereld, nog volkomen duidelijk te herkennen, was voorgesteld. Naast teekeningen van den mammouth vindt men daar ook teekeningen van een paard van een steeds terugkeerend, hoogst karakteristiek type. Bepaalde trekken daarin, bij voorbeeld een dichte baard aan de kin, schenen nog duidelijk te wijzen op de dik behaarde dieren van den rand der gletschers uit de ijsperiode, waartoe ook de roodbonte neushoorn en de mammouth met zijn geelbruin wollen kleed en zijn manen hebben behoord. Maar aan den anderen kant leek de vorm ook reeds in het oog vallend op bepaalde zware oud-Europeesche cultuurrassen met een langen, zwaren, in het dik gewelfde neusgedeelte ver vooruitstekenden, kop en met dikke pooten.

Dit praehistorische bewijsmateriaal is na dien tijd hoe langer hoe zekerder en klemmender geworden. Maar als de dingen zoo waren, dan moest men zich toch de vraag stellen, of niet, naarmate de Europeesche cultuur verder voortschreed, het paard juist in Europa werkelijk voor het eerst is getemd geworden. Hier werd nu ook het materiaal van gewicht, dat scheen te bewijzen, dat het Europeesche wilde paard volstrekt niet ongeveer op het allerlaatst der diluviale periode evenals de mammouth en de roodbonte neushoorn in het land was uitgestorven, maar dat het ten minste op enkele plaatsen feitelijk als zoodanig tot zelfs ver in de historische tijden heeft voortgeleefd. Inderdaad kunnen uit de oudere literatuur een groot aantal mededeelingen over „wilde paarden” in het Duitsche woud worden bijeengebracht. Dat het Duitsche wilde paard, oorspronkelijk een steppendier, zich in het overgebleven gedeelte van het Duitsche oerwoud, waar het nog bestond, voor de toenemende cultuur zou hebben teruggetrokken, zou niet zoo bijzonder te verwonderen zijn. Dat aan den anderen kant een bosch, dat nog langen tijd wisents, oerossen, elanden geherbergd heeft, ook een goede schuilplaats kon aanbieden aan wilde paarden, is ook duidelijk. De verschillende opgaven uit de literatuur zijn merkwaardig eenstemmig. In de „Benedictiones ad mensas Ekkehardi”, de zegeningen over de spijzen, door Ekkehard IV, den magister scholarum in het klooster St. Gallen in Zwitserland gegeven, vindt men ook een dergelijke zegening voor het vleesch van het „wilde paard.” In een andere bron van het jaar 1593 wordt weer melding gemaakt van wilde paarden in Wasgau. In de rechtsverslagen van Kaiserslautern worden tot in het begin van den dertigjarigen oorlog „wilde paarden” genoemd, die huisden in de diepe bosschen van de Pfalz, zich daar vermenigvuldigden, en des nachts losbrekend als de wilde zwijnen, zóó groote verwoestingen aanrichtten in de bebouwde velden, dat de stad in het jaar 1616 drie afzonderlijke boschwachters tegen de wilde paarden moest aanstellen. Hahn (niet Hehn, maar een ander onderzoeker der huisdieren) heeft in het jaar 1892 op zeer overtuigende gronden de stelling verdedigd, dat de „grimme Schelch”, die in het Nibelungenlied nog als een groot stuk wild genoemd wordt, waarop te gelijk met den tegenwoordig verdwenen oeros werd jacht gemaakt, een wilde hengst is geweest; het woord wordt daarbij afgeleid van „Beschäler” (dekhengst.) Nog in het jaar 1537 leest men, in een keukenrekening uit Lippe, van een hengst, die gezonden werd als „Beschäler” bij de wilde paarden. Toen men uit de moerassen van Ierland bijzonder goed geconserveerde, meestal zelfs nog door stukken huid omgeven geraamten van een hert met een kolossaal gewei had leeren kennen, dat wel is waar tegenwoordig niet meer bestaat, maar in Europa eerst betrekkelijk laat scheen te zijn uitgestorven, werd het een algemeen verbreide hypothese, dat in dien wonderlijken „Schelch” dat toen ten tijde nog voortlevende of in ieder geval in sagen nog gekende reuzenhert stak. Maar feitelijk is er geen enkel verder feit, dat een bewijs zou zijn voor het later voortleven van dat in verschillende opzichten raadselachtige diluviale hert tot in de historische tijden; het zou dus meer dan vermetel zijn, daartoe te concludeeren uitsluitend op grond dat hier een „grimmig” jachtdier uit oude dagen voorkomt, dat wij niet onmiddellijk kunnen thuis brengen. De wilde hengst past echter uitstekend in het kader.

Nu is trouwens ten opzichte van al die „wilde paarden” uit de oudere bronnen beweerd geworden, dat men hier gedeeltelijk ook weer te doen heeft met verwilderde vluchtelingen uit oorlogstijden, die zich in het oerwoud, waar dat nog bestond (en in enkele streken bestond het zelfs zeer laat nog weelderig genoeg), tijdelijk zelfstandig hadden gevestigd; gedeeltelijk echter ook met vorstelijke stoeterijen, waar cultuurpaarden in half verwilderden toestand gehouden werden, die zoowel landbouwer als stadbewoner van tijd tot tijd plaagden als wilde dieren. Dit mag enkele medegedeelde feiten verklaren, doch moeilijk juist de meest interessante. Bij stoeterijen van wilde paarden met „grimmige” dekhengsten in het diepe eenzame woud zou men ook deze vraag kunnen stellen, of niet juist die dieren zelf een bewijsstuk waren voor nog laat behouden gebleven overgangstrappen van het temmingsproces. Ik herinner aan hetgeen vroeger gezegd is van den hengst en zijn zoo late temming. Misschien heeft men nog zeer lang de dekhengsten in een soort van overgangstoestand gehouden als half wilde dieren en dieren van het woud, wat echter niet uitsloot, dat zij reeds hun rechtmatigen eigenaar hadden en in het algemeen beschouwd werden als hulp verleenende cultuurdieren.

In ieder geval heeft de meest zorgvuldige critiek die zaken niet weer geheel uit de wereld kunnen helpen. En zoo neigde zich het tongetje van de weegschaal hoe langer hoe sterker naar Europa toe, terwijl te gelijker tijd even zeker de hoop begraven werd, een wild paard, waarin de voorvader van ons cultuurpaard zou kunnen steken, nog levend terug te vinden. Daartoe was Europa reeds lang te zeer verlicht. Het voorvaderlijke paard scheen evenzeer door zijn getemden kleinzoon te zijn opgezogen als de eveneens reeds lang ten onder gegane oeros van het oude Duitsche woud door het getemde rund.

In die schijnbaar nu zoo volkomen gezuiverde atmosfeer is echter toch weer een nieuwe ontdekking van den allereersten rang als de bliksem ingeslagen. In het jaar 1879 ontmoette de Russische reiziger Przewalski (spreek uit Pschewalski) in het wildste gedeelte der Centraal-Aziatische woestijn (in het Tarim-bekken) een wild eenhoevig dier, dat nu volstrekt geen wilde ezel, maar een absoluut echt wild paard was.

De Kirgiezen noemden het dier „Kertag”, de Mongolen „Taki”. Het was over het algemeen klein, maar met een grooten kop, het droeg ooren als van een paard, manenborstels als van een zebra, zonder kuif, en een staart, die over de bovenste helft alleen korte haren had en eerst van onderen eindigde in den echten paardestaart. De kleur kwam overeen met die der woestijn tusschen rossig en geel, de in het oog vallende dikke pooten waren van de knieën af zwart. Kudden van vijf tot vijftien stuks, merries en veulens met een ouden hengst als leidsman, waren bij elkander. De levendige, scherp speurende dieren hielden het meest van de naakte zoutwoestijn, waar bijna geen water te vinden was. Alleen in den winter was het mogelijk op hen te jagen, als de sneeuw voor de jagers het water kon vervangen. Tweemaal stootte de ontdekker op een kudde, zonder de gelegenheid te hebben hen onder schot te krijgen. Als een stormwind vlogen de dieren den hengst achterna. Maar een huid en een schedel, die langs anderen weg in het bezit kwamen van Przewalski, waren onmiddellijk voldoende om wetenschappelijk het dier te huis te determineeren.

Er was dezen keer geen sprake van verwilderde Mongoolsche cultuurpaarden. Men stond tegenover een echt wild paard, even goed als de zebra’s het wilde paard vertegenwoordigden. Maar nu tegenover het wilde paard, dat men had gezocht: en wel een wild eenhoevig dier, dat klaarblijkelijk uit een zoölogisch oogpunt behoort tot de engere groep, waartoe ons cultuurpaard behoort. Het hoogstmerkwaardige schepsel, waarmede een meer dan honderdjarige twistvraag in een geheel nieuw stadium trad, werd het Przewalskipaard gedoopt.

Na de eerste publicaties trad er weer een pauze in, gedurende welke geen verder bericht kwam, zoodat in de kringen der vakgeleerden reeds weer twijfel opkwam. Toen ondernam de zoöloog Büchner een expeditie naar Dzoengarije, uitsluitend ter wille van het wilde paard. Hij bracht ook gelukkig een paar merries levend naar Rusland mede. In het particuliere park van Falz-Fein in Askania Nova in Zuid-Rusland verscheen het merkwaardige dier voor het eerst als wetenschappelijk gevangene. Toen nu de belangstelling zoo algemeen was geworden, trad de Hamburgsche handelaar in dieren, Karl Hagenbeck, de groote leverancier van al onze groote Europeesche zoölogische tuinen, in het krijt. Hij verschafte zich 28 stuks levend voor den handel, uitsluitend jonge dieren, die allen in de nabijheid van Kobdo in West-Mongolië op Chineesch grondgebied gevangen waren. De Mongoolsche jagers hadden door plotseling opjagen van grootere troepen de veulens er toe gebracht, achter te blijven bij hun vluchtende moeders, en ze met een soort van lasso gevangen. In het kamp gebracht, waren de jonge dieren spoedig gewend geraakt aan tamme merries als pleegmoeders, aan wie men haar eigen jongen had ontnomen,—een leerrijke bijdrage voor het proces, dat zich zeker ontelbare malen op dergelijke wijze had herhaald in de temmingsgeschiedenis van het paard. Uit die bezending zijn al onze grootere dierentuinen van dergelijke exemplaren voorzien, en daar de veulens intusschen groot geworden zijn, kan men zich tegenwoordig van het Przewalskipaard een betere voorstelling maken dan van een aantal reeds veel langer bekende zoogdieren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings