Het Paard. (continued 2)
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Een andere proef op de som leveren de tanden.
Ons paard heeft een zeer eigenaardig gebit. De snijtanden zijn voltallig en stevig, de kiezen bepaald kolossaal. Doch verkwijnd is het gebit op de plaats, waar de roofdieren de krachtige tanden hebben, om die in te slaan in het vleesch en dat te verscheuren, dat is bij de hoektanden en de voorste kiezen. De hoektanden zijn bij het vrouwelijke paard reeds geheel verdwenen, en eveneens bij beide geslachten de voorste kies zelf. In den gapenden muil vindt men hier een groote leege ruimte. Daarentegen hebben de echte kiezen als het ware het geheele overgebleven gedeelte der voorste kiezen voor zich veroverd, en de grootte en den vorm daarvan overgenomen. Die vorm der kiezen is dan zeer karakteristiek; het zijn lange en hooge vierhoekige prisma’s op verkwijnende wortels, met sterk gekronkelde emailplooien op de kroonvlakte van die beenderige stof, die anders bij de tanden der zoogdieren de verborgen deelen bedekt, het zoogenaamde tandcement. Die gedeeltelijk gecemente kroonvlakte vertoont een zeer wonderlijk, geplooid, moeilijk te beschrijven bergrelief. Bij dit alles is dit gebit in zijn „roeping” gemakkelijker te doorgronden dan eenig ander gebit. De snijtanden met hun eigenaardige ligging zijn sterke afplukkers, ja zelfs op hun manier reeds kauwers; de geheele, één geheel uitmakende kiezenmolen, aan weerszijden zes boven en zes beneden, is dan een uitstekend maal- druk- en verbrijzeltoestel, een kauwmolen van den eersten rang. Dit gebit behoort aan een reus, die zijn zwaar lichaam met buitengewone hoeveelheden voedsel moet voederen. Hij is echter geen wezen, dat bij den aanval bijt, en op vleeschkost uitgaat, maar een vluchtige draver, wien de steppe met haar eindelooze plantenkoloniën een onuitputtelijke stof biedt. Niet eens heeft hij een afwisselende voeding noodig als noodhulp, zooals een kleiner dier, dat aan een bepaalde plek gebonden is. Zijn schitterend bewegingsmechanisme is tegen zijn gewicht toch in ieder opzicht ruimschoots opgewassen. Dit maakt hem tot vrijen meester van alle gezellig levende steppenplanten van horizon tot horizon. De eentonigheid dier grassteppe spiegelt zich af in het eenvoudige en eenzijdige pluk- en kauwapparaat van zijn gebit. Zooals overal, vertoont het paard ook in zijn tandenbouw een zeer geprononceerde, maar groote en in zijn voltooiing toch weer eenvoudige lijn. Het is alles bijzonder eenzijdig ontwikkeld, maar het beheerscht dan ook zijn gebied als een koning met volkomen meesterschap.
Dit gebit van het paard uit onze dagen is nu echter niet het oorspronkelijke gebit der hoogere zoogdieren, dit is ook onmiddellijk duidelijk. Het is een gebit, zooals het bij dien uiterst ontwikkelden paardevoet en dat paardebeen van tegenwoordig behoort, die eveneens reeds lang niet meer in overeenstemming zijn met die der oorspronkelijke hoefdieren. En wij zouden ons ook zijn geleidelijke ontwikkeling niet schooner kunnen voorstellen dan de werkelijke geologische keten, die ons de ontwikkeling van dat bewegingapparaat heeft onthuld, en dat wel hier in werkelijk bestaande beelden heeft onthuld.
De Euprotogonia en Phenacodus aan het begin der keten, oorspronkelijke hoefdieren zooals zij werkelijk nog zijn, vertoonen dan ook werkelijk nog dit oorspronkelijke zoogdierengebit in den schoonsten vorm, waarover wij vroeger zoo dikwijls hebben gesproken, en zooals het weer ten minste tot op een bepaalde hoogte ook bij ons menschen tot heden toe prachtig is bewaard gebleven ten aanschouwe van iedereen. Alle soorten van tanden zijn daar voorhanden, en dat wel zeer goed te onderscheiden. Hun rij is van boven en beneden tot één geheel aaneengesloten, ten minste zonder groote tusschenruimten. De hoektanden zijn nog volkomen duidelijk ontwikkeld, hoewel niet overdreven vooruitstekend. Alle vier voorkiezen zijn aanwezig, maar zij handhaven tevens hun verschil met de drie echte kiezen, daar zij in de eerste plaats aanzienlijk kleiner zijn. En die kiezen zijn aan hun werkzaam bovengedeelte kort, maar in de kaak vast ingeslagen met groote spitse wortels. Zij missen nog volledig het cementplombeersel in de diepten van hun kauwvlakte. Die hoogten en laagten in het vlak zelf verschillen in hun eenvoud nog ontzettend veel van het werkelijk angstwekkend geplooide profiel der hooge prisma’s aan de kiezen van ons levend paard. Wel ziet men, dat het ook hier reeds geldt den meer specialen tak der dieren van Cernays, die op de hoefdieren wijst, die dus geen punten op de kiezen draagt zooals de roofdieren, maar de echte kiezen reeds op gemengd voedsel heeft ingericht. In hun breedte is de tandkroon daarachter alleen met een paar eenvoudige vlakke bulten voorzien. Van onderen zijn het slechts vier, van boven, door twee tusschenbultjes, zijn er zes. Wil men den toestand werkelijk eens geografisch beschrijven als tegenover een gebergte, dat men uit vogelperspectief ziet, dan heeft men bij een dergelijke kies uit de bovenkaak een mooie kleine hoogvlakte vóór zich met zes goed geproportionneerde en duidelijk gescheiden bergkegels. Dat is de typische kies van den omnivoor (allesetend), die trouwens in hoofdzaak toch reeds de voorkeur geeft aan plantenkost, maar dan ook in groote afwisseling. De zwijnen hebben ook een dergelijke kies. In tegenstelling daarmede ziet het berglandschap van de paardekies er uit als een gedeelte van de oppervlakte der maan met de meest grillige lijnen van gekartelde kraterwallen, met ingesloten bekkens en allerlei daardoor heen loopende verweeringen.
En nu heeft men ook hier de schoonste geleidelijke overgangen. Evenals bij het onderbeen, zoo hebben ook bij de tanden op zeer karakteristieke wijze de vospaardjes, dus de oudste echte equiden, eveneens nog bijna geheel den toestand der oorspronkelijke hoefdieren. Nog zijn alle tanden voltallig. Wel wordt de gaping, die reeds uiterst gering bij den Phenacodus begon, zichtbaar, maar nog is het alleen maar een enkel wijken der tanden, niet een ontbreken: de later verdwijnende eerste voorkies is nog duidelijk van boven zoowel als beneden aanwezig. Nog verschillen die voorkiezen van de gewone kiezen, nog hebben de kiezen geen cementplombeersel, nog dragen de ouderen onder die vospaardjes op ieder dier kiezen de zuiver gescheiden bulten. En dat alles toch, wel te verstaan, nog bij een typisch echten equide! Bij de jongere vospaardjes (die, welke aan den achterpoot reeds geen pinkaanhechtsel meedragen), beginnen er eerst bergjukken tusschen de bulttoppen te komen, en die toppen beginnen zich om te vormen tot eigenaardig haakvormig gebogen kammen. Dit gaat dan op de volgende trappen verder, als volgde men in een gebergte werkelijk wilde geologische verschuivingen en plooiingsprocessen. Bij de vroeger genoemde kwasthoevigen zijn de kiezen nog klein en van stevige wortels voorzien. Maar reeds begint de karakteristieke prismavorm van het echte paard door te breken. Terwijl in het relief van boven de middelste dier haakvormig gebogen kammen zich aanschuiven tegen de uiterste, ver tot aan den rand zich uitstrekkend, wordt de tusschenruimte, die vroeger open dal was tusschen bergtoppen, tot een rondom omsloten kraterholte, en in die holten zooals anders in de plooien begint zich plotseling cementmassa af te zetten. Te gelijker tijd merkt men ook, dat de voorste der voorste kiezen veranderlijk wordt, en de overige gaan hoe langer hoe meer op de kiezen gelijken. Bij onze pinkdieren groeit de kies echt tot een hooge zuil uit, waarbij de wortels verdwijnen. In een diepe inzinking liggen daar thans de kraterholten absoluut ingesloten, en steeds rijkelijker dringt overal als een taaie afgezette massa het cement in de bergplooien. De kammen om de kraters kronkelen zich als overoude verweeringsarabesken, de laatste nog uitstekende binnenste toppen beginnen in dien warwinkel van plooien in te vloeien. Van daar is het nog slechts een korte schrede tot het echte wilde paard. Niet gemakkelijk kunnen er twee dingen zijn, die meer van elkander verschillen dan de reusachtige prismatische kies van dat paard met haar verkwijnende wortels en haar cementlabyrint, en de fijne cementlooze gebulte tand met fijne, spitse wortels van den Phenacodus—en toch is er in de geheele lijn tusschen die beide geen enkele sprong, waar men zich verbazen zou over den plotselingen overgang, en de laatste overgang is nauwelijks meer dan het invloeien van een laatste overblijfsel van een inwendigen bult in de golvingen der plooien. Als een dergelijke tandvlakte, reusachtig vergroot, werkelijk een plek op onze aardkorst was met een krachtige bergformatie, waarop wij gedurende millioenen jaren steeds van tijd tot tijd weer neerzagen,—dan zou geen enkele geograaf de geleidelijke vervorming van dat gebergte, de omvorming van zijn oorspronkelijke kegelspitsen in een labyrint van bergjukken in de lengte en in de breedte en van gebarsten pieken, de uitdieping zijner zeeën, anders verklaren dan in de beteekenis van een consequent voortgezet formatieproces in de natuurlijke volgorde zonder eenig hiaat. En als wij nu telkens na even groote tusschenperioden neerzien op den tand in de kaak van een levende diersoort,—waarom zou dan het proces een geheel ander zijn?
Over het „hoe” van dergelijke vervormingen zijn er, zooals ik zeide, (en zullen er ook nog lang zijn) zeer van elkander afwijkende meeningen ook binnen de partij, die onfeilbaar gelooft aan natuurlijke ontwikkeling in het algemeen. Zoo is dan ook die geschiedenis van het paard een tijd lang de aanleiding geweest tot een zeer interessant debat, waarbij tegengestelde opvattingen omtrent het „hoe” scherp tot uitdrukking kwamen.
[
Inhoud
]
Ik heb medegedeeld, dat versteende beenderen van op paarden gelijkende dieren uit Fransche vindplaatsen het eerst door Cuvier zijn beschreven, lang voordat Amerika die bewonderenswaardige keten leverde, en dat ook in het vervolg Europeesch bewijsmateriaal niet ontbrak. Toen Darwins denkbeelden zich eerst aanhangers verwierven en Haeckel de eerste „stamboomen” van diergroepen ontwierp, kende men nog niets anders dan die Europeesche resultaten. Het scheen echter reeds met deze eenigszins mogelijk, een dergelijken „stamboom” van het paard te construeeren. Men had ook daar reeds onmiskenbare kwasthoevige dieren uit de latere tertiaire periode, en daarna driehoevige equiden uit oudere lagen (juist deze had Cuvier reeds herkend); later zijn er zelfs nog overblijfselen van vospaardjes en ook enkele zeldzame overblijfselen van het oorspronkelijke hoefdier Phenacodus gevonden. Al was het op verre na niet zoo nauwkeurig, toch schemerde de juiste grondlijn in ieder geval zóó door, dat men haar werkelijk kon vaststellen, en de eerste specialiteiten waren er niet weinig trotsch op, dat hun dit scheen te gelukken. Bij de zekerheid van het feit, dat toch het voortgekomen product, namelijk het tegenwoordige paard, als wild paard en wilde ezel, zij het niet meer tegenwoordig in Europa, dan toch in Afrika en Azië, dus in de oude wereld nog, in groote massa’s voortbestond, kon in dat eerste aanstormen der dingen eerst ook geen twijfel bestaan, of die stamboom liep alleen over vormen uit de oude wereld. Toen men hoorde van voormalige Amerikaansche paarden, scheen het even natuurlijk, dat men hier moest hebben te doen gehad met verstrooide landverhuizers uit Oud-Azië of Oud-Europa.
Maar daar kwamen slag op slag de Noordamerikaansche vondsten voor den dag met de geheele daar verkregen keten. De zaak werd moeilijk. En wel des te moeilijker, toen het volgende scheen voor den dag te komen. De Amerikaansche keten van de oorspronkelijke hoefdieren tot aan het echte, daar ten minste zeer laat nog aanwezige wilde paard was onberispelijk trap voor trap in zich zelf gesloten. In de meer algemeene grondtrekken: dat zij ten slotte wees op voorvaderen met vijf teenen, dat zij leidde langs een trap van driehoevige dieren, en een tusschentrap omvatte van de kwasthoevigen, kwam zij volkomen overeen met de reeds bekende Europeesche keten. Maar in bijzonderheden bleken er ongetwijfeld afwijkingen te zijn.
De Amerikaansche en de Europeesche vertegenwoordigers der driehoevige equiden wilden in de bijzonderheden volstrekt niet bij elkander passen. Voor de kwasthoevigen daar en hier werd dit ten minste bestreden. Daar op het oogenblik noch de Europeesche noch de Amerikaansche geleerden hun stamboom wilden prijsgeven, doch beide stamboomen verschillend waren, maar van den anderen kant het resultaat voor beide hetzelfde was, scheen er slechts één logische uitweg te zijn. Het paard moest zich als zoodanig twee maal hebben ontwikkeld in een overigens identieken eindvorm: bij ons in de oude wereld uit oorspronkelijke hoefdieren met vijf teenen langs de keten, die in Europa uit een geologisch oogpunt ten minste nog eenigszins is te volgen, daar ginds in Amerika uit de misschien nog gelijke oorspronkelijke hoefdieren langs de keten, die daar nog nauwkeurig is na te gaan. Beide ketens hadden verwante logische trekken, werden echter in bijzonderheden door tamelijk veel van elkander verschillende equidenvormen vertegenwoordigd. Enkele Duitsche onderzoekers, bij voorbeeld de oude Kämpe, die even handig in het debat en in zijn polemiek even zelfbewust als vreeselijk grof was, en de dikke Vogt traden op de meest fanatieke wijze voor die oplossing in het strijdperk, alsof het wel en het wee der geheele ontwikkelingsleer daarvan afhing. Doch het gold slechts een bepaalde opvatting van de inwendige wegen eener zoodanige ontwikkeling, maar in een in ieder geval interessanten vorm.
De vraag was opgeworpen, of een diersoort op onze aarde door natuurlijke ontwikkeling tweemaal in volkomen denzelfden vorm kan onstaan, en dat wel langs vormen van voorouders, die wel is waar in wezen niet volkomen ongelijk waren, maar toch ook volstrekt niet in zoölogischen zin gelijk waren. De bevestiging dier vraag moest natuurlijk van bijzonder groote draagwijdte zijn. Passen wij dit bij voorbeeld toe op den mensch, dan kan in een dergelijk geval dus de mensch op verschillende plaatsen van onze planeet zich hebben ontwikkeld uit diervormen, die van verschillende soort waren, al kwamen zij dan ook in bepaalde trekken overeen, een feit, dat op de splitsing der rassen van het begin af aan een ander licht zou werpen en den stamboom van den mensch oneindig veel gecompliceerder zou maken.
Nu is in de eerste plaats niet goed te loochenen, dat de mogelijkheid van twee onafhankelijke ontwikkelingen, die toch tot volkomen hetzelfde resultaat leiden, zuiver theoretisch moet worden toegegeven. Iedere ontwikkeling berust in den zin der moderne evolutieleer op natuurlijke oorzaken, en wat die oorzaken voorschrijven, moet zich daarin onveranderlijk voltrekken. Gelijke oorzaken hebben echter gelijke gevolgen,—dat is ook een onveranderlijke wereldwet. Indien dus tweemaal volkomen dezelfde oorzaken van ontwikkeling, waar ook op de wereld, zijn opgetreden, moeten er ook dezelfde resultaten uit zijn voortgevloeid.
Legt men het zwaartepunt bij het resultaat niet op volkomen „gelijkheid”, maar alleen op „overeenstemming”, dan zijn er voor dat beginsel voorbeelden in overvloed. Het vliegen is door de meest verschillende dierengroepen zeker volkomen onafhankelijk van elkander aangeleerd, en daarbij zijn op de meest verwijderde plaatsen zeer met elkander overeenkomende vliegorganen ontwikkeld; zoo hebben wij in het „Dierenboek” reeds medegedeeld, hoe zoowel de uitgestorven vliegende hagedissen alsook de (daarvan ver verwijderde en onafhankelijke) vleermuizen den vinger hebben gebruikt om de vlieghuid uit te spannen. De vermindering der hoefteenen ter wille van een gemakkelijker beweging, het steile opheffen van den middenvoet, de „verbeening” van dien voet, dus karakteristieke feiten uit het proces der paardwording, zijn in vormen, die in ieder geval met elkander overeenkomen, ook door andere hoefdieren: runderen, schapen, herten enz. volbracht. Bij een bijzonder merkwaardig uitgestorven hoefdier van Zuidamerika, dat behoorde tot een groep van hoefdieren, die zich daar in oude dagen hadden nedergezet, en dat zich daar volkomen had vervormd, het Thoatherium, is dat proces zelfs zóóver gevorderd, dat evenals bij het paard ook ten slotte alleen de middenteen is overgebleven; dat dier en zijn verwanten hadden daarbij anders volstrekt geen gelijkenis en geen betrekking tot het paard en den stamboom van het paard, zij waren alleen in dat ééne opzicht bij volkomen verschillende ontwikkeling onder den invloed van de werking van „gelijke oorzaken” gekomen. Nu was alleen de vraag, hoe ver dat woordje „gelijkenis” tot het begrip „gelijkheid” naderde. De gegeven voorbeelden zijn immers feitelijk alle nog ver daarvan verwijderd; de vliegende hagedis is geen vleermuis, het rund en zelfs het genoemde Thoatherium zijn geen paarden geworden. Zijn er meerdere van zulke complexen van gelijke voorwaarden, zoodat een geheele ontwikkeling zich zou kunnen herhalen totdat het geheele complex van een volkomen identieke diersoort zich zou kunnen herhalen?
Men kan beginnen met ook die vraag te beantwoorden door een analoog voorbeeld aan het oneindige heelal ontleend. Als wij ons een tweede wereldlichaam denken ergens in het heelal gelegen, dat bij eenzelfden stand ten opzichte van de zon uit dezelfde grondstoffen bestond als de aarde en dezelfde verhoudingen in grootte had, dan is het zeker, dat dit wereldlichaam, door gelijke oorzaken als onze aarde gebracht tot ontwikkeling van organisch leven, volkomen dezelfde planten- en diersoorten zou moeten voortbrengen en eindelijk ook door intelligente menschen moest worden bewoond. In dichtstukken is daarvan dikwijls gebruik gemaakt, maar het berust (bij de in het oogvallende overeenkomst van veel kosmische scheppingen, bij voorbeeld van veel vaste sterren met onze zon) op een veel strengeren grondslag dan de meeste menschen meenen. Eveneens is het volkomen zeker, dat indien heden onze aarde door de ééne of andere gewelddadige gebeurtenis weer in den toestand van een chaotische nevelvlek zou terugkeeren, zonder dat er anders iets veranderde aan haar stoffelijke samenstelling of haar astronomische betrekkingen, na een periode van zoo en zooveel millioenen jaren alles bij haar weer bij het oude zou zijn, dezelfde planten-, dieren- en menschenwereld in al haar individuen en hun lotgevallen weer aanwezig zou zijn, zóódanig, dat alle handelingen bij voorbeeld bij ons menschen, die na de catastrofe aanwezig zijn, zich, als ware er niets geschied, moesten aansluiten aan hetgeen vóór de catastrofe gebeurd was op het oogenblik, dat de aarde in denzelfden ontwikkelingstoestand verkeerde als thans.
Dit alles zijn dingen, die uit de ernstig opgevatte consequentie der levensontwikkeling noodzakelijk voortvloeien. De zaak wordt echter iets anders, wanneer wij een dergelijk geval nu op één en dezelfde planeet in eenzelfde periode van de geschiedenis der aarde moeten construeeren. Opdat het paard tweemaal, in Europa en Amerika, zou ontstaan, zouden in het verloop der tertiaire periode de omstandigheden in de grassteppen van dat Europa en Amerika absoluut gelijk moeten geweest zijn. Rijkdom en wijze van plantengroei, verhoudingen te land en te water, klimaat en aanvallende dieren, oorspronkelijk aantal individuen enz., dat alles moest gedurende millioenen jaren een absolute identiteit hebben gehandhaafd. Het is moeilijk zich dit te denken.
De zaak zou trouwens gemakkelijker verklaard kunnen worden, als men een keuze deed tusschen bepaalde theorieën van de noodzakelijkheid der ontwikkeling, en dan de meest geschikte uitzocht. De groote massa van hen, die aan de ontwikkeling gelooven, nemen tegenwoordig aan, dat iedere ontwikkeling in het bereik van het leven hoofdzakelijk tot stand komt door den dwang der uitwendige omstandigheden, die de soorten dwingt, zich te wijzigen in de lijn van bepaalde aanpassingen; voor hen is het paard in iedere vezel een prachtig bewijs van een dergelijke tot het hoogste punt opgevoerde aanpassing. De methode, waarop levende wezens het tot stand brengen, werkelijk op een dergelijken dwang te reageeren, zich op een voor het doel geschikte wijze tegenover de eischen te vervormen, zich „aan te passen”,—is dan weer een zaak van engere theorieën. Darwin denkt aan een voortdurend blind voortbrengen van varianten, waarbij de uitwendige eischen steeds de meest bruikbare varianten in stand doen houden. Over den aard en de kracht van die varianten wijken de meeningen van Hugo de Vries en van andere leerlingen van Darwin tegenwoordig van elkander af. Omgekeerd houden de voorstanders van Lamarck meer rekening met een meer actieve en directe geschiktheid tot aanpassing van de levende individuen, die dat proces der blinde teeltkeus met zijn ontzettende decimeeringen in meerdere of mindere mate onnoodig maakt. Bij beide wegen blijft echter de beslissende macht der uitvoerige eischen bestaan. Om tweemaal het paard op dezelfde wijze voort te brengen, zou zoowel voor de theorie van Darwin als voor die van Lamarck die absolute identiteit der uitwendige omstandigheden, van het Europeesche en het Amerikaansche milieu, gedurende een onmetelijke tijdsruimte noodig geweest zijn, dus iets wat niet gemakkelijk is te denken.
Om aan dien eisch tegemoet te komen, zou alleen een theorie dienst kunnen doen, die de beteekenis van dien dwang van het milieu op den achtergrond stelde ten gunste van een dwang tot ontwikkeling, die geheel van binnen uit en zelfstandig werkt in de levende wezens zelf. Ook dat denkbeeld heeft aanhangers, al heeft het tegenwoordig geen enkelen op den voorgrond tredenden vertegenwoordiger. Volgens dat denkbeeld moet de vaste ontwikkelingslijn van alle dieren en planten in hoofdzaak in hen zelf liggen. De buitenwereld zou zich tegenover die ontwikkeling slechts zóó gedragen als de broedwarmte tegenover het kippenei. Dit denkbeeld put al zijn kracht voor de stamgeschiedenis der soorten werkelijk uit de analogie met hetgeen in de kiem, in het ei of in de pop geschiedt. Een pop van een vlinder, behoorlijk rustig en warm gehouden, brengt denzelfden vlinder voort op grond van een inwendige, als een uurwerk loopende regelmatigheid, even goed ginds in Amerika, als, naar ons overgebracht, in Europa. Zoo zou het dan ook ongeveer met de oorspronkelijke hoefdieren geweest zijn. In de Amerikaansche, evenzeer als in de Europeesche prairie, zou, als maar voldoende tijd en rust gewaarborgd was, het inwendige, opgewonden uurwerk der ontwikkeling in een bepaald aantal generaties het paard moeten te voorschijn brengen, en wel het volkomen identieke paard. Die theorie is niet, zooals wel wordt beweerd, een onwetenschappelijke theorie zonder meer, want zij berust in ieder geval op een analogie, namelijk op het op zich zelf volkomen natuurlijke verloop der ontwikkeling in ei of pop. Alleen blijft zij volkomen het antwoord schuldig op twee vragen, die de zooeven genoemde andere vorm der ontwikkelingsidee spelend oplost. En wel in de eerste plaats, wie het uurwerk heeft opgewonden. In de geschiedenis der kiem, in het ei, is het naar de tegenwoordig gangbare opvatting juist de stamgeschiedenis zelf geweest. Voor de stamgeschiedenis bleef er dan een onbekende onderstelling open. Ten tweede, hoe het komt tot de duidelijk zichtbare „vooruit vaststaande” harmonie tusschen de resultaten van dat inwendige uurwerk en de eischen van aanpassing der buitenwereld. Waarom tikt het inwendige uurwerk het paard juist als een zoo voortreffelijke aanpassing aan de steppen naar buiten?
Het is niet de taak van dit boek, in het groote spel en tegenspel van dergelijke theorieën tegenwoordig scherpe beslissingen te nemen. Ik wilde den lezer daarop alleen wijzen, als de stof daaraan noodzakelijk raakt. Het geldt daarbij, zooals gezegd is, interessante vraagpunten binnen het kader der groote ontwikkelingsidee zelf, vraagpunten, die de inspanning van de besten en de edelsten ten volle waard zijn. Maar voor ons vraagstuk over het paard is er gelukkig een oplossing, waarbij wij die vraagstukken kunnen ter zijde laten ook zonder de noodzakelijkheid van een beslissende oplossing.
Bij die geheele zaak was er iets, wat ontwijfelbaar de verbazing moet opwekken. Indien op de ééne of andere van de verschillende theoretisch denkbare wegen ten slotte het paard twee maal als volkomen identieke vorm hier en ginds kon ontstaan: waarom waren dan de schakels der ontwikkelingsketen, die tot het paard leidden, niet eveneens in Europa en in Amerika volkomen identiek? Ik heb persoonlijk dit punt (juist dat punt, waardoor oorspronkelijk het geheele debat is aangekomen), nooit kunnen begrijpen. Als de ontwikkeling in beide gevallen bij voorbeeld bij den tienden trap der keten op hetzelfde paard kwam, waarom dan niet bij voorbeeld bij den zevenden trap op hetzelfde driehoevige dier? Als dat driehoevige dier in Europa wel op dat van Amerika geleek, maar er toch duidelijk van verschilde, dan eischte de eenvoudige logica, dat ook de „paarden” van hier en ginds, dat wil zeggen de eindelijk langs twee parallelle wegen veroverde eenhoevige dieren, wel op elkander geleken, maar toch ook verschillend bleven. Waarom de identiteit op het gedeelte tusschen driehoevig dier en paard plotseling in beide ketens moet binnen komen, is volstrekt niet in overeenstemming met het beginsel: gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen. Juist die verscheidenheid der oudere vormen heeft echter feitelijk den hefboom geleverd, om de zaak geheel en al omver te werpen en dat wel van het volgende, geheel verschillende standpunt uit.
Die beroemde Amerikaansche keten, waarvan wij de schakels als oorspronkelijke hoefdieren, vospaardjes, driehoevigen, kwasthoevigen, vingerdieren, zoo goed als het ging in Hollandsche namen hebben weergegeven, heeft natuurlijk ook haar vasten Latijnschen vaknaam. Gewoonlijk zijn zij voorbij de oorspronkelijke hoefdieren Euprotogonia en Phenacodus zelf reeds samengesteld met het Grieksche woord voor paard „hippos”. Van onderen naar boven vindt men daar tusschen den Phenacodus en den werkelijken hippos, het Amerikaansche wilde paard, na een Hyrakotherium (waarbij men een oogenblik zou kunnen denken aan den Hyrax, den klipdas) een equide Protorohippos (nog in de vospaardjes), een Epihippos, (Mesohippos, Miohippos, waarbij men de driehoevigen voorbijkomt), een Merychippos als typische trap van de kwasthoevigen, en eindelijk een Hippidion voor onze pinkhoevigen. Voor een deel zijn het moeilijk te vertalen namen, die op zich zelf weinig beteekenen, en die de zoöloog dan ook alleen gebruikt als een soort gildeteekens. Het belangrijkste is, dat men van al die stevig aan elkander sluitende schakels der keten duidelijke skeletten bezit, die juist hier den zoo goed als onbetwistbaren stamboom leveren. Nu zijn echter met die vaste aansluitingen de massa’s der Amerikaansche paardebeenderen uit de tertiaire periode nog volstrekt niet alle uitgeput. Men heeft daar uit dien overvloed aan rijkdom nog een groote hoeveelheid equiden weder kunnen samenstellen, die als het ware uitloopers, bijloopers der hoofdlijn, voorstellen. Dieren, die niet behoorden in de lijn, die consequent opsteeg naar het echte paard, maar van de verschillende stations van dien stam als zijtakken of wilde loten afweken.
Zij speelden als het ware met de voortbrengselen van dat station, dreven die in de breedte, deden allerlei varianten op die voortbrengselen ontstaan, maar stierven gewoonlijk zelf weer uit, als de hoofdstam een trap hooger steeg, zonder dat zij zelf het tot den één of anderen eigen nieuwen top brachten. Iedere dierlijke stamboom, dien wij, waar ook, een stuk ver kunnen vervolgen, laat dergelijke wilde loten zien, dit moet diep in het wezen van iedere organische ontwikkeling liggen, en vooral in de opvatting van Darwin, als de voortdurende schifting uit een groot aantal verschillende varianten, zou dit ook volkomen verklaarbaar zijn. Het latere duidelijke inzicht in het werkelijke verloop van den stam zelf wordt ons echter helaas zeer dikwijls moeilijk gemaakt door die voortdurend weer opborrelende massa van daarnaast loopende wilde takken en bijkomend kreupelhout. Het is als bij een werkelijken boom, waarbij men van verre alleen bladeren en takken ziet en niet den hoofdstam. Dergelijke bijvormen plegen in den tijd, die hun vergund is, een zeer buitengewone rol te spelen. Niet meer deelhebbend aan den eigenlijken vooruitgang, breiden zij zich oeverloos in de breedte uit. Zij beproeven alle mogelijke voordeelen van een veroverd station, alsof dat station hun definitieve ankerplaats was, zonder zich er over te bekommeren (overdrachtelijk gesproken) in wat voor uitersten en wat voor sloppen zij bij dat zich al te huiselijk inrichten mogen komen. Door de aanwezigheid van een ontzaglijk aantal individuen op een gunstig terrein kon een op een bepaald oogenblik bijzonder gelukkige variant zich zóó op den voorgrond dringen, dat in de versteende overblijfselen, waarin steeds toch gapingen voorkomen, later het echte type van dat station, dat tot verdere ontwikkeling is gekomen, gemakkelijk geheel voor den blik verloren gaat. Het groote aantal individuen dwingt dan dikwijls juist die ééne bijloot, zich verder uit te strekken als een rijk van knoppen voorziene tak; dat wil zeggen: de zich ophoopende individuen worden gedwongen het land te verlaten, zij verspreiden zich over wijde uitgestrektheden der aarde, en komen plotseling te voorschijn in geheel andere landen, waarheen juist de geologische verhoudingen van dien tijd een begaanbare brug hadden geslagen. Dit kan nu echter onder bepaalde omstandigheden veroorzaken, dat zij op plaatsen ver van de plaats van ontstaan en vervorming van hun oorspronkelijke stamlijn, toevluchtsoorden vinden, waar zij veel langer kunnen blijven bestaan dan in de oorspronkelijke woning zelf, schuilhoeken waar geen zeis hun al te weelderigen groei afmaait en het noodlot van het station waar zij ontstaan zijn, ze op de oude plek schijnt te hebben vergeten. Dan blijft zulk een verstrooide troep millioenen jaren voortduren, hoopt voortdurend nieuwe catacomben op van zijn beenderen en maakt daardoor de juiste waardeering hunner beteekenis moeilijk.
Zoo ook is het met de paardachtige dieren van Amerika. Overal, waar een groot keerpunt in hun ontwikkeling gelegen is, waar men, menschelijker wijze gesproken, den indruk heeft van een tijdelijken stilstand in den ontwikkelingsstroom, van een tot adem komen, een verzamelen van krachten, begint telkens ook het schieten van ranken in de breedte,—de uitloopers treden op naast de equiden, die het doel der ontwikkeling waren.
Dit begint reeds op den trap der vospaardjes. Een eerste hoogtepunt wordt bereikt op den trap der driehoevige equiden, dus daar waar de wetenschappelijke taal spreekt van Miohippos en Mesohippos. In die dagen vertakte zich een zeer eigenaardige variant in Noordamerika van den hoofdstam af in den vorm van een equide: het Anchitherium. De naam beteekent het „nauw verwante dier”. Wij vatten het hier op als nauw verwant aan het reeds meest volkomene van die driehoevige dieren van Amerika, die behooren tot de echte paardenreeks. Nauw verwant, maar niet gelijk, want het is een op zijde afwijkende, in den zin der hoofdontwikkeling onvruchtbare variant, die zich heeft vertakt, nadat de typische driehoevige equiden reeds als zoodanig volkomen voltooid waren.
Een tweede hoogtepunt lag vervolgens bij de kwasthoevigen, dus daar, waar de beide zijteenen met hun hoeven nooit meer den grond aanraakten, maar alleen nog slechts als groote overblijfsels aan weerszijden naast den steeds meer de overhand hebbenden middenteen en het „voetbeen” hingen. Hier heeft zich een in zijn soort zeer fraaie, sierlijke equide als variant in Amerika vertakt, gemiddeld van de grootte der kleine zebrasoorten van onze dagen. Deze nam de leelijke kwastvoeten mede, zonder daaraan iets te veranderen tot aan het einde van zijn geslacht. Voor het overige modelleerde hij in kleinigheden voortdurend aan het type van zijn station, zooals dit bij al dergelijke varianten gebruikelijk is. In zijn bovenkiezen gelukte het hem nog niet, het laatste titteltje op de i te plaatsen, dat noodig was, om een echt paard te zijn, namelijk den laatsten binnenbult geheel te laten invloeien in het arabeskenwerk der kraters en kammen. Daarentegen plooide hij aan de emailwanden der middelste kraters in het relief van de gebergten van die tandkronen zóó overdreven weelderig voort, dat die tanden nog veel meer dan bij het beeld van het echte paard er spoedig uitzagen als doorgesneden kroppen salade in het klein. Die „saladetandigen” heeft men in tegenstelling met de echte stamgetrouwe kwasthoevigen, die wetenschappelijk Merychippos heeten, Hipparion genoemd. Het woord heeft geen andere beteekenis dan „klein paard”. Men moet, zooals zoo dikwijls, een dergelijken Latijnschen naam niet opvatten alsof daarin een geconcentreerde beschrijving bevat is, maar als een etiquette, een soort van nummer ter onderscheiding. Dikwijls gebeurt het, dat dergelijke etiquettes in den loop der zich verbeterende systematiek van dier verwisselen; de naam kan dan onmogelijk meer met het dier in overeenstemming zijn. Een dier kan bij voorbeeld „viridis” heeten en toch niet groen zijn, en zoo kon er ook bij ons „paardje” Hipparion van daag of morgen een variant gevonden worden, die zoo groot was als een rhinoceros, en die toch onder het merk „Hipparion” moest ingeschreven blijven.
Dikwijls toch hebben juist zulke uitloopers een neiging, ook te varieeren tot buitengewone grootten, wat trouwens in dit bijzondere geval tot nu toe niet is vastgesteld. Als een dier stevig op drie hoeven kon staan, kon met dien drievoet ook een zwaarder soort lichaam worden bewogen. Zoo heeft er bij dien trap der driehoevigen van die geheele dierengroep steeds een neiging bestaan, op te treden in forsche varianten; wij spreken daar nog nader over. De overgang tot het eigenlijk verfijnde experiment van het evenwicht op één enkelen hoef moest zich daarentegen, zoolang dat proces in wording was en zich nog niet volkomen had gelouterd tot zijn volmaking en technische voltooiing, uit den aard der zaak beperken tot vormen van gemiddelde grootte. Zoo is dan hier ons paard als slotproduct ook tevens de technische overmeestering van het zwaarste dier, en zijn omgekeerd op den trap der kwasthoevigen ook de varianten nog bescheiden van grootte.
Het eigenaardige nu van al die varianten onder de equiden is echter dit, dat zij, zooals men met den meesten grond mag aannemen, onmiddellijk aanleiding hebben gegeven tot het denkbeeld van een zelfstandigen paardenstamboom ook bij ons in Europa. Terwijl de eigenlijke stam in Amerika aangroeide tot het paard en alleen daar, hebben zich in herhaalde voorwaartsche bewegingen troepen van die varianten ver over de engere grenzen van Amerika heen verspreid. Zij zijn ook in Europa, in de oude wereld, opgedoken, hebben hier nieuwe en karakteristieke soorten gevormd, zijn hier in een ontzaglijk groot aantal individuen gedurende lange tijdsruimten binnen de groote tertiaire periode in stand gebleven, maar zijn ten slotte iederen keer in het algemeen hier evenzeer onvruchtbaar ondergegaan als daar. Hoe meer men naast de paarden in Amerika, die aan de bedoeling der evolutie beantwoordden, ook de varianten daar leerde kennen, des te verrassender is het feit voor den dag gekomen, dat de belangrijksten onder die Amerikaansche varianten, zooals het Anchitherium en het Hipparion, in de soort volkomen identiek waren met de equiden, die men in Europa had beschouwd als de vertegenwoordigers van den daar aanwezigen, naar men meende, afzonderlijken paardenstamboom. Geen wonder dus, dat zij (die immers varianten waren van verschillende echte trappen van den stamboom, maar van den Amerikaanschen), ook aanknoopingspunten vertoonden aan een dergelijken stamboom, vooral als men ze eenvoudig achter elkander plaatste, en opvatte als een doorloopende keten van geslachten, waar bij voorbeeld het Anchitherium het Hipparion zou hebben voortgebracht. Geen wonder ook, dat zij, daar zij toch varianten waren, afweken van de echte Amerikaansche stamreeks. Juist die onmiddellijke werkelijke verdere ontwikkeling der Europeesche equiden van den éénen vorm tot den anderen, die eerst voor Europa een beeld zou leveren van een echten stamboom, is echter absoluut niet aan te toonen. Nooit zijn er tot nu toe werkelijke aanvullende vormen gevonden tusschen de oudste Europeesche equiden en het Europeesche Anchitherium, nooit tusschen dat Anchitherium en het Europeesche Hipparion, nooit ook tusschen dat Hipparion en ons paard. Alles spreekt er, zoodra men eenmaal weet, dat Anchitherium en Hipparion ook in Amerika voorkwamen en wel daar als uitloopers, die buitengewoon taai en rijk aan individuen waren—alles spreekt er, zeggen wij absoluut voor, dat wij, hier bij ons, eenvoudig alleen te doen hebben met een Amerikaansch importartikel.
Om een dergelijken import te begrijpen, moet men zich echter de geografische mogelijkheden van dien tijd eenigszins voor den geest halen. Het denkbeeld, dat de Europeesche grassteppe der tertiaire periode geheel zelfstandig het paard uit de oorspronkelijke hoefdieren zou hebben ontwikkeld, en eveneens dat geheel zelfstandig ook de Noordamerikaansche steppe dit zou gedaan hebben, houdt rekening met moderne verhoudingen, niet met die uit vroegeren tijd. Voor ons liggen er tusschen Europa en Amerika zoo en zooveel dagreizen zeereis met het gezicht op de zee van horizon tot horizon. Dat was het gedeelte waterbrug, dat Columbus eerst voor ons moest overbruggen op een onbegrijpelijk vermetele vaart. Op een kunstig door menschenhanden gebouwd schip kon het eerste Spaansche paard eerst na een aantal dagen van zulk een vaart levend naar de overzijde komen. De oorspronkelijke feitelijke toestand, waarmede de tertiaire toestand begon, was daarentegen een geheel andere.
Europa was toenmaals een archipel, een eilandenland, ongeveer zooals tegenwoordig de Soenda-eilanden. Die Europeesche eilanden waren echter niet, zooals men ten minste zou verwachten, de voorposten van de Aziatische vastelandsmassa. Daar, oostwaarts, lag overal weer de zee. Het meest nabijzijnde, daartoe behoorende blok land, een overoud vastelandsstuk, strekte zich van het noorden van Scandinavië uit, zooals bij voorbeeld Achterindië tegenwoordig zich uitstrekt tot de Soenda-eilanden. Tegen dat landblok kwam, van het westen uit, Noordamerika te liggen. In verband met de grootte van dat werelddeel en zijn oostelijke uitbreiding van toenmaals is het gerechtvaardigd te zeggen, dat Europa nog in het begin der tertiaire periode een groote archipel is geweest, die in oostelijke richting de voorpost was van Noordamerika. Die eigenaardige toestand bleef wel niet in zoo bijzondere mate gedurende de geheele tertiaire periode bestaan, maar toch is de weg van Amerika naar Europa in het midden dier tertiaire periode nog steeds verreweg korter geweest. Nog tegenwoordig vertoonen de insnijdingen van de verlengsels der groote Noordamerikaansche stroomen in den bodem der zee duidelijk aan, hoeveel verder de kust zich nog lang in de tertiaire periode daar in oostelijke richting heeft uitgestrekt tot in streken, die tegenwoordig diepe, scheidende zeeën zijn. En evenzoo wijzen de nog merkbare oude beddingen en delta’s aan gene zijde der Europeesche westkust op den tegenwoordigen bodem van den Atlantischen oceaan er op, hoeveel verder ook dat Europa, toen het zich langzaam uit een eilandenwereld tot een zelfstandig vastland ontwikkeld had, zijn landgrenzen nog lang in de richting van Amerika uitstrekte. Wanneer men hoort van het telkens heen en weer slingeren van grootere massa’s water en dan weer van grootere blootleggingen van land op het geheele noordelijke halfrond binnen de oudste en middelste tertiaire periode, moet het werkelijk onvermijdelijk schijnen, dat bij een dergelijke nabijheid der beide vaste landen van tijd tot tijd weer een aansluiting langs den drogen weg tusschen beide werelddeelen ontstond aan de uiterste voorposten, bij voorbeeld ongeveer zóó, als men tegenwoordig vindt tusschen Amerika en Azië, die bij de Behringstraat op een enkele plaats geen negentig kilometers van elkander verwijderd zijn,—een toestand, waarop dan gedurende langere tusschenperioden weer een sterkere afscheiding door een breedere tusschenzee volgde. Toen ook die mogelijkheid eindelijk ophield, toen de tertiaire periode langer voortduurde, en de Atlantische oceaan zich als een steeds minder verbreekbare grendel tot op de breedten der poolstreken uitstrekte, toen was eindelijk de aansluiting van Europa ook aan het Aziatische vasteland voltooid, welke aansluiting wel is waar langs een ontzaglijke uitgestrektheid, maar toch ten slotte werkelijk een drogen weg aanbood tot diezelfde Behringstraat, waardoor Amerika van die zijde voor Europa was geopend.
Die geologisch-geografische opvolging van tooneelen komt nu niet alleen in hoofdtrekken, maar werkelijk punt voor punt overeen met het zoölogische beeld van een Amerikaansch-Europeesche immigratie der paardachtige dieren.
In die dagen, toen Europa nog als het ware een oostelijke archipel was van Noordamerika, waren zoowel vasteland als eilanden bevolkt met die oorspronkelijke groep der hoogere zoogdieren, waartoe ook de Condylarthren, de oorspronkelijke hoefdieren, behoorden. Wij vinden hun gelijksoortige overblijfselen op het vasteland, in Nieuw-Mexico, en in den uithoek van één der eilanden van den Europeeschen toenmaligen archipel, dien wij nog konden doorsnuffelen: bij Cernays in het tegenwoordige Frankrijk. Men had toen die eenheid in de dierenwereld, die vergeleken kan worden met den toestand van thans, waar Ceylon den olifant, Sumatra en Java den tijger en de één- en tweehoornige rhinocerossen gemeen hebben met het Indische vasteland. In ieder geval is het misschien reeds voor dien ouden tijd geen zuiver toeval, dat wij veel talrijker en vollediger overblijfselen van dergelijke oorspronkelijke hoefdieren (bij voorbeeld goed bewaard gebleven geheele skeletten van den beroemden Phenacodus) uit het westelijke vasteland, dus uit Noordamerika, bezitten. De periode dier dierenwereld, die een organisch geheel vormt, schijnt dan ook nog de vorming en eerste ontplooiing der vospaardjes te omvatten. Dergelijke oorspronkelijke paardachtige dieren, behoorende tot de wetenschappelijke soorten Hyrakotherium en Pachynolophus, leefden te gelijker tijd in Noordamerika en in Frankrijk en Engeland. In ieder geval kon men ook bij dezen nog in twijfel verkeeren, waar zij als eerste paardachtige dieren begonnen zijn. Het ligt voor de hand, te beslissen ten voordeele van Amerika, daar men alleen voor Amerika kan aantoonen, dat zij als echte voorouders der paarden verder gingen. Immers van den bovensten eocenen trap tot aan den miocenen driehoevigen equide Miohippos volgen de verschillende deelen van den stamboom tegenwoordig uitsluitend in Amerika op elkander. Tusschen Europa en Amerika moet hier één dier „geografische scheuren” geweest zijn, die de dierenwereld gescheiden hield. Indien de echte paardenstamboom ook in Europa in dien tijd evenwijdig met Amerika verder was voortgeloopen van het daar afgesneden deel der vospaardjes, dan zouden wij toch wel het ééne of andere spoor daarvan in de rijke Europeesche overblijfselen van beenderen hebben behouden gezien; maar niets daarvan is waar te nemen. Daarentegen verschijnt in Europa volkomen onafhankelijk later het Anchitherium, een Amerikaansche variant van dien Miohippos. Tijdelijk was er een landbrug ontstaan, een inval van dergelijke zwervende kudden van varianten is daarvan het gevolg geweest!
Maar daarna is in Europa een tijdlang de toegang gesloten geweest. Het Anchitherium is zonder nakroost op het vreemde gebied weer verdwenen—ook zonder een nieuwen toevoer, daar de miocene zee tijdelijk weer de Amerikaansche brug onder water had bedolven. Toen kwam er plotseling weer een nieuwe toevloed van ginds. In ontzaglijke massa’s trekken nu weer over een hernieuwde brug die sierlijke, op zebra’s gelijkende Amerikaansche kwasthoevige varianten, de Hipparions. In weerwil van hun kwastbeenen moeten zij in hun zucht tot verbreiding, zeker begunstigd door een langdurige periode van groote steppen met kreupelhout zooals in het tegenwoordige Afrika, absoluut geen grenzen gevonden hebben. Zij bewogen zich in het Rijndal bij Worms, evenals in Pikermi bij Marathon, maar trokken nog ver voorbij Europa voort tot naar Algiers, Indië en China. Zóó reusachtig is hun verbreidingsgebied op een bepaald tijdperk, waarop het noordelijke halfrond blijkbaar bijzonder rijk aan land was, dat hun uiterste voorposten aan de Behringstraat oostwaarts weer Amerika moeten hebben bereikt, dus de reis om de geheele wereld moeten hebben volbracht. Men zou er bijna aan twijfelen, of niet ten slotte de geheele inval der Hipparions heeft plaats gehad over het uiterste Oostazië, in de nabijheid van Amerika. Maar in een dergelijke periode van land en steppen spreekt te veel ook voor een tijdelijk weder tot stand komen van den zooveel dichter bijgelegen Engelsch-Amerikaanschen doortocht.
Maar een dergelijk indringen over Azië is tamelijk zeker voor de daarop volgende laatste invasie. In Amerika had de ware paardenstamboom, zooals men zich zal herinneren, niet over het Hipparion zelf, maar over den echten kwasthoevigen Merychippos geloopen. Uit den Merychippos vormde zich het Hippidion (pinkpaardje), en uit het Hippidion kwam eindelijk het echte wilde paard voort. Het Hippidion heeft zich wel is waar, zooals wij meedeelden, ver uitgebreid tot naar Zuidamerika, maar het is, voor zoover men kan nagaan, evenals de latere echte paardenvoorouders, zelf niet in de oude wereld gekomen. Daarentegen volgde nu daar in het laatste deel der tertiaire periode, in het Pliocene tijdperk, een binnenstroomen van de nu eindelijk vermoede echte wilde paarden, dat geleek op dien inval der Hipparions.
Voor het eerst sedert zoo langen tijd kwam met hen niet een zijvariante, maar als het ware het origineel der keten, en wel dezen keer de spits zelf, uit Amerika over. Daaruit wordt bijzonder eenvoudig verklaard, dat dezen keer de inval in de oude wereld niet een zóódanige was, die tot heden voortduurde, maar dat hij ook in de oude wereld in een groote zelfstandige verdere ontwikkeling geleid heeft tot de vele en verschillende gedeeltelijk thans nog levende paardenvormen, tot onze Aziatische wilde paarden, de Afrikaansche zebra’s, de Aziatisch-Afrikaansche wilde ezels en ten slotte, met behulp van de symbiose met de menschen, tot de cultuurrassen. Alles doet echter vermoeden, dat die invasie van wilde paarden dezen keer uitsluitend gebruik maakte van den Aziatischen weg. Een Amerikaansch-Europeesche brug heeft er in deze betrekkelijk late periode tamelijk zeker niet meer bestaan. De oudste beenderen van wilde paarden uit de oude wereld liggen in Azië aan het Himalayagebergte. Het maakt den indruk, als ware de immigratie niet in snelle vaart, maar in verschillende etapes zeer geleidelijk geschied. Zelfs in Noordamerika zelf is het te zien, hoe het zwaartepunt der verspreiding van de echte wilde paarden in het westen, dus ook aan de Aziatische zijde ligt. De laatste achterblijvers daar ginds hebben later nog in Californië en Alaska geleefd. En evenzoo is nog tegenwoordig de steppe van Centraalazië de laatste schuilplaats van het oudste wilde paard, dat er nog op aarde is, het merkwaardige Przewalskipaard.
Dit is naar alle waarschijnlijkheid de oplossing van den ingewikkelden roman der geschiedenis van de paardachtigen en de paarden. Met minder paradoxale eigenaardigheid, maar toch nog met genoeg in spanning houdende afwisseling! Wie zou die lange keten van overgangsvormen en van natuurspelingen niet nog weer eens in levenden lijve in den zoölogischen tuin willen zien herleven! Daar zelfs het meest volkomen skelet de meeste menschen geen helder fantasiebeeld voor oogen voert, zou men zoo gaarne alle kunstmiddelen te hulp roepen, om een aanschouwelijke voorstelling te verkrijgen.
Voor de kwasthoevigen zou er een kleine kans bestaan, als het bij toeval eens gelukte een paartje van de vroeger besproken misgeboorten uit onzen tijd, bij wie nog een kwastteen bij wijze van atavisme gevonden werd, in één onzer dierentuinen verder te fokken. De beelden, die ik van dergelijke vertraagde „Hipparionpaarden” tot nu toe heb gezien, maken trouwens met hun vreeselijke logheid van den geheelen voet steeds op mij een slechten indruk van een ziekelijken, veel te weligen groei, die ten minste geen beeld zou kunnen geven van een in het algemeen zoo sierlijken kwant als het Hipparion. Omgekeerd kan de in het „Dierenboek” beschreven klipdas, die tegenwoordig bijna in iederen zoölogischen tuin wordt gevonden, een denkbeeld geven van den benedensten hoek bij het station der oorspronkelijke hoefdieren; hij geeft ons het begrip van een kleinen voorganger van het paard uit een ver van ons afgelegen oorspronkelijke wereld, een dier van de grootte van een konijn, met een dikken pels en met platte voeten met verschillende teenen. Daarmede zou nu het materiaal zijn afgesloten, als niet de oneindige rijkdom der natuur aan spelingen ons niet nog een onverwachten uitweg had geboden, die voor ons een volkomen nieuwen en uiterst leerrijken en tevens aanschouwelijken hoek van den zoölogischen tuin plotseling weder vruchtbaar weet te maken.
[
Inhoud
]
Dat ons huispaard en de schoon geverfde zebra nauw bij elkander behooren, weet iedere leek. Ook de enge verwantschap van paard en ezel is van oudsher algemeen bekend. De dierentuin pleegt daaraan reeds uitdrukking te geven, en wel hierdoor, dat hij die typen een plaats naast elkander inruimt, wanneer dit gaat zelfs in een bepaald „paardenhuis”. Maar er is daar nog een bijzonder pronkstuk, dat de plaats niet met hen deelt, maar dat door den bezoeker daar eveneens gezocht wordt in verband met zijn naam: het nijlpaard of de hippopotamus. Die kolos, onvergetelijk voor een ieder, die hem eenmaal heeft gezien, heeft intusschen in weerwil van den naam direct absoluut niets te maken met onze echte paarden en evenmin met de oude equiden der voorwereldlijke tijden. Zijn naaste verwanten zijn de zwijnen, dus dieren, zeer ver van het paard verwijderd. De leek wordt weer eens door een woord op een dwaalspoor geleid; de Grieksche dierenschilders hebben daartoe het eerst aanleiding gegeven.
Die oude Grieken hadden het nijlpaard in Afrika gevonden, dat wonderland van de grootste en meest merkwaardige zoogdieren. Toen vele eeuwen later de Europeesche cultuur het tropische Amerika ontdekte, dat reeds van het begin af de verrassende beelden van een volkomen nieuwen menschenstam en een nooit gezienen weelderigen plantengroei vertoonde, kwam er een korte periode, waarin men geloofde, dat die „nieuwe wereld” ook dergelijke ongehoorde typen van reuzendieren moest opleveren. Het bleek echter zeer spoedig, dat dit onjuist was. Amerika was toen arm (verarmd is eigenlijk het juistere woord) aan groote zoogdieren.
Toch ontdekte men langzamerhand in kleinere afmetingen menigen vorm, die, ten minste wat de groep betreft, waartoe zij behoorden, verwant scheen aan de Afrikaansche reuzen. En de eerste berichten uit Zuidamerika omtrent dieren kondigden hier nu ook een nijlpaard aan uit de nieuwe wereld, al was het dan ook een miniatuur-nijlpaard. In de moerassige bosschen der onmetelijke stroomgebieden aan den Orinoco en de Amazonenrivier moest het wonen, evenals zijn reusachtige broeder aan den Boven-Nijl. Het dier, dat men hier op het spoor was, leefde werkelijk, en tegenwoordig vindt men het in iederen zoölogischen tuin. Maar het is geen Amerikaansch nijlpaard. Het heeft niets met het nijlpaard te maken. Het was de tapir, dien men op die wijze onverhoopt had ontdekt. In de achttiende eeuw, in den tijd van den grooten Buffon, werd men er zich ook uit een dierkundig oogpunt van bewust, dat men hier een eigenaardig, individueel dier voor oogen had. Men beschouwde het nu als een typischen vertegenwoordiger van een zuiver Amerikaansche dierengroep, die in de oude wereld in het geheel niet vertegenwoordigd was, en rekende den tapir naast luiaard en gordeldier tot de zoölogische wonderen van Amerika.
Doch in het begin der negentiende eeuw moest men hier weer iets anders leeren. In de dagen van Buffon was de sage onder de dierkundigen verspreid, dat het echte nijlpaard, al is het dan ook niet in Amerika, dan toch in de oude wereld, dus ook in Indië huisde. In dien vorm was dat weer onjuist geweest. Maar ook hier wierp de ontdekking van een merkwaardig zoogdier der Indische tropen haar schaduw voorop. In de Chineesche werken over natuurlijke historie was dat schepsel reeds lang beschreven. Ook Europeanen, die echter toevallig niet allen natuuronderzoekers waren, die aan het gilde waren aangesloten, hadden het langzamerhand herhaaldelijk gezien. Het hoogtepunt werd bereikt, toen een exemplaar, dat nog steeds niet beschreven en nog niet benoemd was, in een kleinen zoölogischen tuin te Calcutta kwam. Daar werd nu dan toch in 1816 iemand er opmerkzaam op. Het was reeds de bloeitijd van den grooten Cuvier. Cuvier had juist de uiterst vermetele stelling verkondigd, dat er nu wel geen enkel groot en in het oog vallend zoogdier op aarde was, dat nog zou kunnen worden ontdekt. De straf volgde op den voet, voor zoover dit voor een zoo opgewekten ontdekker een straf kon zijn. Cuvier zelf moest in het jaar 1819 de eerste diagnose van dat dier uit Calcutta publiceeren. Het gold, zooals ontwijfelbaar bleek, een Indischen tapir. Al vertegenwoordigde de Amerikaansche tapir daarginds niet het nijlpaard, toch vertegenwoordigde hij dus een echt in de oude wereld aanwezig dier. Maar toch geen Afrikaansch dier. Behalve uit het Indische en Amerikaansche gebied is sedert dien tijd geen levende tapir meer bekend geworden. Wat voor een „bloedverwant” had men echter in die beiden vóór zich?
Indien de tapir werkelijk een verkapt miniatuur-nijlpaard geweest was, dan had hem dat, zooals gezegd is, van geen hoefdier verder verwijderd dan van het paard. Ook toen men reeds lang dat verband had over boord geworpen, was men het volstrekt nog niet onmiddellijk eens over zijn ware plaats in het stelsel. Nog in het jaar 1877 kon een man met zulk een scherpen blik voor dierentypen als Brehm den tapir als overgangsvorm aansluiten aan den olifant—een gelijkenis, die ten minste bij de levende vertegenwoordigers nauwelijks ergens anders op berust, dan op het feit, dat de olifant het meest in het oog vallende „slurfdier” is onder de zoogdieren, en dat ook de tapir ten minste een korte slurf bezit. De slurf alleen is echter voor de zaak niet beslissend, want er zijn buitendien nog slurfdragers in verschillende zeer ver van elkander gelegen orden van zoogdieren. De waterspitsmuis Woechoechol hebben wij reeds met een slurf leeren kennen, de Afrikaansche „olifantspitsmuizen” worden reeds voldoende door haar naam gekarakteriseerd, en eveneens de rob uit de zuidpoolstreken, de „zeeolifant”. De vreemdsoortige gezichtsgevel der neusapen is ook beslist een echte slurf, en, hoe vreemd het ook moge klinken, zelfs onze menschenneus, al heeft die ook den meest idealen Griekschen vorm, is een even onmiskenbaar op een slurf aangelegd orgaan. Speciaal onder de hoefdieren, waartoe in ieder geval de tapir behoort, is echter een slurf een zeldzaamheid. Maar reeds Cuvier had in zijn tijd, toen hij de eerste voorwereldlijke equiden uit fossiele beenderen in het skelet weer samenstelde en de vleeschomtrekken daar omheen trachtte te teekenen, uit allerlei aanwijzingen de gevolgtrekking gemaakt, dat juist bij die oude bloedverwanten der paarden ten minste eertijds nog slurven aanwezig geweest waren. Een paard in zijn tegenwoordigen bouw met een slurf, is, om het zoo uit te drukken, een spookachtige verschijning. Juist zoo iets uitwendig „vleeschachtigs” als een slurf in ieder geval is, nog af te lezen van den naakten beenigen schedel, blijft steeds een uiterst moeilijke zaak. Maar men heeft werkelijk alleen maar die aansporing noodig om tapir en paard met elkander te vergelijken, opdat hij, die eenmaal het beenderenalfabet heeft geleerd, om geheel andere redenen tevens geleid worde tot de meest merkwaardige betrekking tusschen die beide dieren.
Trouwens betrekkingen—en dat is tevens het eigenlijk interessante—niet met het thans levende paard, maar met het paard, toen het nog stond op één der meest karakteristieke trappen der voormalige paardachtige dieren. Men vergelijke slechts beider voetskeletten: en op eens nadert de tapir zeer dicht tot die jongere vospaardjes, die van achteren zoowel als van voren nog stevig liepen op drie hoefteenen, maar die tevens van voren ook nog een vierden teen (den „pink”) als kwastteen of als reserveteen voor sommige gelegenheden bezaten. Het is niet te loochenen, dat bij alle vier voeten van onzen tapir de belangrijkste zwaarteas reeds door den middensten teen (den „middenvinger”) gaat; in dit opzicht zou men hem met recht een wordend paard kunnen noemen. Maar er is nog geen sprake van een concentreeren op den eenigen onvertakten stam van dien voornaamsten teen. Van voren is de voetboom nog duidelijk in vier takken gesplitst, waarvan ieder de hoefvrucht draagt, en van achteren in minstens drie takken. En daarenboven is nu verder, volkomen als bij de oude vospaardjes, de middenvoet veel korter en plomper dan bij ons paard; de zuil van het benedenbeen en den benedenarm is nog niet, zooals bij het bovenbeen, één geheel geworden, maar duidelijk gesplitst in ellepijp en spaakbeen, in scheenbeen en kuitbeen; in het gebit is nog steeds de hoektand zoowel beneden als boven aanwezig; de eerste voorkies is zoowel boven als onder in wankelbaren toestand; de voorste kiezen naderen in vorm reeds meer of minder sterk tot de echte kiezen, die kiezen zelf zijn echter nog kort en van krachtige wortels voorzien, zonder cement in de kroon; op die kroon vindt men nog ongeveer het „oorspronkelijke gebergte” van den equidenstam, namelijk de eenvoudige bergkegels, vier in getal, juist voor het eerst door bergjukken zwak met elkander verbonden. Waren er overigens niet een aantal dingen in den bouw geheel anders, dan zou men geneigd zijn, dien tapir naar zijn skelet eenvoudig te beschouwen als een nog levend, zeer groot vospaard der eocene periode.
En daarbij komen dan nog directe geologische feiten, die zelf van een verrassende harmonie en overeenstemming zijn. Reeds in den tijd der latere vospaardjes zelf leefde, zooals uit onloochenbare vondsten van beenderen blijkt, in Noordamerika zoowel als bij ons in Europa in grooten getale een dier, zoo groot als een tapir, de Lophiodon, in het Hollandsch de heuveltand, een dier, dat den tapir nog nauwer verbond met de oudste equiden. Cuvier zelf heeft het reeds beschreven. Reeds in de oligocene periode kwam ook nevens de echte equiden een afzonderlijk schepsel voor den dag, dat reeds in zoodanige mate den specialen bouw van onzen tapir had, dat het Protapirus, in het Hollandsch „voortapir” moest genoemd worden. Ja zelfs ook in de miocene periode, dus eerst in het midden van het tertiaire tijdperk, komt zoowel ginds in Amerika als bij ons reeds de volkomen echte tapir voor den dag, zooals hij nog in de levende soort „Tapirus” bestaat. Hij is reeds zóó vroeg aanwezig, dat bijna aan den egel, als vroeger vermelden stamvader der soort, als oudste overlevend zoogdier, dat tot nu toe zelfs niet de soort heeft gewijzigd, zijn rang wordt betwist. Een echt voorwereldlijk wezen is dus in levenden lijve nog in onze zoölogische tuinen terecht gekomen, en tevens een dier, dat nog treffend aan de vospaardjes herinnert.
Hij is echter in dien tijd niet met de echte equiden vooruit gegaan. Als één van die „uitloopers” naast de groote lijn zou hij moeten beschouwd worden, als een wezen trouwens, dat het wonder heeft klaar gespeeld, tot heden toe zoowel in de oude als in de nieuwe wereld stil in een uithoek voort te leven. Dat laatste zou inderdaad een sterk stuk zijn. Het veel jongere Hipparion is in weerwil van zijn voorbeeldelooze verbreiding en ontzaglijk aantal nog niet zoover gekomen. Men zal dan hier nog wel een bepaalde bijzonderheid moeten op den voorgrond stellen. Zulke uit- en bijloopers van den grooten paardenstam, zooals dit Hipparion of vroeger het Anchitherium, vormden een onvruchtbaar voortwoekerend kreupelhout op de ééne of andere plaats, het zonderde zich als soort af, bracht allerhanden soorten voort als klein bladerwerk, en stierf ten slotte af zonder zelfstandig naar boven op te schieten. In de lijn, die zich in den Lophiodon het eerst had losgemaakt van de vospaardjes en reeds zeer vroeg gekomen is tot den tapir zelf, zullen wij daarentegen eer een zoodanige soort van een uitlooper moeten constateeren, die van onderen heel in de diepte uit den gemeenschappelijken stam der oorspronkelijke equiden een kort bijstammetje deed rijpen. Een korten tijd groeide het weelderig op, als wilde het evenwijdig met den hoofdstam omhoog. Het bleef niet bij die ééne soort of familie, maar het had in die oorspronkelijke dagen, nog zoo zeer in de nabijheid van de groote groeikracht van den wortelstok, kracht genoeg, het tot een geheele reeks van families te brengen, waarvan de top uit den tapir bestond. Maar met dezen was dan ook de heerlijkheid geëindigd in den zin van een werkelijke verdere ontwikkeling. De zaak bleef stilstaan. Maar het was, alsof de groeikracht van den stam dezen keer ten minste onuitputtelijk behouden was gebleven in de taaiheid, waarmede individuen werden voortgebracht en in stand bleven, zoodat de tapir tot heden toe als het ware levend versteend in den ouden vorm behouden bleef.
De zaak is naar twee kanten van belang voor den grooten samenhang der paardensoorten. Aan den éénen kant toch bevat zij eigenlijk nog een nieuw argument tegen die theorie, volgens welke de oudere stamboom der equiden zich langs twee van elkander onafhankelijke wegen heeft opgewerkt tot het echte paard, bij voorbeeld van het vospaardje af. Hier hebben wij een voorbeeld van een dergelijken parallellen gang juist op den kruisweg, waar het vospaard staat. Er is echter, zooals blijkt, dezen keer geen echt paard ontstaan in de zijwaarts loopende lijn, maar alleen een tapir, die bij alle taaiheid van zijn in leven blijven tot heden toch nog in den bouw zijner tanden en pooten niets anders is dan een zeer groote en dikke gewijzigde soort van een vospaard.
Aan den anderen kant echter bezitten wij juist daarom nu werkelijk nog in onzen dierentuin in vleesch en huid een dier, dat van alle dieren op aarde het eenige is, dat ons ongeveer een beeld kan voor oogen stellen, hoe ook de echte lijn der paarden op het station der vospaarden leefde en er uitzag. Hier wordt de tapir, bijna volkomen eenzaam in het stelsel als hij tegenwoordig is, plotseling één der meest interessante schepselen van den geheelen zoölogischen tuin. Hij is een overlevend oorspronkelijk paard uit de eocene periode.
Als men hem zoo beschouwt, dan wordt thans ook juist zijn verschil in uiterlijk met ons voltooid paard bijzonder leerrijk. Zoo uiterst verschillend zagen die voorvaderlijke paarden, die van voren nog drie hoeven en een kwasthoef droegen, er dus toen nog uit, als men ze niet alleen in het doode, stijve skelet, maar als werkelijke vette, snuivende dravers in het vochtige oerwoud van die dagen had kunnen waarnemen. Inderdaad kan onze tapir tegenwoordig met een goed geweten met geen tweede, levend zoogdier worden vergeleken. Hij is eenig in zijn soort, en alleen in de oorspronkelijke paardenwereld der oudheid zouden wij iets kunnen vinden, dat met hem overeenkomt. Zoo moet hij ons als alleenstaand dier van die oorspronkelijke wereld verhalen.
Het juiste bijvoegelijke naamwoord ter karakteriseering van den tapir is „rond”. Hij heeft iets van een groot, blinkend achterdeel. Eenigszins keert ook bij hem dat karakteristieke slecht gestopte, het te stevig naar achteren toe gestopt zijn terug, dat zoo in het oog vallend gevonden wordt bij buideldieren, en waarin op de ééne of andere wijze een ouderwetsch kenteeken moet steken; het is het grootste dier, dat ik ken, dat daarbij die merkwaardigheid vertegenwoordigt; het korte staartstompje vermeerdert nog den indruk. Het eigenlijk rondachtig-vette, spekachtige in de geheele gestalte wijst echter reeds op de levenswijze. Wilde dieren, die hun levensonderhoud moeten verdienen, zijn gewoonlijk gespierd, maar niet vet. Het vette zwijn is niets anders dan een cultuurproduct, in wilden toestand is het zwijn juist een magere klant. Er is slechts één uitzondering, die den indruk mogelijk maakt van een gezwollen hangbuik: aanpassing aan het water. Zij brengt, zooals reeds Goethe opmerkt, het lichaam van het zoogdier in het stadium van smelten. Het hoogtepunt bereikt dit bij de walrussen en groote walvisschen, waarbij de werkelijke oplossing van vet tevens nog dienstbaar is aan de verwarming in de poolzee. Maar ook het nijlpaard verschaft ons reeds een goed voorbeeld. Zijn vormen zijn inderdaad aan het vervloeien, alsof een wasmodel smolt, waarbij de voeten reeds gaan meegeven en de buik zich naar den grond beweegt. De tapir nu heeft evenzeer iets daarvan, hoewel nog steeds binnen de grenzen gehouden door het paardentype. Hij is onmiskenbaar een dier, waarbij het water de vormen begint los te maken. In die beteekenis is hij, met zijn echte verwantschap met het paard, in den waren zin het eigenlijke „rivierpaard”.
Wat wij werkelijk weten van de levenswijze der tapirs, is daarmede volkomen in overeenstemming. Zij gaan gaarne te water, zwemmen voortreffelijk, leven grootendeels blijvend in tropische wouden bij de groote rivieren, met hun mengelmoes van takken, slingerplanten en struiken. Doch meer dan het eigenlijke water om te zwemmen is het moeras, de weeke, drassige bodem, de wereld van den oneindigen humus onder den door den regen vochtigen tropischen plantengroei hun domein. Als men den tapir ijverig ziet heen en weer waggelen op de harde planken van zijn verwarmde cel in den dierentuin, dan is er geen tweede soort hoefdier, dat zoo weinig op harde hoeven, en zoozeer op weeke, fluweelen zolen loopt. Het groene fluweel van het moeras is het, dat eigenlijk in die voeten van den tapir voor ons elastisch op en neer beweegt. En het geheele dier waggelt evenzeer als de bodem van zijn vaderland. Hoe ver was eens nog de weg van zoodanige vormen tot den trotschen, gespierden, stevigen wilden ezel of het wilde paard in hun niets meegevende grassteppe.
Met de vochtigheid van het moeras hangt ook het eigenaardig korte, blanke, afgeschuurde haar van die vette lichamen der tapirs samen. In verband met de merkwaardige met witte vlekken voorziene kleur van den rug bij de Indische soorten, is bij mij voortdurend weer onwillekeurig de herinnering ingeprent, alsof de tapir volkomen naakt was als het nijlpaard, wat feitelijk echter volstrekt niet het geval is; het is slechts alsof hij met een machine zoo kort mogelijk was geschoren. Maar volkomen in het kader past bij het als een worst opgestopte lichaam op de korte pooten de vreemde vorm van den kop met de korte slurf. Bij den Indischen tapir, die trouwens al het typische in het overdrevene vertoont als een caricatuur, hangt de slurf werkelijk als een vooraan slingerende worst aan het geheel vast. Terwijl zij aan den wortel met haar last het geheele bovenprofiel beheerscht, schijnt zij het oog merkwaardig diep naar beneden te hebben gedrongen. Bij den rhinoceros is iets dergelijks geschied door den zwaren hoorn, maar daar is juist in dat bovenste gedeelte het profiel bijzonder treffend uitgebeeld tot een arabeske der meest woeste kracht. Het gezicht van den tapir verkrijgt,—daar zijn oog alleen door een vleeschkussen verschoven wordt en tevens iedere plooi in het voorhoofd door dat kussen wordt gladgetrokken tot een eenvoudigen boog van de kruin tot aan de spits van den neus—iets beschroomds en onnoozel goedmoedigs. Men kan den tapir niet aanzien, zonder hem voor een stompzinnigen, ongevaarlijken klant te houden, waarschijnlijk veel meer dan hij dat werkelijk is. Wat een groote stap is het ook van hier tot het voorname profiel van het paard! Ik stel mij voor, dat de echte voorvaders der paarden, hoezeer zij ook met den tapir overeenkwamen, toch niet zulk een worstslurf hebben gehad, en juist hierin was een voordeel gelegen voor hun hoogere ontwikkeling, terwijl die slurf de oorzaak was van het doodloopen in den tapir. Doch dit is niet te bewijzen.
In onze dierentuinen kan men tegenwoordig beide soorten zeer voldoende bestudeeren: den donkeren Amerikaanschen tapir en den Indischen, die de zoo bijzonder treffende benaming van Schabrak-tapir heeft gekregen. Als men dat laatste vette dier, dat evenals alle halve waterdieren gaarne lui ligt en zich over den grond wentelt, met zijn eigenaardige merkwaardige kleuren ziet: achter op den rug van het anders eentonig chocoladezwart gekleurde lichaam eenvoudig niets dan een groote witte vlek en daarbij nog de zwarte duivelsooren blinkend wit gezoomd—dan zal de leek steeds weer tot het vermoeden komen, dat het dikke dier tegen een meelvat heeft gestooten of in het gips heeft gewenteld. Als wij hooren, dat het schildhuisachtige zwart-wit van den zebra in de vrije natuur een schitterend verdedigingsmiddel is, dat de gestalte van het dier van verre laat vervloeien, dan kan men dat kleed van den tapir beschouwen als een dergelijke mimicry in zijn woud, waar de tijger op de loer ligt; de witte kalkvlek is als het ware een op zich zelf staand licht tusschen kop en staart, dat op een dwaalspoor leidt. En ook voor de verwantschap met het paard is het interessant, dat juist dit voorwereldlijke wezen reeds als het ware het palet draagt, om een zebra te maken met zwarte en witte strepen over het geheele lichaam. Feitelijk echter vertoonen de jongen van den Schabrak-tapir en zeker ook van ten minste één der Amerikaansche soorten, zelf reeds een teekening van witte vlekken en streepjes op een donkeren achtergrond. Niet, zooals bij den zebra, loodrecht op den rug, maar in de lengte, evenwijdig met den rug. Volgens de wet, dat jonge dieren dikwijls nog kenmerken der voorvaderen herhalen, zou men dus tot de gevolgtrekking kunnen komen, dat de huidteekening van den Protapirus en van de oude vospaardjes en oorspronkelijke hoefdieren oorspronkelijk ook uit zulke strepen in de lengte bestaan heeft, waaruit dan de Schabrak van den tapir te voorschijn kwam. Bij het gereconstrueerde beeld van den Phenacodus op de plaat in het „Dierenboek” zijn niet willekeurig, maar uitsluitend op grond juist van dien gedachtengang, dergelijke strepen voor de huid van dat oorspronkelijke hoefdier gekozen, hoewel geen menschenoog die ooit heeft gezien.
In vroegere jaren was die Schabrak-tapir een hooge zeldzaamheid in onze dierentuinen. In den dierentuin te Keulen, waarin ik als jongen als het ware ben opgegroeid, was zijn waarneming voor mij steeds een onvervulde wensch, die steeds gevoed werd door teekeningen van het fantastische dier. Tegenwoordig is hij een gewoon pronkstuk geworden, en in Keulen zelf heb ik niet lang geleden het schoonste paar aangetroffen. Vooral als hij van achteren neerhurkt als een reusachtig knaagdier (een houding, die ook door den tweehoornigen neushoorn gaarne wordt aangenomen, en hier en daar zelfs door paard en ezel), heeft hij voor mij altijd iets van Chineesche, stijve, bontverlakte kunst. Zooals de Indiërs hunne schrikverwekkende goden voorzagen van gestileerde olifantsslurven, zoo hebben ook de oude Indiaansche kunstenaars der verwoeste culturen in Centraalamerika hun tapir gaarne als ornament gebruikt, met zóó overdreven gedraaide slurf, dat de mythe kon ontstaan, dat men daar nog mastodonten of mammouths als levende modellen had gehad.
Zooals de grootere en vettere Indische tapirs, zoo zijn ook die Amerikaansche tapirs, die in volwassen toestand bijna effen donker zijn, dieren der tropen. De meeste van die oude diervormen hebben het niet meer verstaan, toen het tropische klimaat, dat in het oligocene en miocene tijdperk over geheel Europa en Noordamerika bestond, plaats had gemaakt voor een gewijzigd klimaat, zich aan die gewijzigde omstandigheden aan te passen; in het noorden zijn zij te gronde gegaan, en hebben het alleen daar uitgehouden, waar het klimaat tropisch bleef. Zoo verklaart zich zonder moeite, dat het tapirvolk, dat eertijds van tropisch Amerika af tot aan tropisch Azië leefde over geheel Noordamerika, Europa en de tusschenliggende landbruggen, tegenwoordig, nadat in het noorden zooveel wisselingen van het klimaat hebben plaats gegrepen, alleen nog slechts aan de twee uiterste hoeken der tropen blijft voortleven. En het is mij daarbij alleen onbegrijpelijk, waarom hij ook uit het aequatoriale Afrika is verdwenen. De eenige kleine aanpassing, die hij nog op het Zuidamerikaansche vasteland heeft kunnen volbrengen, was het opstijgen in het gebergte, in de Cordillera’s, die zich zelf eerst in de tertiaire periode, toen de tapir reeds bestond, langzaam uit het vlakke oerwoud hebben omhoog gewerkt, en den tapir evenals een groot deel van den plantengroei uit het oerwoud heel onmerkbaar hebben medegevoerd. Iets meer wollig behaard en met een kleine neiging, om aan wangen en randen der ooren weer lichter te worden, gaat de bergtapir daar nog tegenwoordig langs de beken der gebergten tot op een hoogte van twee duizend meters.
Merkwaardig is daarbij, dat twee van die, wat hun woonplaats betreft, zuiver Amerikaansche tapirsoorten zonder schabrak, in een anatomisch kenmerk (den bouw van het neustusschenschot) dichter staan bij den Indischen tapir dan de beide andere Amerikanen. Het is, alsof in vroegere tijden hier twee oorspronkelijke varianten naast elkander geïmmigreerd zijn, die beide bijna donker bleven, terwijl alleen de ééne van hen ook naar Indië kwam en daar het zwart-witte kleed ontwikkelde. Men zou daaruit de gevolgtrekking kunnen maken, alsof ook die ver afdwalende spruit der oorspronkelijke equiden van huis uit een zoon van Noordamerika is geweest, zeker wat den rijkdom betreft.
[
Inhoud
]
Naar den feitelijken toestand zou dit anders niet onvoorwaardelijk noodig behoeven te zijn. Toen de tapir ontstond, leefden, zooals wij gezien hebben, vospaardjes zoo goed in Europa als in Amerika. En in een analoog geval weten wij tamelijk zeker, dat het ontstaan van een dergelijken weelderigen tak aan den oudsten equiden-stamboom in die dagen feitelijk ook in Europa heeft plaats gegrepen. Juist in diezelfde eocene periode, toen de stam der tapirs zich, in het begin trouwens zeer zacht, afboog van het station der vospaardjes, moet daar nog een loot zijn voortgebracht, die leidde tot een groep van halfpaardachtigen, die men op hun korte hoogtepunt Palaeotheriën of „oude dieren” heeft genoemd.
Cuvier doopte ze zoo, toen hij hun beenderen in groote hoeveelheden te voorschijn haalde uit de gipslagen van den Montmartre te Parijs. Het was toenmaals het eerste uitgestorven zoogdier, dat uit ver vervlogen tijden—de gips daar was een afzetting uit een groot meer uit de eocene periode—in nog al groote gedeelten van zijn skelet te voorschijn kwam. Cuvier ontwierp zijn geheelen omtrek en zelfs het met vleesch bedekte lichaam, dat hij in hoofdzaken het type gaf van den grooten tapir. Later heeft een tot in bijzonderheden volkomen bewaard gebleven geraamte de geniale juistheid van die teekening schitterend bevestigd. Men had hier echter bij dien reeds lang weer verdwenen bewoner van den ouden Parijschen zeeoever, zooals Cuvier ook reeds zag, volstrekt niet te doen met een echten tapir. Wij weten thans, dat het ook geen echt vospaard was.
Het Palaeotherium, dat door Cuvier langen tijd zóó populair bleef als geen tweede uitgestorven dier, was in dien duidelijk uitgesproken vorm zoo groot en nog grooter dan een tapir, het naderde bij enkele soorten in grootte tot den neushoorn. Daarbij had het op dien trap, die tevens bijna reeds zijn laatste was (nog in de eocene periode is het in tegenstelling met den taaien tapir weer uitgestorven), aan ieder der drie voeten eigenlijk slechts drie hoeven in gebruik, waarbij nog maar alleen aan de voorvoeten een griffelbeen kwam van den pink. Hier waren dus vospaard en tapir eigenlijk reeds voorbij gestreefd tot in den eerstvolgenden hoogeren trap der equiden. En merkwaardiger wijze hadden die Palaeotheriën ook reeds tanden, die veel meer op die van paarden geleken. Op hun hoogsten trap hadden zij in de kiezen reeds een begin van cementvulsel, terwijl die kiezen goed uitgegroeid waren, en tevens naderden hier de voeten bijna reeds tot het stadium der kwasthoevigen. Maar toch is er geen sprake van echte, voorwaarts schrijdende equiden van den hoofdstam, en Cuvier had in ieder geval nog meer gelijk, als hij ten minste den uitwendigen totalen omtrek in verband bracht met groote tapirachtige dieren, die zeer licht van voet waren. Men zou met een zekere onrust een antwoord kunnen wachten op de vraag, waar en hoe zich dan die merkwaardige uitloopers moeten hebben afgescheiden van den hoofdstam.
De plaats is, zooals wij reeds mededeelden, volgens alle tot nu toe gedane vondsten, alleen Europa; uit Amerika is geen enkel overblijfsel onzer musea afkomstig, terwijl de beenderen in Frankrijk, Engeland, Zwitserland, en in groote hoeveelheden op de Zwabische en Frankische Alpen liggen. De oplossing van het geheele raadsel is zeker wel, dat de eigenlijke plaats der vertakking, evenals bij den tapir, gelegen was bij de vospaardjes, en wel zeker bij de Europeesche uit die dagen. De kleine, weelderig bloeiende tak heeft zich dan echter blijkbaar een heel stuk ver werkelijk zelfstandig naar boven opgewerkt—hooger nog dan de tapir in weerwil van zijn taai voortleven ooit is gekomen. De trap van het griffelbeen naar den pink, die bij den tapir nog kwast is, en het cement in de kiezen zijn naar alle waarschijnlijkheid zelfstandig door die Palaeotheriën verworven.
Dit is nu weer interessant in verband met het vroeger meegedeelde. Als ooit een zijtak den aanleg had gehad, in den zin van die hypothese van de evenwijdige dubbele ontwikkeling een „Europeesch paard” onafhankelijk voort te brengen, dan zouden het die Palaeotheriën hebben kunnen doen. Wat is echter te voorschijn gekomen? Wij kunnen dit in dit bijzondere geval nauwkeurig nagaan. Een groote tapirvariant met zeer groote tapirtanden met eenig cementvulsel en met tapirpooten met een rudimentairen pink van voren en eenige neiging een kwastjestapir te worden. Maar dat was dan ook alles. Van verdere ontwikkeling in de richting van het echte paard anders geen spoor. Het laatste Palaeotherium sterft, zooals wij reeds hebben gezegd, reeds met de oude, eocene periode uit.
Het is echter volstrekt niet te ontkennen, dat het jammer is, dat die Palaeotheriën in ieder geval op hun ontwikkelingstrap niet zoo taai geweest zijn als de tapir. Terwijl de tapir, hoewel dan ook als zijtak, ons in menig opzicht thans nog het vospaardje doet zien, het Palaeotherium had ons eenigszins het voorwereldlijke paardachtige dier doen zien (al is het dan ook niet volkomen getrouw), zooals het er uitzag op het station van het zuiver driehoevige dier.
Gelukkig toeval! Die Europeesche lijn is verdwenen tot op de beenderen, evenals de driehoevige paarden zelf. In Noordamerika echter was in die onverwoestbaar productieve eocene periode toen ter tijde nog een derde uitlooper ontkiemd, die zich eenerzijds even stevig, ja zelfs nog wat krachtiger, op dien trap der driehoevige dieren plaatste, maar anderzijds, toen hij eenmaal daar was gekomen, dezelfde taaiheid van leven heeft geopenbaard als de tapir, zoodat wij in allen ernst ook nog heden zijn nakomelingen in onze dierentuinen vinden. De neushoorn, de reusachtige rhinoceros met zijn hoogst karakteristieke gestalte, dien ieder kind kent, is niets meer of minder dan eveneens een zoodanige overoude, afgedwaalde driehoevige equide uit die dagen.
Toen Albrecht Dürer de schets gezien had van een ouden Indischen neushoorn, gaf hij daarnaar een uitgewerkte teekening, die in Gesners „dierenboek” is medegedeeld. Het kolossale dier is op een gedeeltelijk overdreven, gedeeltelijk karakteriseerende wijze omgestileerd tot een schepsel, dat een kunstig pantser draagt als voor een tornooi. Onwillekeurig denkt men aan de ridderpaarden van vroeger, die een metalen harnas als een ijzeren huid om zich heen hadden. De hoorn van het monster maakt den indruk van de scherpe punt van een dolk op een dergelijk paardenharnas. Die teekening van Dürer, waarbij een overmoedige luim de teekenstift schijnt te hebben geleid (het was juist Dürer, die als hij de dieren zag, ze tot in het huiveringwekkende toe natuurgetrouw kon weergeven), heeft onbewust de waarheid gevoeld. De neushoorn is een verpantserd paard. Hierin is uitgedrukt, wat die twee met elkander verbindt en wat ze scheidt.
Men stelle zich een kwaden ouden hengst voor van meer dan gewone, Herculische krachten. Door het ééne of andere toeval, nemen wij aan door een huidziekte, is zijn huid hard geworden als die van Siegfried uit de Sage. Deze is daarbij zwaar, ruw, vol vouwen geworden als een groot veld van litteekens, en tevens bijna geheel van haren beroofd. Maar zij is van nu af aan zóó hard, dat menige vroegere aanvaller hem al niets meer kan maken. Op verschillende plekken is die Siegfriedhuid met tamelijk dikke eeltknobbels bezet. Een dergelijke knobbel is ook op den rug van zijn neus gekomen. Oorspronkelijk heeft het dier zich daarmede gewreven, toevallig daarmede gestooten. Daarna is het, als een aanvaller kwam, er toe overgegaan den knobbel met opzet als stootblok te gebruiken. Daardoor is de verharding langzamerhand dikker en dikker geworden, totdat zij eindelijk een wapen vormde, zooals het paard het nooit heeft bezeten, en wel een wapen dat te gelijker tijd op den geheelen kop drukte. Nu had de leelijke klant het gezelschap van andere paarden niet meer noodig, hij kon nu alleen wel den strijd om het bestaan voeren. Zoo vermeed hij de kudde en werd hij kluizenaar. De razende vlucht voor den vijand was nu voor hem niet langer noodzakelijk. Zoo werd hij in het gewone leven logger, als een dier, dat niet meer zoo vlug behoefde te zijn. Terwijl vroeger zijn geheele kracht zich concentreerde op het onrustige, vluchtige voortjagen, zoekt hij die nu op toenemende afmetingen. Hij wordt een reus naast zijn soortgenooten. Maar toch sluimert in hem nog altijd de oude renner. Als het noodig is, vliegt ook hij nog voort als een stormwind, wat haast ongeloofelijk schijnt bij die stijve huid, dien zwaren kop en die grootte. De levendigheid, het impulsieve van den angst in het vluchtende paard is bij hem, die thans de aanvaller is, tot bijna zinnelooze woede geworden. Al is zijn oog opmerkelijk klein onder den schaduwwerpenden toren van den grooten neusknobbel, toch zijn de oude paardenzintuigen niet uitgedoofd. Als het ware als een vergoeding voor de stijve huid, die bijna geheel gevoelloos is, is zijn reukvermogen nog scherper geworden. Die huid is zóózeer versteend, dat vogels zich daarop neerzetten als op een rots. Maar wanneer die plotseling opvliegen, weet het dier dat signaal te verklaren, en stelt het zich in postuur tegen het naderende gevaar. Zoo ontstond de neushoorn.
Zoo eenvoudig als ik het in die enkele zinnen heb verhaald, zijn de natuurlijke wegen, die het dier in zijn ontwikkeling heeft gevolgd, natuurlijk niet geweest. Maar er ligt toch een allegorische waarheid aan ten grondslag. De neushoorn, die met zijn indrukwekkend, men zou wel kunnen zeggen van potsierlijkheid stijlvolle gestalte weer eenzaam in den zoölogischen tuin schijnt te staan als nauwelijks een tweede dier, is in beginsel alleen te begrijpen, als men de trekken van het paard daarin tracht te vinden en die begrijpt. Maar men moet die dan weder van een historisch oogpunt opvatten. Ook de neushoorn is niet eerst later uit ons reeds gevormde paard ontstaan, evenmin als de tapir. In hem steekt een oude trap der equiden, en het heeft dien trap dan nog individueel zóó vervormd, dat men dien als het ware nog eerst in hem moet uitgraven.
Van alle levende hoefdieren is de neushoorn het eenige, dat op alle vier pooten op drie teenen, drie hoeven loopt; de middelste voetteen is daarbij de stevigste. Wie hem in den dierentuin met die pooten achter de tralies ziet staan, kan met het oog op dat getal zeggen, dat hij hier werkelijk nog één der driehoevige paardachtige dieren in levenden lijve vóór zich ziet. Die driehoevige dieren van den echten stam daarginds in Amerika van de grootte van een schaap, zoowel als het grootere Anchitherium, dat tot zelfs naar Europa rondzwerft, die verloren zoon van den stam op dien trap,—liepen indertijd, met die drie hoeven, zooals de neushoorn het thans nog doet.
En met een zoo vroegen trap van paardachtige dieren zijn ook weer een geheele reeks andere karakteristieke dingen in overeenstemming. Indien de neushoorn op dat station gedurende millioenen jaren als het ware levend versteend is, zooals dit bij den tapir op het daaraan voorafgaande station het geval is geweest, dan moeten scheenbeen en kuitbeen, ellepijp en spaakbeen aan die vier onderbeenen nog gescheiden en tevens volkomen ontwikkeld zijn; en dit is ook inderdaad het geval. Bij zijn kiezen zouden de verbindende dwarsjukken der oorspronkelijke bergtoppen reeds meer versterkt zijn dan bij den tapir, en de eerste vullingen met cement zouden moeten begonnen zijn, terwijl te gelijker tijd de korte tand zich als het ware op de wijze der paarden ten koste van den wortel zou moeten beginnen naar boven uit te strekken; dit alles kan men zelfs binnen de verschillende nog levende soorten van neusdieren op meerdere overgangstrappen volgen, totdat het op den bovensten trap volkomen vervuld is.
Daarbij komen trouwens nu ook spoedig de trekken, die ons even onmiskenbaar wijzen op den uitlooper, het afdwalende, ver afwijkende paardachtige dier uit die dagen. In de eerste plaats de kolossale grootte. Reeds vroeger is gezegd, hoe juist zulke uitloopers een neiging hadden grooter te worden dan de vertegenwoordigers der echte reeks, die naar het paard leidt. De tapir was ook grooter dan de vospaardjes. Maar hier is het verschil zelfs met het echte paard als grootste eindstation nog geweldig groot. De lichaamslengte van den neushoorn kan vier meters overtreffen. Indien enkele horens der Afrikaansche soorten in de musea nog een heel eind langer zijn dan een meter, dan weet men nauwelijks, hoe ontzettend groot men zich het oude exemplaar moet denken, dat een dergelijk wapen op den neus kon dragen.
Die horens, waarvan de levende soorten gedeeltelijk slechts één, gedeeltelijk ook twee dragen (enkele abnormale individuen bezitten er volgens Schillings zelfs tot vijf toe) zijn dan zelf bijna het allermerkwaardigste aan die reuzen; geen enkel paard of paardachtig dier toch heeft ooit voorheen iets dergelijks bezeten of bezit het nog. Doch men meene niet, dat die horens de dieren zoo bijzonder ver uit de reeks wegleiden, als het oppervlakkig schijnt. Als zij eenmaal aanwezig zijn, „drukken” die hoorns in ieder geval sterk op den vorm van den kop van den rhinoceros. Zij bepalen in zekeren zin dien vorm. Maar het is volstrekt niet waar, wat de leek steeds geneigd is aan te nemen, dat een dergelijke hoorn zelf een stuk schedel is. Hoe vreemd het ook moge klinken, die hoorn is een stuk huid. Ik heb dien zooeven afgeleid van een soort eeltknobbel. Als men het nog pakkender zou willen uitdrukken, zou men werkelijk kunnen zeggen, dat hij een ontzaglijk groote eksteroog is. Naar zijn inwendigen bouw is het een ontzaglijke woekering der epidermis, de opperhuid, waarin zich een soort van haarvormige hoornvezels tot een bijzonder stevige massa vereenigen. Daarom kan die onder bepaalde omstandigheden worden afgeworpen en weer vervangen worden zooals een eksteroog, die wordt afgesneden en toch weer aangroeit. Als men direct aan onze eigen handen waarneemt, hoe hard werk met een bepaalde plek der handen, steeds weer eeltknobbels veroorzaakt, en men tevens hoort, hoe de wilde neushoorns hun hoorn behalve voor den aanval ook vlijtig gebruiken om zich een weg te banen, takken te breken en wortels uit te trekken, dan kan men moeilijk de meening van zich afzetten, dat een steeds hernieuwd gebruik van dat gedeelte van den neus gedurende een aantal geslachten dien grooten eeltknobbel eindelijk moet hebben gekweekt; dat gebruik moet dan oorspronkelijk gegrond geweest zijn op de gewoonten en de noodzakelijkheid bij de ontstaande neushoorns, om zoo takken en wortels te breken.
In ieder geval echter moet een zoo ontzaglijke eeltvorming volkomen zonder beendereninhoud wel niet anders denkbaar geweest zijn dan bij een dier, waarvan de huid om andere redenen reeds in het algemeen zoo ongeloofelijk ruw en hard geweest was, en in vergelijking bij voorbeeld met de echte huid van een paard inderdaad reeds een soort van eeltmassa. Hoe de neushoorn aan een dergelijke „rhinoceroshuid” is gekomen, is een vraagstuk op zich zelf. Bij de boven gegeven allegorische voorstelling zeide ik, dat zij van een huidziekte afkomstig kon zijn. Laat ons liever zeggen: van een vervorming der huid. Naar analogie van dien specialen hoornknobbel moest men eigenlijk naar een prikkel zoeken, die tot op zekeren graad op dergelijke wijze reeds vroeger op de geheele huid van het lichaam zou hebben gewerkt. Men zou weer kunnen denken aan de rol van het water, die bij voorbeeld de met caoutchouc overeenkomende gladde dikke huid van het nijlpaard heeft geschapen. Ook de neushoorns zijn groote liefhebbers van het water, zooals men in iederen zoölogischen tuin kan waarnemen. Bepaalde voorwereldlijke geslachten van neushoorns, de zoogenaamde teloceraten, schijnen diezelfde eigenschap in het overdrevene te hebben bezeten, en hun algemeene vorm met hun bijzonder korte beenen en uitgespreide teenen moet inderdaad onmiddellijk aan het nijlpaard hebben herinnerd. Maar in den hoofdstam van hun in het leven gebleven vormen ontbreekt aan de neushoorns het eigenlijk „los geraakte”, het onder den invloed van het water vervloeide der gestalte bijna in even sterke mate als bij den olifant; bij al zijn logheid, die bepaald wordt door de algemeene lichaamszwaarte en vooral door de eenzijdige belasting van den kop, bewaart de rhinoceros nog iets straks, veel meer dan wij dat bij den tapir waarnamen. Op zijn weeke zolen is hij toch in het wezen der zaak een slenterende voetganger, dien men zich het liefst denkt in een open steppe met kreupelhout, zooals hij die in tropisch Afrika voor zich beschikbaar vindt. Beenderen van voorwereldlijke neushoorns liggen steeds weer vereenigd met die van echte paardachtige dieren uit de steppen. In de diluviale periode, toen Europa nog zijn laatste inheemsche neushoorns levend bezat, behoorden zij nog tot de stoffeering van de steppe en voedden zij zich met steppengras zooals de wilde paarden uit die dagen en de Saïga’s of steppenantilopen. Doch een andere eigenschap geeft te denken.
Over den eenhoornigen neushoorn, wiens huid het sterkst geplooid en het meest met wratten is voorzien, kan men somtijds in den zoölogischen tuin de vergelijking hooren, dat hij er uitziet als ware hij overtrokken met een korst van slib, die, na gedroogd te zijn, tot kussentjes is opgestapeld. Nu is de wilde neushoorn boven zijn eigen met plooien bedekte huid werkelijk ook nog overtrokken met een laag stof of slib. De grootste Afrikaansche soort, die tegenwoordig naar alle waarschijnlijkheid reeds bezig is uit te sterven, draagt in de jachtverhalen gewoonlijk den naam van den „witten neushoorn”, hoewel er geen witte rhinocerossen als soort bestaan. De hier blijkbaar bijzonder typische gewoonte, zich rond te wentelen in poelen met slijk, en dan als het ware met een heldere „kalklaag” rond te loopen, heeft aanleiding gegeven tot dien naam. Een dergelijke deklaag heeft ten doel, te beschermen tegen insecten. Men weet, hoe vreeselijk juist de paarden door muskieten geplaagd worden. Dat is nu van oudsher tot aan de oorspronkelijke paardachtige dieren uit het begin der tertiaire periode zeker eveneens het geval geweest. De strijd met de insecten moet van oudsher één der moeilijkste factoren geweest zijn uit den strijd om het bestaan van alle hoefdieren. Het is dus in ieder geval denkbaar, dat een groep van oude equiden juist dit middel gemaakt heeft tot een vaste gewoonte, om zich vóór iederen tocht met een korst van slijk te overtrekken. Hierin kon dan de prikkel of de factor der teeltkeus gelegen hebben, die de huid zelf langzamerhand wijzigde. Het haar zou dan bijna geheel verdwenen zijn, de huid daarentegen zich bros en knobbelachtig verdikt hebben. Men zou kunnen zeggen, dat het proces tot heden toe bij de neushoorns niet geheel is voleindigd. In weerwil van hun dikke huid hebben zij nog steeds van insecten te lijden en blijven zij zich met slijk bedekken, evenals de olifant zich immers ook (hier met de practische hulp der slurf) gaarne stof over zijn huid strooit. Het kan ook zijn, dat de insecten in de verfijnde wijze van hun aanvallen zelf door eigen aanpassing dat sluwe middel hebben weten te verijdelen, immers tegenwoordig wordt de neushoorn vooral geplaagd door teken (woudluizen) waarvan ééne soort, de Dermacentor rhinozerotis, als plaaggeest in het bijzonder alleen aangepast schijnt aan den neushoorn, en alle andere groote dieren der Oostafrikaansche steppe versmaadt. Een zekere hulp tegen die onaangenaamheid schijnen tegenwoordig weer de ossenpikkers te bieden, een soort van spreeuwen, die gewoon zijn over den reusachtigen rug van den neushoorn te loopen en die de parasieten weghalen, om die te verteren. Doch ook dit heeft weer zijn bezwaren, daar de vogels met hun spitsen snavel de dikke huid op verschillende plaatsen erg kunnen verwonden. Maar ook dit bezwaar wordt weer geneutraliseerd door het nut, dat die gevederde „huisdieren” aan den anderen kant weer opleveren: immers de vogels vliegen, zoodra een vijand maar eenigszins in de nabijheid komt, krijschend op, en maken zoo den neushoorn opmerkzaam, die wel is waar, als een oud paardachtig dier, voortreffelijk speurt, maar slecht ziet, en overal daar door zijn zintuigen in den steek wordt gelaten, waar het speuren niet helpt, terwijl de vogels (die in het steppengras hoog op zijn bult balanceeren) omgekeerd voortreffelijk zien.
Neemt men aan, dat dergelijke gewoonten, overgenomen van het ééne of andere oorspronkelijke paardachtige dier, het pantserachtige zware geplooide hemd en in zijn gevolg ook (als uiterste resultaat van een neusknobbel in die huid) den hoorn hebben geschapen, dan is het overige geschiedkundige verloop werkelijk tamelijk doorzichtig. De dikke huid en de hoorn maakten van het schuwe vluchtende dier langzamerhand een bijna niet aan te tasten weerbaar en aanvallend dier. De rhinoceros is tegenwoordig zelfs tegenover den mensch één der vreeselijkste aanvallers, die er in onze hedendaagsche dierenwereld zijn. Daarmede echter werd het van minder belang, of hij zoo goed kon rennen en of het dier zich verder ontwikkelde in de richting der beweeglijkheid (hoewel de neushoorn tegenwoordig nog in geval van nood een flinke renner is) terwijl te gelijker tijd pantser en neuswapen door hun toenemend gewicht er toe leidden, dat de geheele machine in dien zin geremd werd en er een oeconomische besparing in de beweging plaats had. Zoo blijkt het onvermijdelijk geweest te zijn, dat de neushoorn niet is overgegaan tot het steil opbouwen van zijn werkelijken paardenhoef en het tot één geheel maken der teenen, maar dat hij in al de taaiheid van zijn leven bij het stadium van driehoevig dier is blijven staan. Het vrije kloppen van het vlakke veld met slechts één veerkrachtigen hoef en daarbij in de eerste plaats de volharding van het paard is hem vreemd gebleven. Zelfs zijn drie hoeven heeft hij niet verder ontwikkeld in de richting van lichte kloppers van den grond, maar hij is meer overgegaan tot een stempelgang; het deel der pooten onder het polsgewricht en het spronggewricht gelegen, verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den bodem bereikt, waarop het rust met de eivormige zool; de middelste van elk drietal hoeven is ongeveer tweemaal zoo breed als ieder der beide zijdelingsche. Het dier draagt daardoor zijn ontzaglijk gewicht op zijn manier nog al gemakkelijk, ja zelfs bijna sierlijk, terwijl hij bovendien dreigend snel kan loopen als op zachte pantoffels; wij leggen den nadruk op „nog al” gemakkelijk, en dat nog wel alleen binnen beperkte ruimten. Van dieren, die verder trekken, zijn de neushoorns dieren geworden, die blijven op een bepaalde plaats, en van gezellige dieren, zijn zij in verhouding tot hun bloedverwanten, de paarden, kluizenaars geworden. De eenhoornige neusdieren leven, naar men meent, in zeer bijzondere strenge monogamie. De jonge tweehoornige neushoorn uit Oostafrika, die niet lang geleden door Schillings gebracht was in den zoölogischen tuin in Berlijn, vertoonde een zeer in het oog vallende, in haar soort werkelijk aandoenlijke liefde voor een paar kleine geiten, welke liefde, in Afrika begonnen, zich in Berlijn voortzette tot groot vermaak van alle bezoekers—wat toch een bewijs is van de ten minste beperkt voortdurende behoefte naar gezelligheid van dat dier, dat eertijds in kudden leefde.
Het is niet gemakkelijk, om nu dezen theoretischen weg met werkelijke historische feiten te illustreeren. Wel behoort de neushoorn tot de weinige dieren, die ons niet alleen tot heden levende nakomelingen achterlaten, maar die ons in bijzondere omstandigheden ook lijken uit de voorwereldlijke dagen zelf hebben overgeleverd met huid en vleesch. Nog in de diluviale periode, te midden van de groote verandering in klimaat der zoogenaamde ijsperiode, leefden, zooals wij reeds opmerkten, ook in Duitschland talrijke steppenneushoorns. Vooral in Taubach bij Weimar is er door praehistorische menschen in groote hoeveelheden op gejaagd en zijn zij neergeveld, zooals uit de uitgegraven overblijfselen van die beroemde vindplaatsen der oorspronkelijke menschelijke beschaving duidelijk wordt aangetoond. Evenals van de mammouths, zoo zijn nu ook van dien diluvialen neushoorn enkele ijsmummies in de plooien van sedert dien tijd niet ontdooide Noord-Siberische gletschers tot heden toe bewaard gebleven. Men kan daaraan nog een dichten rood en wit gevlekten pels op de harde huid herkennen, evenals op den mammouth uit die dagen, die ook dik behaard was in tegenstelling met onze tropische olifanten van tegenwoordig. Het ligt voor de hand, dat neushoorns, die op gletschers gingen wandelen, zich in ieder geval een verwarmenden haarpels hadden aangeschaft, ook al waren hun voorvaderen reeds wie weet hoe lang te voren bijna zuiver naakthuidige dieren geweest. Men moet denken aan den ijsbeer, bij wien zelfs onder dergelijke omstandigheden de voetzolen een pelsbedekking hadden. Hoe interessant die geheele zaak met die in stand gebleven Siberische mummies ook moge zijn, leidt zij ons toch slechts naar een uitzonderingsgeval op een betrekkelijk zeer laat geologisch tijdstip. Uit de oudere lagen, waarop het eigenlijk aankomt, hebben wij daarentegen weer alleen beenderen, en kunnen wij zelfs over de horens alleen gevolgtrekkingen maken uit den schedel, die daaraan toch in meerdere of mindere mate eenigszins is aangepast.
Toch zijn de overgeleverde geologische bijzonderheden op zich zelf interessant genoeg. Wat zij ons in de eerste plaats onweerlegbaar aantoonen, is, dat ook de neushoorn niet maar een eenvoudige nevenvorm is op den reeds veroverden trap van het paardachtige dier met drie hoeven, maar dat het, evenals die vroeger genoemde „oude dieren” of Palaeotheriën, een zij het dan ook ten slotte onvruchtbaren aanloop van eigen ontwikkeling een eind ver ten minste in zich zelf heeft gehandhaafd.
De oudste schedels, die ontegenzeggelijk iets bezitten van den lateren rhinoceros, zijn reeds afkomstig van de grens der vospaardjes. De dieren, tot wie die schedels behoorden, waren klein en hadden oorspronkelijk aan den voorpoot nog de vier vingers, die de tapir tot heden nog heeft behouden. Het bezit van zuivere drie hoeven is daarna blijkbaar eerst zelfstandig verkregen binnen den zijtak aan gene zijde van de vertakking uit den paardenstam. Het is ook mogelijk, dat die vertakking, die dus zeker ook reeds bij de vospaardjes volgde, eerst recht over den Lophiodon ging, die in een andere richting veel conservatiever den Protapirus en den tapir heeft voortgebracht. In ieder geval is die zijtak daarna nog een heel stuk op zich zelf verder geloopen. De plaats was oorspronkelijk naar alle waarschijnlijkheid ook Amerika. Daar wendde zich een zeer oude groep in weerwil van haar reeds merkbaar neushoorntype nog eens met kracht naar de richting van het loopen der echte paardachtige dieren. In die groep ontwikkelden zich lange halzen en hoe langer hoe slankere onderbeenen met een bepaalde voorkeur voor den middenteen. Hier zou het dus in Amerika zelf bijna tot een evenwijdigen tak zijn gekomen, die onafhankelijk pooten en een gang als van paarden had voortgebracht. Maar ook dit kan niet verklaard worden in de beteekenis der vroeger besproken theorie der verschillende wegen bij ons paard, immers zelfs als die poging was gelukt, zouden daarbij toch slechts dieren voor den dag zijn gekomen met pooten als van paarden, maar met een kop als van een neushoorn, dat ziet men reeds bij het eerste begin; maar die geheele soort van hardloopende neushoorns is trouwens vroeg weer uitgestorven.
Een andere oude groep ontwikkelde haar hoektanden tot groote slagtanden. Misschien was dat een uiterste groep van wortelgravers, die echter nog geen hoorn bezaten. Maar daaruit is ook verder niets geworden.
Bij de echte neushoorns in den engeren zin, dus bij dat gedeelte van den zijtak, dat nog tot op onze dagen voortleeft, is betrekkelijk het duidelijkst, wat wij nog wankelend en als het ware heen en weer schommelend kunnen volgen, de hoorn. Een aantal vertegenwoordigers maken onmiddellijk den vasten indruk, dat zij nog geen horens droegen, ten minste in ieder geval geen neushoorn. Men heeft ze dan ook de aceratheriën, de „hoornlooze neushoorns” genoemd, een woord, dat volkomen juist uitdrukt, dat een bepaald type van neushoorns in ieder geval historisch reeds bestond, ook voordat het werkelijke neuswapen nog behoefde te bestaan. Zoodanige hoornlooze dieren hebben in het midden der tertiaire periode blijkbaar reeds in groote hoeveelheden in Noordamerika geleefd, maar ook in Duitschland hebben zij nog wat later in het Rijndal voortgeleefd. Ook zij hadden nog steeds stevige onderste hoektanden, die als het ware geschikt waren om te graven, en aan den voorpoot nog een heel klein vierde kwastteentje.