← Table of contents
Het onderwijzeresje

Jan’s rapport.

Reading edition

D
D

e volgende dagen hervatte het leven van Thea zijn ouden gang; het was haar soms, alsof ze niet weg geweest was. Het verschil bestond alleen daarin, dat ze Nico geen les behoefde te geven en dus meer tijd had, om zich aan haar vader te wijden en voor haar Fransch te studeeren. Ook hielp ze haar moeder zoo nu en dan een handje, zoodat de tijd vlug genoeg voorbij ging en ze een veertien dagen thuis was, voor ze het wist.

’s Avonds keek ze geregeld de courant na, of er niet een betrekking aangeboden werd, die geschikt voor haar zou zijn. Een enkele maal had ze op een advertentie geschreven, ook had ze zelf geadverteerd, maar beide zonder resultaat, geen enkele brief was er op gekomen.

Zoo naderde de Paaschtijd en met hem de vacantie der kinderen.

Op een der laatste dagen voor de vacantie zouden ze de rapporten van school krijgen en dat was een gebeurtenis, die niet zonder zorg werd te gemoet gezien. Vader hechtte zoo heel veel aan die rapporten; zijn dikwijls gedwongen werkeloosheid bracht mee, dat hij wat tobberig van aard was, vooral, wanneer het de opvoeding der kinderen betrof. Hij wist, dat hij hen zoo goed als niets kon nalaten en dat ze dus zelf hun weg door het leven zouden moeten vinden en zijn voortdurende angst was, dat hij hun ontvallen zou, vóór ze in staat zouden zijn, voor zichzelf te zorgen. Ieder jaar was er dus één en de gedachte dat de kinderen op school zouden blijven zitten en zoodoende een jaar achter komen, maakte hem zenuwachtig en angstig.

Voor Ita was hij niet bang, die leerde gemakkelijk en zou haar weg wel vinden, maar Jan gaf hem groote zorg. Het Kerstrapport was maar zoo zoo geweest; twee onvoldoenden, hij was er van geschrokken, maar Ita had hem gerust gesteld door te zeggen, dat dit eerste rapport niet zoo heel veel gewicht in de schaal legde, het Paaschrapport, daar kwam het op aan. Hij had Jan geen privaatles kunnen laten nemen, dat ging zijn financiën te boven, maar hij had hem zooveel mogelijk zelf geholpen, ’s avonds. Maar juist door dat samenwerken had hij gemerkt, dat Jan niet heel gemakkelijk leerde, het was, alsof hij zijn aandacht niet bij de dingen houden kon.

En toch, soms verraste hij hem door een snugger antwoord, of een oplossing, die wel degelijk blijk gaf van goede hersenen. Jan was overigens zoo’n goede eenvoudige jongen, maar speelsch in de hoogste mate. Hij was bijna veertien jaar, was met moeite op de Hoogere Burgerschool gekomen en in plaats van nu alle krachten in te spannen om den cursus te kunnen volgen, was hij altijd vol gekheid, een zeer geliefd kameraad en een gezellig huisgenoot, maar een goed leerling was hij niet.

Als zijn vader hem naar de verkregen cijfers vroeg, was hij nooit goed op de hoogte, zoodat deze vreesde, dat ze niet al te best waren, enfin, het Paaschrapport zou het uitmaken.

Op een morgen was Jan stiller dan anders en at bijna niet en toen Thea hem vroeg, wat er aan scheelde, antwoordde Ita lachend in zijn plaats:

„Het rapport zit hem in zijn maag. Dat krijgt hij vandaag, niet waar Jan?”

„Best mogelijk,” bromde Jan.

„Neen zeker, ik weet het van je vriend Willem, die jongen zei gisteren, dat zijne haren ten berge rezen, als hij aan het rapport dacht, dat hij vandaag krijgen zou. Zijn vader was zoo driftig en hij verwachtte niet veel goeds. Wij krijgen ons rapport morgen.”

Ita stond op en begon hare boeken bij elkaar te zoeken, maar Thea keek naar Jan en zag, dat hij niet op zijn gemak leek te zijn. Gelukkig dat Vader niet met hen samen ontbeet en Moeder juist niet binnen was, als Jan’s rapport slecht was, zouden ze het altijd nog bijtijds hooren.

„Zeg Jan,” zei Thea, haar arm om zijne schouders leggend, „zou je rapport nog al goed zijn? Of ben je er bang voor, zooals Ita zegt?”

Jan duwde haar ruw weg.

„Leg nou niet te zaniken,” bromde hij.

„Als die voetzoekergeschiedenis je maar niet opbreekt, Janneman,” zei Ita.

„Een voetzoekergeschiedenis, wat is dat dan, Iet?” vroeg Thea.

„Hou je mond, Ita,” verzocht Jan.

„Kom, dat mag Thea toch wel weten. Je kent mijnheer van Bergen, den leeraar in de wiskunde? Nu, daar hebben de jongens in het algemeen een hekel aan en toen wilden ze hem een poets bakken. Je weet, hij is dik en heeft de gewoonte, altijd dadelijk te gaan zitten. Nu hebben een paar jongens knallers onder de pooten van zijn stoel gelegd en toen hij er zich op liet neervallen, knalden ze los. Je begrijpt, toen was Leiden in last en de jongens, die dat ondeugende stukje uitgevoerd hadden, voor goed in ongenade.”

Thea kon niet nalaten te lachen, bij de gedachte aan het knaleffect en het verschrikte gezicht van den dikken leeraar, maar toen zei ze:

„’t Was brutaal, hoor, wie hadden dat gedaan?”

„Jan en Willem.”

„Maar Jan, hoe durfde je! Ik moest er wel even om lachen, maar mooi vind ik die soort grappen toch niet.”

„’t Is een lamme vent,” bromde Jan.

„Jawel,” lachte Ita, „dat vinden Willem en jij, omdat jullie niet al te vlug van begrip bent, in de wiskundige vakken en hij er jullie nog al eens van langs geeft, maar er zijn ook jongens, die hem graag mogen.”

„Hij is altijd sarkastisch, dat is het beroerde, laat hij je een standje geven, maar je niet voor den gek houden.”

„En is het ontdekt, wie het gedaan had?” vroeg Thea.

„Natuurlijk, ik heb het zelf gezegd.”

„Dat vind ik nu weer flink van je.”

„’k Kon het niet laten, die arme duivel van een George kreeg er de schuld van, daar heeft hij ook zoo den pik op en omdat die er heelemaal niet aan meegedaan had, moest ik wel zeggen, dat ik het was.”

„En Willem?”

„Nou, die zei het toen ook.”

„En toen?”

„We moesten vier vrije middagen terug komen, het was lollig, hoor.”

„En weet Vader daarvan?”

„Wel neen, waarom zou ik het hem verteld hebben, hij zou er maar het land over gehad hebben. Ik had den streek uitgevoerd en de straf er voor gekregen, uit was het.”

„Maar heeft Vader dan niet gemerkt, die je die middagen niet thuis was?”

„’t Was gelukkig altijd mooi weer, hij dacht, dat ik wandelen ging.”

Thea zette een bedenkelijk gezicht.

„Nu, ik weet het niet,” zei ze, „ik ben er altijd voor Vader zooveel mogelijk te sparen, maar of het wel goed en oprecht was, die heele geschiedenis voor hem te verzwijgen, daar ben ik nog zoo zeker niet van.”

Jan bromde zoo iets, van onnoodige drukte maken en greep naar zijn pet.

„Bonjour, ik ga, vooruit Nico,” en het kind een duw gevend, dreef hij hem de kamer uit. Ze gingen denzelfden weg naar school en dus nam hij Nico altijd zoover mee.

Toen de jongens de kamer verlaten hadden, zette ook Ita haar hoed op en haar mantel aantrekkend, zei ze:

„Ik vrees, dat het rapport van Jan nog een boel vervelends met zich zal brengen. Jan keek erg benauwd en je kent Vader, niets is er, dat hem zoo zenuwachtig maakt, als een slecht rapport van Jan.”

„’t Is naar, waarom moet dat nu weer slecht zijn. Hou je Jan voor dom?”

„Niet bepaald, maar hij heeft geen grein energie. Adieu, ik moet weg.”

Thea begon de ontbijttafel op te ruimen en niet lang daarna kwam Moeder terug, die ondertusschen haar man had helpen opstaan.

De morgen ging voorbij als gewoonlijk, Vader was zelfs heel opgewekt en Thea waagde het niet, over het dien dag te verwachte rapport te beginnen. Vader scheen niet te weten, dat Jan het juist vandaag kreeg, Moes ook niet en ze kon het niet over haar hart verkrijgen, hun opgewektheid te verstoren. Als Jan er mee thuis kwam, zou het tijd genoeg zijn tot treuren, misschien viel het ook wel mee.

Het werd twaalf uur en Thea voelde, dat ze zenuwachtig werd, als Jan maar niet al te slecht had opgepast. Een kwartiertje later kwam Ita thuis en vroeg dadelijk, of Jan er al was.

„Nog niet,” zei haar moeder, „waarom vraag je dat zoo?”

„Och zoo maar. Daar zal je ze hebben!”

Thea ging zelf open doen en Nico stoof naar binnen.

„Is Jan niet bij je?”

„Neen, ik zag hem niet en toen ben ik maar naar huis gekomen.”

„Dat mag je eigenlijk niet, je weet, Moes is zoo bang voor de tram. Ga maar naar binnen, ik kom dadelijk,” en Thea keek de straat eens af, of ze Jan ook zag aankomen. Eerst zag ze niemand in de heele straat, dan een vruchtenkoopman, maar plotseling zag ze hem den hoek omslaan en met zijne handen in zijne zakken komen aanslenteren. Hij zag er heel bedrukt uit, het rapport was zeker erg slecht, want Jan vloog gewoonlijk meer dan hij liep en nu kwam hij aankruipen, alsof hij er tegenop zag, thuis te komen.

Hij was al dicht bij huis, toen hij Thea zag en hij knikte haar quasi onverschillig toe.

Thea maakte een gebaar van ongeduld.

„Loop toch wat vlugger,” riep ze hem toe.

„Waarom,” zei Jan, naderkomend.

Thea liet hem binnen en vroeg dadelijk:

„Is het slecht?”

„Ellendig,” zei Jan, met zijn rug tegen den gangmuur leunend.

„Hoeveel onvoldoenden?”

„Vijf.”

„Maar Jan!”

Haar broertje antwoordde niet, hij beet zich op zijn bovenlip en trapte ongeduldig op den grond.

Thea zuchtte diep en zei:

„Ga nu maar naar binnen.”

Een oogenblik aarzelde Jan, toen duwde hij haar een papier in de hand, zeggend:

„Geef jij het maar,” waarna hij rechtstreeks naar zijn kamertje liep, Thea in niet geringe verlegenheid achterlatend.

Ze bekeek de enveloppe, waarin het rapport gesloten was van voren en van achteren en vond het een koopje, dat Jan het aan haar overliet, met die slechte tijding naar binnen te gaan.

„Waar blijf je toch, Thea,” hoorde ze Moeders stem, „kom je geen koffiedrinken? Is Jan nog niet thuis?”

Thea begreep dat ze hier niet kon blijven staan en met loome schreden ging ze naar de huiskamer. Daar zaten allen aan de koffietafel, behalve Bets, die overbleef op school en Jan.

„Waar heb je toch gezeten, kind?” vroeg Moeder nog eens en Vader informeerde, waar Jan bleef, was die nog niet thuis?

Thea ging op haar plaats zitten en antwoordde:

„Jawel Vader, hij is thuis.”

„Waarom komt hij dan geen koffiedrinken?”

„Hij is naar zijn kamertje geloopen, ik denk dat hij liever niet binnenkomt. Hier is zijn rapport.”

„Zijn rapport?” en Vader richtte zich op en stak zijn hand uit naar de enveloppe, die Thea nog steeds vasthield.

„Is hij naar zijn kamer geloopen, dan is het zeker slecht,” zei Moeder en boog zich over haar man, om met hem samen het rapport te lezen.

Deze vouwde het open en werd bleek.

„’t Is schande,” zei hij dof. „Vijf onvoldoenden en dan nog die aanmerking van den directeur onderaan.”

„Ja, het is te erg,” beaamde zijn vrouw.

„Een aanmerking?” vroeg Thea, „wat staat er dan?”

Haar vader las voor:

„Deze leerling geeft groote reden tot ontevredenheid door zijn gedrag en zijn onoplettendheid. Ik geef u in overweging, of zijn omgang met Willem Meyer wel goed voor hem is.”

Thea luisterde zwijgend toe en Ita keek ontsteld naar haar zuster. Daar hadt je het al, die streek van de klappers had het hem gedaan.

Nu verhief zich Nico’s stem.

„Hij heeft den rekenmeneer in de lucht laten springen.”

„St,” zei Ita boos, maar haar vader wilde weten, wat Nico bedoelde. Deze vond het interessant, dat hij wat kon vertellen, dat Vader niet wist.

„Hij heeft den rekenmeneer op een stoel gezet en toen vuurwerk er onder gelegd en toen is die in de lucht gevlogen.”

Niettegenstaande haar schrik, dat Nico alles van Jan vertellen zou, moest Ita lachen.

„U hoort, wat een onzin hij praat, Vader, luister toch niet naar hem.”

Maar haar vader was in geen stemming tot gekscheren.

„Hij praat onzin, maar jij zult me beter kunnen inlichten. Als je blieft, wat weet je er van.”

Ita zweeg; ze wilde liever niet vertellen, wat Jan haar in vertrouwen had medegedeeld. Het was al erg genoeg, dat ze er vanochtend niet op gelet had, dat Nico in de kamer was, toen ze Thea die geschiedenis vertelde.

„Vraag u het liever aan Jan zelf, ik vertel niet graag iets van de kinderen, Vader.”

Deze fronste zijne wenkbrauwen, maar zei, dat het goed was, hij zou Jan zelf wel spreken, ze moest hem maar halen.

Ita had er niet veel lust in.

„Toe, ga jij, Thea,” zei ze.

„Waarom ik?”

„Hoe is het?” vroeg Vader ongeduldig, „gaat er haast iemand. Als ik maar niet aan die bank gebonden was, dan zou ik hem zelf wel gauw beneden hebben.”

Thea werd angstig, Vader wond zich zoo op en dat was zoo slecht voor hem.

„Ik zal wel even gaan,” zei Moeder, maar Thea liep al naar de deur, bang, dat Vader zich driftig zou maken.

Boven gekomen, vond ze de deur van Jan’s kamertje gesloten. Ze rammelde aan den knop.

„Doe open, Jan.”

Geen antwoord.

„Toe Jan dan, laat me binnen, ik ben het, Thea.”

Ze hoorde voetstappen in de richting van de deur en daarna het slot omdraaien.

Thea trad binnen.

Jan stond met den rug naar haar toe en mompelde:

„Wat zeggen ze er van?”

Thea sloeg haar arm om zijne schouders.

„Natuurlijk zijn Vader en Moes geschrokken van al die onvoldoenden en dan die aanmerking van den directeur! Hoe kon je toch zoo slecht oppassen, Jan?”

Haar broer haalde zijne schouders op.

„Dat weet ik zelf zoo niet, je maakt pret en denkt verder niet veel na.”

„’t Is jammer, ga nu mee naar beneden, Vader wou je spreken.”

„Laat me maar liever hier.”

„Maar dat kan immers niet. Ga nu gauw mee, Vader is zenuwachtig en geagiteerd en je weet, hoe slecht dat voor hem is. Je krijgt natuurlijk een standje, maar dat heb je verdiend, hè?”

„Als ’t maar enkel een standje was.”

„Kom, je mag Vader niet laten wachten, dan voelt hij meer dan ooit zijn ziekte. Je hebt hem al verdriet genoeg gedaan.”

Jan liet zich de kamer uitduwen en ging toen schoorvoetend naar beneden.

Hij voelde zich ellendig.

Hij schaamde zich nu werkelijk, dat hij niet beter opgepast had, hij wist, hoe Vader zich de schoolzaken aantrok, maar Willem verzon altijd leuke dingen en dan was het hem te machtig, dan moest hij meedoen. Willem leerde gemakkelijker dan hij en hij hoefde daarom minder voor zich zelf te werken, om geen al te slecht rapport te hebben. Maar hij wist heel goed, dat hij zich flink moest inspannen om er te komen en toch vergat hij dat telkens weer, lette niet op en maakte pret.

Thea opende de deur der huiskamer en Jan ging naar binnen.

Hij stond daar met gebogen hoofd en zweeg.

„Kom wat dichter bij, Jan,” zei zijn vader.

Jan ging een paar passen vooruit.

„Hoe vin’ je dat rapport?”

„Hoe vin’ je dat rapport?”
„Hoe vin’ je dat rapport?”

„Hoe vin’ je dat rapport?”

(Bladz. 150)

Jan zweeg.

„Antwoord me.”

„Slecht.”

„Zoo, zie je dat tenminste in. Zeg maar gerust, heel slecht. Dat is geen rapport om mee over te gaan, wel?”

Jan trok zijn schouders op.

„Met vijf onvoldoenden zal er wel geen sprake zijn van overgaan. Jan, Jan, wat geef je me een moeite en zorgen, wat doe je Moeder en mij een verdriet.”

Jan boog nog dieper het hoofd. Dien toon kon hij heelemaal niet verdragen. Willem’s vader was driftig, die gaf hem misschien een flink pak slaag, maar dan was het ook uit, terwijl Jan zeker wist, dat Vader er weken over tobben zou en het hem misschien achteruit zou zetten.

Hij beet zich op de lippen, om zijne tranen in te houden, een jongen van zijn leeftijd mocht niet staan huilen, als een klein kind, maar hij had er veel voor over gehad, hier niet zoo te moeten staan.

„Ik kan het nog wel inhalen,” zei hij met bevende lippen.

„Ik weet niet of dat mogelijk is. Dit rapport is misschien van overwegenden invloed.”

„Neen Vader,” viel Ita in, „als hij op het laatste rapport geen, of een enkele onvoldoende heeft, gaat hij nog wel over.”

„Dan moeten we ons uiterste best doen, dat hem dat lukt. Ongelukkig kan ik hem geen privaatles laten geven, dat is te kostbaar.”

„Ik zal hem wel eens helpen,” beloofde Ita, „en u kunt hem met wiskunde voorthelpen. Tob er maar niet over, wij zullen er hem nog wel brengen.”

Haar vader drukte haar hand.

„Je bent een beste meid. Zou jou rapport goed zijn? Wanneer komt het?”

„Morgen, ik geloof, dat ik geen onvoldoenden heb. Maar u moet niet vergeten, dat ik gemakkelijker leer, dan Jan.”

Haar vader keek haar aan en dacht, wat een lief meisje ze toch was, zoo’n echt goed kind.

Zich toen weer tot Jan wendend, zei hij:

„Dus Jan, we zullen alles doen, wat we kunnen, om je noch te redden van de schande van te blijven zitten. Beloof je me, te doen, wat je kunt?”

Jan beloofde het.

Zijn vader keek hem hoofdschuddend aan.

„Den vorigen keer heb je dat ook beloofd en wat is er van die belofte geworden.”

Jan kreeg een kleur.

„Ik geef u mijn woord, dat ik beter op zal passen, Vader.”

„Goed, dat neem ik aan. Je zult dus alles doen, wat ik noodig oordeel, nietwaar? Dan eisch ik in de eerste plaats, dat je voorloopig je omgang met Willem Meijer afbreekt.”

Jan keek ontsteld op.

„Met Willem?” riep hij uit, „neen, dat kan ik niet, dat doe ik niet.”

„St, hou je bedaard, dat zal toch wel moeten, ik wil het zoo. Vergeet niet, dat je me je woord gegeven hebt. Tot de groote vacantie laat je Willem loopen.”

Jan werd driftig. Hij balde zijne handen tot vuisten en drukte de nagels diep in zijne handpalmen, om zich goed te houden.

„Ik heb u mijn woord gegeven, beter op te passen en dat zal ik ook, maar dit mag u niet van me vergen. Willem is mijn beste vriend, wij gaan altijd samen naar school, ik kan niet zonder hem, werkelijk niet, Vader, ik laat hem niet loopen, ik doe het niet.”

„En als ik dat nu bepaald wil?”

Mijnheer van Welderen had zich wat opgericht en zag er zeer opgewonden uit. Zijne oogen ontmoetten die van zijn zoon en deze sloeg de zijne neer.

„Eisch dat niet, Vader, hoe kan dat nu, we zitten in dezelfde klasse, zelfs in één afdeeling, we zien elkaar dus toch dagelijks.”

„Het zal toch wel moeilijk voor hem zijn, man,” viel mevrouw van Welderen in, terwijl Ita medelijdend naar Jan keek en Thea Nico trachtte te bedaren, die bitter huilde, omdat iedereen zoo boos was, zooals hij zei.

„Dan zal ik den directeur vragen, hem in de andere afdeeling te plaatsen. Hij waarschuwt me zelf voor Jan’s omgang met Willem.”

Zich toen weer tot Jan wendend:

„Beloof me, dat je tot de groote vacantie geen omgang met Willem zult hebben, geef me je woord, dat je me zult gehoorzamen.”

Een oogenblik stond Jan bewegingloos, toen keerde hij zich om en rende de kamer uit, naar boven naar zijn kamertje, waar hij eenige oogenblikken met zijne opkomende tranen stond te worstelen, slikkend en met zijne oogen knippend.

„Ik beloof het niet,” dacht hij, „ik doe het niet.”

Daar kwam zijn moeder binnen, die hem gevolgd was.

„Jan,” zei ze zacht en trok hem naar zich toe.

„Ik beloof het niet, Moes, geef u maar geen moeite, ik doe het niet.”

„Jan,” zei ze nog eens, hem in de oogen kijkend, „denk aan Vader.”

Nu barstte Jan los.

„Dat is het ellendige, je moet je altijd onderwerpen, alles maar goed vinden, omdat Vader geen gewoon man is en omdat je altijd gevaar loopt, hem zieker te maken. Als Vader een gewone, sterke man was, dan kon je zooiets volhouden, maar nu zal ik wel weer moeten toegeven, omdat ik hem anders erger maak. En ik kan het niet beloven, het is afschuwelijk.”

Zijn moeder duwde hem op een stoel en ging bij hem zitten.

„Wat je daar zegt, Jan, is niet waar. Al was Vader de gezondste man van de wereld, dan moest je hem nog gehoorzamen, omdat hij je vader is. Dat weet je zelf ook wel.”

„Ja maar Moes, als Vader sterk was, en tegen een schok kon, dan zou ik er niet over denken, Willem te laten loopen.”

„In dat geval zou Vader je daar wel toe kunnen dwingen.”

„’t Kan zijn, maar het zou toch iets heel anders wezen. Voelt u dat niet, Moes?”

Zijn moeder glimlachte. Ze begreep wel, wat hij bedoelde en zag ook in, dat hij nog te veel kind was, om in te zien, dat het juist mooi was, dat hij uit liefde en bezorgdheid voor zijn vader zijn verzet brak, in plaats van uit vrees. Dat hij dit echter instinctmatig zoo voelde, bewees, dat hij een goeden aard had.

„Dus beloof je Vaders wil te doen, jongen?”

Nog aarzelde Jan. Het was een vreeselijke belofte, die van hem gevraagd werd. Beloofde hij te gehoorzamen, dan moest hij dat ook doen, het kwam niet in hem op, zijne ouders achter hun rug te bedriegen, maar zou hij het kunnen volhouden?

„Als ik maar kan, Moes.”

„Je kunt het, beschouw het, als je wilt als een straf, je hebt toch ook wel wat verdiend, vin’ je niet? Je zult toch moeten bekennen, dat je heel slecht hebt opgepast.”

„Nou ja, natuurlijk. Maar denk eens, hoe gek het tegenover de jongens zal zijn, Willem zal me zeker uitlachen.”

Zijn moeder schudde haar hoofd. Dat was het, wat hem terughield te doen, wat zijn vader wilde, hij gevoelde valsche schaamte tegenover de andere jongens.

„Laat Willem eens bij me komen,” zei ze, „dan spreek ik zelf eens met hem en dan zal hij best begrijpen, dat je niet anders handelen kunt. Als hij je dan nog uitlacht, is hij niet waard, je vriend te zijn. Maar hij zal wel inzien, dat het beter zoo is, het is ook maar tot de groote vacantie.”

„Zou ik hem Zondags ook niet mogen spreken?”

„Ik denk, dat Vader daar het oordeel van den directeur over vragen zal. Ga nu mee naar beneden en zeg Vader, dat je gehoorzamen zult.”

Jan stond op en volgde zijn moeder. Zijn hart was bezwaard, maar hij voelde, dat hij niet anders handelen mocht, dan zijn vader zijn belofte brengen.

„Ik beloof u te doen, zooals u wilt, omtrent Willem.”

Zijn vader drukte hem stevig de hand.

„Dank je vent, voor die belofte. We zullen ons best doen, alles nog terecht te brengen.”

Ita ging naar Jan toe en gaf hem een flinken klap op zijn schouder.

„Mooi zoo, jongen, je bent een goede kerel, hoor,” en Thea gaf hem een kus.

Nico keek een beetje verbaasd.

„Ik dacht, dat Jan een slecht rapport had en nu wordt hij gekust,” zei hij, met zijn hoog stemmetje.

Toen begonnen ze allen te lachen, Jan in zijn zenuwachtige overspanning het hardst van allemaal en Nico, die er nu niets meer van begreep, lachte maar mee, ofschoon hij niet wist waarom.

Illustration from Het onderwijzeresje
Dertiende Hoofdstuk.
Dertiende Hoofdstuk.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings