← Table of contents
Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04

DE DUIZENDPOOTEN (Myriopoda).

Reading edition

Een aantal lichtschuwe Arthropoden worden onder den naam van Duizendpooten (Myriopoda) samengevat, hoewel geen van hen 1000 pooten heeft. Het aantal pooten loopt zeer uiteen: het is “onbepaald”, bij sommige zeer groot (de Braziliaansche Spirobolus maximus heeft 100 à 133 paar van deze organen), bij andere niet buitengewoon (9 paar bij Pauropus Huxleyi). Aan hun meestal zeer langwerpig, wormvormig (soms echter aan een Pissebed herinnerend) lichaam onderscheidt men duidelijk den kop en voorts een meer of minder groot aantal, nagenoeg gelijke, door harde chitine-platen beschutte leden. Het laatste lid (waaraan de aarsopening voorkomt) is steeds pootloos (soms ontbreken bovendien de ledematen aan het voorlaatste lid, soms daarentegen aan een der vier voorste rompsegmenten). Overigens draagt ieder lid na den kop één paar of twee paar gelede, in één klauw eindigende pooten (2 klauwen vindt men echter bij de Symphylen). Alle op den kop volgende leden zijn gelijkwaardig; de tegenstelling, die bij de Insecten wordt waargenomen tusschen de middelste (met pooten en vleugels uitgeruste) en de achterste (pootlooze) lichaamsafdeeling komt hier dus niet voor. De 2 sprieten, die aan of onder het voorhoofd ontspringen, zijn draad- of borstelvormig, zelden dikker. De oogen bevinden zich aan weerszijden van den kop, voorzoover zij niet geheel ontbreken, hetwelk niet zelden het geval is; de meeste hebben een meer of minder groot aantal enkelvoudige oogen, in 2 groepen gerangschikt; bij één geslacht (Scutigera) zijn zij door samengestelde oogen vervangen. Verreweg de meeste Duizendpooten hebben bijtende monddeelen (zuigende komen alleen bij de Polyzoniden voor). Deze bestaan over ’t algemeen uit diep in den mond aangehechte, haakvormige bovenkaken en een vierdeelige mondklep, waarvan de middelste deelen de onderlip, de zijstukken de onderkaken der Insecten vervangen.

Hoe weinig de Duizendpooten naar het uitwendige op de Insecten gelijken, des te grooter is de overeenkomst van het inwendig maaksel. De ademhaling geschiedt door een sterk vertakt luchtbuizenstelsel, dat door ademgaten met de buitenwereld in gemeenschap staat. Voor den bloedsomloop dient een ruggevat, dat, met uitzondering van de voorste segmenten, in ieder lid een kamer heeft. Het spijskanaal is doorgaans even lang als het lichaam en loopt dan recht door van den mond tot den aars. De buikzenuwstreng strekt zich van voren naar achteren door het geheele lichaam uit; het ineensmelten van gangliën blijft gewoonlijk tot de 3 voorste en de 3 achterste beperkt.

De Duizendpooten zijn deels dieren-, deels planteneters en zoeken hun voedsel ’s nachts of althans in de duisternis. Zij leven uitsluitend op het land en bewonen donkere, vochtige ruimten onder steenen, tusschen afgevallen bladen, in rottend hout, oude boomstammen, enz. Hier worden de eieren gelegd en door de wijfjes van sommige soorten met zorg bewaakt. De jongen van de Diplopoden en Pauropoden, die bij het verlaten van het ei pootloos zijn, verkrijgen bij de eerste vervelling 3 paar pooten; het aantal leden en pooten neemt bij iedere volgende vervelling toe, daar zich telkens nieuwe (aanvankelijk pootlooze) segmenten invoegen tusschen de reeds aanwezige, waaruit zij door deeling ontstaan. Ook het aantal oogen wordt allengs grooter. In hoofdzaken gelijkt deze ontwikkelingsgeschiedenis dus op die der Springstaarten. Sommige Chilopoden komen ter wereld met 6 à 8 paren pooten, de overige met evenveel ledematen als hunne ouders hebben.

De klasse der Duizendpooten, die minstens 800 soorten omvat, waarvan 200 in Europa gevonden zijn, heeft in de warme landen hare grootste vertegenwoordigers en vertoont hier de meeste verscheidenheid van vorm. Hare oudste, alleen als fossielen bekende leden leefden in de primaire periode en behooren tot 2 sinds dien tijd uitgestorven orden. Van 2 der 4 orden, waarin men de hedendaagsche soorten verdeelt (van de Chilopoden en de Diplopoden), weet men, dat zij reeds in de tertiaire periode bestonden; dit blijkt uit talrijke, door barnsteen omhulde overblijfselen. Van de beide overige (Symphylen en Pauropoden) is het bestaan vóór de tegenwoordige (quaternaire) periode niet bewezen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings