← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen

De Evenvingerigen (Artiodactyla). (continued 3)

Reading edition

De Tibetanen gebruiken den Yak om lasten te dragen en als rijdier. Jegens zijn bekenden gedraagt hij zich tamelijk vriendschappelijk, laat zich aanraken, schoonmaken en met behulp van een door zijn neus gestoken ring, waaraan een touw bevestigd is, besturen. Jegens vreemdelingen is zijn gedrag in den regel anders; hij toont onrust, buigt den kop naar den grond, en doet alsof hij een tegenstander tot den strijd wil uitdagen. Steeds behoudt hij een zekeren graad van wildheid.

De Yak draagt zonder bezwaar 100 à 150 KG. en doet dit op de allerlastigste rotspaden en sneeuwvelden. Door dit dier is het mogelijk lasten over zeer hooge bergpassen te vervoeren; want het behoudt ook op deze groote hoogten, in weerwil van de sterke luchtverdunning, waardoor andere dieren vermoeid en beangstigd worden, zijn gewonen, vasten gang. Op een zeer sterk met rotsklompen bezaaid pad kan men den Yak niet gebruiken, omdat hij door zijn last verhinderd wordt over rotsen van eenige hoogte te springen.

Zoowel de melk als het vleesch van den tammen Yak zijn zeer goed. Van de huid wordt door looien leer gemaakt, van de haren worden touwen gedraaid. Het kostbaarste product van dit dier is de staart; deze wordt (gewoonlijk onder den naam van “paardenstaart”) van oudsher door de Turken als standaard gebruikt; door het aantal dezer staarten wordt de rang van den bevelhebber aangeduid.

De naar Europa overgebrachte Yaks hebben zich tot dusver beter gehouden, dan verwacht werd. Hierin heeft men aanleiding gevonden tot de hoop, dat dit fraaie Rund in Europa geacclimatiseerd zou kunnen worden. Van dit nieuwe inheemsche huisdier verwachtte men groote voordelen; daar men veronderstelt, dat de Yak uitmuntende wol, smakelijk vleesch en uitstekende, vette melk zou leveren, een krachtig, onvermoeid werkdier zou zijn en zich bovendien met goedkooper voedsel dan andere Runderen zou behelpen. Werkelijk kan men in de hooglanden van Tibet en Toerkestan op al de genoemde wijzen partij trekken van den Knorbuffel; hier is hij dan ook een zeer belangrijk huisdier. In onze hooge gebergten hebben wij hem echter niet noodig; daar deze als weideplaatsen van Alpenrunderen en Berggeiten op een behoorlijke wijze geëxploiteerd worden. Meer winst dan deze zou de Yak stellig niet opleveren.

*

In West-Rusland, in het zuidelijke deel van het oude Lithauen, wordt een zeer eigenaardig kleinood gevonden, n.l. het beroemde woud van Bialowitsch, een echt noordsch oerwoud van 2000 KM.2 oppervlakte. Het ligt afgezonderd als een eiland, omgeven door akkers en weiden, dorpen en boomlooze heiden. Binnen in het woud komt slechts één dorp voor, dat dezelfde naam draagt als het woud; hier wonen echter geen landbouwers, maar alleen lieden, die zich met exploitatie van bosschen en met de jacht bezig houden. Ongeveer vier vijfde deel van het woud bestaat uit dennen, die over een groote uitgestrektheid de eenige boomsoort zijn, op vochtige plaatsen echter afwisselen met sparren, eiken, linden, haagbeuken, berken, elzen, populieren en wilgen. Dit woud wordt ook thans nog bewoond door het grootste Zoogdier van het Europeesche vasteland, de Wisent. Dit kolossale dier komt bovendien nog slechts voor in eenige bosschen van den Kaukasus en in het bosch van Mezerzitz in Silezië; overal elders is het uitgeroeid. Strenge wetten beschermen het in het woud van Bialowitsch; indien de opeenvolgende eigenaars van dit merkwaardig wildpark den Wisent niet onder hun bescherming hadden genomen, zou hij thans hoogstens alleen nog in den Kaukasus te vinden zijn.

In vroegere tijden was het hiermede trouwens geheel anders gesteld; met zekerheid kan men aantoonen, dat de Wisent vroeger over geheel Europa en een groot deel van Azië verbreid was. In den bloeitijd van Griekenland kwam hij in het tegenwoordige Boelgarije veelvuldig voor; in Middel-Europa werd hij destijds bijna overal gevonden. Aristoteles noemt hem “Bonassus”, en geeft van hem een duidelijke beschrijving; Plinius vermeldt hem onder den naam “Bison”; oude geschriften maken melding van dit dier, in de 6e en 7e eeuw; volgens het Nibelungen-lied kwam het in Waasgau voor. Ten tijde van Karel den Grooten trof men het in den Hartz en in het land van de Saksers aan; volgens Ekkehard werd dit wild bij St. Gallen gevonden. Omstreeks het jaar 1373 leefde het in Pommeren, in de 15e eeuw in Pruisen, in de 16e in Lithauen, in de 18e tusschen Tilsit en Labiau in Oost-Pruisen, waar het laatste dier van deze soort eerst in het jaar 1755 door een wilddief gedood werd.

De koningen en de magnaten van het rijk van Polen en Lithauen, gaven zich veel moeite voor het behoud van den Wisent. Hij werd in bepaaldelijk voor hem bestemde kampen en parken gehouden, b.v. bij Ostrolenka, bij Warschau, bij Zamosk enz. Slechts hoogst zelden ving men eenige exemplaren, die gewoonlijk als geschenken voor vreemde hoven werden gebruikt. Een besmettelijke ziekte vernietigde in het begin van de 18e eeuw deze kudde grootendeels, en zoo verminderde allengs het aantal Wisents, totdat eindelijk, zooals reeds gezegd werd, een wilddief den laatsten het levenslicht uitblies. Stellig zou hetzelfde lot beschoren zijn geweest aan de Wisents, die in het woud van Bialowitsch leven, indien niet de koningen van Polen, en later de keizers van Rusland, het zeldzame dier voor den tegenwoordigen tijd behouden hadden.

Vóór ik tot de beschrijving van het lichaam, en van de levenswijze van het bedoelde Wilde Rund overga, moet ik doen opmerken, dat ik met den naam Wisent hetzelfde dier bedoel, dat veelvuldig ten onrechte Oer of Oeros werd en wordt genoemd. Met den laatstgenoemden naam duidden onze voorouders terecht een van den Wisents zeer verschillende, sinds lang uitgestorven soort van Rund aan.

Wisent (Bos bison).
Wisent (Bos bison).

Wisent (Bos bison).

Als men de geschriften van de natuuronderzoekers van vroegere eeuwen met opmerkzaamheid doorleest, komt men tot de overtuiging, dat in Europa eertijds twee soorten van Wilde Runderen naast elkander geleefd moeten hebben. Alle oude schrijvers onderscheiden ze als afzonderlijke diervormen. De Oostenrijksche gezant aan ’t Russische hof, baron von Herbertstein, maakt in zijn (in 1556 uitgegeven) werk over Rusland en Polen van deze beide Wilde Runderen melding, en voegt aan een latere uitgave van zijn boek twee afbeeldingen toe, waarboven tot verklaring de namen van de beide dieren staan. Boven de figuur, die een op ons Huisrund gelijkend dier voorstelt, staan de woorden: “Ik ben de Urus, dien de Polen Thur noemen, de Duitschers Auerox en zij, die mij niet kennen Bison.” De tweede afbeelding, waarin men duidelijk den Wisent herkent, heeft tot opschrift: “Ik ben den Bison, die door de Polen Subr wordt genoemd, door de Duitschers Wysent, door de onkundigen Oeros.”

Eerst in de 17e eeuw begonnen de meeste schrijvers te twijfelen; sinds dien tijd is bij hen slechts van één Wild Rund sprake, dat zij nu eens Wisent, dan weer Oeros noemen. De laatstgenoemde, de ware Oer, was intusschen uitgestorven en de berichtgevers waren derhalve niet meer in staat op grond van eigen aanschouwing te spreken. Later nam de verwarring nog meer toe.—Volgens mijn oordeel zijn de gronden, die men heeft aangevoerd tot bestrijding van de door oude schrijvers verkondigde meening, dat Europa nog in den historischen tijd tot woonplaats heeft gediend aan twee soorten van Wilde Runderen, voor ’t meerendeel zwak; wij hebben daarom het recht om de gegrondheid van deze meening aan te nemen.

De Wisents worden beschouwd als vertegenwoordigers van een afzonderlijk onder geslacht(Bonassus) van de Runderen; zij zijn gekenmerkt door de kleine, ronde, naar voren verschoven en bovenwaarts gekromde hoornen, het zeer breede, gewelfde voorhoofd, de zachte en lange beharing en het groot aantal ribben. De Wisent heeft 14, de Amerikaansche Bison 15 paar ribben.

Hoewel men met zekerheid kan aantoonen, dat de Wisent (Bos bison, Bonassus bison) in groote is afgenomen, heeft hij ook nu nog kolossale afmetingen. Een Wisent-stier, die in het jaar 1555 in Pruisen gedood werd, was 7 voet hoog en 13 voet lang en had een gewicht van 19 centenaars en 3 pond. In den tegenwoordigen tijd bereikt zelfs de grootste stier zelden een hoogte van 1.7, een lengte van 3.4 M. en een gewicht van 500 à 700 KG. De Wisent is een toonbeeld van spierkracht en van forsche, lichamelijke ontwikkeling. Zijn kop is middelmatig groot en welgevormd, het voorhoofd hoog en zeer breed, het aangezicht van achteren naar voren gelijkmatig versmald, de snuit plomp, het oor kort en afgerond, het oog eerder klein dan groot, de hals zeer krachtig, kort en hoog, van onderen tot aan de borst met een kossem voorzien, de romp die op krachtige pooten rust, massief, van den nek tot het midden van den rug sterk naar boven gekromd, de staart kort en dik. De ver zijwaarts geplaatste, betrekkelijk sierlijke, ronde en spits toeloopende hoorns zijn eerst naar buiten, vervolgens naar boven en tevens een weinig naar voren, eindelijk naar binnen en naar achteren gebogen, zoodat de spitsen bijna loodrecht boven de aanhechtingsplaatsen van de hoorns komen te liggen. Een buitengewoon dichte en overvloedige, uit lange, meestal kroeze borstelharen en viltachtige wolharen bestaande vacht bedekt den romp, verlengt zich echter op den achterkop tot een breede kuif, langs den rug tot een matig hoogen kam, aan de kin tot een staartvormig naar beneden gerichten baard en aan de onderzijde van den hals tot manen, die den geheelen kossem bedekken en breed neergolven. Een meer of minder naar vaal zweemend lichtbruin is de algemeene kleur van de vacht; deze gaat aan de zijden van den kop en aan den baard in zwartbruin, op de onderste gedeelten der pooten in donkerbruin, aan den staartkwast in zwart en op den haarbos, die over de kruin naar beneden hangt, in licht vaalbruin over. De Wisent-koe is aanmerkelijk kleiner en sierlijker gebouwd dan de stier; hare hoornen zijn zwakker, hare manen veel minder ontwikkeld dan bij het mannetje; wat kleur betreft komen beide echter overeen.

In den zomer en in den herfst leeft de Wisent op vochtige plaatsen van het woud, gewoonlijk in de dichtbegroeide gedeelten verborgen; in den winter geeft hij de voorkeur aan hooger gelegen, droogere oorden. Zeer oude stieren leven eenzaam, jongere gedurende den zomer in troepen van 15 à 20 stuks, gedurende den winter in kleine kudden van 30 à 50 stuks. Iedere kudde afzonderlijk heeft haar vaste standplaats en keert altijd weder daarheen terug.

De Wisents zijn zoowel over dag als ’s nachts in beweging; zij grazen echter het liefst in de avond- en morgenuren, soms ook ’s nachts. Allerlei soorten van grassen, bladen, knoppen en boomschors maken hun voedsel uit; zij schillen de boomen af, zoover zij reiken kunnen, en trekken jonge, buigzame stammen naar beneden om de kroon te bereiken, die zij dan meestal geheel vernielen. Naar het schijnt, is de esch hun lievelingsboom en geven zij aan diens saprijke schors de voorkeur boven iedere andere; naaldboomen daarentegen laten zij onaangeroerd. In den winter leven zij bijna uitsluitend van de schors, de twijgen en de knoppen der voor hen toegankelijke breedgebladerde boomen, bovendien waarschijnlijk ook van korstmossen en droge grassen. Het hooi, dat men op de weiden van het woud van Bialowitsch inoogst, wordt voor hen op hoopen gebracht; van ander hooi maken zij zich met geweld meester, nadat zij de omheiningen omvergeworpen hebben. Versch water is voor hen een behoefte.

Hoewel de bewegingen van den Wisent onbehouwen en plomp schijnen, blijkt het echter bij nadere beschouwing, dat zij vlug genoemd mogen worden. Zijn gewone gang is een snelle draf; bij het vluchten vervalt hij in een loggen galop, waardoor hij schielijk vooruitkomt; de kop is daarbij naar den grond gebogen, de staart opgeheven en uitgestrekt. Door moerassen en plassen waden zij met gemak. Onder hunne zintuigen neemt dat van den reuk een eerste plaats in; het gezicht en het gehoor zijn minder, de smaak en het gevoel middelmatig ontwikkeld. Hun aard verandert, naarmate zij ouder worden. De jonge dieren zijn vlug, levendig en speelsch; ook zijn zij betrekkelijk goedaardig: niet zachtmoedig en vreedzaam, maar ook niet boosaardig; de oudere daarentegen, vooral de oude stieren, zijn ernstig, bijna knorrig van aard; zij worden gemakkelijk tot toorn geprikkeld, zijn zeer oploopend en afkeerig van alle beuzelingen. Wel is waar laten ook zij over ’t algemeen de menschen, die hen niet hinderen willen, rustig voorbijgaan; de geringste oorzaak kan echter hun toorn gaande maken, en dan zijn zij wel geschikt om vrees in te boezemen. In den zomer ontwijken zij den mensch bijna altijd; in den winter gaan zij gewoonlijk voor niemand uit den weg; het is meermalen voorgekomen, dat boeren lang wachten moesten, voordat het een Wisent voegde, het door hem afgesloten voetpad te verlaten, waarop het niet mogelijk was uit te wijken. Woestheid, halsstarrigheid en oploopendheid zijn ook bij deze Wilde Runderen kenmerkende eigenschappen. De jonge dieren zijn altijd schuwer en vreesachtiger dan de oude stieren; vooral die, welke een kluizenaarsleven leiden, kunnen een ware plaag voor de omgeving worden. Naar het schijnt, scheppen zij er vermaak in, met den mensch twist te zoeken.

De bronsttijd, die gewoonlijk in Augustus, dikwijls ook eerst in September valt, duurt 2 à 3 weken. Dan vechten de stieren met elkander, aanvankelijk misschien alleen spelenderwijs, later echter is de strijd ernstig gemeend, ten slotte vliegen zij als razenden op elkander af; de ontmoeting gaat gepaard met een zoo hevigen schok, dat men zou kunnen verwachten, beide dieren te zien neerstorten. Negen maanden na de paring kalft de koe, gewoonlijk in Mei of in het begin van Juni. Vooraf heeft zij zich van de kudde afgescheiden en in het dichtst van het woud in een eenzame, vredige omgeving een geschikte plaats opgezocht. Hier verbergt zij zich en haar kalf gedurende de eerste dagen; zoodra echter het jong gevaar loopt, springt zij met buitengewonen moed voor zijn veiligheid in de bres. In zijn eerste jeugd gaat het kalf ingeval van nood plat op den grond liggen, zet de ooren op en wendt ze om, opent de neusgaten en de oogen en kijkt angstig naar den vijand, terwijl zijn moeder zich gereed maakt om dezen te gemoet te gaan. In deze omstandigheden is het voor menschen en dieren gevaarlijk een Wisent-koe te naderen: zonder zich te bedenken valt zij haar tegenpartij aan. De kalveren zijn aardige bevallige dieren, hoewel zij in hun jeugd reeds laten zien, wat zij op lateren leeftijd zullen worden. Zij groeien zeer langzaam en hebben waarschijnlijk eerst in hun achtste of negende jaar hun volle grootte bereikt. De ouderdom, dien de Wisents hoogstens bereiken kunnen, wordt op 30 à 50 jaren geschat. De koeien sterven gewoonlijk 10 jaren vroeger dan de stieren; maar ook deze worden op hoogen leeftijd in den regel blind of verliezen hunne tanden en zijn dan niet meer in staat om zich behoorlijk te voeden; o.a. kunnen zij dan de jonge twijgen niet meer afbijten; zij verliezen spoedig hunne krachten en bezwijken eindelijk.

Tegen hunne vijanden weten deze kolossale dieren zich uitmuntend te verdedigen. Beren en Wolven kunnen voor de kalveren gevaarlijk worden; dit zal echter alleen dan het geval zijn, als de moeder door het eene of andere toeval om ’t leven gekomen en haar jong dus onbeschermd achtergebleven is. In den tijd van het vroegere Hongaarsche koningschap nam de Wisent-jacht onder de toenmaals gebruikelijke jachtbedrijven de meest bevoorrechte plaats in; zij werd daarom aan den koning, aan het hoofd van de regeering, overgelaten.

In het woud van Bialowitsch verschenen de heerschers uit vroegere eeuwen met een talrijke schare van volgelingen, namen alle beambten van het woud in beslag, dwongen de boeren uit den omtrek om als drijvers dienst te doen en brachten op deze wijze een uit 2000 of 3000 menschen bestaand jachtgezelschap in beweging, die de Wisents drijven moesten naar de plaatsen, waar de jagers op veilige verhevenheden post gevat hadden. Op een der schitterendste jachtpartijen, die Koning August III in het jaar 1752 gaf, werden 42 Wisents, 13 Elanden en 2 Reeën gedood. Alleen door de koningin werden 20 Wisents neergeschoten, zonder dat zij een enkele maal miste. Op 18 en 19 October 1860 ging de Keizer van Rusland daar ter jacht. De Keizer zelf schoot 6 Wisent-stieren en één kalf, 2 Elanden, 6 Damherten, 3 Reeën, 4 Wolven, 1 Das, 1 Vos en 1 Haas. De Groothertog van Weimar en de Prinsen Karel en Albrecht van Pruisen doodden bij deze gelegenheid 8 Wisents.

Over de vangst van deze dieren geeft Dimitri Dolmatoff, opzichter van de keizerlijke wouden in de provincie Grodno, de volgende berichten. De Keizer van Rusland had aan Koningin Victoria twee levende Wisents voor den Londenschen dierentuin beloofd, en daarom bevel gegeven eenige exemplaren te vangen. Met het aanbreken van den dag kwamen 300 drijvers en 80 jagers bijeen, en omsingelden een vooraf opgespoorde kudde; de geweren waren alleen met kruit geladen. De kalveren sprongen wakker rond, waarbij zij het zand met hunne stevige pooten hoog opwierpen, keerden nu en dan naar hunne moeders terug, schuurden zich tegen haar aan, likten haar, en huppelden daarna even vroolijk weer heen. Door een hoornsignaal kwam er plotseling een einde aan dit stilleven. Vol schrik sprong de kudde op, en scheen door het gehoor en het gezicht den vijand te willen verkennen. Vreesachtig vleiden de kalveren zich tegen hunne moeders aan. Toen het geblaf der Honden weerklonk, rangschikte de kudde zich zoo schielijk mogelijk op de gewone wijze. De kalveren werden vooraan geplaatst; alle oudere dieren vormden de achterhoede, en beschermden op deze wijze de jongen voor den aanval der Honden. Woedend braken de oude Wisents door de linie van de drijvers heen, en holden voort, zonder zich veel te bekommeren om de menschen, om hun geschreeuw en hunne schoten. Toch had men het geluk reeds nu twee jongen te vangen. Vier andere kalveren, een mannetje en drie wijfjes, werden later buitgemaakt. Alle, met uitzondering van één, dat wat ouder was, slurpten eerst de melk uit de hand van een man, en dronken haar vervolgens gretig uit een emmer. Na verloop van korten tijd werden hunne aanvankelijk woeste blikken zachter; zij legden hun schuwheid af, en toonden zich opgeruimd en speelsch. De jonge Wisent-stier, die 15 maanden oud was, behield langen tijd zijn woesten, dreigenden blik, werd toornig, zoodra iemand hem naderde, schudde met den kop, likte met de tong en toonde zijne hoorns; na verloop van 2 maanden was ook dit dier tamelijk tam; het openbaarde zelfs eenige gehechtheid aan den man, die het tot dusver gevoederd had.

Ik heb verscheidene Wisents in verschillende diergaarden nagegaan en berichten over hen ingewonnen. In aard komen zij alle overeen. Hoe minzaam zij ook zijn gedurende hun jeugd, naarmate zij ouder worden, openbaart zich hun razende wildheid hoe langer hoe meer; niet eens de oppassers kunnen hen dan vertrouwen. Koppig en ongehoorzaam blijven zij altijd, hoewel zij langzamerhand tot op zekere hoogte vriendelijk met hunne bekenden leeren omgaan. Door iedere verandering in hun omgeving en hunne gewoonten maakt hun aangename stemming onmiddellijk plaats voor den tegenovergestelden gemoedstoestand. Zeker is het althans, dat de Wisents in een afgesloten ruimte, ook wanneer zij dagelijks met menschen in aanraking komen, in den regel niet tammer worden dan in de vrije natuur. De Wisents, die men tusschen Laplaken en Leuküschken in Pruisen verzorgde en voederde, wel verre van ooit een mensch aan te vallen, werden ten slotte zoo driest, dat zij de menschen naliepen en bij hen om voedsel bedelden; zij waren er aan gewoon geraakt, van de voorbijgangers bijna altijd iets te krijgen. Naar men zegt, worden ook zij door de roode kleur tot toorn geprikkeld: een persoon, wiens kleeding schelle kleuren vertoont, loopt dus gevaar door hen lastig gevallen te worden.

Verscheidene natuuronderzoekers hebben de stelling verdedigd, dat de Wisent eenig aandeel heeft gehad in het ontstaan van enkele rassen van ons Rund; uit latere ervaringen schijnt echter het tegendeel te blijken. De Wisent en het Tamme Rund hebben een grooten afkeer van elkander; zelfs wanneer men, zooals in het woud van Bialowitsch geschied is, jong opgevangen Wisent-kalveren altijd met Tamme Runderen laat verkeeren, komt er in deze verhouding in den regel geen verandering.

Bison (Bos americanus). 1/27 v. d. ware grootte.
Bison (Bos americanus). 1/27 v. d. ware grootte.

Bison (Bos americanus). 1/27 v. d. ware grootte.

Van de schadelijkheid of van het nut van den Wisent kan in den tegenwoordigen tijd ter nauwernood sprake zijn. In het woud van Bialowitsch komen de vernielingen, die dit dier bij ’t zoeken van voedsel of uit overmoed aanricht, niet in aanmerking; zijn nut is echter evenmin van beteekenis. Naar men zegt, houdt de smaak van ’t vleesch ongeveer het midden tusschen dat van het Rund en dat van het Hert; vooral het vleesch van de wijfjes en jongen wordt geroemd. De Polen beschouwden eertijds het gezouten Wisent-vleesch als een lekkernij en zonden het als geschenk aan vorstelijke hoven. Van het vel wordt sterk en duurzaam, maar los en sponsachtig leder bereid; men gebruikt het tegenwoordig hoogstens om er riemen of strengen van te snijden. Van de hoornen en hoeven worden allerlei voorwerpen vervaardigd, waaraan een zekere beveiligende kracht wordt toegeschreven. Van de fraaie, stevige hoornen maakten onze voorvaders hoofdzakelijk drinkbekers; de bewoners van den Kaukasus gebruiken ze thans nog in plaats van drinkglazen. Bij een gastmaal dat een Kaukasisch vorst ter eere van Generaal Rozen gaf, werden 50 à 70 met zilver gemonteerde Wisent-hoornen als drinkbekers gebruikt.

Het lot, dat den Wisent in den loop der eeuwen ten deel gevallen is, heeft zijn eenigen verwant den Bison, in ongeloofelijk korten tijd, men zou zelfs kunnen zeggen in een tijdsverloop van een tiental jaren, getroffen. Vóór nog geen menschenleeftijd doorkruisten millioenen van deze kolossale dieren verbazend uitgestrekte landstreken van Noord-Amerika;—tegenwoordig zwerven daar nog slechts honderden Bisons rond. In de geschiedenis komt geen tweede voorbeeld voor en zal er ook geen meer voorkomen van een verdelgingsoorlog zooals die, welke tegen deze onschadelijke en zelfs nuttige dieren is gevoerd. Zonder eenige, zelfs niet de geringste, wettelijke bescherming te ontvangen, werden zij ter wille van een gering voordeel op groote schaal neergeschoten, meedoogenloos bij massas verdelgd. Van het bestaan der eertijds tallooze kudden van Noord-Amerikaansche “Buffels” leggen thans nog de gebleekte beenderen, die over uitgestrekte woestenijen verstrooid liggen, getuigenis af. Het aantal der overgeblevene bedroeg, volgens de nauwkeurige onderzoekingen van William T. Hornaday, den 1en Januari 1889 in ’t geheel nog slechts 835 stuks, waaronder begrepen zijn de 200 exemplaren, die in het Yellowstone-Park, onder de bescherming van de regeering leven. En deze uitroeiing van de Bisons is een voldongen feit geworden sinds een vijfentwintigtal jaren, terwijl de spoorwegen die het “verre westen” doorsnijden, voltooid werden. Meer dan vijftigduizend Indianen, die, evenals hunne veel talrijkere voorouders, geheel of grootendeels van de “Buffeljacht” leefden, zijn nu aan ontberingen en hongersnood blootgesteld, wanneer de regeering der Vereenigde Staten hen niet te rechter tijd met levensmiddelen voorziet.

Toen de eerste Europeanen zich in Noord-Amerika vestigden, begon het verbreidingsgebied van den Bison bijna aan de kust van den Atlantischen Oceaan en strekte zich westwaarts tot aan de grenzen van Nevada en Oregon, zuidwaarts tot aan den 25en en naar het noordwesten ongeveer tot aan den 65en graad N.B. uit; het omvatte zoowel wouden als prairiën.

Indien de jacht op een eenigszins verstandige wijze was beoefend en te rechter tijd door goede wettelijke bepalingen beperkt was geworden zou men van het ontzaglijk aantal Bisons jaarlijks zonder bezwaar een half millioen jonge stieren hebben kunnen schieten, die ongeveer 6 millioen gulden opgebracht zouden hebben, indien men van deze dieren behoorlijk partij had kunnen trekken. Hierdoor zou de talrijkheid der kudden niet merkbaar verminderd zijn;—thans kost het veel moeite om de weinige honderden, die aan de groote slachting tot dusver ontsnapt zijn, te behouden.

De nu volgende beschrijvingen hebben derhalve betrekking op de levenswijze van dieren, die nog voor een kwart eeuw in groote kudden de wildernissen van Noord-Amerika verlevendigden, maar sedert dien tijd zoo goed als verdwenen zijn.

De Bison, de Buffalo der Amerikanen (Bos americanus), is onder de Noord-Amerikaansche dieren hetzelfde, wat de Wisent in Europa is: het reusachtigste van alle daar inheemsche, op het land levende Zoogdieren. De stier is 2.7 à 3 M. lang, buiten den staart, die zonder de haren 50, met deze 65 cM. lang is; de hoogte van de schoft bedraagt 1.7 à 1.9, die van ’t kruis 1.4 à 1.6 M.; het gewicht wisselt van 600 tot 1000 KG. af. De koeien zijn altijd aanmerkelijk lichter dan de stieren. Het verschil tusschen den Wisent en den Bison is grooter dan dat, hetwelk tusschen andere, even na verwante Runderen bestaat. De kop van den Bison is zeer groot, naar verhouding veel grooter, plomper en zwaarder dan die van den Wisent; ook is het voorhoofd veel breeder, de rug van den neus meer gewelfd, het oor langer. Het oog is tamelijk groot en flauw van uitdrukking; het heeft een zeer donker, bruin regenboogvlies; het wit van het oog is dof en glansloos. De korte, hooge en smalle hals rijst, te beginnen bij den kop, steil omhoog tot aan de wanstaltig uitpuilende schouderstreek; van hier tot den wortel van den korten, dikken staart, helt de ruglijn sterk af, terwijl tevens de van voren zeer breede romp, naar achteren veel smaller wordt. De pooten zijn betrekkelijk kort en zeer slank, de hoeven en de bijhoeven klein en rond. De grootte van den kop, de buitengewoon sterke ontwikkeling van de borst, die wegens de geringe breedte van het achterste gedeelte van den romp sterk in het oog loopt, de kortheid van den dikken staart en de slankheid van de pooten, moeten derhalve als kenmerkende eigenaardigheden van deze diersoort beschouwd worden. De hoornen, die aanmerkelijk forscher, aan den wortel dikker, aan de spits stomper en op een eenvoudiger wijze gebogen zijn, dan die van den Wisent, krommen zich naar achteren, naar buiten en naar boven, zonder dat de spitsen merkbaar nader bij elkander komen. Het haarkleed gelijkt op dat van den Wisent. De kop, de hals, de schouders en de staartspits, benevens het voorste deel van den romp, van den bovenarm en van het bovenbeen zijn lang behaard; de haren van de schouders vormen manen, die van de kin en van de onderzijde van den hals een baard; aan het voorhoofd en den achterkop is de vacht kroes, op vilt gelijkend; alle overige lichaamsdeelen zijn met een kort en dicht haarkleed bedekt. In den winter verlengt het haar zich sterk; in het begin van de lente valt het winterhaar bij groote vlokken uit. Met dit verschijnsel gaat een verandering van de kleur van het haarkleed gepaard. Eigenlijk is het zeer gelijkmatig grijsbruin, het donkerst, n.l. zwartbruin, zijn de manen, dus het voorste deel van den kop, het voorhoofd, de hals en de kossem. Het haar, dat uitvallen zal, is verbleekt en heeft een grijsachtig geelbruine kleur aangenomen. De hoornen en de hoeven en ook de onbehaarde punt van den neus (de neusspiegel) zijn glanzig zwart. Soms komen grijze, witte en wit gevlekte exemplaren voor.

In tegenstelling met den Wisent, die een echte woudbewoner is, moet de Bison—althans na de beperking, die zijn verbreidingsgebied ondergaan heeft—beschouwd worden als een karakteristieke bewoner van de verbazend uitgestrekte steppen, die door de Amerikanen “prairiën” worden genoemd. Hier leefde hij gezellig, maar toch steeds in een tamelijk los verband met zijn soortgenooten. Elke kudde Buffels splitst zich in een groot aantal kleinere troepen. Hoewel een vlakte, waar malsch gras groeit, van verre gezien, letterlijk met Buffels bedekt schijnt, bemerkt men, naderbij gekomen, toch spoedig, dat deze menigte uit afzonderlijke kudden van verschillenden omvang bestaat; iedere kudde, hoewel zij slechts weinige honderden schreden van de naastbijzijnde verwijderd is, heeft een afzonderlijken aanvoerder en beweegt zich onafhankelijk van de overige.

Ieder jaar trokken de Bisons op meer of minder geregelde tijden naar andere gewesten, van Canada naar de kustlanden van den Mexicaanschen zeeboezem en van den Missouri naar het Rotsgebergte. In Juli begonnen zij een reis naar ’t Zuiden, in ’t begin van de lente keerden zij naar ’t noorden terug, steeds in kleine troepen of kudden verdeeld. De voorttrekkende kudden waren ook dan nog kenbaar, als men de Buffels zelf niet kon waarnemen; daar zij in de lucht steeds gevolgd werden door Gieren, Arenden en Raven, evenals op den bodem door bende magere Wolven; de viervoetige zoowel als de gevleugelde roovers konden stellig op buit rekenen. In gewesten, die door de Buffels als woonplaats waren gekozen, trokken zij met groote regelmatigheid heen en weer, namelijk van de goede weidegronden naar de rivieren; deze bezochten zij om te drinken of om zich door een bad te verfrisschen; door hunne reizen ontstonden de wegen, die onder den naam van “buffelpaden” bekend zijn bij allen, die in de prairiën reisden. De buffelpaden zijn meestal lijnrecht, bij honderden naast elkander gelegen; zij kruisen de waterstroomen daar, waar de oevers een gemakkelijke gelegenheid aanbieden om in en uit het water te komen. Zij gelijken volkomen op de paden, die door onze Tamme Runderen uitgeloopen en regelmatig begaan worden, overal waar zij in grooten getale en naar vrije verkiezing in wouden en op weiden grazen.

Möllhausen zag in het jaar 1851 op de prairiën ten westen van den Missouri honderdduizenden Bisons; Fröbel trok in het jaar 1858 met een wagenkaravaan van Missouri naar Mexico en reisde 8 dagen lang onophoudelijk tusschen kudden Buffels. “Bij benden, bij troepen, bij massas, bij legers,” schrijft Hepworth Dixon, “galoppeeren de zwarte, ruige dieren met donderend geraas voor ons uit, nu eens van ’t noorden naar ’t zuiden, dan weer van ’t zuiden naar ’t noorden; gedurende 40 opeenvolgende uren hebben wij ze voortdurend in zicht gehad, duizenden bij duizenden, tienduizenden bij tienduizenden, een ontelbare massa ongetemde dieren, welker vleesch, naar men zou kunnen meenen, voldoende is om de wigwams van de Indianen tot in alle eeuwigheid met voedsel te voorzien.”

Baron Max von Thielmann, die in 1875 zijne jachttochten in het verre westen ondernam, geeft reeds geheel andere berichten. “Tot de uitroeiing van de Bisons,” zegt hij, “hebben de drie spoorwegen, die de prairie tusschen de Missouri en het Rotsgebergte doorsnijden, het meest bijgedragen. Hoewel nog omstreeks 1870 tusschen de Union-Pacific- en de Kansas-Pacific-spoorweg met een zeker uitzicht op een goeden buit jachttochten ondernomen konden worden,—hoewel de Athison-Topeka-Santa-Fè-spoorweg in de eerste jaren van zijn bestaan omstreeks 200.000 huiden naar het oosten verzond, is thans reeds in het door deze drie spoorlijnen begrensde gebied en in een landstreek van verscheidene dagmarschen breedte ten noorden en ten zuiden van de beide uiterste dezer wegen de Buffel geen standvastige bewoner meer van het land. Waarschijnlijk zullen slechts enkele kudden op haar reis naar ’t noorden in de lente en naar ’t zuiden in den herfst ook thans nog de spoorlijnen kruisen.”

In de maanden Augustus en September valt de paartijd in; de kudden geraken dan in hevige beweging, trekken in een bepaalde ruimte samen en vormen een door elkander wemelende massa. De stieren drijven de koeien bijeen, ontmoeten en bevechten elkander, totdat zij door andere dieren weggedrongen worden. De koe werpt meestal tusschen Maart en Juli, maar dikwijls eerst in Augustus, in den regel één jong; tweelingen zijn echter niet zeldzaam. Daar waar zulks mogelijk is, begeven de koeien zich vooraf naar een veilige plaats; hier blijven zij met hunne jongen, totdat deze sterk genoeg zijn om zich bij de kudde te voegen. Zoodra dit geschied is, treden de stieren als beschermers van de kalveren op, hoewel deze gewoon zijn voortdurend hun moeder te volgen, totdat zij door nieuwe nakomelingen uit haar gunst verdrongen worden.

Hoewel de Bison er plomp uitziet, beweegt hij zich toch tamelijk gemakkelijk; zijne korte pooten verhinderen hem niet, om snel groote afstanden te doorloopen. Zijne bewegingen zijn op een eigenaardige wijze kort afgebroken; als hij zijn gang versnelt, beschrijft hij zonderlinge golflijnen, ontstaande, doordat hij afwisselend het voorste en het achterste deel van den romp omhoogwerpt. Bij het zwemmen toont hij dezelfde kracht en volharding als bij zijne overige bewegingen; zonder eenige aarzeling begeeft hij zich te water, en zwemt breede stroomen over. Zijn stem is een dof gebrom, veeleer een diep uit de borst komend geknor dan een gebrul. Als duizenden tegelijk zich laten hooren, vereenigen hunne stemmen zich tot een gedreun, dat met het rollen van den donder vergeleken wordt.

De reuk en het gehoor zijn de volkomenste van zijne zinnen. Ten aanzien van zijne geestvermogens verschilt hij niet van zijne verwanten. Hij is weinig begaafd, goedaardig en vreesachtig, onvatbaar voor snelle aandoeningen. Niet zelden echter zal hij, getergd zijnde, alle voorzorgsmaatregelen, die hij anders gewoon is te nemen, verzuimen, en moedig op zijn vijand los gaan. Gemakkelijker dan aan de in ’t wild levende, merkt men aan gevangen Bisons op, dat hun geest voor ontwikkeling vatbaar is. Ook de wilde individuën laten blijken, dat zij nuttige en schadelijke werkingen kunnen onderscheiden. Zij zijn volstrekt niet ongeschikt om getemd te worden maar komen integendeel met den mensch, die er slag van heeft met hen om te gaan, in een bijna vriendschappelijke verhouding; zij leeren althans hun oppasser kennen, en tot op zekere hoogte liefhebben; het duurt echter lang, voordat zij hun aangeboren schuwheid verliezen en hun vroegere gedragslijn veranderen.

Gedurende den zomer biedt het onooglijke, maar saprijke gras der prairiën aan de grazende Bisons een geschikt voedsel; in den winter moeten zij minder goeden kost voor lief nemen, en zich tevreden stellen met spitsen van twijgen en verdorde bladen, met droog gras, korstmossen en mossen.

Vele en ernstige gevaren bedreigen het leven van den Bison. De winter, die op de prairie meestal streng is, vernietigt honderden dieren van zijn soort, na hen eerst afgemat en krachteloos te hebben gemaakt. Nog plotselinger wordt in den winter aan ’t leven van tal van Bisons een einde gemaakt, als zij een ijslaag over de rivieren meer vertrouwen, dan zij hadden moeten doen. De gewoonte om in reeksen achter en naast elkander te loopen, strekt hun dan dikwijls ten verderve; onder de ontzaglijke zwaarte van eene kudde Bisons breekt de ijskorst: de dieren storten in ’t water, doen te vergeefs moeite om er uit te komen, worden in hunne pogingen om zich te redden gehinderd door de honderden, die hen volgen, en komen op ellendige wijze om ’t leven. Op soortgelijke wijze komen vele Bisons om, als zij in den zomer een rivier overtrekken en op een plaats landen willen, waar drijfzand of taai slijk hun het beklimmen van den oever moeielijk maakt.

Levende vijanden hebben de Bisons minstens evenveel, als eenig ander lid van hun geslacht. Naar men zegt, ziet de Grisli-beer zelfs tegen den strijd met den weerbaren stier niet op, en is de Wolf althans voor jonge Buffels gevaarlijk. Hun ergste vijand is en blijft echter de mensch, vooral de Europeaan, wiens jacht in deze streken reeds in de jaren na 1820 en 1830 een bedenkelijken omvang had aangenomen. “In vroegere tijden,” schrijft Möllhausen, “toen de Buffel tot op zekere hoogte als een huisdier van de Indianen beschouwd kon worden, was er geen vermindering van de onafzienbare kudden merkbaar; integendeel zij voeren wel en vermenigvuldigden zich op de weelderige weiden. Toen kwamen de blanken in deze gewesten. De rijk behaarde, groote vellen stonden hen aan, het vette buffelvleesch was naar hun smaak en van beide verwachtten zij een ruime winst. In de eerste plaats werd de begeerte naar de schitterende of bedwelmende koopwaren der blanken opgewekt bij de bewoners der steppen, welke waren hun daarna in de geringst mogelijke hoeveelheid in ruil voor hun jachtbuit werden aangeboden; daarna nam de slachting een aanvang. Duizenden van Buffels werden om hun tong, vaker nog ter wille van hun ruige vacht gedood; reeds na weinige jaren kon men een in ’t oog vallende vermindering van het aantal dezer dieren opmerken. De zorgelooze Indiaan denkt niet aan de toekomst; hij leeft slechts voor het heden en zijne genietingen. Hij heeft geen aansporing meer noodig: hij zal de jacht op de Buffels voortzetten, tot hij aan het laatste exemplaar de huid heeft afgestroopt. Zonder twijfel is de tijd aanstaande, waarin van deze ontzaglijke kudden niets anders dan de herinnering over zal zijn, de tijd, waarin 300.000 Indianen, van hun levensonderhoud beroofd, door den honger gedreven, met millioenen van Wolven een plaag zullen worden voor de bewoners der naburige, beschaafde gewesten, die dan tegen hen een verdelgingskrijg zullen moeten voeren.”

Het gedroogde vleesch, dat, fijngemaakt en innig met vet gemengd, onder den naam “pemmican” bekend is—en waaraan voor de deelnemers aan expedities in de poolgewesten ook wel rozijnen worden toegevoegd—, heeft den naam van smakelijk en zeer voedzaam te zijn; de tong wordt als een lekkernij beschouwd. Het vleesch van de koeien is nog vetter dan dat van de stieren, dat van de kalveren is buitengewoon malsch. Van het vel vervaardigden de Indianen warme kleedingstukken, tentkleeden en bedden, zadels, gordels enz.; ook bedekten zij soms het geraamte van hunne booten er mede. Van de beenderen maakten zij zadelgestellen en messen voor het ontharen der huiden; van de pezen vlochten zij koorden voor hunne bogen en naaigaren; de banden en beenderen van den voet werden in water gekookt voor de lijmbereiding, van de lange haren van den hals en den kop werd touw gedraaid; de staart diende als vliegenverdrijver, de drek als brandstof. Ook bij de Europeanen waren de vellen van de Bisons zeer gezocht. Het hiervan bereide leder is uitmuntend, hoewel een weinig sponsachtig; de behaarde huid kan voor allerlei kleeden gebruikt worden. Vellen zonder gebreken, die een dertigtal jaren geleden 18 à 30 gulden kostten, brengen thans een drie- of viermaal hoogeren prijs op, maar zullen weldra in ’t geheel niet meer in den handel voorkomen. Elk dier levert 3 à 4 KG. wol, die voor ’t zelfde doel als schapenwol kan dienen, en in sommige streken voor het vervaardigen van warme en zeer duurzame stoffen gebruikt werd.

Eerst sedert eenige tientallen van jaren ziet men Bisons in onze diergaarden. Een Engelsche Lord had, naar men mij te Londen verhaalde, eenige paren uit Amerika ingevoerd en op zijne bezittingen in Schotland hiervan een kudde van 15 à 20 stuks gefokt; na zijn dood werden de Bisons echter verkocht. Wanneer deze dieren goed verzorgd worden, planten zij zich geregeld voort; de kalveren, die in gevangenschap geboren zijn, worden door hunne moeders krachtdadig beschermd tegen al wat hen zou kunnen hinderen; zij ontwikkelen zich even goed als de nakomelingen van onze Tamme Runderen. Dit heeft echter niet kunnen beletten, dat ook de Bisons in onze diergaarden thans op weg zijn om uit te sterven.

*

Vele dierkundigen, vereenigen, in navolging van Hodgson, Rütimeijer en Wilckens, eenige Aziatische vormen van Runderen—welker getemde afstammelingen, behalve in Azië, ook in Afrika voorkomen, en vermoedelijk zelfs medegewerkt hebben tot het ontstaan van sommige Europeesche Rundvee-rassen—tot een ondergeslacht, dat Bibos wordt genoemd, omdat het een overgang vormt van de soorten, die men onder den naam Bison (Wisent) samenvat, tot die welke de groep Bos (het Rund in de meest beperkte beteekenis van het woord) of Taurus uitmaken. Het best kan men de leden van het ondergeslacht Bibos Wisent-Runderen noemen, een nagenoeg letterlijke vertaling van hun naam. Deze naderen door hun schedelvorm en door het bezit van een vetbult op den rug tusschen de beide schouderbladen tot de Bisons. De voorhoofdsbeenderen zijn van achteren sterk verbreed, de voorhoofdsstreek in dwarse richting dus zeer uitgebreid en bovendien vlak. De hoornen zijn meer of minder afgeplat of cilindervormig, ver naar achteren op de grens tusschen voorhoofd en achterhoofd aangehecht, gedurende de jeugd naar achteren, op latere leeftijd zijwaarts gericht. Behalve de drie Aziatische Wilde Runderen, waarvan de beschrijving nu zal volgen, worden gewoonlijk ook de Zeboe-rassen van Azië en de hiermede nauw verwante bultige of niet-bultige Afrikaansche Tamme Runderen tot de groep der Wisent-Runderen gerekend, dikwijls trouwens ook de reeds vroeger behandelde Yak.

De Gayal (Bos frontalis) bereikt een totale lengte van 3.6 M., waarbij 60 cM. voor den staart, en een schouderhoogte van 1.5 à 1.6 M. Hij onderscheidt zich vooral door de buitengewone breedte van het vlakke voorhoofd. De zeer dikke, kegelvormige hoornen wenden zich met een flauwe bocht zijwaarts, achterwaarts en voorwaarts. De rug van den neus is zeer kort en breed. De pooten zijn kort en goed gevormd. Dit dier heeft een buitengewoon edel voorkomen; zijne lichaamsdeelen staan tot elkander in de schoonste harmonie. Het is gedrongen en forsch gebouwd, hoewel geen enkel deel er plomp uitziet. Vooral de stier maakt in hooge mate den indruk van kracht en schoonheid. Een kussenvormige verhevenheid bedekt den geheelen hals, de schouders en den rug. Het geheele lichaam is gelijkmatig begroeid met een kort, dicht, glad en glanzig haarkleed; aan de onderzijde van den hals is het haar slechts weinig verlengd; het vormt echter een dichte kwast aan het onderste vierde gedeelte van den staart en lokken aan den handwortel. De donkerzwarte kleur heeft de overhand; de voorhoofdsharen zijn grijs- of vaalbruin, de haarlokken aan de voorpooten fraai sepia-bruin, de kin, de mondhoeken en een smalle rand van de bovenlip wit.—De bergachtige gewesten ten oosten van den Brahmapoetra worden als het vaderland van den Gayal beschouwd. Daar hij een bergdier is, zijn levendigheid en behendigheid hem in hooge mate eigen; bij ’t klimmen toont hij bijna dezelfde zekerheid van beweging als de Yak. Steeds tot kudden vereenigd, gaan de Gayals des morgens, des avonds en in heldere nachten voedsel zoeken. Om zich tegen de drukkende middaghitte te beveiligen, zoeken zij een schuilplaats in ’t dichtst van het woud en rusten daar herkauwend in de schaduw. Zij houden veel van ’t water, maar niet van modder; zij vermijden daarom moerassen, en verfrisschen zich daarentegen gaarne in heldere bergstroomen. Naar men zegt, zijn zij zachtmoedig en onergdenkend van aard. Nooit waagt de Gayal het den mensch aan te vallen, maar gaat hem veeleer reeds van verre uit den weg; tegen Roofdieren verdedigt hij zich echter met moed; zelfs Tijgers en Panters worden door hem op de vlucht gedreven. Zijn scherp waarnemingsvermogen verschaft hem veiligheid; zijne behendigheid en vlugheid van beweging redden hem, wanneer hij voor vijanden vlucht.

De inboorlingen hebben den Gayal reeds sinds onheugelijke tijden tot huisdier gemaakt; zij fokken deze soort zuiver of kruisen haar met hunne Tamme Rundvee-rassen. De melk van den Gayal wordt wegens haar gehalte, zijn vleesch wegens den smaak zeer geroemd.

De Gaur of het Dsjungel-rund (Bos gaurus) is ongetwijfeld zeer na verwant aan den Gayal, van wien hij echter steeds verschilt door eenige bij uitwendig onderzoek of bij ontleding waarneembare eigenaardigheden; o. a. heeft hij een paar ribben minder.

Volgens Sir Walter Elliot, die een door hem gedooden Gaur beschreef, onderscheidt hij zich zeer van het gewone Indische Rund en nadert meer tot den Wisent en den Bison; de Engelsche jagers geven hem daarom gewoonlijk den laatstgemelden naam. De kop is korter dan bij het Gewone Rund; het voorhoofd zeer breed, de aangezichtslijn gewelfd, het oog en het oor kleiner dan bij den Buffel, de hals kort, dik en gedrongen, de romp krachtig, de borst breed. De hoornen zijn aan den wortel zeer dik, maar loopen puntig toe; zij zijn zijdelings aangehecht, en krommen zich naar achteren en naar boven. Het vel, dat aan de bovenzijde van den hals, op de schouders, aan den bovenarm en het bovenbeen een buitengewone dikte heeft, is met korte, dicht bijeen geplaatste haren bedekt, die zich aan de onderzijde van den hals en op de borst een weinig verlengen, tusschen de hoornen een kroeze kuif vormen. Een fraaie, donkerbruine kleur heeft de overhand; deze gaat aan de onderzijde in donker okergeel, aan de pooten in vuil wit, op het voorhoofd in licht grijsbruin, in de buurt van de oogen in grauwzwart over. Volgens de metingen van Elliot, bedraagt de totale lengte van een geheel volwassen stier van deze soort 3.8 M., de lengte van den staart 85 cM., de schouderhoogte 1.86 M.

Gaur (Bos gaurus). 1/21 v. d. ware grootte.
Gaur (Bos gaurus). 1/21 v. d. ware grootte.

Gaur (Bos gaurus). 1/21 v. d. ware grootte.

Het verbreidingsgebied van den Gaur is zeer uitgestrekt. Van de zuidspits van Indië tot aan den Himalaja, in oostelijke richting door Assam en Tsjittagong tot in Birma en het Maleische Schiereiland, vindt men den Gaur overal, waar boschrijk berg- of heuvelland, hoe steil dan ook, voorkomt. Dicht begroeide, verwarde wildernissen, met ondoordringbaar struikgewas gevulde wouden, opeenhoopingen van varens, bamboesbosschen en grasrijke, hoogstammige wouden, leveren hem de meest gewenschte schuilplaatsen; vooral houdt hij zich gaarne op in diepe, waterrijke ravijnen, op steile, met steengruis bezaaide hellingen en op ternauwernood toegankelijke toppen. Op sommige plaatsen bezoekt hij tijdelijk ook wel vlakkere streken, door het jonge, malsche gras tot deze afwijking van den regel verleid. Met opmerkelijke vaardigheid beweegt hij zich door de moeielijkst begaanbare oorden. De kolossale dieren rennen bijna zoo vlug als Herten bij een oneffene, steile helling naar boven, of ijlen met ratelend hoefgeklepper in flinken draf of snellen galop naar beneden in een ravijn.

Gewoonlijk laveit de Gaur alleen ’s nachts, het liefst op plaatsen waar jong gras groeit; daar hij dit, evenals de malsche bamboes-uitspruitsels, boven ieder ander voedsel verkiest. Als hij echter in de nabijheid van het bebouwde land leeft, onderneemt hij plundertochten naar de akkers; hij wordt dan soms zoo lastig en driest, dat het bijna niet mogelijk is hem van hier te verdrijven. Tegen den morgen van de weide teruggekeerd, verbergt hij zich te midden van het hoog opgeschoten gras, of in de met jonge bamboes begroeide wildernissen, om hier te rusten, te sluimeren en te herkauwen.

Om den Gaur te dooden maakt men gebruik van buksen van zeer groot kaliber, dezelfde als die, welke voor het dooden van ander groot wild gebruikt worden. Men maakt jacht op hem, door zijn spoor te volgen, totdat men hem onder schot heeft; dikwijls ook laat de jager een exemplaar naar zich toe drijven. Ervaren jagers maken in den regel geen jacht op de tot troepen of kudden vereenigde dieren, maar alleen op oude stieren, die een eenzaam leven leiden; na den Olifant zijn zij het kolossaalste wild, dat in deze gewesten voorkomt. De gevaarlijkheid van deze jacht is, volgens het eenstemmig oordeel van alle berichtgevers uit lateren tijd, dikwijls zeer overdreven voorgesteld hoewel allen erkennen, dat een gewonde en vervolgde stier in sommige gevallen een zeer lastige tegenstander kan zijn.

Voor het schoonste van alle bekende, thans nog in ’t wild levende Runderen houd ik den Banteng der Maleiers (Bos banteng), een dier, dat door de sierlijkheid van zijn lichaamsbouw met een Antilope kan wedijveren en zich bovendien door een aangename kleur onderscheidt. De hoornen zijn aan den wortel verdikt en met onregelmatige opzwellingen voorzien, voorbij het eerste derde gedeelte van hun lengte echter glad en tamelijk scherp aan de spits; zij bereiken een lengte van 40 à 50 cM. Eerst maken zij een vlakke bocht naar buiten en naar achteren, vervolgens naar boven en naar voren; de spitsen zijn echter naar boven en naar binnen gericht. Het overal even lange, dicht aanliggende haarkleed heeft een donker grijsbruine, aan de achterdeelen eenigszins naar rood zweemende kleur. Het meest in ’t oog loopende kenteeken van dit dier is de door zijn witte kleur en breedheid in ’t oog vallende “spiegel” (d. i. het achterste deel van de dijen en van den romp, waar het haar naar boven gericht is); wit zijn ook de onderste helft van de pooten en de buitenhoek van het oor.

Het verbreidingsgebied van den Banteng omvat Java, Borneo en het oostelijk gedeelte van Sumatra; ook op het vasteland is hij inheemsch, n.l. op het Maleische Schiereiland, in Tenasserim en Pegoe, waarschijnlijk ook in Birma. Het liefst vestigt hij zijn woonplaats in vochtige of veenachtige, kortom in waterrijke gedeelten van het woud; vlakke bergdalen met langzaam stroomende rivieren bevallen hem daarom beter dan alle overige boschstreken.

De jacht op den Banteng is wegens zijne wildheid en schuwheid zeer gevaarlijk en moeielijk. Hoewel ook hij bij ’t bespeuren van de nadering van den mensch in den regel vlucht, vreest hij den jager echter weinig, wanneer hij in de engte gedreven of gewond is; hij valt hen niet zelden aan en maakt dan een zeer behendig en doeltreffend gebruik van zijne spitse hoornen.

Volwassen Bantengs zijn ontembaar; hunne kalveren evenwel kunnen volslagen huisdieren worden; naar men zegt, is de aard van dit dier zachter en welwillender dan die van alle overige bekende Wilde Runderen.

*

Alle tot dusver beschreven Rundersoorten hebben waarschijnlijk geen (of zoo al, dan toch slechts in zeer geringe mate) deel genomen aan de vorming van onze Europeesche Tamme Runderen, daarentegen moeten zij, naar men meent, beschouwd worden als stamouders van de in Afrika en Azië levende rassen. Hoewel de sluier, die over den oorsprong van deze buitengewoon nuttige, sedert overouden tijd aan den mensch onderworpen wezens ligt uitgespreid, niet zoo dicht schijnt, als die, welke het ontstaan van andere huisdieren aan ons oog onttrekt, kon hij tot dusver voor gene evenmin als voor deze opgeheven worden. Vrij algemeen wordt tegenwoordig de onderstelling aangenomen, dat de Runderen, die in alle drie deelen van de Oude Wereld meer of minder gelijktijdig in den toestand van huisdieren overgingen, niet van één enkele, maar van verschillende stamsoorten afstammen; voor het bepalen van de bedoelde stamvormen zijn echter de scherpzinningste betoogen, gegrond op de vergelijking van de tot dusver gevonden schedels van uitgestorven Wilde Runderen, niet voldoende. Zooals uit de vorige beschrijving blijkt, worden ook thans nog verscheidene Wilde Runderen getemd en tot huisdieren gemaakt of althans tot veredeling van Tamme Rundvee-rassen gebruikt; de tijd waarin de mensch voor ’t eerst het Wilde Rund temde, of, wat waarschijnlijker is, van diens jong gevangen nakomelingen een kudde vormde, ligt echter aan gene zijde van het tijdperk der geschiedenis en der sage. In de alleroudste verhalen wordt melding gemaakt van kudden Tamme Runderen; op de oudste gedenkteekenen van de landen, die men als de bakermat van de beschaving en van een geordenden staat van zaken beschouwt, zijn zij afgebeeld; uit den slijkerigen bodem rondom de paalwoningen worden hunne overblijfselen blootgelegd. Niet ten onrechte wordt aan het laatstgenoemde feit een zeer gewichtige beteekenis toegekend; het meest nauwgezette onderzoek van deze reliquiën werpt echter, evenmin als de vergelijking van overoude afbeeldingen met de thans levende rassen van Runderen, een helder licht over het geheim van hun oorsprong; dit nog altijd in meer dan een opzicht duistere vraagstuk wordt er geenszins door ontraadseld.

De nauwkeurig geteekende afbeeldingen van dieren, die wij aan de oude Egyptenaren te danken hebben, toonen ons duidelijk drie verschillende Rundvee-rassen: vooreerst, een langhoornig slag, het meest verbreide ras, waaraan de hooge eer ten deel viel, dat daaruit de heilige stier Apis werd gekozen; ten tweeden, een korthoornig ras, dat in de meeste opzichten op het eerstgenoemde geleek, maar korte, kwartcirkelvormig gebogen hoornen bezat; ten derden, Runderen met een bult, die gewoonlijk afgebeeld worden onder de voorwerpen, welke door de Soedaneesche volken als schatting werden opgebracht.

Over deze drie duidelijk herkenbare rassen merkt Hartmann het volgende op: “De bouw van den kop toont in al deze afbeeldingen van Runderen de kenmerken van den Zeboe-kop (zie de afbeelding op p. 462). Het zeboe-slag, dat thans nog over ’t geheele binnenland van Afrika verspreid is, is de stamvorm van het Oud-Egyptische, zoowel als van het Nieuw-Egyptische Tamme Rund; de Apis-schedels uit Memphis stemmen volkomen overeen met schedels van Zeboe’s uit Sennaar. Begeeft men zich nu van Beneden-Egypte langs den Nijl bovenwaarts, door Nubië en Dongola naar Sennaar, dan blijkt het, hoe het Egyptische Tamme Rund met zijn hoogen rug langzamerhand in den Zeboe van de binnenlanden van Afrika overgaat. In Zuid-Dongola en de Bahinda-steppe vindt men alleen Zeboe’s. Het Oud-Egyptische langhoornige ras, gelijkt volkomen op den Sanga der Abessiniërs; wel ontbreekt aan het eerstgenoemde ras den bij den Sanga voorkomenden, hoogen vetbult, maar deze is ook bij de echte Zeboes van ’t binnenland dikwijls slechts weinig ontwikkeld. Het Oud-Egyptische langhoornige ras is thans uitgestorven; zelfs de betrekkelijk langhoornige Runderen, die men thans hier en daar in Egypte ziet rondloopen, staan ten aanzien van de grootte hunner hoornen steeds bij het oude ras achter. Veeziekten en verregaande achteloosheid, hebben in den loop der eeuwen den Egyptischen rundveestapel sterk doen achteruit gaan; om hem aan te vullen heeft men voortdurend, en nog in den laatsten tijd, groote kudden van het bultige, korthoornige Sennaarsche Rund naar Egypte gedreven, en dit gekruist met de nog aanwezige overblijfselen van lang en korthoornige rassen. Hierdoor is het langhoornige slag in Egypte langzamerhand verdwenen, of liever in een korthoornig slag veranderd. Dat de groote Bultige Runderen van Sennaar, of liever hunne door kruising met andere rassen ontstane nakomelingen in Egypte en Beneden-Nubië, ontaard zijn tot de schrale, hoogpootige, bijna Antilope-achtige Runderen zonder vetbult, die thans in deze streken voorkomen, mag grootendeels toegeschreven worden aan den invloed van het klimaat, van veranderde levensomstandigheden en van de slechte behandeling, die het Rundvee, zoowel van den Egyptischen, als van den Nubischen boer ondervindt.”

Uit het bovenstaande blijkt, dat in Oud-Egypte reeds in overouden tijd verscheidene Rundvee-rassen bestonden, en dat eenige daarvan volkomen verdwenen zijn, of althans zich zoodanig gewijzigd hebben, dat men ze niet meer herkennen kan, terwijl van andere daarentegen alle hoofdeigenschappen onveranderd zijn gebleven.

De hierboven genoemde Sanga of Sanka (Bos africanus) mag wel als het schoonste van alle rassen van Bultige Runderen beschouwd worden; hij is groot, slank, maar toch krachtig gebouwd, hoogpootig en tamelijk langstaartig; de vetbult tusschen de schouderbladen is goed ontwikkeld; de zeer forsche hoornen verschillen aanmerkelijk van die der Europeesche rassen; zij zijn n.l. ruim 1 M. lang en aan den wortel tamelijk dicht bijeengeplaatst, aanvankelijk zijwaarts, daarna buitenwaarts, vervolgens regelrecht naar boven, het laatste derde gedeelte echter naar binnen, de spits eindelijk weer naar buiten gericht. Het haarkleed is sluik, fijn en grootendeels kastanjebruin van kleur. Er bestaan van dezen diervorm verscheidene rassen, die over geheel Middel-Afrika verbreid zijn; ook in het geheele zuiden van dit werelddeel treft men deze (of zeer na verwante) rassen aan.

Volgens de berichten van vele reizigers is het Bultige Rund, de Zeboe, in Afrika zoo algemeen verbreid, dat in dit werelddeel waarschijnlijk slechts weinige rassen van Runderen zonder bult aangetroffen worden, die geen Zeboe-bloed bevatten. Het gemis van den vetbult op den rug, is trouwens volstrekt geen bewijs voor de afwezigheid van Zeboe-bloed, zooals blijkt uit de overeenkomst tusschen de schedels van de Sennaarsche Bultige Runderen met die van de Apis-stieren, welke, (zooals reeds gezegd werd) uit het oud-Egyptische langhoornige ras, dat de vetbult mist, gekozen werden; bovendien blijkt dit uit het verbasteren van de Bultige Rundvee-rassen, die uit zuidelijker landen naar Egypte gevoerd werden, tot vormen, die geen bult bezitten (zie boven).

Op het Afrikaansche Bultige Rund laten wij den Indischen Zeboe (Bos indicus) volgen, hoewel deze er in sommige opzichten van verschilt. Hij is ongeveer even groot, in den regel echter forscher ontwikkeld en lager op de pooten dan de Sanga; het oor is lang en hangend, de hoornen zijn opmerkelijk kort; de kleur biedt meer verscheidenheid aan, daar het gewoonlijk voorkomende rood- of geelbruin, dikwijls plaats maakt voor vaalgeel of wit, terwijl ook gevlekte Zeboes niet zeldzaam zijn. Van dezen vorm worden trouwens talrijke onder-rassen en slagen onderscheiden; sommige daarvan worden niet grooter dan een kleine Ezel; zulke dwergachtige Runderen zijn in Indië volstrekt niet zeldzaam.

De Zeboe-rassen kunnen gemakkelijk gekruist worden met de overige rassen van Tamme Runderen. De op deze wijze ontstaande bastaarden zijn onbeperkt vruchtbaar, zoowel bij paring onderling als bij kruising met een hunner stamvormen.

Uit de onderzoekingen van Gurlt is gebleken, dat de vetbult ontstaan is door een eigenaardige vervorming van een rugspier, waarin zich veel bindweefsel en vet ontwikkelde.

Zeboe (Bos indicus). 1/24 v. d. ware grootte.
Zeboe (Bos indicus). 1/24 v. d. ware grootte.

Zeboe (Bos indicus). 1/24 v. d. ware grootte.

De oudste beschaafde volken, o.a. de Indiërs, hadden geen andere Tamme Runderen dan de Zeboe, of bovendien nog een ras, dat er betrekkelijk weinig van verschilt, zooals het langhoornige ras der oude Egyptenaars. Daar het Zeboe-rund nergens meer in het wild voorkomt, en daar er ook geen beenderen van dit dier in de oude aardlagen gevonden zijn, ligt het voor de hand aan te nemen, dat de Zeboe zich uit andere vormen van Runderen ontwikkeld heeft. Dat hij, wat schedelvorm en andere eigenaardigheden van het skelet betreft, nader verwant is aan den Banteng, dan aan de Europeesche Runderen, werd door Rütimeijer aangetoond. Vermoedelijk heeft dus het temmen van een of meer Indische Wilde Runderen (Banteng, Gaur, Gayal) tot het ontstaan van den Zeboe aanleiding gegeven. Daar in Afrika geen Wilde Runderen voorkomen, vermoedt men, dat de Zeboe uit Azië naar Afrika is overgebracht.

Als algemeene stamvorm van de Wisent-Runderen beschouwt Rütimeijer het Etrurische Rund (Bos etruscus), welks schedel voor ’t eerst gevonden werd in de jongste tertiaire (pliocaene) lagen van Toscane, later ook in Auvergne en in Spanje.

De mogelijkheid bestaat, dat Afrikaansche Runderen naar Europa overgebracht zijn en de stamouders zijn geweest van sommige Europeesche Rundvee-rassen. Hiervoor pleit de overeenkomst van de Zeboe-rassen met het kleine Turf-rund, waarvan bij de Europeesche paalwoningen overblijfselen zijn gevonden. Dat al onze Rundvee-rassen aan Afrikaansche Runderen hun ontstaan zouden danken, zooals Frantzius meent, is volgens Wilckens, niet waarschijnlijk. Wel zou, volgens dezen onderzoeker de hypothese overweging verdienen, dat het Europeesche Tamme Rund zich op soortgelijke wijze uit Bos etruscus ontwikkeld heeft als de Zeboe uit de Indische Biboviden. Voor de “kortkoppige” Europeesche Rundvee-rassen komt deze onderstelling hem aannemelijker voor, dan die, waardoor de Oeros als hun stamvader wordt aangewezen, vooral omdat de bedoelde rassen, juist die Middel- en Zuid-Europeesche gewesten bewonen, welke aan Etrurië en Ligurië (waar de overblijfselen van Bos etruscus gevonden zijn) hun Rundvee ontleenden. De stamouders van de “langkoppige” Europeesche Runderen zouden dan uit Afrika ingevoerd kunnen zijn, hetgeen, volgens Wilckens, waarschijnlijker is dan hun afstamming van den Oeros, die in Noord-Europa inheemsch was.

Uit de bovenstaande beschouwingen blijkt ontegenzeggelijk alleen dit: dat wij over de afstamming van het Tamme Rund nog evenmin zekerheid hebben verkregen, als over de afstamming van de meeste overige huisdieren.

*

De vertegenwoordigers van een derde ondergeslacht der Boviden—de Runderen in de meest beperkte beteekenis van het woord (Taurus)—komen thans alleen nog maar als huisdieren voor. De laatste in ’t wild levende soort der Taurinen was de Oeros [Bos (Taurus) primigenius]; zij is sinds de 16e eeuw uitgestorven.

Volgens Rütimeijer zouden drie verschillende soorten van Taurinen deel gehad hebben in het stamvaderschap van 40 à 50 rassen van Tamme Runderen, die men tot dusver onderscheiden heeft. Deze zijn: het Rund der Voorwereld (Bos primigenius), dat waarschijnlijk met den reeds genoemden Auer of Oeros één soort uitmaakte, het Korthoornige Rund (Bos brachyceros), en het Breedkoppige Rund (Bos frontosus). Naar aanleiding hiervan zegt Wilckens: “Een stelselmatige indeeling van de rassen, gegrond op talrijke en zorgvuldige metingen van den schedel en van het skelet, is tot nog toe even onuitvoerbaar voor het Tamme Rund, als voor de vroeger beschouwde huisdieren. De verdeeling van alle Tamme Runderen in twee of drie groepen van rassen, die door Rütimeijer is voorgesteld, berust op een zoo beperkt materiaal voor onderzoek, dat uit zulk een klein deel van het verbreidingsgebied van het Tamme Rund (hoofdzakelijk uit Zwitserland) afkomstig is, dat zij niet algemeen toegepast kan worden. Wel heb ik in mijn werk over de “Rundvee-rassen van Middel-Europa” het stelsel van Rütimeijer aangenomen, nadat ik een vierde groep van rassen—het Kortkoppige Rund (Bos brachycephalus)—aan toegevoegd had; sedert ik echter bijna alle Rundvee-rassen van Frankrijk en Engeland heb leeren kennen, zie ik de onmogelijkheid in om het rassenstelsel van Rütimeijer toe te passen, zij het dan ook alleen op de Rundvee-rassen van Europa.” Op het tegenwoordige standpunt der wetenschap is het daarom beter, de Rundvee-rassen te groepeeren naar hun verbreidingsgebied, tevens lettend op den vorm van ’t lichaam en op het doel waarvoor zij dienen. Zulk een indeeling, welke gedeeltelijk nog met die van Rütimeijer overeenstemt, bevat de 8 volgende groepen: 1o. het Steppenvee of Grijze Vee van Oost- en Zuid-Europa; 2o. het Laagland-vee waartoe behooren: (a) de Hollandsche, (b) de Oost-Friesche, (c) de Oldenburger, (d) de Sleeswijk-Holsteinsche slagen, (e) de overige Duitsche Laagland slagen, (f) de Belgische en Fransche slagen van het Laaglandras; 3o. het Breedkoppige of Frontosus-ras; 4o. het Korthoornige of Brachyceros-ras; 5o. de Landslagen van Duitschland en Oostenrijk; 6o. de slagen van Groot-Britannië; 7o. de slagen van Frankrijk; 8o. het Rundvee van de overige Europeesche landen (Rusland, Spanje, en Portugal). De beide eerstgenoemde groepen en ook eenige slagen van de andere groepen (o. a. van de Groot-Britannische) stammen, volgens Rütimeijer, van het Rund der Voorwereld, van den Oeros, af.

Volgens Rütimeijer leven thans nog directe, zij het dan ook eenigszins gewijzigde afstammelingen van het Rund der Voorwereld in halfwilden toestand in de groote dierparken van Noord-Engeland en Schotland. Een dier, dat, naar de beschrijving te oordeelen, volkomen overeenstemde met het bedoelde Parkrund, bestond nog in de tiende eeuw in Wales. 400 stuks witte Runderen met roode ooren werden aan Koning Jan gezonden; volgens een oude oorkonde werden 100 van deze zelfde dieren geëischt tot zoen van het een of ander misdrijf. Het bewijs is geleverd, dat dit dier destijds nog in wilden toestand leefde in een oerwoud, dat zich dwars door geheel Noord-Engeland en Schotland, van Chillingham tot Hamilton, uitstrekte. Van dit oerwoud en van de daarin geleefd hebbende Runderen, zijn in de beide parken, die gewoonlijk met de namen der beide genoemde eindpunten aangeduid worden, nog overblijfselen aanwezig. Reeds omstreeks het jaar 1260 werd op aansporing van William van Farrarn het park Chartley in Staffordshire door een omtuining afgesloten met het doel om het Wilde Rund in deze veenachtige boschstreek te behouden. Dit voorbeeld werd des te gretiger nagevolgd, naarmate het Wilde Rund zeldzamer werd; ook andere groote grondeigenaars namen denzelfden voorzorgmaatregel, zoodat het Parkrund reeds vóór de Hervorming nog slechts op afgesloten terreinen voorkwam; van deze zijn er 14 tot in deze eeuw en 5 tot op den huidigen dag blijven bestaan.

Het Parkrund (Bos taurus scoticus) is middelmatig groot, forsch maar niet plomp gebouwd. Zijn haarkleed is dicht en kort aanliggend, op de kruin en aan de hals langer en kroes, langs het midden van den nek tot aan de schoft zwakke manen vormend, met uitzondering van den snuit, de ooren, de hoornen en de hoeven melkwit. De ooren zijn van binnen roodbruin, het voorste gedeelte van den snuit bruin, de oogen met een zwarten rand omgeven, de hoeven zwart. De hoornen zijn matig lang, tamelijk dun, maar slank en scherp toegespitst, van den wortel af naar buiten en naar boven gericht en met de spitsen weder (hoewel ternauwernood merkbaar) binnenwaarts gekeerd; hun kleur is grijsachtig wit met zwarte spits.

De voorname eigenaars van alle in Schotland nog bestaande parken stellen er een eer in, deze uit den ouden tijd overgebleven dieren onder hunne bijzondere bescherming te nemen. Zij leggen niet onbelangrijke sommen ten koste aan hun onderhoud: bepaaldelijk voor dit doel aangestelde opzichters waken over hen, doen zooveel mogelijk hun best om gevaren van hen verwijderd te houden en schieten eindelijk de stieren, die wegens hun hoogen ouderdom of op een andere wijze onbruikbaar geworden zijn, dood. Het vleesch verschilt in smaak niet van dat van het Tamme Rund.

Het Parkrund heeft alle kenmerkende eigenschappen van een echt wild dier. Het verbergt zijne jongen en graast des nachts; overdag slaapt het en laat het zich koesteren door de zonnestralen. Kwaadaardig is het alleen, wanneer het in ’t nauw wordt gebracht; in alle andere gevallen is het zeer schuw en neemt voor iedereen reeds op grooten afstand de vlucht. Al naar het jaargetijde en de wijze waarop men hen nadert, gedragen de dieren zich verschillend. In den zomer krijgt men ze soms in vele weken niet te zien, al zoekt men ze op, daar zij in dezen tijd, zoodra zij de lucht van een mensch krijgen, zich terugtrekken in een deel van het woud, dat door niemand betreden wordt. In den winter echter bezoeken zij de voederplaatsen; omdat zij hier aan den mensch gewoon geraken, is het in dezen tijd mogelijk, vooral voor iemand die te paard zit, bijna te midden van de kudde te komen.

Ludwig Beckmann, de bekende dierenteekenaar, die in 1847 het park van den hertog van Hamilton in Lanarkshire bezocht, zegt van het Parkrund, dat hij hier aantrof: “Door zijn geheele voorkomen maakt dit dier op den onbevooroordeelden onderzoeker eerder den indruk van een met zorg zuiver gehouden verscheidenheid van ons Tamme Rund dan dien van een “Oer-rund”. Reeds de witte kleur moet als iets ongewoons beschouwd worden bij een groot Zoogdier, dat in het zachte klimaat van een eiland in ’t wild leeft. Bovendien wijzen de evenredigheid der verschillende lichaamsdeelen, de horizontale rug, de hooge plaats aanhechting van den staart en de vorm en uitgebreidheid van den sterk geplooide kossem bij oude stieren, mijns inziens, op een sedert langen tijd door den mensch uitgeoefenden invloed op den vorm dezer Runderen,—misschien wel hierop, dat zij afstammen van dieren, die in overouden tijd getemd waren. De hooge ouderdom van het ras, die uit historische bewijsstukken blijkt, geeft aanleiding tot het vermoeden, dat het reeds in den heidenschen vóórtijd bij de godsdienst-plechtigheden der Druïden een rol speelde, op soortgelijke wijze als de aan Hertha gewijde witte koeien en de heilige stieren der Brahminen. Ook zou het kunnen zijn, dat de “wilde witte Bisons” van het Caledonische woud, waarvan in de oude Schotsche volksverhalen dikwijls sprake is, en die Walter Scott in sommige zijner romans ten tooneele voert, de verwilderde afstammelingen van deze heilige Runderen der Druïden zijn.”—Ook thans nog ziet men trouwens bij het gewone Schotsche Rundvee soms enkele exemplaren of zelfs geheele beslagen, die, op de kleur na, alle eigenaardigheden van het Parkrund vertoonen; in enkele gevallen bestaat er, naar Colquhoun bericht, zelfs in de kleur geen verschil.

De wijze waarop men nog kort vóór het einde van de vorige eeuw een Parkstier doodde, herinnert sterk aan de jacht in overouden tijd. Op den hiervoor bepaalden dag kwamen de bewoners van den geheelen omtrek bijeen: sommigen te paard, anderen te voet, allen met geweren gewapend. Niet zelden bestond de jachtstoet uit vijf- à zeshonderd jagers, waarvan er dikwijls meer dan honderd te paard zaten. Zij die onbereden waren, gingen zitten op de muren, die het park insluiten, of klommen met hun geweer bij zich in de boomen, die de open plek omgaven, waar de stier gedood zou worden. De bereden jagers doorkruisten het woud en dreven de kudde naar de bedoelde open plek, waar de stier door de ruiters omsingeld werd. Zoodra dit geschied was, sprong de ruiter, die de eer zou genieten het eerste schot te lossen, van zijn paard en schoot zijn geweer af op het onrustige en door vrees buitengewoon wild geworden dier. Hierna vuurden alle overige jagers, voor zoover zij een hiervoor geschikte plaats hadden kunnen innemen; dikwijls werden meer dan dertig schoten op den stier gelost, voordat hij dood was. Door de hevige pijn en het luide geschreeuw der jagers dol geworden, viel het bloedende dier niet zelden, zonder zich om de menschenmenigte te bekommeren, met inspanning zijner laatste krachten zijne belagers aan en bracht hen gevaarlijke wonden toe, of veroorzaakte zulk een verwarring, dat hij door den kring heenbreken en zich aan verdere vervolging onttrekken kon. Wegens de ongelukken, die bij deze jachten plaats hadden, zijn zij in onbruik geraakt.—

Groot is de invloed, die de mensch kan oefenen op het variëeren der dieren, die hij aan zich onderworpen heeft en die huisdieren zijn geworden. Door de ervaring geleerd koos hij zijne fokdieren volgens een vooraf beraamd plan, met een bepaald doel voor oogen. Soms langzaam, soms reeds na verloop van betrekkelijk korten tijd verkreeg het ras, welks veredeling gewenscht werd, andere erfelijke eigenschappen, belangrijk verschillend van de oorspronkelijke kenmerken. Zoo ontstonden, na verloop van tijd nieuwe rassen, terwijl vroegere rassen verdwenen. Ook uit dit oogpunt beschouwd zijn de Rundvee-rassen zeer merkwaardig. Uitmuntende werken bestaan er, waarin dit onderwerp meer uitvoerig wordt behandeld, o.a. het met zorg geschreven “Handboek voor den Nederlandschen Landbouw en Veeteelt door G. Reinders.” Wij moeten ons bepalen tot enkele grepen uit de talrijke wetenswaardigheden op dit gebied.

Het Laaglandras, waartoe ook de Nederlandsche Rundveeslagen behooren, is inheemsch in de Noord-Duitsche laagvlakte en in sommige gewesten van Engeland. Het is groot en zwaar gebouwd, maar eenigszins weekelijk en zwak van aard. De kop is lang en smal met korte horens, welker spits bij de stieren eenigszins achterwaarts, bij de koeien meestal naar voren en naar binnen gekromd is. De neus is recht; de groote oogen hebben een min of meer slaperige uitdrukking; de lange oorschelpen zijn slap. De hals is zeer lang, de kossem kort, de schoft laag, het kruis verheven, de heup zeer breed met sterk uitstekenden darmbeenrand, het kruis naar achteren afhellend, de staart diep aangehecht, de borst smal. De schouders zijn smal en steil geplaatst, de ribben dikwijls vlak; de romp is sterk gewelfd, het jaar (de uier) groot en slap, met sterk ontwikkelde spenen. De dijen zijn dikwijls plat en met weinig vleesch bezet, de pooten betrekkelijk kort en dik, de gewrichten dikwijls sponzig, de spronggewrichten dicht bijeen geplaatst (koehakkig), de hoeven breed en plat. De huid is dun en zacht en kan gemakkelijk over de onderliggende deelen verschoven worden. Het haar is sluik en fijn, het haarkleed meestal glanzig en in den regel bont van kleur, n.l. wit en zwart of wit en rood, of bruin met witte plekken aan den kop en de voeten. De neusspiegel (het onbehaarde gedeelte van de muil) is meestal loodkleurig, bij licht gekleurde (roodbonte) dieren, ook wel rozerood. Het Laaglandras is niet zeer geschikt om trekvee te leveren: daarentegen brengt het veel melk voort, en kan meestal ook uitstekend dienen voor de productie van vleesch en vet.

Het meest verbreide slag van het Laaglandras is ongetwijfeld het Nederlandsche slag (Bos taurus hollandicus), waarvan men als hoofdtypen onderscheidt: de Groninger Witkoppen, de Friesche en Noordhollandsche, de Geldersche, de Zeeuwsche type, het Heidevee in Overijsel enz. Ook buiten Nederland (Oost-Friesland, Sleeswijk-Holstein, enz.) wordt het veelvuldig gefokt en meer of minder zuiver gehouden; in andere, meer binnenlands gelegen gewesten, wordt het niet zelden gebruikt tot kruising met de daar inheemsche rassen; wijl het zich onderscheidt door groote melkproductie en geschiktheid om vet gemest te worden. Al naar den grond waarop zij leven, de behandeling die zij ondervinden, enz., bestaat er tusschen de dieren van dit slag verschil. Opmerkelijk vooral is het verschil tusschen het vee der laagveen- en kleistreken en het vee der uit zand en hoogveen samengestelde geestgronden; het laatstgenoemde is kleiner, schraler en langpootiger.

De Nederlandsche runderen—volgens Fitzinger directe afstammelingen van den Oeros—onderscheiden zich door aanzienlijke grootte, tamelijk evenredige ontwikkeling van alle lichaamsdeelen en groote gelijkmatigheid van kleur en teekening. De kop is lang, naar voren spits toeloopend, de hals lang en dun, de romp tonvormig, d. i. gestrekt en breed, de schoft smal, het kruis breed, de staart matig lang. Vooral de achterpooten zijn sterk ontwikkeld; beide paren pooten hoog en krachtig, maar niet plomp. De hoornen zijn kort, zwak, meestal eerst zijwaarts, daarna voorwaarts gericht; de kleur is bont gevlekt: op witten of grijswitten grond komen in den regel zwarte, soms echter ook wel bruine en roode, meer of minder groote vlekken van zeer verschillenden vorm voor.

Een geheel ander uiterlijk heeft het Breedkoppige Ras (Bos frontosus), dat vooral in het westen en noorden van Zwitserland (het meest in het kanton Bern) gevonden wordt, en waarvan wij het wegens zijn groote melkproductie beroemde Freiburger slag (Bos taurus friburgensis) als voorbeeld kiezen. De dieren van dit ras zijn in den regel groot en zwaar en hebben een stevig beenderenstelsel. De kop is breed en betrekkelijk kort; de sterk uitpuilende opzwelling van het gewelfde, tusschen de hoornen zeer breede voorhoofd, verheft zich boven de achterkopsvlakte. De langgesteelde hoornen zijn van middelmatige lengte, een weinig afgeplat, beneden-, zij- en bovenwaarts gekromd. De oorschelp is zeer breed en van binnen met lange haren begroeid. De groote oogen staan zijwaarts. De hals is kort en dik en met een langen kossem voorzien. De romp is betrekkelijk kort, het voorstel meer ontwikkeld dan het achterstel. De voorborst is breed, de schouder breed en gespierd, dikwijls eenigszins steil geplaatst. De ribben zijn meestal goed gewelfd en de flanken gesloten. De buik is weinig uitgebreid, de middelmatig groote uier goed tegen den romp aangevoegd. De schoft is breed en evenals het kruis een weinig verheven boven de overigens rechte ruglijn; de hoog aangehechte, dikke staart eindigt in een langen kwast. De heup is meestal breed, het kruis breed en rond; de schenkels zijn vol en flink met vleesch bezet, de pooten krachtig en goed geplaatst, de spronggewrichten breed. De huid is dik en zacht, gemakkelijk verschuifbaar, begroeid met dik en kort haar, dat bij de stieren aan den kop en den hals dikwijls kroes is. Het haarkleed is rood-, geel- en zwartgevlekt, met witte plekken aan den kop en de voeten; effenkleurige (roode of gele) dieren zijn zeldzaam.

Als een waarlijk afschuwelijk product van planmatig voortgezette veefokkerij vermelden wij ten slotte nog het Durham- of Korthoornig Rund, den “Shorthorn” der Engelschen (Bos taurus dunelmensis): een wanstaltig dier met kleinen kop en zeer zwakke hoornen, rechten rug en korte pooten, dikken hals en onbehouwen romp, voornamelijk bestemd om als mestvee de grootst mogelijke hoeveelheid vleesch voort te brengen. Oorspronkelijk kwam het bijna uitsluitend in de oostelijke graafschappen van Engeland voor; tegenwoordig is het over geheel Engeland en Ierland verbreid; hier en daar, hoewel altijd nog zeldzaam, wordt het ook wel in Nederland, Duitschland en Frankrijk aangetroffen. Wat de melkproductie betreft, staat dit vee ver achter bij andere slagen; door de vleeschopbrengst overtreft het ze echter alle; enkele stieren hebben op den leeftijd van 12 maanden reeds een gewicht van 700 à 800 K.G. bereikt.

Even gemakkelijk als een in ’t wild levend Rund getemd en tot huisdier wordt, neemt het, uit de slavernij ontvlucht, de levenswijze en gewoonten van de stamsoort weer aan. Verwilderde Runderen, d.w.z zulke, die van tam weder geheel of half wild geworden zijn, komen gewoonlijk dáár voor, waar de Spanjaarden heerschten of nog heerschen.

Hollandsch Rund (Bos taurus hollandicus). 1/25 v. d. ware grootte.
Hollandsch Rund (Bos taurus hollandicus). 1/25 v. d. ware grootte.

Hollandsch Rund (Bos taurus hollandicus). 1/25 v. d. ware grootte.

De in Spanje zeer gezochte stier, die bij de stierengevechten een hoofdrol speelt, is eveneens een afstammeling van Runderen, die vroeger in den getemden staat verkeerden. Hij leeft geheel en al op de wijze van de Wilde Runderen, komt jaar in jaar uit in geen stal en wordt eigenlijk ook niet gehoed; slechts nu en dan komt een voor dit doel aangewezen persoon de kudde bezichtigen. Niet bijzonder groot, maar fraai gebouwd en buitengewoon gespierd, onderscheidt de Spaansche stier zich door tamelijk lange, buitenwaarts gebogen en zeer spitse horens; de kleur is in den regel, hoewel niet altijd, donker kastanjebruin of zwartbruin.

“De levensloop van den stier,” zegt W. Joest, “die door zijn onbeminnelijken aard of door zijn uiterlijk voor het stierengevecht geschikt schijnt te zijn, is ongeveer als volgt: Geboren op een van de groote veeboerderijen van Castilië of Andalusië, die dikwijls een oppervlakte van 10000 hectare beslaan, wordt hij, zoodra hij één jaar oud is, met zijne gezellen bijeengedreven om gebrand, d.w.z. met het eigendomsmerk van zijn meester geteekend, te worden. De herders, die met behulp van een langen stok, waaraan een scherpe punt voorkomt, de dieren bijeendrijven, bemerken vrij spoedig, welke stier strijdlustig is en welke niet. De bullen, die in weerwil van de gevoelige prikken met den puntstok, die zij ontvangen, den drijver telkens weer aanvallen, worden op nieuw naar de weide gedreven om ze nader na te gaan; de minder kwaadaardigen daarentegen worden tot ossen gemaakt. De boosaardige stieren worden nu in de eerste plaats (nadat hunne horens omwoeld of ongevaarlijk gemaakt zijn door op de punt een bal te steken) in dorpen of kleine steden, die niet bij machte zijn om een gevecht te bekostigen, waarbij de stier gedood wordt, op het voornaamste plein losgelaten in tegenwoordigheid van de straatjeugd of van andere liefhebbers, die hier hunne studiën maken. Honderden van groote en kleine kinderen ergeren en kwellen dan den bul met alle hun ten dienste staande middelen, maar zonder hem te beschadigen. Het dier, wiens wapens onbruikbaar zijn gemaakt, en dat nog nooit tien menschen bijeen heeft gezien, gedraagt zich hierbij natuurlijk zeer lomp en onbeholpen. Als de stieren op deze wijze 4 of 5 jaar oud geworden zijn, gaat een ondernemer van stierengevechten de voor hem geschikte dieren op de weide uitkiezen; hij besteedt dikwijls buitengewoon hooge prijzen voor uitmuntende exemplaren en vervoert ze in den nacht vóór het gevecht naar de stallen, die zich bij ieder amphitheater bevinden. Als geleiders van de wilde, menschenschuwe dieren, dienen tamme ossen, die voor den dienst, welke men van hen verlangt, op soortgelijke wijze afgericht worden, als de tamme Olifanten die bij de olifantenjacht in Indië den mensch helpen.”

Freiburger Rund (Bos taurus friburgensis). 1/25 v. d. ware grootte
Freiburger Rund (Bos taurus friburgensis). 1/25 v. d. ware grootte

Freiburger Rund (Bos taurus friburgensis). 1/25 v. d. ware grootte

In de Nieuwe Wereld waren de omstandigheden van oudsher gunstig voor het verwilderen van het Rund. Columbus bracht het nuttige huisdier op zijn tweede reis voor ’t eerst naar San Domingo. Hier vermenigvuldigde het zich zoo snel, dat men reeds weinige jaren later kalveren van beiderlei geslacht over het geheele eiland kon verspreiden; 27 jaar na de ontdekking van het eiland waren kudden van 4000 stuks reeds geen zeldzaamheid meer. In het jaar 1587 werden alleen van hier 35.000 runderhuiden uitgevoerd. Omstreeks het jaar 1540 bracht men uit Spanje Runderen naar sommige landen van Zuid-Amerika. Ook hier was het klimaat zoo geschikt voor de ontwikkeling dezer dieren, dat zij zich in korten tijd geheel onafhankelijk maakten van den mensch. Een eeuw later bevolkten zij reeds in zoo verbazend groote getale de Pampas, dat op hen—evenals later in Noord-Amerika op de Bisons—alleen ter wille van hun huid jacht werd gemaakt. Het vleesch en vet bleven liggen voor de tamme en wilde Honden en voor de Gieren. Door dergelijke slachtingen werden zelfs deze ontzaglijke kudden gedund; eerst in den nieuwsten tijd, nadat men geleerd had, beter partij te trekken van den buit, kwam er verandering in de vroeger gevolgde handelwijze.

Op de Falkland-eilanden is het Rund geheel verwilderd; alleen door zeelieden, die hun voorraad proviand moeten vernieuwen, wordt er nu en dan jacht op gemaakt. Op de Galopagos-eilanden, de Philippijnen, de Sandwich-eilanden en op Celebes komen eveneens verwilderde Runderen voor, zoo ook in Australië en Nieuw-Zeeland. Ook in de hoog gelegen gewesten van Centraal-Azië is dit het geval, n.l. daar, waar de kudden ten gevolge van oorlogen hunne meesters verloren hebben. In Columbia en in de meeste overige landen van Zuid-Amerika leiden zij evenzeer een vrij leven: zij bewonen hier echter niet de laaglanden, maar de bergstreken van de Cordilleras.

Al heeft het Rund zich in verschillende landen der wereld weder aan de heerschappij van den mensch onttrokken, in de meeste is het zijn slaaf gebleven, zooals het reeds in overouden en zelfs in voorhistorischen tijd was. Over ’t algemeen werd en wordt het Rund hoog geëerd. De oude Egyptenaars aanbaden den god Apis in de gedaante van een Stier en bewezen dezen onder vele feestelijkheden hooge eer. De godin Isis (en later bij de Grieken Io) werden voorgesteld met koehoornen op het hoofd; aan beiden werden ossen geofferd, omdat deze bijzonder heilig werden geacht. In Libye werden de Runderen getemd, maar nooit geslacht, alleen hun melk werd gebruikt. In Cyrene werd het slaan van een koe als een misdaad beschouwd. De Kelten hielden de koe voor een onmiddellijk van de goden afkomstig geschenk. De hedendaagsche Indiërs doen, wat de vereering van Runderen betreft, voor de oude Egyptenaars volstrekt niet onder. Bij de Brahminen van Kasjmir is, zooals Hügel ervaren heeft, de koe onschendbaar; ieder die er een doodt, wordt met den dood gestraft. Görtz noemt de Runderen een lastpost voor alle steden van de Hindoes. Wanneer b.v. de een of ander om een verdienstelijk werk te verrichten op enkele zijner Runderen het teeken van Schiwa ingebrand heeft, zoo ziet men deze dieren met monniken en bedelaars in de straten rondloopen; zij gaan voor niemand uit den weg, maar verdringen, schoppen en stooten allen die zij tegenkomen.

Een blik op het leven der Tamme Runderen in verschillende gedeelten van de wereld is even leerzaam als aantrekkelijk. Beschouwen wij, om in zekeren zin den historischen gang te volgen in de eerste plaats de kudden, die nog in dezelfde levensomstandigheden verkeeren als die van de aartsvaders. Deze vindt men bij de nomaden van Oost-Soedan, die de veeteelt nog op dezelfde wijze uitoefenen als hunne voorvaders vóór duizenden van jaren. Hunne kudden zijn hun eenige rijkdom. Zij worden geschat naar het aantal hunner Schapen en Runderen op gelijke wijze als men de Lappen naar het aantal hunner Rendieren schat. Hun geheele leven is met de veeteelt op de innigste wijze verbonden. Hoewel zij soms ook wel door rooverij het een en ander verkrijgen, wat zij noodig hebben, danken zij toch over ’t algemeen hun levensonderhoud alleen aan hun vee. Vele Arabische stammen, die de meer veevoeder opleverende steppen ten zuiden van den 18en graad N. B. doorkruisen, leven wegens hunne kudden steeds op voet van oorlog met elkander en trekken om dezelfde reden onverpoosd van het eene oord naar het andere. Het spreekt van zelf, dat het vee in deze gewesten voortdurend in de open lucht verkeert, dat niemand er aan denkt voor zijne huisdieren een stal te bouwen. Alleen daar, waar de Leeuw veelvuldig voorkomt, tracht men des nachts de Runderen, Schapen en Geiten te beveiligen door een dikke heg van mimosa-doornstruiken, waarmede de legerplaats kringvormig omgeven wordt. Overal waar men den koning der wildernis geen tol behoeft te betalen, laat men de kudde overnachten op de plaats, waar zij, vermoeid van ’t grazen, zich nedervleit.

Zelfs de grootste van onze veefokkers zullen zich bezwaarlijk een denkbeeld kunnen vormen van den rijkdom aan kudden dezer nomaden. In de nabijheid van het reeds vroeger genoemde dorp Melbesz, verdiept de steppe zich tot een wijde kom, op welker bodem men tal van bronnen heeft aangelegd, uitsluitend met het doel om de kudden te drenken, die hier dagelijks gedurende de middaguren bijeenstroomen. In deze kom kan men van den vroegen morgen tot den laten avond en gedurende den geheelen nacht een bijna onbeschrijfelijk gewoel van menschen en vee opmerken. Naast elke bron bevinden zich zes à acht ondiepe drinkvijvers: groote troggen, gevormd door het opwerpen van een dam van kleiachtige aarde. Deze troggen worden iederen dag gevuld, en door de kudden, die hier komen drinken, telkens weer geledigd. Bijna honderd menschen zijn van ’s namiddags af, gedurende den geheelen nacht tot aan den volgenden middag, ijverig bezig met uit de diepe putten water op te halen en in deze vijvers te gieten; gewoonlijk wordt aan het water een weinig zouthoudende aarde toegevoegd. Meestal zijn de vijvers nog niet geheel gevuld, als de kudden komen. Van alle kanten naderen nu tallooze scharen van Schapen, Geiten en Runderen: eerst drinkt het kleine vee, later is het de beurt van de Runderen. In weinige minuten is de geheele, groote kom volkomen gevuld. Men ziet hier één aaneengesloten massa van ijverig elkander opdringende dieren, waarboven hier en daar een donkere mannelijke gestalte uitsteekt. Duizenden van Schapen en Geiten stroomen onophoudelijk toe, en evenzoo vele gaan voldaan terug. Zoodra de kom nagenoeg ledig is, mogen de Runderen komen, die tot dusver ternauwernood in bedwang konden worden gehouden; nu ziet men hier slechts één bruine, golvende massa, waarboven een woud van hoornspitsen zich verheft. Het bruin heeft geheel de overhand gekregen; van de tusschen ’t vee heen en weer gaande mannen is geen spoor meer te ontdekken. De geheele drinkplaats gelijkt op een stal, waarin sedert maanden geen poging tot reiniging is gedaan. Ondanks de blakerende zonnehitte ligt de mest overal meer dan kniehoog op den bodem; alleen de drinkvijvers worden zorgvuldig schoon gehouden. Tegen den avond gaan eindelijk de laatste dorstige gasten heen; oogenblikkelijk begint het waterscheppen op nieuw, om de hoeveelheid water, die voor den volgenden dag vereischt wordt, te rechter tijd bijeen te hebben. Op sommige dagen komen ook tal van langpootige, als ’t ware op stelten loopende Kameelen deze plaats bezoeken, vijfhonderd à duizend stuks te gelijk; zij drinken zich zat en trekken weer heen. Ik acht het onmogelijk het aantal Runderen te schatten, dat hier dagelijks komt drinken, want in het dichte gedrang houdt het tellen weldra op: toch overdrijf ik stellig niet, wanneer ik al het vee op minstens zestigduizend stuks begroot, waarbij ongeveer veertigduizend Runderen. Aanzienlijke lieden van Oost-Soedan, die met het bijeengaren van de schatting bij deze nomadische stammen belast waren, verzekerden mij, dat het gladweg onmogelijk is, ook maar bij benadering een maatstaf voor de grootte der bezittingen dezer lieden te verkrijgen.

In Zuid-Afrika spelen de Runderen ook nog om een andere reden een belangrijke rol: zonder hun hulp zou men de uitgestrekte jacht- en handelsexpedities door de wildernissen, die dikwijls over groote afstanden in ’t geheel geen water en veevoeder opleveren, in ’t geheel niet kunnen ondernemen.

In Zuid-Rusland, in Tatarije en waarschijnlijk ook in een groot deel van Centraal-Azië treft men niet minder aanzienlijke kudden Rundvee aan. De geheele Zuid-Russische steppe is met kudden Paarden, Schapen en Runderen bedekt. In den zomer leven al deze huisdieren dag in dag uit in de open lucht; in den strengen, langen winter vinden zij achter een aarden wal eenige bescherming tegen de stormen. Als de bedoelde wal aan de eene zijde een ellendig stuk dak heeft, wordt dit als een uitmuntenden stal beschouwd. Onder de genoemde dieren staan de Runderen, wat het aantal betreft, bovenaan; in één opzicht hebben zij een groot voorrecht boven hunne weidegenooten: de sneeuwstormen, die voor de Schapen en Paarden zoo gevaarlijk zijn, doen hen niet zoo licht verongelukken, omdat zij hunne bezinning niet verliezen, maar regelrecht naar huis rennen, voor zoover de stormen niet al te hevig zijn. In de meeste van deze gewesten worden de kudden geheel aan zich zelf overgelaten.

Op soortgelijke wijze ging men vroeger bij het fokken van Rundvee in Hongarije te werk. De dieren moesten zelf hun voedsel zoeken en werden zoomin beschermd als verzorgd. Sommige waren zoo wild, dat zij geen mensch toestonden hen te naderen. De kalveren zogen, zoolang zij hieraan behoefte gevoelden en werden eerst in het tweede levensjaar van hun moeder gescheiden. In dezen toestand is echter in lateren tijd een groote verandering gekomen.

Zelfs in Italië leven nog Runderen in half wilden toestand. Talrijk zijn zij in de Maremmen, in de bijna volkomen vlakke, hier en daar vruchtbare, overigens echter moerassige kuststreken tusschen Pisa en Napels, die wegens hun ongezond klimaat berucht en daarom schaars bevolkt zijn. Hier zwerven talrijke kudden Runderen rond, die jaar in, jaar uit in de open lucht verblijf houden en groote reizen ondernemen; er zijn zeer geharde menschen noodig om over dit vee toezicht te houden. In Walachije, Servië, Bosnië, Bulgarije en Syrië treft men de Runderen in soortgelijke levensomstandigheden aan.

Een veel betere verzorging ondervindt het nuttige huisdier in de berglanden van Middel-Europa, vooral in de Alpen, hoewel ook hier voor het Rund nog veel te wenschen overblijft. “Meestal,” zegt Tschudi, “ontbreekt een doelmatige stal, soms is er zelfs in ’t geheel geen aanwezig. Als er in de lente of in de herfst plotseling sneeuw valt, kunnen de Runderen het geurige, maar korte gras niet meer bereiken, en verzamelen zij zich loeiend voor de hutten, waar ternauwernood een schuilplaats voor hen te vinden is en waar de herder hen dikwijls niet eens een handvol hooi kan aanbieden. Bij aanhoudenden kouden regen zoeken zij beschutting onder de rotsen of in de wouden. In weerwil van deze bezwaren, is de schoone, rustige tijd van het verblijf in de Alpen buitengewoon aangenaam voor het vee. Dit blijkt o. a., wanneer de groote schel, die bij het drijven van het vee naar den Alp en bij het terugkeeren naar het dal haar ver klinkend geluid laat hooren, in de lente bij de kudde in het dal wordt gebracht. Dadelijk trekt zij de algemeene aandacht: de koeien komen er met vroolijke sprongen en opgewonden geloei op af, in de meening dat hun het teeken voor den aftocht wordt gegeven. Zoodra de tocht werkelijk aanvangt,—als de grootste bel aan een bonten band bevestigd, aan den hals van de fraaiste koe gehangen en deze met bloemen tusschen de hoornen getooid is, als het pakpaard, met de kaasketels en den proviand beladen, gereed staat, terwijl de melkstoeltjes tusschen de hoornen van de Runderen gebonden zijn, als de knappe herders en herderinnen hunne Alpenliederen aanheffen en een jubelend gejoedel door het dal weerklinkt,—geve men acht op de blijmoedige stemming, waarmede de goedhartige en dikwijls dartele dieren hun plaats in den stoet innemen en vroolijk loeiend naar de bergen marcheeren. De in het dal achtergehouden koeien volgen dikwijls onverwachts en uit eigen aandrift hare vroegere lotgenooten naar de verafgelegen Alpen.

“De koe leidt trouwens bij fraai weder op de hooge bergweiden een heerlijk leven. De leeuweklauw, de melisse en de alpen-weegbree bieden het vrij rondsnuffelende dier een voedsel aan, zoo voedzaam en geurig, als het dit verlangen kan. De zon brandt niet zoo heet als in het dal; geen lastige horzels komen het middagslaapje verstoren; de rustig hier rondloopende Spreeuwen en Groote Gele Kwikstaarten zijn steeds tot liefdediensten bereid, wanneer het vee bijgeval door ongedierte gekweld wordt: de Runderen zijn hier vroolijker, frisscher en gezonder dan in het dal. De met hun aard overeenkomstige levenswijze doet de geestvermogens beter tot ontwikkeling komen: het Rund, dat voor zich zelf moet zorgen, is opmerkzamer en zorgvuldiger en heeft meer geheugen dan het dier, dat door anderen verzorgd wordt; de Alpenkoe kent iederen struik, iederen poel, is nauwkeurig op de hoogte van de plaatsen die het beste gras opleveren, onthoudt den tijd waarop zij gemolken wordt, herkent op een afstand de lokstem van den herder, en komt met vertrouwen tot hem; zij weet, wanneer zij zout zal krijgen, wanneer zij zich naar de hut of naar de drinkplaats moet begeven; zij speurt het naderen van het onweder, onderscheidt de planten, die voor haar niet goed zijn, van die welke haar goed bekomen, bewaakt en beschut haar jong en vermijdt met zorg gevaarlijke plaatsen. Niet altijd echter gelukt haar dit volkomen, hoe voorzichtig zij ook is. De honger lokt haar dikwijls naar tot dusver onaangeroerde plaatsen, die met malsch gras begroeid zijn; terwijl zij over de met rolsteenen bedekte helling loopt, wijkt de losse grond onder hare hoeven uit, en begint zij naar beneden te glijden. Zoodra zij bemerkt, dat zij zich zelf niet meer redden kan, gaat zij op den buik liggen, sluit de oogen en berust in haar noodlot; langzaam glijdt zij voort, totdat zij in den afgrond stort, of door een boomwortel tegengehouden wordt, waarna zij gelaten de hulpvaardige tusschenkomst van den herder afwacht.”

Het verblijf in de bergstreken is als ’t ware de poëzie van ’t runderleven. In de meeste overige landen heeft het goede huisdier een minder aangenaam bestaan. In Duitschland geniet het gedurende den zomer alleen in de gebergten een vrijheid, die soms meer, soms minder beperkt wordt, maar aan het Rund van de Noord-Duitsche vlakte niet eens overal ten deel valt.

Vooral in het hooge noorden is de winter een treurige tijd voor het Rundvee. De korte zomer van Norrland en Lapland kan niet genoeg wintervoeder voortbrengen; om deze reden krijgt het vee in den winter niet alleen hooi en stroo, boombladen en berkentakken, rendiermos en paardenmest, zeeplanten, wieren en soortgelijken kost, maar ook Visschen en vooral de koppen van de Dorschen, een Kabeljauwachtige Visch, die men juist in het tijdperk van voedselgebrek in groote hoeveelheid vangt. De vischkoppen worden met allerlei soorten van wieren en mossen in een ketel zoo lang gekookt, totdat de beenderen in gelei veranderd zijn; deze breiachtige massa wordt aan de Runderen gegeven, die haar gretig verzwelgen ondanks de met hun aard zoo strijdige samenstelling van dit voedsel. De bewoners van de Lofodden hebben mij verzekerd, dat men de Runderen verwijderd moet houden van de stellages, waarop de Dorschen gedroogd en tot stokvisch worden, omdat deze Herkauwers zich anders verzadigen zouden met de half gedroogde Visschen.

In vele landen van Europa is het Rund een ellendige slaaf van den mensch; in Spanje echter speelt niet de koe maar de stier een hoofdrol. Hij geniet hier een achting, soortgelijk aan die, welke in Indië vaak den Zeboe ten deel valt; hij kan de held van den dag worden en zal dan vaak in veel hoogere mate de belangstelling van het publiek trekken dan zaken, die in werkelijkheid veel gewichtiger zijn. De Spanjaard heeft voor de schoonheden van den stier een open oog; hij onderzoekt en beoordeelt hem, zooals bij ons een deskundige een edel Paard of een goeden Hond keurt. Zelfs voor een eerzamen trekstier is hij niet onverschillig; een veel belovend bulkalf brengt hem in vervoering. Dit komt, omdat de Spanjaarden, zoowel zij, die hun oorspronkelijk vaderland bewonen, als die welke in de Nieuwe Wereld gevestigd zijn, hartstochtelijke liefhebbers zijn van schouwspelen van soortgelijken aard als die, welke de bewoners van het oude Rome bekoorden, en bij hooger ontwikkelde en beschaafde volken niet meer in den smaak vallen; iedere stier wordt er daarom op aangezien, of hij voor een stierengevecht geschikt is en welke figuur hij in ’t strijdperk zou maken.

De stierengevechten zijn vermakelijkheden, die een Zondagnamiddag op een zeer gewenschte wijze vullen en het publiek in de gelegenheid stellen een werkzaam aandeel aan de vertooning te nemen: behalve de toreros, de stierenbevechters van beroep, ziet men soms ook jonge, voorname leeploopers in het strijdperk treden en een duidelijk bewijs geven van de trap van beschaving waarop zij staan, door den taak van den torero op zich te nemen.

Ongeloofelijk groot is de geestdrift, die de toeschouwers bij een stierengevecht bezielt. Niet alleen mannen dweepen met dit vloekwaardige spel, zelfs vrouwen verzuimen, zooveel mogelijk, geen enkele van deze voorstellingen en nemen zelfs hare zuigelingen daarheen mede. De stierenbevechters verwerven zich gewoonlijk een aanzienlijk vermogen en zijn de helden van den dag, hoewel zij overigens weinig geacht worden; het rijke en voorname gepeupel gaat vriendschappelijk met hen om, hoewel zij tot de heffe des volks behooren. Meer nog dan hen bewondert men de stieren; van sommige, die vele Paarden doodden, blijft de herinnering nog jaren lang leven; aan hen dankt het Rundvee de achting, waarmede de Spanjaard het behandelt.

Na het voorafgaande behoef ik over de geestesgaven van het Tamme Rund niet veel te zeggen. Klaarblijkelijk staat dit dier op een zeer lagen trap; naast het Schaap is het Rund het domste van onze huisdieren. Het leert zijn verzorger kennen en tot op zekere hoogte liefhebben, gehoorzaamt aan zijn bevel en volgt hem, als hij roept; ook toont het een zekere belangstelling voor menschen, die het dikwijls bij zich ziet; dit geschiedt echter, naar het schijnt, meer door de macht der gewoonte, dan als uitvloeisel van een hooger gevoel. “De geest,” zegt Scheitlin, “openbaart zich bij de Runderen, die veel in de vrije natuur verkeeren, duidelijker dan bij die, welke steeds in den stal blijven. De Alpenkoeien leeren haar verzorger spoediger kennen, zijn opgewekter van aard, toonen duidelijker haar blijdschap, worden meer vervroolijkt door het geluid der klokjes, schrikken minder, strijden ridderlijker met elkander in ernst en uit scherts. Haar eergevoel is echter gering. Als de eene de andere van haar plaats gedrongen heeft, bekommert de overwonnene zich hierover in ’t geheel niet, maar stelt zich tevreden met de plaats, die voor haar overschiet, laat den kop zakken en gaat weer aan ’t grazen. De andere koe verheft zich niet op haar zege, toont geen spoor van blijdschap, ook zij gaat onmiddellijk weer aan ’t vreten. Bij ’t trekken naar de Alp evenwel gevoelt de koe, die de optocht leidt, haar meerderheid; dit blijkt uit haar plechtstatigen gang; ook duldt zij niet, dat een andere koe haar vóórkomt. De Stier staat, wat vermogens betreft, ver boven de meest ontwikkelde koe; hij heeft een veel grooter lichaamskracht, scherpere zinnen, meer bewustzijn van macht, meer moed, behendigheid en vlugheid; hij kijkt veel frisscher en met meer verstand om zich heen, acht zich gewichtig als machtige beschermer van zijn kudde, gaat op den vijand los en strijdt moedig met hem. Een vreemde bul duldt hij niet op zijn gebied, maar strijdt met hem op leven en dood.”

In het tweede levensjaar is het Rund voor de voortplanting geschikt. De draagtijd duurt in den regel 285 dagen, maar is soms aanmerkelijk korter of langer. Het kalf staat kort na de geboorte op zijne pooten; het zuigt reeds op den eersten levensdag. Naar het schijnt, wordt het Rund niet ouder dan 25 jaar. Bij de koeien, die geregeld ieder jaar een kalf ter wereld brengen, ontstaat aan het onderste gedeelte van den hoorn gedurende iederen draagtijd een ringvormige groeve of jaarring. Daar de meeste koeien in hun derde levensjaar voor ’t eerst kalven, kan men in den regel de ouderdom dezer dieren bepalen door bij het aantal hunner jaarringen 2 op te tellen. Hierbij moet men echter in ’t oog houden, dat men er niet volkomen zeker van kan zijn, dat de koe ieder jaar drachtig is geweest; ook zijn er koeien, die de hoornringen zeer onregelmatig vormen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings