Afscheid.
Reading edition

at een drukke tijd was dat, die vooraf ging aan Thea’s vertrek naar Brussel. Er moest nog zooveel in orde gemaakt worden, wilde ze met een behoorlijk uitzet het ouderlijk huis verlaten. De zusjes en broertjes hadden er niet weinig van opgekeken, toen hun verteld werd, dat Thea een plaats als gouvernante in Brussel had aangenomen.
Hun oordeel over dit belangrijke feit was zeer verschillend.
Ita vond het heel interessant voor haar zuster, naar Brussel te gaan en deed alsof ze haar benijdde, maar in haar hart was ze heel blij, dat haar dat geluk niet te beurt viel, ze bleef veel liever rustig thuis. Maar Thea mocht dat niet weten, liet die maar denken dat ze graag in haar plaats zou zijn, dan kreeg ze er zelf misschien ook pleizier in.
Want Ita geloofde er niets van, dat Thea graag ging, al zei deze dat ook nog zoo dikwijls, ze waren immers zulke malle huismuschjes.
Jan vond het allemachtig leuk voor Thea, ze bofte, hoor, en Bets voelde in eens, dat ze respect voor haar had, een dame, die in Brussel ging wonen, nou, ze blufte er niet weinig op tegen hare vriendinnetjes.
Wat Nico betreft, die was innig gelukkig, omdat hij nu naar school mocht.
„Vin’ je het heelemaal niet naar, geen les meer van me te krijgen?” vroeg Thea.
„Heelemaal niet.”
Thea wendde het hoofd af, ze voelde, dat hare oogen zich met tranen vulden. Ze was zoo bespottelijk gevoelig in de laatste dagen, dat kwam zeker, doordat ze er aldoor aan denken moest, dat ze wegging en allen, die ze liefhad, moest achterlaten.
Het was maar goed, dat er nog zooveel te doen was, dan had men geen tijd tot veel nadenken.
Maar één was er, die door zijn toestand buiten deze drukte stond, één, die meer dan anders aan zichzelven overgelaten, ruim den tijd tot nadenken had.
Hoe hij haar missen zou!
Was ze niet jarenlang zijn klein troosteresje geweest, dat, niettegenstaande ze studeeren moest voor hare examens, toch steeds tijd gevonden had, even bij hem te komen, om hem met een vroolijk grapje op te wekken. Alleen haar lief gezichtje te zien, was hem al een troost geweest.
En nu moest ze hem verlaten! Zeker, hij hield nog veel bij zich, zijn goede vrouw, flink en opgewekt, doch door den harden levensstrijd zoo heel praktisch geworden. Het was goed, dat ze zoo was, ware ze anders geweest, dan was er van het huishouden niet veel terecht gekomen, maar het vele alleenzijn en het lezen en nadenken, waarmee hij zich den tijd verdreef, hadden zijn geest een richting gegeven, waar ze hem niet altijd volgen kon. Zijn kleine Thea, jong als ze was, begreep hem veel beter, hun vele gesprekken hadden haar in zijne denkbeelden opgevoed.
Dan had hij nog de kinderen, maar die waren nog zoo jong. Ita een lieve meid, maar een echte robbedoes, Jan, een beste jongen, maar die niet gemakkelijk leerde en hem daardoor veel zorg gaf, Bets en Nico, een paar aardige kinderen, maar waaraan hij natuurlijk nog geen gezelschap had. Ze waren vroolijk en wild en speelden veel liever in een andere kamer, of buiten, waar ze zooveel leven mochten maken, als ze maar wilden en waar geen Vader lag, wiens zwakke gezondheid hen noodzaakte, zich in te houden.
Neen, geen van allen kon hem het gemis van zijn lief meisje vergoeden, maar dat mocht ze niet weten. Voor haar hield hij zich goed, hij wilde de laatste gezellige uurtjes, die ze samen konden doorbrengen, niet bederven. Ze scheen er zich nog al in te kunnen schikken, dat ze hem verlaten moest, ze kon tenminste heel opgewekt met hem praten en scheen niet erg tegen haar nieuwe betrekking op te zien.
Zoo speelden ze comedie voor elkander.
Dat Thea dikwijls moeite had, zich goed te houden, als ze zoo bij hem zat, dat wist hij niet en evenmin hoe ze tegen de heele verandering opzag.
Dat mocht trouwens niemand weten. Thea vond zichzelve laf, andere meisjes waren zoo niet, ze wist, zeker, dat er vele waren, die in haar plaats zouden willen zijn. Ze kende er, die dolgraag eens uit huis zouden willen en blij zouden zijn, als hun de gelegenheid geboden werd eens iets anders te zien, dan de stad, waar ze nu al zoovele jaren gewoond hadden. Ze deed haar best, er ook zoo over te denken, maar ze kon niet. Werkelijk ze kon niet. Ze was zoo innig gehecht aan haar thuis, misschien was ze overdreven, ze voelde er zich bezwaard mee, dat ze zoo weinig flink was, maar ze was nu eenmaal zoo.
Moeder scheen het heel goed te vinden, dat ze ging. Zou Moes haar niet missen?
Och, ze kon niet in het hart van haar moeder lezen, ze wist niet, hoe ook deze tegen haar vertrek opzag, maar het haar niet wilde laten merken, omdat ze haar niet wilde sterken in haar wat al te gevoelige natuur.
Zoo was de laatste dag van haar thuiszijn aangebroken. ’s Morgens had ze met behulp van Moeder de laatste hand aan hare koffers gelegd en nu was er niets meer te doen en kon ze ’s middags bij Vader blijven, terwijl Moes het druk had in de keuken, waar ze de lievelingskostjes van Thea klaarmaakte.
Haar vader nam haar hand en keek haar ernstig aan.
„Nu zal het er van komen, kleintje, en daar we vanavond wel niet meer alleen samen zullen zijn, wilde ik graag een woordje met je spreken.”
Thea’s oogen vulden zich met tranen, vandaag was het haar niet mogelijk, ze terug te houden. Haar vader zag het wel en trok haar naar zich toe, om haar een kus te geven.
„Niet schreien, beste, wij moeten ons goed houden. Het is eigenlijk te gek, zoo sentimenteel als we zijn,” poogde hij te schertsen, „zou men niet denken, dat je voor minstens eenige jaren wegging en na een maand of wat kom je al weer eens thuis.”
„Zes maanden, Vadertje, het is juist zoo vreeselijk, dat ik met de Kerstdagen niet thuis mag komen, waarom kunnen ze dan zelf niet eens op die kinderen passen.”
„Ja, het is jammer, dat die voorwaarde er aan verbonden was, maar mevrouw schijnt juist in die feestdagen een vertrouwd persoon bij hare kinderen te willen hebben, omdat de familie dan veel uit is, of zelf feesten geeft. Zooals je weet, stond ze er nadrukkelijk op, dat je de wintermaanden niet naar huis zoudt gaan.”
„Ja,” zuchtte Thea, „ik vind het vreeselijk egoïst.”
Haar vader streelde haar hand.
„Dat is al naar je het neemt, kindje, je kunt het ook zoo beschouwen, dat het van jou kant egoïst zou zijn, naar huis te gaan, als je daar noodig bent.”
Thea liet zich op haar knieën zakken en legde haar hoofd naast dat van haar vader.
„Hier ben ik ook noodig,” fluisterde ze.
Haar vader streelde haar zachtjes over het blonde haar.
„God alleen weet, hoe noodig,” dacht hij, maar zijn stem een opgewekten klank gevend, zei hij:
„Eén ding moet je niet vergeten, lieveling, juist doordat je in betrekking gaat en geld verdienen zult, doe je, wat voor ons het best is. Je kunt altijd troost putten uit de gedachte, dat je nu onze zorgen helpt verlichten. Je weet trouwens wel, kindje, hoe ik er over denk, dat ik zelf niet in staat ben, geheel voor jullie te zorgen.”
Thea keek hem aan. Trilde zijn stem, had hij tranen in zijne oogen?
Laf schepsel, dat ze was, hem zoo te doen denken, aan hetgeen hem het meest verdriet deed in zijn leven.
Ze kuste hem en sprong op.
„U heeft gelijk, ik ben ondankbaar, ik moet heel blij zijn, dat ik in staat gesteld word, wat te verdienen. Het zal best gaan, laten we nu verder vroolijk zijn en van dezen middag genieten. Zal ik u wat moois voorlezen?”
„Graag, kindje.”
Thea nam een boek, dat bij hem lag en begon te lezen.
Na een poosje zei haar vader: „Ik kan het vandaag niet goed volgen, laten we liever nog wat praten. Er is nog iets, dat ik je zeggen wilde.”
Thea legde haar boek neer en ging op het voeteinde der rustbank zitten.
„Ja, Vader.”
„Kijk eens, beste, zooals je weet is de familie, waar je komt, heel rijk. Er zijn daar ook twee jonge meisjes, die als dochters des huizes natuurlijk een heel ander leven zullen hebben, dan jij, die daar als ondergeschikte komt.”
„Als ondergeschikte, ik ben van even goede familie,” mompelde Thea.
Haar vader glimlachte, Thea hield haar hoofd opgericht, alsof ze een prinsesje was.
„Dat ben je ook, maar dat neemt niet weg, dat anderen je toch zullen beschouwen als de gouvernante, in tegenstelling met de dochters des huizes.”
Thea’s mondje had nog altijd een trotsche uitdrukking.
„Waarom zegt u dat?” vroeg ze.
„Om je te waarschuwen en je voor te bereiden op dingen, die je misschien niet prettig zult vinden. Ik wilde je er op wijzen, omdat je dan op kunt passen, dat geen jaloezie in je hart sluipt, je bent natuurlijk aan veel meer verleiding tot leelijke gedachten blootgesteld dan thuis. Juist omdat ik je ken en weet, dat je het hart nogal hoog draagt, maak ik me ongerust, dat het verschil van omstandigheden en levenswijzen tusschen die meisjes en jou, je karakter een leelijke plooi zal geven.”
Thea keek somber voor zich uit.
„Ik ben te trotsch, om jaloersch te zijn,” zei ze.
„Best, dan ben ik gerust. Zoolang je te fier bent, om lage gedachten toegang te geven tot je hart, zoolang mag je het hoofd zoo hoog houden als je wilt.”
„Dat wil ik, Vader.”
Weer glimlachte haar vader. Zijn klein, dapper meisje, ze wist nog zoo weinig van de wereld af, ze dacht nog, dat het maar zoo gemakkelijk en zonder strijd ging, zich rein te houden van booze invloeden, die van alle kanten wilden inwerken.
Thea keek hem aan, zag de uitdrukking zijner oogen en eensklaps haar hoofd buigend, zei ze zacht:
„Ik zal mijn best doen, Vader.”
Weer trok hij haar naar zich toe, om haar een kus te geven.
Daar vloog de deur open en Ita kwam lachend naar binnen.
„Zijn Vader en Theetje een beetje aan het vrijen?” zei ze.
Thea richtte zich op en lachte ook, hoewel flauwtjes.
„Je doet me schrikken, is het al zoo laat? Dan mag ik wel eens gaan dekken.”
„We smullen vanmiddag,” zei Ita, zich vergenoegd de handen wrijvend. „Ik zal je even helpen.”
Niet lang daarna zat de familie aan tafel en dank zij Moeders pogingen om een opgewekt gesprek te voeren, waren allen weldra vroolijk, ja zelfs opgewonden. Het was tevens Nico’s eerste schooldag geweest, hij had heel wat te vertellen en vond, dat hij eigenlijk de held van het feest was en niet Thea, die vandaag niets bijzonders gedaan had. Na het eten speelde men wat spelletjes met de kinderen en toen die naar bed waren, zaten Vader, Moeder, Thea en Ita nog een poosje gezellig bij elkaar. Ze trachtten even opgewekt te blijven, als ze het met de kinderen geweest waren, maar het lukte niet erg meer, een schaduw had zich over hun vroolijkheid gelegd en niet lang daarna stelde Moeder voor naar bed te gaan, morgen was het weer vroeg dag. Thea zou met den trein van omstreeks half tien vertrekken, dan was ze tegen één uur in Brussel.
Op hun gemeenschappelijke kamer gekomen, sloeg Thea hare armen om den hals van haar zuster.
„Zul je lief zijn voor Vader?” vroeg ze.
Ita schudde haar lachend van zich af.
„Natuurlijk, word nu niet sentimenteel. Vertrouw maar op je ouwe Griet.”
Maar Thea liet zich zoo niet afwijzen.
„Zul je me altijd alles schrijven, niets voor me geheim houden? Ik weet zeker, dat Vader en Moes alleen vroolijke brieven zullen schrijven, maar ik wil alles weten, wat hier in huis voorvalt, alles, ook het minder goede. Beloof je me, niets voor me geheim te houden?”
Ita wreef met een bedenkelijk gezicht haar wijsvinger over haar neus.
„Als ik het beloof, moet ik het doen ook hè? Laat me dan als je ’t belieft geen belofte afleggen. Stel je voor, alles te moeten schrijven, wat er hier in huis voorvalt! Hoe Nico zijn zakdoek kwijt is en Bets haar schort scheurt, hoe Jan altijd met zijn ellebogen op tafel zit en onze dienstbare dwerg een bord breekt. En dan moet je nog leerling van de H. B. S. zijn. Neen hoor, bij mijn naam van Griet, dat beloof ik niet.”
Ze zag er zoo komisch uit, dat Thea hartelijk begon te lachen.
„Zoo mag ik het zien,” riep Ita, „nu vlug in bed, ik zal je instoppen en dan ga je lekker slapen.”
Thea hoopte, dat haar zusje gelijk had, ze was juist zoo bang, niet te kunnen slapen. Maar gelukkig, haar vrees werd niet bewaarheid en weldra hoorde men niet anders dan de rustige ademhaling van de beide zusjes.

