← Table of contents
Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04

DE VLIESVLEUGELIGEN (Hymenoptera, Piezata). (continued 3)

Reading edition

Een in Duitschland zeldzaam (bij ons niet) voorkomende soort, de Vleeschkleurige Goudwesp (Parnopes carnea), is merkwaardig door haar lange, in rust tegen de keel aanliggende tong, welks wortelgedeelte door de bovenkaken omsloten wordt en een groote overeenkomst heeft met de tong der Bijen. De kop, de borst en de eerste achterlijfsring zijn groen met koperrood waas, de overige segmenten vleeschkleurig. Deze gedrongen gebouwde, 11 mM. lange (soms nog grootere) Wesp parasiteert bij Bembex rostrata en wordt dus alleen daar gevonden, waar deze in grooten getale voorkomt.

Het geslacht Chrysis is rijker aan soorten dan eenig ander. Slechts één van deze wordt in Amerika gevonden. De meeste bewonen het Middellandsche-Zee-gebied; noordwaarts verbreiden zij zich over Middel-Europa tot in Zweden; 4 zijn inheemsch.

De Gewone Goudwesp (Chrysis ignita) is de meest verbreide en veelvuldigst voorkomende soort. Het is haar, naar ’t schijnt, tamelijk onverschillig, in welke nesten van Vliesvleugeligen zij hare eieren zal leggen, of deze in muren, in ’t zand of in oude balken gebouwd zijn. Zij begunstigt de Bijenwolf, de Muurleemwesp en nog vele andere niet door ons genoemde soorten van Knoopwespen en Eumeniden of Leemwespen. In de nabijheid van de plaatsen waar deze Insecten nestelen, ziet men haar het meest rondzwerven; bij zonnig weer is zij zeer levendig. Ieder die haar gedurende eenigen tijd nagaat, zal haar leeren kennen als een listig dier, dat zeer ijverzuchtig is jegens hare soortgenooten; haar geheele leven, van de lente tot in den herfst, wijdt zij aan het beoefenen van deze niet bepaald beminnelijke eigenschappen. Haar grootte wisselt binnen wijde grenzen af (5 à 11 mM.), zoo ook haar kleur; de kop en het borststuk zijn blauw of groen, zuiver of tot de gewone overgangstinten vereenigd; het als goud glinsterende achterlijf vertoont soms een groenen, soms een sterk rooden weerschijn, heeft dikwijls zwarte banden op de verbindingsplaatsen der ringen en is aan de buikzijde zwart gevlekt.

De fraaie, roodwangige, bolronde uitwassen, die men zoo dikwijls bij halve dozijnen aan de onderzijde van een eikenblad ziet hangen, kent iedereen onder den naam van “galnoten”; ook is het bekend, dat een andere, meer houtige soort, die uit de Levant tot ons komt, bij de bereiding van een bruikbaren inkt niet best gemist kan worden. Men noemt deze en velerlei andere aan planten voorkomende misvormingen in ’t algemeen gallen; hiermede worden dus ziekelijke woekeringen van het celweefsel aangeduid, welke onder den invloed van dieren ontstonden en ten doel hebben aan de larve van het dier, dat aanleiding gaf tot de verandering, voedsel en een woonplaats te verschaffen. De dieren, die gallen voortbrengen, zijn talrijk en behooren tot zeer verschillende groepen; voor ’t meerendeel zijn het Insecten, n.l. Vliegen, vooral uit de familie der Galmuggen, voorts Kevers, Vlinders, Bladluizen, Bladwespen, Galwespen en andere Vliesvleugeligen; er zijn echter ook Wormen (Nematoden), Raderdiertjes en Mijten bij. Daar op ieder plantendeel, zoowel op wortels als op twijgen, niet slechts op bladen, maar ook op bloemen en vruchten, gallen kunnen ontstaan, behoeft het ons niet te verwonderen, dat deze producten een groote verscheidenheid aanbieden. Die, welke door Galwespen (Cinipidae) veroorzaakt worden, zullen ons nu eenigen tijd bezig houden. Het wijfje steekt op de plaats, die een natuurdrift haar aanwijst, een bepaalde plant met haar legboor en laat een ei in de wonde achter. Zoodra de weefsels van de plant op deze wijze geprikkeld zijn, komt een hoogst merkwaardige wijziging tot stand in hunne levensverrichtingen: zij beginnen uit te groeien in den vorm van bollen, cilinders, kegels, hoorntjes, ruigharige of geschubde lichamen, enz. De woekering van de weefsels duurt zoo lang voort, als voor de ontwikkeling van het daarin levende Insect vereischt wordt. Eerst bij het ophouden van den groei van dit parasitische wezen is ook de gal “rijp” geworden.

De door Galwespen veroorzaakte gallen zijn geheel gesloten en openen zich niet “vanzelf”, zooals het geval is bij soortgelijke voortbrengselen van andere dieren; er wordt een gat in geknaagd door de volkomen ontwikkelde Wesp, zoodra deze gevolg geeft aan het bij alle levende wezens voorkomende streven naar vrijheid. Als het zaad van een kers of pruim in den steen, bevindt de made van de Galwesp zich in een door stevige, soms steenharde wanden, (de binnengal) omhulde, inwendige holte, in de zoogenaamde larvekamer. De gewone galnoot bevat in zijn middelpunt slechts één larvekamer en behoort daarom tot de éénkamerige gallen; de wijze waarop de meerkamerige gallen ingericht zijn, vereischt geen nadere aanduiding. Galmuggen treft men op de meest verschillende planten aan; de Galwespen leven voor 90 percent op allerlei soorten van eiken. Uit dit oogpunt beschouwd, verdient de eik ten volle den naam van “boom der eendracht”, omdat in dezen boom en aan zijn oppervlakte meer Gelede Dieren wonen, aan den kost komen en vreedzaam naast elkander vertoeven, dan op eenige andere plant. Alleen in Middel-Europa worden op eiken 2 wortel-, 8 schors-, 39 knop-, 34 blad-, 9 meeldraadbloem- en 4 vruchtgallen gevonden. Behalve de eik verdienen de eschdoorn, de vogelkers, de wilde rozen en braambessen als gallendragende planten vermeld te worden. Veel minder belangrijk zijn in dit opzicht de kruiden, zooals eenige samengesteldbloemigen (Hieracium, Centaurea, Scorzonera), wilde papavers, hondsdraf, toortskruid en nog eenige andere tweezaadlobbige planten. Zeer veel ontbreekt er aan onze kennis van de gallen, die in andere werelddeelen dan het onze voorkomen; uit de reeds verrichte onderzoekingen blijkt echter, dat geen der werelddeelen zulk een groot aantal Galwespen herbergt als Europa, hoewel deze Insecten ook elders niet ontbreken.

Van alle tot dusver behandelde Vliesvleugeligen verschillen de Galwespen en de op haar volgende familiën door het bezit van een tweeledigen dijring; bovendien herkent men ze gemakkelijk aan de eigenaardige verdeeling der aders in de voorvleugels. Deze missen de randvlek en de middelcellen; behalve de beide schoudercellen komen slechts één gesloten randcel en twee gesloten onderrandcellen voor. De achtervleugels hebben hoogstens een enkele ader en dus geen cel. Van eenige soorten hebben de wijfjes rudimentaire of in ’t geheel geen vleugels; in dit opzicht gelijken zij op sommige kleine Sluipwespen, met welke zij echter niet licht verward kunnen worden wegens haar afgerond, zijdelings samengedrukt achterlijf en eenige andere eigenaardigheden.

Alle Galwespen zijn weinig in ’t oogvallende, kleine diertjes van 4.5 mM. gemiddelde lengte; slechts weinige worden grooter, zeer vele blijven echter nog beneden 2.25 mM.; haar kleur is zuiver zwart, of zwart gemengd met lichtere, van rood tot bruin afwisselende tinten, of geheel lichtbruin; lichte teekeningen komen in ’t geheel niet voor. De niet gebroken sprieten zijn draadvormig, of worden naar de spits allengs een weinig dikker; zij bestaan uit 12 à 15 leden. De kop is klein, bijna cirkelrond van omtrek en ver naar onderen verschoven; op de kruin komen 3 bijoogen voor; de monddeelen zijn niet sterk ontwikkeld. Het korte, zijdelings samengedrukte achterlijf is bij sommige “zittend” aan het rugschild van het achterborststuk bevestigd en is er bij andere door een kort steeltje of door een ring mede verbonden.

Zooals reeds gezegd is, zijn op lange na niet alle gallen van Galwespen afkomstig. Omgekeerd geven vele door hun lichaamsbouw tot deze familie behoorende Insecten geen aanleiding tot de vorming van gallen, gelijk de Echte Galwespen doen. Een groot aantal legt eieren in reeds aanwezige, jonge gallen; de hieruit voortkomende larven voeden zich met plantaardige stoffen; zij worden commensalen of Bastaardgalwespen genoemd. In één gal kunnen dus 2 soorten van Galwespen leven. Een derde talrijke groep wordt gevormd door de Parasiet-galwespen, die gedurende den larvetoestand als Sluipwesp-larven in en van andere Insecten leven.

Gelijk bij alle Insecten, is ook bij verschillende soorten van Galwespen de duur van het tijdperk, dat voor de ontwikkeling van ei tot imago wordt vereischt, ongelijk; alle verpoppen zich echter in de gal, waarin zij als larve leefden, de meeste, zonder vooraf een cocon te spinnen. De pop is, evenals bij alle Vliesvleugeligen, vrij (alle ledematen liggen los tegen den stam aan); de Galwespen verkeeren slechts korten tijd in dezen rusttoestand. Eenige overwinteren als larve, andere als Wesp in de gal, die in beide gevallen gesloten blijft. Een rond gat in de gal levert steeds het bewijs, dat het hierin levende dier zijn gevangenis verlaten heeft; dikwijls kan men uit de grootte van dit gat afleiden, of hierdoor een Galwesp of een parasiet naar buiten is gekomen.

De voortplantingswijze van vele Galwespen biedt een belangrijke afwijking aan van die der tot dusver behandelde dieren. Deze planten zich voort door bevruchte eieren, die nakomelingen leveren, welke in alle opzichten met een van hunne ouders overeenstemmen. Slechts één maal, n.l. bij eenige gezellig levende Vliesvleugeligen, hebben wij een afwijking (arrenotokie genaamd) van dezen regel waargenomen, en wel, toen wij uit onbevruchte eieren mannetjes, uit bevruchte wijfjes zagen ontstaan. Toch komt ook in dit geval de geheele reeks van voortplantingsverschijnselen, die in normale omstandigheden den ontwikkelingsgang van iedere generatie vormen, volledig voor. Men noemt een dergelijken ontwikkelingskring enkelvoudig. Bij vele dieren echter zijn de opeenvolgende generatiën niet in alle opzichten gelijk, maar verschillen van elkander door uitwendige of inwendige eigenaardigheden of door voortplantingswijze; iedere soort komt dus voor in 2 of meer vormen, die elkander geregeld opvolgen, daar de wezens van den eenen vorm uitsluitend die van den anderen voortbrengen. Alle verschijnselen, die zich in het leven der soort voordoen, treden dus niet bij iedere generatie op, maar zijn eerst na twee of meer opeenvolgende generatiën volledig waarneembaar geweest. Men spreekt in dit geval van een samengestelden ontwikkelingskring. Meer bepaaldelijk gebruikt men de benaming heterogonie, wanneer de opeenvolgende generaties zich door een verschillende voortplantingswijze onderscheiden. Reeds sedert lang weet men, dat uit vele gallen, b.v. uit alle “knoppers” en uit de “Oostersche galnoten,” wanneer hare “commensalen” buiten rekening worden gelaten, uitsluitend wijfjes te voorschijn komen. Dit leidde tot de onderstelling, dat vele Echte Galwespen zich uitsluitend door onbevruchte eieren (parthenogenetisch) zouden voortplanten. Dit vermoeden werd proefondervindelijk bevestigd door Adler bij een soort, die op eikenbladeren gallen veroorzaakt, Cynips (Andricus) seminationis, en bij hare naaste verwanten. Voorts is bij vele andere vormen het aantal wijfjes zoo buitengewoon groot en het aantal mannetjes zoo gering, dat men onmogelijk mag aannemen, dat alle wijfjes paren. Dat bij deze soorten, b.v. bij de Rozengalwesp [Cynips (Rhodites) rosae], onbevruchte eieren zich kunnen ontwikkelen, is ook door Adler aangetoond. Dezelfde onderzoeker heeft vervolgens bewezen, dat bij deze inheemsche Galwespsoorten zich een eenvoudig geval van “heterogonie” voordoet, waarin op een uit mannetjes en wijfjes samengestelde generatie, die zich door bevruchte eieren (d. i. gamogenetisch) voortplant, geregeld een uitsluitend uit wijfjes bestaande generatie volgt, welker (onbevruchte) eieren zich (parthenogenetisch) tot mannetjes en wijfjes ontwikkelen. Ieder van deze generaties heeft gallen van een bijzonderen vorm. Het verschil tusschen de beide tot één ontwikkelings-cyclus behoorende generaties is soms zoo groot, dat men ze dikwijls tot verschillende geslachten heeft gebracht.

De grootste Echte Galwespen (Cynipidae galliparae) zijn de Eikengalwespen (Cynips), die men gemakkelijk herkent aan den ruig behaarden rug van het borststuk, aan het bijna half bolvormige schildje, aan het “zittende,” ronde en zijdelings samengedrukte achterlijf en aan de sprieten, die naar voren allengs een weinig in dikte toenemen.

De Gewone Eikenbladgalwesp of Galnotenwesp [Cynips (Dryophanta) folii] heeft een glanzig zwart achterlijf; het schildje, de pooten en de kop zijn meer of minder bruinachtig rood, de sprieten en de pooten ruig behaard; het laatste buikschild is klein en borstelig gewimperd. Kort nadat de knoppen van onze eiken—de wintereik en de zomereik (Quercus sessilifolia en Q. pedunculata)—uitgebot zijn (van alle boomen onzer bosschen komen de eiken, zooals bekend is, het laatst in ’t blad), bemerkt men aan de onderzijde der bladen de aanvankelijk groene en bolronde, bij verderen groei echter aan de zonzijde rood wordende gal, die een middellijn van 1 à 3 cM. kan bereiken; door een kort steeltje is zij met een van de dikke bladnerven verbonden. Zij bevat één larvekamer; om de niet zeer stevige “binnengal” bevindt zich een uit groote cellen samengesteld, looistofrijk en sappig sponsweefsel, dat van buiten met een dichtere huidlaag bekleed is. Reeds in ’t einde van September heeft de hierbinnen aanwezige made zich tot een Wesp ontwikkeld; deze verlaat echter eerst tegen den aanvang van het koude jaargetijde haar woning. Alle uit deze gallen komende diertjes zijn groote wijfjes van de Gewone Galnotenwesp; mannetjes zijn er niet in deze generatie. De Wesp begeeft zich onmiddellijk naar de slapende oogen of zoogenaamde praeventiefknoppen, die aan knobbeltjes van oude eikenstammen, aan waterloten, enz. veelvuldig voorkomen; zij doorsteekt met haar korten legboor de schubben van zulk een knop en legt één ei op den stengeltop (het hart); dit geschiedt, gelijk door Beijerinck werd aangetoond, zonder dit teere orgaan te beschadigen. Zoovele eieren als de Wesp voortbrengt, in zoovele knoppen steekt zij haar legboor. Het punt van het “hart”, waarop de eischaal rust, ontwikkelt zich niet verder; het daaromheen liggende weefsel vormt echter om het ei een aanvankelijk ringvormigen wal, die zich later van boven sluit en zoo de “larvekamer” vormt; uit opperhuidscellen bestaat dus de “binnengal”. In Mei is de gal een 4 à 5 mM. lang, cilindervormig knobbeltje geworden, dat met paarse, fluweelachtige haren bedekt is en zich boven het onveranderd blijvende, geschubde ringgedeelte van den praeventiefknop verheft. Bij het verschijnen van de bladen aan de eiken komen uit deze kleine gallen mannelijke en vrouwelijke Wespen [Cynips (Spathegaster) Taschenbergi]. De wijfjes leggen na de paring één ei op elke dikke bladnerf van jonge eikenbladen; op één blad kunnen soms wel een twaalftal eieren voorkomen, die door voldoende tusschenruimten gescheiden zijn. Rondom elk ei ontwikkelen zich de weefsels van het blad tot den reeds beschreven, gewonen galnoot; deze gallen leveren in den herfst de “agame” generatie, die Cynips folii wordt genoemd.—

Aan het afgebeelde takje ziet men (bij 3) een voorwerp, dat op een kleinen lorkenkegel (meer nog op een hoppebel) gelijkt. Zulke sierlijke gallen ziet men dikwijls in grooten getale bijeen aan de toppen of in de bladoksels van jonge spruiten van de hierboven genoemde eiken en van Quercus pubescens. De taaie schubben zijn aanvankelijk gesloten en groen, doch worden later bruin en wijken uiteen. Zij omsluiten een langwerpig ovale “binnengal” (afgebeeld bij 4 en 5: gesloten en overlangs doorgesneden, zoodat de larvekamer met haar bewoonster zichtbaar is); deze valt er in Augustus uit, rijpt op den bodem en blijft hier 2 of 3 jaar liggen, voordat de Wesp er (in April) uit te voorschijn komt. Deze—de Eikenkegelwesp [Cynips (Andricus) fecundatrix of C. gemmae]—is van het vrouwelijk geslacht (mannetjes zijn er in deze generatie niet); zij legt door een steek met haar legboor eieren in de mannelijke bloemknoppen van den zomereik (de vroegst bloeiende van onze eiken); dientengevolge ziet men na het ontluiken dezer knoppen aan den bloembodem van de tot katjes vereenigde meeldraadbloemen (tusschen de helmknoppen) spitse eivormige gallen van 2 mM. lengte, die aanvankelijk een groene, later een bruine kleur hebben en met stijve, witte haren bezet zijn. Uit deze gallen komen in Mei van hetzelfde jaar mannetjes en wijfjes [Cynips (Andricus) pilosa] te voorschijn. De bevruchte wijfjes begeven zich op de 3 genoemde soorten van eiken, steken de jonge, okselstandige knoppen aan, leggen er een ei in en brengen op deze wijze de vorming van de hoppebelvormige gallen teweeg, die soms in zoo grooten getale voorkomen, dat de eiken er schade door lijden.—

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Gewone Galnotenwesp (Cynips folii).—6) Dezelfde, vergroot.—7) Haar gal, doorgesneden met de larve.—2) Torymus regia, een Pteromaline, welker larve in de larve der Galnotenwesp parasiteert. 3) Gal van de Eikenkegel-galwesp (Cynips gemmae).—4) De larvekamer, gesloten en geopend.—5) Dezelfde, vergroot.

8) Kleine Eiken-page (Thecla quercus) met zijn (eikenbladen etende) larve (schildrups.)

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

A. Gewone Rozengalwesp (Rhodites rosae). Vergroot. B. Bedeguar of Hondsrozenspons.

Aanmerkelijk grooter dan de reeds genoemde zijn de “sponsgallen,” die (meestal aan de spits, soms aan de zijden van de twijgen) op inheemsche eiken niet zelden voorkomen en een middellijn van wel 5 cM. bij een iets geringere hoogte kunnen bereiken. Zij rijpen in Juni en zijn dan geelachtig wit, glanzig, aan de zonzijde fraai rood getint. Onder de dunne opperhuid merkt men een dikke, sponsachtige, buitengewoon lichte schorslaag op; deze omgeeft vele houtige binnengallen, welker aantal toeneemt, naarmate men de plaats van aanhechting nadert. Uit deze gallen, die aan vele Bastaardgalwespen en parasieten voedsel en een woonplaats verschaffen, komen, in Juni en Juli, de mannetjes en de wijfjes van de Sponsgalwesp [Cynips (Teras) terminalis] te voorschijn. De met vreemde gasten bezette gallen blijven aan den boom hangen en verdrogen, waarbij zij haar schorsgedeelte verliezen; de normaal ontwikkelde vallen nog in den loop van den zomer af, hebben dan een grijsachtige kleur en bedekken soms in grooten getale den bodem. Na de paring begeven de wijfjes-Galwespen zich op de eenjarige wortels van den eik, dikwijls tot op een diepte van 50 cM.; de hier gelegde eieren; worden in den zomer en den herfst omgeven door meerkamerige, aanvankelijk geelachtige wortelgallen ter grootte van kersen en van onregelmatigen vorm, die in meer of minder grooten getale trosgewijs opeengedrongen zijn. Eerst in ’t volgende jaar zijn zij rijp, houtachtig en roodachtig van kleur; zij bevatten larven, die zich in October verpoppen en in het laatst van den herfst of in den winter als volkomen ongevleugelde wijfjes [Cynips (Biorrhiza) aptera] voor den dag komen. Door de dan heerschende koude wordt deze “agame” generatie niet verhinderd onmiddellijk bij den boom op te klimmen om op een hoogte van 5 à 10 M. eieren te leggen in de knoppen, welke in Juni van het volgende jaar rijpe sponsgallen zullen zijn. De geheele ontwikkelingsgang duurt dus 2 jaar. Vooral Beijerinck heeft de levensgeschiedenis van deze en andere Galwespen nauwkeurig nagegaan. Nevens de gevleugelde mannetjes en wijfjes van Cynips terminalis komen ook exemplaren voor, die geen of slechts rudimentaire vleugels hebben. De vleugellooze wijfjes van deze generatie zijn niet te onderscheiden van die der “agame”.

De Gewone Rozengalwesp (Rhodites rosae) brengt aan de wilde roos of hondsroos (bij uitzondering ook aan gekweekte rozen) mosachtige uitwassen teweeg, die met den naam van “bedeguar” of “hondsrozenspons” aangeduid worden. Vroeger schreef men aan deze veelkamerige gal een geneeskrachtige werking toe. In den herfst is zij rijp, doch eerst in het volgende voorjaar komen de bewoners er uit te voorschijn: niet alleen het kroost van de rechtmatige eigenares, maar ook commensalen (Aulax Brandti en soorten van Synergus), vooral echter verschillende soorten van Pteromalinen en Braconiden. In ’t geheel heeft men er ongeveer 20 verschillende Insecten in gevonden; sommige komen vroeger, andere later dan de Rozengalwespen voor den dag, nog andere tegelijk met deze. Hoewel er ook mannelijke Rozengalwespen gevonden worden, is echter het aantal wijfjes zoo groot, dat deze onmogelijk alle bevrucht kunnen worden. Adler heeft echter aangetoond, dat ook onbevruchte eieren van deze soort zich ontwikkelen kunnen. Het wijfje heeft de pooten en het geheele achterlijf (met uitzondering van de spits) bruinrood, de overige lichaamsdeelen zwart, welke kleur bij ’t mannetje ook aan ’t grootste deel van ’t achterlijf eigen is.

*

Behalve de Echte Bladwespen en de van haar arbeid profiteerende, doch zelf geen gallen voortbrengende Bastaardgalwespen (Cynipidae inquilinae), waarvan hierboven eenige (Synergus, Aulax) genoemd zijn, die als commensalen zich met de bestanddeelen der gallen voeden, kent men ook een aantal Parasietgalwespen (Cynipidae parasitae). Deze gelijken door haar lichaamsbouw zoozeer op de overige leden der familie, dat zij hierin een plaats verdienen, maar hebben aan de vorming van gallen geen schuld; zij ontwikkelen zich geheel op dezelfde wijze als de Sluipwespen in het lichaam van andere Insecten. Zoo leven b.v. de kleine leden van het geslacht Allotria (ongeveer 40 soorten) in Bladluizen. Door het korte, bijna ronde, zittende of nagenoeg ongesteelde achterlijf, welks grootste deel door het eerste segment wordt gevormd, en door het maaksel der vleugels komen zij geheel met de Echte Galwespen overeen, van welke zij echter verschillen door de gladheid van haar als ’t ware gepolijste huid en de dunheid der sprieten, die het lichaam meestal in lengte overtreffen. Door een meer langwerpige gedaante en een korten, ringvormigen achterlijfssteel kenmerkt zich het geslacht Figites, welks leden, naar het schijnt, alle in larven van Vliegen hunne beide eerste levenstijdperken doorbrengen. Nog slanker zijn de Ibalia’s. Het grootste lid van de geheele familie is de 14 mM. lange Ibalia cultellator, die op een Sluipwesp gelijkt, in larven van Houtwespen (Sirex) hare eieren legt en een als het lemmet van een scheermes samengedrukt achterlijf heeft.

Een niet gering aantal kleine, parasitisch levende Wespen worden onder den naam van Proctotrupiden tot een familie vereenigd, die in sommige opzichten aan de vorige, in andere aan de volgende herinnert en dus tusschen beide een overgang vormt; het is daarom moeielijk deze groep als zoodanig te kenschetsen. Vele soorten naderen door de gedaante van het vleugeladerstelsel tot de Galwespen, van welke zij echter verschillen door het bezit van de randstip en door den algemeenen vorm van het lichaam. Ook zijn er soorten, die (zooals de hierna afgebeelde) met de Chalcididen de gebroken sprieten en het volkomen gemis van cellen in den vleugel en van alle aders (behalve de onderrandader) gemeen hebben, hoewel zij niet, zooals deze, den legboor aan de buikzijde van het achterlijf, maar aan de spits naar buiten laten treden. De meeste Proctotrupiden zijn zeer klein van gestalte en zwart van kleur, langwerpig van vorm en toch niet slank gebouwd, langzaam en log van beweging, maar toch niet traag van aard. Een soortgelijk verschil als tusschen de plompe, met buitengewone volharding bezielde Hommels en de hartstochtelijke, ongedurige, zeer bewegelijke Zandbijen merkt men ook op tusschen de Proctotrupiden en de Chalcididen. Gene, niet in staat om een naderenden vijand reeds op eenigen afstand waar te nemen, geven zich geen moeite om hem door een snelle vlucht te ontkomen, vestigen zich bij voorkeur op vochtige plaatsen, onder afgevallen bladen of in de onmiddellijke nabijheid van den grond in dichte omheiningen. De Chalcididen daarentegen zijn onophoudelijk in beweging, laten de sprieten nooit rusten; de wijfjes houden zich voortdurend bezig met het opsporen van geschikte legplaatsen; alle houden gaarne verblijf in een zonnige omgeving en gaan tusschen groene bladen zitten, als zij schaduw verlangen; eerst door de nadering van den winter worden zij van hier verdreven en genoodzaakt om haar teer lichaam tegen de guurheid van het klimaat te beschutten door te midden van het rottende afval op den bodem een schuilplaats te zoeken.

Merkwaardige inheemsche Proctotrupiden zijn de hiernevens afgebeelde Eierenwespen. De leden van haar geslacht (Teleas) ondergaan hunne gedaantewisselingen in eieren van Vlinders, Wantsen en Spinnen. De nietig kleine hoeveelheid eiwitstoffen, die zulk een ei bevat, is voldoende om niet slechts aan één larve, maar ook wel aan 2 of 3 en soms aan meer dan een dozijn Wespen het noodige voedsel te verschaffen voor haar volledige ontwikkeling. Beide hier afgebeelde soorten zijn glanzig zwart met bruinzwarte dijen en heupen, doch verschillen van elkander door den vorm van de achterlijfsspits. Haar lichaam is niet langer dan 1 mM. De wijfjes doorboren de schaal van de eieren van Spinners om ze te doen dienen tot wieg en proviandmagazijn voor haar kroost. Teleas laeviusculus begunstigt op deze wijze den Dennenspinner (Gastropacha pini), terwijl Teleas terebrans aan de zeer hardschalige eieren van den Ringelrupsspinner (Gastropacha neustria) de voorkeur geeft. Na 4 à 6 weken is de gedaantewisseling afgeloopen en verlaat het wespje de eischaal door een klein, rond gaatje, dat zij er in knaagt, (de opening, die de vlinderlarve gemaakt zou hebben, is grooter en heeft een onregelmatigen rand). Bouché zag in Augustus, reeds 14 dagen na het leggen van het ei, Wespen uit eieren van Spinnen te voorschijn komen; men mag dus wel aannemen, dat er in één jaar verscheidene generaties zullen ontstaan.

De zeer soortenrijke familie der Chalcididen (Chalcididae), vroeger Pteromalinen genoemd, bestaat, evenals de vorige, grootendeels uit nietig kleine Insecten, maar vormt een beter afgerond geheel, dat duidelijker van de overige Vliesvleugeligen onderscheiden kan worden dan de familie der Proctotrupiden. Alleen bij de Chalcididen treft men de volgende kenmerken vereenigd aan: De sprieten zijn steeds duidelijk in een schaft en een zweep verdeeld; de vorm van de zweep kan zeer verschillen, zelfs bij mannetjes en wijfjes van dezelfde soort. De vleugels bezitten een zeer weinig ontwikkeld aderstelsel; in de breede voorvleugels is alleen de onderrandader duidelijk ontwikkeld; zelfs de randstip ontbreekt. Het lichaam is meestal kort, dik en gedrongen gebouwd, soms dun en slank; het prijkt met een metaalachtigen glans, die aanleiding gegeven heeft tot den naam der familie. Bij de wijfjes komt de legboor vóór de spits, aan de buikzijde, uit het achterlijf te voorschijn.

Het wijfje van Torymus regius zagen wij op een galnoot bezig met haar legboor een ei te plaatsen in de hier levende Galwesp-larve; de made, die uit dit ei ontstaat, voedt zich met de sappen van den galbewoner en brengt diens dood teweeg, zoodra zij hem niet meer noodig heeft. Uit een kleinere opening dan de rechtmatige eigenares van de woning geboord zou hebben, indien zij in ’t leven was gebleven, ontsnapt ten slotte de goudgele, op den rug blauw iriseerende, met roodachtig gele pootjes uitgeruste parasiet.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Eierenwespen (Teleas): 1) Eierenwesp van den Dennenspinner (Teleas laeviusculus).—2) Eierenwesp van den Ringelrupsspinner (Teleas terebrans).—3, 4) Eieren van den Ringelrupsspinner (Gastropacha neustria), waarop een Eierenwesp (Teleas) gezeten is, die er hare eieren in legt.—Vergrooting van de fign. 1 en 2 ongeveer 20-voudig, van fig. 3 ongeveer 4-voudig; fig. 4: ware grootte.

Vele soorten van het geslacht Pteromalus leven als larven ten koste van Schors- en Houtkevers of van Galwespen, eenige van Schild- en Bladluizen en van maden van Vliegen. De zeer algemeen verbreide Ruigvleugelige Wesp (Pteromalus puparum) legt eieren in de poppen van verscheidene soorten van Dagvlinders, zooals van Schoenlappers (Vanessa) en van Koolwitjes (Pieris). Op plaatsen waar de poppen van deze Vlinders zich ophouden, treft men dikwijls weinig in ’t oog vallende Chalcididen aan; zoodra echter de rups voor de laatste maal haar huid afgeworpen heeft en de chitine aan de oppervlakte van de pop nog week is, ziet men op het lichaam van deze en gene een wijfje van de Ruigvleugelige Wesp rondwandelen en met haar legboor een groot aantal eieren tusschen de leden van de pop schuiven, zonder deze te verwonden. Zij gaan hiermede voort, ondanks de bewegingen, die het slachtoffer met het achterlijf maakt om zijn vijand te verdrijven. Na verloop van eenigen tijd verliest de pop geheel het vermogen om zich te bewegen; haar meer en meer wankleurig wordende huid is ten slotte als een zeef met gaatjes doorboord waardoor het eene wespje na het andere de nu ledige pophuid verlaat.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Pijldrager (Foenus jaculator). Wijfje. Ware grootte.

Evenals de familie der Galwespen een aantal soorten bevat, die door de levenswijze harer larven op Chalcididen gelijken, zoo heeft ook deze familie vertegenwoordigers, die van den gewonen regel afwijken door hare eieren te leggen in planten en meer bepaaldelijk in vruchtbeginsels, welke hierdoor in gallen veranderen en geen zaad voortbrengen. Vooral in de bloeiwijzen van den Vijgeboom (Ficus carica) treft men zulke gallen aan. De genoemde, 6 à 9 M. hooge, oorspronkelijk uit Zuid-Azië afkomstige boom werd duizenden jaren geleden naar Syrië, Noord-Afrika en Zuid-Europa overgebracht, wordt hier nog altijd (thans ook in alle overige werelddeelen) veelvuldig gekweekt en komt velerwege in verwilderden toestand (als “geitenvijg” of “caprificus”) voor. Driemaal per jaar ontwikkelt zoowel de “caprificus” als de tamme vijgenboom zijne eigenaardige schijnvruchten, die uit een hol, peervormig stengeldeel bestaan, dat van binnen met mannelijke en vrouwelijke bloemen bezet is. De 3 generaties van “caprificus”-vijgen zijn oneetbaar en heeten “mamme”, “profichi” en “mammoni”. Hare stamperbloemen zijn veel eerder rijp dan de meeldraadbloemen, zoodat het stuifmeel van de “mamme” de eitjes van de “profichi” moet bevruchten en deze op hun beurt rijp stuifmeel bevatten, als de stempels van de “mammoni” geschikt zijn om het te ontvangen. Het overbrengen van het stuifmeel geschiedt door Chalcididen van de geslachten Blastophaga (vooral B. grossorum) en Sycophaga, voorts door eenige in hare larven als maden parasiteerende Vliesvleugeligen (Braconiden). De overwinterende Chalcididen-wijfjes leggen eieren in de vruchtbeginsels van de “mamme”; de hieruit voortkomende wespjes vliegen, met stuifmeel beladen, naar de “profichi”, veranderen ook van deze de vruchtbeginsels in gallen, welker wespjes de “mammoni” bezoeken; ook hier worden de meeste eitjes door galvorming bedorven, eenige evenwel ontwikkelen zich tot zaden, die voor kieming geschikt zijn. Bij den tammen vijgeboom zijn de bloemen zoozeer door de kultuur gewijzigd, dat de meeldraden bijna geen stuifmeel meer voortbrengen en de meeste vruchtbeginsels ongeschikt zijn om bevrucht te worden. Toch worden zijne 3 generaties van vijgen (“pedagnuoli”, “cimaruoli” en “fiori”) bezocht door de Insecten, die in de vruchten van den “caprificus” parasiteeren. Aan dit bezoek schrijft men een gunstigen invloed toe op de zoetheid en de saprijkheid der vijgen. Sinds onheugelijke tijden (vroeger echter meer dan nu) tracht men het te bevorderen door een bewerking, die “caprificatie” heet (en door vele onderzoekers doelloos wordt geacht); zij bestaat in het bevestigen van “caprificus”-vruchten op de takken van den tammen vijgeboom. Dientengevolge brengen de “pedagnuoli” soms rijpe zaden voort, die zich na uitzaaiing deels tot wilde, deels tot tamme vijgeboomen ontwikkelen.

De Hongerwespen (Evaniidae) maken een zonderlingen indruk door de bovenwaartsche richting van het achterlijf, dat met een dunnen steel opmerkelijk hoog aan de achterzijde van het borststuk is vastgehecht en bij deze afdeeling van den stam in ontwikkeling achterstaat. Deze wanverhouding, waaraan de familie haar naam ontleent, valt zeer sterk in ’t oog bij het typische, over alle werelddeelen verbreide geslacht Evania (Brachygaster), dat zich kenmerkt door een zijdelings samengedrukt, sikkelvormig gekromd achterlijf, welks lengte geringer is dan die van kop en borst te zamen genomen en geheel tusschen de lange, dunne, in ’t midden eenigszins gezwollen achterdijen verborgen kan worden. De larven van deze kleine wespjes parasiteeren in de eierenzakken en larven van Kakkerlakken (Blatta). Van eenige soorten althans is dit aangetoond, o.a. van de 3.5 à 4.5 mM. lange, zwarte Kleine Hongerwesp (Brachygaster minuta), die den kop en het borststuk sterk gestippeld, het achterlijf glad heeft, en, naar het schijnt, verder dan eenig ander lid harer familie noordwaarts verbreid is.

Op oude leemmuren, die den verzamelaar van Vliesvleugeligen steeds een rijken buit beloven, ziet men in den zomer, te midden van een groot aantal andere bewoners van zulke oorden, een slank diertje zich op zulk een zonderlinge wijze bewegen, dat het den opmerkzamen toeschouwer onmogelijk ontgaan kan. Als ’t ware dreigend wordt het achterlijf opgeheven, dat knotsvormig is, evenals de ver uiteenwijkende achterscheenen; zoo dartelt het Insect, flauw gekromde booglijnen volgend, dicht bij den muur langs en schijnt onvermoeibaar te zijn, daar men het slechts zeer zelden met opgeheven vleugels op hooge pooten eenige schreden ziet doen. Dit is de 10 mM. lange Jichtwesp (Foenus affectator), een parasiet van de Vliesvleugeligen, die in den muur wonen. Haar borst en haar achterlijf zijn zijdelings samengedrukt; de kleur is zwart, met roode vlekken op het achterlijf en aan de kniestreek van de achterpooten; de lengte van den legboor is ongeveer gelijk aan het vierde gedeelte van die van ’t achterlijf.—Een tweede, zeldzamere soort, de 14 mM. lange Pijldrager (Foenus jaculator), kenmerkt zich door de witte kleur van het wortelgedeelte van den scheen en den voet, althans van die der achterpooten; het achterlijf is in het midden rood en wordt door den legboor ver overtroffen in lengte.

De Braconiden (Braconidae) houden, wat lichaamsbouw betreft, het midden tusschen de Chalcididen en de Echte Sluipwespen, doch komen in levenswijze met beide overeen. Voor ’t meerendeel zijn zij van geringe grootte, 2¼ à 6½ mM. lang, slechts enkele bereiken een lengte van 13 mM. Het gemakkelijkst herkent men ze aan de vleugeladers, vooral hieraan, dat de voorvleugel slechts één terugloopende ader heeft. Bovendien zijn de 2e en de 3e achterlijfsring aan de rugzijde met elkander vergroeid, hetwelk vooral van belang is voor het herkennen van de ongevleugelde soorten, die ook in deze familie voorkomen, zij het dan ook veel minder talrijk dan bij de Chalcididen. De sprieten van de Braconiden zijn recht, draad- of borstelvormig en uit zulk een groot aantal leden samengesteld, dat men deze gewoonlijk niet telt.

Naar den bouw der monddeelen heeft men deze soortenrijke familie in drie groepen verdeeld. Bij de Geslotenmondigen (Clidostomi) is het kopschild afgerond, toegespitst of ondiep uitgesneden en kruisen de beide bovenkaken elkander, zoodat de mondopening er door bedekt wordt, of zich hoogstens als een smalle spleet vertoont.—Bij de Kringmondigen (Cyclostomi) blijft tusschen het van onderen diep uitgesneden kopschild (met naar binnen teruggeslagen bovenlip) en de bovenkaken (die zoo kort zijn, dat alleen de spitsen elkander aanraken) een half-kringvormige ruimte over.—Bij de Buitentandigen (Exodontes) zijn de bovenkaken zoo kort, dat zij elkander in ’t geheel niet raken, en bovendien als ’t ware verdraaid, daar beide haar gewelfde zijde naar den onderrand van den kop, de holle zijde naar buiten richten. Deze zoo slecht gewapende Braconiden leggen eieren in larven van Vliegen en Kevers.

Aan de boogvormig naar onderen gerichte sprieten, het lancetvormige achterlijf met duidelijken steel, waarvan het 2e en het 3e lid onderling niet vergroeid zijn, herkent men de kleine, hoogstens 2.4 mM. lange Bladluisdooders (Aphidius), die, evenals de vroeger genoemde Parasiet-galwespen van het geslacht Allotria, alle in Bladluizen leven en daarom het best door kweeking verkregen kunnen worden. De Bladluis, die een Aphidius-larve bevat, bezwijkt, zoodra deze tot rijpheid is gekomen en zit dan met zijwaarts gerichte pooten en met een bolvormig gezwollen, metaalachtig glinsterend achterlijf te midden van hare gave, ongevleugelde zusters. Een gat in haar lichaam, niet grooter dan een speldeprik, levert het bewijs, dat de Wesp de ledige huid van haar gastheer verlaten heeft.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

A. Wijfje van den Boschkleinbuik (Microgaster nemorum) vergroot volgens den daarnaast aangegeven maatstaf.—B. Larven van deze soort bij het verlaten van het lichaam van een Dennenspinnerrups. Ware grootte.

Andere Geslotenmondigen noemt men Kleinbuiken (Microgaster) wegens de kortheid van het zittende of bijna ongesteelde achterlijf; zij vormen het meest verbreide en soortenrijkste geslacht van de geheele familie en komen in de volgende opzichten overeen: de sprieten zijn plomp; de randader is voorbij de vleugelstip flauw en onduidelijk; het rugschild van het middelborststuk heeft geen scherpe, zijdelingsche groeven; het achterlijf is altijd korter dan het voorste deel van den stam, aan de buikzijde meestal naar de spits samengedrukt; bij het wijfje komt hier uit een wijde spleet de weinig uitstekende legboor te voorschijn.

Met uitzondering van 2 soorten, die Bladluizen en eieren van Spinnen bewonen, leven de Microgaster-maden in larven van Vlinders, meer in behaarde dan in naakte. Zij zelf dienen op haar beurt tot woonplaats aan kleine Pteromalinen. Zoodra de Microgaster-larven rijp zijn, verlaten zij haar gastheer door gaten, die zij in zijn huid knagen, en omgeven zich daarna onmiddellijk met een door haar gesponnen cocon. Niet zelden vindt men doode rupsen of Witjesvlinders of van Dennenspinners dicht bedekt met geelachtige cocons, die bij deze van Microgaster nemorum, bij gene van Microgaster glomeratus afkomstig zijn.

*

Tot de groep der Kringmondigen behoort het omvangrijke geslacht Bracon, waarvan alleen in Duitschland 200 soorten gevonden zijn; onder de kleine, parasitisch levende Wespen uit tropische gewesten, die in onze insectenverzamelingen voorkomen, zijn zij het sterkst vertegenwoordigd. Kenmerken van da Braconen zijn het zittende of bijna ongesteelde, elliptische of lancetvormige achterlijf, welks eerste ring korter is dan de 4 volgende te zamen genomen aangeduide inrichting van den mond. Roodachtige of gele tinten hebben meestal de overhand aan de pooten en het achterlijf, doch minder aan den kop; slechts bij weinige soorten is het geheele lichaam licht van kleur of zuiver zwart. Zeer dikwijls zijn ook de vleugels meer of minder sterk gekleurd, soms zelfs bijna zwart en bij uitheemsche soorten met helder gele vlekken of strepen geteekend. Naar het schijnt, parasiteeren de Braconen bij voorkeur in larven van Kevers, die ziek hout bewonen, zooals Bok-, Snuit- en Schorstorren; men ontmoet ze daarom het meest op oud hout, zoolang zij niet op bloemen bezig zijn honig te lekken.

Als voorbeeld noemen wij Bracon palpebrator, waarvan wij een groot aantal exemplaren verkregen uit dennenstammetjes, die sterk aangetast waren door de Rood-en-wit-bonte Dennensnuittor. De borst is op den rug glad en glanzig; zwart is de hoofdkleur; rood zijn de pooten, met uitzondering van de achterste, en het achterlijf, met uitzondering van een zwarte vlek op den eersten ring.

Spathius clavatus is een medebewoner van ons huis, voor zoover hier bepaalde soorten van Kevers voorkomen. Zijn larve parasiteert n.l. bij de Klopkevers, die in oud houtwerk, o.a. in oude meubels gangen boren, vooral bij Anobium striatum en misschien ook bij het Bonttorretje. Doe hem dus geen kwaad, wanneer hij zich tusschen Juni en Augustus op de vensterruiten vertoont!—Zijn grootte wisselt af tusschen 4½ en 8¾ mM. De kleur is grootendeels bruinachtig rood; de tasters, de heupen en een breede ring aan den wortel van den scheen zijn bruinachtig wit, de vleugels donker gevlekt. De legboor is langer dan het lichaam.

De Echte Sluipwespen (Ichneumonidae) onderscheiden zich van de vroeger genoemde parasitische Wespen door den bouw van de vleugels; in den voorvleugel hebben zij twee terugloopende aders; de Braconiden hebben er slechts één. Bovendien versmelt bij de Echte Sluipwespen altijd de voorste middelcel met de eerste onderrandcel; dikwijls is van de ader, die deze beide cellen scheidt, nog een klein takje over. In den voorvleugel komen dus voor: een vleugelstip, een randcel, 3 onderrandcellen (of slechts 2, indien de middelste, de zoogenaamde spiegelcel, vervalt) en 2 middelcellen. Een ander kenmerk leveren de veelledige, rechte sprieten. Geen enkele Sluipwesp gonst bij ’t opvliegen of bij ’t gaan zitten; zonder gedruisch nadert zij haar slachtoffer; alleen van de grootste soorten hoort men soms een eenigszins krakenden vleugelslag.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Spathius clavatus. Een weinig vergroot.

Vroeger hebben wij reeds de aandacht gevestigd op verschillende gevallen, die zich bij het parasitisme kunnen voordoen. Dat de dood van den gastheer eerst plaats vindt, als de parasiet hem niet meer noodig heeft, staat in verband met de wijze, waarop deze zich voedt. Men onderstelt, dat het eerste voedsel van de Sluipwesp-made bestaat uit het “vetlichaam”, een vlokkig, meestal wit gekleurd weefsel, dat tusschen de verschillende inwendige organen van het insectenlichaam ligt en vermoedelijk een bergplaats is van reserve-stoffen. Alle edelere deelen, die voor het leven van den gastheer onmisbaar zijn, blijven gespaard, zoolang de parasiet nog niet zijn vollen wasdom bereikt heeft.

Om een overzicht te verkrijgen van het heirleger van soorten, waaruit deze familie bestaat, heeft men haar in 5 onderfamiliën verdeeld, die door overgangen gedeeltelijk onderling samenhangen, hoewel hunne typische representanten zeer duidelijk van elkander verschillen.

Als de kern van de familie, de vereeniging van hare edelste vertegenwoordigers, kan men de Ichneumonen (Ichneumones) beschouwen. De steel, die het van boven naar beneden platgedrukte, lancetvormige achterlijf met het borststuk verbindt, is op zulk een wijze gebogen, dat het achtereinde van den eersten ring en alle volgende leden van het achterlijf hooger geplaatst zijn dan de wortel van den steel. De ademgaten van het eerste segment zijn achter het midden van den steel en niet nader bij elkander dan bij het achterste uiteinde van den ring gelegen. De legboor kan meestal volkomen in het lichaam verborgen worden. De spiegelcel is vijfhoekig. De sprieten zijn bij het mannetje altijd borstelvormig, bij het wijfje soms draadvormig. Tot de Ichneumonen behooren de bontst gekleurde Sluipwespen; de wijfjes tooien zich met rood, zwart en wit (of geel); in geen familie vindt men even zuivere kleuren als in deze en een grooter verschil van kleur tusschen de mannetjes en wijfjes. De larven, voor zoover bekend, onderscheiden zich door een zekere fletschheid; zij spinnen geen cocon, daar groote vlinderpoppen haar tot woonplaats dienen. Door deze te bewaren, kan men de Wesp verkrijgen, die zich een weg baant naar buiten door het bovenste deel van de pophuid weg te knagen. Daarom legt het wijfje in iedere rups slechts één ei.

De Cryptiden (Cryptidae) kunnen den legboor niet geheel terugtrekken; een deel van dit orgaan treedt nog in den rusttoestand door een spleet aan de buikzijde van ’t achterlijf naar buiten; de ademgaten van het eerste achterlijfssegment zijn dichter bij elkander dan bij het uiteinde van dit segment gelegen. De eenige Echte Sluipwespen zonder of met rudimentaire vleugels vormen het geslacht Pezomachus; voor ’t meerendeel zijn zij zeer klein en parasiteeren bij andere Sluipwespen.

De Pimplariën (Pimplariae) kenmerken zich over ’t algemeen door een zittend, van boven naar beneden samengedrukt achterlijf, welks eerste lid niet gebogen is en op of voor het midden ademgaten heeft; de legboor steekt dikwijls zeer ver achter het lichaam uit. In den regel is de spiegelcel driehoekig; soms ontbreekt zij geheel.

De Sikkelwespen (Ophionidae) hebben aan het zijdelings samengedrukte achterlijf een meestal rechten steel en een weinig naar buiten tredenden legboor. De spiegelcel is driehoekig of ontbreekt.

Van de Tryphoniden (Tryphonidae) kan men eigenlijk geen andere kenmerken opgeven dan dat deze Echte Sluipwespen tot geen der vier vorige onderfamiliën behooren.

Een der meest gewone soorten van Tryphoniden is de 11 mM. lange Tryphon (Exenterus) marginatorius, kenbaar aan den gelen achterrand der achterlijfsringen, aan de veranderlijke gele teekening op den kop en het borststuk (welker overigens zwarte oppervlakte door rimpeltjes oneffen is) en aan het volkomen ontbreken van een einddoorn aan den gelen, van onderen zwarten achterscheen. Deze Sluipwesp vliegt bij voorkeur in dennebosschen rond, en legt op de bastaardrups van de Gewone Dennenbladwesp (Lophyrus pini) een ei, dat aan de huid door tusschenkomst van een haakje bevestigd wordt. Het slachtoffer, dat zich tevergeefs door krachtige bewegingen tegen den vijand heeft verzet, spint weldra een tonvormige cocon om hierin te overwinteren, alsof er niets gebeurd is. De parasitische made, die nu het ei verlaat, blijft buiten op de rups zitten en zuigt haar volkomen uit; zij laat van haar gastheer niets anders over dan de verschrompelde huid, die een klein hoekje beslaat van de cocon, waarbinnen de indringer zelf een spinsel vervaardigt, dat slechts de helft van de beschikbare ruimte vult.

Het geslacht Bassus onderscheidt zich door den nagenoeg vierzijdigen vorm van het segment, waardoor het korte, eivormige achterlijf aan het borststuk bevestigd is.

Bassus albosignatus heeft geen lange ontdekkingsreis te doen voor het opsporen van een geschikte legplaats voor hare eieren, maar vindt deze bij het azen op het zoete vocht, dat de Bladluizen uitscheiden, in de Bladluizen-etende, op kleine Bloedzuigers gelijkende maden van Zweefvliegen (Syrphus). De made, die zulk een ei met zich omdraagt, schijnt zich hierover niet veel te bekommeren; zij blijft vreten, totdat zij groot genoeg geworden is om zich in te spinnen. Uit haar peervormige cocon, die in overlangsche richting aan een denne- of sparrenaald, aan een breed blad, of aan een ander plantendeel is vastgehecht, komt echter geen Vlieg, maar een Wesp te voorschijn. Deze is 5.2 à 8.6 mM. lang en op zwarten grond met vele witte vlekken en ringen geteekend.

Een andere soort heeft ongeveer dezelfde levenswijze, daar zij eieren legt in larven van Lievenheersbeestjes (Coccinella), die zich eveneens met Bladluizen voeden.

*

Verreweg de meeste Sikkelwespen (Ophionidae) dragen met volle recht dezen naam, daar haar achterlijf van voren tot een steel versmald is en naar achteren allengs in breedte toeneemt.

Bij boomen en struiken, vooral in bosschen, ziet men de Dennenspinner-sikkelwesp (Anomalon circumflexum) met hare talrijke verwanten, die bijna hetzelfde uiterlijk vertoonen, op zeer bevallige wijze zweven. Evenals deze, houdt zij zich bezig met tusschen de bladen te zoeken naar de rups, die aan één harer jongen kost en inwoning zal verschaffen. Uit het ei, dat zij in de rups legt, komt een 2.25 mM. lange made (fig. 1), die niet veel dikker is dan een paardehaar; zij heeft een bruinen, hoornachtigen kop en een langen staart. In een volgend ontwikkelingstijdperk is zij breeder, maar tevens door het allengs verdwijnen van den staart korter geworden. In een derde stadium (fig. 3) komen volledig vertakte luchtbuizen, maar nog geen ademgaten voor. Ook de monddeelen zijn nu compleet, daar bij de reeds vroeger aanwezige bovenkaken zich onderkaken en onderlip hebben gevoegd, waaruit gelede tasters zijn ontsproten; ook de sprieten beginnen zich te vertoonen. Nog iets later (fig. 4) verkeert de larve in den toestand, waarin men de andere parasitische larven kent. Haar kop is thans betrekkelijk klein, voor ’t zuigen goed geschikt; de staart is verdwenen. Naar het schijnt, houdt het dier zich nu minder met het opnemen van voedsel bezig dan met het behouden van zijn plaats in de meer en meer verkwijnende rups, die zich oogenschijnlijk op normale wijze ontwikkelt, groeit, vervelt, winterslaap houdt (indien het een Dennenspinner-rups is), nogmaals van huid verwisselt, een cocon spint en in den poptoestand overgaat, terwijl in de Sluipwesp-larve de reeds genoemde veranderingen tot stand komen. Deze verkrijgt eerst nu de in fig. 5 voorgestelde gedaante, d.w.z., zij verandert eveneens in een pop. In Mei of Juni heeft de laatste gedaantewisseling plaats en baant de Wesp zich met de kaken een weg door hare omkleedsels. De kop, het borststuk, de spits van het achterlijf, de heupen en de uiterste gedeelten van de achterscheen en de achterdij zijn zwart; de overige lichaamsdeelen, waarbij ook de binnenrand van de oogen, de tasters en het schildje, hebben een geelroode kleur, die aan de voeten het lichtst is; de sprieten zijn bruinachtig rood.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1–6 Dennenspinner-sikkelwesp (Anomalon circumflexum): 1–4) Opeenvolgende ontwikkelingsphasen van de made.—5) Pop.—6) Vrouwelijke wesp. (Fign. 1, 2, 3 en 5 vergroot)—7, 8) Ophion undulatus: 7) Wijfje. 8) Cocon. [Op de bloemen: rupsen van den Wolkzuidvlinder(Cucullia verbasii).]

Een groot aantal leden van dezelfde onderfamilie komen door houding en kleur met de genoemde soorten zoo zeer overeen, dat een ongeoefende allicht geneigd zal zijn ze voor gelijksoortig te houden; overal ontmoet men leemkleurige Sikkelwespen, die met bovenwaarts gerichte vleugels op struiken, heggen en bloemen rondwandelen of langzaam, als ’t ware tuimelend, soms met hoorbaar gonzenden vleugelslag, wegvliegen om in de onmiddellijke nabijheid op eenigszins plompe wijze weder neer te strijken en hier te zoeken naar hetgeen zij ginds niet vonden. Hoewel deze Insecten in vorm met Anomalon overeenstemmen, blijkt het bij nader onderzoek, dat zij tot andere geslachten behooren en wel vooral tot Ophion (fign. 7 en 8) en Paniscus, die o.a. merkwaardig zijn, doordat hare eieren een steel bezitten. Dikwijls ziet men één van deze eieren of verscheidene, die trosvormig dicht opeengedrongen zijn, aan de spits van het achterlijf van de vrouwelijke Wesp hangen; door haar vorm en glanzig zwarte kleur gelijken zij wel eenigszins op zaden van sommige planten, o.a. op die van den bekenden kattestaart (Amarantus).

*

In 1829 gaf Gravenhorst een beschrijving van 274 soorten van het geslacht Ichneumon, die in Europa, en voor ’t meerendeel in Duitschland, gevonden worden; hierbij zijn er echter niet weinige waarvan men alleen het wijfje of alleen het mannetje kent. De grootste en schitterendst gekleurde soorten van Sluipwespen behooren tot deze groep: rood, geel, wit en zwart prijken op haar kleed. Door samenvoeging van deze weinige kleuren ontstaat de groote verscheidenheid van teekening, die men bij de Ichneumonen opmerkt; in den regel is het wijfje bonter uitgedost dan het mannetje; dit verschil maakt het soms zeer moeielijk te ontdekken, dat zij tot één soort behooren. De wijfjes kunnen als zoodanig gemakkelijk herkend worden aan hare min of meer knobbelige, na den dood altijd eenigszins gekronkelde, draad- of borstelvormige sprieten, slechts in enkele gevallen aan de nauwelijks merkbare scheede van den legboor. Met uitzondering van eenige onder mos of in vermolmd hout overwinterende soorten, die zich reeds in ’t voorjaar vertoonen, krijgt men de Ichneumonen niet vóór Juni te zien. Met plat op den rug gelegde vleugels loopen zij dan snuffelend rond op bladen van struiken, waar men ze soms in grooten getale bijeenvindt, als de Bladluizen er haar zoet uitscheidingsproduct hebben achtergelaten, of als hier de woonplaats is van rupsen, waarin zich de Sluipwespmaden ontwikkelen. Een klepperend en rammelend gedruisch kan men hooren op zulke vergaderplaatsen van allerlei Ichneumonen en andere Sluipwespen, waar men gewoonlijk ook Graafwespen en niet minder veelvuldig Vliegen en dergelijk gespuis ziet verschijnen. Een merkwaardig schouwspel verschaft dit bonte mengelmoes van lekkerbekken en roovers, zoo verschillend van aard en beweging, waarvan sommige licht en vlug, andere plomp en log, deze schroomvallig, gene onvervaard hun deel trachten te verkrijgen van den hier aanwezigen buit.

De afbeelding van Ichneumon pisorius (fig. 1), een van de grootste soorten, kan een voorstelling geven van het voorkomen van het geheele geslacht, terwijl men uit de daaronder liggende, van haar kruin beroofde, ledige pophuid van den Dennenpijlstaart kan zien, op welke wijze deze Insecten hun geboorteplaats verlaten. Tot nadere aanduiding van de genoemde soort kan dienen, dat de achterlijfssteel niet breeder is dan hoog; het achterlijf, dat uit 7 leden bestaat, loopt bij het wijfje spits toe; de buikplaat van het laatste segment is op eenigen afstand van de aanhechtingsplaats van den legboor gelegen; de ademgaten van het achterborststuk zijn langwerpig spleetvormig; de rugzijde van kop en borststuk hebben geen bijzondere eigenaardigheden. Bij het wijfje zijn het schildje en een streepje aan iederen vleugelwortel geel; het met putjes bezette en hierdoor doffe achterlijf is, met uitzondering van het bruine steellid, bleek roestrood. Bij het mannetje zijn het geheele aangezicht en het grootste deel van de pooten geel, bij het wijfje alleen de bovenrand van het oog en het midden van de scheen; bovendien hebben hare sprieten een witten ring. De niet genoemde lichaamsdeelen zijn zwart. Yan Juni af zwerft Ichneumon pisorius in gemengde naaldhoutbosschen rond. Door opgewektheid en vroolijkheid toont dit Insect zich bewust van het overwicht, dat zijn meerdere grootte hem boven zijne verwanten verschaft. Gedurende het vliegen veroorzaken zijne wijngele vleugels een duidelijk waarneembaar, gonzend gedruisch. Het wijfje steekt met haar legboor groote pijlstaartrupsen, vooral die van Dennenpijlstaarten, welke in het door haar bewoonde gebied meestal niet zeldzaam zijn; in iedere rups legt zij echter slechts één ei.

*

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Ichneumon pisorius, mannetje; daaronder de ledige pophuid van den Dennenpijlstaart (Sphinx pinastri), waaruit deze Sluipwesp voortgekomen is.—2) Cryptus tarsoleucus, mannetje.—3) Mesostenus gladiator, wijfje.—4) Ephialtes manifestator, mannetje en eierleggend wijfje. Ware grootte.

De natuurlijkste overgang van de Ichneumonen tot de Cryptiden wordt gevormd door het geslacht Phygadeuon, dat grootendeels uit kleine, gedrongen gebouwde Wespen bestaat. Een van de grootste en meest verbreide soorten is Phygadeuon pteronorum (6.5 à 8.75 mM. lang), een gewone parasiet in de tonvormige cocons van de reeds dikwijls genoemde Dennenbladwesp (Lophyrus pini).

Het in alle werelddeelen vertegenwoordigde geslacht Cryptus verschilt van Ichneumon door den bij ’t wijfje steeds zichtbaar naar buiten tredenden legboor, door de meestal naar een vierhoek zweemende spiegelcel en door de zeer onvolkomen verdeeling van het rugschild van het achterborststuk door twee dwarslijsten. Het mannetje (fig. 2) is slanker van gestalte dan het wijfje.—Cryptus tarsoleucus dankt zijn naam aan de witte kleur van eenige leden der achtervoeten, die men echter ook bij andere soorten aantreft. Cryptus parasiteert vooral bij Spinnen en Bladwespen.

Mesostenus gladiator (fig. 3) heeft een zeer langen legboor; het rugschild van het achterborststuk is ongedoornd en door ineenvloeiende putjes zeer oneffen. Deze groote Wesp vliegt in Juni en wordt veelvuldig op oude muren aangetroffen; vermoedelijk legt zij hare eieren in de larven van de hier wonende Graafwespen of Bijen.

*

Men zou de Cryptiden “Staartwespen” met gesteeld achterlijf kunnen noemen; in dit geval komt aan de Pimplariën den naam “Staartwespen” met zittend achterlijf toe. De legboor van het wijfje, die den indruk wekt van een staart, komt bij eenige geslachten uit een spleet aan de buikzijde, bij andere uit de spits van het achterlijf te voorschijn en bereikt bij deze soms het drievoud van de lichaamslengte. Het geslacht Rhyssa overtreft in dit opzicht alle leden der onderfamilie, terwijl het, wat grootte betreft, aan de spits van de geheele familie staat. Bij eenige Noord-Amerikaansche soorten heeft het wijfje een lichaamslengte van 35 mM. en bovendien een legboor, zoo dik als een paardehaar, die 104 mM. lang is; de totale lengte van dit Insect komt dus overeen met ⅔ van de lengte van het bedrukte deel dezer bladzijde. In onze naaldhoutbosschen komt een soort voor, die bij de bedoelde Noord-Amerikaansche weinig achterstaat in lichaamslengte, daar zij 28 cM. lang is, zonder den dubbel zoo langen legboor. Deze “Pijpdoorsteker”, zooals een insectenverzamelaar Rhyssa persuasoria placht te noemen, heeft den kop, het borststuk en het middengedeelte van het achterlijf met witte vlekken op zwarten grond geteekend; de pooten zijn roodachtig geel. Hare maden leven parasitisch in de larven van Houtwespen (Sirex), die diepe gangen boren in stammen van naaldboomen. Het eierenleggende wijfje kan de legboor tot aan den wortel, dus ongeveer 6 cM. diep, in gaaf hout steken en de hier verborgen larve treffen.

Het soortenrijke geslacht Ephialtes heeft niet, gelijk Rhyssa, het middelste, maar het achterste borstsegment aan de rugzijde van dwarse rimpels voorzien, het andere daarentegen glad. Beide geslachten komen overeen door den langwerpigen vorm der achterlijfsleden, de groote lengte van den legboor en de kleur der pooten. Evenals bij vele andere Sluipwespen, verschilt de lengte bij leden van dezelfde soort naar gelang van de grootte der larve, waarin zij parasiteerden. Ephialtes manifestator (fig. 4) kan 35 mM. lang worden; de legboor steekt ongeveer even ver achter de spits van het achterlijf uit, maar is langer dan ’t lichaam, daar zijn wortel in een spleet aan den buik verborgen is. Na den langsten dag ziet men de soorten van dit geslacht in de bosschen rondzwerven en op boomstammen zitten, vooral op zulke, waarin boorgaten voorkomen; deze moet het wijfje, naar het schijnt, met den legboor volgen. Waarschijnlijk is het haar niet mogelijk dit werktuig in het harde hout te doen doordringen en aan de hierin levende larven de verzorging van hare jongen op te dragen; terwijl de Rhyssa-wijfjes, die zachtere houtsoorten opzoeken, geen boorgat noodig hebben om haar doel te bereiken. Zeer oplettend onderzoekt het Ephialtes-wijfje elk plekje met de vooruitgestoken sprieten, welker spits zij boogvormig naar beneden kromt, besnuffelt iedere opening en verdiept zich zoozeer in dezen arbeid, dat de aanwezigheid van een toeschouwer het schuwe dier niet op de vlucht drijft. Wanneer eindelijk de geschikte plaats gevonden is, wordt het achterlijf hoog opgeheven, zoodat het dier letterlijk op den kop staat, de legboor in de gang gestoken en voorzichtig tot aan de larve voortgeschoven, waarbij de spits van het achterlijf langzamerhand daalt en de scheede van den legboor loodrecht omhoog gericht blijft. Dezen stand behoudt de Wesp, tot het ei gelegd is; zoolang dit duurt, verkeert zij in volkomen weerloozen toestand, daar zij zichzelf vastgehecht heeft. In ’t volgende jaar is haar larve volwassen en spint een rolronde, zwarte cocon; de Wesp doorknaagt deze en gebruikt het boorgat van zijn gastheer om buiten te komen.

Een van de algemeenste Sluipwespen en tevens een van de grootste inheemsche leden der onderfamilie, wanneer zij gedurende haar ontwikkeling over een overvloed van voedsel kon beschikken, is Pimpla instigator, zwart van kleur, behoudens de scheen en de voet van de 4 voorste pooten, en de scheen van de achterpooten, die helder geelrood zijn. De reden van de algemeenheid dezer soort en van het afwisselen der grootte harer leden van 11 tot 19.5 mM., is gelegen in de gewoonte van het wijfje om met de verzorging van haar kroost een groot aantal rupsen van zeer verschillende soorten van Vlinders te belasten; in den regel prest zij rupsen van Spinners voor deze taak. Daar zij alle rupsen van dit slag, die in onze tuinen schade aanrichten, en vele van de meest beruchte boschbedervers, zooals de rups van den Nonvlinder (Ocneria monacha), de Processie-rups en de Dennenspinner-rups voor haar doel geschikt acht, ontmoet men deze zwervelinge overal. In den regel ziet men haar met eenigszins opgeheven vleugels rondwandelen op boomstammen, heggen, leemwanden, kortom op alle plaatsen, waar zij een buit kan vinden. Voordat de rustig grazende rups gevaar vermoedt, treft haar de legboor; in den kortst mogelijken tijd glijdt, ondanks alle afwerende bewegingen, het ei door den korten eileider en dringt in haar lichaam door. Half springend, half vliegend is de onheilstichter in ’t zelfde oogenblik al weer verdwenen, met het doel om haar snood bedrijf in de onmiddellijke nabijheid voort te zetten. Zelfs de spinne-eieren zijn in hare zijden nestjes niet veilig voor de aanslagen van deze Wespen.

Het geslacht Pimpla, dat (evenals Ephialtes) in tal van soorten over de geheele wereld verbreid is, onderscheidt zich door een meer gedrongen lichaamsbouw: de achterlijfsleden zijn, althans bij ’t wijfje, steeds breeder dan lang; de legboor bereikt slechts zelden de lengte van het achterlijf.

Niet zelden merkt men aan de toppen der twijgen van jonge dennen een uitzweeting van hars op. Ten onrechte heeft men deze producten “harsgallen” genoemd, daar zij niet door woekering van het celweefsel van de plant ontstaan, maar door de werkzaamheid van een in ’t jonge hout borende rups, die een harsachtig vocht doet uitvloeien, dat, aan de lucht blootgesteld, verhardt. De hierdoor gevormde knobbels, welke mettertijd de grootte van walnoten bereiken, bevatten de rups en later de pop van een sierlijk vlindertje (Retinia resinella), dat tot de familie der Bladrollers (Tortricina) behoort. In de lente van het tweede jaar van hun bestaan moet men deze “gallen” inzamelen om het Insect op te kweeken; dikwijls echter ziet men in plaats van den Vlinder een zwarte Pimplariër van nauwelijks 8.75 mM. lengte—Glypta resinanae—uit den knobbel te voorschijn komen. In den zomer klautert dit wespje tusschen de dennenaalden rond; het behoeft waarschijnlijk geen andere verblijfplaats op te zoeken, daar hier, zooals bekend is, genoeg Bladluizen voorkomen, welker uitwerpselen gretig worden opgelekt. Het wijfje onderzoekt nauwkeurig iedere jonge “harsgal” en weet zeer goed de hierin verborgen rups te treffen. Deze blijft den geheelen winter door leven met den kiem des doods in ’t lichaam; in de lente echter bevat haar woonplaats geen zwart vlinderpopje, maar een cocon van lichte kleur, waaruit weldra de Sluipwesp ontwijkt.

De Plantenetende Wespen (Hymenoptera phytophaga) verschillen in den imago-toestand van alle overige Vliesvleugeligen door het aangegroeid zijn van ’t achterlijf en door het grooter aantal cellen in den voorvleugel, waarvan vooral de zoogenaamde lancetvormige cel vermelding verdient. Als larven onderscheiden zij zich van alle overige leden der orde door de grootere zelfstandigheid, waarmede zij optreden bij het eten van levende plantendeelen: de meeste leven vrij op de plant, eenige in gangen, die zij boren. De bovenstaande naam heeft uitsluitend betrekking op de larven, daar alle Vliesvleugeligen in den imago-toestand hoofdzakelijk zoete stoffen gebruiken, geen bladen of hout eten.

De kop staat in den regel dicht voor de borst en is (behoudens eenige uitzonderingen) van bijoogen, 6- (of 7-) ledige kaaktasters en 4-ledige liptasters voorzien. De sprieten zijn niet gebroken, bij de meeste draad- of borstelvormig, gelijk in de geheele orde regel is; vooral als tooi van de mannetjes treft men ook andere vormen aan. Het achterlijf is gemiddeld dubbel zoo lang als de borst, bij het mannetje een weinig platgedrukt, bij het wijfje meestal rolvormig. Aan de buikzijde ziet men de tweekleppige scheede van den legboor, die op een mes, een schrobzaag, een vijl of een rasp gelijkt. Met alle overige legboordragende Vliesvleugeligen hebben deze Wespen den tweeledigen dijring gemeen.

De larven van de Echte Galwespen zijn de eenige tot dusver behandelde Vliesvleugeligen, die plantaardig voedsel direct aan de plant ontleenen; als volkomen zelfstandige wezens kan men ze echter niet beschouwen, daar zij in gallen wonen en de gelegenheid missen om zich vrij te bewegen. Ook bij de Plantenetende Wespen komen borende larven voor; ook deze genieten meer vrijheid dan de galbewoners, daar zij aan hare gangen iedere gewenschte richting kunnen geven. De borende larven zijn voor ’t meerendeel Houtwespen en hebben in dit geval 6 duidelijk waarneembare, soms echter rudimentaire pooten; enkele larven van Bladwespen, kenbaar aan haar grooter aantal pooten, hebben een soortgelijke levenswijze.

Verreweg de meeste larven van Bladwespen leven vrij op bladen, zelfstandiger dus dan alle overige larven van Vliesvleugeligen. Daar zij door hare bonte kleuren op rupsen van Vlinders gelijken, en er door onkundigen dikwijls mede verward worden, geeft men haar den naam van bastaardrupsen. Meestal gezellig zitten zij in den toestand van rust spiraalsgewijs opgerold op of onder een blad. Het eten geschiedt schrijlings zittend op den rand van het blad, die door haar op een zeer eigenaardige wijze omzoomd wordt, wanneer verscheidene zich op één blad bevinden. Ook hebben vele de zonderlinge gewoonte om het achterlijf in den vorm van een vraagteeken op te heffen en regelmatig op en neer te bewegen, zoodra één van haar begonnen is de maat te slaan. Met uitzondering van het 4e en dikwijls ook van het voorlaatste lid van den romp, draagt elk segment één paar korte pootjes; alleen de 3 voorste paren (de borstpooten) zijn hoornachtig, in leden verdeeld en van een klauw voorzien; de overige gelijken op vleeschknobbeltjes of wratten, die ingetrokken en uitgestulpt kunnen worden. Door de genoemde gewoonten en door het aantal pooten (20 of 22) verschillen de bastaardrupsen van de rupsen der Vlinders, die nooit meer dan 16 pooten hebben. Bij oppervlakkige beschouwing schijnt haar huid naakt; hoewel men er bij nader onderzoek een dun haarkleed en dikwijls ook duidelijke doorntjes op ziet, is zij echter nooit zoo dicht behaard als bij vele echte rupsen. Zij is getooid met heldere kleuren; deze zijn niet talrijk; de gewone teekening bestaat uit donkere vlekken op lichten grond. De bastaardrupsen hebben enkelvoudige oogen en kleine sprieten; zij verwisselen herhaaldelijk van huid, en veranderen daarbij soms niet slechts van kleur, maar ook van vorm.

De larven van de meeste soorten verlaten, zoodra zij volwassen zijn, haar voederplant en spinnen in of op den grond, onder afgevallen bladen of te midden van het mos, soms ook aan den stengel van andere planten een tonvormige, meestal perkamentachtige, soms echter zachtere cocon, waarin zij ineengekrompen en bewegingloos den winter doorbrengen en eerst kort voor het uitvliegen van de Wesp in een vrije pop veranderen. Sommige soorten brengen ieder jaar 2 of meer generaties voort; de ontwikkelingsduur van de zomergeneratie is in dit geval zeer kort; bij andere soorten wordt voor de volledige reeks van gedaantewisselingen een vol jaar of meer vereischt.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Gewone Houtwesp (Sirex juvencus); wijfje, larve en pop; ware grootte.—2) Gewone Halmwesp (Cephus pygmaeus); twee roggehalmen zijn geopend voorgesteld, om de larve te toonen.—3) Pachymerus calcitrator, een in de Halmwesp parasiteerende Sikkelwesp.—4) Larve van Cephus vergroot volgens den daaronder aangeduiden maatstaf; daarnaast een pop (ware grootte) op haar gewone rustplaats.

Men verdeelt de Plantenwespen in 2 familiën: de Houtwespen en de Bladwespen.

De familie der Houtwespen (Xylophaga, Uroceridae) omvat slechts een gering aantal geslachten en soorten, die hoofdzakelijk Europa en Noord-Amerika bewonen. Van de Bladwespen verschillen zij door het bezit van slechts één doorn aan het einde der voorschenen. De legboor van het wijfje steekt meestal voorbij de spits van het langwerpige achterlijf uit en is van een zaagvormigen toestel voorzien. De larven, die in plantenstengels, vooral in hout leven, hebben een hoornachtigen kop zonder oogen en zeer korte sprieten, maar met krachtige kaken, een geelachtig witte kleur, 3 paar kleine (soms rudimentaire) of in ’t geheel geen pooten aan de borst, geen pooten aan ’t achterlijf.

De Gewone Houtwesp of Dennen-houtwesp (Sirex juvencus, fig. 1) vertoont zich in Juni, Juli, hoogstens nog in Augustus, zelden later, in sommige jaren bijzonder talrijk; er zijn echter volstrekt geen regelmatige perioden in deze veelvuldigheid op te merken. Eigenaardige kenmerken van dit geslacht leveren: het skelet van het voorste borstsegment, welks beide halve ringen (rugschild en borstschild) ten opzichte van elkander verschoven kunnen worden,—het rugschild van het achterborststuk met zijne twee op ademgaten gelijkende, spleetvormige openingen,—de monddeelen door het ontbreken der kaaktasters en door 2- of 3-ledige liptasters. Het achterlijf eindigt in een doorn, die reeds bij de larve aangeduid is en o.a. aan de Wesp goede diensten bewijst bij het verlaten van den door haar als larve geboorden gang; de scheede van den legboor ligt er van onderen dicht tegen aan. Het wijfje van de genoemde soort is staalblauw met geelachtig roode pooten (te beginnen bij de zeer korte dijen) en gele vleugels. Het mannetje verschilt aanmerkelijk van zijn wederhelft: een breede, geelbruine gordel omgeeft zijn achterlijf; de breede achterscheenen en -voeten zijn even donker van kleur als het overige lichaam. Gemiddeld is het wijfje 26 mM., het mannetje slechts half zoo lang. De kaken van de larve zijn symmetrisch.

Het achterlijf van de Reuzen- of Sparrenhoutwesp (Sirex gigas) is grootendeels geel, bij het mannetje aan de spits zwart, bij het wijfje met een kort achter het voorste einde beginnenden, zwarten gordel geteekend; de kop en de borst zijn dofzwart; de ver uitpuilende wangen en de sprieten zijn geel, evenals alle pooten. Men vindt deze soort in streken, waar sparren groeien, omdat hare larven bij voorkeur deze naaldboomen bewonen.

Beide Wespen leven slechts korten tijd en verschijnen nu eens vroeger, dan weer later, niet dikwijls echter vóór het einde van Juni. Uitgezonderd de jaren waarin zij buitengewoon veelvuldig zijn, krijgt men ze nagenoeg niet te zien, want zij houden zich tamelijk goed verborgen op den stam of in de kroon der door hen bezochte boomen. Hun luid gebrom gedurende het vliegen gelijkt eenigszins op dat van een Paardewesp en staat naar alle waarschijnlijkheid in nauw verband met de twee spleten op het achterborststuk. Het ei wordt 18 cM. diep in een gaven boomstam gelegd. De gekronkelde gangen, die de voortdurend dieper doordringende larve in het hout knaagt, worden, daar zij in omvang toeneemt, steeds wijder en kunnen ten slotte een middellijn van meer dan 4.5 mM. bereiken. Zij zijn met houtspaantjes en uitwerpselen gevuld. Het is gebleken, dat de larve soms eerst na verscheidene jaren volwassen is. Zij knaagt, om zich voor den poptoestand een rustplaats te bereiden, het uiteinde van haar gang een weinig dieper uit en vervaardigt een hier aanvangende gang, die zich tot dicht bij de oppervlakte van den stam uitstrekt, om aan de Wesp het verlaten van het hout gemakkelijk te maken. Vooral de larve van de Sparrenhoutwesp komt dikwijls met het timmerhout in woningen. Bechstein verhaalt, dat in Juli 1798 in de boekdrukkerij te Schnepfenthal gedurende 10 opeenvolgende dagen iederen morgen een groot aantal gele Houtwespen uit de pas gelegde vloer te voorschijn kwamen en bij de vensterruiten langs fladderden. In het huis van een koopman te Schleusingen vertoonden zich in Juli 1843 een menigte van dezelfde Wespen; deze waren echter afkomstig uit een balklaag onder de vloer, die in ’t vorige jaar vernieuwd was; zij hadden zich dus ook door de planken een weg moeten banen. Te Bautzen kwamen in Augustus 1856 eveneens uit de balklaag onder een vloer 60 à 80 exemplaren van de Gewone Houtwesp te voorschijn. Daar het huis al sedert 2½ jaar voltooid was en de eieren in het hout gelegd moeten zijn, toen de balken in de open lucht lagen, heeft het waarschijnlijk ongeveer 3 jaren geduurd, voordat deze kiemen als Wespen de planken doorboorden. Dergelijke feiten heeft men ook waargenomen in mijnen; hier speelden de gevleugelde Insecten vervolgens de rol van berggeesten en doofden de lampen der mijnwerkers uit. Het is voorgekomen, dat deze dieren, om hun streven naar vrijheid te bevredigen, behalve het hout, ook de looden platen, waarmede het bekleed was, doorknaagden. Te Nuszdorf hebben gele Houtwespen herhaaldelijk gaten gemaakt in de looden kamers van de zwavelzuurfabrieken; later geschiedde dit ook te Freiberg door de staalblauwe soort. Uit de genoemde voorbeelden blijkt, hoe lastig deze insecten soms kunnen zijn, hoewel zij in den gevleugelden toestand in hun gewone omgeving aan de boomen geen schade meer toebrengen.

De Gewone Halmwesp (Cephus pygmaeus, fig. 2) bezoekt van Mei af boterbloemen, duizendblad en andere bloeiende planten, die aan akkerranden en slootkanten hun bonten tooi verschaffen. Bij warm, zonnig weer ziet men haar bedrijvig van de eene bloem naar de andere vliegen en honig lekken; als de lucht bewolkt is, zit zij stil of beweegt zich weinig. Dit 9 mM. lange wespje herkent men zonder moeite aan het zwarte, met veel geel geteekende lichaam, uit welks zijdelings samengedrukt achterlijf bij het wijfje een korte, naar boven gerichte legboorscheede te voorschijn komt, en aan de eenigszins knotsvormige sprieten op den bijna bolronden kop. De voorvleugel kenmerkt zich door 2 rand- en 4 onderrandcellen. Hoe onschuldig deze wespjes ook schijnen, hunne larven (fig. 4) zijn schadelijk voor de rogge- en soms, doch minder dikwijls, ook voor de tarweakkers, in welker nabijheid men daarom de meeste kans heeft het gevleugelde dier aan te treffen. Het wijfje legt slechts één ei in iederen halm, in een gat, dat zij in een van de bovenste knoopen boort. Voor ieder van de 10 à 15 eieren, die zij voortbrengt, wordt deze arbeid verricht. Ongeveer 10 dagen later verlaat de larve de eischaal en begeeft zich onmiddellijk in het naburige holle lid van den halm. Hier voedt zij zich met de spaantjes, die zij losknaagt van de binnenste oppervlakte der haar omgevende buis, doorboort het in den knoop aanwezige schot en kruipt in haar nauwe woning op en neer. Als de oogsttijd gekomen is, heeft zij haar vollen wasdom bereikt, daalt af naar het onderste uiteinde van den halm en spint zich hier een zijden hulsel. In de cocon en in den stoppel blijft zij gedurende den geheelen winter als larve liggen en verandert eerst 14 dagen voor het uitvliegen in een vrije pop. Als de aren van de niet aangestoken halmen beginnen te rijpen en de zieke er niet meer op het eerste gezicht van onderscheiden kunnen worden aan de witte kleur, kan dit geschieden, door ze te betasten. Als men er een tusschen de vingers krijgt, welker onderste deel geen korrels bevat en zich door slapheid onderscheidt, is het tamelijk zeker, dat er bij ’t opensplijten van den halm een parasiet voor den dag zal komen. Terzelfder tijd op dezelfde plaats als de Halmwesp, ziet men een minstens even lange, slanke Sikkelwesp ronddoolen, Pachymerus calcitrator geheeten (fig. 3), die de halmen opzoekt, welke door Halmwesplarven bewoond worden, om deze met een ei te begiftigen.

Van de familie der Bladwespen (Phyllophaga) kent men omstreeks 1000 soorten, uit alle werelddeelen, doch vooral uit Europa. Zij hebben aan den kop lange bovenkaken en rechte, 3- à 30-ledige sprieten; de voorste borstring reikt zijwaarts tot aan den oorsprong der vleugels, is meestal zeer kort en wordt dan “halskraag” genoemd. Het middelste en het achterste rugschild van het borststuk zijn door een diepe groeve gescheiden. De voorscheen eindigt in 2 doornen; de voetleden hebben aan de zool dikwijls napvormige verbreedingen (patellen); het eindlid draagt 2 klauwen, die meestal van een zijtand voorzien zijn. De legboor van het wijfje is kort en steekt niet voorbij het achterlijf uit. De larven zijn zoogenaamde “bastaardrupsen”.

De Spinselbladwespen (Lyda) vormen een talrijke, zeer duidelijk begrensde groep. Door de lange, borstelvormige sprieten en de zeer beweegbare kop naderen zij tot de Houtwespen; het platte, aan de zijden kantige achterlijf is haar meer in ’t bijzonder eigen; door den niet uitstekenden legboor en de levenswijze der larven, die aan de oppervlakte van de plant leven, gelijken zij op de Echte Bladwespen, waarmede zij echter niet geheel overeenstemmen, daar de larven, behalve de aan ’t laatste segment voorkomende naschuivers, in ’t geheel geen achterlijfspooten hebben en in een licht spinsel of, evenals sommige Kleine Vlinders (Bladrollers), in een van bladen vervaardigd kokertje leven.

De Drekzak-dennenbladwesp (Lyda campestris, fig. 2) wordt als larve in Juli op 3- en 4-jarige dennen gevonden, waar het bevruchte wijfje hare eieren, hoogstens bij drieën te gelijk, aan de naalden van verschillende in Mei uitgesproten twijgen heeft vastgehecht, zonder hierin een insnijding te maken. De larve houdt zich op in een buisvormig spinsel, dat ondoorzichtig is door den hierin opgehoopten drek. Slechts het voorste deel van het lichaam wordt, meestal aan het onderste deel van de buis, naar buiten gestoken om een daarbuiten gelegen naald, van den top tot aan den voet, af te knagen. Zoodra alle naalden, die zij bereiken kan, verslonden zijn, wordt het nest langer gemaakt, waardoor de bewoonster in staat gesteld wordt om het éénjarige takje geheel of grootendeels te vernielen. Tegen het einde van Augustus is zij volwassen, laat zich aan een draad naar den bodem zakken, kruipt hoogstens 13 mM. diep in lossen grond, vervaardigd hier van spinstof en aarde een losse, boonvormige cocon en brengt hierin den herfst en den winter slapend door. In het midden van April van het volgende jaar vindt men haar soms vervangen door een pop; het kan echter ook voorkomen, dat zij tot in ’t einde van Mei, bij uitzondering zelfs gedurende het geheele loopende jaar, nog in den larvetoestand blijft verkeeren. 14 dagen ongeveer duurt de rustperiode; daarna verschijnt de 18 mM lange Wesp, die zich tamelijk goed verborgen houdt tusschen de naalden en daarom niet licht opgemerkt wordt. Haar achterlijf is tot over de helft (van den 2en tot den 5en ring) roodachtig geel; overigens is zij grootendeels glanzig blauwzwart; de mond, de sprieten, een oogvlek, het schildje, de knieën, scheenen, voeten en vleugels zijn geel; de randstip ligt in een blauwe vlek.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Dennenkamhoornwesp (Lophyrus pini): Mannetje (bij ♁), Wijfje (bij ♀) en larven, spuwend om den aanval van een Sluipwesp af te weren. Onder aan den tak een geopende en een gesloten cocon.—2) Drekzak-dennenbladwesp (Lyda campestris) met larven en spinsel. Ware grootte.

Een tweede, eveneens op dennen levende, veel schadelijker soort is die, welke door de Duitsche houttelers Groote Dennenbladwesp (Lyda stellata, L. pratensis) wordt genoemd, hoewel zij als imago kleiner, als larve slechts weinig grooter is dan de vorige soort, van welke zij verschilt door de roodbruine zijranden van het (op den rug bruinzwarte, aan de buikzijde vuilgele) achterlijf. Dezelfde woonplaats heeft de larve van de Roodkoppige Spinselbladwesp (Lyda erythrocephala) als imago kenbaar aan den staalblauwen romp en den rooden kop van het wijfje.

*

De soortenrijkste en sterkst vertegenwoordigde afdeeling van de geheele familie is die der Echte Bladwespen (Tenthredinidae); van hare larven geldt het op p. 459 gezegde.

De Dennenkamhoornwesp (Lophyrus pini) houdt zich uitsluitend in dennenbosschen op, waar hare larven soms een niet onbelangrijke schade aanrichten. In de jaren 1819 en 1820 o.a. waren zij in sommige boschdistricten van Frankenland zoo talrijk, dat de stammen geel zagen van de rupsen, die in de boomen klommen; zij bedekten volkomen de takken, die nog naalden droegen en hingen er in kluwens ter grootte van een menschenhoofd van af. Toen al het groen verslonden was, trachtten zij andere bosschen te bereiken, die van het schouwtooneel dezer verwoestingen gescheiden waren door een beek, aan welker oevers de rupsen bij duizenden rondkrioelden; daar zij niet van richting veranderden, vielen zij in het water. Dag aan dag trokken ontzaglijke scharen uit de verderop gelegen deelen van het vernielde bosch op deze wijze een wissen dood tegemoet; de beek scheen, in plaats van water, louter stervende en reeds gestorven Insecten af te voeren. Zulk een sterke vermenigvuldiging komt echter niet dikwijls voor; in den regel verschijnen deze bastaardrupsen in betrekkelijk geringen getale, voor ’t eerst in de maand Mei. Zij hebben 22 pooten en zijn 25 mM. lang. De kop is bruin en in meerdere of mindere mate zwart gevlekt. De romp is met fijne dwarsrijen van doorntjes en wratten bezet, geelachtig groen van kleur; soms heeft de eene, soms de andere kleur de overhand; boven elken buikpoot komt een zwarte vlek voor, die op een kommapunt () gelijkt; andere zwarte vlekken bevinden zich iets hooger op de voorste en achterste segmenten. Na minsten 8 weken is de 5-maal vervellende larve volwassen en omgeeft zij zich met een tonvormige, aan een dennenaald gehechte cocon, waaruit de Wesp tegen het einde van Juli door een losgeknaagd dekseltje ontwijkt. In dit geslacht verschilt het mannetje van het wijfje door den vorm der sprieten (welker aantal leden, al naar de soort, van 17 tot 22 afwisselt). Bij het wijfje zijn zij gezaagd, bij het mannetje zeer fraai kamvormig. Behalve de kop en het borststuk, die grootendeels zwart zijn, is het wijfje roestgeel. Bij het mannetje hebben alleen de scheen en de voet deze kleur en zijn alle overige lichaamsdeelen zwart.

;
;

In het geslacht Selandria heeft men een groot aantal soorten van Bladwespen van kort-eivormige gedaante vereenigd, waarbij ook de kleinste leden van de geheele familie zijn. Zij kenmerken zich door het bezit van 2 rand- en 4 onderrandcellen, waarvan de 2e en de 3e de terugloopende aders opnemen; de 9-ledige, meestal draadvormige sprieten zijn zoo lang als de kop en het borststuk te zamen genomen. Van de lente tot in den zomer vindt men deze Wespen meestal op struiken. Bij ruw weer zitten zij stil en roerloos, maar zijn steeds bereid om zich dood te houden, als men haar te na komt. Zeer vlug en vroolijk vliegen zij daarentegen rond, als de zon haar warm op ’t lichaam schijnt.

De Zwarte Kersenbladwesp [Selandria (Eriocampa) alumbrata] is glanzig zwart, alleen op de voorscheen (van voren althans) lichtbruin. Zij is 5.5 mM. lang en heeft 11 mM. vlucht. In de eerste dagen van Juni, maar ook wel later, verlaten de wespjes hare cocons, in welker spinsel zandkorrels stevig vastgewreven zijn en die gedurende den winter op korten afstand van de oppervlakte in den grond gelegen hebben. Zij begeven zich in den boom of struik, in welker schaduw zij gerust hebben (kers, peer, pruim, abrikoos of sleedoorn). Meestal in Juli en Augustus, doch ook wel later, merkt men aan deze planten glanzig zwarte, naar inkt riekende larven op, die eenzaam of bij troepjes aan de bovenzijde van de bladen zitten en haar op zulk een wijze afvreten, dat alleen de benedenste opperhuidlaag overblijft. Deze neemt weldra een bruine kleur aan; ten slotte is de geheele top van den boom als ’t ware met een bruin floers bedekt. De 20-pootige larve is na iedere vervelling aanvankelijk groenachtig geel van kleur, maar wordt kort daarna zwart; zij gelijkt wel eenigszins op een zwarte Slak, is na 4 vervellingen volwassen en begeeft zich dan in den grond om zich in te spinnen. De larven richten soms een niet onbelangrijke schade aan. Deze soort bewoont Nederland, Duitschland, Frankrijk en Zweden.

De larven van de Knollen-bladwesp (Athalia spinarum: fig. 1), vooral die van de tweede generatie, zijn soms een plaag voor den landman, daar zij de bladen van de knollen en rapen en van het jonge raapzaad in September kaal vreten, zoodat er alleen de dikke bladnerven van overblijven. De dooiergele Wesp heeft den kop en de sprieten, de rugzijde van het borststuk (met uitzondering van den halskraag en het schildje) en den voorrand van den vleugel tot aan de vleugelstip glanzig zwart; de voeten zijn zwart en geel geringd, de 11-ledige sprieten eenigszins knotsvormig; de verspreiding der vleugeladers blijkt. In Mei verschijnen de Wespen, die zich uit de overwinterende larven ontwikkelen; men bemerkt ze dan bijna niet, daar zij niet gezellig vliegen. Tegen het einde van Juli en Augustus zwermen deze Wespen voor de tweede maal en vallen dan wegens haar veelvuldigheid licht in ’t oog, als zij op zonnige plaatsen op de bloemen van de weide, op wilgenhakhout, op struiken aan boschranden bedrijvig rondvliegen om honig of het zoete sap van de Bladluizen te zoeken. Bij ongunstige weersgesteldheid zitten zij roerloos met opgetrokken pooten op de bladen en twijgen en laten zich naar beneden vallen, wanneer men haar op korten afstand nadert. Jonge knollen en dergelijke planten verschaffen aan de wijfjes een uitmuntende gelegenheid om zich van haar moederplicht te kwijten; met den zaagtoestel maken zij een insnijding in de opperhuid onder aan het blad en leggen het ei in de wonde. In September en October verraden de grijsachtige groene, zwart gestreepte larven haar aanwezigheid door de gaten, die zij in de bladen vreten.

Het omvangrijke geslacht Tenthredo, waaraan vroeger een nog uitgestrektere beteekenis werd gegeven dan thans, omvat de grootste van alle slanke Echte Bladwespen. Dikwijls bestaat er in deze groep een belangrijk verschil in kleur tusschen het mannetje en het wijfje; een veelvuldig voorkomend geval is het o.a., dat het achterlijf bij het wijfje zwart, bij het mannetje zwart en rood is. De Tenthreden zijn fraaie, flinke dieren, de eenige onder de Bladwespen, die nu en dan een ander Insect met hare krachtige kaken grijpen en verslinden. Negenledige borstelvormige sprieten, die in den regel langer zijn dan het achterlijf, 2 rand- en 4 onderrandcellen in den voorvleugel, achterheupen, die hoogstens tot den achterrand van het tweede achterlijfssegment reiken, zijn, nevens de slanke gedaante, de belangrijkste kenmerken van dit geslacht.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Knollen-bladwesp (Athalia spinarum): Wijfje en larven.—2, 3, 4) Rozen-bladwesp (Hylotoma rosae): 2) Mannetje, 3) Wijfje, 4) Larven. Ware grootte.

Op wilgenhakhout vindt men hier te lande vrij algemeen de 8 à 10 mM. lange Groene Bladwesp (Tenthredo scalaris). Haar lichtgroene kleur wordt op den rug afgebroken door meer of minder uitgestrekte, zwarte vlekken, die in den regel op het midden van het achterlijf samenhangen.—Haar naam ten spijt is Tenthredo viridis grootendeels zwart; de lichtgroene kleur speelt slechts een ondergeschikte rol.—De Geelhoornige Bladwesp (Tenthredo flavicornis) heeft, behalve de sprieten, ook de pooten en het zwart gespikkelde achterlijf geel. Zij is een van de fraaiste soorten en wordt 13 mM. lang.

De Rozenbladwesp (Hylotoma rosae, fign. 2 en 3) is een fraai Insect, dat door grootte en kleur eenige overeenkomst met de Knollenbladwesp vertoont, maar er bij nader onderzoek en in belangrijke opzichten van verschilt; o.a. valt op te merken, dat hare sprieten slechts uit 3 leden bestaan, waarvan de beide eerste kort zijn; het derde is lang, bij het wijfje onbehaard en zwak knotsvormig, bij het mannetje aan de onderzijde als een borstel dicht met stijve haren bedekt. Deze soort is van Zweden tot Italië over geheel Europa verbreid en nergens zeldzaam; alle rozenliefhebbers kennen en haten haar larve. Zij heeft niet meer dan 18 pooten en is 15 à 19.5 mM. lang. Haar grondkleur is bruinachtig groen; aan weerszijden van het groene ruggevat ziet men op den rug gele, langzamerhand in de grondkleur overgaande vlekken, die dikwijls ineenvloeien en dan den geheelen rug oranjegeel kleuren. Ieder van de 12 rompsegmenten, met uitzondering van de beide laatste, draagt 6 paar glanzig zwarte wratjes met een borsteltje er op. Van Juli tot September vindt men deze bastaardrups op rozenstruiken, zoowel wilde als gekweekte; de wijze waarop zij de bladen uitvreet, wordt door de afbeelding verduidelijkt. Voordat zij in den poptoestand overgaat, omgeeft zij zich met een uit twee lagen samengestelde cocon; het buitenste hulsel heeft mazen als een net. De larven, die in Juli dezen trap van ontwikkeling bereiken, worden in Augustus Wespen; die, welke later volwassen worden, overwinteren en gaan eerst in ’t volgende jaar in den imago-toestand over. Ieder jaar komen dus twee generaties voor. Het wijfje maakt met haar zaagtoestel in de jonge twijgen 2 evenwijdig loopende reeksen van insnijdingen en legt in ieder kerfje één ei. Een gevolg van deze verwonding is, dat het twijgje zich kromt en zwart wordt.

Door knotsvormige sprieten en een plompen lichaamsbouw onderscheidt zich een laatste groep van Bladwespen, waarvan de Berkenknophoornwesp (Cimbex betulae) een voorbeeld levert. Door de breedte en de logge gedaante van het lichaam herinnert haar geslacht aan dat der Hommels. De kop, het borststuk en de pooten zijn bij haar zwart of geel behaard, hoewel niet zoo dicht, dat de zwarte kleur en de glans van de huid hierdoor onzichtbaar worden. Het achterlijf is bij het wijfje lichter van kleur. De larve heeft 22 pooten en is in volwassen toestand fraai groen van kleur; haar huid vertoont talrijke, fijne dwarsplooien en is met witte wratjes onregelmatig bezaaid, vooral aan de zijden. Zij heeft midden op den rug een niet geheel tot aan den kop reikende, overlangsche, zwarte, geel gezoomde streep; ook de kop is geel. Men ziet deze bastaardrups eenzaam op bladen van berken zitten. Evenals hare verwanten, heeft zij de gewoonte uit de zijden van het lichaam een groenachtig vocht te laten ontwijken, wanneer men haar aanvat.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Berkenknophoornwesp (Cimbex betulae): a. Larven, b. Mannetje, c. Wijfje, d. Geopende cocon. Ware grootte.

Andere soorten leven op wilgen, elzen, beuken enz. en gelijken zooveel op de genoemde, dat men ze thans algemeen als verscheidenheden van één soort (Cimbex variabilis) beschouwt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings