← Table of contents
Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04

DE SNAVELINSECTEN (Rhynchota).

Reading edition

Deze orde omvat, evenals de vorige, Insecten van zeer verschillenden vorm, die alleen door het maaksel der monddeelen en door de onvolkomen gedaantewisseling overeenstemmen. De monddeelen vormen een voor ’t zuigen geschikten snavel. De larven verschillen uitwendig alleen door het gemis van vleugels van de geslachtsrijpe Insecten, voor zoover zij n.l. vleugels hebben, hetgeen bij verscheidene niet het geval is. Bij vleugellooze Snavelinsecten,—o.a. bij alle Luizen (Pediculina) en bij de wijfjes van de meeste Schildluizen—kan men eigenlijk niet meer van gedaantewisseling spreken. Bij een groot aantal Snavelinsecten zijn de voor- en achtervleugels gelijksoortig en dan in den regel samengesteld uit een dun vlies, welks vleugeladers voor ’t meerendeel een overlangsche richting hebben. Zij vormen de onderorden der Plantenluizen (Phytophthires) en der Cicaden (Cicadina), die men ook wel Gelijkvleugeligen (Homoptera) noemt. De nog overige leden der orde, die gezamenlijk Wantsen mogen heeten, verdienen den naam van Ongelijkvleugeligen (Heteroptera) of van Halfvleugeligen (Hemiptera), daar hunne voorvleugels, hoewel aan de spits meestal vliezig, overigens de noodige stevigheid hebben om als dekschilden te dienen voor de achtervleugels, welke den gewonen vliezigen bouw vertoonen.—De sprieten zijn bij de Landwantsen (Geocorisae) duidelijk zichtbaar, bij de Waterwantsen (Hydrocorisae) uiterst kort en in een groeve aan de onderzijde van den kop verborgen. Bij de Luizen en de meeste Schildluizen komen geen andere dan enkelvoudige oogen voor. De overige Snavelinsecten hebben samengestelde oogen en bovendien dikwijls bijoogen. Afwijkend gebouwd zijn de monddeelen van de Pediculinen. Bij de overige is een echte snavel aanwezig, welks zichtbaar deel (behalve bij de Schildluizen) hoofdzakelijk uit de als scheede dienende, in leden verdeelde, harde onderlip bestaat. Het achterlijf is uit 6 à 9 leden samengesteld. Bij alle Snavelinsecten zijn de pooten vrij gelijkmatig ontwikkeld; hoewel in den regel voor ’t loopen geschikt, komen bij sommige ook roof-, spring- en zwempooten voor.

Men kent nagenoeg 14000 over alle werelddeelen verbreide Snavelinsecten, het geheele aantal wordt echter door Brauer op 50000 geschat; in ons land heeft men er 657 gevonden. Fossiel komen zij reeds in de Jura-formatie voor; veelvuldiger en talrijker in soorten vindt men ze echter in de tertiaire periode, vooral in het barnsteen.

De Luizen of Dierenluizen (Pediculina)—die men niet moet verwarren met de reeds vroeger beschrevene, eveneens op Zoogdieren en Vogels parasieteerende, doch geen bloed zuigende Vachtluizen—hebben draadvormige, meestal vijf-ledige sprieten en 2-ledige voeten, welker laatste lid, dat haakvormig is en naar het voorlaatste teruggeslagen kan worden, haar in staat stelt om te klimmen. De oogen ontbreken bij Haematopinus; de overige Luizen hebben één paar enkelvoudige oogen. De monddeelen zijn nagenoeg voor aan den kop geplaatst en slechts gedurende het gebruik zichtbaar; zij bestaan uit een zachten, korten kegel, die uitgestulpt en teruggetrokken kan worden en aan den voorrand door reeksen van haakjes omgeven is.—De Luizen vermenigvuldigen zich snel. Hare eieren, de zoogenaamde “neten”, zijn peervormig, worden door de moeder aan het onderste deel van een haar vastgekleefd en door de warmte van den gastheer in acht dagen uitgebroed. Door een dekseltje aan den top verlaat de larve haar eerste woning, volgt onmiddellijk de levenswijze harer ouders, groeit, naar men zegt, zonder te vervellen en wordt na betrekkelijk korten tijd geslachtsrijp. Leeuwenhoek heeft berekend, dat één wijfje na 8 weken getuige kan zijn van de geboorte van 5000 nakomelingen. Een groot aantal Zoogdieren, Zwijnen, Herkauwers, Eenhoevigen, Knaagdieren, Apen, worden door Luizen bewoond, ieder door een bepaalde soort, sommige zelfs door verscheidene soorten: bij den mensch b.v. kunnen 3 soorten van Luizen voorkomen.

De Hoofdluis (Pediculus capitis, fig. 1) komt bijna uitsluitend tusschen de hoofdharen, vooral van kinderen voor. Zij is grijsachtig geel van kleur, aan den rand der achterlijfsringen donkerder, het borststuk is nagenoeg vierhoekig.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Hoofdluis (Pediculus capitis).—2) Kleederluis (Pediculus vestimenti). 3 Neten (eieren van de hoofdluis).

Een tweede, iets slankere en grootere soort, welker achterlijfsringen aan den rand niet bruinachtig zijn, de Kleederluis (Pediculus vestimenti, fig. 2) houdt zich op aan den romp van den mensch (hals, rug en borst) en verbergt zich in zijne kleederen. Vooral door deze parasieten worden de soldaten te velde en in de kazernes gekweld. Zij zijn gevaarlijker dan de Hoofdluizen, daar zij aanleiding geven tot het ontstaan van gezwellen en korsten op het lichaam, die haar dan tot woonplaats dienen (luisziekte). Het wijfje legt eieren tusschen de naden der onderkleeren; daarom vestigt zich dit ongedierte vooral bij menschen, die niet zoo dikwijls van onderkleeren verwisselen, als de zindelijkheid vereischt.

De Platluis (Phthirius inguinalis, Phthirius pubis) behoort tot een geslacht, dat zich van ’t vorige vooral door den breeden en platten vorm van ’t lichaam onderscheidt; bovendien bestaat de voorvoet slechts uit één lid. De genoemde, hoogstens 1.5 mM. lange soort ligt met wijd uitgespreide pooten plat op de huid van den mensch, waarin zij met den kop doordringt en hierdoor een zeer gevoelige jeukte veroorzaakt. Zij kan op alle sterk behaarde lichaamsdeelen, met uitzondering van het hoofd, voorkomen.

De onderorde van de Plantenluizen (Phytophthires) omvat 4 familiën: de Schildluizen (Coccidae) de Bastaardbladluizen (Phylloxeridae), de Echte Bladluizen (Aphididae) en de Bladvlooien (Psyllidae). Alle zijn klein, leven gezellig en vormen dikwijls zeer talrijke scholen; haar teer en week lichaam is voorzien van een aan de keel ontspringenden snavel, die met het voorborststuk vergroeid is; de vleugels, voorzoover aanwezig, hebben een weinig ontwikkeld aderstelsel.

Bij de Schildluizen (Coccidae) doet zich het opmerkelijke verschijnsel voor, dat de mannetjes en wijfjes niet slechts in vorm, maar ook in ontwikkelingswijze zeer verschillen. De larven zijn plat, van boven gezien min of meer elliptisch: die, waaruit mannetjes zullen ontstaan, iets kleiner en slanker dan die, welke wijfjes zullen worden. Zij zijn duidelijk gesegmenteerd, maar hebben den kop, het borststuk en het achterlijf onduidelijk begrensd. Aan den kop ziet men 2 éénlenzige oogen, 2 veelledige, cilindervormige sprieten en een meestal één- (soms twee-)ledigen snavel. Deze is kort en bevat 4 zeer lange steekborstels, die in rust lusvormig gebogen in een tot in het achterlijf zich uitstrekkenden zak geborgen zijn. Ademgaten komen alleen aan de beide voorste borstsegmenten voor. De pooten zijn goed ontwikkeld en voorzien van een éénledigen voet, die in één klauw eindigt. Het 7-ledige achterlijf draagt aan ’t einde dikwijls 2 groote, borstelvormige staarten. De jonge larven loopen vlug op de voederplant rond, totdat zij een geschikt plaatsje hebben gevonden, waar zij zich door het boren met den snavel vasthechten.

De larven van de meeste Echte Schildluizen—de Schelpschildluizen (Aspidiotus) en de Holbuikschildluizen (Lecanium)—blijven, voorzoover zij zich tot wijfjes ontwikkelen, gedurende haar geheele leven op dezelfde plaats vastgehecht, verkrijgen dus geen vleugels, verliezen zelfs allengs de sprieten en de pooten (men noemt dit teruggaande gedaantewisseling) en behouden alleen den snavel: zij gelijken in geslachtsrijpen toestand zeer weinig op Insecten, daar zelfs de segmentatie van den stam onduidelijk wordt. Hierbij komt nog, dat de wasklieren van de huid witte wasdraden leveren, die (bij Aspidiotus in vereeniging met de afgeworpen larvehuid) een stevig rugschild vormen, dat ook nog na den dood van de moeder hare talrijke eieren beschut (bij Lecanium bestaat de schildvormige bedekking van de eieren niet uit was, maar uit het geheele, aan de buikzijde uitgeholde lichaam van het wijfje). De wijfjes van de niet inheemsche Kokerluizen (Dorthesia) en die van de Karmijnluizen (Coccus), welke men bij ons niet anders dan op warme kasplanten aantreft, behouden de ledematen, blijven beweeglijk, zijn niet onder een schild verborgen, maar wel gedeeltelijk met wasdraden bedekt.

Bastaardschildluizen noemt men de Cocciden, welker wijfjes, evenals de mannetjes, goed ontwikkelde vleugels hebben. Een voorbeeld hiervan levert de inheemsche Motschildluis (Aleurodes chelidonii), die als larve aan de onderzijde van de bladen van de stinkende gouwe (Chelidonium majus), onder een schild verborgen, leeft en in volwassen toestand door het bezit van 4 vleugels van alle overige familieleden afwijkt.

Bij de mannetjes van alle Echte Schildluizen (d. z. die, welker wijfjes ongevleugeld blijven) zijn alleen de voorvleugels aanwezig; de plaats van de achtervleugels wordt meestal door “kolfjes” ingenomen. De larven, die zich tot mannetjes zullen ontwikkelen, hullen zich in een zak- (bij Aspidiotus schild-)vormig waskleed, dat vroeger (ten onrechte, volgens Nitsche) als een cocon werd beschouwd. Hierdoor beschut, ondergaan zij een aantal vervellingen en veranderen intusschen langzamerhand in een gevleugeld Insect. Ten onrechte (volgens Nitsche) noemt men deze verandering “volkomen gedaantewisseling”. Hiervan mag alleen gesproken worden, wanneer de vorming van nieuwe organen als ’t ware plotseling geschiedt, beperkt blijft tot de periode tusschen de voorlaatste en de laatste vervelling, en niet, wanneer (zooals hier) de nieuwe organen langzamerhand ontstaan in een tijdperk, dat door verscheidene vervellingen wordt afgebroken. Reeds bij de eerste vervelling gaan de monddeelen, de sprieten en de ledematen verloren. Gedurende zijn geheele overige leven gebruikt het mannetje geen voedsel meer, ook niet, nadat hij in geslachtsrijpen toestand de larvewoning heeft verlaten. De stam is dan duidelijk in kop, borststuk en achterlijf verdeeld. De kop mist den snavel, maar draagt 2 lange, meestal 10-ledige sprieten, bovendien enkelvoudige oogen (in den regel 4 à 10; bij Orthezia en Monophlebas zijn 2 uit weinige facetten samengestelde oogen aanwezig). De pooten zijn goed ontwikkeld, evenals de voorvleugels. Het achterlijf eindigt in 2 lange, draadvormige staarten (bij Aspidiotus één). De mannetjes leven slechts kort, zijn bij vele soorten niet talrijk en van de meeste nog geheel onbekend.

Sedert eenige jaren worden de Californische vruchtenkweekerijen gebrandschat door een zeer schadelijk Insect, dat met een bezending planten uit Chili naar Noord-Amerika schijnt te zijn overgebracht. Men noemt het de San-José-schildluis (Aspidiotus perniciosus). In betrekkelijk korten tijd heeft het zich over een groot deel van de Vereenigde Staten en van Britsch Noord-Amerika verbreid. Daar er gevaar bestaat, dat het zich ook in Europa zal vestigen, waar het misschien een soortgelijke rol zou spelen als de Druifluis, worden overal maatregelen beraamd en toegepast, om de verdere verbreiding van het Insect te stuiten. Reeds is het in Duitschland waargenomen op een bezending Californische vruchten, die onmiddellijk vernietigd zijn, waarna de verdere invoer van Amerikaansche vruchten in Duitschland verboden werd.

De San-José-Schildluis tast, naar het schijnt, bij voorkeur allerlei ooftplanten aan (amandels, perziken, abrikozen, pruimen, kersen, frambozen, aalbessen, kweeën, peren, appels, enz.); maar leeft ook op vele andere houtige gewassen (linden, acacia’s, ijpen, walnoten, elzen, wilgen, enz.). Sap zuigend uit verschillende bovenaardsche organen, veroorzaakt zij vermindering van de hoeveelheid en van de kwaliteit der vruchten en weldra den dood van de plant. Daar zij zich snel vermenigvuldigt, zijn niet zelden de takken geheel met stof bedekt, dat bij nader onderzoek uit dicht opeengedrongen schilden (cirkelvormige van de talrijke wijfjes, meer ovale van de veel zeldzamere mannetjes) blijkt te bestaan. Gene hebben een middellijn van hoogstens 2 mM., deze zijn iets kleiner en donkerder van kleur. Het volwassen wijfje is 0.8 à 1 mM. lang, het 2-vleugelige mannetje 0.6 mM. (de staart aan ’t einde van ’t achterlijf 0.2 mM.). Beide overwinteren in den imago-toestand. De mannetjes ontwaken in ’t begin van April. De wijfjes beginnen tegen het midden van Mei jongen voort te brengen, die in tegenstelling met de overige Schildluizen als larven het lichaam van de moeder verlaten; zij zijn 0.24 mM. lang, bleek oranjekleurig met purperroode oogen, 5-ledige sprieten en kaken, welker lengte bijna 3-maal die van het lichaam overtreft. Aanvankelijk vrij rondloopend, hechten zij zich weldra met den snavel vast en blijven, zoo zij zich tot wijfjes ontwikkelen, levenslang op dezelfde plaats. Bij de 1e vervelling (12 dagen na de geboorte) verliezen alle larven de sprieten en de pooten; de 2e vervelling heeft voor de mannetjes 6, voor de wijfjes 8 dagen later plaats. De voortbrenging van jongen duurt den geheelen zomer voort; de eerste koude dagen van Augustus maken er een einde aan.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Cochenille (Coccus cacti): Op den nopal-cactus wasuitzweetingen, waarin zich de jonge larven bevinden; op de voorste schijf: twee wijfjes (vergroot); op de overige schijven: jonge en oude wijfjes in ware grootte; naast de schijven: vliegende mannetjes.—1) Mannetje. 2) Wijfje. Vergroot volgens den daarnevens aangeduiden maatstaf.

Kermes, kermesbessen, alkermes, karmozijnbessen noemt men een uit Frankrijk en Spanje, doch vooral van Kreta en andere eilanden van den Griekschen Archipel afkomstig handelsartikel, dat uit de schelpvormige, bruinachtige lichamen van de drachtige wijfjes de Kermesschildluis (Lecanium ilicis) bestaat. Het neemt na behandeling met azijn een roode kleur aan, was reeds aan de Grieken en Romeinen bekend en werd vroeger veelvuldig gebruikt voor het verven van de hoofddeksels der Grieken en Turken, waarvoor thans bijna uitsluitend goedkoopere, uit teer bereide, roode kleurstoffen dienen. Het genoemde Insect leeft op den meer heesterachtig dan boomachtig groeienden kermes-eik (Quercus coccifera).

De beroemdste van alle Schildluizen zijn die, welke in gedroogden toestand onder den naam van Cochenille (Coccus cacti) in den handel komen. Alleen de 2.2 mM. lange, ongevleugelde half-eivormige wijfjes dienen voor dit doel; zij zijn donker karmijnrood, doch met een wit poeder bedekt; naar voren steken twee borstelig behaarde sprieten, naar achteren twee zeer korte staarten uit. Al naar de wijze waarop zij gedood en gedroogd worden (in de zon, in doeken gewikkeld in een oven, op metalen platen of in kokend water), behouden of verliezen zij het witte poeder op de huid en worden bruinrood of zelfs zwart; de zilverwitte vormen de beste kwaliteit; gestampt leveren zij een bruinrood poeder. Wegens den verschrompelden toestand waarin de gedroogde Insecten verkeeren, is het verklaarbaar, dat zij vroeger voor gedroogde bessen werden gehouden; de onderzoekingen ingesteld naar aanleiding van een weddenschap, die de Amsterdamsche koopman Melchior de Ruuscher had aangegaan, brachten in 1728 de waarheid aan ’t licht. Zelfs bij gedroogde exemplaren is trouwens de geleding van het lichaam nog wel te onderscheiden; beter evenwel, nadat zij in warm water geweekt zijn en hun halfbolvormige gedaante herkregen hebben; de minst beschadigde vertoonen dan duidelijk pootjes en sprieten. Door drukking komen uit het lichaam de talrijke, roode eieren te voorschijn. Het zuiver karmijnroode, 1.5 mM. lange, betrekkelijk slanke mannetje heeft 2 melkwitte vleugels, geen kolfjes, 2 tienledige sprieten en 2 zeer lange staarten. De Cochenille is oorspronkelijk een Mexicaansch Insect, dat op verschillende soorten van Nopal-cactussen (Opuntia vulgaris, coccinellifera, Hernandezi, enz.) leeft en gekweekt wordt. Sedert 1526 is zij een belangrijk handelsartikel. In de vorige eeuw, toen Mexico nog het eenige cochenille-voortbrengende land was, bedroeg de jaarlijksche uitvoer 880000 pond ter waarde van 7.5 millioen gulden. In ’t begin van deze eeuw voerde Amerika, volgens Alexander von Humboldt, voor 6 millioen gulden cochenille uit. Mexico heeft echter het monopolie van dit artikel niet kunnen behouden. In 1809 werd de Cochenille-schildluis met haar voederplant naar eenige Westindische eilanden (San-Domingo en Guadeloupe) overgebracht, in 1826 naar Malaga, Valentia en andere plaatsen in Zuid-Spanje, in 1827 naar de Kanarische eilanden (Teneriffa), in 1828 naar Java, in 1831 naar Algiers.

Het gebruik van cochenille voor het roodverven van zijden en wollen goederen en voor het bereiden van karmijn en karmijnlak is in de laatste jaren door de concurrentie van sommige uit steenkolenteer bereide kleurstoffen aanhoudend afgenomen. In de landen, die de grootste hoeveelheid van dit artikel op de markt brachten, Guatemala, Mexico en de Kanarische eilanden, verkeert de cochenille-kultuur in kwijnenden toestand. De prijs van het product is gedaald van f 8 per KG. in 1867, tot ruim f 3 in 1880 en tot ruim f 1 in 1888. De Kanarische eilanden, die in 1880–1881 nog 2557000 KG., ter waarde van ruim 8 millioen guldens, uitvoerden, leverden in 1888 slechts 482000 KG. ter waarde van ongeveer 530000 gulden. De invoer te Londen bedroeg in 1882 1121310 KG., in 1890 slechts 368280 KG.

Behalve in het regenseizoen, vindt men op de nopal-cactussen voortdurend Cochenille-schildluizen van verschillenden leeftijd; sommige gedeelten van de plant zijn geheel bedekt met de witte wasuitscheidingen, waarin de larven leven; het wijfje sterft kort na het leggen van de eieren. De jongen, die na 8 dagen uitkomen, gelijken op de moeder, maar zijn met een wollig washulsel bedekt, dat bij de oudere wijfjes vervangen is door een poedervormige bekleeding. Binnen 2 weken zijn zij volwassen. De mannelijke larven zijn verborgen in een van achteren open, uit wasdraden samengesteld kokertje. De mannetjes sterven dadelijk na de paring; de wijfjes blijven nog ongeveer 14 dagen leven om eieren te leggen. Daar voor den geheelen ontwikkelingsgang slechts weinige weken noodig zijn, levert ieder jaar verscheidene generaties van Insecten op; evenveel malen kan men een aantal larven en volwassene wijfjes inzamelen. In Augustus ontwikkelt zich de laatste generatie; de bevruchte wijfjes overwinteren en leggen eerst in Februari eieren. De Mexicaansche cochenille-kweekers brengen kort voor den aanvang van het regenseizoen alle Insecten, die zij als fokdieren in ’t leven willen houden, met de zeer lang frisch blijvende cactus-schijven, waarop zij zich bevinden, binnenshuis in veiligheid; zoodra de regenbuien ophouden, wordt alles weer teruggebracht naar de nopal-plantage. Deze kan per hectare 400 KG. cochenille opleveren. Hoeveel diertjes men hiervoor moet inzamelen, kan berekend worden na de mededeeling, dat 140000 gedroogde exemplaren gezamenlijk 1 KG. wegen.—Ook de in ’t wild levende Cochenille-schildluizen, door de Mexicanen grana silvestra genoemd, worden ingezameld, welk bedrijf echter veel meer bezwaren oplevert.—

Het Chineesche was, een niet onbelangrijk uitvoerartikel van het Hemelsche rijk, wordt voortgebracht door een Schildluis-soort (Coccus ceriferus), die op verschillende planten, doch vooral op de Chineesche esch (Fraxinus chinensis) gevonden wordt. De mannetjes onderscheiden zich door ongewone grootte. Dit was is zuiver wit of eenigszins geelachtig, broos en kristallijn; het herinnert eenigszins aan spermaceti en smelt bij 81 à 82° C.

Een soortgelijk product levert de in Oost-Indië levende Ceroplastus ceriferus.

De Manna-Schildluis (Coccus manniparus) leeft in de omstreken van den berg Sinaï op de manna-tamarisk en veroorzaakt door haar steek het uitvloeien van een suikerhoudend sap, dat aan de lucht spoedig verdroogt en dan afvalt, of door het regenwater opgelost in groote druppels op den bodem vloeit. De Bedoeïnen verzamelen het in de vroege morgenuren en bewaren het voor eigen gebruik of brengen het in den handel.

De Lakschildluis (Coccus lacca) bewoont verscheidene boomen en struiken, die op het Indische vasteland en de naburige eilanden groeien. Men vindt haar op vijgeboomen (Ficus religiosa, Ficus indica), op den Oostindischen croton (Aleurites laccifera), op den Malabarschen lakboom of Plaso (Butea frondosa), op verscheidene mimosa’s, bij Bombay op den Peruaanschen kaneelappelboom (Anona squamosa), enz. Zoodra het wijfje zich met den snavel vastgehecht heeft, zwelt haar lichaam op en verkrijgt een peervormige of nagenoeg bolvormige gedaante, terwijl de pooten en de sprieten verloren gaan. Onmiddellijk na de vasthechting vloeit uit de hierdoor veroorzaakte wonde een harsachtige stof; deze omgeeft het dier op één opening na, waardoor de ademhaling zal plaats hebben. Gewoonlijk omgeeft de harsmassa het takje als een ring, waarin verscheidene cellen voorkomen, ieder door een Schildluis bewoond. Het geslachtsrijpe mannetje verschijnt later dan het wijfje; al naar het jaargetijde vertoont het zich in twee verschillende gedaanten: in September is het ongevleugeld, in Maart heeft het vleugels en gelijkt het veel op de mannelijke Cochenille-schildluis. Met het eierenleggen schijnt het uitwerpen van een roode kleurstof gepaard te gaan, waardoor het omringende hars een donkerroode kleur aanneemt. Het wijfje sterft spoedig daarna en hare jongen verlaten de moederlijke woning. De met hars bedekte takken worden afgebroken en komen onder den naam van “stoklak” in den handel. Door het verwijderen van het takje houdt men het “gekorrelde lak” over, waaruit de kleurstof, die veel op die van de Cochenille gelijkt, afgezonderd wordt en onder de namen “lak-lak” of “lack-dye” een handelsartikel vormt. Het overblijvende hars wordt gesmolten en heet “schellak”.—Op Java verzamelt men het van de takjes afgeschraapte hars in dunne bamboestokken en verhit deze boven het vuur, totdat hun inhoud smelt en zwarte pijpen vormt, die onder den naam van “gala-gala” in den handel komen. Dit zwarte schellak dient voor het vasthechten van kapmessen en dergelijke werktuigen in hunne handvatsels en ook wel als zegellak.

Reeds lang voordat men in Europa de Amerikaansche Cochenille kende, maakte men er voor het roodverven gebruik van een Schildluis, die Poolsch Grein (Porphyrophora polonica) wordt genoemd en ook wel Sint-Jansbloed heet, omdat zij omstreeks Sint-Jans-dag ingezameld werd. Dit Insect, dat in vroegeren tijd een belangrijk handelsartikel vormde, leeft op den wortel van eenige algemeen verbreide, op zandgrond groeiende kruiden—Glaskruid (Parietaria), Duizendgraan (Herniaria), Muizenoor (Hieracium pilosella), Hardbloem (Scleranthus), enz.—en komt o.a. voor bij Dresden, in Brandenburg, Mecklenburg, Pommeren, Zweden, Oost- en West-Pruisen, Polen, Rusland en Hongarije. Het mannetje heeft 2 tot over het midden behaarde vleugels; de achtervleugels zijn door kolfjes vervangen; het achterlijf eindigt in een langen haarbos. Het wijfje is ongevleugeld, half bolvormig en 2.25 à 3.37 mM. lang.

In vele streken van Duitschland vindt men in Juli en Augustus niet zelden op de groote brandnetel (Urtica dioica) de hierna afgebeelde wijfjes van de Brandnetel-Kokerluis (Dorthesia urticae). Men zou ze licht kunnen verwarren met de larven van een tot de Lieveheerbeestjes behoorende Keversoort (Scymnus), zoo zeer wijkt haar uiterlijk van dat der meeste Schildluizen af. Zij hechten zich niet voor goed vast, zijn niet bedekt door een schild, maar omgeven door een kokertje, dat de zwartachtige sprieten en pooten vrij laat, en haar niet belet van plaats te veranderen.

De Valsche of Bastaardbladluizen (Phylloxeridae) zijn Plantenluizen met korte, dikke, ringvormig geschubde, hoogstens 5 ledige sprieten, op welker laatste lid (of laatste leden) ovale reukgroefjes voorkomen. De ongevleugelde vormen hebben in rijpen toestand geen andere dan 2 drielenzige, de gevleugelde bovendien 2 grootere, samengestelde en ook nog éénlenzige oogen. De snavel is gewoonlijk goed ontwikkeld en samengesteld uit een 3-ledige scheede (de onderlip) met 4 borstelvormige kaken, die soms (bij Chermes-soorten) 5- à 8-maal zoo lang zijn als het geheele lichaam, en dan, evenals bij de Schildluizen, in rust lusvormig gekromd in het lichaam teruggetrokken worden. De scheede is natuurlijk veel korter dan de kaken en, evenals bij alle Plantenluizen, met het voorborststuk vergroeid. De pooten zijn kort, maar krachtig, minder dan die der Echte Bladluizen voor ’t loopen geschikt en van een 2-ledigen, in 2 klauwen eindigenden voet voorzien. De ontwikkelingskring der Bastaardbladluizen is samengesteld uit een aantal verschillende generaties, die voor ’t meerendeel uit onbevruchte eieren ontstaan (parthenogenesis). In den regel verwisselt een bepaalde generatie de plantensoort of het plantendeel, waarop zij oorspronkelijk woonde, voor een andere, die nu aan een reeks van generaties voedsel verschaft, voordat een verhuizing in omgekeerde richting volgt. De wijfjes met parthenogenetische voortplantingswijze zijn in de eene generatie van vleugels voorzien, in een andere er van verstoken. Zoowel de mannetjes als de wijfjes van de generatie, die bevruchte eieren voortbrengt, kenmerken zich door het gemis van vleugels en door geringe grootte. Alle Valsche Bladluizen komen als eieren ter wereld, geen harer vormen verlaat als larve het lichaam der moeder. Steeds missen zij de “rugpijpjes” (siphunculi), die bij de Echte Bladluizen zoo veelvuldig voorkomen.—Elk der beide geslachten (Chermes en Phylloxera), waaruit de familie bestaat, zal door een zijner vertegenwoordigers het bovenstaande overzicht verduidelijken.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Brandnetel-Kokerluis (Dorthesia urticae). Wijfje. Ware grootte.

Volgens de nieuwste onderzoekingen heeft de Groene Sparrenbladluis (Chermes viridis) den volgenden ontwikkelingskring. De eerste generatie bestaat uit ongevleugelde wijfjes, die men “stammoeders van de sparregallen” kan noemen. Op den rug heeft zij duidelijke chitine-plaatjes met wasporiën, waardoor draden naar buiten treden, die haar lichaam met een witte, wollige laag bedekken. Haar plomp lichaam, waaraan de grenzen van pop, borststuk en achterlijf niet scherp zijn aangeduid, de korte pooten, de langzame beweging en het wasbekleedsel verschaffen haar eenige overeenkomst met een Schildluis. In den herfst zit de larve met den langen snavel vastgehecht aan het onderste gedeelte van den sparreknop, die bestemd is om zich in de volgende lente tot een zoogenaamde “meiloot” te verlengen. Zij overwintert op de genoemde plaats en begint hier na haar ontwaken in de lente opnieuw te zuigen; dit geeft aanleiding tot het kort blijven van de loot, welker onderste naalden in vliezige schubben veranderen en de fraaie “gal”, waarin de Luizen van de tweede generatie zich zullen ontwikkelen. Deze ontstaan uit de eieren, die de “stammoeder van de sparregal” achtereenvolgens ten getale van ongeveer 200 legt, nadat zij driemaal haar huid afgeworpen en het daarop voorkomend wollig bekleedsel telkens op uitgebreider schaal vernieuwd heeft. De eieren komen voor een deel in de harige wasdraden te liggen, die bij de vervelling afgestooten worden; zij ontstaan natuurlijk zonder voorafgaande paring, d.i. parthenogenetisch. Als de “stammoeder” sterft, zijn sommige van hare eieren reeds uitgekomen. Tegen het midden van Mei hebben alle larven de eischaal verlaten en is de verandering van den aangestoken knop reeds zoo ver voortgeschreden, dat hij op een kleinen dennekegel gelijkt. De naalden zijn nauw aaneensluitende schubben geworden en gedeeltelijk vergroeid. De hiertusschen overblijvende holten of “galkamers” zijn echter nog toegankelijk voor de kleine, lichtgele larven van de tweede generatie, die, nadat zij zich hier gevestigd hebben (soms ten getale van 20 in één kamer) door haar voortdurend zuigen de misvorming voltooien, waarvan de grondslag gelegd werd door de “stammoeder”. Tot groote schade voor de ontwikkeling van den boom zit de kroon van jonge sparren soms vol van zulke gallen.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Groene Sparrenbladluis (Chermes viridis):—“Gevleugelde verhuister”: a) als larve, b) als nympha (larve na de voorlaatste vervelling, in ’t bezit van vleugelstompjes), daarachter de afgeworpen huid, c) als imago, d) Dennekegelvormige gal, die nog gesloten en dus nog niet door de nympha’s (b) verlaten is. Vergroot.

De larven, die in de gal leven, zijn slanker dan de stammoeder, beweeglijker dan deze en eveneens met witte, wollige wasdraadjes bekleed, die echter korter zijn. Na het verkrijgen van vleugelstompjes, na de voorlaatste vervelling dus, blijven zij met opgetrokken pooten, vastgehecht door den snavel, stil op dezelfde plaats zitten, totdat in den kegel door het verdrogen van de naalden regelmatige dwarsspleten zijn ontstaan. Hierdoor komen zij (gewoonlijk in de eerste helft van Augustus) in zeer grooten getale naar buiten, begeven zich op de naburige naalden en veranderen in gevleugelde Luizen van groenachtig gele kleur met zwartachtige vlekken op den rug van het borststuk. Deze worden “gevleugelde verhuisters” genoemd, daar zij, de spar verlatend, overgaan op de naalden van den lork. Hier leggen zij parthenogenetisch eieren, waaruit in den herfst geelachtige jongen komen, die slechts korten tijd aan de naalden zuigen, daarna onder schorsschilfers of in spleten van de schors overwinteren en in ’t voorjaar volwassen worden. Deze derde generatie bestaat uitsluitend uit ongevleugelde wijfjes, die “onechte stichters” heeten. Parthenogenetisch leggen zij eieren, waaruit gele larven komen, die door haar zuigen een knievormige kromming van de sinds kort uitgekomen lorknaalden teweegbrengen. Deze ontwikkelen zich schielijk tot de gevleugelde wijfjes van fraaie, lichtgele of groene kleur, die vroeger onder den naam van Lorkenbladluis (Chermes laricis) beschreven werden, maar nu als de vierde generatie van de Groene Sparrenbladluis bekend zijn. Zij worden “gevleugelde wederkeersters” genoemd, omdat zij in Mei terugkeeren naar den boom, die door hare gevleugelde grootmoeders in den vorigen zomer verlaten werd. Van deze tweede gevleugelde generatie zijn de parthenogenetisch gevormde eieren afkomstig, die zich op voorjarige sparrenaalden ontwikkelen tot gele, ongevleugelde mannetjes en wijfjes. Uit de bevruchte eieren, die de leden van de vijfde generatie voortbrengen, komen de Luizen, die wij reeds als “stammoeders van de sparregallen” hebben leeren kennen; zij beginnen den nieuwen ontwikkelingskring.

Volledigheidshalve moet hier nog bijgevoegd worden, dat uit de eieren van de “onechte stichters”, behalve “gevleugelde wederkeersters”, ook ongevleugelde “ballingen” kunnen voortkomen, die, op den lork blijvend, hier het aanzijn geven aan verscheidene generaties van ongevleugelde wijfjes, die zich parthenogenetisch voortplanten.

Van de Gewone Sparrenbladluis (Chermes abietis), die veel op de vorige gelijkt en er tot dusver gewoonlijk mede verward werd, is de ontwikkelingskring samengesteld uit twee generaties van wijfjes, die zich parthenogenetisch voortplanten. De eene generatie bestaat uit ongevleugelde, de andere uit gevleugelde Luizen, welker levenswijze slechts in zooverre verschilt van die der beide eerste generaties van de vorige soort, dat de gevleugelde wijfjes niet naar den lork verhuizen, doch weinige dagen na haar verschijning in haar gewone houding, maar—dood, op de naalden van den spar zitten met een door de vleugels overdekt hoopje van hoogstens 40 eieren achter zich. Uit deze eieren komen de larven voort, die aan den voet van de sparrenknoppen overwinteren.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Druifluis (Phylloxera vastatrix): 1–4) Wortelluis: 1) Rugzijde, 2) buikzijde, 3) zuigend op een wortel, 4) snavel.—5) Gevleugelde Luis.—6) Stuk van een wijnstokwortel met opzwellingen, die door het zuigen van de Wortelluizen veroorzaakt zijn.—7) Oudere wortel, waarop (bij 8) overwinterende Luizen.—Fign. 1–5 sterk vergroot.

De Druifluis of Wortelluis van den Wijnstok (Phylloxera vastatrix) heeft sedert 1863 door de ontzaglijke verwoestingen, die zij in de Fransche wijnbouwdistricten aanrichtte, groote ontsteltenis veroorzaakt. Dit schadelijk Insect, in 1854 door Asa Fitch in Noord-Amerika ontdekt, vertoonde zich in Europa het eerst in de omstreken van Avignon, hoewel het niet voor 1868 door Planchon bij St. Rémy (dept. Hérault) herkend werd. Het volgde bij zijn verdere verbreiding vooral de rivierdalen, zoowel in boven- als in benedenwaartsche richting, legde gemiddeld in den loop van één jaar een weg van 20 à 25 KM. af en had op 1 October 1882 van de 2 415 986 HA. wijngaarden, die Frankrijk bezat, 763 799 HA. (d. i. nagenoeg het derde gedeelte) totaal vernield, bovendien nog 642978 HA. aangetast en zwaar beschadigd. De door haar veroorzaakte schade wordt op meer dan 5 milliarden francs begroot. Toen de Druifluis zich plotseling in 1869 bij Genève en in 1873 in de proeftuinen van Annaberg bij Bonn en van Klosterneuburg bij Weenen vertoonde, kwam men tot de overtuiging, dat zij met Amerikaansche stekken naar Europa was overgebracht.

Ongevleugelde, nog onvolwassen Druifluizen van bruinachtige kleur (de wintervorm van de Wortelluis) overwinteren, zoodra de bodemtemperatuur beneden 10° C. daalt, in spleten van wijnstokwortels, bij voorkeur in die, welke ongeveer de dikte van een vinger hebben (fig. 7) en kunnen dan gedurende geruimen tijd een temperatuur van -8 à -10° C. verdragen. Zoodra in de lente de bodemtemperatuur boven 10° C. gestegen is, ontwaken de Wortelluizen, hechten zich met den snavel vast aan de wortelvezels (fign. 1–3), veroorzaken hier galachtige opzwellingen (fig. 6) en bereiken weldra haar volle grootte (0.75 mM. of weinig meer). Parthenogenetisch legt ieder 30 à 40 eieren, waaruit in ongeveer 8 dagen (bij warm weer spoediger) gele jongen te voorschijn komen. Deze zuigen zich eveneens vast, groeien snel, vervellen intusschen 3-maal en planten zich gemiddeld na 20 dagen op dezelfde wijze als hare moeders voort. In den loop van het jaar kunnen 6 à 8 generaties zich ontwikkelen, waaruit men kan afleiden, dat het aantal nakomelingen van iedere overwinterende Wortelluis in één jaar verscheidene millioenen kan bedragen.

Bij de zomer- en herfst-generaties van Wortelluizen merkt men (voor het eerst in Juni) enkele exemplaren op, die van de overige verschillen door een slankere gedaante, en bovendien reeksen van wratjes op den rug, een langer eindlid aan de sprieten en zwartachtige vleugelscheeden aan weerszijden van het borststuk bezitten. Daar deze diertjes zich tot gevleugelde Luizen ontwikkelen, heeft men ze nymphen (poppen) genoemd. Zij kunnen zich goed bewegen en gaan in den regel vóór de laatste vervelling van de wortels op de bovenaardsche deelen van den wijnstok over. Door de vierde vervelling ontstaat uit de nymphe de gevleugelde Druifluis (fig. 5). Deze is geel, op het borststuk donkerder; de lichtgrijze vleugels zijn horizontaal gericht en steken voorbij de spits van het achterlijf uit. Vooral door luchtstroomingen kan het in dezen toestand verkeerende Insect op grooten afstand van zijn geboorteplaats worden vervoerd; uit eigen beweging vliegt het zoo ver niet. Het sterft, nadat het 2 à 4 eieren gelegd heeft op allerlei bovenaardsche deelen van den wijnstok, vooral in de gaffelpunten der bladnerven. De op bladeren liggende eieren verschillen o.a. door hun vorm van die, welke op de wortels voorkomen en zijn van tweeërlei grootte. Na gemiddeld 12 dagen komen uit de kleinste eieren roodachtige mannetjes, uit de grootste geelachtige wijfjes. Beide missen de vleugels, den snavel en het spijskanaal. Men treft ze van Augustus tot October aan op oude gedeelten van den stam, waar het wijfje na de paring één betrekkelijk zeer groot, zoogenaamd “winterei” in een spleet of achter een schilfer van de schors verbergt. Sommige van de ongevleugelde wijfjes, die in het laatst van April of in het begin van Mei uit de wintereieren komen, blijven boven den grond en leiden—evenals verscheidene generaties van nakomelingen, die met haar in vorm en voortplantingswijze overeenkomen—een parasitisch leven op de bladen; deze vertoonen overal, waar zij door den snavel van het Insect gewond zijn, galachtige, van boven geopende opzwellingen, die aan de onderzijde uitpuilen. Ieder van deze zakjes bevat een 200-tal eieren. In den herfst begeven de bladgallen-vormende wijfjes zich naar de wortels, waar de overige uit wintereieren ontstaande Luizen kort na haar geboorte begonnen zijn te zuigen. In Duitschland zijn de “bladgallen” nog niet waargenomen; geregeld vertoonen zij zich in Amerika; ook in sommige streken van Frankrijk en Zwitserland komen zij voor.

Phylloxera vastatrix tast geen andere planten aan dan de wijnstok; de fijne, in de lente ontsproten wortels, waaraan deze Insecten zuigen, vertoonen blaasvormige knobbels (nodositeiten, fig. 6), die spoedig tot rotting overgaan; iets later geschiedt dit met de langzamerhand toenemende schurftige, sponsachtige opzwellingen (tuberositeiten) van de dikkere wortels, die daarna de schors verliezen en broos worden. Boven den grond neemt men meestal in het tweede jaar de eerste ziekteverschijnselen waar: de bladen worden geel vóór den tijd en vallen af, nadat de randen zich omgekruld hebben. In ’t volgende jaar is de aangestoken plant achterlijker dan de gezonde, vormt kortere loten en draagt minder trossen, welker slecht rijpende bessen een flauwen smaak hebben. In warme gewesten sterven de aangetaste wijnstokken reeds in het derde of vierde jaar. Langer blijven zij leven in Duitschland, waar de Druifluis zich minder snel vermenigvuldigt.—Sommige Amerikaansche soorten van wijnstokken zijn door hunne buitengewoon krachtige wortels aanmerkelijk beter tegen de Druifluizen bestand dan de Europeesche; met goed gevolg heeft men pogingen gedaan om door het enten van inheemsche soorten op de uitheemsche Vitis riparia en Vitis solonis wijnstokken te verkrijgen, die weinig beschadigd worden.—Ook is de toestand aanmerkelijk verbeterd door het opvolgen van de bepalingen der internationale Druifluisconventie van 17 Sept. 1878, door betere bemesting van den bodem en door het aanwenden van Insectendoodende middelen, vooral van kaliumsulfocarbonaat.

De Echte Bladluizen (Aphididae) zijn kleine, teere, betrekkelijk slanke, al of niet gevleugelde Plantenluizen, die het vermogen om te springen missen en geen in ’t oog vallende kleur vertoonen. Zij hebben draadvormige sprieten, die bij de volwassen Insecten uit 6 leden bestaan. De snavel is goed ontwikkeld, dikwijls lang of zeer lang (vooral bij Lachnus en Schizoneura, waar hij in rust als een staart van onderen achter het lichaam uitsteekt). De pooten zijn gewoonlijk slank en hebben een 2-ledigen, in 2 klauwen eindigenden voet. In den samengestelden ontwikkelingskring dezer Luizen treden achtereenvolgens talrijke generatiën op van dieren, die parthenogenetisch levende jongen ter wereld brengen, en eindelijk een generatie van mannetjes en wijfjes, die zich door bevruchte eieren voortplanten.

De Bloedluis (Schizoneura lanigera), zoo genoemd, omdat zij bij het platdrukken een roode vlek achterlaat, is een van de ergste vijanden van den appelboom. Tot meer of minder groote scholen vereenigd, of op reeksen zittend, zuigen deze Insecten sap uit de schors en het spint van het jonge hout; hierdoor veroorzaken zij schurftige plekken, die langzamerhand den geheelen boom doen sterven. De kleur van de ongevleugelde Luizen wisselt af van honiggeel tot roodachtig bruin; de rug is, vooral van achteren, met witte, wollige wasuitscheidingen bekleed, die reeds op eenigen afstand in ’t oog vallen. Tegen den nazomer ontstaan ook gevleugelde individuën, welker zwarte kleur op het achterlijf in chocoladebruin overgaat; zij zijn wit berijpt en voor een deel met witte, wollige haren bekleed. Zij hebben grootere oogen en nog kortere sprieten dan hunne vleugelooze voorouders. In plaats van 30 à 40 levende jongen, zooals deze, brengen zij 5 à 7 eieren voort, die gedurende het leggen of kort daarna uitkomen en dwergachtige, ongesnavelde geslachtsdieren opleveren, welker bevrucht ei overwintert. Door de Bloedluizen wordt het hout knoestig en broos, zoodat de boom spoedig duidelijke verschijnselen van achteruitgang vertoont.

Het soortenrijkste geslacht is dat der Bladluizen i.e.z. (Aphis), kleine, dunpootige Insecten, die op bladen, knoppen en jonge spruiten van kruidachtige en houtige planten leven. De sprieten hebben steeds meer dan de halve lichaamslengte en zijn 6- (schijnbaar 7-) ledig; het laatste lid heeft n.l. in ’t midden een reukgroeve, wordt hier plotseling dunner en blijft dun tot aan den top. Aan weerszijden van het op 2 na laatste achterlijfssegment komt een goed ontwikkeld “rugpijpje” voor (dat bij andere geslachten rudimentair is), waaruit een wasachtige (niet honigachtige) stof ontwijkt, die, naar het schijnt, als beschuttingsmiddel dient. Het is niet op deze stof, dat verschillende Insecten, vooral mieren, verzot zijn, maar op een ander, zeer suikerrijk vocht, dat door de aarsopening wordt verwijderd en uit onverteerde overblijfselen van het opgezogen plantensap bestaat.

De Aphis-soorten leven gezellig, dikwijls in groote scholen bijeen; zij brengen geen gallen voort, hoewel door hun zuigen de bladen dikwijls een gekroesden vorm verkrijgen. Dikwijls leven zij niet uitsluitend op de plant, waaraan zij haar soortnaam ontleenen, maar ook op allerlei andere planten. Zoo vindt men b.v. op appel- en pereboomen en op den sleedoorn de Groene Appelbladluis (Aphis mali), op appelboomen en lijsterbessen de Roodachtige Appelbladluis (Aphis sorbi), op erwten, wikken, blazenstruik (Colutea) en verscheidene in ’t wild levende vlinderbloemigen de Erwtenbladluis (Aphis ulmaria), enz.

In ’t voorjaar (vroeger of later, al naar het weer is) komen uit de eieren, die onder bladen en op andere beschutte plaatsen overwinterden, ongevleugelde Bladluizen. Zij vervellen 4-maal, kunnen in 10 à 12 dagen volwassen zijn en brengen daarna parthenogenetisch levende jongen ter wereld. Deze hechten zich met den snavel vast en gedragen zich vervolgens geheel op dezelfde wijze als haar moeder. Verscheidene aldus gevormde generaties van Bladluizen kunnen gedurende het voor haar gunstige deel van ’t jaar het levenslicht aanschouwen. Bonnet heeft uit een enkele Bladluis 15 generaties verkregen. Daar ieder individu, naar men aanneemt, 30 à 40 jongen oplevert, is haar aantal ten slotte ontzaglijk groot, zoodat er een getal van 20 cijfers noodig zou zijn om het voor te stellen. Wanneer de bladluiskolonie talrijk is geworden, verandert haar uitzicht eenigszins, daar tusschen de ongevleugelde enkele gevleugelde individuën rondloopen en afwisseling brengen in het eenvormige gezelschap. Zij werden geboren als ongevleugelde larven, maar krijgen later vliegwerktuigen, die zij gebruiken om ver van haar vaderland nieuwe volkplantingen te stichten. Op de plaats waar zij zich gevestigd hebben, merkt men dezelfde verschijnselen op, als in de oorspronkelijke kolonie; want ook de gevleugelde dieren zijn wijfjes, die zich parthenogenetisch voortplanten en levende jongen baren. Aanvankelijk ontstaan geen andere dan ongevleugelde individuën; bij volgende generatiën komen ook gevleugelde Bladluizen voor.

Langzamerhand zal in den herfst het voedsel, dat vroeger in overvloed voorhanden was, schaarscher worden; in dezelfde verhouding neemt het aantal geboorten af. Ook de aard van de jongen wijzigt zich: de meeste worden ongevleugelde echte wijfjes; tot dezelfde generatie behooren kleinere, in den regel gevleugelde mannetjes, die echter veel minder talrijk zijn. Na de paring leggen de wijfjes eieren op den stengel van de voederplant of op andere beschutte plaatsen (dit hangt van de soort af). De parende en eierleggende Bladluizen verschillen in lichaamsbouw aanmerkelijk van de wijfjes, die levende jongen ter wereld brengen.

Evenals andere Insecten nu en dan in tallooze menigte voorkomen en door de vorming van zwermen de algemeene opmerkzaamheid trekken, hebben ook de teere Bladluizen soms ware wolken in de lucht doen ontstaan; dit deed o.a. de Populierbladluis (Pemphigus bursarius) den 7en October 1846 in Zweden. Tusschen Brugge en Gent verschenen den 28en September 1834 wolken van Bladluizen, die zich den volgenden dag te Gent van ’s morgens 7 uur tot in den avond in zulke groote scharen vertoonden, dat het daglicht er door verduisterd werd; den 5en October was de geheele straatweg van daar tot Antwerpen er zwart van. Ter zelfder tijd trokken zij naar Eeclo en noopten de menschen zich te beveiligen door een bril voor de oogen en een zakdoek voor den mond en den neus te houden. Den 9en October zag men te Aalst een grooten zwerm van Perzikbladluizen (Aphis persicae), welker afdeelingen door den wind in alle richtingen verspreid werden en 3 dagen later ook Brussel aandeden. Tusschen 17 en 21 Juni 1847 vertoonden zich in verschillende streken van Engeland zwermen van de Boonenbladluis (Aphis fabae). Een verklaring van dit verschijnsel, dat vele malen waargenomen werd, heeft men nog niet kunnen geven.

Daar de Bladluizen zeer groote hoeveelheden sap aan de door haar bewoonde planten onttrekken, zijn zij voor land- en tuinbouw zeer nadeelig. Bovendien gaan zij zeer kwistig met het door haar opgenomen voedsel om. De meeste soorten werpen voortdurend door de aarsopening druppels uit van een vocht, dat zeer rijk is aan oplosbare koolhydraten, vooral aan suiker; dikwijls wordt dit vocht ver weggespoten en geeft dan aanleiding tot het verschijnsel, dat “honigdauw” wordt genoemd en uit een fijne regen van zoete, kleverige drupjes bestaat, die niet slechts de voorwerpen onder den boom, maar ook zijne bladen als met een vernis bedekken. Het is uitgemaakt, dat de excrementen van de Plantenluizen hiervan de eenige oorzaak zijn. Boussingault vond bij het berekenen van de hoeveelheid honigdauw van een linde, dat iedere vierkante meter bladen-oppervlakte 22–34 gram, de geheele boom dus 2 à 3 KG. koolhydraten verliest d. i. zooveel als noodig is, voor de vorming van 4000 bladen of ⅙ van het geheele getal. Een groote hoeveelheid Bladluizen op een boom veroorzaakt dus een sterke vertraging van den groei, zelfs wanneer deze Insecten niet, gelijk zoo dikwijls voorkomt, misvormingen van bladen en loten en galvorming teweegbrengen. Hier staat tegenover, dat zulk een boom bezocht wordt door Mieren, die hem beveiligen tegen allerlei schadelijk gedierte. Daar ook de Bijen op den honigdauw azen, levert deze den imker voordeel op. Op de met honigdauw bedekte plantendeelen groeien echter dikwijls zwarte, van afval levende (saprophytische) zwammen (voor ’t meerendeel Fumago-soorten) welk verschijnsel “roetdauw” heet. Hoewel deze schimmelplantjes zich uitsluitend met het kleverige korstje op de plant voeden en hare weefsels niet aantasten, benadeelen zij deze toch indirect, door het zonlicht af te schutten en de huidmondjes te verstoppen. Ook is het gebleken, dat de honigdauw de vestiging van sommige andere zwammen, die een parasitische levenswijze hebben en dus wel degelijk de plant zelf aantasten (o.a. van Erisyphe), bevordert en op deze wijze aanleiding geeft tot “meeldauw”. Men moet deze ziekte niet verwarren met het gelijknamige verschijnsel, dat tot oorzaak heeft het vastkleven van de witachtige huidjes, die door de Bladluizen bij de vervelling afgeworpen worden.

Een klein aantal Plantenluizen van geringe grootte—die men wegens haar gestalte voor Houtluizen zou kunnen houden, indien zij niet een duidelijken, 3-ledigen met het voorborststuk sterk vergroeiden snavel bezaten—kenmerken zich door voor ’t springen geschikte (doch niet bijzonder dikke) achterpooten, die, evenals de vleugels, zoowel bij de mannetjes als bij de wijfjes voorkomen. Deze Insecten—de Bladvlooien (Psyllidae)—zijn door de genoemde bewegingsorganen, door het betrekkelijk goed ontwikkelde vleugeladerstelsel en door de uitsluitend gamogenetische ontwikkelingswijze het naast verwant aan de Cicadelliden, van welke zij echter door de lange, in 2 fijne borstels eindigende, 8- à 10-ledige sprieten verschillen. De korte kop draagt 2 samengestelde en 3 enkelvoudige oogen. De pooten zijn bij de volwassene Insecten kort, bij de platte larven nog korter. Deze leven, evenals hare ouders, op de bladeren en twijgen van verschillende planten, sommige ook op bloemen. Niet zelden brengen zij door haar zuigen misvormingen van de moederplant teweeg. Sommige zijn in boomgaarden lastig, zonder evenwel groote schade aan te richten. Zij dragen bij tot de vorming van den honigdauw en zijn in den larvetoestand langs den rand van ’t lichaam met wasdraden bezet.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Brem-bladvloo (Psyllagenistae). Ware grootte.

De 2.25 mM. lange Biezenvloo (Livia juncorum) heeft den kop en het borststuk roestgeel, doch is overigens bruin. Zij leeft in de bloeiwijzen van bloembiezen en veroorzaakt hier de vorming van gallen. Evenals de meeste van hare verwanten, overwintert zij in den imago-toestand onder bladen. De Appelbladvloo (Psylla mali) is een van de weinige soorten, die in den eitoestand den winter doorbrengen. Evenals de Perenbladvloo (Psylla piri), richt zij soms schade aan door te zuigen aan de knoppen en twijgen van de vruchtboomen, waaraan zij haar naam ontleent. Beide zijn 2.5 à 3.5 mM. lang. De laatstgenoemde soort is bruin, het mannetje van de Appelbladvloo groen met gele strepen of vlekken, het wijfje rood met groengele en bruine strepen.

Hoeveel verscheidenheid van vorm de onderorde der Cicaden (Cicadina, Homoptera) ook moge bieden, door het bezit van korte, altijd in een fijnen borstel eindigende sprieten (die licht onopgemerkt blijven), van een dikken snavel, die achter aan den kop ontspringt en van vier vleugels, die al of niet gelijksoortig, maar steeds over hun geheele lengte op gelijke wijze ontwikkeld zijn, stemmen al hare leden overeen. Zij voeden zich met plantensappen, evenals de Plantenluizen, maar hechten zich nooit, gelijk deze, voor geruimen tijd met den snavel vast. Door nu eens hier, dan weer daar haar zuigorgaan in de plant te boren, brengen zij in den regel geen belangrijk nadeel teweeg, vooral omdat zij slechts zelden tot groote scholen vereenigd voorkomen. Dikwijls wordt deze groep in 4 familiën verdeeld; de Kleine Cicaden, de Bultcicaden, de Lantaarndragers en de Zingende Cicaden.

De Kleine Cicaden (Cicadellidae) hebben een vrij vooruitstekenden kop met bovenwaarts gerichte kruin; het breede, naar voren gerichte voorhoofd draagt vóór de samengestelde oogen sprieten, die uit 2 leden en een eindborstel bestaan; sommige hebben 2 bijoogen, andere missen deze organen. De eerste borstring reikt tot aan het schildje van den tweeden, maar laat dit onbedekt. De voorvleugels zijn perkamentachtige dekschilden. De achterpooten, welker scheen verlengd is, stellen deze vlugge diertjes tot springen in staat; een sprong is meestal voor hen de voorbereiding tot het vliegen. In Europa is deze familie goed vertegenwoordigd. Geen van hare leden maakt geluid.

Tot de fraaist gevormde en geteekende soorten behooren die, welke Germar ten onrechte Blindkoppen (Typhlocyba) heeft genoemd, daar de bijoogen, hoewel dikwijls onduidelijk, niet ontbreken. Deze Cicaden zijn zelden langer dan 2 mM.; zij worden in Noord-Amerika en Noord-Azië, doch vooral in Europa veelvuldig aangetroffen. Sommige soorten komen vaak in grooten getale op één plant voor, o.a. de Rozencicade (Typhlocyba rosea) op rozenstruiken. Men ziet deze diertjes als licht citroengele, van achteren bruine, streepjes rustig zitten; zoodra echter aan den struik geschud wordt, springen zij alle naar beneden, vliegen in kringen om de plant heen en keeren spoedig naar haar woonplaats terug. Bij zonnig weer maken zij deze half springende, half vliegende bewegingen ook wel tot tijdverdrijf, zonder noodzaak.

Door een nagenoeg halvemaanvormigen, scherprandigen kop met weinig uitpuilend voorhoofd onderscheiden zich de Geoorde Cicaden (Ledra), die haar naam danken aan het oorvormig uitsteeksel aan weerszijden van het halsschild. Hiertoe behoort de grootste inheemsche vertegenwoordiger der familie, de 13 à 18 mM. lange Europeesche Geoorde Cicade (Ledra aurita, fign. 1 en 2), die men als imago van September tot November (bij ons echter niet dikwijls) op verschillende boomen (eiken, beuken, populieren, elzen) kan aantreffen. In Europa komen geen andere soorten voor dan deze; talrijk zijn zij echter in Zuid-Azië.

Een zeer eigenaardige levenswijze hebben de larven en nimfen van de Schuimcicaden (Aphrophora), die op zeer verschillende plaatsen zich ophouden in hoopjes wit schuim, door haar gevormd uit het sap, dat uit de plant in het spijskanaal opgezogen en voor een deel in den vorm van bellen door de aarsopening verwijderd wordt; zij handelen dus op gelijke wijze als de Plantenluizen bij het veroorzaken van den honigdauw. Dit schuim heeft niet ten doel andere Insecten aan te lokken, maar om de bewoonsters (één of meer), die er geheel door omhuld zijn, te beveiligen tegen vijanden. Het wordt bij ons “koekoeksspeeksel” of “koekoeksspog” genoemd; dezelfde beteekenis hebben de in Engeland en Duitschland gebruikelijke namen; in Zweden spreekt het volk van “kikkerspeeksel”, in Frankrijk van “lenteschuim”. Als vele van deze diertjes bij elkander voorkomen op een ouden wilg, ziet men, vooral wanneer de onbewolkte lucht warm, droog weer voorspelt, de talrijke schuimbellen (zooals in de afbeelding bij 3) tot druppels ineenvloeien en naar beneden vallen; men zegt dan, dat “de wilgen tranen”. De 20 mM. lange Aphrophora Goudoti, die op Madagaskar leeft, veroorzaakt bij brandende zonnehitte een formeele regenbui van sapdroppels onder den door haar bewoonden moerbezieboom, welker krachtigste twijgen door groote scholen van larven omgeven zijn.—Door de wonden, die onze Schuimcicaden aan de bast en het jonge hout van wilgen toebrengen, worden de twijgen, vooral de tweejarige, broos en voor vlechtwerk ongeschikt. Later droogt het schuimhoopje een weinig uit; het bestaat dan uit een door luchtbelletjes omgeven holte, waarbinnen het Insect van gedaante verwisselt, tegen het einde van Juni (na de voorlaatste vervelling) vleugelscheeden verkrijgt en dus in den nimf-toestand overgaat. Kort voor de laatste vervelling verlaat de nimf haar woning om op struiken en grassen te gaan rondzwerven; het schuim verdwijnt dan door uitdroging.

In Juli, na de laatste vervelling, vertoonen de Schuimcicaden zich in gevleugelden toestand. De beide algemeenste soorten zijn het Gewone Schuimbeestje (Aphrophora spumaria, fign. 3 en 4), dat 2 lichte dwarsbanden op de dekschilden heeft en het Wilgenschuimbeestje (Aphrophora salicis) dat iets langwerpiger en effen geelachtig grijs is. In den herfst leggen de wijfjes eieren in schorsspleten van boomen of op onderaardsche stengeldeelen van overblijvende kruiden. In de volgende lente, dikwijls reeds in April, komen hieruit grasgroene larven, welker achterlijf spits eindigt en aan de buikzijde afgeplat is. Zij beginnen dadelijk sap te zuigen en schuimhoopjes te vormen, die in den zomer bij zonnig weer zeer talrijk kunnen zijn. Een eigenaardige schade richten zij aan door den dood te veroorzaken van jonge Fazanten, die deze larven inslikken en dan door het gekrieuwel der levend in den krop gekomen diertjes beangst worden en uitgeput raken. Vooral wanneer de jonge Vogels niet door hunne moeders of door Tamme Hoenderen uitgebroed zijn en gehoed worden, maar aan de zorgen van domme Kalkoenen zijn overgelaten, overkomt hun dit leed.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1, 2) Europeesche Geoorde Cicade (Ledra aurita):—1) van boven, 2) van ter zijde. (In fig. 2 ziet men aan den achterrand van den naar boven gerichten, langs den rand gewimperden kop een samengesteld oog, aan het halsschild 2 oorvormige uitsteeksels en een voorpoot, verder achterwaarts een deel van het rechter dekschild.) 3, 4) Schuimbeestje (Aphrophora spumaria):—3) Imago. 4) Larve op het door haar gevormde, “koekoeksspeeksel”.—Fign. 1–3 zwak vergroot.

Andere soorten, die gemiddeld niet grooter zijn dan de reeds genoemde en meestal geen sprekende (maar een groene of sombere) kleur hebben, worden onder den naam van Bultcicaden (Membracidae) in een familie vereenigd, omdat aan haar halsschild allerlei dikwijls zeer zonderlinge, van het midden of van de zijden uitgaande uitgroeisels voorkomen, soms zoo groot, dat zij in ’t eene geval het geheele lichaam overschaduwen, in ’t andere de voorvleugels bedekken. Evenals de leden der vorige familie, kunnen de Membraciden springen, doch geen geluid maken. Slechts weinige komen in Europa voor. Het geslacht der Doorncicaden (Centrotus) is merkwaardig, doordat het in alle werelddeelen vertegenwoordigers heeft. Verreweg de meeste geslachten van Membraciden worden uitsluitend in de tropische gewesten van Amerika gevonden. In Nederland vindt men vrij zeldzaam, in den herfst bij voorkeur op hazelaars, de 8 à 9 mM. lange, grootendeels zwarte Gehoornde Doorncicade (Centrotus cornutus). Bij Triëst noemt men haar “Wijnduivel”, wegens de schade, die zij, naar men zegt, in wijngaarden aanricht en wegens de beide zijwaarts gerichte, driekantige, aan hoornen herinnerende spitsen op het halsschild. Bovendien is dit schild naar achteren verlengd tot een lang en smal uitsteeksel, dat het achterlijf voor drie vierden van zijn lengte overwelft en ongeveer in ’t midden een benedenwaartsche bocht maakt, zoodat men er van ter zijde op twee plaatsen onder door kan zien.

De Knobbelcicaden (Heteronotus), die uitsluitend in Zuid-Amerika gevonden worden, hebben een naar boven en achteren verlengd halsschild, dat holle, op verschillende wijzen vertakte en versierde knobbels of een blaasvormig uitgroeisel draagt. Bij de Netaderige Knobbelcicade (Heteronotus reticulatus) is het in ’t midden knobbelvormig gezwollen en van achteren in 3 (aan een gewei herinnerende) takken gesplitst. Bij de dofzwarte, in Columbia levende Hypsauchenia balista zijn het voorste en het achterste uiteinde van het halsschild zoowel in de lengte als in de breedte uitgegroeid; zij naderen elkander als een Slang, die zich in den staart wil bijten.

Bij de Zuid-Amerikaansche Helmcicaden (Membracis) verheft het halsschild zich meestal tot een soms zeer hoog uitsteeksel met wigvormigen bovenrand, dat bij de Hooge Helmcicade (Membracis elevata) in den vorm van een steek vóór den kop uitsteekt en zich tot boven de spits van het achterlijf uitstrekt.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

De Geaderde Elzencicade (Cixius nervosus) wordt hier te lande van Mei tot Augustus veelvuldig op weiden en struikgewas, vooral op elzen, gevonden. De kop is hoekig; het voorhoofd door hooge randen omgeven en door een overlangsche lijst middendoor gedeeld, doch niet naar boven verlengd. Het mannetje is 6, het wijfje 8 mM. lang. De doorzichtige vleugels hebben 2 bruine dwarsbanden en zijn op de aders bruin gestippeld; de overige lichaamsdeelen zijn zwart, behalve de randen van den kop, een deel van de borst en de pooten.—Vergroot.

Niet minder grillig van vorm dan het halsschild der Membraciden is de kop van de Lantaarndragers (Fulgoridae), niet minder belangrijk zijn invloed op de gestalte van vele leden dezer familie; nooit speelt hij de rol van lichtgevende lantaarn, die men hem eertijds algemeen heeft toegedicht. Scherpe lijsten, die bij de overige Cicaden niet voorkomen, scheiden bij de Lantaarndragers de kruin (en meestal ook het voorhoofd) van de wangen en verschaffen aan den kop een hoekige gedaante (zie bovenstaande afbeelding); deze treedt steeds als hoofdkenmerk op den voorgrond, waar zij niet door andere wijzigingen van den vorm onduidelijk is geworden. Bij sommige soorten ontbreken de bijoogen; de overige hebben er twee: een bij den binnenrand van ieder samengesteld oog. Alle hebben op elke wang, dus onder het oog, een korte, 3-ledige spriet, die licht onopgemerkt zou kunnen blijven. De sneeuwwitte, wasachtige stof, die door vele Lantaarndragers tusschen de ringen van het achterlijf wordt uitgescheiden en dit lichaamsdeel bij wijze van rijp bedekt, neemt, wanneer zij in grootere hoeveelheid voorkomt, den vorm van draden aan, die aan de spits van ’t achterlijf als een pluim uitsteken en na afschuring door nieuwe vervangen worden. Van een in China levende soort (Flata limbata) is het witte Chineesche was (Pe-la-tsjong) afkomstig. Ook de Lantaarndragers zijn voor ’t meerendeel bewoners van de keerkringsgewesten; de weinig talrijke Europeesche soorten o.a. de beide hier afgebeelde, blijven, ondanks haar bevallig uiterlijk, wegens haar geringe grootte veelal onopgemerkt.

De grootste soorten met sterkst ontwikkelden kop behooren tot het geslacht Fulgora, o.a. de 30 mM. lange Chineesche Lantaarndrager (Fulgora candelaria), wiens sabelvormig naar voren en naar boven verlengde kop bijna even lang is als het overige lichaam. Het lichaam is menierood, de dekschilden zijn Spaansch groen met goudgele vlekken; de steenroode achtervleugels hebben een breede, zwarte spits.

De 65 à 70 mM. lange Surinaamsche Lantaarndrager (Fulgora Laternaria) trekt zeer de aandacht door het dik, blaasvormig gezwollen kopuitsteeksel, dat van achteren, ongeveer in ’t midden, een zadelvormige, door twee knobbels begrensde deuk vertoont. Hij is op groenachtig gelen grond zwart geteekend; de achtervleugels hebben een citroengele, donkerbruin gezoomde oogvlek. Aan het lichtgevend vermogen van dit dier gelooft thans geen enkele onderzoeker meer. Even ongegrond is de meening van de Brazilianen, die dit Insect (dat zij Jitirana Boïa noemen) voor zeer vergiftig houden en het zorgvuldig ontwijken.

De Zingende Cicaden (Stridulantia, Cicadidae) verdienen tot op zekere hoogte den naam, dien haar in onze taal gegeven wordt, door de tonen, welke de mannelijke leden der familie voortbrengen. Van ongelijke waardeering dezer geluiden getuigen de namen “zingen, sjirpen, gonzen, knarsen, vijlen”, waarmede verschillende hoorders ze hebben aangeduid. Op echt dichterlijke wijze vertolkten de Grieken der Oudheid de stemming, waarin de Cicaden hem brachten. Volgens een hunner sagen hadden twee toonkunstenaars Eunomus en Ariston een wedstrijd aangegaan. De eerstgenoemde behaalde de overwinning, omdat een Cicade zich op zijn harp had neergezet en het gemis vergoedde van een snaar, die gedurende den strijd gesprongen was. Daarom was bij de Grieken de op een harp zittende Cicade het zinnebeeld der muziek. Door de dichters der oudheid werden de Cicaden verheerlijkt; zij prezen haar de gelukkigste en onschuldigste van alle aardsche schepselen. De berichtgevers uit lateren tijd zijn minder met haar ingenomen. Dit blijkt o.a. uit het oordeel, dat Shaw over deze Insecten velt: “In de heete zomermaanden,” schrijft hij, “vooral van den middag tot tegen den avond, sjirpen de Cicaden zeer schel en veroorzaken een helsch rumoer, dat de ooren pijnlijk aandoet. In dit opzicht zijn zij lastiger en onbeschaamder dan eenig ander Insect; op een twijg zittend, schetteren zij dikwijls 2 of 3 uren achtereen door zonder op te houden; zij storen hierdoor de overpeinzingen of de korte rust, waaraan men zich in deze heete luchtstreken (Barbarije) omstreeks den genoemden tijd pleegt over te geven. Stellig heeft de Tettix der Grieken geheel andere tonen voortgebracht, zachter en welluidener, daar men toch niet onderstellen kan, dat de voortreffelijke redenaars, die Homerus met Cicaden vergeleek, vervelende, schetterende schreeuwers zijn geweest.”

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1–3) De Europeesche Lantaarndrager (Pseudophana europaea) vertoont zich in fig. 1 in ware grootte op een bloeiwijze van het duizendblad. Dit 8.75 mM. lange Insect is grasgroen met groen geaderde dekschilden; het komt hier te lande niet voor, wel in Zuid-Duitschland, op droge weiden met veel duizendblad en ganzebloemen. Het behoort tot een geslacht, dat in alle werelddeelen, behalve Nieuw-Holland, vertegenwoordigd is, welks leden zich kenmerken door hun groene kleur en door het uitgroeien van het voorhoofd en de kruin (die beide drie lijsten vertoonen) tot een kegelvormig, naar boven gericht uitsteeksel. (Zie de fign. 2 en 3, die den kop en het voorste gedeelte van het borststuk vergroot voorstellen: fig. 2 van voren, fig. 3 van terzijde gezien.)

Het muziekorgaan van de Cicaden maakt deel uit van haar achterlijf. Twee groote, lederachtige schubben (fig. 2), verlengstukken van het borstschild van het achterborststuk, bedekken de voorste buikschilden van het achterlijf. Onder het achterste gedeelte van elke schub bevindt zich een groote en ovale plek, de zoogenaamde “spiegel”, het strak gespannen, dunne verbindingsvlies van het eerste en tweede buikschild. De beide spiegels nemen nagenoeg de geheele breedte van ’t achterlijf in en zijn in ’t midden slechts door een betrekkelijk dun strookje gescheiden; van ter zijde gezien schitteren zij met regenboogskleuren. Vóór de beide spiegels aan elke zijde van het eerste achterlijfssegment komt een kleinere schub voor, die van het rugschild uitgaat en een nagenoeg driehoekige holte bedekt, welker bodem gevormd wordt door een dun, overlangs geplooid vlies, dat aan fijn perkament herinnert; dit “trommelvlies” is bevestigd in een hoornachtig raam. Een krachtige spier, die aan het buikschild van ’t eerste achterlijfssegment ontspringt, werkt door middel van een pees op den naar den rug gekeerden rand van het raam. Door hare samentrekkingen geraakt het “trommelvlies” in trillende beweging; het hierdoor voortgebrachte geluid, versterkt door de als klankbodems dienende spiegels en andere vliezige organen, is het “gezang” der Cicaden. Daar de wijfjes het “trommelvlies” missen, kunnen zij geen geluid geven. Men heeft een tijdlang gemeend, dat de ademgaten bij het voortbrengen van het geluid der Cicaden een soortgelijke rol zouden spelen als bij het brommen der Vliegen; dat dit niet het geval is, bleek, toen men met een druppel olie de lucht afsloot; op het geluid had dit geen invloed.—Met welk orgaan de wijfjes den loktoon der mannetjes waarnemen, weet men niet.

De kop is bij de Cicaden zelden naar voren verlengd; twee gelijke bogen begrenzen gewoonlijk van voren en van achteren de kruin, welker smalle oppervlakte (fig. 2) door 2 overlangsche groeven in 3 velden is verdeeld, waarvan het middelste 3 bijoogen draagt. Van voren grenst dit veld aan den bovenrand van het blaasvormig gezwollen voorhoofd, dat met talrijke dwarsgroeven doorploegd is (fig. 3).

Van de 4 vleugels, die daksgewijs over het kegelvormige achterlijf liggen, bereiken de voorste een grootere lengte dan de achterste; zij zijn soms doorzichtig en onbehaard, soms gekleurd en behaard.

Van de pooten valt alleen op te merken, dat de voordij dik aan de onderzijde met eenige tanden gewapend is; deze eigenaardigheid is een erfstuk van de plompe, gladde, met een harde huid bekleede larven. De larven n.l. gebruiken de voorpooten om in den grond te graven. Sommige brengen haar geheele leven, d. i. eenige jaren, in den grond door; andere houden zich hier slechts in ’t laatste tijdperk van den larvetoestand op; nog andere brengen er alleen den winter door; zij zuigen dan sap uit de wortels van houtige planten.

De Cicaden zijn schuwe en trage dieren, die alleen door de stralen van de brandende middagzon tot een iets vluggere beweging opgewekt worden. Zij steken den snavel in jonge twijgen van houtige planten en voeden zich met het hieruit opgezogen sap. Ook nog na het terugtrekken van den snavel vloeien er druppels uit de wonde, die, aan de lucht opdrogend, den tak bedekken met een korst, welke men van sommige planten inzamelt en onder den naam van “manna” gebruikt. Met den legboor, die in rust teruggetrokken wordt in een overlangsche spleet van den buik, boort het wijfje gaten tot in het merg van jonge twijgen en legt in ieder gat een ei. De hieruit komende larve verlaat onmiddellijk haar geboorteplaats en begeeft zich in den grond, waar zij sap uit de wortels zuigt. Eerst na verscheidene jaren gaat zij in den imago-toestand over. Zoo dankt een Noord-Amerikaansche, vooral op eiken levende soort, die gevreesd wordt wegens de schade, welke de wijfjes met den legboor, de jongen met den snavel aanrichten, den naam Cicada septemdecim aan haar 17-jarige generatie. Dit maakt, dat de buitengewone talrijkheid van deze Insecten zich om de 17 jaar herhaalt, gelijk in Pennsylvanië b.v. in 1834, 1851 en 1868 gebleken is.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Manna-cicade (Cicada orni).—2–4) Gewone Zingende Cicade (Cicada plebeja). 4) Larve.—Vergroot.

Het aantal bekende soorten van Zingende Cicaden bedraagt 400 à 500, waarvan 18 in Zuid-Europa voorkomen; de meeste bewonen den tropischen aardgordel; op ongeveer 40° ZB. bereikt deze familie de grens van haar verbreidingsgebied; noordwaarts verwijderen enkele soorten zich aanmerkelijk verder van den evenaar. In Nederland vindt men geen Zingende Cicaden. In Duitschland zijn er 4 waargenomen: Cicada haematodes (bij Würzburg), Cicada plebeja (fign. 2–4) (bij Regensburg), Cicada atra (o.a. bij Heidelberg, Erlangen en in de Fränkische Schweiz) en Cicada montana, die nagenoeg geheel Europa en Noord-Azië bewoont.

Een van de merkwaardigste Zuid-Europeesche soorten is de 28 mM. lange, geelachtige, zwart gevlekte Manna-cicade of Kleine Esschen-cicade (Cicada orni fig. 1), die voornamelijk uit bladen en jonge spruiten van den manna esch (Ornus europaea) sap zuigt; hierdoor geeft zij aanleiding tot het winnen van een product, dat manna heet, grootendeels uit een eigenaardige suikersoort bestaat en o.a. als purgeermiddel dient; het meeste manna wordt echter verkregen uit wondjes, die niet door Cicaden, maar opzettelijk door menschen in den boom gemaakt worden.

De vierde onderorde van de Snavelinsecten is die der Wantsen (Heteroptera); zij kenmerkt zich door den bouw der vleugels, die in rust horizontaal op het achterlijf liggen; de achterste, de eigenlijke vliegwerktuigen, zijn waaiersgewijs geplooid onder de voorste; deze heeten halve dekschilden of halfschilden (hemielytra), omdat hun dikwijls uit verscheidene stukken (corium, clavus, cuneus, emboleum) bestaande wortelhelft lederachtig, de eindhelft (membrana) daarentegen vliezig is. De wortelhelft ligt met den binnenrand tegen een zijrand van het steeds sterk ontwikkelde schildje aan, zoodat de zijstukken van het achterlijf hier slechts één bedekking hebben; de vliezige eindhelften bedekken elkander en verschaffen een dubbele bedekking aan het achterste deel van ’t achterlijf. Op den bouw der voorvleugels berust de naam Halfvleugeligen (Hemiptera), die vroeger verkeerdelijk op de geheele orde werd toegepast. Uitzonderingen vormen o.a. de Vuurwantsen en de Waterloopers, welker voorvleugels geheel en al lederachtig zijn. Slechts weinige soorten missen de achtervleugels of zijn geheel ongevleugeld.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Bootsmannetje (Notonecta glauca), vliegend en zwemmend.—2–4) Platte Waterschorpioen (Nepa cinerea): 2) Imago bij het uitzuigen van een Agrioniden-larve; 3) larve; 4) Eieren.—5) Gewone Zwemwants (Naucoris cimicoides).—6)Geoffroy’s Duikerwants (Corisa Geoffroyi).—7) Lange Waterschorpioen (Ranatra linearis).—8) Vijverlooper (Limnobates stagnorum).—9) Moeraswaterlooper (Hydrometra paludum).—10) Eieren en larven van een Waterlooper.—11) Beeklooper (Velia currens): Vleugellooze variëteit.—Ware grootte.

Verreweg de meeste Wantsen onderscheiden zich door de eigenaardige lucht, die zij verbreiden en op voorwerpen, waarmede zij in aanraking zijn geweest, overdragen; op deze wijze maakt de Frambozenwants (Pentatoma baccarum) verschillende vruchten onsmakelijk en verpest de Bedwants (Cimex lectularius) de door haar bewoonde ruimten. Hare stinkklieren monden uit bij de plaats van aanhechting der achterpooten.

De snavel, die bij de Wantsen niet aan de keel, zooals bij de vorige onderorden, maar aan de spits van den kop ontspringt, is hierdoor beter geschikt voor het rooversbedrijf; werkelijk voeden de meeste Wantsen zich met de sappen van andere dieren, vooral van Insecten. Voor ’t meerendeel zijn zij landdieren; eenige houden zich, evenals de Bedwants, over dag verborgen en zoeken des nachts voedsel; die, welke over dag wakker zijn, maken echter de meerderheid uit; verscheidene vliegen bij zonnig weer snel rond, om op weiden en akkers en in bosschen haar beroep uit te oefenen, waarbij zij in den regel niet sterk de aandacht trekken. Andere Wantsen mag men waterdieren noemen, hetzij omdat zij flink zwemmen; de laatstgenoemde verlaten dikwijls ’s avonds het water om te vliegen.

Waarschijnlijk komt bij alle Wantsen een éénjarige generatie voor. De eieren, die in de lente buiten op een plant gelegd worden, openen zich meestal met een deksel. Uitwendig verschillen de larven van de volwassene alleen door het gemis van vleugels, waarvan zich bij de voorlaatste vervelling (in den nimftoestand) beginseltjes vertoonen. In levenswijze komen de larven en nimfen met hare ouders overeen. In den nazomer zijn zij volkomen ontwikkeld; na de overwintering heeft de voortplanting plaats. Kort daarna sterven de volwassen Insecten.

Schadelijk zijn alleen de weinig talrijke soorten, die zich met het bloed van Gewervelde Dieren voeden, benevens eenige van plantensap levende vijanden van gekweekte gewassen. Nuttig zijn eenige Roofwantsen door het verdelgen van schadelijke Insecten.

Gewoonlijk wordt deze onderorde in twee groepen verdeeld: de Landwantsen (Geocores) en de Waterwantsen (Hydrocores). De leden der eerste groep, waaraan men ook toevoegt de Wantsen, die aan de oppervlakte van ’t water of op waterplanten leven, onderscheiden zich door duidelijk zichtbare, vóór den kop uitstekende sprieten. Bij de overige zijn de 3- of 4-ledige sprieten uiterst kort en in een groeve onder de oogen aan de onderzijde van den kop verborgen.

Zoowel de gestalte als de kleur van de Waterwantsen vertoont betrekkelijk weinig afwisseling. Zelfs die, welke de keerkringsgewesten bewonen, munten boven hare in koudere streken levende verwanten niet uit door kleurenpracht en verscheidenheid van vormen, maar hoogstens door een aanzienlijker grootte. Zij maken jacht op de kleine dieren, die in de door hen bewoonde wateren in overvloed voorkomen, spietsen ze aan haar snavel en zuigen ze uit. Gedurende den winter rusten zij, verborgen in den modder, op den bodem van ’t water. Tot deze groep behooren de familiën der Rugzwemmers en der Waterschorpioenwantsen.

Door den grooten, breeden, scheef naar onderen en naar achteren gerichten kop met stomp afgerond voorhoofd, den langwerpig ovalen romp en de meer of minder afgeplatte, aan weerszijden (of alleen aan de binnenzijde) door wimpers verbreede achterpooten kenmerken zich de Roeipootigen (Pediremi), die men ook wel Rugzwemmers (Notonectidae) noemt, hoewel alleen op de leden van het geslacht Notonecta deze naam letterlijk toepasselijk is. De voorpooten zijn geen roofpooten, hoewel zij bij de Duikerwantsen (Corisa) voor het vasthouden van de prooi dienen.

Als voorbeeld van het laatstgenoemde, ook bij ons door talrijke soorten vertegenwoordigde geslacht moge de (fig. 6) Geoffroy’s Duikerwants (Corisa Geoffroyi) dienen. Op de sterk glimmende, platte rugzijde van het 13 mM. lange Insect heeft zwartgroen de overhand; deze kleur wordt op het halsschild door gele golflijnen, op de dekschilden door gele stippels afgebroken. De onderzijde is geel met zwarte vlekken. De wijfjes leggen in het voorjaar hare tot platte scholen vereenigde eieren op waterplanten. Die van twee Mexicaansche soorten (Corisa mercenaria en Corisa femorata) worden ingezameld en op verschillende wijzen als voedsel gebruikt.

De 14 à 15 mM. lange Gewone Rugzwemmer (Notonecta glauca, fig. 1), die meesterlijk de kunst van zwemmen verstaat, verdient ten volle zijn naam, daar men hem gewoonlijk in de rugligging ziet zwemmen. Met de gele, platte borst naar boven, den stomp gekielden rug naar beneden gericht, de krachtige, elastische achterpooten als roeiriemen uitslaande, schiet deze Wants door het water; haar vorm, waaraan zij en hare verwanten den naam van Bootsmannetjes danken, herinnert aan dien van een boot. Uit eigen beweging kruipt zij, als de zon schijnt, bij het een of ander voorwerp omhoog om te gaan vliegen. Haar buikzijde is dicht bedekt met haartjes, waartusschen zij de lucht medeneemt, die voor ’t ademhalen onder water vereischt wordt; af en toe vernieuwt zij dezen voorraad door de spits van het achterlijf boven den waterspiegel te verheffen. De met lucht bedekte buikzijde vertoont onder water, door totale terugkaatsing van het licht, een zilverachtigen glans. In ’t begin van de lente worden de ovale, lichtgele, aanvankelijk kleverige eieren bij reeksen op het onderste deel van een waterplant of op den bodem gelegd, zoodat zij gezamenlijk een schijf vormen. De larven gelijken in vorm en levenswijze op hare ouders, maar zijn okergeel en natuurlijk ongevleugeld. Vóór Augustus vervellen zij 3-maal en zijn daarna in het bezit van zeer korte vleugelstompjes. Na de vierde vervelling is het Insect volkomen ontwikkeld, hoewel er nog eenigen tijd verloopt, voordat de huid verhard is en de normale kleur vertoont. Het overwintert in verstijfden toestand in den modder.—Rugzwemmers, die veel op de onze gelijken, worden door de Mexicanen Moschitos genoemd en in gedroogden toestand als vogelvoeder gebruikt. Van de eieren wordt een soort van koek gebakken, welk gerecht onder den naam van “haoetle” bekend is en naar visch smaakt.

Een kleine, smalle kop en tot vangwerktuigen vervormde voorpooten kenmerken de familie der Waterschorpioenwantsen of Roofvoetigen (Nepidae of Pedirapti), waarin 2 groepen te onderscheiden zijn, die soms als onderfamiliën, soms als familiën worden beschouwd. De Zwemwantsen (Naucorinae) herinneren door den lichaamsbouw en door de beharing van de soms lederachtig gewimperde achterpooten aan sommige Dytisken onder de Kevers en zwemmen even behendig als de Roeipootigen. Een voorbeeld hiervan is de Gewone Zwemwants (Naucoris cimicoides, fig 5), een 11 à 13 mM. lang, van boven naar onderen afgeplat Insect van eironden omtrek, dat bij ons algemeen in stilstaand en langzaam stroomend water voorkomt en zich zwemmend tusschen de waterplanten beweegt. Deze soort heeft een zwak gewelfde rugzijde, welker glanzig groenachtig bruine kleur op het schildje en de dekschilden het donkerst is. Het wijfje legt de eieren, evenals de vorige soort, tot schijven vereenigd op waterplanten.

Tot een nauw verwant geslacht behoort de Zuid-Amerikaansche Reuzenzwemwants (Belostoma grande), het grootste dier van de geheele orde, daar het 105 mM. lang wordt.

Sommige uitheemsche soorten, o.a. de Oostindische Zwemwants (Diplonychus rusticus), onderscheiden zich door de zonderlinge gewoonte van de wijfjes om hare tot een schijf vereenigde eieren op den rug te dragen.

*

De Echte Waterschorpioen-wantsen (Nepinae) loopen langzaam aan den ondiepen waterkant over den modderigen bodem en steken van tijd tot tijd de lange, dunne adembuis, waarin haar achterlijf eindigt, boven den waterspiegel. Hiertoe behoort de trage, lang- en dunpootige Gewone of Platte Waterschorpioen (Nepa cinerea, fig. 2). Met uitzondering van den helder menierooden rug van het achterlijf, die men eerst na het wegnemen der vleugels te zien krijgt, is het buitengewoon platte lichaam zwartbruin en gewoonlijk door het aanhangende vuil wankleurig. In de lente legt het wijfje de eieren, die aan ’t eene einde 7 straalsgewijs gerangschikte uitsteeksels hebben (fig. 4), op waterplanten. De hieruit komende larven hebben een aanmerkelijk kortere adembuis dan hare ouders.

De Lange Waterschorpioen (Ranatra linearis, fig. 7) schijnt een met steentjes bezaaiden boven een met modder bedekten bodem te verkiezen. Zijn rolrond lichaam is grootendeels geelachtig grijs, het achterlijf van boven rood, aan de zijden geel; de achtervleugels zijn melkwit. Evenals hare verwanten, wandelt ook deze langpootige Wants, loerend op roof, over den bodem van ondiep water. De peervormige lichaampjes van verschillende grootte, waarmede zij niet zelden bezet is, zijn parasieteerende Watermijten (Hydrachna). Het wijfje doorsteekt met den legboor het blad van een waterplant om in de wonde een ei te leggen, dat aan twee haarvormige uitsteeksels blijft hangen.

De Waterloopers (Hydrometridae, Ploteres), die wegens hun lichaamsbouw bij de Landwantsen worden gerekend, vertoonen eenige overeenkomst in levenswijze met hunne in ’t water wonende verwanten, maar staan toch tot deze in een soortgelijke betrekking als de Draaikevers tot de Dytisken, daar zij niet in, doch uitsluitend op het water verblijf houden. Aan een vroolijk gezelschap van vlugge schaatsenrijders op een spiegelgladde ijsbaan herinneren deze lang- en dunpootige Wantsen, terwijl zij elkander op den zonnigen waterspiegel in verschillende richtingen najagen en plotseling naar alle zijden uiteenstuiven om op een ander punt weer bijeen te komen. Hier rusten zij soms een tijdlang, zonder eenige beweging te maken, maar schijnen slechts op een aanleiding te wachten om het zooeven gestaakte spel te hervatten. Den naderenden mensch ontwijken zij bij voorkeur door stroomopwaarts te loopen, indien een langzaam vlietende beek hun tot speelplaats dient. Dat zij ook hunne vleugels weten te gebruiken, bleek o.a. uit het vinden van enkele exemplaren in door regen gevulde wagensporen. Niet slechts op stilstaand, maar ook op de minst bewogen deelen van stroomend water komen zij veelvuldig voor, sommige kleine soorten—de Zeeloopers (Halobates)—zelfs op tropische zeeën, tot op grooten afstand van de kust. De voorpooten van de Waterloopers blijven bij het gaan werkeloos, doch doen meestal dienst bij ’t grijpen van de prooi, hoewel hun maaksel niet van dat der overige pooten verschilt. Het lichaam is lang en smal, nooit op in ’t oog loopende wijze afgeplat. De onderzijde heeft in den regel een fraaien, aan zilver of messing herinnerenden glans, omdat zij dicht begroeid is met fluweelachtige haren. De eieren zijn langwerpig van vorm, worden in reeksen op waterplanten gelegd en met spinsel omgeven.

Bij de meeste waterloopers zijn de voorpooten aanmerkelijk korter dan de middel- en achterpooten. Een uitzondering op dezen regel vormt de Vijverlooper (Limnobates stagnorum, fig. 8), wiens pooten alle nagenoeg gelijke lengte hebben. Men vindt dit Insect in geheel Europa en ook bij ons zeer algemeen op stilstaand water tusschen het riet; zijn 13 mM. lang, onbehaard lichaam en zoo dun als een naald; de snavel steekt weinig uit vóór den langen, van voren knotsvormig verdikten kop, die achter het midden de zijwaarts uitpuilende, bolvormige oogen draagt. Behoudens een deel van den kop en van het halsschild, die beide van achteren roestrood zijn, is de stam zwartbruin; de pooten zijn vuilbruin of meer geelachtig; de dekschilden hebben overlangsche ribben met lichtere groeven er tusschen.

De 6 mM. lange Beeklooper (Velia currens, fig. 11) levert een voorbeeld van de bij sommige Wantsen voorkomende veranderlijkheid van de lengte der vleugels; bij ons werd uitsluitend de ongevleugelde variëteit gevonden; in Duitschland treft men bovendien ook gevleugelde exemplaren aan. Deze soort is veel minder slank dan de vorige: de kop is kort, het halsschild groot, nagenoeg even breed als lang. De rug is zwartbruin en heeft op het achterlijf roestroode randen, welke sterk bovenwaarts uitpuilen; dezelfde kleur hebben de zijden van het borststuk en de geheele buik. Het loopen op het water geschiedt zonder medewerking van de korte voorpooten en wordt telkens afgebroken door rustpauzen.

De als inleiding dienende levensschets geldt meer bepaaldelijk voor de Echte Waterloopers (Hydrometra, Gerris), waarvan in Europa een 12-tal soorten voorkomen, die gedeeltelijk ook in onze poelen en plassen niet zeldzaam zijn. Zij leven in troepen bijeen. De voorpooten zijn kort en tamelijk dik; het voorborststuk is vele malen langer dan breed, met den kop er bij ongeveer even lang als het achterlijf; dit is smal, van onderen uitgehold, van boven plat en door nagenoeg evenwijdige, niet sterk uitpuilende lijsten begrensd.—De 10 mM. lange Gewone Waterlooper (Hydrometra thoracica) is van boven grootendeels donkerbruin of zwart, van onderen wit, zijdeachtig behaard. Door de roestgele kleur van ’t achterste deel van het halsschild en door een kort, priemvormig uitsteeksel aan weerszijden van den 6en achterlijfsring onderscheidt hij zich van verwante soorten, o.a. van den in fig. 9 afgebeelden Moeras-waterlooper (Hydrometra paludum).

De Oeverwantsen (Saldidae Riparii) vormen door haar woonplaats een overgang van de Waterloopers tot de echte landdieren der onderorde. Zij houden zich uitsluitend aan den waterkant op, zoowel aan de zeekust als aan de zandige, vochtige oevers van binnenwateren. Zij loopen zeer snel, kunnen met de lange, gedoornde achterpooten vlug springen en maken bovendien licht van hare vleugels gebruik; zij laten zich dus niet gemakkelijk vangen. Daar zij zich vlug bewegen en in de nabijheid van ’t water van roof leven, stemt haar levenswijze meer met die der Waterloopers dan met die der tragere, voor ’t meerendeel plantensap zuigende Echte Landwantsen overeen.—De zwarte, 4 mM. lange Springende Oeverwants (Salda saltatoria) is de meest verbreide inheemsche soort.—Tot de kleinste vertegenwoordigers der familie behoort de Sierlijke Oeverwants (Salda elegantula), die 3 mM. lang, dof zwart en van boven met geelachtige, neerliggende haren bekleed is; de pooten zijn geel; gele ringen versieren het 2e en het 3e sprietlid; de dekschilden hebben een gelen rand en twee witte vlekken.

De Loop- of Roofwantsen (Reduviidae) zijn het gemakkelijkst te herkennen aan de halsvormige insnoering van den kop achter de uitpuilende oogen en aan de dwarse groeve, die het halsschild in twee deelen scheidt: het voorste is meestal smal, het achterste veel grooter. Hoewel deze Wantsen lange pooten hebben, is haar gang langzaam en afgemeten. Over dag houden zij zich meestal schuil; kleine Insecten, vooral Vliegen, die ’s nachts worden buitgemaakt, verschaffen haar voedsel. Eenige uitheemsche soorten zijn berucht wegens de voorkeur, die zij toonen voor het bloed van warmbloedige dieren, ook voor dat van menschen. Haar steek is zeer pijnlijk; die van de over geheel Amerika verbreide Radwants (Arilus serratus) wordt met een electrischen schok vergeleken. De meeste (ook de grootste) leden van deze familie bewonen de tropische gewesten.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Vermomde Wants (Reduvius personatus) met larven. Ware grootte.

De Vermomde Wants (Reduvius personatus) heet zoo wegens de zonderlinge wijze, waarop haar langpootige, borstelig behaarde, in stoffige hoeken levende larve zich onkenbaar maakt: een laag stof en vuil, die nagenoeg alle lichaamsdeelen omhult, dient haar tot masker en verschaft waarschijnlijk het voordeel, dat zij een buit ongemerkt kan besluipen. De geslachtsrijpe Wants vertoont zich in haar ware gedaante. In beide toestanden zal zij het kleine Insect, een Vlieg b.v., dat men haar voorhoudt, met langzamen, telkens door oogenblikken van rust afgebroken gang naderen, tastend de sprieten bewegen, het slachtoffer eindelijk bespringen, met de voorpooten omvatten en het den snavel in ’t lijf boren. De Vermomde Wants, die bij ons als larve overwintert, komt ook in Afrika voor, maar wisselt hier misschien wegens de hoogere temperatuur, op een anderen tijd van gedaante. Zij leeft eenzaam, gewoonlijk in huizen, vooral op weinig bezochte zolders. Dat zij zich verdienstelijk zou maken door Wandluizen te dooden, is niet waarschijnlijk; de vochten van deze magere en dorre parasieten zullen haar wel niet tot de jacht verlokken; het bloed, waarmede hun spijskanaal soms gevuld is, kan zij zonder hun bemiddeling ook wel verkrijgen.

Een aantal voor ’t meerendeel zeer kleine, platte Wantsen, welker 4- of 3-ledige snavelscheede in een groeve aan de keel verborgen is, worden Vliezige Wantsen (Membranacei) genoemd wegens de gewoonlijk vliezige, dikwijls echter gezwollene uitsteeksels en verhevenheden op het halsschild, de dekschilden en het achterlijf, die aan sommige soorten een zeer zonderling voorkomen verschaffen. De dekschilden zijn bij sommige geslachten geheel en al vliezig en in cellen verdeeld. Grootmazig zijn deze bij de Netwantsen (Tingis), die zich kenmerken door een knobbelige of blazige verhevenheid midden op het halsschild, dat evenals de buitenzijde van ieder dekschild, bladvormig verbreed is, en door het knopvormig uiteinde van de dunne sprieten. De hiernevens afgebeelde soort (Tingis affinis, fig. 1) kan een denkbeeld geven van het sierlijk voorkomen der Netwantsen. Zij leeft gezellig op zandgrond, sap zuigend uit de wortels van averuit (Artemisia campestris) of van grassen. De doorzichtige zoom van het bruine lichaam is bruin geaderd. De sprieten hebben een donkeren top en de dekschilden ieder een stervormige vlek in ’t midden. Evenals de meeste leden van dit geslacht, heeft zij 5 lange stekels op het voorhoofd.

De niet veel grootere Schorswantsen (Aradus), welker zeer sterk afgeplat lichaam somber gekleurd is en een rimpelige oppervlakte heeft, leven verborgen achter de schors van doode boomen. De Gewone Schorswants (Aradus corticalis, fig. 2) is grootendeels zwart; de wortel van het dekschild is geelachtig wit, het achterste deel van het rugschild en de hoeken der achterlijfsleden zijn vuilgeel.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Verwante Netwants (Tingis affinis), 8-voudig vergroot.—2) Gewone Schorswants (Aradus corticalis), 6-voudig vergroot.—3) Bedwants (Cimex lectularius), sterk vergr.

Eenig in haar soort is de beruchte Bedwants, Wandluis of Weegluis, ook wel eenvoudig Wants genoemd (Cimix lectularius, fig. 3), reeds in overouden tijd bekend als “Koris” bij de Grieken, als “Cimex” bij de Romeinen. Een der belangrijkste eigenaardigheden van haar geslacht is de gewoonte om bij Zoogdieren en Vogels bloed te zuigen. De vleugels en de hechtlapjes tusschen de klauwen ontbreken; de sprieten zijn 4-ledig, de voorvoeten en de in een keelgleuf verborgen snavel 3-ledig; het sterk verbreede halsschild is halvemaanvormig, van voren met een inham voor den kop, van achteren door een insnoering gescheiden van het nagenoeg cirkelvormige achterlijf. Het buitengewoon platte lichaam wordt 5 à 6 mM. lang, is dicht begroeid met geelachtige haartjes en licht bruinrood van kleur (vandaar de naam “Roodrokjes”). De ronde lapjes aan weerszijden van het kleine schildje moeten als rudimentaire dekschilden beschouwd worden. Het wijfje legt in Maart, Mei, Juli en September telkens ongeveer 50 witte, 1.12 mM. lange, rolronde eieren in de fijnste reten van slaap- en woonvertrekken, vooral achter behangsels, in naden van planken beschotten, in de voegen van ledikanten en bedsteden. Op dezelfde plaatsen houden de Wantsen zich over dag verborgen. Het laatste gebroed blijft echter in den regel niet in ’t leven. Alleen de volwassen Wantsen overwinteren en kunnen zeer veel koude verdragen; voor haar volledige ontwikkeling wordt 11 maanden vereischt. Kort vóór de achterpooten zijn bij haar de openingen van 2 stinkklieren gelegen. De hatelijkste eigenschap van de Wants is echter de neiging om bloed te zuigen, die zij ’s nachts toont. Door een genieperigen steek, die, wegens het in de wonde doordringend, alkalisch speeksel, ontsteking veroorzaakt, verstoort zij de nachtrust van den slapenden mensch. Dit bloeddorstig Insect kan zeer lang zonder voedsel in ’t leven blijven. Leunis had een wijfje in een goed gesloten doos geborgen; toen hij deze na 6 maanden opende, bleek het gevangen dier omringd te zijn door een schaar van nakomelingen, die alle, evenals de moeder, levend, maar doorzichtig als glas waren. Wegens haar groote vruchtbaarheid en de velerlei wijzen, waarop zij toevallig van de eene plaats naar de andere kan worden overgebracht, behooren de Bedwantsen tot de lastigste van alle soorten van ongedierte, vooral in groote steden, waar de overbevolking der huizen een afdoende zuivering bemoeielijkt.

Op onvoldoende gronden beweert men soms, dat de Bedwants uit Oost-Indië naar Europa is overgebracht. Zeker is het, dat zij reeds in de 11e eeuw de bewoners van Straatsburg kwelde. Het vermoeden, dat zij in de bedden van de uit Frankrijk verdreven Hugenoten te Londen zijn gekomen, wordt te niet gedaan door het bericht, dat in 1503 een paar adellijke dames in genoemde stad de steken van Bedwantsen voor verschijnselen van de pest aanzagen. Wanneer men in ’t oog houdt, dat deze Insecten ook in hoenderhokken, duiventillen en zwaluwennesten gevonden zijn, zoo ligt het vermoeden voor de hand, dat zij oorspronkelijk in de vrije natuur bij de woningen van allerlei warmbloedige dieren leefden, met welker bloed zij zich voedden, en van hier langzamerhand naar menschelijke woningen zijn overgebracht. Niet onwaarschijnlijk is het, dat de ’s nachts vliegende Vleermuizen veel tot de snellere verbreiding van dit lastige ongedierte bijgedragen hebben.

Alle kleine, teere en zachthuidige Wantsen, die des zomers op bloemen en grassen een voor leden dezer orde opmerkelijke vlugheid van beweging ten toon spreiden, zoolang de zon schijnt bewijzen van geschiktheid en van lust tot vliegen geven door plotseling te komen en te verdwijnen, gaarne honig zuigen (hoewel kleine Insecten haar voornaamste voedsel uitmaken), behooren tot de familie der Bloemwantsen (Capsidae). In den gematigden aardgordel is zij sterker vertegenwoordigd dan in de warmere gewesten: geen andere familie van Wantsen bevat zoovele Europeesche soorten: men kent er 300, waarvan vele ook in ons vaderland gevonden zijn.—Aan den driehoekigen kop komen lange, borstelvormige sprieten, doch geen bijoogen voor.—Vele soorten zijn zeer fraai en bont gekleurd, o.a. geldt dit van die, welke het geslacht Calocoris vormen. Op distels, stalkruid, brandnetels, enz, vindt men niet zelden in grooten getale de geelachtig groene, 7 à 8 mM. lange Tweestippelige Weidewants (Calocoris bipunctatus), zoo genoemd wegens de beide zwarte stippels op het halsschild. Roodachtig zijn de sprieten en de top van de dij, bij ’t mannetje ook twee strepen op de dekschilden.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

Vleugellooze Vuurwants (Pyrrhocoris apterus), 3-voudig vergroot.

De meeste zoogenaamde Lange Wantsen (Lygaeides) leven onder steenen, dorre, vergruisde bladen of onder het mos aan den voet van boomstammen; hier zijn zij druk bezig met haar voedsel te zoeken, dat uit het sap van planten of van doode Insecten bestaat; slechts weinige soorten komen voor den dag. Een van deze, de 10 mM. lange Vleugellooze Vuurwants (Pyrrhocoris apterus), is gemakkelijk te herkennen aan haar deels bloedroode, deels zwarte kleur, voorts aan het ontbreken van de achtervleugels en van het vliezige deel der dekschilden; soms, vooral in zuidelijker landen, komen echter ook exemplaren voor met goed ontwikkeld membraan aan de voorvleugels en zelfs met volledige vliegwerktuigen. Den geheelen zomer ontmoet men deze Insecten bij scholen aan den voet van oude linden of ijpen, of, zoo deze boomen ontbreken, ook wel bij een muur. Zoodra de winter voorbij is, in den regel reeds in Maart, verlaten zij allengs hare schuilplaatsen en sluipen eenzaam rond op beschutte, niet aan den kouden wind blootgestelde plaatsen. Hoe zachter het weer is, des te meer vallen zij in ’t oog. Na half April vindt men onder vochtige bladen of in den grond bij oude boomstompen parelwitte eieren, later jonge larven ter grootte van een speldekop, met rood achterlijf en zwarte vleugelstompjes. Na 3 vervellingen zijn zij volwassen. Op den rug van het achterlijf monden 3 stinkklieren uit. Zoodra het dier slechts even gestoord wordt, verbreidt zich een scherpe, aan vluchtige vetzuren herinnerende lucht en ziet men uit de middelste klier een drupje van een kleurlooze, langzamerhand verdampende vloeistof ontwijken. Na een sterken prikkel, b.v. als men de larve knijpt, haar een poot of een spriet afknipt, spuit uit de achterste en grootste klier een kleine vochtstraal, die de eigenaardige “wantsenlucht” verbreidt. Deze komt niet meer voor bij de volwassen Vuurwants, die integendeel uit andere vóór de achterpooten gelegen klieropeningen een aangenaam riekende stof uitwerpt.—Aan dierlijk voedsel, dat door het uitzuigen van lijken van Insecten verkregen wordt, geeft deze Wants de voorkeur; zij zuigt echter ook wel sap uit linden.

Van alle Landwantsen met een uit 4 leden bestaande snavelscheede en met een schildje, dat zich niet tot aan het midden van het achterlijf uitstrekt, vertoonen de Randwantsen (Coreidae) de grootste verscheidenheid van vorm. Zij kenmerken zich door de plaatsing van de sprieten aan den rand van de (2 bijoogen dragende) kruin boven de denkbeeldige rechte lijn, die het midden van ieder samengesteld oog met den snavelwortel verbindt, door het bezit van hechtlapjes aan den voet tusschen de klauwen en door de talrijkheid van de uitpuilende, dikwijls gaffelvormig vertakte aders in het vliezige deel van de dekschilden.—Het aantal Europeesche soorten bedraagt nauwelijks 60; veel grooter is het aantal Amerikaansche vertegenwoordigers dezer familie, die bovendien tot de grootste en fraaiste van alle Wantsen behooren.—De inheemsche vindt men des zomers op struiken en in het gras; zij vangen hier Insecten en maken bij zonnig weer ook zeer goed van hare vleugels gebruik. Als de gure herfstdagen gekomen zijn, verlaten zij, met andere Insecten, het schouwtooneel van haar werkzaamheid en vinden op beschutte plaatsen, vooral onder afgevallen bladen, een winterkwartier. Wanneer men op een zonnigen, voor dit seizoen nog mooien dag de nog niet verstijfde winterslapers verontrust, door in de hen bedekkende bladerenlaag te roeren, zal men een aantal groote Rand- en Schildwantsen te zien krijgen.

Bij de 12 à 13 mM. lange Zoomwants (Syromastes marginatus, fign. 1 en 2) heeft de kop tusschen de sprieten twee binnenwaarts gerichte, spitse uitsteekseltjes; fijne, zwarte putjes verschaffen aan de roodachtig grijze oppervlakte van het lichaam een donkerder tint; het donkerst is het laatste, het lichtst zijn de beide voorafgaande sprietleden; het rood is het zuiverst op den rug van het achterlijf; het vlies van de dekschilden heeft een bronskleurigen glans. Deze Wants leeft in geheel Europa (bij ons in de oostelijke provinciën) op struiken en overwintert in den volkomen staat. Zij verbreidt een onaangename lucht.

De Mugwants (Berytus tipularius, fig. 3) is een slank, staafvormig Insect met spichtige pooten en sprieten; haar lichtgrijze kleur is het donkerst op den buitenrand en op 5 kleine plekjes van ieder dekschild, op de knobbelige knieën en op het eindlid der sprieten. Schijnbaar gelijkt zij weinig op de Zoomwants; toch bestaat het eenige karakteristieke verschil tusschen beide soorten in de ongelijke verhouding tusschen de lengte van het 2e en het 3e sprietlid; het 3e is hier aanmerkelijk langer dan het 2e. Met nog eenige andere nauw verwante soorten vindt men dit fraaie, 9 à 10 mM. lange Insect bij ons op heide- en duingrond onder stalkruid, jeneverbessen, heide en andere laag groeiende struiken. Het schijnt door de lengte van de draadvormige pooten eerder gehinderd dan geholpen te worden bij zijn beweging; het verplaatst zich niet vlug en wordt gemakkelijk gevangen.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1, 2) Zoomwants (Syromastes marginatus) als imago (1) en als larve (2).—3) Mugwants (Berytus tipularius).—Ware grootte.

De Grootschilden of Schildwantsen (Scutati, Pentatomidae) heeten zoo wegens de groote lengte van het schildje, dat zich minstens tot voorbij het midden (soms zelfs tot aan de spits) van het achterlijf uitstrekt. Zij leven voor ’t meerendeel op laag groeiende planten; eenige houden zich hier min of meer verborgen; de meeste echter vertoeven aan de oppervlakte, waar zij door hare soms bonte kleuren licht in ’t oog vallen; de grootste bewonen boomen en struiken, die haar tot versnapering zoete bessen verschaffen en zijn in den regel grootendeels groen van kleur. Meer dan hare verwanten trekken zij de aandacht door haar weinig of niet verborgen levenswijze en door haar neiging om bij zonnig weer luid brommend rond te vliegen. Zij overwinteren in geslachtsrijpen toestand onder droge, afgevallen bladen. De eieren, die zich met een dekseltje openen, worden in ’t begin van de lente groepsgewijs naast elkander gelegd op de planten, waarop de Wantsen gewoonlijk leven. De larven zijn aanvankelijk bijna cirkelrond en bereiken na verscheidene vervellingen, die de kleur en den vorm langzamerhand doen veranderen, in den herfst haar volledige ontwikkeling; zij voeden zich bij voorkeur met plantensap, zonder evenwel dierlijk voedsel te versmaden.

De 6 à 7 mM. lange, fraaie Koolwants (Eurydema oleracea, fig. 3) is van boven groen of groenachtig blauw met metaalachtigen glans; het wijfje heeft roode, het mannetje witte randen, banden en vlekken. Deze Wants kan op plaatsen, waar zij in grooten getale voorkomt, schade aanrichten, daar zij sap zuigt uit jonge koolplanten; naar het schijnt, zijn echter allerlei andere (ook niet kruisbloemige) planten evenzeer van haar gading en voorziet zij bovendien voor een deel in haar onderhoud door het uitzuigen van Insecten, o.a. van de larven der schadelijke Kool-aardvloo. Tot de echte vijanden van den landbouw behoort zij dus niet.

Vooral aan den rand en de open plekken van bosschen, minder dikwijls op weiden en akkers, vindt men in een groot deel van ons land op grassen de Spitskoppige Wants (Aelia acuminata fig. 4), welker lichtgeelachtige oppervlakte door donkerder putjes een bruinachtige tint verkrijgt en op den rug witachtige banden heeft, die samen nagenoeg een ruit vormen.

De Roodpootige Boomwants [Pentatoma (Tropicoris) rufipes, fig. 1] heeft met hare naaste verwanten de zijwaartsche verbreeding van het halsschild gemeen. Haar geelachtig of roodachtig bruine huid is met talrijke, zwarte puntjes bezet en heeft een bronskleurigen weerschijn; de rug van het achterlijf is glanzig zwart; de sprieten, de pooten en de top van het schildje zijn meer of minder duidelijk rood. Deze zeer algemeen voorkomende soort geeft de voorkeur aan jonge berken, maar leeft ook op allerlei andere boomen en struiken, loopt op de stammen rond en voedt zich bijna uitsluitend met dierlijke stoffen; door het uitzuigen van rupsen maakt zij zich verdienstelijk.

Illustration from Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten

1) Roodpootige Boomwants (Pentatoma rufipes).—2) Getande Stekelwants (Acanthosoma dentatum).—3) Koolwants (Eurydema oleraceum).—4) Spitskoppige Wants (Aelia acuminata).—Ware gr.

Een andere bewoner van jonge berken—de Getande Stekelwants (Acanthosoma dentatum)—is in fig. 2 van boven en ook van onderen afgebeeld, omdat hij zich van de overige inheemsche Wantsen onderscheidt door een kiel over de borst en een naar voren gerichten stekel aan het eerste buikschild. Fijne, zwarte putjes geven aan den rug van dit geelachtig groen Insect een donkerder tint; het donkerst zijn de beide laatste sprietleden; de buik vertoont fijne groefjes en is aan de spits rood.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings