← Table of contents
Het onderwijzeresje

Thea en Louise.

Reading edition

V
V

an toen af begon voor Thea een heel ander leven. De meeste meisjes hadden diep gevoeld, hoe baldadig, hoe onrechtvaardig, ja hoe wreed ze geweest waren. Toen de eerste indruk van Thea’s woorden voorbij was, werden ze wel weer wat drukker en lastiger, maar vergeleken bij vroeger, was het toch heel rustig in de klasse en Thea, die met hart en ziel onderwijzeres geworden was, en in het begin van haar loopbaan zoo bitter teleurgesteld was, voelde zich nu werkelijk gelukkig in haar werkkring. Wel kostte het volbrengen van haar taak haar voortdurend groote inspanning, maar daar zag ze niet tegen op, als de resultaten maar goed waren.

En die waren goed, de meisjes begonnen haar te interesseeren, ze stelde niet alleen belang in hun leeren, maar ook in de vorming voor hun karakters, dat laatste zelfs vooral hield haar veel bezig. Het eenige, werkelijk oproerige element in haar klasse was nog altijd Louise, die het haar niet vergeven kon, dat ze haar invloed op de meisjes gefnuikt had en dan ook niet naliet haar te plagen, als de gelegenheid daartoe zich voordeed.

Thea deed haar best ook dien weerspannigen geest voor zich te winnen, maar tot nog toe was haar dat niet best gelukt.

Het mooiste van de zaak was, dat Louise van Thea begon te houden, dat ze inzag, hoe goed haar onderwijzeres het met haar meende en dat ze voelde, hoe rechtvaardig en welwillend deze steeds was. Maar ze wilde dat niet bekennen. Het kostte haar soms moeite, Thea door kleinigheden te plagen, maar de gedachte, wat de meisjes er wel van zeggen zouden, als ze zich overwonnen verklaarde, hield haar terug te handelen, zooals haar hart haar ingaf.

Spoedig kwam ook de wrevel weer boven en drong de goede opwelling terug. Daarenboven kon ze niet uitstaan, dat Thea blijkbaar niet om hare onaardigheden gaf, als het niet te erg was, nam deze er totaal geen notitie van, alleen als ze het tegenover de andere meisjes niet laten kon, strafte ze haar en dan voelde Louise zich vernederd, te meer, daar geen der meisjes haar partij meer opnam.

In den grond van de zaak had Thea diep medelijden met Louise. Ze zag in haar één van die moeielijke karakters, die zichzelve in den weg zijn, die geen liefde weten op te wekken en daardoor weinig liefde ondervinden.

En het kind had geen ouders meer en geen broers of zusters!

Telkens nam Thea zich voor, haar door vriendelijkheid en welwillendheid tot zich te trekken, maar telkens stuitte ze op het wantrouwen, dat zoo’n groote plaats in Louise’s hart innam.

Deze kon niet begrijpen, dat iemand zich, enkel uit belangstelling voor haar persoon, moeite voor haar zou geven en als Thea vriendelijk tegen haar was, dacht ze dadelijk, dat het een manier was, om te trachten haar te temmen en geen last meer van haar te hebben.

Zoo ging de tijd voorbij, zonder dat onderwijzeres en leerling elkander veel nader kwamen, tot op een dag Louise in de klasse ontbrak.

„Weet iemand ook, waarom Louise er niet is?” vroeg Thea.

„Ja juffrouw,” antwoordde een der meisjes, „ze is ziek.”

„Wat scheelt haar?”

„Ik weet het niet, ze hoestte al lang en nu heeft ze koorts.”

Toen Louise eenige dagen daarna nog steeds afwezend was, besloot Thea haar eens te gaan opzoeken. Ze dacht er aan, dat het meisje bij vreemden in huis was en dat ze wel eens gehoord had, dat ze het daar niet zoo heel prettig had. Misschien kon ze nog wat voor haar doen, arm kind, zij, die zoo bijzonder aan Vader, Moeder, broertjes en zusjes gehecht was, had zoo’n medelijden met het weesje, dat hare ouders bijna niet gekend had.

Dien middag had ze juist vrij van school en tegen een uur of twee stapte ze naar de straat, waar ze gehoord had, dat Louise woonde. Eerst ging ze nog even naar een bloemenwinkel, om eenige mooie rozen te koopen.

Ze zag een beetje tegen dat bezoek op, ze wist niet zeker, of het Louise aangenaam zou zijn. Ze vreesde zelfs van niet, maar ze zou meer dan ooit haar best doen, dat hartje te ontdooien, misschien was dit een gelegenheid en zou ze slagen. In ieder geval wilde ze het probeeren.

Ze schelde aan en op haar verzoek, even bij Louise te mogen gaan, werd ze in een soort spreekkamertje gelaten. Het meisje, dat haar opengedaan had, zou eens gaan hooren, of Louise bezoek mocht ontvangen.

Toen ze alleen gelaten was, keek Thea eens rond. Een klein, ongezellig kamertje, niets dan een tafel en een paar stoelen bevattend, en een plank, waarop ze Louise’s schoolboeken zag staan. Op tafel een inktkoker, verder niets.

Het meisje kwam terug en zei, dat mevrouw dadelijk bij haar zou komen, of ze even wachten wilde.

Eenige oogenblikken later trad een net gekleede, maar stijve dame binnen, die zich voorstelde als mevrouw Asser.

Thea maakte zich bekend als juffrouw van Welderen, Louise’s onderwijzeres op school en vroeg wat haar eigenlijk scheelde en hoe het met haar ging.

„Wat zal ik u zeggen, juffrouw, ze heeft waarschijnlijk kou gevat en heeft nu koorts en hoest leelijk. Ze is hard ziek, maar het is haar eigen schuld, ze wil nooit luisteren. Als ik haar aanraad niet op den tocht te gaan zitten, zal ze het juist doen. U zult ook wel ondervonden hebben, welk een moeilijk meisje het in den omgang is.”

Thea keek naar het gezicht tegenover haar. Het was wat koud en streng, maar toch niet geheel onsympathiek en ze dacht, dat hier waarschijnlijk ook al weer een elkaar niet begrijpen de schuld was van de weinige hartelijkheid, die blijkbaar tusschen deze vrouw en haar pupil bestond.

„Een moeielijk karakter heeft ze,” beaamde Thea, „vooral moeielijk voor zichzelve, ik heb een gevoel van medelijden met haar.”

Mevrouw Asser lachte een beetje sarcastisch.

„Medelijden behoeft u niet met haar te hebben, ze heeft het bij ons heel goed, maar ze is in hooge mate eigenzinnig en brutaal en u begrijpt, dat mijn man en ik, die voor haar opvoeding moeten zorgen, dat zooveel mogelijk tegen moeten gaan.”

Thea kreeg een kleur, mevrouw Asser begreep haar niet, ze had niets willen zeggen, dat deze kwetsen kon.

„Mag ik even bij haar gaan?” vroeg ze, om het gesprek een andere wending te geven.

„Jawel, als u er lust in heeft. U zult er niet veel aan hebben, want ze heeft steeds koorts en ligt meestal stil, zonder veel te spreken. Ik geloof, dat ze liefst alleen is.”

„Ik wil haar toch graag even goeden dag zeggen en haar deze bloemen brengen.”

„Goed, zooals u wil, mag ik u dan even voorgaan.”

Mevrouw Asser stond op en Thea volgde haar naar boven, naar het kamertje van Louise.

Ook hier trof Thea de keurige netheid, maar nog meer de groote ongezelligheid.

Louise lag met haar hoofd afgewend, toen Thea binnentrad en draaide het niet om, voor deze haar goeden dag zei.

Toen keek ze verrast op.

„U hier?” en hare, van koorts verhitte wangen kleurden zich nog donkerder.

„Ja beste, ik wilde zelf eens zien, hoe het eigenlijk met je was, ik mis je al een dag of vijf op school.”

Louise glimlachte een beetje ondeugend.

„U zult het wel rustig gehad hebben, nu uw plaaggeest er niet was.”

Thea liet dit gezegde als ongehoord voorbij gaan en gaf haar de rozen, die ze voor haar meegebracht had.

Louise’s gezichtje look op.

„Wat prachtige rozen, zijn die voor mij?”

„Ja, ik dacht, dat ze je pleizier zouden doen.”

„En U hebt die voor mij meegebracht?”

„Vin’ je ze zoo mooi? Heb je een vaasje om ze in te zetten?”

Louise scheen deze vraag niet te hooren.

„Juffrouw van Welderen brengt bloemen voor mij mee,” dacht ze, „stel je voor, zij brengt rozen voor mij mee.”

Daarna keerde ze haar gezicht naar den muur en toen Thea, die bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had, zich weer tot haar wendde, zag ze, dat ze bitter lag te schreien. Het bed schudde er van en Thea boog zich niet weinig ontsteld over haar heen.

.... bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had,...
.... bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had,...

.… bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had,…

(Bladz. 219)

„Louise, kind, wat doe je nu? Wat scheelt er aan?”

Louise schreide door en niet goed wetend, wat te doen, stond Thea met haar glas met rozen in de hand bij het bed en zei zoo iets van nu bedaard zijn en op te houden met schreien, daar ze anders niet bij haar durfde blijven, bang haar te veel op te winden.

Het snikken verminderde, een van koortshitte gloeiende hand greep de hare en drukte die stevig.

Thea beantwoordde dien handdruk hartelijk en zei, zoo opgewekt ze kon, ofschoon ze zelf moeite had, haar aandoening te bedwingen:

„Zal ik het glas met rozen op je nachttafeltje zetten? Kun je ze zoo goed zien? Wil ik nu nog een oogenblikje bij je blijven praten, of ben je daar te moe voor?”

Louise, die nu bedaard was, zei heel graag een beetje met haar te willen praten. Ze verveelde zich zoo, ze sprak niemand dan mijnheer en mevrouw.

„Zijn die nogal aardig voor je, nu je ziek bent?” vroeg Thea.

„O jawel, mevrouw zorgt goed voor me, maar ze houdt niet van me en mijnheer ook niet. Ik geloof, dat niemand van me houdt,” en de tranen begonnen al weer te vloeien.

Thea greep haar hand.

„Ik denk, dat je je daarin vergist, beste, en als het zoo was.… maar laten wij daar nu niet over praten, als je weer beter bent, moet je mij eens komen opzoeken, dan bespreken wij dat alles eens samen en dan ontdekken we misschien wel, dat hier een misverstand aan het werk is. Heeft geen van de meisjes je eens opgezocht?”

„Neen, nog niet, maar ik ben ook nog pas vijf dagen ziek. Ik heb niemand gezien, dan mijnheer en mevrouw Asser en den dokter. Dat is een lieve man.”

„Ja? Wie is je dokter?”

„Dokter Heger.”

„Heger? Ik heb als kind veel met een jongen gespeeld, die Heger heette, ja, zelfs als schoolmeisje kwam ik nog bij zijne ouders aan huis. Toen ik zoowat veertien jaar was, zijn ze verhuisd. Is het eene jonge dokter?”

„Ja, hij is nog jong, hoe oud weet ik natuurlijk niet precies.”

„Het zou best kunnen, dat het dezelfde was, weet je ook, of hij Karel heet?”

„Dat kan, want hij heeft een K. voor Heger staan. Hoe grappig, dat u hem gekend hebt. Mag ik het hem vertellen? Het is zoo’n lieve man.”

Daar had Thea niets tegen, want ze wilde wel eens graag weten, of hij dezelfde was, waar ze als kind mee gespeeld had. Het zou best mogelijk zijn, want hij was een jaar of zes ouder dan zij.

Na nog een poosje met Louise gepraat te hebben, ging ze weg, maar niet voordat ze beloofd had, spoedig terug te komen. Louise drong er op aan, haar den eerst volgenden vrijen middag terug te zien en zoo gebeurde het, dat Thea tweemaal in de week even naar haar patiëntje ging, om haar wat afleiding te geven.

De ziekte van Louise duurde veel langer, dan men gedacht had, maanden lang kwam de koorts bij tusschenpoozen terug, wat haar erg verzwakte, maar eindelijk bleef die toch weg en toen kwam het er maar op aan, haar weer op krachten te brengen.

Meermalen ontmoette Thea bij haar ziekbed den dokter, die toch werkelijk haar vroegere speelkameraad bleek te zijn.

„Vindt u hem ook niet lief?” vroeg Louise eens, toen ze reeds herstellende was en de dokter hen juist verlaten had met de belofte, dat ze nu spoedig geheel beter zou zijn.

Thea kleurde een beetje.

„Zeker, een heel aardige dokter, wat is hij altijd vriendelijk voor je.”

Louise keek haar lachend aan.

„Hij is ook bijzonder vriendelijk tegen u, vindt u niet? Weet u wat zoo grappig is? Dat hij altijd op de middagen komt, dat u me bezoekt.”

Thea had het opeens druk met het verschikken van een paar bloemen, die ze voor Louise had meegebracht.

Louise’s woorden omtrent den dokter negeerend, zei ze:

„Nu moet ik je toch eens wat grappigs vertellen, dat vanochtend op school is voorgevallen. Je moet weten, ik vertelde bij de geschiedenis van de Egyptenaren van het balsemen der lijken en dat er vele mummies teruggevonden waren, die nu in musea bewaard werden. Ik zei toen ook, dat men in Leiden, in het museum van Oudheden verscheidene mummies had en dat het wel eens interessant was, ze te gaan zien.

„Toen vroeg Coba Stevens, of daar veel menschen naar kwamen kijken en toen ik zei van ja, merkte ze op, dat het toch niet pleizierig voor de familie was, dat die lijken daar zoo tentoongesteld werden.”

Louise moest hartelijk lachen en Thea had haar doel bereikt en het gesprek een andere wending gegeven.

„Ze dacht zeker, dat de familie van Ramses den Groote in den Haag woonde, hè, juffrouw, wat heb je toch domme kinderen!”

„Meer onnadenkend, als ze nagedacht had, vóór te spreken, zou ze zoo’n onzin niet gezegd hebben.”

„Vertel u me nog eens iets, van toen u in Brussel was?” vroeg Louise.

Thea had haar namelijk een en ander verteld van hare eerste leerlingetjes, vooral van Constance, om haar te beduiden, dat er wel meer meisjes waren, die het niet in alle opzichten naar hun zin hadden.

„Hebt u in lang iets van Stans gehoord?”

„Ja, ik heb juist eergisteren een brief van haar gehad. Ze maakt het goed en vindt het leven op kostschool wel prettig, nu ze er aan gewend is. Ze vindt het vooral heerlijk, onder andere meisjes te zijn, eerst was haar dat wel vreemd, maar nu vindt ze het heel gezellig. Ze voelde zich thuis zoo eenzaam.”

„Ja, je eenzaam voelen is vreeselijk, dat weet ik bij ondervinding. Ik kan er tegenop zien, weer beter te zijn, nu ik ziek ben, is iedereen wel lief voor me, maar als ik beter ben, zal dat natuurlijk weer uit zijn.”

„Dat behoeft heelemaal niet. Het zal heusch van jezelf afhangen, mevrouw Asser heeft je toch goed verzorgd en je zegt zelf, dat je niet gedacht had, dat ze zoo hartelijk kon zijn.”

„Ja, juffrouw, maar als ik in bed lig en me ziek en zwak voel, is er zoo weinig gelegenheid om in botsing te komen. Ik ben zoo bang, dat ik, als ik beter ben, weer brutaal en koppig word en dat ze dan weer allemaal het land aan me krijgen.”

Thea moest even lachen.

„Maar Louise, alsof je brutaal en koppig moet zijn. Malligheid, hoor, ik weet zeker, dat je heel lief kunt zijn, als je wilt en ik hoop ook, dat het je voortaan aan den wil niet ontbreken zal. Je zult eens zien, hoeveel gelukkiger je dan zult zijn.”

Louise antwoordde niet, ze lag stil over de woorden van Thea na te denken. Daarbij keek ze naar het vriendelijke, lieve gezicht van haar juffrouw, zooals ze Thea nu in gedachte noemde en ze begreep niet, hoe ze haar ooit had kunnen plagen.

„Wil u me helpen?” vroeg ze, „het zal heusch heel moeielijk voor me zijn. Nu ik weer sterker word, voel ik den lust tot weerspannigheid alweer bij me opkomen. Maar ik zal mijn best doen, ik zal altijd u hebben op school, om mij te helpen, dat is ten minste één troost.”

Thea kuste haar en zei, dat ze nu moest zien een beetje te slapen. Zij zelf moest weg, ze had Vader beloofd hem nog wat voor te lezen voor het eten en het werd al laat. Ze stopte haar eens lekker in en verliet haar toen.

Op weg naar huis liep ze er over te peinzen, dat het niet voor heel lang zou zijn, dat ze Louise nog les zou geven. Bij die gedachte helderde haar gezicht op, als bij iets heerlijks en toch hield ze bepaald van Louise en wilde niets liever, dan haar helpen.

Maar ze had een zoet geheim, een geheim, dat nu nog alleen Vader, Moeder en Ita kenden, maar dat over eenige dagen geen geheim meer zijn zou.

En Karel wilde niet lang wachten met trouwen. Waarom zou hij ook, hij had een goed bestaan en verlangde haar als zijn vrouwtje in huis te mogen voeren. Wat een gelukskind was ze toch, maar ze zou haar beschermelingetje niet vergeten, al was ze getrouwd, zou ze toch de handen niet van haar aftrekken, ze bleven immers in dezelfde stad wonen.

Ze was Louise eigenlijk grooten dank verschuldigd, als die niet ziek was geworden en ze haar niet bezocht had, had ze misschien Karel niet meer ontmoet en dan.…

„Waarom lach je zoo genoegelijk,” hoorde ze eensklaps Ita vragen, die haar achterop gekomen was, „zeker iemand gezien?”

Thea stak haar arm door dien van haar zuster.

„Zou er wel een gelukkiger mensch op de wereld zijn, dan ik, Iet?” vroeg ze.

„Een gewichtige vraag,” lachte Ita, „waarop ik maar niet zoo dadelijk een antwoord kan geven. Vraag er Karel eens naar, misschien weet die er bescheid op.”

Illustration from Het onderwijzeresje
Achttiende Hoofdstuk.
Achttiende Hoofdstuk.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings