← Table of contents
Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04

DE KEVERS (Coleoptera, Eleutherata). (continued 2)

Reading edition

Bij verschillende soorten merkt men ongelijke gewoonten op. Sommige zwerven op den bodem rond en bezoeken bloemen om honig te lekken; andere kiezen struiken en hunne groene bladen tot haar verblijfplaats en komen daarom meer in bosschen dan op weiden en akkers voor. Als men ze te na komt, laten zij zich met opgetrokken pooten op den grond vallen en kunnen dan meestal, ondanks de zorgvuldigste nasporingen, niet meer teruggevonden worden. Nog andere verbergen zich over dag achter de schors of klemmen zich vast tusschen de harsachtige knopschubben van naaldboomen, kortom, zij zijn alleen voor een zeer geoefend oog te vinden.

De larven zijn wormvormig, rolrond of van boven naar onderen een weinig afgeplat; altijd hebben zij een stevig chitine-pantser en 6 pooten. In een groot gedeelte van ons land worden zij Ritnaalden of Ritwormen genoemd, terwijl zij langs den IJsel Hardwormen, op de Veluwe Stekwormen, bij Haarlem en elders in Noord-Holland Koperwormen heeten. Soms noemt men ze ook wel “meelwormen”, maar verwart ze dan blijkbaar met de larven van de Meeltor (Tenebrio molitor); waarmede zij bij oppervlakkige beschouwing eenige overeenkomst vertoonen. Zij zijn vlug ter been en leven verborgen in den grond of in vermolmd hout, of boren gangen in allerlei doode, maar ook in levende plantendeelen, die haar tot voedsel dienen, b.v. in paddestoelen, sappige wortels en knollen. Hierdoor brengen zij aan eenige landbouwplanten aanzienlijke schade teweeg. Ook zijn zij niet afkeerig van dierlijk voedsel en vreten elkander op, of dringen nu en dan borend in het lichaam van andere insectenlarven door.

De insecten-verzamelingen bevatten meer dan 3000 soorten van Kniptorren. Zij zijn over alle werelddeelen verbreid, in de warme en heete gewesten talrijker en ten deele aanmerkelijk grooter en fraaier van kleur dan in de gematigde, over ’t algemeen echter middelmatig groot en niet in ’t oogvallend gekleurd.

De Ruige Kniptor (Athous hirtus) behoort tot een geslacht, welks vertegenwoordigers vooral de koude en gematigde gewesten van het noordelijk halfrond bewonen en waarvan ook ons land een zestal soorten herbergt. (Hiertoe behooren de grootste inheemsche vormen, 15 mM. lang.) De Kever, die ’s zomers op bloeiende Schermbloemigen van weiden, akkerranden en greppels aangetroffen wordt, heeft bij een lengte van 13 een breedte van 4.5 mM. en is volkomen onschadelijk. De glans van zijn zwart lichaam wordt door de grijze beharing eenigszins getemperd; men ontmoet echter ook wel exemplaren met bruine dekschilden.

In tegenstelling met den volkomen onschadelijken Kever zal de larve, wanneer zij in grooten getale in een oord voorkomt, een aanzienlijke schade aan den landbouw veroorzaken. Zij leeft achter de schors van doode boomen, maar ook in den grond op verschillende planten, vooral op suikerbieten. Wanneer zij, gelijk de Engerling, aan den baard en de spits van den jongen wortel knaagt, begint de plant te kwijnen en levert een kleine biet van aanmerkelijk geringer suikergehalte.

Een zeer algemeen verbreide Kever van eenvoudig voorkomen, de Gestreepte of Graankniptor (Agriotes lineatus, A. segetis), heeft door de schade, die zijn larve aanricht, meer dan andere leden van zijn familie de aandacht getrokken. Zijn 8.5 à 9 mM. lang lichaam is minder afgeplat dan dat van de reeds besproken en zeer vele andere verwanten. De sprieten zijn draadvormig. Het halsschild is aan de rugzijde bij wijze van een kussen gezwollen, even breed als lang, donkerbruin, doch met stippels bezet, langs de randen lichter. Op ieder dekschild ziet men 8 overlangsche reeksen van zwarte stippels, de ruimten tusschen deze strepen zijn afwisselend geelachtig bruin en donkerbruin. De geheele bovenzijde van den stam en de pooten hebben door beharing een geelachtig grijze kleur, aan de onderzijde schemert de zwarte grondkleur meer door. Van Juli tot in de lente duurt de imago-toestand. De Kever zwerft op akkers, weiden en wegen overal rond.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Gestreepte Kniptor (Agriotes segetis) met larve (ritnaald), achter deze (links) het laatste segment van onderen gezien. Vergroot. De larven bij de wortels zijn in ware grootte voorgesteld.

De larve is rolrond, slank, bruinachtig geel; het aarslid heeft bij den voorrand aan weerszijden een ronde deuk met zeer donkeren rand, het is tamelijk lang, zwak behaard, in ’t midden gezwollen, overigens kegelvormig, in een zwartbruin stekeltje uitloopend (doch niet aan ’t einde in tweeën gesplitst, zooals bij de leden van ’t vorige geslacht); aan de buikzijde kan de aars uitgestulpt worden; dit uitsteeksel kan als “naschuiver” bij de voortbeweging dienst doen. Lengte 20, breedte 2 mM. De pop is wit met zwarte oogen.

Men vermoedt, dat bij deze en andere Kniptorren een 4-jarige generatie voorkomt; de larven, die uit de in Mei gelegde eieren komen, overwinteren 3-maal en gaan in ’t laatst van Juli van ’t 4e jaar vrij diep in den grond, zonder zich in te spinnen, in den poptoestand over; deze duurt tot in ’t begin van Augustus; de Kever overwintert, paart en legt in Mei eieren, waarschijnlijk even onder of even boven den grond tusschen den stengel en zijne onderste leden. De larven zijn vooral in April en Mei schadelijk voor teere, jonge planten door het af knagen van onderaardsche stengeldeelen. Van alle landbouwgewassen schijnt tarwe het meest van de Ritnaalden te lijden te hebben; ook andere graansoorten worden volstrekt niet gespaard, evenmin vlas, koolzaad, turnips, rapen, kool, aardappelen, mangelwortels, penen, uien, salade, hop, enz. Een afdoend middel tegen deze plaag is niet bekend.

*

De heete gewesten van Middel- en Zuid-Amerika herbergen ongeveer 100 soorten van Kniptorren, die, behalve de eigenschap waaraan de familie haar naam ontleent, ook nog het vermogen hebben om, evenals de Glimwormen, in ’t duister licht te verspreiden. Men herkent de groote en middelmatig groote “Vuurvliegen”—die meestal dof bruin van kleur, met grijsgele haren dicht bedekt zijn (het geslacht Pyrophorus)—gemakkelijk aan een gezwollen, wasgele plek in de nabijheid van iederen achterhoek van het halsschild, vanwaar bij het levende dier het tooverachtige licht uitgaat; bovendien bezitten zij een nog krachtiger lichtgevend orgaan aan de buikzijde, aan ’t voorste gedeelte van ’t achterlijf. Het licht ontstaat ten gevolge van een oxydatieproces.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Cucoejo (Pyrophorus noctilucus). Ware grootte.

Men mag aannemen, dat met den naam Cocoejo of Coecoejo, die men in Havana en waarschijnlijk ook op het Amerikaansche vasteland aan een “Vuurvlieg” geeft, de zeer verbreide Pyrophorus noctilucus wordt aangeduid. Volgens A. von Humboldt en Bonpland leeft zijn larve in de wortels van het suikerriet en richt hier soms een aanmerkelijke schade aan. Enkele malen werd deze Kever met Amerikaansch hout naar Europa overgebracht. “Voor ongeveer 15 jaren,” schrijft Snellen van Vollenhoven in 1870, “heb ik een dergelijken levenden Kever, die te Rotterdam in een pakhuis op Campèche-hout gevonden en waarschijnlijk daarmede aangevoerd was, gezien bij Prof. J. van der Hoeven te Leiden. Het groene licht was zoo helder, dat men er gemakkelijk gewone drukletters bij lezen kon. Reeds in 1766 had men een zoodanigen Kever—ook, zooals later bleek, in hout aangebracht—vliegend waargenomen in den Faubourg Saint-Antoine te Parijs, waar het dier een algemeenen schrik verspreidde. In de laatste jaren moeten er eenige met opzet levend uit Amerika naar Engeland overgebracht zijn; met vochtig gehouden suikerriet kunnen zij lang in het leven worden gehouden.”—Een van de grootste soorten, die men op Portorico Coecoebano noemt, vliegt van Maart tot Mei veelvuldig door de straten van dorpen en steden; zij komt voor in huizen en op plaatsen waar hout bewaard wordt, omdat ook haar larve gangen in het hout bewoont. De Indianen vangen deze Vuurvliegen door een gloeiende kool, aan een draad gebonden, door de lucht te zwaaien, waardoor de Insecten aangelokt worden. In Vera-Cruz vormen zij een handelsartikel. Men houdt ze in kooitjes van fijn ijzergaas, voedert ze met schijfjes suikerriet en—besprenkelt hen tweemaal daags met water, opdat zij ’s avonds voor den dienst geschikt zijn en door het verspreiden van veel licht het oog bekoren. Van het lichtgevend vermogen van de Vuurvliegen trekt men velerwege op verschillende wijzen partij. Eenige van deze dieren in een uitgeholde pompoen, die met kleine gaatjes voorzien is, vormen als ’t ware een natuurlijke lantaarn. Een zeer doelmatig gebruik wordt door de dames van deze Kevers gemaakt, n.l. als levende juweelen. Zij plaatsen er ’s avonds eenige in een zakje van fijne tulle; verscheidene van deze zakjes worden rozetsgewijs aan de kleederen bevestigd. Het fraaiste effect maakt deze opschik evenwel, naar men zegt, wanneer men hem te zamen met kunstbloemen, die van Kolibri-veeren vervaardigd zijn, en enkele brillanten als krans in het haar vlecht.

De familie van de Zachtschilden (Malacodermata) omvat thans ongeveer 2200 soorten, die bijna uitsluitend door de zachte, meer leder- dan hoornachtige geaardheid van de lichaamsbekleedselen en vooral door de buigzaamheid der dekschilden overeenstemmen. Zij hebben 5 leden in den voet, tenzij de voorvoet er slechts 4 heeft. De sprieten zijn meestal 11-ledig en doorgaans draad- of borstelvormig, soms echter gezaagd. De meeste Zachtschilden bezoeken bloemen, niet echter om hier honig te lekken, maar met het doel om te rooven. Evenals de Kevers, zijn ook de larven zeer verschillend; alle hebben 6 pooten en zijn vermoedelijk diereneters.

Evenals in West-Indië, leven ook bij ons “Vuurvliegen,” die echter van geheel anderen aard zijn. Wie heeft ze niet reeds gezien, de levende vonken, die in oorden, waar gras en struiken niet ontbreken, op een zomeravond, in de lucht zwevend of op bladen en grassen rustend, een groenachtig lichtschijnsel verspreiden? Ieder kind weet, dat dit “vuur” van Insecten uitgaat; zij worden Glimwormen (Lampyris) genoemd. Die welke rondvliegen, zijn mannetjes; want de wijfjes missen de vleugels, kruipen tusschen het gras rond en lokken door hun lichtschijnsel de mannetjes tot zich. De kop is bij hen en hunne verwanten geheel onder het platte, halfcirkelvormige voorborststuk verborgen.

In Nederland komen twee soorten van Glimwormen voor. Beide hebben lichtvoortbrengende organen aan de twee laatste buikringen van het achterlijf. Van den Kleinen Glimworm (Lampyris splendidula) is het 8 à 9 mM. lange, grijsbruine mannetje gemakkelijk te herkennen aan de beide glasachtige vlekken op het halsschild, het witachtig gele, 8 à 10 mM. lange wijfje aan de beide rudimentaire voorvleugels achter het halsschild. De wormvormige larve heeft 6 zijwaarts gerichte pooten en een zeer kleinen kop, die in den rusttoestand niet zichtbaar is. Zij voedt zich met Slakken.

De 11 mM. lange mannetjes van den Grooten Glimworm (Lampyris noctiluca) zijn kenbaar aan de uitstekende bovenkaken en aan het ontbreken van de “venstervlekken” op het halsschild; de lichtgevende organen zijn kleiner dan bij de vorige soort en verbreiden daarom minder licht. Het 15 à 17.5 mM. lange wijfje mist zelfs de dekschildstompjes en ziet er dus geheel als een larve uit. Deze soort komt bij ons veelvuldiger voor dan de vorige; over ’t algemeen schijnt zij in het westen van Europa (in Frankrijk) en ook in Zuid-Duitschland veelvuldiger te zijn dan in het midden van Duitschland.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Kleine Glimworm (Lampyris splendidula):—1) Mannetje, (a) rugzijde, (b) buikzijde.—2) Wijfje.—3) Larve.—Groote Glimworm (Lampyris noctiluca):—4) Mannetje.—5) Wijfje.—6) Larve.—De afbeeldingen 1, 2 en 4 zijn vergroot, de overige op ware grootte.

De larven overwinteren, verpoppen zich in Mei of Juni na korten rusttijd en gaan in den imago-toestand over; de Kevers worden van St. Jan (24 Juni) tot in September aangetroffen.

De lichtvoortbrengende organen bestaan uit talrijke dunwandige, veelzijdige cellen, waarvan sommige doorzichtig zijn, andere een fijne, korrelige stof bevatten; zij worden door een dicht netwerk van fijn vertakte luchtbuizen van lucht voorzien. Algemeen is men van oordeel, dat het voortbrengen van licht een gevolg is van de oxydatie der bestanddeelen der genoemde cellen door de zuurstof, die de luchtbuizen aanvoeren.

Vooral in Zuid-Amerika zijn de leden van deze in alle landen van de wereld vertegenwoordigende onderfamilie (Lampyridae) zeer talrijk. Hun vorm is zeer ongelijk; bij de meeste soorten zijn ook de wijfjes gevleugeld. Bij allen duiden lichte vlekken aan eenige achterlijfsringen den zetel van het lichtvoortbrengend vermogen aan.

*

Sommige onzer lezers herinneren zich misschien in couranten berichten te hebben gelezen over “Sneeuwwormen”, die, naar beweerd werd, gedurende een vroege wintersche regenbui op de sneeuw gevallen zouden zijn. Den 20en November 1672 werd dit verschijnsel in Hongarije opgemerkt en zorgvuldig aangeteekend; ditzelfde “wonder” kwam in Januari 1749 op verschillende plaatsen van Zweden voor. Bij het einde van een zeer strengen winter (11 Februari 1799) wekten voorvallen van gelijken aard in de Rijngau, aan de Bergstrasse, bij Offenbach, Bingen, enz. zooveel opzien, dat voor het kantongerecht te Stromberg een protocol werd opgemaakt van de verklaringen der personen, die op den bedoelden dag in de vrije natuur Insecten uit de lucht hadden zien regenen. Uit de mededeelingen over de omstandigheden waaronder dit verschijnsel plaats had, vloeit voort, dat zeer verschillende oorzaken de bedoelde “Wormen”—die wij aanstonds nader zullen leeren kennen en waarvan wij vooraf moeten mededeelen, dat zij onder steenen of bladen of op boomwortels overwinteren—in hun rust gestoord, uit hunne schuilhoeken verdreven hadden. Overal echter kwam een zeer hevige, op sommige plaatsen zelfs een orkaanachtige storm voor, die deze diertjes (tegelijk met vele andere) mede voerde en neerwierp op sneeuwvelden, waar zij gemakkelijk opgemerkt werden. Waarschijnlijk komt een samenloop van dezelfde omstandigheden ook dikwijls voor, wanneer het witte sneeuwkleed ontbreekt; men neemt dan geen “insectenregen” waar, hoewel het zeer wel mogelijk is, dat over een gelijke oppervlakte een even groot aantal van deze dieren verstrooid ligt. Men kan ze opsporen door aan den rand van een akker of van een bosch, bij een heg om een tuin of op een dergelijke plaats een niet al te kleinen steen om te keeren; ’s winters zien wij hier (onder meer) in een rond kuiltje met een weinig aarde bedekt, halvemaanvormig gekromd, een fluweelzwart diertje, dat in een toestand van verstijving verkeert; als wij het weldra volgende zachte weer hebben afgewacht, verrassen wij het misschien, terwijl het zich buiten zijn leger bezighoudt met het buitmaken van den een of anderen kleineren slaapkameraad; ook hebben wij kans het te ontmoeten op ons pad, waar het een zooeven vertreden kevertje uitzuigt. Waar wij het ook aantreffen, steeds is het dadelijk van alle andere Insecten te herkennen aan het donkere, fluweelachtige haarkleed, waarmede zijn bovenzijde dicht bedekt is en dat alleen de voorste helft van den kop vrijlaat. De korte pooten aan de 3 eerste op den kop volgende ringen bewijzen, dat wij hier geen Worm, maar een larve van een Kever voor ons hebben. Tegen het einde van Maart of in het begin van April treft men deze larven veelvuldig aan en kan men nu en dan een van haar een Aardworm of een Emelt (larve van Tipula) zien grijpen en zich zoo stevig vastbijten aan de ingewanden van zijn prooi, dat men bij het optillen van deze ook haar roover opheft. Het blijkt dan, dat zij nuttig zijn, dat zij den tuinman en den landbouwer helpen in den strijd tegen schadelijk gedierte. In April of Mei werpen zij haar huid af en veranderen in een lichtroode, eenigszins voorover gekromde pop met zwarte oogen.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Gewone Sint-Jansvlieg (Telephorus fuscus). Zwak vergroot.

Wanneer de lente haar geheelen rijkdom ten toon spreidt, als duizenden Insecten hunne winterkwartieren sinds lang verlaten hebben en duizenden andere uit de brooze pophuid te voorschijn zijn gekomen, ziet men ook een slanken, zwarten, niet door schoonheid uitmuntenden Kever rondzwerven en vooral op struiken de bloemen bezoeken, die thans in zoo grooten overvloed hare nectariën beschikbaar stellen voor de honigzuigende of -lekkende schare. Het is echter niet ter wille van den honig, maar van de hierdoor aangelokte Insecten, dat hij, door de zon gekoesterd, van de eene bloem naar de andere vliegt. Bij vochtig en winderig weer ziet men hem, evenals de Meikever, hier en daar aan de twijgen hangen. Deze Kever, de Gewone Sint-Jansvlieg (Telephorus fuscus), is grootendeels zwart en met fijne grijze haartjes bezet; roodachtig geel zijn de wortel van de elfledige, draadvormige sprieten, het voorste deel van den naar onderen gerichten kop, het halsschild, met uitzondering van een zwarte vlek bij den voorrand, en eindelijk de rand van het 7-ledige achterlijf. Verscheidene honderden soorten van dit geslacht, uit alle werelddeelen afkomstig, zijn ons bekend; zij behooren vooral in koude gedeelten van de aardoppervlakte, meer bepaaldelijk in bergstreken, thuis; hunne larven hebben aanleiding gegeven tot den hierboven besproken insectenregen.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Mierkevertje (Clerus formicarius) met larve en pop. Alle afbeeldingen vergroot.

Het Mierkevertje (Clerus formicarius) kan ons een denkbeeld geven van het voorkomen der Mierkeverachtigen (Cleridae), welke familie 600 voor ’t meerendeel uitheemsche soorten omvat. Deze Kevers worden bijna zonder uitzondering op oude stammen en takken van houtachtige planten gevonden en leven, evenals hunne larven, van roof. In ’t voorjaar en ’t begin van den zomer treft men het Mierkevertje veel in onze dennebosschen aan, vooral op afgehouwen of sterk door borende Insecten aangetaste, nog in den grond gewortelde stammen. Hier loopt het ijverig als een Mier af en aan (van daar zijn naam) en maakt vooral jacht op Schorskevers. Het halsschild en het wortelgedeelte der dekschilden tot aan de voorste van de beide witte dwarsbanden benevens de onderzijde zijn bij den overigens zwarten Kever rood van kleur. Het geslacht Clerus bestaat uit bijna 100 steeds bontgekleurde, over de geheele wereld verbreide soorten. Aan de monddeelen zijn op te merken het groote, bijlvormige eindlid aan den liptaster en de uitgesneden bovenlip. De 3 laatste van de 11 leden der sprieten vormen een gezaagd knotsje, welks laatste lid eivormig is en naar het uiteinde spits toeloopt. Het zeer korte eerste lid van den voet is onder het tweede verborgen, zoodat de voet 4-ledig schijnt.

De larve maakt zich nog verdienstelijker voor de boschkultuur dan de Kever, daar zij achter boomschors op de larven van allerlei schadelijke Insecten jacht maakt.

*

Krachtiger, maar voor ’t overige hoofdzakelijk op dezelfde wijze gebouwd, zijn de Bijenkevers (Trichodes). Deze voor ’t meerendeel sterk behaarde Insecten hebben een donkerblauwe of groenglinsterende kleur; hunne dekschilden zijn rood met blauwe of blauw met roode dwarsbanden. Het cilindervormige halsschild wordt naar achteren smaller; de dekschilden zijn, evenals bij het vorige geslacht, langwerpig en overal even breed. De 25 bekende soorten bewonen bijna uitsluitend het noordelijk halfrond; zij komen voor op bloemen, vooral van umbelliferen en spiraea-achtigen en maken jacht op andere Insecten.

De Gewone Bijenkever (Trichodes apiarius) is gemiddeld 12 mM. lang, glinsterend zwartblauw, dicht bezaaid met stippels en ruig behaard. De grof gestippelde dekschilden zijn grootendeels hoogrood; zwartblauw zijn echter de spits en twee dwarsbanden, waarvan de voorste zich in vlekken verdeelt. Men vindt dit kevertje en zijn naaste verwant (Trichodes alvearius) van Mei tot Juli niet zelden op bloemen.

De larve (de Bijenwolf) gelijkt op die van het Mierkevertje; zij bewoont van Juli tot April van het volgende jaar de gangen van de Houtwesp-larven, waarop zij jacht maakt, voorts de nesten van verschillende soorten van wilde Bijen, maar ook de korven van de Honigbij, waar zij larven, poppen en naar beneden gevallen, halfdoode Bijen verslindt. Men vindt haar vooral in spleten van den bodemplank van zwak bevolkte bijenkorven, die veel vuil bevatten. Wanneer zij zich eens gevestigd heeft in een raat met larven en poppen, dan vreet zij hierin gangen en verslindt natuurlijk ook de gave jongen.

De Dief of Gewone Houtboorder (Ptinus fur) behoort tot het gewone gezelschap van de Bonttorretjes, de Spektorren en dergelijke, onaangename huisgenooten, waarvan wij er reeds eenige hebben nagegaan; evenals deze houdt hij zich over dag verborgen, kruipt meestal niet anders dan ’s nachts bij de wanden omhoog en zoekt ijverig naar buit. Zijn grijsachtig witte, slechts 4.5 mM. lange larve heeft een bruinen kop zonder oogen, met zeer korte sprieten en stevige kaken, 6 pooten en een behaarde romp, die binnenwaarts gekromd gedragen wordt. Herbariën en insectenverzamelingen zijn hare liefste verblijfplaatsen; vooral in de gedroogde planten richt zij in korten tijd een groote verwoesting aan. In pakhuizen, waar gedroogde vruchten (appels, peren, pruimen, vijgen, enz.), tabak of graan wordt bewaard, in voorraadkamers van apotheken en van woonhuizen, in nesten van Zwaluwen en Wespen, kortom overal waar de een of andere eetbare stof voorhanden is, vinden de genoemde larven, die, naar het schijnt, bijna 2 jaren in dezen toestand blijven verkeeren, een voldoende hoeveelheid voedsel. In Augustus vereenigen zij kleine stukjes van de stof, waaraan zij knagen, met haar spinsel tot een soort van cocon; hier binnen veranderen zij in een pop, die reeds na 14 dagen een nauwelijks 4.5 mM. lange, weinig in ’t oog vallende Kever wordt. Het wijfje heeft eivormige dekschilden met witte vlekken; bij het mannetje zijn de dekschilden bijna cilindrisch, ongevlekt en met diepe, uit stippels bestaande, overlangsche strepen geteekend.

*

De Klopkevers of Doodskloppers (Anobium) boren als larven gangen in dood hout, vooral in dat van naaldboomen of van andere boomen met zacht hout; hierdoor richten zij op plaatsen, waar zij niet gestoord worden, zooals in kerken en onbewoonde kasteelen, aan beeldhouwwerk en oude meubels een zeer aanzienlijke schade aan. Gekromd en van 6 kleine pootjes voorzien, knagen zij gangen in ’t hout, maar laten aanvankelijk de buitenste laag ongeschonden; ’s avonds, zoodra alle andere geluiden verstomd zijn, hoort men het schrapend geluid, dat zij maken bij het vernielen van een oude kast, pooten van stoelen en tafels, enz. In Mei of later knagen zij zich hierin een iets ruimere ligplaats uit en veranderen in poppen, waaruit na eenige weken Kevers komen, die het werk van de larven voortzetten en zich door een cirkelrond vlieggat naar buiten begeven. Verscheidene van deze gaten, waarvan de larven later ook gebruik maken om het tot poeder vermalen hout uit te werpen, verraden mettertijd de aanwezigheid van den “houtworm” in het een of ander meubelstuk, in de balken of de kozijnen van het oude gebouw. Wanneer het zoover gekomen is, kan men weinig of niets meer doen tot behoud van de aangetaste voorwerpen. Gewoonlijk vliegen de Kevers in Juli uit. Aan het kapvormige, bultige rugschild van het voorborststuk, waarin de kleine kop grootendeels verborgen is, aan de sprieten, die in een smal knotsje eindigen, welks leden tusschenruimten overlaten en aan het rolronde lichaam kunnen zij zelfs met het ongewapende oog herkend worden. De pooten hebben alle een 5-ledigen voet en kunnen, evenals de sprieten, tegen het lichaam aangedrukt worden, want ook deze Kevers houden zich “dood” en laten dus alles met zich doen zonder hun gewonen stand te hernemen; van daar den naam “stijfkop”, die aan een van de soorten van dit geslacht gegeven is. Men kent er ongeveer 60, waarvan de helft uit Europa.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Bonte Klopkever (Anobium tesselatum). Vergr.

De Bonte Klopkever (Anobium tesselatum), de grootste Europeesche en inheemsche soort (8 mM. lang), leeft in eikenhout. Hij onderscheidt zich van zijne verwanten, doordat de zijden van het halsschild van onderen niet uitgehold en de dekschilden onregelmatig gestippeld zijn; bovendien herkent men hem aan den driehoekigen vorm van de voetleden en de kleine vlekjes van grauwe haren, waarmede de geheele oppervlakte van het donker kastanjebruine lichaam getijgerd is.

De Stijfkop, het Doodskloppertje (Anobium pertinax), is zwart of zwartbruin, 5 à 6 mM. lang; het halsschild is aan den zijrand en de hoeken afgerond en bij den achterrand met een ruitvormig kuiltje voorzien met aan weerszijden een dicht goudgeel behaard vlekje.

Deze Kevers veroorzaken nu en dan een kloppend gedruisch, dat door zijn regelmatigheid aan het tikken van een horloge herinnert. Volgens een oud bijgeloof kondigt dit getik, wanneer men het ’s avonds of ’s nachts in een stille ziekenkamer hoort, de laatste ure van den patiënt aan; dit heeft aanleiding gegeven tot den naam “Doodskloppertje”. Aanvankelijk schreef men het genoemde verschijnsel toe aan het rhytmische knagen van de larven en Kevers; het bleek echter, dat het hierdoor veroorzaakt geluid wel regelmatig is, maar volstrekt niet gelijkt op het tikken van een horloge. De kloppende Kever houdt de voorpooten en de sprieten tegen het lichaam aangedrukt, zoodat dit hoofdzakelijk op de middelpooten rust, en beweegt nu het voorste deel met rukken naar voren, waarbij het voorhoofd en de voorrand van het halsschild tegen het hout stooten. Met goed gevolg heeft men beproefd om door nabootsing van het kloppen het kevertje tot een antwoord te nopen. Dit geluid is een loktoon, waardoor de mannetjes en wijfjes elkander zoeken en vinden.

De genoemde en nog vele andere, voor een deel aanmerkelijk kleinere soorten van Diefkevers of Ptinoïden en Knaagkevers of Anobiën ontmoet men, behalve in menschelijke woningen en andere gebouwen, veelvuldig in de vrije natuur overal waar dood hout voorkomt. Uit deze en eenige andere groepen van Kevers bestaat de familie der Houtboorders (Xylophagi of Ptiniores), waarmede wij de reeks der Zaagsprietigen besluiten.

De vierde groep van Kevers, de Bladsprietigen (Lamellicornia), omvat de groote, gelijknamige familie, die gewoonlijk in 6 groepen wordt verdeeld. Een van deze wordt echter dikwijls onder den naam van Kamhoornkevers (Lucanidae) van de overige afgescheiden en als een afzonderlijke familie beschreven, die zich vooral kenmerkt door de knievormig gebogen sprieten, welke in een kamsgewijs ingesneden knotsje eindigen. Haar meest bekende vertegenwoordiger is het Vliegend Hert (Lucanus cervus), dat bij ons hier en daar op de Veluwe, niet zelden gevonden wordt. Het is een van de grootste en zwaarste Kevers van Europa; zijn lengte, gemeten van de bovenlip tot aan de spitsen der dekschilden, kan 52 mM. bedragen, zonder te rekenen de 22 mM. lange, als een gewei vóór den kop uitstekende, reusachtige bovenkaken van het mannetje.

Het geslacht Lucanus kenmerkt zich door een dwars gerichten kop, die breeder is dan het halsschild. De sprieten, waarvan het lange wortellid de “schaft” uitmaakt, hebben een kamvormigen “geesel” of “zweep” met 4 à 6 onbeweeglijke tanden. Van de monddeelen zijn eigenaardig: de benedenwaarts gebogen bovenlip, de diep uitgesneden aan de binnenzijde van de kin en de ongetande binnenste kaaklob der onderkaak; de bovenkaken van het mannetje zijn aan de binnenzijde vóór het midden van een grooten tand voorzien en eindigen in twee takken; bij het wijfje bereiken deze organen nauwelijks de lengte van den kop. Het Vliegend Hert is dofzwart van kleur, met uitzondering van de glanzig kastanjebruine dekschilden en bovenkaken.

In Juni vindt men dezen Kever in eikenbosschen, waar de mannetjes op mooie avonden onder sterk gegons en terwijl het lichaam een vertikalen stand behoudt, om de kroon van een boom vliegen; de wijfjes houden zich altijd meer verborgen. Over dag stoeien de Vliegende Herten soms onder droge bladen op den grond en verraden hun aanwezigheid door een ratelend geluid; soms zitten zij op gewonde (“bloedende”) boomstammen en lekken het hieruit vloeiende sap op. Van ernstiger aard is de strijd van de mannetjes om de wijfjes: diepe deuken en zelfs gaten vindt men in de dekschilden, aan den kop of aan het gewei van enkele mannetjes.

Het imago-leven is van korten duur. Tegen het einde van Juni of in de eerste dagen van de volgende maand is de korte zwermtijd voorbij, hebben de wijfjes eieren gelegd in het rottende hout van oude eiken en liggen de door Mieren of Vogels leeggevreten harde overblijfselen van de mannetjes verstrooid in ’t rond ten bewijze, dat hier Vliegende Herten verblijf hebben gehouden.

De larven, die uit de rondachtige eieren komen, groeien zeer langzaam en voeden zich met het rottende eikenhout (in Italië komen zij ook in jonge Wilgen voor); zij bereiken eerst in het vierde (of vijfde) levensjaar eene lengte van 105 mM. en de dikte van een vinger. Naar het uitwendige gelijkt de larve op die van de leden der volgende familie. Zij draagt aan den hoornachtigen kop 4-ledige sprieten, welker laatste lid zeer kort is. De drie eerste ringen na den kop dragen 6 krachtig ontwikkelde, oranjegele pooten, die in één klauw eindigen. Ook de kop is hooggeel, alleen de hoornachtig harde monddeelen zijn zwart of bruin, de overige ringen stroogeel.

De volwassen larve vervaardigt zich een nest ter grootte van een vuist, dat in den hollen boom gelegen is en uit vermolmde houtvezels bestaat, of diep onder in den stam van aarde vervaardigd wordt; de wand is van binnen glad. Na ongeveer drie maanden heeft de larve in het nest haar gedaantewisseling ondergaan en is eerst pop en later imago geworden; het mannetje houdt in dit tijdperk van zijn bestaan de lange bovenkaken naar den buik gebogen. De Kever blijft voorloopig in zijn wieg, wacht hier tot zijn uitwendig skelet de gewone hardheid en kleur verkregen heeft. Tegen het einde van Juni, in het vijfde (of zesde?) levensjaar, komt hij te voorschijn om gedurende niet meer dan ongeveer 4 weken in gevleugelden toestand te verkeeren. Zoo lang kan men hem ook als gevangene in ’t leven houden, wanneer men hem met suikerwater (of zoete bessen) voedt.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Vliegend Hert (Lucanus cerrus): 1) Mannetje, 2) Wijfje.—Groote Eikenboktor (Cerambyx heros): 3) Mannetje, 4) Larve (rugzijde).

Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Middel- en Noord-Europa en de aangrenzende deelen van Azië; zij ontbreekt natuurlijk in gewesten waar geen eiken groeien.

De familie van de Bladsprietigen (Scarabaeidae) is in alle werelddeelen vertegenwoordigd, het minst in Australië, het sterkst in Afrika; ongeveer 6600 soorten zijn bekend, waarvan 385 Europa bewonen. Behalve door rijkdom aan soorten, die van een groote verscheidenheid van uitwendig voorkomen getuigt, munt deze familie uit door de grootte, den fraaien vorm en de prachtige kleur van hare leden, waarbij ook de grootste van alle Kevers voorkomen. Bovendien merkt men in geen andere familie zulk een groot verschil op tusschen het mannetje en het wijfje van een soort. De mannetjes onderscheiden zich niet slechts door uitwassen aan den kop of aan het halsschild of aan beide te gelijk, maar in enkele gevallen ook door de kleur en de skulptuur van het chitine-skelet zoo belangrijk van de leden der andere sekse, dat men zou kunnen twijfelen aan de tusschen hen bestaande betrekking. Wel is het opmerkelijk, dat dit verschil het duidelijkst is bij de grootste soorten, geringer wordt en bijna geheel wegvalt, naarmate zij kleiner zijn.

Bij al hun verscheidenheid stemmen deze duizenden Kevers overeen door de samenstelling van de sprieten. Deze zijn middelmatig lang; ieder der 3 à 4 laatste, zeer korte sprietleden loopt uit in een dun plaatje, een naar voren gericht aanhangsel, dat bij het mannetje dikwijls langer is dan bij het wijfje. In den toestand van rust voegen deze plaatjes zich aaneen tot een bladerige knots. Zoodra de Kever zich gereed maakt om te vliegen of een anderen inspannenden arbeid te verrichten, spreidt hij de plaatjes als een waaier uit. Juist in de beweeglijkheid der sprietleden is het voorname verschil tusschen de Bladsprietigen en de Kamhoornkevers gelegen. De voet bestaat altijd uit 5 leden, maar biedt veel verschil aan, wat de ontwikkeling der klauwen betreft. Wegens het maaksel van hun voet zijn alle Bladsprietigen slecht ter been; zij richten bij ’t loopen de pooten sterk zijwaarts; vele van hen kunnen goed graven; de meeste zijn ondanks hun plompen lichaamsbouw door de krachtige ontwikkeling van de vleugels geschikt om vlug en lang achtereen te vliegen.

De larven, die zich meest onder den grond ophouden of op andere plaatsen, waar het licht geen toegang heeft, zijn dik, rolrond, gekromd, zoodat zij niet op een platte oppervlakte kunnen kruipen, maar hier op een zijde blijven liggen. Zij hebben een hoornachtigen kop zonder oogen, maar met tamelijk lange, 4-ledige sprieten, aan ieder der 3 volgende segmenten één paar tamelijk lange pooten, nu eens met, dan weer zonder klauwtjes; het laatste achterlijfssegment, waaraan de dwarsgerichte aarsopening voorkomt, is dikwijls zakvormig uitgezet. De naam “Engerling”, die aan de larve van den Meikever toekomt, wordt ook wel gegeven aan de larven van de overige Bladsprietigen, die over het algemeen met de genoemde in vorm overeenkomen. Evenals de Kevers voeden hunne larven zich uitsluitend met plantaardige stoffen: sommige veroorzaken niet zelden groote schade aan onze landbouwplanten; andere bepalen zich tot het gebruik van doode plantendeelen en bespoedigen hierdoor de vorming van teelaarde. Er zijn echter ook Bladsprietigen, die als larve en als Kever zich met aas voeden. Naar den aard van het voedsel kan men de familie in twee afdeelingen splitsen: de Mesteters (Mestkevers en Graafkevers) en de Planteneters (Bladkevers, Reuzenkevers en Bloemenkevers).

Bij de Mestkevers (Coprophaga) zijn de bovenlip, de bovenkaken en de tong vliezig; het bladerige knotsje is uit 3 leden samengesteld. De meeste Kevers van deze groep zijn klein of middelmatig groot. Zij leven, evenals hunne larven, in mest, vooral van Hoefdieren, komen, door hun uitmuntenden reukzin geleid, van heinde en ver aanvliegen, zoodra zich ergens een drekhoop bevindt en maken, dat deze na zeer korten tijd van deze dieren wemelt.

De Heilige Tor (Ateuchus sacer), een bewoonster van de kustlanden der Middellandsche Zee, wordt zoo genoemd, omdat zij een zekere rol speelde in de godsdienstige voorstellingen en gebruiken van de oude Egyptenaars, die in de werkzaamheid en den vorm van dezen Kever aanleiding vonden om hem te beschouwen als het zinnebeeld van de aarde, van de zon en van den moedigen krijgsman; daarom prijkt zijn beeltenis op hunne gedenkteekenen, en sieren kolossaal vergroote, in steen gehouwen nabootsingen van zijn gestalte (de zoogenaamde Scarabeën) hunne tempels.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Heilige Tor (Ateuchus sacer). Ware grootte.

Dit dier behoort tot het geslacht der Drekrollers, Balrollers of Pillenkevers, kenbaar aan den half kringvormigen kop met zestandigen voorrand, de samengestelde oogen, die door een dwarsstrook verdeeld zijn in een bovenste en een onderste helft en de 9-ledige sprieten, voorts aan het ontbreken van den voet aan den vingervormig getanden voorscheen en aan den doorn, die naast den smallen voet aan het einde van den scheen der overige pooten voorkomt. De dekschilden zijn aan ’t einde afgeknot en hebben geen binnenwaarts gerichte bocht aan den buitenrand; er zijn 6 leden in ’t achterlijf. De kenmerken van de genoemde soort zijn: kerfjes aan de binnenzijde van den wortel der voorscheenen, een glad rugschild op den laatsten achterlijfsring, zwak overlangs gevoorde dekschilden; de haren langs den rand van kop, halsschild en pooten zijn bij het mannetje zwart, bij het wijfje aan den achterscheen roodbruin; het breede, platte lichaam heeft een zwak glanzige, zwarte kleur.

Alle Pillenkevers ontleenen hun naam aan de op pillen gelijkende mestbolletjes, die zij voor hun kroost vervaardigen. Zoowel het mannetje als het wijfje houden zich met het pillendraaien bezig. Het voor dit doel bestemde materiaal, bij voorkeur koemest, wordt met het getande kopschild van een drekhoop los gemaakt en met de pooten gefatsoeneerd. Het wijfje legt een ei in ’t midden van deze kluit, die vervolgens door beide Kevers gerold wordt: de eene trekt er met de voorpooten aan; de andere duwt haar met met den kop van onderen op. Door het rollen wordt de oorspronkelijke week en oneffene massa langzamerhand veranderd in een harden, gladden kogel. Het werkstuk van de Heilige Tor heeft een middellijn van nagenoeg 5 cM., dat van hare kleinere verwanten heeft een geringeren omvang. De Kevers graven vervolgens een diepe buis, waarin zij den nu voltooiden bal laten zakken. Het dichtwerpen van deze holte is het laatste bedrijf van den moeitevollen arbeid, die noodig was voor de uitrusting van één der jongen. Daar dezelfde toebereidselen noodig zijn voor ieder volgend ei, nemen de genoemde werkzaamheden den geheelen korten levenstijd in beslag; zij duren voort, totdat de Kevers, uitgeput door den arbeid, stervend op het schouwtooneel hunner daden neerstorten. Voor de ontwikkeling van de larve zijn verscheidene maanden noodig; niet voordat het opnieuw lente geworden is, verlaat zij in den toestand van Kever haar geboorteplaats.

*

Andere leden van dezelfde onderfamilie houden zich bij troepen in den mest op en graven hieronder gaten, bestemd tot berging van de drekkluit, waarin zij eieren leggen. Zij behooren o.a. tot het over alle werelddeelen verbreide geslacht Ontophagus (waarvan een viertal soorten hier te lande in koemest en menschelijke uitwerpselen gevonden zijn; algemeen is de donker bronskleurige, 7 à 9 mM. lange O. fracticornis),—tot het alleen in Australië ontbrekende geslacht Copris (langwerpig van gestalte, aan de rugzijde zeer bol en zuiver zwart van kleur; inheemsch is de in koemest levende 15 à 20 mM. lange C. lunaris),—tot het Zuid-Amerikaansche geslacht Phanaeus (waarvan sommige soorten een prachtigen metaalglans en een blauwe, groene, goudgele of roode kleur vertoonen). Van zeer vele soorten is het mannetje kenbaar aan één hoorn op den kop (b.v. Odontophagus nuchicornis) of aan 2 hoornen, welke als die van een stier geplaatst zijn (b.v. Odontophagus taurus), of aan 2 hoornen op het halsschild, gepaard met één hoorn op den kop (b.v. Copris lunaris).

*

Meer bepaaldelijk geeft men den naam van Mestkevers (Aphodius) aan soorten, die met de zooeven genoemde door het maaksel van de monddeelen en van de sprieten overeenstemmen, doch zich kenmerken door 5 ringen aan het achterlijf, 2 doornen aan het einde van den achterscheen en dekschilden, die van achteren afgerond zijn en het uiteinde van ’t lichaam niet onbedekt laten. Verscheidene honderden van deze soorten, uit alle oorden van de aardoppervlakte afkomstig, zijn bekend; het talrijkst heeft men ze gevonden in de gematigde en koude gewesten van ons werelddeel (in Europa 120 soorten, waarvan 21 in Nederland). Zij zijn het, die men op fraaie zomeravonden, of bij zonneschijn over dag, bij duizenden ziet rondvliegen, als Honigbijen een hoop drek omzwermend, die dikwijls in een bont gezelschap van deze kevertjes omgetooverd schijnt te zijn. Zij geven zich niet zooveel moeite als hunne vroeger genoemde verwanten, graven geen gaten in den grond, draaien geen pillen voor hunne jongen, maar leggen de eieren onmiddellijk in de mest. Bijna alle hebben een nagenoeg rolrond lichaam van geringe grootte en zwarte of vuilbruine kleur. De halfcirkelvormig afgeronde kop is in het midden van den voorrand ondiep uitgesneden en draagt onverdeelde oogen. De grootste inheemsche soort (8 à 11 mM. lang), de Gravende Mestkever (Aphodius fossor), is glanzig zwart van kleur; soms zijn de dekschilden echter bruinrood.

*

De grootste inheemsche vertegenwoordigers van de onderfamilie der Graafkevers (Arenicolae) zijn de Paardenmestkevers (Geotrupes), gewoonlijk eenvoudig “Mestkevers” genoemd. Dikwijls ziet men ze op velden of in bosschen wijdbeens op plompe wijze over den weg sluipen of hoort men ze op een zomeravond met luid gebrom voorbij suizen. De bovenlip en de bovenkaken zijn hoornachtig en niet door het kopschild bedekt, de oogen in een bovenste en een onderste helft verdeeld. De zwarte, soms met metaalachtigen glans schitterende Paardenmestkevers zijn beperkt tot de gematigde gewesten van Europa en Noord-Amerika, het Himalaja-gebergte in Azië, Chili in Zuid-Amerika en de noordkust van Afrika.

De Paardenmestkevers, zoo genoemd, omdat sommige soorten bij voorkeur paardenmest tot verblijfplaats kiezen, zijn logge, plompe Insecten, door lichaamsbouw minder geschikt tot voetreisjes dan tot graven. De uitwerpselen van Hoefdieren, die zij op hun weg ontmoeten, in een lateren tijd van ’t jaar ook Paddestoelen, die aan zoovele Insecten en Slakken voedsel verschaffen, zijn voor alle Geotrupen zeer aanlokkelijke verschijnselen. De Kever dringt in den drekhoop of in den Paddestoel door, niet slechts om zijn eigen honger te stillen, maar vooral om in nagenoeg verticale richting een gat te graven, dat soms wel 30 cM. diep is, en dit tot broedplaats geschikt te maken door een deel van het bij den ingang gelegen voedsel naar den bodem van het kuiltje te vervoeren, waarna het wijfje er één ei in legt. Voor ieder ei moet een nieuw kuiltje gegraven en meestal ook eene andere drekhoop opgezocht worden. Gedurende zijn verblijf te midden van het vuil, en terwijl hij hieronder in den grond wroet, komt de Paardenmestkever in aanraking met allerlei ongedierte. De lastige parasieten, die de Doodgravers kwellen, worden ook op andere in dergelijke omstandigheden verkeerende Kevers gevonden. Dikwijls zijn zij behept met Kevermijten (Gamasus coleopterarum), die vlug op hun borst en buik rondloopen; het aantal dezer kwelgeesten neemt toe, naarmate de krachten van den Mestkever verminderen en hij zijn einde nadert. In den herfst vindt men hem nu en dan op den weg liggen met alle 6 pooten stijf zijwaarts gestrekt als een uitgedroogd lijk, dat zelfs door het ongedierte gemeden wordt. Vele van zijne soortgenooten zijn niet als hij een natuurlijken dood gestorven, maar werden door een Klauwier gegrepen en levend aan een doorn gestoken; hetzelfde lot valt vele Aardhommels ten deel.

De Vroege Paardenmestkever (Geotrupes vernalis), de kleinste inheemsche soort, wordt slechts 13 à 15 mM. lang; hij heeft een fraaie, staalblauwe kleur en een zeer gladde, glanzige rugzijde.

De Gewone Paardenmestkever (Geotrupes stercorarius), die minstens 19.5 mM. lang wordt, heeft diep gegroefde dekschilden; hij is op den rug zwart met blauwen of groenen weerschijn, van onderen fraai violet.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Driehoornige Paardenmestkever (Geotrupes typhoeus). Mannetje. Ware grootte.

De Driehoornige Paardenmestkever (Geotrupes typhoeus), die hier te lande nog niet gevonden werd, onderscheidt zich door de drie naar voren gerichte hoornen, waarmede het halsschild van het mannetje versierd is. De dekschilden zijn iets platter dan bij de vorige soorten, zuiver zwart van kleur en, evenals het overige lichaam, zeer glanzig.

*

De Druivensnijder (Lethrus cephalotes), die door zijn lichaamsbouw duidelijk verwant is aan de vorige geslachten, verschilt er echter van door het maaksel der sprieten; de beide laatste leden zijn in het vorige, dat afgeknot is, op soortgelijke wijze verborgen als het binnenste van een bol in de bolschubben. Door de dicht bijeengeplaatste, fijne stippeltjes schijnt de zwarte kleur van dit dier dof; zijn dekschilden vormen gezamenlijk bijna een halven bol. In droge, zandige, gewesten van Zuidoost-Europa leven de Druivensnijders in drogen mest en bij de wortels van overblijvende planten. Zij bewonen hier bij paren gaten in den grond en hebben reeds voor lang door hun beslist nadeeligen invloed op den wijnstok de aandacht op zich gevestigd.

Vooral in de morgenuren en des namiddags na drieën komen deze Kevers uit hunne gaten te voorschijn, kruipen, wanneer zij niet gestoord worden, haastig bij de wijnstokken op, bijten knoppen, jonge loten met en zonder druiven van de plant af en keeren, met dezen buit beladen, achtereenvolgens ieder naar zijn hol terug. Nadat deze en andere plantendeelen, onder den grond verwelkt zijn, vormen zij waarschijnlijk het voedsel der Kevers, stellig echter in de eerste plaats dat hunner jongen.

Bij de Plantenetende Bladsprietigen laten de dekschilden minstens den laatsten ring van het achterlijf en de laatste paren ademgaten onbedekt. Deze groep omvat drie onderfamiliën, waarvan wij die der Bladkevers (Phyllophaga)—met 264 geslachten en 2770 soorten—het eerst zullen nagaan. Hun kopschild is in den regel door een naad van het voorhoofd gescheiden, niet er mede vergroeid; de bovenkaken zijn hoornachtig en driehoekig van vorm; de bovenlip puilt meestal naar voren uit.

Bij een aantal Bladkevers, die naar onzen Meikever Melolonthiden heeten, is de scheen der voorpooten, vooral bij het wijfje, krachtig en voor het graven geschikt, ook zijn de klauwen van alle voeten gelijk. Hunne larven, voor zoover men ze kent, voeden zich met de wortels van levende planten, terwijl de Kevers bladen eten. Sommige kunnen ons buitengewoon veel schade veroorzaken, wanneer zij, gelijk nu en dan op sommige plaatsen geschiedt, in zeer grooten getale optreden. Europa onderhoudt het kleinste aantal soorten van Melolonthiden (94), Afrika het grootste (361).

De Meikevers (Melolontha) verschillen van hunne naaste verwanten, doordat de voetklauwen aan den wortel bij beide seksen van een klein spits tandje zijn voorzien; het mannetje heeft een uit 7 lange, het wijfje een uit 6 veel kortere platen bestaanden “waaier” aan ’t einde der sprieten; de laatste achterlijfsring eindigt in een langen, benedenwaarts gerichten “griffel”. De meest bekende van de 3 inheemsche soorten—de Gewone Meikever (Melolontha vulgaris)—is kenbaar aan de driehoekige, krijtwitte vlekjes aan de zijden van het achterlijf en aan den schuins naar beneden wijzenden, tamelijk breeden, gelijkmatig smaller wordenden “griffel”; de sprieten, pooten en dekschilden zijn rood, de grondkleur van de overige deelen is zwart; de geheele Kever is meer of minder duidelijk wit behaard, vooral als hij pas den grond verlaten heeft; hij wordt daarom ook wel Mulder of Molenaar genoemd.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Gewone Meikever (Melolontha vulgaris). 1) Wijfje, 2) Mannetje, 3) Pop, 4) Larve. Ware grootte.

“Wanneer in Holland en westelijk Utrecht Meikevers worden gevangen,” schrijft Ritzema Bos, “dan behooren zij zonder uitzondering tot de soort, die ik Hollandschen Meikever (Melolontha hippocastani) genoemd heb. De leefwijze van deze soort schijnt met die van de vorige overeen te stemmen. De wijze, waarop zij schade teweegbrengt, is ook volkomen dezelfde; maar zij komt (althans in ons land) niet in die menigte voor. In Holland ziet men nooit, zooals in Gelderland, Meikevers op één avond bij millioenen den grond verlaten.” Van den Gewonen Meikever onderscheidt zich deze een weinig kleinere soort, doordat haar veel kortere achterlijfspits niet schuins, maar loodrecht naar beneden gericht is, plotseling dunner wordt en zich dikwijls aan het einde weer eenigszins verbreedt. De kop en het halsschild hebben een roodachtige kleur en zijn slechts bij uitzondering zwart. In Gelderland betitelt men deze soort soms “Koning van Rome”, sterk grijs behaarde Gewone Meikevers “Keizer van Rome”.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Duinkever (Polyphylla fulla). Mannetje. Ware grootte.

De Meikever wordt zoo genoemd, omdat hij gewoonlijk in Mei verschijnt, waaruit men echter niet moet afleiden, dat hij in geen andere maand vliegt. Een buitengewoon zacht voorjaar lokt de Kevers reeds in April uit den grond; in ’t tegengestelde geval wachten zij de maand Juni af; in zoogenaamde “meikeverjaren” kan men ze soms van Mei tot in het midden van Juli aantreffen. Soms vertoonen enkele Kevers zich in de een of andere maand vóór den gewonen vliegtijd, tusschen September en Maart; dit zijn uitzonderingen, die waarschijnlijk steeds toegeschreven moeten worden aan het losmaken van den grond door het ploegen. Hun verschijning is meestal aan bepaalde plaatsen gebonden: in buitengewoon grooten getale ziet men ze hier na bepaalde tijdruimten. Men heeft opgemerkt, dat in de meeste streken van Duitschland deze voor den landman en houtteler hoogst nadeelige gebeurtenis zich om de vier jaren herhaalt. Daarentegen heeft men steeds om de drie jaren een meikeverjaar waargenomen in Zuid-Duitschland, in Zwitserland, in Frankrijk en ook in Duitschland en Nederland aan den Rijn. Plaatselijke omstandigheden brengen teweeg, dat de ontwikkeling van dezelfde diersoort in sommige streken een jaar langer duurt dan in andere; een verschil van eenige graden tusschen de gemiddelde jaartemperaturen der bedoelde gewesten heeft hierop waarschijnlijk een overwegenden invloed.

Zoodra de Kevers uit den grond gekropen zijn en niet door ongunstige weersgesteldheid aan de oppervlakte teruggehouden worden, vliegen zij bedrijvig rond om voedsel te zoeken, waarbij zij zelf dikwijls een lekker hapje leveren aan de Vleermuizen en eenige Nachtroofvogels; niet slechts op warme avonden, maar ook over dag bij warm, stil weer en zonneschijn zijn zij druk bezig. Eerst laat in den nacht begeven zij zich ter ruste; des morgens vroeg (en bij guur weer den geheelen dag) hangen zij met opgetrokken pooten losjes aan de boomen en struiken. Zij begunstigen vooral de pruimen- en kersenboomen onzer tuinen en de breedgebladerde boomen der bosschen. Door tegen den boom te stooten, niet door schudden, kan men ze zeer goed naar beneden doen tuimelen om ze vervolgens op te zoeken.

Het wijfje kruipt in den grond en legt hier op een diepte van 5 à 7 cM. eenige hoopjes van 12 à 20 stuks langwerpige, een weinig afgeplatte, witte eieren, in ’t geheel een 40-tal. Na het verrichten van dezen arbeid keert zij dikwijls niet naar de oppervlakte terug, maar sterft; ook zij, die weer boven den grond verschijnen, volgen, door de inspanning uitgeput, spoedig de reeds vroeger bezweken mannetjes na. Vier à zes weken na het leggen der eieren worden de larven geboren; gewoonlijk noemt men ze “engerlingen”, in sommige streken van Gelderland ook wel “elften”. De jonge larven, die soms nog in het laatst van September bezig zijn met het verslinden van de fijne wortelvezels in haar omgeving, voeden zich in ’t eerste levensjaar voornamelijk met rottende organische stoffen en begeven zich daarna een weinig dieper in den grond om winterslaap te houden. In de volgende lente komen zij weer nader bij de oppervlakte en gaan opnieuw aan ’t vreten. Tusschen den langsten dag en den 21en September ligt de tijd, waarin zij de grootste schade aanrichten. Nogmaals zoeken zij hare winterslaapplaatsen op en gedragen zich in het nu volgende jaar geheel op dezelfde wijze als in het vorige. Na de derde lente en zomer van haar leven is de groei der larve afgeloopen en kruipt zij dieper in den grond; men mag aannemen, dat alle engerlingen in Augustus of op zijn laatst in ’t begin van September de gedaante van pop hebben verkregen en vóór den aanvang van den winter in den imago-toestand overgegaan zijn. De Kevers blijven echter, wanneer men ze niet stoort, nog den geheelen winter rustig op de plaats, waar zij als poppen vertoefden. Al naar de diepte, waarop deze zich bevindt, en de vastheid van de aardlagen, die haar bedekken, heeft de Kever een meer of minder langen tijd noodig om aan de oppervlakte te komen; steeds kiest hij de avonduren uit om den grond te verlaten en zich in de lucht te verheffen. Telkens als het dier wil gaan vliegen, moeten de luchtzakken volgepompt worden, nadat door het persen van lucht in de vleugeladers de vleugels gestrekt zijn; dit gaat gepaard met eigenaardige, hijgende bewegingen van het achterlijf, het opheffen der dekschilden en het uitspreiden der sprietleden, welke verschijnselen men trouwens ook bij andere Kevers waarneemt.

*

De Duinkever (Polyphylla fullo), de grootste van alle Europeesche Melolonthiden (25 à 35 mM. lang), wordt als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd wegens het ontbreken van den “aarsgriffel”; het knotsje aan ’t einde van de sprieten bestaat bij ’t mannetje uit 7, (soms wel 10 mM. lange), bij ’t wijfje uit 5 veel kortere (1.5 mM. lange) plaatjes. Het gemakkelijkst herkent men hem echter aan de wit gemarmerde, roodbruine dekschilden. Bij ons houdt hij zich het meest in duinstreken op, waar hij door ’t vernielen van helm-aanplantingen nadeelig kan zijn. Hij is over een groot deel van Europa verbreid, maar geeft aan zandige, met naaldboomen begroeide vlakten de voorkeur boven alle andere oorden; van deze zoowel als van andere daartusschen groeiende boomen vreet hij de bladen, terwijl de larve, die aanmerkelijk grooter is dan de gewone engerling, hunne wortels beschadigt. Men ziet hem ieder jaar in nagenoeg gelijken getale in de eerste helft van Juli verschijnen. Een geregeld wederkeerende buitengewone talrijkheid van deze Kevers werd nog niet waargenomen; meestal is de aangerichte schade daarom niet zeer belangrijk.

*

De Junikever (Rhizotrogus solstitialis) kan als voorbeeld dienen van een in zuidelijker streken zeer sterk vertegenwoordigd geslacht, waarvan in ons land nagenoeg alleen deze soort, die in de provinciën Gelderland, Utrecht en Noordbrabant op sommige plaatsen volstrekt niet zeldzaam is, aangetroffen wordt. Evenals bij het vorige geslacht, ontbreekt hier de aarsgriffel; de knop van den spriet bestaat uit slechts 3 leden. De Junikever is ongeveer half zoo groot als de Meikever, op de rugzijde geelachtig bruin, op den achterkop, de schijf van het halsschild en de geheele onderzijde donkerder van kleur; de voorrug, het schildje en de borst zijn met lange haarbundels begroeid; de beharing van den buik is iets minder sterk.

De levenswijze en de ontwikkelingsgeschiedenis van den Junikever verschillen in vele opzichten van die van den Meikever. Zooals zijn naam aanduidt, vliegt hij altijd later, tegen het laatst van Juni, rond; men ziet hem dan slechts gedurende ongeveer 14 dagen, binnen zeer enge grenzen echter soms in grooten getale. Zoodra de zon onder de kim gedaald is, vliegen deze Kevers bedrijvig over de graanvelden en de naburige lage boomen en struiken rond; men zou zeggen, dat zij het er op aanleggen om den niets kwaads bedoelenden wandelaar zooveel last te veroorzaken als mogelijk is, daar zij zich niet storen aan afwerende bewegingen en hem altijd weer om het hoofd vliegen. De wijfjes leggen hare eieren bij de wortels van allerlei planten; de wortels van het koren en van andere grassen en kruiden schijnen echter het meest van de vraatzucht der larven te lijden te hebben.

*

De Bladkevers met twee klauwen van ongelijke grootte aan den voet vormen de groep der Ruteliden. Van de 600 hiertoe behoorende soorten vindt men er slechts betrekkelijk weinige in Europa en Nieuw-Holland, de meeste (200) in Azië, vele (183) in Zuid-Amerika; Noord-Amerika en Afrika zijn ongeveer even ruim bedeeld.

De Anisopliën (Anisoplia) zijn gemiddeld 9 à 11 mM. lang; men vindt ze in Europa en Azië op verschillende planten, vooral echter op grassen, dus ook op graangewassen; in Afrika komen slechts weinige soorten voor; in Amerika ontbreken zij geheel. Hun kopschild is naar voren verlengd en vormt vóór den kop een aan de spits bovenwaarts gebogen uitsteeksel.

Het fraaie Roggekevertje (Anisoplia fruticola) is bronsgroen van kleur, van onderen met een dicht vilt bedekt, op het halsschild van een geel haarkleed voorzien; de dekschilden hebben bij het mannetje een roestroode, bij het wijfje een meer geelachtige kleur; bij haar vindt men op de dekschilden, als omlijsting van het groene schildje, een zwarte vlek. Deze Kevers bezoeken ten tijde van den bloei, of kort daarna roggearen om de bloemdeelen of het eerste beginsel van de vrucht af te vreten en richten op deze wijze, wanneer zij in grooten getale voorkomen, een niet onbelangrijke schade aan. De larve gelijkt veel op een jonge engerling en wordt voor onschadelijk gehouden, ofschoon zij misschien ook wel de wortels van de graangewassen afvreet.

Soms hebben de rozen in onze tuinen veel te lijden van het Rozenkevertje (Phyllopertha horticola). Dit Insect, dat de fraaiste bloemen vernielt, komt in vorm met het vorige overeen, doch is een weinig platter, 9 à 11 mM. lang, glanzig blauwgroen en sterk behaard. Op zijne donkerbruine of zwarte dekschilden wisselen onregelmatige, overlangsche lijsten met reeksen van onregelmatige stippels af.—De larve leeft op de wortels van verschillende overblijvende planten en verschoont ook de potplanten niet.

*

De Reuzenkevers (Dynastidae) verschillen door de gelijkheid der beide klauwen aan iederen voet van de leden der vorige groep, door dwars gerichte, in een groeve van het borstschild verborgen voorheupen van de volgende onderfamilie. Zij verdienen hun naam, daar men onder hen de grootste en zwaarste leden, niet slechts van de familie der Bladsprietigen, maar van de geheele orde der Kevers aantreft. Bij hen ontwaart men de grootste afwijkingen tusschen het mannetje en het wijfje van dezelfde soort. De mannetjes zijn meestal, hetzij alleen op den rug van het voorborststuk, hetzij hier en op den kop, met hoornen en spitsen van de meest zonderlinge gedaante uitgerust, die eenvoudig beschouwd moeten worden als een tooi van het mannetje, welke bij het wijfje ontbreekt en bij het zoeken van een legplaats voor de eieren voor haar zelfs in de hoogste mate hinderlijk zou zijn. De meeste houden zich over dag verborgen in rottend hout, in gaten van boomen, onder dorre bladen en op dergelijke schuilplaatsen, worden des nachts wakker en gebruiken dan hunne vleugels; zij vliegen op een logge, ver hoorbare wijze, heffen daarbij de dekschilden slechts weinig op en richten ze niet zijwaarts.

De weinige larven van Reuzenkevers, die tot dusver bekend zijn, leven in rottend hout en gelijken veel op die van de Bladkevers door de dwarse rimpels op de huid en de zakvormige verwijding van het laatste achterlijfssegment. Vóór de gedaantewisseling, waaraan een veeljarig leven in den larvetoestand voorafgaat, vervaardigen de larven zich een stevig, dikwandig nest van de haar omgevende stof; de Kever blijft hierin, totdat hij na het verharden van zijn uitwendig skelet in staat is om zijn gevangenis te verbreken.

Deze onderfamilie omvat nagenoeg 500 soorten, die bijna uitsluitend den heeten aardgordel bewonen; verreweg de grootste helft behoort in Amerika thuis; eenige minder kolossale soorten komen over alle werelddeelen verspreid voor.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Roggekevertje (Anisoplia fruticola). Ware grootte.

Het mannetje van den Herkules-kever (Dynastes hercules) is beroemd wegens zijn grootte en vorm. Het bereikt een lengte van 157 mM., waarvan de kleinste helft komt op den hoorn, die de rugzijde van het voorborststuk versiert. Deze is aan de onderzijde geel behaard en loopt van voren in twee takjes uit; hij overdekt den veel korteren hoorn, die van het voorhoofd uitgroeit. Beide hoornen zijn glanzig zwart, evenals het geheele overige lichaam, met uitzondering van de licht olijfgroene, met zwarte vlekken geteekende dekschilden.

Een meer bescheiden vorm heeft het mannetje van den inheemschen Neushoornkever (Oryctes nasicornis); hij heeft slechts één hoorn van middelmatige lengte op den kop en drie gelijke knobbels op de dwars gerichte lijst, waardoor het halsschild in twee afdeelingen is gescheiden; de grootste of voorste afdeeling is in het midden uitgehold. Op de dekschilden neemt men reeksen van fijne stippels waar; de kleur is zwartbruin, doch zweemt aan de onderzijde sterk naar rood. Het wijfje mist den hoorn; een stompe knobbel wijst de plaats aan, waar haar echtgenoot dit onderscheidingsteeken draagt. Lengte 36 à 37 mM.—Deze fraaie soort wordt vooral in de noordelijke helft van Europa gevonden en wel in de uitgeloogde run, het zoogenaamde “kif”, waarmede de broeibakken der bloemkweekers gevuld zijn en die ook wel op tuinpaden wordt gestrooid. Op plaatsen waar zij zich eens gevestigd heeft, is zij gewoonlijk niet zeldzaam.—De larven van een andere soort (Oryctes simias) richten in de kokoswouden van Madagaskar door het knagen van gangen in den stam soms aanzienlijke schade aan. Men vindt stammen met holten ter dikte van een arm, die door honderden van larven bewoond worden.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Mannetje van den Neushoornkever (Oryctes nasicornis). Ware grootte.

*

De laatste onderfamilie van de Plantenetende Bladsprietigen omvat de Bloemkevers (Melitophila); zij volgt, wat rijkdom aan soorten betreft, op de groepen der Bladkevers en der Mestkevers, maar overtreft deze door de verscheidenheid van vorm en kleur harer leden. De Bloemkevers behooren voor ’t meerendeel thuis in landstreken, waar de zon loodrecht hare stralen werpt; zij zoeken de geurige bloemen van kruiden en houtige planten op om in gezelschap van schuwe Vlinders, vroolijke Vliegen en altoos bezige Bijen hun maal te doen met stuifmeel; bovendien eten zij de organen, waardoor dit poeder wordt voortgebracht, voorts bloembladen en andere bloemdeelen; zij lekken ook wel het sap, dat uit de wonden van boomen vloeit. In den regel is het heupblad van het achterborststuk van boven zichtbaar door een uitsnijding van het dekschild onmiddellijk achter den schouder; hiernaar wordt deze onderfamilie verdeeld in de soortenrijke afdeeling van de Bloemkevers i.e.z. (Cetonidae) en de soortenarme van de Kwastkevers (Trichiidae).

Meer dan ⅓ van de geheele groep bewoont Afrika, nauwelijks 1⁄25 Europa; in alle werelddeelen is zij vertegenwoordigd; de prachtigste vormen zijn echter bewoners van tropische gewesten.

*

Een prachtig Insect is de mannelijke Grootste Goliath (Goliathus giganteus, G. Druryi) uit Opper-Guinea. De scheef naar voren afhellende kop draagt naast de oogen twee stompe, naar boven gerichte lappen en loopt van voren uit in een breed, kort, hoornachtig, gaffelvormig uitsteeksel met afgeknotte spitsen. Fluweelachtig zwart is de hoofdkleur; de kop, het halsschild, met uitzondering van 6 langwerpige vlekken, het schildje, een groote, driehoekige vlek op de dekschilden, die door de naad middendoor wordt gedeeld, en de buitenrand der dekschilden zijn krijtwit. De lengte kan 98 mM. bedragen. Het iets kleinere wijfje heeft meer glans, geen uitsteeksel op den kop, maar 3 tanden aan den buitenrand der voorscheenen. In 1770 leerde men dezen Kever voor ’t eerst in Europa kennen; de verzamelaars stellen zooveel prijs op zijn bezit, dat zij soms voor het paar meer dan 50 gulden betalen. Van dit uitsluitend in Afrika levend geslacht heeft men later nog 5 andere soorten ontdekt. Een daarvan is de Gaffelneus [Goliathus (Dicranorrhina) Smithii] van Port-Natal, die niet door grootte, maar wel door andere eigenaardigheden aan de vorige herinnert. Dit fraaie Insect is bronsgroen; de schenkels, de scheenen, het schildje en de achterrand van het halsschild zijn rood, de dekschilden bruingeel met zwarte randen, een onduidelijke vlek op de schijf van het halsschild en twee vlekken op ieder dekschild zwart; aan de onderzijde is het achterlijf rood, het borststuk bruin. Het mannetje heeft voor op den kop een gaffelvormigen hoorn, die bij het wijfje ontbreekt; bij haar zijn daarentegen de voorscheenen aan den buitenrand met drie scherpe tanden gewapend.

*

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Gaffelneus (Dicranorrhina Smithii).—2) Gouden Tor (Cetonia aurata).—3) Gestreepte Kwastkever (Trichius fasciatus). Ware grootte.

De Gouden Tor (Cetonia aurata) is een typische vertegenwoordiger van de geheele groep. Wie kent hem niet, den goudgroenen Kever, getooid met eenige geschubde dwarsgroeven op de achterste helft van de dekschilden, die bij warm, zonnig weer met luid gegons naar de bloeiende struiken en kruiden van tuinen, bosschen en weiden vliegt, waarbij de dekschilden gesloten blijven. Wanneer men hem aanvat, verweert hij zich door het uitwerpen van een vuilwit, vettig vocht van onaangenamen reuk uit den aars en tracht hierdoor waarschijnlijk zijn vrijheid te herkrijgen. Op oude eiken of andere boomen, die wonden hebben, waaruit sap vloeit, zitten de Gouden Torren dikwijls in troepen dicht bijeen en vallen op een afstand door hun aan goud herinnerenden glans in ’t oog. Schadelijk zijn zij eigenlijk niet; wanneer zij echter in grooten getale voorkomen in een tuin, waar rozebottels gekweekt worden, is de verminderde opbrengst aan hen te wijten; bovendien verminken zij door het opvreten der bloemdeelen de rozen (vooral witte) van menigen anderen struik, die ter wille van de bloemen geplant werd.

De genoemde soort onderscheidt zich van hare naaste verwanten door een streep op de dekschilden aan weerszijden van den naad, waardoor deze den indruk maakt van een groeve; het bij alle leden van haar geslacht aan het middelste borstschild voorkomend uitsteeksel eindigt bij haar knopvormig. De larve leeft in rottend hout en werd dikwijls gevonden onder in de nesten van de Roode Boschmier (Formica rufa), waar zij zich voedde met de allengs verrottende stukjes hout, die de Mieren bijeenbrengen.

*

Behalve het gemis van de uitsnijding der dekschilden achter den schouder hebben de soorten, die zich om de Kwastkevers (Trichius) scharen, nog andere eigenaardigheden gemeen, die hun vorm aanmerkelijk wijzigen: het halsschild is meer kringvormig, dikwijls aan den achterrand lijstvormig gezwollen en schijnt smaller te zijn dan de dekschilden.

De Eremiet of Lederkever (Osmoderma eremita) verdient in de eerste plaats vermelding als de grootste Europeesche soort; zij vervangt in deze afdeeling als ’t ware de Goliathkevers. Haar lengte bedraagt 26 à 33 mM. Bij ons is zij zeer zeldzaam; men vond haar in Gelderland in vermolmd hout. Zij is kenbaar aan haar glanzig zwartbruine kleur met paarsen weerschijn, de overlangsche groef op ’t midden van het halsschild, de rimpelig gestippelde dekschilden en de lucht van juchtleer, die zij verbreidt en waaraan haar geslachtsnaam ontleend is. Daar de wilgen vaak rottende gedeelten vertoonen, leveren deze dikwijls een verblijfplaats aan den Lederkever. Men vindt hem eveneens in eiken, beuken, berken, linden en vruchtboomen, die ongezond, week hout bevatten; dit is het voedsel van de gedrongen gebouwde larve, die zich waarschijnlijk eerst na verscheidene jaren verpopt.

Een prettiger indruk dan de Eremiet maakt de Gestreepte Kwastkever (Trichius fasciatus). Evenals bij alle echte Trichiën, is het kopschild langer dan breed en van voren uitgesneden; het draagt, gelijk de kop en het halsschild, een ruig kleed van talrijke gele haren; die van de onderzijde en van de achterlijfsspits hebben een meer witte kleur; de beide aan den naad ineenloopende dwarsbanden op de dekschilden zijn geel. Bovendien verdienen de achterheupen vermelding, daar zij elkander aanraken. Deze soort, die in sommige jaren hier te lande, vooral op maandrozen, veelvuldig aangetroffen wordt, kruipt, evenals de Rozenkever, diep in de bloem, blijft hier bewegingloos zitten en vreet de binnenste bloemdeelen op. De larve leeft, evenals die van alle andere Trichiën, in rottend hout.

Een merkwaardige Bloemkever van Amboina is de Langarmige Kwastkever (Enchirus longimanus). Wanneer het mannetje, wiens lichaam 65 mM. lang is, de voorpooten uitstrekt, bedraagt de afstand van de spits van het achterlijf tot het einde van den voet niet minder dan 131 mM.

De reeks van de Ongelijkledige Kevers (Heteromera), kenbaar aan de 5-ledige voor- en middelvoeten en 4-ledige achtervoeten, vangt aan met de familie der Zwartlijven (Melasomata). Hoewel de 600 geslachten, waarover men de ruim 4500 bekende soorten van deze familie verdeeld heeft, een zeer verschillenden lichaamsvorm hebben, merkt men in andere opzichten tusschen hen (en meer nog tusschen hunne larven) een zoo groote overeenstemming op, dat alle gezamenlijk een goed afgerond geheel uitmaken. De kop is voor de helft verscholen onder het halsschild; de tamelijk korte sprieten zijn meestal uit 11 leden samengesteld en parelsnoer- of draadvormig. De heupen van ieder paar pooten zijn bijna altijd op zekeren afstand van elkander geplaatst; de kogelvormige voorheupen draaien in gesloten pannen; de voetklauwen zijn meestal enkelvoudig, slechts zelden gespleten. Aan het achterlijf onderscheidt men duidelijk 5 vrije ringen. Daar de meeste dezer “zwartrokken” de vleugels missen en zelfs hunne dekschilden dikwijls langs den naad vergroeid zijn, ontbreekt hun niet slechts de aandrift, maar over ’t algemeen ook de geschiktheid om zich in de lucht te verheffen; zij mijden daarom het licht, vestigen zich bij voorkeur op een vochtigen bodem, onder steenen, achter rottende wortels en schorsschilfers, in vuile hoeken van huizen, enz. en nemen van hun vieze omgeving ook een onaangename lucht over; in alle opzichten zijn deze liefhebbers van de duisternis dus hoogst onbeminnelijk. Hoewel verreweg de meeste zich kenmerken door sombere kleuren en een lichtschuwe levenswijze, behooren tot deze familie ook eenige soorten, die met lichtere kleuren en met metaalglans prijken, van goed ontwikkelde vleugels gebruik maken en op boomstammen verblijf houden.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Gewone Rouwkever (Blaps mortisaga) met larve. Ware grootte.

De weinige larven van Zwartlijven, die men kent, gelijken alle op den Meelworm; het langwerpige, wormvormige, van boven naar onderen eenigszins samengedrukte lichaam loopt uit in één spits of in 2 aanhangsels en is geheel met een glad, hard, meestal licht gekleurd pantser bedekt; het wordt gesteund door zes 5-ledige pooten; de kop draagt 4-ledige sprieten en aan iedere zijde 2 of 5 oogen.

*

In de eerste plaats bespreken wij een over geheel Europa verbreide, bij voorkeur kelders en dergelijke donkere hoeken van huizen bewonende duisterling, den Gewonen Rouwkever (Blaps mortisaga). Alle leden van zijn geslacht hebben een min of meer vierhoekig halsschild, een langwerpig eivormig achterlijf, dat door de vergroeide, ieder in een spits eindigende dekschilden geheel bedekt is, twee doornen aan ’t einde der voorscheenen en weinig samengedrukte, kort bewimperde voeten, die steeds veel korter zijn dan de scheen. Bij de genoemde soort onderscheidt het mannetje zich van het wijfje door een bosje geel vilt in ’t midden van den achterrand van den eersten buikring; de spitsen der dekschilden zijn bij beide even lang.

Tusschen muren van overoude bouwvallen in Yucatan vindt men een Kever (Zopherus Bremei), waaraan een geheimzinnige macht wordt toegeschreven. In zijn vaderland wordt hij beschouwd als een middel om booze geesten te verdrijven en, aan een kettinkje bevestigd, door vrouwen op de borst gedragen: men beweert, dat hij op deze wijze zonder voedsel twee jaar kan blijven leven. Taschenberg heeft zulk een talisman levend te Halle gezien. Het halsschild was donker, het linker dekschild rood, het rechter dekschild lichtgroen; zij hadden deze kleur niet van nature, maar waren met fluweelachtige lapjes zoo zorgvuldig beplakt, dat de kunstbewerking niet in ’t oog viel; het lichaam was omgeven met een smal gouden plaatje, dienende tot bevestiging van een fijn gouden kettinkje.

De Vetkevers (Pimelia) komen vooral aan de zeekusten voor, waar zij zich onder steenen, in ledige slakkenhuizen, tusschen hoopen aangespoelde wieren verborgen houden en ruimschoots de rottende stoffen vinden, die hun tot voedsel dienen, 40 soorten van dit geslacht vindt men in Zuid-Europa, een nog grooter aantal in Noord-Afrika en Voor-Azië tezamen genomen.—Pimelia distincta uit Spanje kenmerkt zich door een glinsterend glad, aan de zijden met fijne knobbeltjes bezet halsschild en doffe, rimpelig gestippelde dekschilden, ieder voorzien van glanzige naadlijsten en van 4 glanzige, overlangsche ribben, die tusschenruimten van gelijke breedte overlaten.

Ten slotte moeten wij nog een soort gedenken, het eenige lid van de familie misschien, waarmede men te huis kennis kan maken zonder in meer dan één opzicht onaangenaam getroffen te worden. De Meeltor (Tenebrio molitor) wordt zoo genoemd, omdat haar larve, de “Meelworm”, die een gezocht voedsel is voor Nachtegalen en andere insectenetende kamervogels, bij voorkeur op den vloer van meelbewaarplaatsen, enz. verblijf houdt. Deze Insecten nemen echter ook wel minder zindelijke woonplaatsen voor lief. Een vogelliefhebber, die voor zijne Zangvogels Meelwormen fokte in een ouden pot, waarin gewoonlijk oud brood, zemels en lompen werden geworpen, liet door hen kleine Zoogdieren en Vogels skeletteeren; zorgvuldig knaagden zij er alle aan rotting onderhevige bestanddeelen af. Meelwormen komen voorts niet zelden voor in duiventillen, in mest, in reten van vloeren; uit alles blijkt, dat zij niet kieschkeurig zijn, zoomin op hun spijs als op hun woonplaats, indien deze slechts droog en gene in overvloed voorhanden is. De Meelwormen zijn glanzig geel, 28 mM. lang en veranderen in Juli in teere, witte poppen. Na eenigen tijd komt de 15 mM. lange Kever uit de pophuid te voorschijn; zijn aanvankelijk gele kleur verandert langzamerhand in donkerbruin; de lichter gekleurde buik heeft een roodachtigen weerschijn. Dit Insect is tamelijk plat en met uitzondering van den kop bijna overal even breed; de drie hoofddeelen van den stam hangen los aaneen. Zijn geheele oppervlakte is dicht bedekt met fijne stippels; de dekschilden zijn fijn gevoord.

De soortenarme familie van de Waaierdragers (Rhipiphoridae) is merkwaardig door haar afwijkende ontwikkelingswijze; zij omvat slechts kleine, weinig in ’t oogvallende kevertjes, welker vertikaal geplaatste kop als door een steel aan het halsschild bevestigd is en bij ’t mannetje pluim- of kamvormige, bij ’t wijfje meestal eenvoudig gezaagde sprieten draagt.

De Zonderlinge Waaierdrager (Metoecus paradoxus), een van de grootste leden der familie (7.6 à 10 mM. lang), is zwart; de zijden van het halsschild en de buik zijn geelrood, de dekschilden van het mannetje geheel of ten deele geel; de sprietleden dragen, te beginnen bij het vierde, ieder 2 lange, wimpelvormige aanhangsels, terwijl die van het wijfje ieder slechts één tand bezitten.

Deze Kever heeft het nest van de gewone Wesp, die in gaten van den grond huist, tot geboorteplaats. De larve gelijkt veel op die van de Spaansche Vlieg en is 5 mM. lang; de dop draagt 3-ledige sprieten en enkelvoudige oogen, elk der drie volgende segmenten één paar gelede pooten, welker drie voetleden bladvormig verbreed zijn en aan ’t einde 2 of 3 klauwen bezetten benevens een hechtschijf, die in vorm overeenkomt met de eindlobben van een vliegensnuitje. Waarschijnlijk begeeft de Metoecus-larve zich uit eigen beweging naar een nog niet met een deksel gesloten broedcel van het wespennest en kruipt in het lichaam van de hier aanwezige larve door een aan de rugzijde gemaakte wonde. Nadat de parasiet zich eenigen tijd gevoed heeft met de sappen van zijn gastheer, zonder diens edele deelen te beschadigen, dringt hij nogmaals door de huid heen, maar nu van binnen naar buiten, vervelt en wordt een made; in deze gedaante zuigt hij zich aan de wespenlarve vast en vlijt zich tegen haar eenigszins uitgeholde buikvlakte aan. Zoodra nu de Metoecus-larve 6 mM. lang geworden is, vervelt zij nogmaals, zuigt vervolgens haar gastheer geheel uit en gaat in diens cel in den poptoestand over. Twee dagen nadat de Wespen de naburige cellen verlaten hebben, komt ook de jonge Kever voor den dag; voor de geheele gedaantewisseling zijn 12 à 14 dagen noodig geweest. In kleinen getale vindt men deze Kevers in het einde van Augustus of het begin van September op bloemen.

De nu volgende familie is die der Blaartrekkers (Vesicantia of Cantharidae), zoo genoemd, omdat de meeste soorten een eigenaardige stof (cantharidine) voortbrengen, die, op de huid gebracht, blaren veroorzaakt, daarom voor het maken van trekpleisters dient en bij enkele ziektegevallen inwendig als geneesmiddel wordt gebruikt. Behalve door de zooeven genoemde eigenschap, die echter niet bij alle leden der familie voorkomt, stemmen deze in de volgende opzichten overeen: de kop, die zich door een zeer bolle kruin onderscheidt, is loodrecht geplaatst ten opzichte van de lichaamsas, van achteren tot een hals versmald en geheel en al zichtbaar; op het voorhoofd of vóór de oogen draagt hij de 9 à 11-ledige sprieten. Het halsschild is aan den voorrand smaller dan aan den kop, aan den achterrand veel smaller dan de buigzame dekschilden. De 4 voorste pooten hebben 5, de achterste slechts 4 leden. De meeste van de ruim 800 soorten behooren in de warme gewesten thuis.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Bonte Oliekever (Meloë variegatus). Op den voorgrond een eierleggend wijfje; op de Bijen en in de bloemen: de larve in den eersten toestand; in den tweeden toestand is zij voorgesteld op de cocons aan de linkerzijde. Ware grootte.

Van de Weeklijfkevers of Oliekevers (Meloë) kent men een zeventigtal soorten, waarvan slechts enkele Amerika, de overige het oostelijk halfrond, met uitzondering van Australië, bewonen. De bovenstaande afbeelding maakt een uitvoerige beschrijving overbodig. De dekschilden voegen zich niet volgens een rechte naad aaneen, maar de wortel van het eene is over dien van het andere gelegen, gelijk dit regel is bij de Rechtvleugeligen.

De Oliekevers vertoonen zich vroeg in ’t jaar, kruipen in ’t gras en op de wegen rond, zijn het talrijkst in de maand Mei en nemen daarna weer in aantal af, zoodat er tegen het einde van Juni waarschijnlijk geen enkele van over is. Hun voedsel bestaat uit laaggroeiende planten, o.a. boterbloemen en jonge grassen, die zij des morgens en tegen den avond gretig verslinden. Bij aanraking trekken zij de pooten en de sprieten op en laten door alle kniegewrichten druppels van een olieachtig, geel vocht ontwijken. Het wijfje legt in gaten, die zijzelf in den grond graaft, meer dan 1000 eieren. Na 28 à 42 dagen komen de larven uit, die men wegens hare 3 voetklauwen “Triangulinen” heeft genoemd, en zoeken bloemen op, die door Bijen druk bezocht worden, bij voorkeur boterbloemen, madeliefjes en dergelijke. In dichte zwarte hoopen kan men de Meloë-larven hier zien zitten. Zij zoeken er echter geen voedsel gelijk andere pas uit de eischaal ontsnapte larven; haar eenig doel is op den rug van het honingzoekende Insect te klauteren. Het kleine diertje zal, als het zich tusschen de haren van de Bij bevindt, deze geen kwaad doen, maar haar eenvoudig als middel van vervoer gebruiken. De Bij is, evenals ieder rechtschapen vrouwelijk Insect, uitsluitend bedacht op het instandhouden van haar soort, bouwt een cel, vult deze met zoeten proviand en legt hierop haar ei. Op dit oogenblik heeft de gewaande “Bijenluis” gewacht. Zij laat zich van haar weldoenster afglijden en gaat op het ei zitten, welks moeder na het sluiten van de cel al het noodige meent gedaan te hebben, om aan haar kroost een goede toekomst te verzekeren. Voor onze larve begint nu eigenlijk eerst het leven. Zij verslindt den inhoud van het ei, haar eerste voedsel, legt de vermomming af, die zij tot dusver droeg, gaat in den weekhuidigen toestand over en ziet er nu geheel anders uit dan vroeger. Nu is de honig voor haar een geschikt voedsel; zij groeit als kool en bereikt weldra de vereischte grootte. Het op een Engerling gelijkende diertje op de linkerzijde van onze afbeelding stelt een Meloë-larve in haar tweeden toestand voor.

Men zou kunnen meenen, dat de larve nu, nadat zij de honig verbruikt heeft en geheel volwassen is, zich op de gewone wijze verder ontwikkelen en in den poptoestand overgaan zal. Toch is dit niet het geval. Haar huid geraakt los, zonder te barsten, en hierbinnen bevindt zich een van buiten hoornachtige pop, die bij oppervlakkige beschouwing veel op de vorige larve gelijkt. Deze “schijnpop” of “pseudochrysalide” gebruikt geen voedsel. Binnen de nogmaals losgerakende huid ondergaat het Insect een nieuwe gedaantewisseling en wordt een weekhuidige (tweede) pop, die na verloop van korten tijd in de echte (derde) pop verandert. Dit zijn de opeenvolgende phasen van de meest volledige metamorphose; bij sommige soorten komt zij eenigszins gewijzigd en afgekort voor.

De bij ons zeldzame Bonte Oliekever (Meloë variegatus, M. majalis) is over geheel Europa, het noordwesten van Azië en den Kaukasus verbreid en schijnt in Duitschland bijzonder overvloedig te zijn. Hij heeft een metaalachtig groene of blauwachtige kleur, vertoont in meerdere of mindere mate een purperen weerschijn en is met groote stippels en rimpels bezet; zijn dwars gericht halsschild wordt naar achteren een weinig smaller en heeft zeer flauw bovenwaarts gebogen randen. Zijn lengte wisselt af van 11 tot 36 mM., al naar de eerste larve (die 2 à 3 mM. lang en glanzig zwart is) in de cel van de Bij een geringe of een groote hoeveelheid honig vond.

De Gewone Oliekever (Meloë proscarabeus) wordt, zooals de naam te kennen geeft, (ook ten onzent) veelvuldiger aangetroffen dan de vorige soort; hij bewoont dezelfde landen als deze, is zwartblauw met paarsen weerschijn; fijne puntjes tooien den kop en het bijna vierkante halsschild; de dekschilden vertoonen wormvormige dwarsrimpels; bij het mannetje zijn het 6e en 7e lid van de sprieten schijfvormig verbreed, aan de onderzijde als ’t ware afgeknaagd. De grootte is even veranderlijk als de vorige soort; bij kleine exemplaren steken de dekschilden zelfs een weinig voorbij het achterlijf uit.

*

De Spaansche Vlieg (Cantharis vesicatoria, Lytta vesicatoria) komt bij ons zelden voor, naar ’t schijnt alleen in de provincie Gelderland. In Duitschland is zij in sommige jaren hier en daar buitengewoon talrijk en verraadt dan op grooten afstand haar tegenwoordigheid door het verbreiden van een sterk riekende uitwaseming. Esschen, ligusters, seringen en andere planten worden kaalgevreten door zulk een keverzwerm, die zoodra alles op is, verder trekt. De fraai groene, met vele rimpeltjes bezette dekschilden vertoonen ieder twee fijne, overlangsche ribben; bij het mannetje zijn zij smaragdgroen en langwerpiger, bij ’t wijfje lichter goudgroen en breeder. De draadvormige sprieten bereiken bij het mannetje de helft van de lengte van ’t geheele lichaam en zijn tweemaal zoo lang als die van het wijfje. De kop is hartvormig; het dwars gerichte halsschild heeft 5 stompe hoeken. Lengte 17 à 19.5 mM. De Spaansche Vlieg komt vooral in ’t zuiden van Europa, doch ook in Zweden en Rusland voor. Fijngewreven en met de een of andere kleefstof vermengd, levert zij het materiaal voor de bekende trekpleisters; een alkoholisch aftreksel heet cantharidentinctuur.

Men kent meer dan 250 Cantharis-soorten; de meeste bewonen Afrika en Amerika.

Bij een groot aantal Kevers, (meer dan 11000 soorten) is de kop uitgegroeid tot een meer of minder langen “snuit”, die aan zijn top de monddeelen draagt. Men noemt ze daarom Snuitdragers (Rhynchophora). Zij hebben aan iederen voet 4 leden (dikwijls een verborgen vijfde lid). Ook gedurende den larvetoestand komen zij in vorm overeen; zij zijn dan witachtige, meestal blinde maden, met duidelijk begrensden, door een hard chitine-pantser omhulden kop en buikwaarts gekromd lichaam, waaraan de pooten ontbreken of slechts door nietige stompjes aangeduid zijn. Deze Kevers gebruiken uitsluitend plantaardig voedsel. Het wijfje legt de eieren hetzij aan de oppervlakte van de plant, waarmede hare larven zich voeden, òf in een van buiten af hierin geboord gat, waarin het echter nooit met het geheele lichaam doordringt. Van eenige soorten leven de larven in den grond, de meeste vestigen zich in, slechts enkele aan de oppervlakte van de plant, waaraan zij haar voedsel ontleenen; dikwijls ondergaan zij alle gedaantewisselingen op deze plaats, en baant het Insect zich eerst als imago een weg naar buiten. Enkele larven parasiteeren in het lichaam van andere Insecten. Men kan in deze groep 4 familiën onderscheiden, die, naar typische geslachten, welke er toe behooren, Voelersnuitkevers (Bruchidae), Rechthoornsnuitkevers (Attelabidae), Echte Snuitkevers (Curculionidae) en Klanderkevers (Cossonidae) heeten. De laatstgenoemde vormen den overgang van de Echte Snuitkevers tot de Schorskevers (Scolytidae), die, ondanks den meestal niet tot een snuit verlengden, maar stomp eindigenden kop, zóó na verwant zijn met de Insecten, welke ook in dit opzicht den naam van Snuitdragers verdienen, dat men ze in deze groep als 5e familie moet opnemen, vooral ook, omdat zij met de overige gedurende den larvetoestand nagenoeg volkomen overeenstemmen. De vrouwelijke Schorskevers gedragen zich bij ’t eieren leggen op een geheel andere wijze dan de overige leden der groep, daar zij met het geheele lichaam doordringen in de plant, die tot voeding van de larve bestemd is.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Spaansche Vlieg (Lytta vesicatoria); rechts: haar “eerste” larve. Vergroot.

De Voelersnuitkevers (Bruchidae) zijn in alle werelddeelen, doch vooral in Amerika en Europa vertegenwoordigd; men kent er ruim 400 soorten van. Zij hebben een kort snuitje met duidelijken bovenlip en goed ontwikkelde, vóór den bek uitstekende, draadvormige tasters aan de onderkaak en de bovenlip (bij de overige Snuitdragers zijn zij zeer kort en kegelvormig). De sprieten zijn recht (niet, gelijk bij de Echte Snuitkevers “gebroken”, d.w.z. in een schaft en een zweep verdeeld), uit 11 leden samengesteld, vrij (niet, zooals die der Echte Snuitkevers, in een groeve van den snuit aangehecht), in den regel onmiddellijk vóór de oogen geplaatst, soms meer of minder duidelijk knotsvormig, dikwijls getand, soms ook kamvormig. De levenswijze der larve is verschillend, sommige (Anthribus) ontwikkelen zich in vermolmend hout, andere (Brachytarsus) in voor de houtteelt schadelijke Schildluis-wijfjes, welker eieren zij verslinden, verreweg de meeste echter in zaden.

De laatstgenoemde ontwikkelingswijze vindt men vooral bij het soortenrijke geslacht der Zaadkevers (Bruchus). Deze zijn van geringe grootte, nagenoeg eirond, van onderen boller dan van boven. Achter de groote, hoefijzervormige oogen is de benedenwaarts gerichte kop tot een onduidelijken hals versmald. Onmiddellijk vóór de opening van dit “hoefijzer” zijn de geleidelijk in dikte toenemende sprieten aangehecht. Van de 5 buikringen is de eerste, die naar voren meestal in een spits uitloopt, langer dan alle overige; de dekschilden laten het groote stuitschild nagenoeg geheel onbedekt. Hunne larven, voor zoover bekend, leven in zaden, vooral van vlinderbloemige planten. In tegenstelling tot de overige Snuitkevers, die meestal traag zijn, loopen de Zaadkevers snel, en vliegen nu en dan. Als zij verschrikt worden, laten zij zich snel op den grond vallen.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Erwtenkever (Bruchis pisi), vergroot; (a) uit de erwt komend, ware grootte.— 2) Boonenkever (Bruchus rufimanus); (b) voorste deel van ’t lichaam; beide vergroot.—3) Wikkenkever (Bruchus granarius); (c) zijn larve; beide vergroot.

De 5 mM. lange Erwtenkever (Bruchus pisi) is zwart, dicht bedekt met korte, geelachtig grijze en witte, aanliggende haren en op het halsschild aan weerszijden, dicht bij het midden, van een onder de beharing verborgen tandje voorzien; op ieder dekschild komt dicht bij het breed afgeronde einde een uit witte vlekken samengestelden dwarsband voor; de stuit draagt 2 eivormige, onbehaarde, groote vlekken. De 4 eerste leden van de knotsvormige sprieten zijn roodachtig geel, de voordijen zuiver zwart, de scheen en de voet van de voorpooten, de top van den scheen en de voet van de middelpooten roodachtig geel. Deze soort schijnt in Noord-Amerika en Zuid-Duitschland veelvuldiger voor te komen dan elders, maar werd ook hier te lande velerwege waargenomen. De Kever blijft, nadat zijn gedaantewisseling afgeloopen is, den geheelen winter in de erwt en verlaat eerst in ’t voorjaar door een cirkelrond gaatje zijn winterkwartier.

De Boonenkever (Bruchus rufimanus) gelijkt veel op de vorige soort, van welke hij zich onderscheidt door een betrekkelijk langer halsschild met onduidelijker zijtandjes, ook door kortere dekschilden, die eenigszins anders geteekend zijn. De voordijen zijn roodachtig geel. De larve leeft in paardenboonen en groote boonen, waarschijnlijk niet in erwten.

Veelvuldiger dan deze komt hier te lande de Wikkenkever (Bruchus granarius, B. seminarius) in de genoemde boonen voor. Ook in Middel- en Noord-Duitschland is hij de algemeenste van de drie. Naar het schijnt, blijft hij minder tot een enkele soort van zaden beperkt; men heeft hem ook uit wilde wikken en verschillende lathyrus-soorten verkregen; hij overwintert niet in deze kleine zaden, maar op den grond; de boonen verlaat hij echter eerst in de lente.—De Linzenkever (Bruchus lentis) leeft als larve in linzen, andere uitheemsche soorten in gleditschia-, mimosa-, acacia- en palmzaden, enz.

De familie der Attelabiden (Attelabidae) is merkwaardig door de bij Kevers zoo zelden voorkomende bewijzen van moederlijke zorg, die vele harer leden geven. Door de rechtheid der meestal knotsvormige sprieten gelijken zij op de leden der vorige familie, door de kortheid der tasters op die der volgende. Zij hebben een snuit van zeer verschillende lengte. Kort en dik is deze bij den 3 à 5 mM. langen, inheemschen Eikenbladroller (Attelabus curculionides), die van Engeland tot Spanje en van Siberië tot den Kaukasus verbreid is. De kop en de onderzijde zijn donker zwart, het halsschild en de dekschilden bloedrood. Het wijfje maakt een nest voor haar ei door een blad, op de middelnerf na, dwars door te knippen en het bovenste stuk, bij den top te beginnen, rugwaarts op te rollen. Door het binnenwaarts vouwen van de eene helft verkrijgt het nest, een deksel, welks rand door de middelnerf wordt gevormd. Het blad is meestal van een eik, soms van een echten kastanje of van een els. De larve vindt in het “rolletje” voedsel en een winterkwartier, doch verpopt zich in den grond.

Kort en dik is de snuit ook bij den Hazelaardikkopkever (Apoderus coryli), wiens geslacht zich o.a. van het vorige onderscheidt, doordat de kop achter de uitpuilende oogen sterk verlengd en door eene dunne, halsvormige insnoering verbonden is met het halsschild, dat van voren evenzeer in een dun steeltje uitloopt. Dit kevertje welks lengte van 6,5 tot bijna 9 mM. afwisselt, is glanzig zwart; het halsschild, de met overlangsche reeksen van stippels bezette en daartusschen gerimpelde dekschilden en de dijen, met uitzondering van de spits, zijn rood. Het komt bij ons, in geheel Duitschland en verder noordwaarts tot in Zweden, vooral in sommige jaren, veelvuldig voor. Meestal verschijnt het tegen het midden van Mei op hazelaars, laag eikenhakhout, elzen, beuken en hangbeuken, voor zoover deze struikachtig groeien. De schade, die het op bedoelde boomen aanricht, is gering. In ’t oogvallend zijn echter de door het wijfje vervaardigde rolletjes, die den vorm hebben van een klein geldrolletje, waarvan er 2, 3 en soms nog meer aan één groot blad gevonden worden en die dit volkomen ongeschikt maken voor zijne gewone verrichtingen. Het wijfje snijdt te dien einde op eenigen afstand van de bladsteel de eene bladhelft en de middelnerf door en zet de insnijding nog over een deel van de andere bladhelft voort; de schielijk door verwelking slap wordende lap wordt opgerold, zoodat de middelnerf de lengteas van de rol vormt en deze aan weerszijden gesloten wordt door de spits van het blad en van de gedeeltelijk afgesneden slip. De plooien van de rol beschutten het barnsteengele eitje, soms 2 of 3 eieren, die stellig gedurende het wikkelen en niet eerst na voltooiing van het nestje gelegd worden. De larve voedt zich met het binnenste van zijn nest en verandert het langzamerhand in een slangsgewijs gekronkeld drekdraadje van zwarte kleur. In de meeste gevallen zal waarschijnlijk de rol door het afvallen van het beschadigde blad op den grond te recht komen, voordat de larve volwassen is.

De beide genoemde Kevers zijn niet de eenige Attelabiden, die door het oprollen van bladen nesten voor hunne eieren maken. Dit bedrijf wordt ook uitgeoefend door een aantal andere soorten, die hieraan den naam van Bladrollers (Rhynchites) danken, hoewel deze niet voor allen letterlijk juist is. De Rhynchiten zijn in alle werelddeelen, met uitzondering van Australië vertegenwoordigd, vooral echter in het noordelijke halfrond en meer bepaaldelijk in de Oude Wereld. Gemiddeld zijn zij even groot als de leden van het vorige geslacht; hun kleur is meestal blauw, groen, koperrood of bronsbruin, met metaalglans, doch zonder teekening. Hun kegelvormige kop is niet tot een hals versmald; de oogen komen vooraan den wortel van den snuit; deze is verschillend van lengte en draagt ongeveer in ’t midden de rechte sprieten, welker leden, geleidelijk dikker wordend, aan den top een van achteren bladerige, drieledige knots vormen.

De 5 à 6 mM. lange Staalblauwe Druivensteker (Rhynchites betuleti, R. alni) is blauw, soms goudgroen, glanzig en onbehaard. Deze Kever voegt op allerlei boomen en struiken verscheidene bladen tot een rolletje bijeen en kan, als hij in grooten getale optreedt, in perenboomgaarden, vooral echter in wijngaarden, aanzienlijke schade aanrichten. Hij verschijnt in Mei of Juni: in het woud op beuken, espen, linden, eenige soorten van wilgen en berken, daarbuiten op Canadeesche populieren, perenboomen, kweeën en wijnstokken. Hij eet het liefst sappige, kruidachtige plantendeelen, maakt zijne bladrollen bij voorkeur van jonge bladen, en bepaalt zich daarom niet tot één boomsoort. Als er geen jonge bladen meer zijn, schaaft hij, over de bovenzijde van een blad loopend en den snuit er tegen aan drukkend, smalle strookjes van de opperhuid en het bladmoes af, zoodat alleen de opperhuid van de onderzijde overblijft. Het aantal bladen, dat voor het maken van een der sigaarvormige bladrollen vereischt wordt, hangt af van de boomsoort: van kleine bladen zooals van beuken, perenboomen, wilgen, zijn verscheidene noodig; van groote, zooals van kweeën en wijnstokken, is één voldoende; het gat, dat de Kever in een spruit of in een bladsteel boort, stuit den toevoer van sappen naar het hooger gelegen plantendeel, dat, als het verwelkt is en slap naar beneden hangt, gemakkelijk opgerold kan worden. In het voltooide rolletje wordt één ei gelegd; soms bevat het verscheidene eieren, hoogstens 6. De larven, die na 8 à 12 dagen uitkomen, vreten gangen in het binnenste van haar woning, blijven hier, tot zij volwassen zijn, banen zich vretende een weg naar buiten en verpoppen zich in den grond. Van Mei tot in het begin van Juli vindt men op pas gerolde bladen Kevers, die daarna verdwijnen. In September ziet men er opnieuw eenige verschijnen, die zich uit de vroegst gelegde eieren van het loopende jaar ontwikkeld hebben; deze kruipen in den grond, overwinteren en komen in ’t volgende jaar weer voor den dag.

De 4 à 5 mM. lange Populierensteker (Rhynchites populi) gelijkt veel op de vorige soort, maar heeft de dekschilden minder dicht met stippels bezet en is tweekleurig: van boven koperrood of groen met goudglans, van onderen, op den snuit en de pooten staalblauw. Hij draait de bladen van verschillende soorten van populieren ineen.

De nog kleinere, nauwelijks 4.5 mM. lange, zuiver zwarte en zeer weinig behaarde Zwarte Berkensteker (Rhynchites betulae) leeft op berken, elzen en beuken en maakt zijn broedrol steeds van één blad.

Nog andere soorten leven als larven in onrijpe vruchten; een voorbeeld hiervan is de fraaie Pruimenboorder (Rhynchites cupreus). Deze is even groot als de Populierensteker, bronskleurig, op den rug een weinig lichter, zwak grijs behaard, heeft een slanken snuit, op de dekschilden duidelijke stippelreeksen, met eveneens gestippelde tusschenruimten; de larve vindt men in jonge pruimen en kersen, ook in vruchten van Sorbus aria en Sorbus torminalis.

“De eenige soort, die in ons land noemenswaardige schade heeft veroorzaakt,” zegt Ritzema Bos, “rolt geen bladeren samen om er eieren in te leggen, maar deponeert deze in dunne twijgjes, die door middel van den snuit ten deele afgesneden, ten deele afgestoken worden. Naar deze gewoonte heb ik aan Rhynchites conicus den naam Takafsteker gegeven. Dit kevertje is zonder den snuit 3 mM. lang, donkerblauw met groenachtigen metaalglans; de pooten en de snuit zijn zwart. In Mei en Juni vindt men het in tuinen en boomgaarden op alle mogelijke ooftboomen. Het bevruchte wijfje zoekt een jong takje op, duidt door een inkerving met den snuit de plaats aan, waar het naderhand het scheutje denkt af te bijten, klimt hooger, boort, gewoonlijk niet ver van den top van het twijgje, een gaatje tot in het merg en legt er een ei in, dat met den snuit op de rechte plaats wordt geschoven. Deze arbeid duurt dikwijls een vol uur. Daarna gaat de moederkever over tot het afsnijden van den scheut. Eerst wordt deze afgezaagd: de Kever drukt op een bepaalde plaats van den tak zijn snuit stevig vast en beweegt hem heen en weer. Heeft hij op deze wijze een insnijding van eenige diepte gemaakt, dan steekt hij daarin zoolang zijn snuit, tot het takje geheel doorgestoken wordt en eindelijk afvalt.” De larve verlaat na 8 dagen het ei, voedt zich met het inwendige, vooral met het merg van het takje, is na 4 weken volwassen, kruipt, hoogstens 1 dM. diep, in den grond en komt hieruit in ’t volgende voorjaar als Kever te voorschijn.

*

De Spitsmuiskevertjes (Apion) worden zoo genoemd naar den vorm van den kop, die in een dunnen, rolvormigen snuit eindigt. Het peervormige lichaam is zwart, blauw of groen, soms menierood; het vertoont metaalglans, doch geen vlekken; de dekschilden bedekken het geheele achterlijf en zijn gewoonlijk diep gevoord. Deze kleine, fraaie kevertjes zijn over de geheele wereld verbreid en vormen omstreeks 400 soorten; hiervan zijn ongeveer 60 inheemsch; eenige kan men gedurende het geheele jaar waarnemen.

Het Klaverspitsmuisje (Apion apricans, A. fagi) heeft een nagenoeg overal even dikke, weinig gebogen snuit, die bij het midden de knotsvormige sprieten draagt. Het van voren versmalde halsschild is dicht met stippels bezet; deze vormen in de voren der dekschilden overlangsche reeksen. Het glanzig zwarte kevertje heeft het onderste deel der sprieten, de voorpooten en de dijen der overige pooten roodachtig geel; de knieën en de voeten van alle pooten zijn echter zwart. Het wijfje legt verscheidene eieren op de hoofdjes van klaver; tegen den tijd van ’t eerste maaien zijn de larven volwassen en verpoppen zich tusschen de bloemen van het hoofdje.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Klaverspitsmuisje (Apion apricans) met larven. Ware grootte. Rechts onder: de Kever, vergroot.

Dezelfde levenswijze hebben Apion assimile en Apion trifolii. Van andere soorten leven de larven en poppen in zaden, vooral van Vlinderbloemigen, of in stengels, b.v. van malva.

*

Een hoogst zonderlinge gedaante hebben de Langlijfkevers (Brenthidae); bij geen andere leden der orde vertoonen alle deelen van den stam zoo duidelijk het streven om zich te verlengen. De horizontaal gerichte kop loopt uit in een geleidelijk dunner wordenden snuit, die al naar de soort zeer veel verschil in lengte vertoont en bij het mannetje dikwijls veel langer is dan bij het wijfje. Met uitzondering van een Zuid-Europeesche soort (Amorphocephalus coronatus) zijn alle Brenthiden bewoners van andere werelddeelen. De hiernaast afgebeelde Brenthus anchorago leeft in Brazilië. De donker roodbruine grondkleur wordt op de vleugelschilden door 2 bloedroode (of geelachtige), overlangsche strepen afgebroken. Dergelijke teekeningen, ook vlekken, komen bij vele leden dezer familie voor.

Bij de Echte Snuitkevers (Curculionidae) draagt de tot een snuit verlengde kop aan den top monddeelen, waaraan de bovenlip steeds ontbreekt en de tasters zeer klein en kegelvormig zijn. De 8- à 12-ledige sprieten zijn aangehecht in een groeve van den snuit, altijd “gebroken” (in een schaft en een zweep verdeeld) en meestal knotsvormig. De voeten hebben meestal een sponsachtige zool; het derde lid is gewoonlijk in twee lobben verdeeld.

Alle Snuitkevers, met uitzondering van eenige weinige soorten van slechts middelmatige grootte, leven van planten; de verbreiding van deze hangt ten nauwste samen met die van gene, daar vele Keversoorten aan bepaalde planten gebonden zijn. De wijfjes blijven bij het leggen der eieren aan de oppervlakte van de plant, die aan hunne larven voedsel zal verschaffen, dringen er niet met het geheele lichaam in door, gelijk de Schorskevers doen. Geen enkel plantendeel, van den top van den wortel tot aan dien van den stengel, knoppen zoomin als bladen, bloemen zoomin als vruchten, is veilig tegen de Snuitkeverlarven. Zij gelijken het meest op die van de Diefkevers, maar hebben een ronden, benedenwaarts gerichten kop en een pootloozen, min of meer behaarden romp. De sprieten zijn slechts in den vorm van wratjes, de oogen niet of in beperkten getale aanwezig. De familie der Snuitkevers overtreft alle andere keverfamiliën door rijkdom aan soorten. Alleen in het Europeesch-Kaukasisch faunistisch gebied heeft men niet minder dan 204 geslachten met 2664 soorten van deze familie gevonden. Het overwicht van de Snuitkevers over de andere Keverfamiliën neemt toe, naarmate men den evenaar nadert. In Amerika zijn zij nog sterker vertegenwoordigd dan in de Oude Wereld. Vooral het zuiden schijnt onuitputtelijk te zijn aan nieuwe soorten. Er zijn er bij, die door hare prachtige kleuren en door de wijze waarop deze samengevoegd zijn, wedijveren in schoonheid met de kostbaarste kleinodiën, die ooit een kunstenaarshand schiep. En aantal Snuitkevers zijn merkwaardig door hun schadelijken invloed op landbouw en houtteelt. In de meeste gevallen is het de larve, in eenige de Kever, zelden echter het Insect in beide ontwikkelingstoestanden, waardoor het nadeel veroorzaakt wordt.

Voor het verkrijgen van een algemeen overzicht van deze familie, verdient het aanbeveling haar naar de lengte van den snuit, die zulk een belangrijken invloed oefent op het voorkomen dezer Insecten, te verdeelen in Kortsnuitkevers (Curculionides) en Langsnuitkevers (Rhynchaenides), zoo genoemd naar de beide groote geslachten Curculio en Rhynchaenus, die sinds lang in een groot aantal kleinere, scherp begrensde groepen gesplitst zijn.

Bij de Kortsnuitkevers is de snuit kort en breed. De sprieten hebben een lange schaft, die achterwaarts gebogen minstens tot de oogen reikt; zij zijn dichter bij de spits van den snuit dan bij de rondachtige oogen aangehecht in een groeve, die zich uitstrekt tot aan de dikke bovenkaken; de onderkaken zijn meestal bedekt door de kin van de onderlip. Deze onderfamilie wordt in twee groepen verdeeld, waarvan de eerste uit soorten met vleugels, de tweede uit ongevleugelde vormen met langs den naad vergroeide dekschilden bestaat. Van elke groep zullen wij een voorbeeld geven.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Brenthus anchorago.

Wijfje. Mannetje.

De 3.5 à 4.5 mM. lange Gestreepte Grijze Snuitkever (Sitones lineatus) is grootendeels met grijze of groenachtig grijze schubben dicht bedekt; de kop, drie overlangsche strepen op het halsschild en drie ondiepe groeven tusschen de reeksen van stippels op ieder dekschild, zijn echter met lichtere, meer geelachtige schubben bekleed. Deze Kevers loopen snel; bij helderen zonneschijn vliegen zij ook. Bij aanraking laten zij zich als dood op den grond vallen, waar men ze wegens hun kleur niet licht wedervindt. Met verscheidene andere soorten, die ten deele moeielijk onderscheiden kunnen worden, kruipen zij na het ontwaken uit den winterslaap in grooten getale op den grond en tusschen lage planten rond. Als voedsel schijnen zij vlinderbloemige planten te verkiezen boven alle andere, zooals af te leiden valt uit hun talrijkheid op akkers, waar erwten, paardenboonen, lucerne en dergelijke voederplanten verbouwd worden. De Kever vreet den rand der bladen van pas ontkiemde zaden of nog jonge plantjes af; de larve knaagt aan hunne wortels.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings