← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen

De Evenvingerigen (Artiodactyla). (continued 6)

Reading edition

Een rendierkudde levert een zeer eigenaardig schouwspel op. Zij gelijkt volkomen op een wandelend bosch, natuurlijk alleen dan, als de boomen hunne bladeren hebben laten vallen. De Rendieren blijven gedurende den marsch dicht bijeen, zooals de Schapen; zij loopen met vlugge, veerkrachtige schreden, sneller dan een van onze herkauwende huisdieren. Naast de kudde wandelt de herder met zijne Honden, die ijverig in de weer zijn om de dieren bijeen te houden.

Daar waar goede weidegronden in de nabijheid zijn, maken de Lappen een omheind perk, waarin zij iederen avond de Rendieren bijeendrijven om ze gemakkelijker te kunnen melken. Door hun heen en weer loopen en door hun voortdurend geblaat herinneren deze dieren aan Schapen, hoewel hun geluid eerder met het geknor van een Zwijn overeenkomt. Verreweg de meeste leden van de kudde zijn zeer klein; er zijn slechts weinige forsche exemplaren bij. Bovendien maakt de onregelmatigheid van de geweien een onaangenamen indruk. Als men de omheining nadert, hoort men in de eerste plaats een aanhoudend geblaat, en voorts, wegens de rustelooze beweging van de dieren, een geknetter, alsof daarbinnen honderden van electrische batterijen tegelijk vonken geven. In het midden van het perk liggen verscheidene groote boomstammen, waaraan de Rendieren vastgebonden worden gedurende het melken. Zonder lasso is het niet mogelijk een Rendier te melken, daarom heeft iedere Laplandsche man of vrouw er steeds een bij zich. Deze bestaat uit een langen riem of een touw, dat, in ringen opgerold aan de beide einden vastgehouden en zóó geworpen wordt, dat de lus den hals of het gewei van het dier omgeeft; dit zal genoodzaakt zijn den herder te naderen, als deze den lasso langzamerhand inpalmt en hem het dier, zoodra het in zijn onmiddellijke nabijheid is, met een schippersknoop om den bek bindt. Het op deze wijze stevig getoomde en tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gedwongen Rendier wordt aan het blok hout vastgebonden, waarna het melken begint. Intusschen doet het vee allerlei pogingen om los te komen en weg te loopen, maar de Lappen weten hiertegen wel raad; bij zeer weerspannige dieren wordt de strik om den neus zoo stevig aangehaald, dat aan alle tegenstribbeling een einde komt. Nu gaat de persoon, die met het melken belast is, dicht achter het Rendier staan, strijkt herhaaldelijk met de vlakke hand over de uier en ledigt deze. De melk heeft een aangenamen zoeten smaak en is zoo vet als room; in den regel is zij echter vol vuil en haren. Onmiddellijk na het melken wordt de omheining geopend en begeeft het vee zich weer naar de weide, onverschillig of het in den vroegen morgen of ’s avonds laat bijeengedreven werd, want het grazen gaat dag en nacht door.

Velerlei ziekten veroorzaken dikwijls een groote sterfte onder de Rendieren; bovendien draagt het gure klimaat er veel toe bij, dat de kudden niet zoo sterk aangroeien, als men met het oog op de vruchtbaarheid van het Rendier zou kunnen verwachten. Jonge en zwakke kalveren bezwijken door de koude, of hebben zooveel te lijden van de hevige sneeuwstormen, dat zij, doodelijk vermoeid, de kudde niet meer kunnen volgen. Oudere dieren kunnen, als de sneeuwlaag zeer dik is, niet genoeg voedsel vinden; de Laplander doet dan wel zijn best hen in de wouden eenig voedsel te verschaffen door boomen te vellen, die met korstmossen rijkelijk begroeid zijn, maar kan toch op deze wijze geen voldoende hulp bieden. Gevaarlijk wordt de toestand, wanneer op het met sneeuw bedekte land een enkele regenbui valt en hierdoor een harde korst op de sneeuwlaag ontstaat. Deze stelt het Rendier buiten staat om de sneeuw te verwijderen, waaronder zijne voederplanten bedolven zijn. Dan heerscht er dikwijls groote ellende onder de Lappen; menschen, die volgens de bij hen geldende maatstaf rijk heeten te zijn, worden in zulke omstandigheden dikwijls in een enkelen winter doodarm. Zij vervallen dan soms tot veediefstal en komen hierdoor in strijd met de eigenaars van rendierkudden; op heeterdaad betrapte veedieven worden zonder eenigen vorm van proces doodgeslagen. Elke eigenaar heeft een bepaald teeken, waaraan hij zijne dieren herkennen kan; dit wordt hun in de ooren gebrand. Nooit mogen twee veehouders hetzelfde teeken gebruiken. Ook mag niemand een nieuw teeken aannemen, maar moet dat van een uitgestorven kudde zien te koopen.

Het voordeel, dat de tamme Rendieren aan hun eigenaar opleveren, is buitengewoon groot. Al wat het dier voortbrengt, wordt gebruikt: niet alleen de melk, de hiervan bereide smakelijke kaas, het vleesch en het bloed, maar ook ieder ander deel van zijn lichaam. De geweien worden, zoolang zij nog kraakbeenig zijn, even graag gegeten als de nog jeugdige geweien van den Eland; de zachte vellen van de rendierkalveren dienen ter vervaardiging van kleedingstukken; de van het wolhaar gesponnen draden worden tot stoffen samengeweven; van de beenderen maakt de bewoner der poolgewesten allerlei werktuigen; de pezen doen als garen dienst. Bovendien moet het dier ook nog, vooral gedurende den winter, de geheele familie, met have en goed, van de eene plaats naar de andere vervoeren. In Lapland dient het Rendier vooral voor het trekken van de slede, minder tot het dragen van lasten, omdat deze arbeid voor het dier te zwaar is, wegens de zwakheid van zijn kruis. De Toengoesen en Korjaken gebruiken evenwel de sterkste mannelijke Rendieren ook om er op te rijden; hiertoe wordt een klein zadel vlak boven de schouderbladen geplaatst; om de beweging van de voorpooten niet te bemoeilijken, zit de ruiter met zijwaarts gerichte beenen op zijn vreemdsoortig rijdier. In Lapland rijdt niemand op Rendieren; hier worden alleen de sterkste bokken—de “renossen”, zooals de Noren ze noemen—voor het trekken van de sleden gebruikt. Voor goede trekdieren betaalt men gaarne 18 à 20 gulden; de gewone Rendieren kosten 7 à 11 gulden. Het Rendier wordt niet opzettelijk voor het trekken afgericht; zonder eenige voorbereiding wordt het eene of het andere sterke dier uit de kudde genomen, en voor een hoogst doelmatige slede gespannen, die aan den toestand van het land en den aard van het Rendier volkomen geëvenredigd is. Deze slede verschilt trouwens aanmerkelijk van die, welke bij ons gebruikt wordt; zij gelijkt veeleer op een boot van zeer dunne, berken planken, die in den vorm van bootplanken gekromd, aan een breeden kiel en aan elkaar gespijkerd worden, en zoo een soort van trog vormen, waarvan het voorste gedeelte bedekt is. Het spreekt van zelf, dat slechts één persoon in zulk een bootvormige slede kan zitten. Voor het vervoeren van huisraad en handelswaren dienen sleden, die van boven met schuifdeksels gesloten kunnen worden, maar overigens volkomen op de andere gelijken. Een goed Rendier kan met een slede van 120 à 140 K.G. in 1 uur ongeveer 10 K.M. afleggen; gewoonlijk heeft het echter een veel minder zware last te trekken. In den zomer gebruikt men het in Noorwegen niet voor ’t trekken van de slede. Als men sterke, goed doorvoede Rendieren geen te zwaren arbeid laat verrichten—ze alleen gedurende den morgen en den avond eenige uren trekken, des namiddags en des nachts echter grazen laat—kan men met hem een buitengewoon lange reis doen, zonder dat zij zich overwerken.

Een enge gevangenschap bevalt het rendier zeer slecht; toch verdraagt dit dier het verblijf in onze diergaarden zeer goed, zoolang het behoorlijk behandeld wordt; ook plant het zich voort in ons klimaat. De bij ons in ’t laagland heerschende zomerwarmte is voor dit vee niet gunstig. Daar het Rendier volkomen onverschillig is voor de felste winterkoude, zou het meer dan eenig ander uitheemsch Hert geschikt zijn om geacclimatiseerd te worden op de boomlooze hoogvlakten van alle gebergten, waar rendier-korstmossen groeien. Hier zou het zeer goed gedijen, in korten tijd aan de verandering van woonplaats gewoon raken en zich voortplanten; de jacht op dit wild zou voordeelig en aangenaam zijn. Reeds voor jaren heb ik hierop gewezen en mijn best gedaan de overtuiging te vestigen, dat het Rendier op de hooge gebergten van Middel-Europa goed gedijen zal. Hoewel de proefnemingen in deze richting mijne wenschen niet bevredigden, hebben zij mijn onderstelling bevestigd. Wanneer met de noodige ernst en de vereischte kennis van zaken nieuwe proeven worden genomen, zal het gewenschte gevolg niet uitblijven.

Het smakelijk wildbraad van het Rendier is ook in Duitschland niet onbekend; het wordt daar in het gunstige jaargetijde geregeld van uit Skandinavië ter markt gebracht.

*

Op grond van hun verwantschap moeten wij op het Rendier de Damherten (Dama) laten volgen. De kenteekenen van dit geslacht zijn gelegen in de van onderen ronde, twee takken dragende geweistangen, die zich van boven verbreeden tot een langwerpig, plat gedeelte met randspruiten, die naar boven en naar achteren gericht zijn.

De Damherten houden meer van gematigde dan van koude gewesten, en zijn hierom in de kustlanden van de Middellandsche Zee van oudsher veelvuldig geweest. Hun verbreidingsgebied strekt zich zuidwaarts uit tot aan den noordrand van de Sahara, noordwaarts tot in het zuiden van Zweden en Noorwegen. Cuvier kreeg een wild Damhert uit de wouden ten zuiden van Tunis; Belon vond het op de Grieksche Eilanden; op Sardinië is het, naar men meent, van oudsher veelvuldig geweest. Reeds de oude schrijvers maken melding van dit dier als standvastig bewoner van hun vaderland; Aristoteles noemt het Prox, Plinius Platyceros. Tegenwoordig is dit wild in Midden-Europa, waar het werd ingevoerd, misschien nog overvloediger dan in Spanje, Frankrijk en Italië; het meest algemeen is het waarschijnlijk in Engeland, waar het in de parken van de groote grondeigenaars in menigte geteeld wordt. Heuvelachtige gewesten, waar zacht glooiende dalen met geringe verheffingen van het terrein afwisselen, landstreken met boomgroepen, akkermaalshout en bosschen van breedgebladerde boomen, waar de bodem met kort gras begroeid is, vallen bijzonder in den smaak van de Damherten. Zij zijn voor de hertenparken als ’t ware geschapen; groote plantsoenen kunnen trouwens bezwaarlijk op een meer doeltreffende wijze verfraaid worden dan door het houden van deze dieren, die, naar men zegt, hun naam hieraan ontleenen, dat zij het wild van de dames zijn.

Het Damhert (Dama vulgaris) is aanmerkelijk kleiner dan het Edelhert. Met inbegrip van den 16 à 19 cM. langen staart bereikt het eene totale lengte van ongeveer 1.6 M., een schouderhoogte van 85 à 90 cM. en een kruishoogte van 90 à 95 cM.; zijn gewicht zal zelden meer dan 100 à 120 K.G. bedragen. Het wijfje is kleiner. Door gestalte en beweging herinnert het Damhert aan de Geit; van het Edelhert onderscheidt het zich door de kortere en minder forsche pooten, het naar verhouding forschere lichaam, den korteren hals, de kortere ooren en den langeren staart, bovendien door de kleur. Geen van de hier te lande in ’t wild of in parken voorkomende Herten biedt zoovele, deels van het jaargetijde, deels van den leeftijd afhangende kleursverscheidenheden aan als het Damhert. In den zomer zijn de bovendeelen, de schenkels en de spits van den staart roodachtig bruin, de zijden van het lichaam met witachtige vlekken bedekt, de onderdeelen en de binnenzijde van de pooten daarentegen wit; zwartachtige ringen omranden den mond en de oogen. Ieder haar van den rug is van onderen witachtig, roodbruin in ’t midden en zwart aan de spits. In den winter hebben de bovenzijde van den kop, de bovenhals en de ooren een bruingrijze kleur; de rug en de zijden zijn dan zwartachtig, bijna zonder vlekken; de onderzijde is aschgrauw, dikwijls met roodachtige tint. Zuiver witte exemplaren, die in geen der jaargetijden van kleur veranderen en zich in den winter slechts door hun langere beharing onderscheiden, zijn niet bijzonder zeldzaam. Verscheidene mannetjesherten hebben in de jeugd een geelachtige vacht; zeldzamer treft men zwarte exemplaren aan.

De levenswijze en de bewegingen van het Damhert komen in vele opzichten met die van het Edelhert overeen. De zintuigen van beide dieren staat op nagenoeg gelijken ontwikkelingstrap, ook de geestvermogens zijn ongeveer dezelfde. Het Damhert is echter minder schuw en voorzichtig dan zijn edele stamgenoot; het krijgt op minder grooten afstand (ongeveer 300 schreden) de lucht van den mensch; dikwijls houdt het op klaarlichten dag verblijf op open plekken in het woud; van hier verwijdert het zich minder geregeld en minder ver dan het Edelhert. Het Damhert beweegt zich minder snel en behendig en kan minder goed springen; bij ’t loopen licht het de pooten hooger op. Zoolang het bij het vluchten nog niet de grootst mogelijke snelheid ontwikkelt, maakt het evenals de Geiten korte sprongen; alle vier pooten zijn dan tegelijk boven den grond en de staart is omhoog gericht. Het kan over hindernissen van ongeveer 2 M. hoogte “heen vliegen”. Ook kan het, zoo noodig, goed zwemmen; nooit wentelt het zich echter in het water zooals het Edelhert. Beide soorten gebruiken hetzelfde voedsel; het Damhert maakt echter meer gebruik van schors, en wordt vooral hierdoor schadelijk. Zeer opmerkelijk is het, dat dit dier soms vergiftige planten eet en zich hierdoor den dood op den hals haalt.

De Damherten zijn ongeduriger en onrustiger dan de Edelherten. Te dezen aanzien bestaat tusschen de beide soorten ongeveer hetzelfde verschil als tusschen het Konijn en de Haas. Toch zijn de Damherten over ’t algemeen meer gehecht aan hun standplaats; zij volgen trouwer hunne gewone paden; ook vereenigen zij zich gewoonlijk tot grootere troepen.

Het Damhert draagt 8 maanden en kalft meestal in Juni; het aantal jongen is in den regel één, zelden twee. Het jong is in de eerste dagen van zijn leven zeer hulpbehoevend; het moet daarom door de oude dieren zorgvuldig beschermd en behoed worden. Door slagen met de voorpooten verdrijft de moeder kleine Roofdieren, die zich belust toonen op het bonte kalf; groote Roofdieren lokt zij weg van de plaats, waar haar kind zich schuil houdt, door langzaam voor hen langs te gaan en vervolgens snel te vluchten, om ten slotte met tallooze haken en schijngangen naar de oude plaats terug te keeren. Als het damhertkalf 6 maanden oud is, worden bij het mannetje verhevenheden op den rozenstok zichtbaar, waaruit zich tegen het einde van de eerstvolgende Februari-maand de “spiesen” ontwikkelen, die tot aan het “vegen”, in Augustus, groeien. Nu heet het kalf een Spiesbok of Spitser, in het tweede levensjaar wordt het een Gaffelbok of Gaffeler. Eerst in het vijfde jaar begint de vorming van het platte gedeelte van het gewei, dat mettertijd niet slechts in grootte toeneemt, maar ook meer randspruiten verkrijgt. Zulke Herten worden onderscheiden naar de grootte van dit deel van het gewei. Een kalf van het vrouwelijk geslacht heet, als het één jaar oud is, een Smaldier, na de eerste paring een Ouddier; een wijfjes-hert wordt door den jager in ’t algemeen Dier genoemd. De oude Herten werpen in Mei, de spitsers in Juni hun gewei af; in den regel verliezen zij niet beide stangen te gelijk; maar het eene 2 à 3 dagen na het andere. In Augustus of September is het nieuwe gewei volkomen ontwikkeld.

Het Damhert wordt op groote drijfjachten of door bekruipen gejaagd: daar het zeer nauwgezet zijne “wissels” volgt, kan ook het “op den aanstand” (op de loer) jagen een goede uitkomst opleveren. De huid wordt wegens hare lenigheid en zachtheid hooger geschat dan die van het Edelhert. Het Damhert levert een uitmuntend wildbraad op, vooral van Juni tot in het midden van September, omdat de bok dan veel vet vormt.

Dit wild is beter dan eenige andere soort van Herten geschikt om in hertenparken gehouden te worden; het wordt zeer mak, staat ook over dag op open ruimten, is vroolijk, zelfs speelsch en zeer geneigd tot grappen. In een opzicht kan het ook als weerprofeet dienst doen; als het zeer onrustig en ongedurig is, kan men er tamelijk goed op aan, dat er guur, vooral stormachtig weer in aantocht is. Het Damhert geraakt ook aan de opsluiting in een meer beperkte ruimte gewoon en behoudt ook dan zijn vroolijkheid. Naar het schijnt, houdt het bijzonder veel van muziek; zelfs het in de vrije natuur levende dier komt, als het op den hoorn hoort blazen, al nader en nader om te luisteren.

*

De Herten in de meest beperkte beteekenis van het woord—de Edelherten—komen voor in de beide noordelijke faunistische rijken; ook bij deze groep dragen alleen de mannetjes geweien; deze hebben ronde stangen. Van de meer of minder talrijke spitsen—“enden” of takken—zijn er minstens drie naar voren gericht; de oogspits en de middelspits zijn steeds aanwezig, de ijsspits komt minder standvastig tot ontwikkeling. Aan de buitenzijde van den middelvoet bevinden zich haarbosjes. De traangroeven zijn duidelijk. Bij oude mannetjes (zeldzamer ook bij zeer oude wijfjes) steken de hoektanden in de bovenkaak ver beneden de andere uit.

Een der statigste en edelste vormen van dit ondergeslacht—voor ons de belangrijkste van alle soorten—is het Gewoon Hert of Edelhert (Cervus elaphus). Hoewel slank, is het toch krachtig en fraai gebouwd; zijn houding is zoo edel en fier, dat het zijn naam met het volste recht draagt. Zijn grootte wisselt zeer af, al naar het gewest, waar het inheemsch is. Het bereikt een totale lengte van 1.85 à 2.15 M. (waarvan ongeveer 15 cM. op den staart komen), een schouderhoogte van 1.2 à 1.5 M. en een totaal gewicht van 160 à 270 KG.; soms treft men buitengewoon forsche Herten aan, die 300 KG. of meer wegen. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner en gewoonlijk ook anders van kleur. In grootte staat ons Hert alleen bij den Wapiti en het Perzische Hert achter; het overtreft alle andere bekende soorten van zijn geslacht te dezen aanzien. Het heeft een gestrekten, in de flanken ingetrokken romp met breede borst en sterk naar buiten tredende schouders, een rechten en platten rug, die in de schoft een weinig verheven, aan het kruis bol afgerond is, een langen, slanken, zijdelings samengedrukten hals, een langen, aan ’t achterhoofd hoogen en breeden, naar voren sterk versmalden kop, met een vlak, tusschen de oogen uitgehold voorhoofd, en een rechten neusrug. De oogen zijn middelmatig groot en levendig, en hebben een langwerpig ronde pupil. De tamelijk groote traangroeven zijn schuins benedenwaarts naar de mondhoeken gericht; het zijn smalle, langwerpige sleuven, door welker binnenwand een vette, brijachtige massa wordt afgescheiden, die het dier later door wrijving tegen boomstammen er uit veegt. Middelmatig hooge, slanke, maar toch krachtige pooten dragen den romp; de teenen zijn met rechte, spitse, smalle en slanke hoeven voorzien; de bijhoeven zijn langwerpig rond, aan de spits plat afgeknot en hangen recht naar beneden; zij raken den bodem niet. De staart is kegelvormig en wordt naar de spits smaller. De romp is bedekt met fijn wolhaar en grof bovenhaar; de vacht ligt tamelijk dicht tegen de huid aan; alleen aan ’t voorste deel van den hals komen langere haren voor. De stijve, niet overhangende bovenlip draagt drie reeksen van dunne, lange borstels; dergelijke haren staan ook boven de oogen. De kleur van het Gewone Hert—dat ook wel namen draagt, die “Roodhert” en “Roodwild” beteekenen—is verschillend al naar het jaargetijde, het geslacht en den leeftijd. De borstelharen zijn bruin, in den winter meer grijsachtig, in den zomer meer roodachtig; het wolhaar is aschgrauw met bruinachtige spitsen. Alleen bij de kalveren komen in de eerste maanden witte vlekken op de roodbruine grondkleur voor.

Gewoon Hert of Edelhert (Cervus elaphus). 1/20 v. d. ware grootte.
Gewoon Hert of Edelhert (Cervus elaphus). 1/20 v. d. ware grootte.

Gewoon Hert of Edelhert (Cervus elaphus). 1/20 v. d. ware grootte.

Het gewei rust op een korten rozenstok (“gewas”); het is enkelvoudig vertakt, heeft vele spitsen en staat rechtop. De stangen maken van haar oorsprong af een tamelijk sterke bocht, in dezelfde richting als het voorhoofd, naar achteren en naar buiten; van boven krommen zij zich weder in een flauwe bocht naar binnen, zoodat de uiteinden eenigszins naar elkander toegekeerd zijn. Van onderen ontspringt aan de voorzijde, van de stang de “oogspits”, die eerst naar voren en verder op naar boven gericht is; hierboven, nu eens wat naderbij, dan weer wat verder af, komt de “ijsspits” te voorschijn; van het midden van de stang gaat de “middelspits” uit; aan het einde bevindt zich de “kroon”, uit verscheidene spitsen bestaande, welker plaatsing en grootte op verschillenden leeftijd en ook wel bij individuën van gelijken ouderdom veel verscheidenheid aanbiedt. De stangen zijn rond, maar oneffen, met meer of minder knobbeltjes (parels) bezet (vooral aan de onderste gedeelten) en met talrijke, deels rechte, deels gekronkelde, overlangsche groeven voorzien. De toppen der spitsen zijn glad afgeslepen en vuil wit of geelachtig van kleur; terwijl het gewei overigens—al naar de plantensappen waarmede het in aanraking kwam—allerlei tinten van bruin, van licht runkleurig tot zwartbruin, kan vertoonen. Een flink gewei weegt 5 à 8 KG.; bij uitzondering worden ook thans nog geweien gevonden, die een gewicht van 10 à 12 KG. hebben, of zelfs nog zwaarder zijn. De stangen kunnen, langs de krommingen gemeten, 80 à 120 cM. lang worden, in zeer zeldzame gevallen nog langer.

In de jagerstaal worden de volgende uitdrukkingen gebruikt: Het mannelijke Hert heet Hert, Edelhert of Roodhert; voor het wijfje gelden de bij het Damhert genoemde namen; ook noemt men het wel Rooddier of Hinde; het jong heet Kalf, al naar het geslacht echter Hertkalf of Hindekalf. Het Hertkalf wordt, als het één jaar oud geworden is, Spieshert of Spitser genoemd, in het tweede jaar krijgt het den naam Gaffelhert of Gaffeler in het derde heet het Zesender enz., naar het aantal spitsen van beide stangen te zamen. Als het gewei volkomen regelmatig ontwikkeld is, noemt men het Hert een even-ender,—als de eene stang van de andere verschilt, oneven-ender (mismaakt gewei). In sommige gewesten wordt volgens jagersgebruik reeds de acht-ender, in andere eerst de tien-ender een “jaagbaar” Hert genoemd.

Ook thans nog bewoont het Hert bijna geheel Europa, met uitzondering van de allernoordelijkste landstreken; na verwante soorten bewonen een groot deel van Azië. In Europa reikt de noordelijke grens van zijn verbreidingsgebied tot 65, in Azië tot 55° N.B.; zuidwaarts reikt het tot aan Kaukasus en tot aan de gebergten van Mandsjoerije. In alle dicht bevolkte landen is het aantal Herten zeer verminderd of zijn zij geheel uitgeroeid, b.v. in Zwitserland en in vele deelen van Duitschland en Nederland. Volgens Van Bemmelen waren zij “vroeger in vele deelen van ons land menigvuldig, bijv. in de dicht begroeide duinstreken; onder anderen kwamen zij in zeer groote menigte voor tusschen ’s Gravenhage en Egmond, waar men er nu sedert een eeuw geen enkel meer vindt; tegenwoordig zijn zij bijna geheel beperkt tot één streek, namelijk de lange rij van bosschen, die zich van Sonsbeek af tot aan de Soerensche wouden uitstrekt; nu en dan loopen evenwel enkele naar de naburige bosschen over.”—“In vroegere tijden schijnt ook de Eland ons land bewoond te hebben, hoogst onwaarschijnlijk is dit van het Rendier.”

Het veelvuldigst komt het Hert nog voor in Polen, Galicië, Bohemen, Moravië, Hongarije, Zevenburgen, Karinthië, Stiermarken en Tirol; veel algemeener dan in, deze landen treft men het echter aan in Azië, vooral in den Kaukasus en in het boschrijke zuiden van Siberië. Het Edelwild houdt meer van bergachtige dan van vlakke gewesten; het geeft de voorkeur aan groote, samenhangende wouden, vooral aan wouden van loofboomen. Hier vereenigen de Herten zich tot meer of minder groote troepen, waarin zij naar ouderdom en geslacht gesorteerd zijn: de “oude dieren”, kalveren, spitsers, gaffelers en smaldieren blijven gewoonlijk met elkander vereenigd; de forschere “herten” vormen kleine afzonderlijke troepen; de grootste mannetjes (“kapitale herten”) leven tot aan den bronsttijd meestal eenzaam. In den winter keert het Hert van de bergen naar lagere landstreken terug, in den zomer stijgt het tot de hoogste toppen van de Middelgebergten; over ’t algemeen echter blijft het, zoolang het ongestoord leven kan, aan zijn woonplaats getrouw; alleen in den bronsttijd of bij het “opzetten” van de nieuwe geweien of eindelijk bij gebrek aan voedsel verlaat het vrijwillig zijn oorspronkelijk gebied.

Alle bewegingen van het Hert zijn licht en sierlijk, maar tevens fier en waardig; vooral het mannetje onderscheidt zich door zijn edele houding. Reeds bij het begin van de vlucht beweegt het zich zeer snel; als de nood dringt, verplaatst het zich echter met bijna ongeloofelijken spoed. Verbazend groote sprongen doet het met gemak als ’t ware spelenderwijs; hindernissen van allerlei aard komt het zonder oponthoud te boven, in tijden van gevaar zwemt het zonder aarzeling over breede stroomen, ja zelfs (in Noorwegen niet zelden) over zeearmen. Reeds in den ouden tijd heeft men alle verschijnselen, die ons het Hert doen kennen, nauwkeurig waargenomen. De ervaren jager kan na een kortstondig onderzoek van het spoor van het Hert met onfeilbare gewisheid zeggen, of het van een mannetje, dan wel van een wijfje afkomstig is, en bepaalt hiernaar zelfs tamelijk juist den leeftijd. De kenteekenen van het spoor worden “deugdelijk” genoemd, als zij tot geen vergissing aanleiding kunnen geven; naar hen regelt de jager zijne handelingen. Onze voorouders kenden 72 zulke teekens; Dietrich aus dem Winckell is echter van oordeel, dat men ze tot 27 zou kunnen verminderen. Voor den ongeoefende is het geen gemakkelijke zaak om de sporen van het mannetje en van het oude wijfje, zelfs wanneer hij ze kort te voren naast elkander heeft gezien, een paar schreden verder weder te onderscheiden.

Onder de zintuigen van het Edelhert zijn het gehoor, de reuk en het gezicht uitmuntend ontwikkeld. Tot op een afstand van 600 schreden krijgt het de lucht van een mensch. Ook het gehoor is buitengewoon scherp; niet het geringste gedruisch dat in het woud voorkomt, ontsnapt er aan. Over den aard en de geestvermogens van het Edelhert loopen de meeningen tamelijk ver uiteen. Volgens de waarnemingen uit den laatsten tijd is dit dier niet schranderder of beminnelijker dan andere in ’t wild levende Herkauwers. Het is zeer angstig en schuw, maar niet loos en verstandig. Zijn geheugen schijnt zwak, zijn bevattingsvermogen gering te zijn. Langzamerhand doet ook dit dier ervaringen op en maakt er geen ongeschikt gebruik van; als zijne hartstochten opgewekt zijn, vergeet het dikwijls de zorg voor zijn veiligheid, die in andere gevallen altijd in de eerste plaats zijn aandacht in beslag neemt.

Het lijdt geen twijfel, dat de vreesachtigheid van het Hert een gevolg is van de ervaring, dat de mensch zijn gevaarlijkste vijand en in hooge mate te vreezen is. Op plaatsen waar het Hert zich volkomen veilig kan achten, wordt het zeer mak. In het Prater bij Weenen stonden vroeger groote troepen van deze statige dieren, die volkomen gewend waren geraakt aan het gewemel der wandelaars, en die, naar ik op grond van persoonlijke ervaring verzekeren kan, een man tot op afstand van 30 schreden lieten naderen. Een van deze herten was langzamerhand zoo stoutmoedig geworden, dat het onbeschroomd naar de uitspanningsplaatsen ging, tusschen de tafeltjes doorliep en aan de dames de hand likte, waarmede het te kennen wilde geven, dat het bereid was de klontjes suiker of de koekjes in ontvangst te nemen, waarop de bezoekers het dier gewoonlijk tracteerden. Bij de voederplaatsen worden de Edelherten dikwijls merkwaardig tam.

Anders is het gesteld, wanneer het Hert in een nauwe ruimte opgesloten wordt, of wanneer de bronsttijd aangevangen is. In deze beide omstandigheden wordt het dier dikwijls door de geringste kleinigheid tot toorn vervoerd en valt ook de menschen aan. In oude en nieuwere jachthoeken worden vele gevallen vermeld van Herten, die menschen, dikwijls zonder dat deze er eenige aanleiding toe gaven, te lijf gingen en hen wondden of doodden.

“De bronsttijd van het Hert,” zegt Dietrich aus dem Winckell, “begint in den aanvang van September en duurt tot aan het midden van October.

”’s Avonds en ’s morgens weergalmt in het woud het geschreeuw (“burlen”) der bronstige mannetjes, die zich ternauwernood den tijd gunnen om het noodige voedsel te gebruiken en slechts nu en dan zich verfrisschen in een naburigen plas of vijver, waarheen de wijfjes hen vergezellen. Andere, minder gelukkige mededingers beantwoorden vol nijd dit geschreeuw en naderen met het voornemen alles te wagen om door dapperheid of list de ook door hen begeerde plaats te veroveren. Nauwelijks heeft de bij de wijfjes staande bok zijn tegenstander in ’t oog gekregen, of hij gaat hem gloeiend van ijverzucht te gemoet. Thans begint een strijd, die dikwijls aan één der strijders, soms aan beide het leven kost. Woedend gaan zij met benedenwaarts gerichten kop op elkander af; ieder tracht met bewonderenswaardige behendigheid zijn tegenstander te wonden en diens stooten te pareeren. Tot in het woud weerklinkt het geluid van de tegen elkander botsende geweien; wee den strijder, die door ouderdomszwakte of door een toeval zich bloot geeft! Zijn tegenpartij zal stellig gebruik maken van de gelegenheid om hem de scherpe oogspitsen in ’t lijf te booren. Het is wel eens gebeurd, dat de geweien bij den strijd zoo onwrikbaar in elkander verward geraakten, dat de beide dieren niet meer los konden komen en ellendig om ’t leven kwamen. Ook na hun dood was geen menschelijke kracht in staat om de stangen, zonder beschadiging van de takken van een te scheiden. Dikwijls blijft de strijd uren onbeslist en eindigt eerst als een der partijen, geheel uitgeput door vermoeienis, zich overwonnen geeft en het veld ruimt.”

“Het wijfje draagt 40 of 41 weken. Tegen het einde van Mei of in Juni brengt het één kalf ter wereld, zelden twee. Als de werptijd nadert, zoekt het eenzaamheid en rust in het dichtst van het woud. De kalveren zijn gedurende de drie eerste levensdagen zoo hulpbehoevend, dat zij hun plaats niet verlaten. Men kan ze zelfs met de hand opnemen. Slechts zelden en gedurende korten tijd verlaat de moeder hare jongen, terwijl deze haar hulp zoozeer behoeven. Zelfs wanneer zij van ’t leger verjaagd wordt, verwijdert zij zich slechts zoover, als noodig is om door een voorgewende vlucht het werkelijke of denkbeeldige gevaar af te wenden. Zoodra het kalf een week oud geworden is, zou het vergeefsche moeite zijn het zonder net te willen vangen. Het volgt nu de moeder overal heen en “drukt zich” onmiddellijk in het hooge gras, zoodra deze “gewag maakt,” d.w.z. een kreet van schrik laat hooren of met de voorpooten snel en krachtig op den grond stampt. Het kalf zuigt tot aan den volgende bronsttijd en wordt van zijn jeugd af door de moeder onderricht in de keuze van het voor hen geschikte voedsel.”

Nu vangt het aan afwisseling zoo rijke leven van het Edelhert aan. Het “hindekalf” is reeds in het derde levensjaar volwassen. Voordat het “hertkalf” alle rechten op de alleenheerschappij kan doen gelden, moeten er een reeks van jaren verloopen. Als het zeven maanden oud geworden is, neemt de vorming van het eerste gewei een aanvang; na dien tijd wisselt het ieder jaar zijn kopsieraad. De hoofdstang heeft in den beginne slechts één enkele, gelijkmatige en zwakke kromming. Bij den zes-ender heeft zij een knievormige bocht naar achteren gekregen tegenover de plaats, waar de middelspits ontspringt. Een tweede knievormige bocht krijgt zij bij den twaalf-ender aan den voet van de hier driespitsige kroon. (Deze heeft het reeds bij den acht-ender aanwezige gaffelvormig eindstuk van het gewei van den tien-ender vervangen). Een derde knievormige bocht ontstaat bij den veertien-ender, een vierde bij den twintig-ender, telkens in hoogere gedeelten van de kroon. Bij al deze veranderingen blijft de spits van de hoofdstang steeds naar binnen gericht. Ieder van de genoemde krommingen behoudt gedurende alle volgende ontwikkelingstijdperken van het gewei denzelfden stand ten opzichte van de spitsen, maar neemt telkens in duidelijkheid toe.—Intusschen ondergaat de oogspits eenige niet minder opmerkelijke veranderingen. In ’t eerst staat zij tamelijk hoog aan de hoofdstang, bij latere geweien komt zij steeds nader bij den “rozenkrans” (het verdikte onderste gedeelte van het gewei, dat als ’t ware uit een krans van knobbeltjes bestaat). De hoek, dien de oogspits met de hoofdstang maakt, is aanvankelijk scherp, maar neemt allengs in grootte toe; bij den tien-ender is hij reeds stomp geworden. Soortgelijke veranderingen ondergaan de middelspits, de ijsspits en de kroon. Van een kroon is, zooals hierboven gezegd is, voor ’t eerst sprake bij den twaalf-ender; haar binnenste spits (de top van de hoofdstang dus) groeit in ’t volgende gewei tot een gaffel uit; de kroon van den veertien-ender bestaat derhalve uit twee gaffels; de bovenste van deze is bij den zestien-ender door drie spitsen vervangen; nu bestaat de kroon dus uit een gaffel en een driespitsige vork; de buitenste spits van deze is bij den achttien-ender weder tot een gaffel uitgegroeid; dit gewei heeft dus een uit drie boven elkander geplaatste gaffels samengestelde kroon; bij den twintig-ender eindelijk is in de plaats van den laatstgevormden gaffel een driespitsige vork gekomen. Meer dan twintig op normale wijze ontwikkelde spitsen komen aan een gewei vermoedelijk zeer zelden voor; achtien-enders ziet men reeds in iedere matig groote verzameling; onder de levende Herten zijn zestien-enders ook thans nog geen zeldzaamheid. Bij overvloedige voeding kan het gebeuren, dat bij de vorming van een nieuw gewei den toestand van zes-ender en van tien-ender overgesprongen wordt; nog veelvuldiger echter komt het voor, dat in een nieuw gewei het vorige aantal spitsen herhaald wordt, en even dikwijls keert het terug tot een geringer aantal. In dit opzicht vormt de toestand van tien-ender een opmerkelijk keerpunt in ’t leven van een Hert: als het eens een “kroon” gedragen heeft, zal het nooit meer een gewei krijgen met minder dan tien spitsen.

De vijanden van het Edelhert zijn de Wolf, de Los en de Veelvraat, zeldzamer de Beer. Van deze zijn de Wolf en de Los wel de gevaarlijkste. Benden Wolven vervolgen het Edelhert als er veel sneeuw ligt, jagen het na en maken het af; de Los springt van boven af op den hals van het niets kwaads duchtende dier, wanneer het de schuilplaats van den in hinderlaag liggenden roover voorbijgaat. De ergste vijand van het Edelhert is en blijft echter in alle omstandigheden de mensch, ofschoon deze het tegenwoordig niet meer op even gruwelijke wijze vervolgt en doodt als vroeger. Ik acht het wenschelijk niet verder over de hertenjacht uit te wijden, omdat een nauwkeurige beschrijving ons te ver zou voeren en belangstellenden hierover andere boeken kunnen raadplegen. Tegenwoordig is de gelegenheid voor dit edele vermaak reeds zeer schaarsch geworden; de meeste der thans bestaande beroepsjagers hebben nog nooit een Hert geschoten: dit wild blijft voor voornamere heeren bewaard. Dat de veel omslag vereischende “parforce-jachten” en andere dergelijke wijzen van hertenvangst van vreemden oorsprong zijn, kan ieder onmiddellijk afleiden uit hun met onzen volksaard zoo weinig overeenkomende inrichting. Onze voorvaders gebruikten voor het dooden van het Hert eenvoudig de buks.

Evenals andere Herkauwers, heeft ook het Edelhert veel te lijden van eenige soorten van Horzels (Hypoderma Diana en H. Actacon). Deze leelijke Insecten leggen bij deze en andere soorten van Herten (Rendier, Ree enz.) hunne eieren op de huid, vooral van den rug; de pootlooze larven of maden, die uit deze eieren komen, boren zich door de huid heen en vatten post in het onderhuidsbindweefsel; hierdoor ontstaan ten slotte groote, uitwendig zichtbare etterbuilen; ongeveer een jaar na haar geboorte verlaat de Horzel-larve haar woonplaats, om in den poptoestand over te gaan, hetwelk in den grond geschiedt. Bovendien wordt ons wild nog hevig geplaagd door een soort van luis, die zich tusschen de haren nestelt, en door verschillende Muggen en Vliegen, o.a. door de Bremzen (Tabanus).

Ongelukkig is de schade, die het Hert aanricht, veel grooter dan het nut, dat het oplevert. Vooral om deze reden is het in vele gewesten van Europa uitgeroeid. Hoewel het vleesch, de huid en het gewei duur betaald worden, en men het genoegen, dat de jacht oplevert, ook op hoogen prijs moet stellen: de door het wild veroorzaakte schade wordt hierdoor niet opgewogen. De wenschen van den jager zijn nu eenmaal niet in overeenstemming te brengen met de belangen van den landbouwer.

In het noordwesten van Afrika leeft een Hert, dat men onder den naam Cervus barbarus van het Edelhert onderscheiden heeft, maar dat niet algemeen als een afzonderlijke soort wordt erkend, maar veeleer als een verscheidenheid van ons Hert. Van de overige soorten van het ondergeslacht verdient nog vermelding de in Noord-Amerika levende Wapiti (Cervus canadensis), daar hij de grootste soort is van het geheele geslacht: hij bereikt een lichaamslengte van 2.6 en een schouderhoogte van 1.6 M.

*

Onder de Indische Herten verdient in de eerste plaats het Axis-Hert, het Dappled Deer (= Gestippeld Hert) der Engelschen (Axis axis), onze aandacht. Het vertegenwoordigt een afzonderlijk ondergeslacht en bereikt bij een lichaamslengte van 135 à 150 cM. een schouderhoogte van slechts 90 à 95 cM. Wat zijn kleur betreft, mag het beschouwd worden als een der fraaiste, zoo niet als het fraaiste van alle Herten. De grondkleur, grijsroodachtig bruin, maakt een aangenamen indruk; de rugstreep steekt er zeer donker bij af, op de schoft is zij nagenoeg zwart; de keel, de gorgel, de buik en de binnenzijde der pooten zijn geelachtig wit, de buitenzijde der pooten is geelachtig bruin. Zeven reeksen van witte, tamelijk onregelmatig gerangschikte vlekken op elke zijde vormen de teekening van het dier.

Het verbreidingsgebied van den Axis omvat geheel Indië en Ceylon, met uitzondering van Pandsjab, en de landen oostwaarts van hier tot aan Cosjin-China. Hij bewoont zoowel vlakke als heuvelachtige gewesten, komt voor in de bergreeksen, die aan den Himalaja voorafgaan en in de Sandarbands, in het echte hoogstammige woud zoowel als in de dsjungels, gewoonlijk echter in de nabijheid van het water. Waar de omgeving hem aanstaat, is hij zeer menigvuldig en vormt groote troepen, die tot aan den morgen op de open plaatsen van het woud grazen, gedurende den dag echter gewoonlijk beschaduwde oorden van het woud opzoeken. De inboorlingen en de Engelschen maken ijverig jacht op den Axis; waarschijnlijk is het een gevolg van deze veelvuldige vervolgingen, dat hij daar, waar hij vervolgingen heeft te vreezen, minstens even schuw is, als onze Herten. Dit neemt niet weg, dat de gevangen Axis spoedig volslagen tam wordt. Reeds vóór jaren heeft men hem naar Engeland overgebracht en de ervaring opgedaan, dat hij in dit zachte klimaat uitmuntend gedijt, en zich er ook voortplant; van Engeland is hij naar andere Europeesche landen verzonden, o. a. ook naar Duitschland. In een park bij Ludwigsburg houdt men hem sinds 50 jaren.

*

De meeste overige Herten van Indië hebben een eigenaardig uiterlijk, waardoor zij zich zeer onderscheiden van hunne, in Europa of in Amerika levende verwanten, maar dat moeielijk te omschrijven is. Over ’t algemeen kan men zeggen, dat de bedoelde dieren [die gezamenlijk het ondergeslacht Roesa (Rusa) vormen, welks naam aan het Maleisch ontleend is en “Hert” beteekent] meer of minder klein gebouwd zijn, krachtige ledematen, een korten hals en korten kop, maar een betrekkelijk langen staart hebben; hun vacht bestaat uit grove, brooze, dun geplaatste haren; het gewei, dat alleen de mannetjes versiert, heeft in den regel niet meer dan zes spitsen (drie aan elke stang).

Het Groote, Sumatraansche of Maleische Waterhert, de Samboer van de bewoners van het Indische vasteland (Rusa Aristotelis, Rusa equina) werd reeds door Aristoteles duidelijk beschreven onder den naam ”Paardhert” (”Hippelaphus”) van welken naam men gebruik heeft gemaakt voor het aanduiden van de op Java voorkomende, verwante soort. Mijns inziens is de Samboer het statigste en edelste lid van zijn geslacht. Hij bereikt minstens de grootte van het Edelhert; Duvaucel beweert zelfs, dat enkele exemplaren, die hij op Sumatra heeft gezien, voor het grootste Paard niet onderdeden. Indië, de kusten van Malabar en Koromandel, Sylhet, Nepal, Malaka en Sumatra, misschien ook Borneo, vormen het vaderland van dit in Indië veelvuldig voorkomende en tegenwoordig ook in onze diergaarden niet zeldzame Hert, dat wegens zijn zeer donkere kleur ook wel het Zwarte Hert wordt genoemd.

Het Javaansche Waterhert of Manenhert (Rusa hippelaphus) staat niet veel in grootte achter bij het Edelhert en wordt in geheel Indië waarschijnlijk alleen door den Samboer overtroffen [in de gebergten van ’t zuidwesten van Azië ook nog door het Perzische Manenhert (Cervus Wallichi)]. De lichaamslengte van het volwassen mannetje bedraagt ruim 2 M., waarbij 30 cM. voor den staart, de schofthoogte ongeveer 1 M. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner en mist de lange manen aan den hals en de kin, die het mannetje kenmerken. Beide zijn vaal grijsachtig bruin met een donkere, overlangsche streep op het midden van den rug. De jongen hebben geheel dezelfde kleur als de ouders, hetgeen zeer opmerkelijk is, daar zij bij andere geslachten van Herten aanvankelijk gevlekt zijn.

Voor zoover men weet, is Java het oorspronkelijk vaderland van dit Hert; van hier is het door jachtliefhebbers overgebracht naar Borneo, waar het bekend is onder den naam Mindjangan Djawa (“het Javaansche Hert”); vermoedelijk geldt deze verklaring ook voor de aanwezigheid van deze diersoort op de Molukken en Timor. Dit zeer gezochte wild komt voor in zeer talrijke troepen, die aan de opene, op steppen gelijkende vlakten de voorkeur geven boven de bosschen. Gedurende het heetste gedeelte van den dag ligt het verborgen tusschen gras en riet of in het struikgewas; vóór zonsondergang begeeft het zich naar de plassen, waarin het zich verfrischt; met het vallen van den avond begint het voedsel te zoeken. Deze Herten houden zeer veel van het water: dit kan men ook waarnemen aan gevangen exemplaren, die men geen grooter genoegen kan doen, dan door hen in staat te stellen een modderbad te nemen.

De bewegingen van het Manenhert verdienen in ’t kort besproken te worden. Geen der mij bekende Herten stapt zoo waardig, zoo fier langs den weg als deze soort. Zijn gang gelijkt volkomen op een aangeleerden pas, op den zoogenaamden Spaanschen stap van een schoolpaard. Iedere beweging van dit Hert komt overeen met die, welke een Paard in de genoemde omstandigheden maakt. Men zou kunnen meenen, dat het doordrongen is van de fierheid, die het aan den dag schijnt te leggen. Het licht den poot omzichtig op, steekt hem naar voren uit geheel op dezelfde wijze als het circus-paard en zet hem sierlijk weder op den grond; elke stap gaat gepaard met een passende beweging van den kop. Het is echter niet goed uit te maken, of deze gebaren fierheid of toorn moeten te kennen geven; want deze waardige gang gaat geregeld vergezeld van een verdacht omkrullen van de bovenlip, hetgeen bij alle soorten van Herten een teeken van groote opgewondenheid is. Nog wil ik doen opmerken, dat men, vooral gedurende deze bewegingswijze, bij het Manenhert een sterk geknetter hoort, evenals bij de Rendieren.

Wanneer het geoorloofd is uit de levenswijze van gevangen exemplaren een besluit te trekken dat geldig is voor de in ’t wild levende, moeten de wintermaanden aangemerkt worden, als die, waarin deze Herten bronstig zijn. In de diergaarden werpen zij in Mei hun gewei af en “vegen” in September.

Bij de op groote schaal uitgevoerde drijfjachten van de Maleische vorsten worden dikwijls vele honderden Manenherten gedood, hoewel men geen vuurwapen, maar alleen zwaarden en speren gebruikt om ze te vellen, of strikken bezigt om ze levend te vangen. Volgens Junghuhn wordt dit Hert uitsluitend om zijn vleesch gejaagd; dit wordt in dunne schijven gesneden, met zout ingewreven en in de zon gedroogd; het heet dan “Djendeng” en wordt de meest gewilde toespijs geacht bij de rijstgerechten, die aan den disch der Javaansche hoofden nimmer ontbreken; ook op de Europeesche tafel wordt het als een uitmuntende spijs beschouwd. Het vel wordt niet gebruikt.

Het Zwijnshert der Engelschen (Rusa porcinus) is een der meest algemeene Indische soorten en behoort tot de plompste vormen van de geheele familie; het heeft een tamelijk loggen lichaamsbouw, een dikken romp, korte pooten, een korten hals en een korten kop. In den regel is de algemeene kleur fraai koffie-bruin, bij het mannetje ook wel donkerder soms zelfs zwartbruin, bij ’t wijfje vaak lichter, zelfs lederbruin. Het gewei van het mannetje heeft in den regel zes spitsen; de stangen zijn dun, staan op tamelijk hooge rozenstokken en bereiken een lengte van 35 à 40 cM.

Het Zwijnshert is in het grootste gedeelte van Britsch Indië en van Birma inheemsch. Het algemeenst is het in de oeverlanden van den Ganges, zeldzamer in Centraal-Indië. Gewoonlijk leven deze dieren eenzaam, nu en dan worden zij echter ook ten getale van twee of drie bijeen gevonden. Zij houden zich liever op in gewesten, die met gras en verspreide heesterboschjes begroeid zijn, dan in de dsjungels of in het echte woud, hoewel zij ook hier van tijd tot tijd op groote open plekken aangetroffen worden. Over dag liggen zij verborgen in hunne schuilplaatsen, ’s nachts gaan zij voedsel zoeken; als zij opgejaagd worden, vluchten zij met omlaag gehouden kop op de eigenaardige, tamelijk onbeholpen wijze waaraan zij hun naam te danken hebben.

De meeste Zwijnsherten, die in onze diergaarden leven, komen uit Bengalen. Zij verdragen ons klimaat zeer goed, maar verlangen een beschutte plaats om hierin bij ruw weder een toevlucht te zoeken; zij planten zich gemakkelijk voort en vermenigvuldigen zich sterk, zelfs in een beperkte ruimte.

*

In Noord-Amerika en in het noorden van Zuid-Amerika wonen de Mazama-herten (Cariacus), sierlijke, lieftallige dieren, die zich zoowel door hun lichaamsbouw als door de geweien der mannetjes onderscheiden. Hun gestalte is zeer slank; de hals en de kop zijn lang, de pooten middelmatig hoog, maar zwak; de staart is tamelijk lang. De geweien zijn gaffelvormig verdeeld, of krommen zich boogvormig van achteren naar buiten en voren; elke stang heeft 3 à 7 spitsen, die alle binnenwaarts gebogen zijn; de oogspits is aanwezig, de ijsspits en de middelspits ontbreken. Het haarkleed bestaat uit dicht bijeengeplaatste, zachte haren van een levendige kleur; zij verlengen zich tot manen bij het mannetje en bovendien tot een staartkwast bij beide geslachten.

Een der meest bekende soort van deze groep, het Virginia-hert (Cariacus virginianus), gelijkt in sommige opzichten op ons Damhert, waarmede het ook in grootte ongeveer overeenkomt; het kan er echter onmiddellijk van onderscheiden worden door zijn sierlijken bouw en vooral door den langwerpigen, fijnen kop, die misschien de schoonste van alle hertekoppen genoemd mag worden. Volgens de verzekering van den Prins Von Wied wordt het Virginische Hert dikwijls aanmerkelijk grooter dan ons Damhert en staat niet ver achter bij het Edelhert. De kleur wisselt af overeenkomstig de jaargetijden. In het zomerkleed is een fraai, gelijkmatig geelrood, dat op den rug donkerder, naar de zijden lichter wordt, de heerschende kleur; de buik en de binnenzijde van de pooten zijn bleeker. De lengte van een middelmatig groot, mannelijk Hert bedraagt 1.8 M., de lengte van den staart 30 cM., de hoogte van het gewei 30 cM. en de lengte van elke hoofdstang, volgens de kromming gemeten, ongeveer 50 cM. In de schoft is zulk een Hert 1 M. hoog. Het aanmerkelijk kleinere wijfje wordt slechts 1.3 M. lang en niet meer dan 80 cM. hoog. Het kalf is op donkerbruinen grond zeer sierlijk wit of geelachtig wit gevlekt, maar gelijkt overigens op zijne ouders.

Virginia-Hert (Cariacus virginianus), 1/15 v. d. ware grootte.
Virginia-Hert (Cariacus virginianus), 1/15 v. d. ware grootte.

Virginia-Hert (Cariacus virginianus), 1/15 v. d. ware grootte.

Volgens de mededeelingen der Amerikaansche dierkundigen bewoont dit fraaie Hert alle bosschen van Noord-Amerika, met uitzondering van die, welke het verst noordwaarts gelegen zijn. Naar gezegd wordt, komt het in de pelterijdistricten niet voor, maar wel in Canada. Zijn verbreidingsgebied strekt zich uit van de oostkust van Noord-Amerika tot aan het Rotsgebergte en zuidwaarts tot in Mexico. Vroeger moet het overal in zeer grooten getale geleefd hebben; tegenwoordig is het uit de sterk bevolkte gewesten reeds bijna geheel verdrongen, of heeft althans naar de groote wouden van het gebergte de wijk moeten nemen. Over ’t algemeen gelijkt zijn levenswijze op die van ons Edelhert.

“Dit wild,” zegt Audubon, “is zeer gehecht aan de eens gekozen woonplaats en keert na vervolgingen altijd weer derwaarts terug. Wel is waar rust het niet iederen dag op hetzelfde leger, maar toch wordt het steeds in dezelfde streek gevonden, dikwijls geen 50 schreden verwijderd van de plaats waar het vroeger opgejaagd werd. Zijne lievelingsplaatsen zijn voormalige akkers, die gedeeltelijk weer met kreupelhout overwoekerd zijn en dit dier derhalve beschutting verschaffen. In de zuidelijke staten bezoekt het, vooral in den zomer, als het minder vervolgd wordt, dikwijls de hagen, die de plantages omringen, en staat hier gedurende den dag in een donkere wildernis tusschen riet, wilde wijnstokken en doornstruiken, in allen gevalle zoo dicht mogelijk bij zijn weideveld. De voorliefde voor zulke plaatsen is echter geen algemeen verschijnsel: dikwijls treft men talrijke sporen van deze Herten aan in velden, die slechts van veraf bezocht kunnen worden. In de bergstreken bespeurt men er nu en dan een, dat zich op soortgelijke wijze als een Steenbok of een Gems op een uitstekende rotspunt heeft neergevleid. Gewoonlijk echter verbergt dit wild zich tusschen allerlei lage struiken, naast omgevallen boomen en op dergelijke plaatsen. In het koude jaargetijde houdt het zich het liefst in beschutte en droge oorden op; het staat dan onder den wind en koestert zich in de zonnestralen. In den zomer trekt het zich gedurende den dag in de schaduwrijke gedeelten van het woud terug en kiest dan een verblijfplaats in de nabijheid van kleine rivieren of koele stroomen. Om de kwelling der Muggen te ontgaan, zoekt het dikwijls een toevlucht in een rivier of in een vijver en ligt hier tot aan den neus onder water.

“De wijze waarop dit Hert zich voedt, verschilt al naar den tijd van ’t jaar. In den winter eet het de twijgen en bladen van het kreupelhout; in de lente en in den zomer zoekt het, en wel met zeer groote kieskeurigheid, het meest malsche gras uit, en komt dikwijls, door de jonge maïs- en andere graanplanten gelokt, op de akkers. Het houdt bijzonder veel van allerlei soorten van bessen, noten en dergelijke vruchten. Bij een zoo rijke keuze van voedsel zou men kunnen verwachten, dat dit Hert voortdurend een goed wildbraad zal opleveren; dit is echter niet het geval, want met uitzondering van een gedeelte van het jaar zijn deze dieren zeer slecht gevleescht. Van Augustus tot November zijn de mannetjes vet. Eigenhandig hebben wij er geschoten, die nagenoeg 80 KG. zwaar waren; men verhaalt, dat enkele een gewicht van meer dan 90 KG. bereiken. De bronst begint, in Carolina althans, in November, dikwijls trouwens iets vroeger.

“De wijfjes zijn het vetst van November tot Januari, vallen hierna af, en wel des te meer, naarmate de werptijd nadert, om weder toe te nemen, terwijl zij de kalveren zoogen. Deze worden in Carolina in April geboren; de wijfjes, die voor de eerste maal jongen werpen, doen dit echter gewoonlijk eerst in Mei of Juni. Als de kalveren nog slechts eenige dagen oud zijn, slapen zij dikwijls zoo vast, dat zij gevangen kunnen worden, voordat zij de komst van een mensch opmerken. Zij laten zich zeer spoedig temmen, en gaan reeds na verloop van weinige uren vertrouwelijk met hunne vangers om. Een vriend van ons bezat een wijfjeskalf, dat, toen het gevangen werd, bij een geit gebracht en door deze gezoogd werd; wij hebben andere van deze hert-kalvers door koeien zien grootbrengen. In de gevangenschap gedijen zij goed; het is ons echter gebleken, dat zij lastige huisgenooten zijn. Een paar, dat wij verscheidene jaren gehad hebben, had zich aangewend, onze studeerkamer door het open venster te bezoeken, en deed dit ook nog, zonder zich om de glasruiten te bekommeren, als de vensters gesloten waren. Over ’t algemeen schenen deze dieren vernielzuchtig te zijn; zij likten en knabbelden aan de omslagen van de boeken en brachten dikwijls een groote verwarring in onze papieren. Geen struik in den tuin, hoe kostbaar ook, was veilig voor hen; zij knaagden zelfs aan onze paardentuigen, en vielen ten slotte ook de jonge Eenden en Hoenderen aan, beten hun den kop en de pooten af, en lieten daarna het verminkte lichaam liggen.

“Dit wild is smakelijker dan eenige diersoort, waarvan wij het vleesch geproefd hebben. Het is fijner dan dat van den Wapiti of van de Europeesche soorten van Herten; het smakelijkst was het echter in de hierboven genoemde maanden, waarin de dieren vet zijn.

“De Indianen hadden al hun list en hun geduld noodig om dit wild buit te maken, voordat hun jachtveld betreden werd door den blanke, met zijn geweer, zijn Paard en zijne Honden. De wilde bestreed dezen buit aan den Wolf en den Poema, en paste zeer verschillende jachtwijzen toe. De meest gebruikelijke list was het nabootsen van het geroep van het kalf of van het geschreeuw van den bok. Soms kleedde de wilde zich met het vel van een Hert, wiens gewei hij aan zijn hoofd had vastgebonden en deed trouw den gang en alle overige bewegingen van het dier na; op deze wijze gelukte het hem te midden van een kudde te sluipen, waar hij verscheidene Herten achtereenvolgens met den boog kon dooden voordat het wild zich uit de voeten maakte. Nadat de vuurwapenen hun bekend geworden zijn, hebben echter de meeste stammen het gebruik van pijl en boog laten varen en het geweer als wapen aangenomen.”

De Mazama-herten, die ik onder mijn hoede had, naderden vol vertrouwen de personen die hun bekend waren, en namen niet alleen de hun geboden lekkernijen vriendelijk aan, maar lekten den gever bovendien dankbaar de hand. Ongelukkig is er een bezwaar tegen het houden van deze Herten in een beperkte ruimte: dikwijls breken zij hunne fijne pooten; gewoonlijk geschiedt dit op zulk een ongelukkige wijze, dat de genezing moeielijk of zelfs onmogelijk is. Zulk een verwonding kan het gevolg zijn van een onhandigen sprong in den stal.

*

Bij de in Zuid-Amerika inheemsche Spruitherten (Blastocerus), die het Virginiahert en zijne verwanten het meest nabij komen, zijn de rechtopstaande geweien gaffelvormig vertakt; de voorste hoofdtak, die zich steeds zwakker ontwikkelt dan de achterste, is somtijds, de achterste altijd gegaffeld.

De meest bekende soort van dit geslacht—het Pampas-hert, de Goeazoeï (Blastocerus campestris)—is in vergelijking met de andere leden der familie middelmatig groot: zijn lichaamslengte bedraagt 1.1 à 1.3 M., waarbij 10 cM. voor den staart; de schoft is 70, het kruis 75 cM. hoog. Door gestalte en kleur gelijkt het op ons Edelhert; zijn gewei herinnert aan dat van onze Ree, maar is slanker en heeft langere spitsen.

Paraguay, Uruguay en Noord-Argentinië zijn het vaderland van dit overal veelvuldig voorkomend Hert. Volgens Rengger wordt het hoofdzakelijk op open en droge velden in de weinig bevolkte gewesten gevonden; het vermijdt, zelfs wanneer het hevig vervolgd wordt, de nabuurschap van moerassen en de wouden. Het leeft paarsgewijs en in kleine troepen; de oude bok zondert zich af. Over dag rust dit Hert in ’t hooge gras en houdt zich zoo stil, dat men dicht bij het dier langs kan rijden, zonder dat het zich beweegt. Na zonsondergang gaat het voedsel zoeken en zwerft dan den geheelen nacht rond. Het wijfje brengt slechts één jong ter wereld; dit geschiedt in de lente of in den herfst.

Jong gevangen Pampas-herten worden buitengewoon tam. Het dier leert alle bewoners van het huis onderscheiden, volgt hen overal, komt, als zij het roepen, speelt met hen en likt hun de handen en het gelaat; met de Huishonden en Paarden leeft het in goede verstandhouding, zelfs zoo, dat het ze soms met zijn gewei plaagt; het gaat echter voor vreemde personen en vreemde Honden uit den weg. Men kan het met allerlei rauwe en gekookte planten voeden; evenals zijne verwanten houdt het zeer veel van zout. Als het weder gunstig is, vermaakt het zich in de vrije natuur; in de middaguren herkauwt het; als het regent zoekt het onder dak een schuilplaats.

*

De Ree vertegenwoordigt een afzonderlijk geslacht (Capreolus), dat gekenmerkt is door het rolronde, weinig (en dan gaffelvormig vertakte) gewei, dat een oneffen oppervlakte heeft en geen oogspits bezit.

De Ree (Capreolus capraea) wordt 1.3 M. lang en in het kruis op zijn meest 75 cM. hoog; het staartstompje is ternauwernood 2 cM. lang. Haar gewicht bedraagt 20 à 25, in zeldzame gevallen zelfs 30 KG.; het wijfje is kleiner. In vergelijking met het Edelhert heeft de Ree een gedrongen lichaamsbouw; haar kop is kort en afgeknot. Haar gewei onderscheidt zich door breede rozenkransen en door betrekkelijk dikke, met ver uitstekende knobbeltjes of parels bezette stangen. Gewoonlijk krijgt de hoofdstang slechts twee spitsen; hiermede is de ontwikkeling van het gewei echter nog niet afgeloopen, “Het bepalen van het aantal spitsen van het gewei, zooals dit door de jagers geschiedt,” zegt Blasius, “is niet voldoende voor het leeren kennen van de natuurwet, volgens welke de geweivorming plaats vindt. Om deze wet te formuleeren, heeft men niet in de eerste plaats op het aantal spitsen, maar vooral op den algemeenen vorm van het gewei te letten; in verband hiermede is het aantal spitsen van beteekenis.—In den eersten winter krijgt de “smalbok” onverdeelde, slanke spitsen, met een onduidelijken rozenkrans aan den wortel van de stang.—Bij den “gaffelbok” is de stang ongeveer in het midden vertakt. De hoofdstang vormt dan een hoek, en neemt op de vertakkingsplaats een achterwaartsche richting aan, terwijl de zijspruit naar voren gericht is. Deze knievormige buiging van de hoofdstang is een veel belangrijker feit dan de aanwezigheid van de voorste zijspruit: men moet den bok, wat zijn leeftijd betreft, voor een “gaffelaar” houden, zelfs wanneer de zijspruit ontbreekt, indien slechts de buiging aanwezig is.—Bij den “zes-ender” verdeelt de naar achteren gebogen hoofdstang zich ten tweeden male, en is na de vertakking weder naar voren gericht, terwijl de tweede of hoogste zijspruit naar achteren wijst. De tweede knievormige buiging kenmerkt den zes-ender: men kan den bok volgens zijn leeftijd en gewei als een zes-ender beschouwen, als hij een hoofdstang met twee knievormige buigingen heeft, al zouden de beide zijspruiten ontbreken. Gewoonlijk is de ontwikkeling van het gewei hiermede afgeloopen; daar de reebok bij latere wisselingen van het gewei in den regel hetzelfde aantal spitsen behoudt. Soms komt het echter voor, dat het gewei voortgaat met zich volgens denzelfden regel te ontwikkelen.—Bij den “acht-ender” heeft de spits, die boven de tweede knievormige buiging naar boven of naar achteren gericht is, zich verdeeld en een zijspruit gekregen.—De “tien-ender” vertoont den hoogsten, mij bekenden trap van regelmatige ontwikkeling van het gewei der Ree. Hier zijn de beide bovenste spitsen van den “zes-ender” gaffelvormig vertakt; het gewei bestaat dan uit een naar voren wijzende middelspits, een naar boven gerichte eindgaffel en een naar achteren gekeerde bijgaffel. Geweien van dezen vorm zijn mij slechts uit het Slavonische graafschap Syrmië en uit Kroatië bekend.—Dikwijls merkt men bij de ree-geweien een neiging op, om aan iedere hoofdstang, en wel aan haar binnenzijde, onder de naar voren gerichte middelspits, een in ’t oog vallend lange parel te vormen. Deze parel wordt soms wel 25 cM. lang, en kan dan volgens de regels van de jacht als een spits medegeteld worden.”

Buitengewoon veelvuldig komen bij het ree-gewei allerlei misvormingen voor. In de verzamelingen ziet men stangen van de zonderlingste gedaante: sommige hebben een geheele reeks van spitsen, andere zijn schopvormig verbreed en langs den rand met spitsen bezet. Men treft reebokken met drie stangen en drie rozestokken, andere met een enkelen rozenkrans en een enkele stang aan; voorts bestaan er zoogenaamde “pruikengeweien” enz. Radde kreeg er een uit het Sajanische gebergte (op de Chineesch-Siberische grens), dat bij een wijfjes-ree midden op het voorhoofd groeide. Er waren vier lange, uit één voetstuk ontsprongen spitsen, aan op te merken, die in afwijkende richting groeiden. Een ander dergelijk geval wordt mij door Block medegedeeld. Het betreft een Ree met een gewei, dat uit twee, omstreeks 5 cM. lange stangen bestond. Zelfs een oude, ervaren jager werd er door op het denkbeeld gebracht, dat hij een reebok voor zich had. Toch bleek het dier later, toen het geschoten werd, een wijfje te zijn.

Ree (Capreolus capraea). 1/12 v. d. ware grootte.
Ree (Capreolus capraea). 1/12 v. d. ware grootte.

Ree (Capreolus capraea). 1/12 v. d. ware grootte.

Het dichte haarkleed van de Ree verandert al naar het jaargetijde. De bovendeelen en de buitenzijde van de ledematen zijn in den zomer roestrood, in den winter bruingrijs; de onderdeelen van ’t lichaam en de binnenzijde van de ledematen zijn lichter van kleur. In sommige gewesten komen kleurafwijkingen voor, die door verscheidene geslachten heen overerven: men ontmoet er zwarte, witte, gevlekte en zilverkleurige Reeën.

In de jagerstaal heet de mannelijke Ree in het eerste levensjaar “bokkalf” of “kitsbok,” in het tweede jaar “spitsbok” of “smalrug,” als het tweede jaar is afgeloopen, “gaffelbok”, van het derde jaar af echter “bok”; de vrouwelijke Ree draagt achtereenvolgens in de hierboven genoemde levenstijdperken de namen “rekkekalf”, of “kitskalf”, daarna “smalree”, eindelijk “rekke”, “hille”, of “reegeit”.

De Ree is, met uitzondering van de noordelijkste landen, over geheel Europa en het grootste deel van Azië verbreid. In Nederland kwam de Ree vroeger, evenals het Hert, zeer veelvuldig voor; ongemeen talrijk was zij (volgens H. Junius, “Batavia”) tusschen ’s-Gravenhage en Egmond; thans wordt zij niet anders dan op de Veluwe aangetroffen, evenwel niet uitsluitend op de Hooge Veluwe, maar ook op de Neder-Veluwe en de Veluwe-zoom. Zij bewoont voorts België, Duitschland, Italië, Spanje, Portugal, Frankrijk, Engeland en Schotland, Hongarije, Galacië, Zevenburgen, de Donau-laaglanden, het zuiden van Zweden, Polen, Littauen en de Oostzee-provinciën; zij is zeldzaam in Turkije en Griekenland, ontbreekt in het Noorden en midden van Rusland, maar komt in Ukraine en de Krim weer voor. Zij leeft verder in Kaukasië, Armenië, Klein-Azië, Palestina en Perzië, zoo ook in het midden en het zuiden van Siberië, voorzoover hier wouden zijn, oostwaarts tot aan de landstreken om de monding van den Amoer, zuidwaarts tot aan de Indisch-Mandsjoersche hooge gebergten; in de kale, niet met bosch begroeide, hooge steppen komt zij echter slechts zelden en in zeer kleinen getale voor.

Over het algemeen kan men zeggen, dat de Ree binnen haar verbreidingsgebied zoowel jonge boomaanplantingen, woudzoomen en kreupelbosschen als grootere wouden tot verblijfplaats kiest, indien de bosschen slechts rijk zijn aan kreupelhout; het is haar onverschillig of het houtgewas in het gebergte of in het vlakke land groeit, uit naaldboomen of uit loofboomen bestaat. Naar het schijnt, vestigt de Ree zich bijzonder graag in bosschen van breedgebladerde boomen, vooral in moerassige gewesten. In den winter begeeft zij zich van hoogere naar lager gelegen plaatsen, in den zomer volgt zij de omgekeerde richting. Hier te lande houdt zij zich bij voorkeur op in laagstammige bosschen, ook in zulke, die slechts los verbonden zijn met gesloten wouden, niet zelden ook in groote bebouwde vlakten; in den voorzomer vestigt zij zich voor goed op het bouwland en gaat over dag in het hooge graan liggen. Alleen van oorden waar zij zich volkomen veilig gevoelt, is zij een vaste bewoner; ook hier echter onderneemt zij gaarne lange zwerftochten, hetzij om het een of ander voedsel of om andere dieren van haar soort op te zoeken. Meer dan het Hert en veel meer dan het Damhert houdt de Ree er van, in alle opzichten vrij te zijn; zij verlangt daarom afwisseling van woonplaats, van voedsel en zelfs van gezelschap. Zij is niet alleen kieskeurig, maar zelfs echt wispelturig; heden bevalt het haar hier, morgen daar; soms getroost zij zich allerlei storingen, terwijl zij ze in andere gevallen zoo onaangenaam vindt, dat zij daarom niet zelden een streek voorgoed verlaat.

De bewegingen van de Ree zijn behendig en lieftallig. Zij kan verbazend groote, boogvormige sprongen doen en op deze wijze breede slooten, hooge heggen en struiken zonder merkbare inspanning overschrijden; ook zwemt en klimt zij goed. Zij hoort, ruikt en ziet voortreffelijk, is listig en voorzichtig, maar toch tevens zachtmoedig. “Vriendelijkheid en gezelligheid,” zegt Dietrich aus dem Winckell, “zien haar de oogen uit; toch kan zij alleen getemd worden, wanneer zij sinds haar vroegste jeugd door den mensch kunstmatig is opgevoed; in ’t tegenovergestelde geval behoudt zij zelfs bij de meest zorgvuldige behandeling de schuwheid en de vrees voor menschen en dieren, die haar in den wilden toestand eigen zijn. Dit gaat zoo ver, dat zij, wanneer zij verrast wordt, niet alleen door een kort geschreeuw haar schrik laat blijken, maar ook de poging om zich door de vlucht te redden dikwijls opgeven moet, daar zij licht haar tegenwoordigheid van geest verliest, en dan in een kleine ruimte, terwijl de angst aan hare bewegingen alle vastheid ontneemt, niet zelden een slachtoffer wordt van gemeene, volstrekt niet vlugge boeren-honden of wel van Roofdieren. Alleen in perken waar zij zeer weinig beschoten worden of altijd rust hebben, leggen zij haar vrees voor den mensch in zoo ver af, dat zij zich door iemand, die haar op een afstand van 20 of 30 schreden voorbijgaat, niet in ’t grazen laten storen.”

Van de “vriendelijkheid en gezelligheid”, die Winckell zoo roemt, bespeurt men bij nadere kennismaking met de Ree meestal maar zeer weinig. Zoolang zij jong is, maakt zij wel is waar een zeer aangenamen indruk, op meer gevorderden leeftijd echter toont zij zich zeer eigenzinnig, weerspannig en boosaardig. Zelfs de oude reegeit is niet vrij van zulke kuren, hoewel haar lichaamskracht niet groot genoeg is om hare booze bedoelingen duidelijk te doen uitkomen; de reebok echter is een onverdraagzame, kwaadaardige, eigenlievende en heerschzuchtige klant, die zwakkere dieren van zijn slag en niet zelden ook de reegeit afschuwelijk behandelt; onmeedoogend mishandelt hij zijn kroost, zoodra hij meent, dat het hem in den weg zou kunnen staan bij ’t streven naar bevrediging zijner begeerten; alle wezens, die hij niet behoeft te vreezen, of uit gewoonte niet meer vreest, bedreigt hij met zijn gewei, dat hoogst gevaarlijke wonden kan veroorzaken.

De Reeën vormen nooit zulke talrijke troepen als de Herten. Gedurende het grootste gedeelte van het jaar zijn zij vereenigd tot familiën, die meestal uit één bok, één geit en hare jongen bestaat; zeldzamer bevat een troep 2 of 3 geiten; alleen daar waar te weinig bokken zijn, treft men troepen van 12 à 15 individuën aan. In den winter komt het soms voor, dat verscheidene familiën zich bijeenvoegen en gedurende geruimen tijd samenleven. De kalveren blijven tot den volgenden bronsttijd bij de volwassen dieren, maar worden dan door deze verdreven, en vormen dikwijls afzonderlijke troepen. Over dag houdt de Ree verblijf op een rustig en met schuilplaatsen voorzien plekje van het tijdelijk door haar bewoonde gebied. Tegen den avond, in veilige oorden ook wel in de late middaguren, begeeft zij zich naar jonge boomaanplantingen, naar weidegronden in en buiten het woud, of naar akkers om er voedsel te zoeken; tegen den morgen keert zij naar het dicht begroeide deel van het bosch of naar het hooge koren terug, slaat met de voorpooten de laag mos of zoden weg, en maakt zich op deze wijze een bed of leger, waar zij kan rusten. Gaarne, maar niet altijd geregeld, volgt zij bepaalde paden. Zij gebruikt nagenoeg hetzelfde voedsel als het Hert: de Ree is evenwel kieskeuriger, en zoekt bij voorkeur de meest malsche planten op. Bladen en jonge uitspruitsels van allerlei breedgebladerde boomen, knoppen van naaldboomen, groene graangewassen en andere kruiden vormen de hoofdbestanddeelen van haar maal. Zeer gaarne lekt zij zout; zuiver water is voor haar een behoefte; als het regent of sterk dauwt, is zij echter tevreden met de droppels, die op de bladen liggen. Hier en daar komt zij soms ook wel in de tuinen, welker lekkere groenten haar behagen; zij springt daartoe koen en behendig over tamelijk hooge afschuttingen.

Opmerkelijk is het, dat men de voortplanting van de Ree eerst in den laatsten tijd behoorlijk heeft leeren kennen. Jaren lang heeft er verschil van meening bestaan over den juisten tijd, waarin de bronst van de Ree inviel. Er was sprake van een “waren” en een “valschen” bronst; de eerste zou in Augustus, de laatste in November plaats vinden. Nauwkeurige onderzoekingen hebben echter tot de uitkomst geleid, dat de Reeën alleen in Augustus paren. Evenwel doet zich hierbij het merkwaardig verschijnsel voor, dat de ontwikkeling van het jonge dier eerst na November merkbare vorderingen maakt, en dat de geheele draagtijd 40 weken duurt, hetgeen voor een dier van deze grootte buitengewoon lang mag heeten.

Vier of vijf dagen vóór het werpen zoekt de reegeit in een eenzaam, afgelegen deel van het woud een stil plekje op, en brengt daar hare jongen ter wereld. Jonge wijfjes krijgen maar één enkel kalf, oudere twee, bij uitzondering zelfs drie kalveren. De moeder verbergt haar kroost zorgvuldig voor iederen naderenden vijand, en waarschuwt het bij den geringsten zweem van gevaar, door met een poot op den grond te stampen of door een kort, sjirpend geluid. In hun vroegste jeugd gaan de kalveren onmiddellijk liggen, zoodra zij deze signalen hooren; later nemen zij met hun moeder de vlucht. Gedurende de eerste levensdagen van de kalveren, zoolang deze nog te hulpbehoevend zijn om zich op de genoemde wijze te redden, tracht de reegeit den vijand om den tuin te leiden en hem van het spoor harer jongen af te brengen. Als haar een jong ontroofd wordt, zonder dat zij het verhinderen kan, ijlt zij den roover, ook den mensch, langen tijd na, en geeft aan haar bekommernis lucht door angstig heen en weer te loopen en door geschreeuw. “Meer dan eens,” zegt Dietrich aus dem Winckell, “hebben deze bewijzen van moederliefde mij genoopt om het kalf, dat ik reeds medegenomen had, weder in vrijheid te stellen; de moeder beloonde mij hiervoor ruimschoots door de zorg waarmede zij onderzocht, of haar kind al of niet een ongeluk was overkomen. Vroolijk sprong zij om het jong heen, zoodra zij dit onbeschadigd had bevonden, en scheen het met liefkoozingen te overstelpen, terwijl zij het te gelijker tijd de uiers aanbood om het te laten zuigen.” Omstreeks 8 dagen na hun geboorte worden de kalveren door de reegeit medegenomen naar de weideplaats, na 10 à 12 dagen zijn zij sterk genoeg om haar snel te volgen. Nu keert zij met hen naar haar vorige verblijfplaats terug, als ’t ware met het doel om den vader zijn kroost te toonen.

Reeds tegen het einde van de vierde maand komt er een verhevenheid op het voorhoofdsbeen van den jongen bok; in de volgende weken ontstaan er kleine, voortdurend hooger wordende knobbels, en in de wintermaanden komen de eerste, 8 à 10 cM. lange “spiesen” te voorschijn. In Maart “veegt” de jonge bok, in de volgende Decembermaand werpt hij de “spiesen” af. Voordat er drie maanden verloopen zijn, is het tweede gewei gevormd. Dit wordt iets vroeger dan in den vorigen herfst afgeworpen en door het derde gewei vervangen.

De jacht op de Ree geschiedt nagenoeg op dezelfde wijze als die op ander groot wild, hoewel men haar tegenwoordig in districten, die niet volgens de jagers-regels behandeld worden, meer met hagel dan met kogels schiet. Behalve door den mensch wordt de Ree vervolgd door Lossen, Wolven, Wilde Katten en Vossen; de drie eerstgenoemde roofdiersoorten maken jacht op de oude dieren zoowel als op de jonge; de laatste tracht vooral de kalveren buit te maken; deze worden, naar men zegt, soms ook door de kleine, maar bloedgierige Wezel omgebracht.

Het nut, dat de Ree den mensch aanbrengt, is niet onbelangrijk; de schade die zij aanricht, betrekkelijk gering, hoewel altijd nog grooter dan het nut. Vooral jonge aanplantingen worden soms erg door haar beschadigd; in weinige dagen verijdelt zij den jarenlangen, moeitevollen arbeid van den houtteler. Als wildbraad wordt de Ree hoog geschat: bovendien maakt men gebruik van haar huid, hetzij als leder of als bont, en van haar gewei.

In het wildpark zoowel als in de diergaarde of in een andere beperkte ruimte gedijt de Ree minder goed dan andere Herten, omdat haar vrijheidlievende aard haar van iederen dwang afkeerig maakt. Zij is veeleischend, prikkelbaar en moeielijk te bevredigen, bovendien biedt zij weinig weerstand aan ongunstige omstandigheden; zij plant zich daarom volstrekt niet geregeld voort in den gevangen staat en bezwijkt niet zelden tengevolge van onbeduidende bezwaren. Jong gevangen Reeën kunnen gemakkelijk getemd worden en zijn dan vriendschappelijk gezind jegens menschen en dieren: zij gedragen zich als echte huisdieren en loonen de aan haar bestede moeite. Op den duur beleeft men echter alleen van de geit en niet van den bok genoegen; wijl deze langzamerhand zijn waren aard laat zien, m. a. w. driest, lastig en onbeschaamd wordt, terwijl de geit in den regel zachtzinnig blijft.

*

Tot besluit moeten wij nog een blik werpen op het geslacht der Muntsjakherten (Cervulus), die zich door geringe grootte, door de korte en onvolkomen geweien, de in ’t oogloopend lange hoektanden, de diepere en breede traangroeven en het gemis van den haarlok aan de achtervoeten onderscheiden. De soorten van dit geslacht bewonen van Zuid-China af de zuidelijke en zuidoostelijke gedeelten van het vasteland van Azië, benevens de naastbijgelegen eilanden.

De Muntsjak of Kiedang, de Rippface (“skeletgelaat”) der Engelschen (Cervulus muntjac), de bekendste soort van zijn geslacht, is een weinig kleiner dan onze Ree; zijn lengte bedraagt 115 à 124 cM. (waarvan 15 à 18 cM. op den staart komen), zijn schouderhoogte 65 à 70 cM. De beharing is kort, glad en dicht; de kleur van de bovendeelen is verzadigd geelbruin of donkerder, tot kastanjebruin; de achterbuik, de binnenzijde van de pooten, het achtervlak en het onderste deel van den staart zijn wit, het voorste deel van den buik en de borst geelachtiger. De stangen rusten op zeer lange rozestokken, zijn schuin naar achteren gericht, bij den oorsprong een weinig naar buiten en voren gebogen en daarna plotseling in de nabijheid van den top haakvormig naar achteren en binnen gekromd. Zeer eigenaardig zijn de rozestokken, die van onderen tamelijk dicht bijeengeplaatst zijn, weldra echter uiteenwijken en zich 8 à 10 cM. hoog verheffen; tot aan den rozenkrans zijn zij bekleed met een dichtbehaarde huid, welker haren langs den bovenrand in bosjes bijeengroeien; de rozenkrans zelf is zeer smal en bestaat uit één enkele kring van groote paarlen. Het wijfje draagt op de plaats van het gewei kuifvormige haarbosjes.

Sumatra, Java, Borneo, Banka en Hainan benevens het Maleische Schiereiland, Birma en Engelsch-Indië vormen het vaderland van den Muntsjak. Niet al te hoog gelegen gewesten, waar heuvels met dalen afwisselen, en in nog meerdere mate landstreken, die aan den voet van hooge gebergten grenzen, of in de nabijheid van groote wouden gelegen zijn, bevredigen, naar het schijnt, alle door dit wild aan zijn woonplaats gestelde eischen. Hier treft men den Kiedang afzonderlijk of bij paren aan. Op plaatsen, die bovendien waterrijk en onbewoond of schaars bevolkt zijn, gedijt dit Hert het best; hij kruipt of sluipt met omlaaggehouden kop als een Wezel door dicht begroeide, verwarde wildernissen heen en tusschen neergestorte boomen door; behendig weet hij zelfs door zeer kleine ruimten heen te dringen. Over dag zoowel als ’s nachts wordt zijn stem gehoord, die uit een rauw, schel, luidklinkend geschreeuw of geblaf bestaat, en in vele streken aanleiding gegeven heeft tot den naam, waarmede hij daar wordt aangeduid. De Muntsjak is een zeer moedig dier, dat zijn klein gewei en zijne hoektanden krachtig en op doeltreffende wijze weet te gebruiken. Vele Honden ondervinden dit; wanneer zij hem aanvallen, krijgen zij soms aan den nek en de borst of aan het onderlijf wonden, die hun het leven kunnen kosten.

Muntsjak (Cervulus muntjac). 1/12 v. d. ware grootte.
Muntsjak (Cervulus muntjac). 1/12 v. d. ware grootte.

Muntsjak (Cervulus muntjac). 1/12 v. d. ware grootte.

De gevangenschap verdraagt de Kiedang in zijn vaderland zonder eenig bezwaar en ook in Europa tamelijk goed. Dikwijls treft men hem getemd in het bezit van Europeanen en inboorlingen aan. Over ’t algemeen gezellig en gehecht aan zijne verzorgers, is hij toch, evenals de meeste Herten, zeer prikkelbaar en in dit geval boosaardig.

Naar men zegt, smaakt het wildbraad van dit dier goed, hoewel het mager is. De huid wordt niet gebruikt.

Door sommige dierkundigen worden eenige kleine, zeer sierlijk gebouwde Herkauwers, die volgens onze meening twee afzonderlijke familiën—de Muscusdieren en de Dwergmuscusdieren—behooren uit te maken, bij de familie der Herten gevoegd; wij zullen ze op deze laten volgen; zij bevatten onder andere ook de kleinste vertegenwoordigers der geheele orde.

De Muscusdieren (Moschidae) hebben geen gewei, geen traangroeven, geen op een borstel gelijkende haarbekleeding aan de achtervoeten (zooals bij de meeste Herten voorkomt) en een zeer onbeduidenden staart. De mannetjes van deze en van de volgende groep onderscheiden zich van alle overige Herkauwers door het bezit van lange, buiten den bek uitstekende, benedenwaarts gerichte hoektanden in de bovenkaak. De hooge gebergten van China en Tibet zijn het vaderland van deze dieren. Daar bewonen zij meestal rotsachtige gewesten, zelden dalen, waarheen zij zich eigenlijk alleen dan begeven, wanneer de strenge winter hen van hunne hoogten verdrijft en voedselgebrek hen dwingt om naar meer begunstigde oorden de wijk te nemen.

De familie omvat slechts één geslacht, dat uit slechts één soort beslaat, n.l. het Muscusdier (Moschus moschiferus). Het is een sierlijke Herkauwer van 90 à 100 cM. lichaamslengte en 50 à 55 cM. schouderhoogte, gedrongen gebouwd, van achteren hooger dan van voren, met slanke pooten, korten hals, langwerpigen, aan den snuit stomp afgeronden kop, waaraan middelmatig groote, door lange wimpers overschaduwde oogen met zeer bewegelijke pupil, en eivormige ooren, half zoo lang als de kop, voorkomen. Tamelijk kleine, lange en spits toeloopende hoeven beschutten de teenen; deze kunnen, omdat zij door een huidplooi vereenigd zijn, ver van elkander verwijderd worden; geholpen door de tot op den bodem reikende bijhoeven, maken zij het loopen op sneeuwvelden en gletschers veilig en gemakkelijk. De kleur kan zeer verschillend zijn; sommige exemplaren zijn van boven zeer donker, van onderen echter vuil wit, andere roodbruin, weer andere van boven geelachtig bruin, van onderen wit, nog andere hebben een overlangsche reeks van lichte vlekken op den rug. De hoektanden steken bij het mannetje 5 à 7 cM. ver buiten den bek uit en zijn eerst flauw buitenwaarts, daarna sikkelvormig naar achteren gebogen. Het wijfje heeft eveneens hoektanden, doch deze blijven binnen den mond verborgen.

De muscuszak, waaraan deze dieren hun naam ontleenen, komt alleen bij het mannetje voor; hij ligt aan den achterbuik en vertoont zich bij uitwendig onderzoek als een afgeronde verhevenheid van ongeveer 6 cM. lengte, 3 cM. breedte en 4 à 5 cM. hoogte. Aan beide zijden is hij begroeid met stijf aanliggende haren met uitzondering van een onbehaarde kringvormige plek in het midden. Hier liggen achter elkander twee kleine openingen, die door korte buizen met de holte in den zak verbonden zijn; de voorste is halvemaanvormig, van buiten met grovere, van binnen met fijne, lange, verwarde haren bezet; de achterste is omgeven door een bundel van lange borstels. Kleine klieren binnen in den zak scheiden de muscus af; door de eerstgenoemde buis wordt de zak geledigd, wanneer hij te vol is. Eerst bij het volwassen Muscusdier heeft deze zak zijn volle grootte bereikt en is de muscusafscheiding het sterkst. Gemiddeld kan men aannemen, dat de zak 30 gram van deze kostbare stof bevat; bij sommige dieren heeft men echter meer dan het dubbele van deze hoeveelheid gevonden. Jonge bokken leveren ongeveer het achtste deel er van. In verschen toestand is de muscus week als zalf; gedroogd is zij een korrelige of poedervormige massa, die aanvankelijk een roodbruine kleur heeft, maar mettertijd donkerder en eindelijk koolzwart wordt.

Muscusdier (Moschus moschiferus). 1/12 v. d. ware grootte.
Muscusdier (Moschus moschiferus). 1/12 v. d. ware grootte.

Muscusdier (Moschus moschiferus). 1/12 v. d. ware grootte.

Zoomin de Grieken als de Romeinen kenden het Muscusdier, hoewel zij groote liefhebbers waren van welriekende zalven en deze meestal uit Arabië en Indië ontvingen. De Chineezen daarentegen maken reeds sinds eeuwen van muscus gebruik. De eerste berichten over het Muscusdier zijn door tusschenkomst van de Arabieren tot ons gekomen.

Het verbreidingsgebied van het Muscusdier strekt zich uit van den Amoer tot aan de Kaspische Zee en van 60° N. B. tot China en Achter-Indië. Het veelvuldigst komt het voor in de omstreken van het Baikal-meer en in de gebergten van Mongolië als ook in den Himalaja, waar het, naar men bericht, in den zomer zelden beneden de hoogte van 2500 M. afdaalt; in sommige van deze gewesten is het nog zoo talrijk vertegenwoordigd, dat beroepsjagers in één winter verscheidene honderden exemplaren kunnen dooden. Steile berghellingen en bosschen vormen de eigenlijke woonplaatsen van dit beroemde dier; het leeft er eenzaam of hoogstens bij paren. Zijn levenswijze wordt door Kinnloch met die van den Haas vergeleken, omdat het zich op dezelfde wijze een leger maakt, waarin het over dag nagenoeg voortdurend blijft. Bij het zoeken van voedsel geeft het de voorkeur aan hellingen, waarop grasrijke weideplaatsen met kleine kreupelboschjes afwisselen; eerst in de schemering of in de morgenuren komt het op weidegronden die vrij zijn van struiken. Zijne bewegingen zijn vlug en vast. Het loopt met de snelheid van een Antilope, springt even behendig als een Steenbok en klimt met de stoutmoedigheid van een Gems. Over sneeuwvelden, waar iedere Hond inzinkt en een mensch zich bijna niet bewegen kan, draaft het Muscusdier nog gemakkelijk heen, bijna zonder een zichtbaar spoor achter te laten. Als het vervolgd wordt, springt het, zonder zich te beschadigen, van een aanzienlijke hoogte naar beneden en loopt het langs wanden, die bijna geen gelegenheid bieden om vasten voet te vatten; in geval van nood zwemt het zonder aarzeling over breede stroomen.

De zintuigen van dit dier zijn voortreffelijk, zijne geestesvermogens echter gering. Het Muscusdier is schuw, maar mist schranderheid en overleg. Als het door een ramp overvallen wordt, ziet het dikwijls in ’t geheel geen kans om zich te redden, en rent als zinneloos in ’t rond. Op dezelfde wijze gedraagt zich het dier, dat pas gevangen is.

Zes maanden na de paring werpt het wijfje één of twee jongen, die aanvankelijk bont gevlekt zijn. De moeder behoudt ze met trouwe liefde bij zich tot aan den volgenden paartijd, maar drijft ze dan weg. Aan het einde van het derde jaar zijn de jongen volwassen.

De jacht op dit zoo belangrijke en winstgevende wild levert, althans in Siberië, vele bezwaren op. Wegens zijn buitengewone schuwheid komt het den jager zelden op behoorlijken afstand voor ’t geweer. Gewoonlijk plaats men, om den gewenschten buit te behalen, strikken op de “wissels” van het dier. Dikwijls verhinderen de Veelvraat, de Siberische Wezel en de Raven deze wijze van vangst. De behaarde Roofdieren gaan het spoor van het Muscusdier na, en vreten het op, als het in den strik is vastgeraakt. De Baardgier en de Arend maken bovendien jacht op het jonge, de Panther en de Gepard op het volwassen dier. In den Himalaja wordt dit wild door Engelsche jagers “op den zoek” en gedurende drijfjachten gedood.

Het vleesch van het Muscusdier wordt zelfs door de Europeanen in Indië lekker gevonden; de muscuszak heeft een waarde van 6 à 18 gulden. De meeste muscus komt uit China in Engeland ter markt; men krijgt haar echter slechts zelden zuiver; van oudsher maken de sluwe bewoners van het Hemelsche Rijk zich schuldig aan het vervalschen van dit kostbare artikel. De reizigers uit vroegere eeuwen doen zonderlinge verhalen over de hevigheid van den muscusreuk. Tavernier en Chardin berichten, dat de jagers vóór het afsnijden van den muscus-zak zich den mond en den neus moesten dichtstoppen, omdat het onvoorzichtig inademen van de uitwaseming aanleiding zou geven tot doodelijke bloedingen. Chardin verzekert, dat hij nooit in staat geweest is om zelf de muscushandelaars te bezoeken, maar de inkoop van dit artikel steeds aan zijne handelsvrienden moest overlaten. De reuk is, naar hij verzekert, onverdraaglijk en voor Europeanen, die er niet aan gewoon zijn, zelfs gevaarlijk.

Over de levenswijze van het gevangen dier ontbreken tot dusver uitvoerige berichten. In het jaar 1772 kwam een Muscusdier, nadat het drie jaar lang onderweg was geweest, levend te Parijs aan en bleef hier nog drie jaar in leven. Het stierf aan een haarbal, die ontstaan was uit de haren, die het door zich te lekken in de maag had gekregen en die het spijskanaal in de nabijheid van de portier (waar de maag met den dunnen darm verbonden is) verstopt had. Vóór dien tijd was het altijd zóó gezond en flink geweest, dat het volgens het oordeel van de Fransche dierkundigen, op de hooge gebergten van Europa geacclimatiseerd zou kunnen worden.

De laatste familie van de Herkauwers omvat de Dwergmuscusdieren (Tragulidae), waardoor de genoemde onderorde met die van de Niet-herkauwende Evenvingerigen (en meer bepaaldelijk met de familie van de Zwijnen) verbonden is. De hiertoe behoorende dieren bewonen West-Afrika en Zuid-Azië en zijn buitengewoon lieftallige schepsels. Men stelle zich een sierlijk, op een Ree gelijkend diertje voor, met tamelijk dikken romp, slanken, goed gevormden kop, fraaie, heldere oogen, pooten, die weinig dikker zijn dan een potlood en in zeer bevallige hoeven eindigen, een klein, aardig staartstompje, een zacht, tegen de huid aanliggend haarkleed van aangename kleur, zoo heeft men een denkbeeld van een Dwergmuscusdier. Van de Muscusdieren verschilt het, doordat de maag slechts uit drie afdeelingen bestaat; de boekmaag is van de lebmaag niet te onderscheiden; ook mist dit dier den muscuszak; de middelvoet is met een onbehaarden, eeltachtigen rand voorzien; het staartje is tamelijk lang behaard. Evenals in de vorige familie onderscheiden de mannetjes zich door het bezit van lange, buiten den bek uitstekende, benedenwaarts gerichte hoektanden in de bovenkaak. Die van de onderkaak blijven, evenals die van beide kaken bij de wijfjes, binnen de mondholte verborgen.

De Kantsjil (Tragulus kanchil of Tragulus pygmaeus) is ongeveer 45 cM. lang, waarvan slechts 4 cM. op den staart komen; de schofthoogte bedraagt 20, de kruishoogte 22 cM. Het tamelijk fijne haar is aan den kop roodachtig vaal, aan de zijden lichter, op de kruin donker, bijna zwart, aan de bovenzijde van het lichaam roodachtig geelbruin, langs den rug sterk met zwart gemengd, naar de zijden lichter, aan de bovenzijde van den hals wit gesprenkeld en aan de onderzijde wit. De volwassen mannetjes hebben in de bovenkaak sterk gekromde hoektanden, die ongeveer 3 cM. buiten het tandvleesch uitsteken. De kleine, fijne hoeven zijn lichtbruinachtig hoornkleurig. De jonge dieren hebben dezelfde kleur als de volwassene.

Java, Singapoer en het Maleische Schiereiland zijn het vaderland van dit bekoorlijke dier; op Sumatra, Borneo en Ceylon wordt het, evenals in Indië, van de zuidspits tot aan den Himalaja op hoogten van hoogstens 600 M., door verwante soorten vervangen. Op Java vindt men het meer in het gebergte dan in de vlakte, aan den benedenrand van de oerwouden, die alle gebergten bedekken, meer bepaaldelijk in het daaraan grenzende kreupelhout, vanwaar het de met gras begroeide hellingen binnen weinige minuten bereiken kan. Nooit treft men het in troepen aan: het leeft eenzaam en hoogstens gedurende den bronstijd bij paren. Over dag rust en herkauwt het, verborgen tusschen dicht struikgewas; met het aanbreken van de schemering gaat het fourageeren en gebruikt dan allerlei bladen, kruiden en bessen als voedsel. Water is voor zijn welzijn onontbeerlijk.

Alle bewegingen van dit vlugge en lenige dier geschieden op, een buitengewoon sierlijke en lichte wijze. Het kan betrekkelijk groote sprongen doen en weet behendig alle moeielijkheden, die het op zijn weg ontmoet, te overwinnen. Daar de fijne ledematen echter weldra den dienst weigeren, zou het allicht een buit worden van zijne vijanden, als het hun niet door een eigenaardige list wist te ontkomen. Gewoonlijk tracht het zich bij dreigend gevaar in het struikgewas te verbergen; zoodra het echter gevoelt, dat het niet verder kan komen, gaat het rustig op den grond liggen en houdt zich dood, evenals de Opossum in dergelijke omstandigheden doet. De vijand nadert en meent met een greep zijn doel te zullen bereiken, maar op eens, nog voordat hij bij het diertje is gekomen maakt dit één of twee sprongen en rent bliksemsnel weg.

In den laatsten tijd worden exemplaren van deze of andere soorten van Dwergmuscusdieren dikwijls naar Europa overgebracht, en hier gedurende geruimen tijd in ’t leven gehouden. De eigenaars van rondreizende menagerieën zijn reeds overal geweest met den eenen of anderen vertegenwoordiger van deze diergroep, en hebben hem aan ’t publiek vertoond. Het dier trekt de aandacht door zijn lief en aardig voorkomen; het is zeer zindelijk; het poetst en likt zich aanhoudend. De groote, fraaie oogen zouden doen vermoeden, dat het ook door de ontwikkeling zijner geestvermogens zeer hoog staat, wat echter niet het geval is; het geeft op geenerlei wijze blijken van een groot verstand, maar is veeleer rustig, stil en vervelend. Het kent geen ander gebruik van den dag dan eten, herkauwen en slapen. Zelden hoort men zijn fijn, zacht stemmetje: een geluid, dat met een zwak geblaas vergeleken kan worden.

De Javanen maken, naar men zegt, ijverig jacht op dit dier en houden veel van zijn zacht en zoetachtig vleesch. Ook worden de fijne pootjes op sommige plaatsen met een gouden of zilveren beslag voorzien en daarna bij ’t stoppen van tabakspijpen gebruikt.

De tweede onderorde van de Evenvingerigen omvat de Niet-herkauwers, die over twee familiën worden verdeeld: de Zwijnen en de Nijlpaarden.

Bij de Borsteldieren of Zwijnen (Suidae) eindigt de zijdelings samengedrukte romp in een dunnen, langen en gekrulden staart; de nagenoeg kegelvormige, van voren afgeknotte kop loopt uit in een langwerpigen snuit, die van voren verbreed is tot een wroetschijf, waarin de neusgaten geplaatst zijn; de ooren zijn middelmatig groot en staan gewoonlijk rechtop; de oogspleten hebben een scheeve richting en laten betrekkelijk kleine oogen zien; de pooten zijn slank en dun, de teenen bij paren gegroepeerd; de 2 middelste, die het lichaam dragen, zijn aanmerkelijk grooter dan de 2 buitenste. De huid is bedekt met een meer of minder dicht borstelkleed. De talrijke op 2 reeksen geplaatste melktepels van ’t wijfje komen aan den buik voor. Het geraamte is licht gebouwd en sierlijk van vorm. Bij alle Zwijnen zijn in de boven- zoowel als in de onderkaak alle drie soorten van tanden aanwezig. Het aantal snijtanden wisselt af van 1 tot 2 in elke bovenkaakshelft, en van 2 tot 3 in elke onderkaakshelft; niet zelden vallen deze tanden echter op lateren leeftijd uit. De hoektanden, die altijd voorhanden zijn, hebben een zeer eigenaardige gedaante: driekantig, sterk gekromd en bovenwaarts gebogen. De kiezen, welker aantal verschilt, zijn deels zijdelings samengedrukt, deels breed en met vele knobbels bezet. Van de spieren verdienen vermelding die, welke de lippen bewegen; vooral de spieren van de bovenlip zijn zeer forsch ontwikkeld, en verleenen den snuit voor ’t wroeten de noodige kracht. Bij overvloedige voeding vormt zich onder de huid een speklaag, die een dikte van verscheidene centimeters kan bereiken.

Met uitzondering van Australië, waar alleen tamme Varkens voorkomen, bewonen de Borsteldieren bijna alle landen van de overige werelddeelen. In groote, moerassige wouden van bergachtige of vlakke gewesten, in vochtige wildernissen of andere ruig begroeide plaatsen, op met lang gras bedekte, drassige vlakten en op akkers houden zij verblijf. Alle zijn zeer gesteld op de nabijheid van water; zij zoeken moerassen, poelen en de oevers van rivieren en meren op; hier maken zij door in de modder te wroeten een leger, waarin zij gedurende hun rusttijd dikwijls half in ’t water liggen; enkele soorten vinden ook wel een schuilplaats in groote gaten onder boomwortels. Voor ’t meerendeel zijn deze dieren gezellig van aard; de door hen gevormde troepen zijn echter zelden zeer talrijk. Zij hebben een nachtelijke levenswijze, want ook op plaatsen, waar zij geen gevaar behoeven te vreezen, beginnen zij hunne werkzaamheden eerst, als de schemering aanvangt. Zij zijn volstrekt niet zoo plomp en onbeholpen, als zij er uitzien; integendeel, hunne bewegingen zijn betrekkelijk vlug. Hun gang is tamelijk snel, zij draven flink, hun galop bestaat uit een opeenvolging van eigenaardige sprongen, die alle gepaard gaan met een veel beteekenend geknor. Alle zwemmen voortreffelijk; zij trekken zelfs zeearmen over, om van het eene eiland op het andere te komen. Ook de zintuigen van de Zwijnen, vooral de reuk en het gehoor, zijn goed ontwikkeld; zij speuren en hooren uitmuntend. Naar het schijnt, ziet het kleine en flauwe oog niet bijzonder scherp, en zijn ook de smaak en het gevoel weinig ontwikkeld. Hoewel zij ieder gevaar in den regel voorzichtig en schuw ontvlieden, zullen zij toch, in ’t nauw gebracht, zich dapper te weer stellen en dikwijls zelfs zonder eenige aarzeling hunne tegenstanders aanvallen. Zij trachten deze dan omver te loopen en met hunne scherpe hoektanden of “houwers” te wonden; zij weten deze vreeselijke wapens werkelijk met zoo veel behendigheid en met zoo groote kracht te gebruiken, dat zij zeer gevaarlijk kunnen worden. De mannetjes (beren) verdedigen hunne wijfjes (zeugen) en deze hare jongen (biggen) met veel zelfopoffering. De zwijnen zijn onleerzaam en koppig en, naar het schijnt, voor geen hoogeren graad van ontwikkeling vatbaar; over ’t geheel genomen kan men hunne eigenschappen niet bepaald innemend noemen. Hun stem is een merkwaardig geknor, dat veel welbehagen en tevredenheid verraadt, en dus van een blijmoedige levensopvatting getuigt. Van oude “beren” hoort men ook wel een zwaar gebrom.

De Zwijnen zijn alleseters in de ruimste beteekenis van het woord. Alle eetbare voorwerpen, die zij vinden, zijn van hun gading. Weinige soorten voeden zich uitsluitend met plantaardige stoffen: wortels, kruiden, veld- en boomvruchten, bollen, paddestoelen enz.; de overige verslinden bovendien ook nog Insecten en hunne larven, Slakken, Wormen, Kikvorschen, Muizen, ja zelfs Visschen, en bijzonder gaarne krengen. Hun vraatzucht is zoo algemeen bekend, dat het niet noodig is hierover uit te wijden; deze eigenschap beheerscht eigenlijk alle overige, met uitzondering alleen van de voorbeeldelooze onzindelijkheid, die hun de verachting van den mensch op den hals heeft gehaald.

Slechts bij zeer weinige soorten werpt de zeug een gering aantal jongen (of slechts één); de overige brengen vele jongen ter wereld, soms wel 24: dus meer dan eenig ander Zoogdier. De biggen zijn alleraardigste, vroolijke, vlugge schepsels, waarin iedereen behagen zou scheppen, indien zij niet van den eersten levensdag af de onzindelijkheid van hunne ouders lieten blijken. Zij groeien merkwaardig snel en zijn reeds op éénjarigen leeftijd voor de voortplanting geschikt; in alle landen waar het leven hen vroolijk tegenlacht, krioelt het dan ook van deze dieren; zelfs daar, waar men ze volstrekt niet ontziet, kunnen zij hoogst moeielijk uitgeroeid worden.

Door hun buitengewoon sterk voortplantingsvermogen en hun onverschilligheid voor gewijzigde omstandigheden zijn zij uitnemend geschikt voor huisdieren. Weinige dieren laten zich zoo gemakkelijk temmen, weinige verwilderen echter ook weer zoo licht als zij. Een jong Wild Zwijn geraakt meestal spoedig aan de gevangenschap, aan het leven in den smerigsten stal, gewoon; een als huisdier geboren Zwijn wordt reeds, nadat hij weinige jaren in vrijheid heeft doorgebracht, een wild en boosaardig dier, dat ternauwernood nog van zijne wilde voorouders verschilt, en in den regel reeds bij den eersten worp jongen voortbrengt, die volkomen op de echte Wilde Zwijnen gelijken.

Alle Wilde Zwijnen voegen den landbouwer zooveel schade toe, dat zij niet geduld kunnen worden in gewesten waar de bodem bebouwd wordt. Overal waar de mensch zich voor goed gevestigd heeft, worden zij daarom zoo ijverig mogelijk vervolgd. De jacht op deze dieren wordt als een der edelste jachtbedrijven aangemerkt, en heeft werkelijk zeer veel aantrekkelijks, daar zij wezens betreft, die hun leven soms zeer duur weten te verkoopen.

Alleen in de noordelijkste gewesten trouwens is de mensch de ergste vijand van de in ’t wild levende Zwijnen. De soorten, die in de keerkringslanden wonen, worden aanhoudend vervolgd door de groote leden van de familie der Katten en Honden, die soms een groote slachting onder de zwijnenkudden aanrichten. Vossen, kleine Katten en Roofvogels durven alleen biggen aanvallen; zij doen dit steeds met groote voorzichtigheid, daar de zeug haar kroost krachtdadig weet te verdedigen.

Alle soorten van Zwijnen gelijken op elkander, wat lichaamsbouw en aard betreft. Het geringe verschil, dat tusschen hen bestaat, berust op de meerdere of mindere slankheid van het lichaam, het aantal teenen en tanden en de ontwikkeling der slagtanden. 44 tanden, 4 teenen aan iederen voet en meestal 10 (minstens 8) tepels aan den buik van ’t wijfje, eivormige, behaarde ooren en een middelmatig langen, aan de spits ruig behaarden staart kenmerken de Zwijnen in de meest beperkte beteekenis van het woord (Sus), waarvan het Europeesche Wilde Zwijn (de Ever, sus scrofa) een waardige vertegenwoordiger is. Dit sterk, forsch en weerbaar dier bereikt een totale lengte van ruim 2 M. (1.8 M. zonder den 25 cM. langen staart), een schouderhoogte van 95 cM. en een gewicht van 150 à 200 KG.; de grootte en het gewicht verschillen evenwel aanmerkelijk naar de verblijfplaats, het jaargetijde en het voedsel. De Wilde Zwijnen, die in moerassige streken leven, zijn altijd grooter dan die, welke in droge wouden voorkomen; die, welke op de eilanden van de Middellandsche Zee thuis behooren, staan altijd achter bij die van het vasteland. Door zijn gestalte gelijkt het Wilde Zwijn op zijn getemde afstammeling; zijn romp is echter korter en meer gedrongen; de pooten zijn steviger, de kop iets langer en slanker, de ooren staan meer overeind en zijn een weinig langer en spitser; bovendien worden de slagtanden grooter en scherper bij het Wilde dan bij het Tamme Zwijn. De kleur is verschillend, over ’t algemeen rechtvaardigt zij echter den jagersterm “Zwartwild”; want grijze, roestkleurige, witte en gevlekte Wilde Zwijnen zijn zeldzaam. De jongen hebben op grijs roodachtigen grond geelachtige strepen, die tamelijk recht van voren naar achteren loopen, maar reeds in de eerste levensmaanden verdwijnen. Het haarkleed bestaat uit stijve, lange en spitse, aan den top dikwijls gespleten borstels; daartusschen staan korte, fijne wolharen, die, in verband met het jaargetijde, meer of minder overvloedig zijn. Aan den onderhals en den achterbuik zijn de borstels naar voren, aan de overige lichaamsdeelen naar achteren gericht; op den rug vormen zij een soort van kam of manen. Zwart of roetkleurig bruin is hun gewone kleur, de spitsen zijn echter geelachtig, grijs en roodachtig, hierdoor wordt de algemeene tint iets lichter. De ooren zijn zwartbruin, de snuit en de onderste helft van de pooten en klauwen zwart; aan het voorste gedeelte van het aangezicht is het borstelkleed gewoonlijk gesprenkeld. De roestkleurige en witgevlekte of half-zwarte en half-witte Zwijnen, die op sommige plaatsen voorkomen, houdt men voor afstammelingen van verwilderde Huiszwijnen, die indertijd losgelaten zijn om deze soort van wild te vermeerderen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings