De Evenvingerigen (Artiodactyla). (continued 5)
Reading edition
Over de voortplanting der Dwerg-antilopen zijn de mededeelingen tot dusver nog zeer onvolledig. Ehrenberg zegt, dat de Beni Israël in de maand Mei jongen werpen; ik heb evenwel reeds in Maart, vaker nog in April, jongen bij het paartje gezien.
De Kaffers plaatsen op den weg van de Dwergbokjes van hun vaderland strikken, die door een der pooten van het dier dichtgetrokken worden, of maken, als zij geen levenden buit verlangen, gebruik van strikken met een veerenden tak er aan, die het dier worgen, als zijn hals in de lus geraakt.
Het vleesch van de Dwerg-antilopen, hoewel tamelijk hard en taai, kan nog wel een bruikbaar gerecht opleveren; het is beter geschikt om er soep van te koken dan voor gebraad. Volgens Drayson’s raad heb ik mij hoofdzakelijk van de lever van dit wild bediend en de ervaring opgedaan, dat deze aan alle eischen voldoet.
Buiten haar vaderland bezwijken de Dwerg-antilopen weldra onder den invloed van het vreemde klimaat; het is daarom zeer moeielijk ze levend naar Europa te brengen. Alleen aan de Kaap en in andere deelen van Afrika heeft men ze een geruimen tijd binnenshuis of op het erf in ’t leven kunnen houden. Naar men zegt, toonen jong gevangen dieren zich weldra gehecht aan hun verzorger: zij luisteren naar zijn stem, laten zich gaarne aanraken, krauwen, op de armen dragen enz., kortom zij onderwerpen zich aan den wil van den mensch zonder weerstand te bieden; daarom worden hun groote goedaardigheid, zachtmoedigheid en beminnelijkheid toegeschreven.
Na den mensch is de Luipaard vermoedelijk overal de ergste vijand van de Dwerg-antilopen. Kleinere Katten zullen misschien de weerlooze dwergjes evenzeer vervolgen; hoogst waarschijnlijk neemt ook de Arend af en toe een van hen, althans een kalfje, mede. Jakhalzen, Vossen en ander gespuis behooren eveneens tot de vijanden van de Beni Israël en van hunne verwanten.
*
Alle Berg-antilopen onderscheiden zich van de overige leden der groep door haar gedrongen, krachtigen lichaamsbouw. Zij zijn betrekkelijk diklijvig en kortpootig; hare hoeven zijn zoo geplaatst, dat hun top het geheele gewicht van het dier draagt. Niet minder eigenaardig is het meer of minder dicht en stijf haarkleed van deze bewoners der koelere hoogte. In deze opzichten komen zij alle overeen; ten aanzien van de hoornen bestaat echter verschil, daar soms beide geslachten, soms alleen de mannetjes gehoornd zijn. Het eerstgenoemde geval doet zich voor bij de Boschgeit-antilopen (Nemorhoedus), welker hoornen op die van Geiten gelijken. Tot dusver kent men slechts weinige soorten van dit geslacht en ook deze nog niet nauwkeurig.
Buitengewoon bekwaam in het beklimmen van bergen is de Goral, (Nemorhoedus goral), die de grootte van een Geit bereikt. Zijn verbreidingsgebied is beperkt tot den Himalaja en, wel tot den gordel, die tusschen 1000 en 2600 M. hoogte gelegen is. Volgens Kinloch leeft hij gezellig, dikwijls in groote troepen, gewoonlijk echter over een groote oppervlakte verstrooid in kleine gezelschappen, ook wel afzonderlijk en paarsgewijs. Hij bewoont zoowel de bosschen als de kale rotsen en steenachtige hellingen; het liefst echter houdt hij verblijf op steile klippen, die met ijl kreupelhout en groepen van dicht bijeengeplaatste boomen begroeid zijn. De bewoners van Nepal beschouwen hem als het snelvoetigste van alle wezens. Tot dusver is de Goral nog niet levend naar Europa overgebracht; zelfs de huiden van deze dieren behooren in de musea tot de zeldzaamheden.
*
Op deze uitheemsche Berg-antilopen kunnen wij de bevallige, fel vervolgde bewoners der Europeesche bergen, de Gemzen, laten volgen. Zij worden tot een afzonderlijk geslacht (Capella) gerekend, welks voornaamste kenteeken gelegen is in de loodrecht bovenwaarts gerichte, met de spits haakvormig naar achteren gekromde hoornen.

Gems (Capella rupicapra). 1/12 v. d. ware grootte.
De Gems (Capella rupicapra), de eenige soort van haar geslacht, bereikt een lengte van 1.1 M., waarvan 8 cM. op den staart komen; de hoogte van de schoft bedraagt 75, die van het kruis 80 cM., het gewicht 40 à 45 KG. De hoornen zijn, volgens de kromming gemeten, ongeveer 25 cM. lang; zij staan bij den bok verder van elkander af en zijn ook dikker en sterker gekromd dan bij de Geit. Voor ’t overige gelijken het mannetje en het wijfje volkomen op elkander, hoewel de bokken in den regel iets forscher zijn dan de Geiten. Al naar het jaargetijde verschilt het haarkleed van de Gemzen. In den zomer gaat de vuil-roodbruine of roestroode hoofdkleur aan de onderzijde in lichtroodachtig geel over; over het midden van den rug loopt een zwartbruine streep; de keel is vaalgeel, de nek geelachtig wit; op de schouders, de schenkels, de borst en de flanken wordt deze kleur donkerder; een streep op de achterzijde toont een bijna op wit gelijkende nuance van geel. Van de ooren tot over de oogen loopt een smalle, zwartachtige, overlangsche streep, die bij de vale grondkleur scherp afsteekt. Gedurende den winter is de Gems van boven donkerbruin of glanzig bruinzwart, aan den buik wit; de pooten zien er van onderen lichter uit dan van boven en hebben een roodere tint; de voeten zijn geelachtig wit, evenals de kop, die op de kruin en aan den snuit een weinig donkerder van kleur is. De overlangsche streep van de spits van den snuit tot aan de ooren is donker zwartbruin. De haarwisseling heeft zoo langzaam plaats, dat het zuivere winterkleed, zoowel als het zuivere zomerkleed steeds slechts gedurende zeer korten tijd gedragen wordt. De jonge dieren zijn roodbruin en lichter van kleur in de omgeving van de oogen. Zelden ontmoet men lichtkleurige verscheidenheden of albino’s.
De Alpen zijn het eigenlijke vaderland van de Gemzen. Wel strekt haar verbreidingsgebied zich nog aanmerkelijk verder uit; daar zij ook gevonden worden in de Abruzzen, Pyreneeën, de gebergten van de kusten van Cantabrië, Dalmatië en Griekenland, de Karpathen, vooral op de toppen van den Hoogen Tatra, in de Transsylvanische Alpen, en eindelijk in den Kaukasus, in Taurië en Georgië. In de Zwitsersche Alpen is zij tegenwoordig zeldzaam, althans veel minder talrijk dan in de oostelijke Alpen, vooral in Opper-Beieren, Salzburg, Salzkammergut, Stiermarken en Karinthië, waar zij, beschermd en gespaard door welvarende en jachtkundige groote grondeigenaars of jachtpachters, in zeer grooten getale leeft. Ook zijn zij veelvuldig op de steile, ontoegankelijke hoogten van de middelste Karpathen, hoewel hier geen maatregelen ter harer bescherming genomen worden.
De algemeen verbreide meening, dat de Gems een Alpendier zou zijn in den engsten zin van het woord, d. w. z. uitsluitend boven den woudgordel, in de onmiddellijke nabijheid van de gletschers zou leven, is onjuist, daar zij eigenlijk tot de Woud-antilopen behoort. Overal waar zij ontzien wordt, bewoont zij met duidelijk merkbare voorliefde jaar in jaar uit den bovensten woudgordel. Van hier begeven deze dieren zich wel is waar in den zomer in meer of minder grooten getale naar de hoogere gedeelten van het gebergte, om weken en maanden lang in de nabijheid van de firnsneeuw en van de gletschers te blijven, en tijdelijk de hoogst gelegen weiden en boomlooze rotsen te bewonen; de meeste Gemzen van een gebied worden echter ook nog gedurende den zomer in den bovensten woudgordel aangetroffen. Zelfs zij, die in dit seizoen op de bergkammen en in het gletschergebied verblijf houden, treft men bij hevig onweder in het woud aan; vooral ook is dit het geval, wanneer zware stormen in aantocht zijn, die zij dikwijls reeds twee dagen te voren schijnen te voorzien, voorts in den na-herfst en in den winter. Steeds echter keeren zij ten spoedigste weder naar hare hoogere woonplaatsen terug, omdat de sneeuw hier bijna altijd vroeger verstuift of wegdooit dan in het dal.
De Gems is gewoon des nachts te rusten. Als de morgenschemering aanvangt, verheft zij zich van haar leger en gaat op voedsel uit, waarbij zij in den regel langzaam in benedenwaartsche richting loopt. De voormiddag-uren brengt zij herkauwend in de schaduw van overhangende rotsen of onder de takken van oude dennen door; gewoonlijk ligt zij dan op de saamgebogen pooten zoo gemakkelijk mogelijk uitgestrekt. Tegen den middag klimt zij langzaam naar boven en rust des namiddags weder eenige uren onder boomen, op vooruitstekende en gladde rotsterrassen, op firn-sneeuw en dergelijke, meestal vrije plaatsen; deze worden niet geregeld telkens weder opgezocht, maar zijn willekeurig gelegen, nu eens hier, dan weer daar. Tegen den avond gaat zij nogmaals voedsel zoeken en na het begin van de schemering legt zij zich te ruste. Naar men zegt, wijkt zij in den zomer, wanneer de maan ’s nachts helder schijnt, soms van deze tijdverdeeling af.
De Gemzen zijn zeer gezellige dieren; zij vereenigen zich tot troepen, die soms uit een zeer groot aantal individuën bestaan. Deze gezelschappen worden gevormd door de Geiten, hare jongen en de jongste bokken tot in het tweede of hoogstens derde levensjaar. De oude bokken leven buiten den paartijd afzonderlijk of vereenigingen zich misschien met een, twee of drie van huns gelijken; met deze blijven zij echter, naar het schijnt, nooit gedurenden langen tijd in innige gemeenschap. In elken troep treedt een oude ervaren geit als aanvoerster op. Deze regelt meestal de bewegingen van den troep; zij doet dit echter op lange na niet altijd, evenmin als hare gezellen zich eenig en alleen op haar waakzaamheid verlaten. Bij iederen rustenden troep merkt men geregeld een of meer dieren op, die rechtopstaan en om zich heenkijken; deze zijn het meestal, die de overige kennis geven van de nadering van een gevaarlijk wezen. Zij oefenen echter geen ambt uit, dat hun opgedragen werd, maar volgen eenvoudig een aandrift, die alle gelijkelijk beheerscht en zich op gelijke wijze openbaart. Iedere Gems, die een verdacht verschijnsel opmerkt, geeft dit te kennen door een op grooten afstand hoorbaar gefluit; zij stampt tevens met den eenen voorpoot op den grond. Zoodra de troep zich overtuigd heeft van het werkelijk bestaan van een gevaar, nemen alle onmiddellijk de vlucht.
De Gems staat bij de ons reeds bekende bergbewoners uit haar familie niet achter, wat hare bewegingen betreft. Zij klimt behendig, springt zonder haar doel te missen, kortom zij is een koene en wakkere bergbestijger, die zich snel en flink voortrept op plaatsen die zoo gevaarlijk zijn, dat geen Alpengeit het wagen zou ze te beklimmen. Als zij zich langzaam beweegt, is haar gang eenigszins log en onbeholpen en haar houding niet fraai; zoodra echter haar aandacht getrokken wordt door een dreigend gevaar en zij op de vlucht gaat, is zij als ’t ware een geheel ander dier geworden. Zij ziet er frisscher, stoutmoediger, edeler en krachtiger uit; met snelle sprongen spoedt zij zich voort en verraadt in elk harer bewegingen zoowel kracht als bevalligheid. Over haar buitengewone vaardigheid in ’t springen zijn eenige bepaalde waarnemingen gedaan: de door Von Wolten gemeten sprongwijdte van een Gems bedroeg 7 M. De genoemde onderzoeker zag een tamme Gems boven op een 4 M. hoogen muur en aan den anderen kant er weer afspringen; zij kwam juist op den rug van een boerenmeid terecht, die daar aan ’t grasmaaien was. Overal waar slechts een klein uitsteeksel zichtbaar is, kan de Gems een steunpunt vinden; in weinige sprongen bereikt zij een hoog gelegen punt, alsof zij vliegen kan; zij neemt hiertoe een aanloop en tracht in schuinsche richting op te stijgen. Zij springt gemakkelijker den berg op, dan er af; met buitengewone behoedzaamheid zet zij de bijzonder lenige voorpooten neer, opdat er geen steen zal losraken. Als zij zwaar gewond is, rent zij nog vlug over de gevaarlijkste paden voort, zelfs door het stukschieten van een poot, wordt haar geschiktheid om te vluchten slechts weinig verminderd. Hoe bekwaam en behendig de Gemzen ook zijn, gebeurt het, volgens Schinz, toch wel eens, dat zij zich begeven hebben naar plaatsen, waar zij zoomin vooruit, als achteruit kunnen komen, waar zij geen voet meer kunnen verzetten en van honger bezwijken of in den afgrond storten moeten. Tschudi vult deze mededeeling aan met de opmerking, dat de Gems ook in dergelijke gevallen het onmogelijke mogelijk tracht te maken, door in den afgrond te springen, al zou zij verpletterd beneden aankomen. “De Gems geeft nooit den moed verloren, d.i. zij blijft nooit radeloos staan zonder een uitweg te zien, zooals b.v. de Geiten, die blatend wachten, totdat de herder haar met gevaar voor zijn eigen leven komt halen. De Gems zal eerder den dood te gemoet springen. Dit zal echter vermoedelijk zeer zelden geschieden, daar het vermogen om te oordeelen bij haar veel sterker ontwikkeld is dan bij de Geit. Als zij op een smallen rotskam geraakt is, en niet verder kan komen, zal zij een oogenblik bij den afgrond staan blijven en dan pijlsnel den terugweg aanvaarden, waarbij zij dikwijls de vrees voor de haar volgende menschen overwint. Als het dier langs een bijna loodrechten rotswand naar beneden gejaagd wordt, maakt het gebruik van iedere uitstekende punt, al is deze niet grooter dan een vuist, teneinde de snelheid van den val te vertragen door althans een oogenblik stil te staan. Als het geen kans ziet, zulk een steunpunt te bereiken, begeeft het zich toch omlaag maar buigt hierbij den hals en den kop naar achteren om het gewicht van het lichaam zooveel mogelijk op de achterpooten te laten rusten, die dan sterk langs de rotsen schuren en de vaart van het dier zooveel mogelijk verminderen. Zelfs bij het naar beneden glijden toont het dier zijn tegenwoordigheid van geest, door met den romp en pooten te roeien en te werken en zoo gedurende den val een kromme lijn te beschrijven, wanneer het onderweg een redding belovend uitsteeksel heeft opgemerkt, dat het op deze wijze tracht te bereiken.”
Hoogst voorzichtig is de Gems bij het overtrekken van met sneeuw bedekte gletschers, steeds vermijdt zij zorgvuldig de met sneeuw bedekte spleten, hoewel zij deze met de oogen niet kan waarnemen. Even behoedzaam en langzaam schrijdt zij langs rotshellingen voort. Eenige leden van den troep vestigen hun aandacht op de paden, de overige speuren onverpoosd naar andere gevaren. “Wij hebben gezien,” verhaalt Tschudi, “hoe een troep Gemzen een gevaarlijke, zeer steile, met rolsteenen bedekte rotshelling overtrekken wilde, en het geduld en de schranderheid dezer dieren bewonderd. Eén hunner ging vooraan en klauterde voorzichtig naar boven; de overige wachtten tot het zijn doel volkomen bereikt had; eerst als er geen steen meer rolde, volgde het tweede, daarna het derde en zoo voort. Die, welke boven aangekomen waren, verstrooiden zich niet onmiddellijk over de weide, maar bleven op den uitkijk staan aan den rand van de helling, totdat de laatste kameraad zonder ongeval de reis volbracht had.” Haar buitengewone plaatskennis komt de Gems bij hare vermetele tochten uitmuntend te stade. Zij herinnert zich iederen weg, al heeft zij dien slechts éénmaal begaan; in haar gebied is haar bij wijze van spreken iedere steen bekend; juist hierom toont zij zich evenzeer te huis in het hooge gebergte, als zij onbeholpen schijnt, wanneer zij het verlaat. “In den zomer van 1815,” bericht Tschudi verder, “vertoonde zich plotseling, tot niet geringe verbazing der ooggetuigen, een waarschijnlijk gehitste Gemsbok op de weide bij Arbon. Zonder door vervolging hiertoe genoopt te zijn, sprong zij over alle omheiningen en daarna in het meer, waar zij lang dwalend rondzwom, en eindelijk, het verdrinken nabij, met behulp van een schuit gevangen werd. Eenige jaren te voren werd in het Rijndal een jonge Gems, die in het moeras was blijven steken, levend gevangen.”
De zinnen van de Gemzen zijn ongelijk scherp, maar volstrekt niet stomper dan bij andere haar verwante dieren. De reuk en het gehoor zijn vermoedelijk het meest, het gezicht is minder goed ontwikkeld. De voortreffelijkheid van het reukzintuig der Gemzen blijkt niet alleen hieruit, dat zij op grooten afstand den vijand opmerken, maar ook uit de geschiktheid dezer dieren om te speuren; zij kunnen een spoor vinden en het zonder af te dwalen volgen. Ieder die Gemzen nagaan of naderen wil, moet zorgvuldig op den wind letten, omdat de schuwe dieren anders stellig vluchten. Tot op welken afstand haar reukvermogen reikt, kan niet met zekerheid aangeven worden; men kan er echter van overtuigd zijn, dat deze afstand de draagwijdte van een geweer aanmerkelijk overtreft. Ongetwijfeld is de reukzin het middel, waardoor de Gemzen het eerst en het best gewaarschuwd worden voor het naderen van een gevaar, of, wat op ’t zelfde neerkomt, tot een onmiddellijke vlucht worden genoopt. Het gehoor, hoewel eveneens zeer scherp, kan veel lichter aanleiding geven tot zinsbedrog. Om het kletteren van de vallende steenen bekommert de Gems zich gewoonlijk zeer weinig; hieraan is zij in het gebergte gewoon geraakt; zelfs het knallen van een schot maakt niet altijd een bijzonderen indruk op haar. Als een Gems ondervonden heeft, wat een schot kan uitwerken, en zij den knal van het vuurwapen goed heeft leeren onderscheiden, gaat zij natuurlijk zonder eenige aarzeling op de vlucht; in vele gevallen echter blijft zij na den knal een oogenblik verwonderd staan en geeft soms den jager gelegenheid haar een tweeden kogel toe te zenden. De verklaring van dit feit is ten deele hierin gelegen, dat het in ’t gebergte voor haar, evenals voor de menschen, moeielijk is te beoordeelen, van welken kant het schot kwam, en ook zelfs, of dit geluid gehoord werd en niet de schok van een losgeraakten steen, die in de diepte neerploft. Het gezicht van de Gems beheerscht ongetwijfeld groote afstanden, maar bewijst haar geen dienst bij het herkennen van stilstaande of verborgen vijanden. Evenals de meeste dieren, herkennen zij, naar ’t schijnt, den bewegingloozen mensch niet als zoodanig; hij wordt voor haar eerst dan een reden van vrees, als hij zich beweegt.
Kort vóór den paartijd, die omstreeks het midden van November begint en tot in het begin van December duurt, komen de volwassen bokken bij de uit wijfjes en jongen bestaande troepen. Zoo stilzwijgend zij gedurende het overige gedeelte van het jaar zijn, zoo dikwijls hoort men thans hun stem: een moeielijk navolgbaar, dof en holklinkend geknor. Bij hun komst stuiven de jonge bokken verschrikt uiteen; de oude mannetjes daarentegen, die elkander bij één troep ontmoeten, houden stand en vechten met elkander; daar de volwassen bok geen tweeden bij den troep duldt, al bestaat deze uit 30 of 40 stuks. De jongen worden in de laatste dagen van Mei of in het begin van Juni geboren. De oude geiten werpen dikwijls twee, bij uitzondering zelfs drie jongen; de jongere wijfjes brengen nooit meer dan één jong ter wereld.
De jongen zijn allerliefste diertjes, die een dichte, wollige, bleek vaalroode vacht bezitten; zij volgen hun moeder overal en toonen zich reeds na verloop van een paar dagen even behendig als zij is. Minstens 6 maanden lang behandelt de geit hen met de warmste genegenheid, is zeer zorgvuldig voor hen en onderricht hen in alle noodzakelijke kundigheden. Zij bestuurt hare spruiten met een eenigszins aan ’t geblaat van een geit herinnerend geluid, leert hen klauteren en springen en doet hen soms eenige sprongen opzettelijk zoo lang voor, tot zij behendig genoeg zijn om hetzelfde waagstuk te ondernemen. De jongen zijn innig aan hun moeder gehecht en verlaten haar, zoolang zij jong zijn, zelfs niet bij haar dood. Zij groeien zeer snel, krijgen reeds in de derde levensmaand hoornen en hebben reeds in het derde levensjaar de volle grootte van het oude dier bereikt. Hun levensduur wordt op 20 à 25 jaren geschat; ’t is moeielijk na te gaan, of dit terecht of te onrecht geschiedt.
In weerwil van de velerlei gevaren, waaraan zij blootstaan, vermenigvuldigen de Gemzen zich buitengemeen snel daar, waar zij ontzien worden en men de jacht op deze dieren door verstandige maatregelen beperkt heeft; zij zijn, zooals de zeer ervaren Von Kobell zegt, het eenige wild, dat van de strenge winters betrekkelijk weinig te lijden heeft. Op de steile hellingen, van welke de sneeuw meestal door den wind wordt weggejaagd, of onder de rotsen en dennen, die de sneeuw eenigszins tegenhouden, vinden zij nog altijd voedsel, terwijl de Herten en Reeën zich naar het dal moeten begeven en zonder kunstmatige voedering dikwijls om ’t leven komen.
Gedurende den zomer voedt de Gems zich met de beste, saprijkste en lekkerste Alpenplanten, vooral met die, welke in de nabijheid van de sneeuwgrens groeien, bovendien met de jonge twijgen en de wortelspruiten van de op deze hoogten groeiende houtige planten, onverschillig hoe groot zij zijn, zoowel die van het Alpenroosje als die van de naaldboomen. In het laatste gedeelte van den herfst en in den winter moet zij zich daarentegen tevreden stellen met het lange gras, dat boven de sneeuw uitsteekt, en met allerlei mossen en korstmossen. Zout schijnt voor haar, evenals voor de meeste Herkauwers, onontbeerlijk te zijn. Drinkwater heeft zij echter niet noodig; waarschijnlijk stilt zij haar dorst op voldoende wijze door het aflikken van de met dauw bedekte bladen. Zij is een lekkerbek, wanneer zij in de gelegenheid is om het te zijn, en stelt geen hooge eischen, wanneer zij in minder gunstige omstandigheden verkeert. Bij goede voeding wordt zij vet en neemt zeer sterk in omvang en gewicht toe; bij armoedige kost daarentegen vermagert zij schielijk weder. Om de hooischelven, die men in sommige Alpengewesten in de vrije natuur opstapelt, verzamelen zich dikwijls troepen van Gemzen; deze vreten langzamerhand zulke diepe gaten in den hooibult, dat zij van deze ook gebruik kunnen maken als schuilplaats tegen stormen. Op andere plaatsen daarentegen, waar zulke hooischelven niet voorkomen, nemen zij zelfs in den strengsten winter geen voedsel van den mensch aan; zij lijden daar gebrek en vermageren.
De winter is voor de Gemzen echter een tijd niet alleen van gebrek maar ook van gevaar; soms worden geheele troepen van deze dieren door sneeuwlawinen bedolven. Hoewel zij dit gevaar kennen, en plaatsen opzoeken, waar zij er het meest tegen beveiligd zijn, kunnen zij zich er niet altijd tegen vrijwaren. Ook worden verscheidene van haar gedood door rollende steenen en neerstortende rotsblokken. Besmettelijke en andere ziekten richten onder dit wild verwoestingen aan; tal van vijanden, hoofdzakelijk Los, Wolf, Beer en Arend, zitten het steeds op de hielen. De Lossen beloeren het des winters in de wouden, en richten er soms een groote slachting onder aan; de Wolven vervolgen het vooral, als er een dikke sneeuwlaag ligt; de Beren boezemen het op zijn minst genomen grooten angst in. In Engadin moet een Beer een Gems eens nageloopen zijn tot in een dorp, waar het vervolgde dier zich in een houtloods wist te redden. De Arenden brengen het leven van de Gems niet minder in gevaar, daar zij, als een bliksemstraal uit den helderen hemel, zich op haar werpen, jonge dieren zonder eenig bezwaar van den bodem opnemen, en oudere, ondanks de tegenweer die zij bieden, in den afgrond trachten te stooten. Bij deze vijanden, die bijna uitgeroeid zijn in de gewesten, waar men de Gemzen beschermt, komt nog als allergevaarlijkste vijand de mensch, overal waar geen vaste jachtwetten of jachtgebruiken een geregelde bescherming van het edele wild trachten te bewerken en werkelijk te verschaffen.
Van oudsher werd de gemzenjacht beschouwd als een vermaak, dat den edelsten man betaamt. Maximiliaan, de groote Duitsche Keizer, schiep er behagen in de verblijfplaatsen van de kinderen der Alpen te beklimmen en volgde hen zelfs op zulke gevaarlijke hoogten, dat er, naar de overlevering bericht, een wonder noodig was, om hem weder naar beneden in de voor menschen geschikte vlakte te brengen. Weinige Duitsche vorsten waren even hartstochtelijke liefhebbers van de gemzenjacht als hij. De aartsbisschoppen hielden zich met deze jacht bezig en vaardigden wetten uit tot bescherming en instandhouding van het reeds in dien tijd zeldzamer wordende wild. Het bezoar-bijgeloof gaf aanleiding tot onbarmhartige vervolgingen van deze dieren. Daarop volgde een tijdperk van bijna 100 jaren, waarin de gemzenjacht als ’t ware uit de mode was. Onder de grooten der aarde greep Aartshertog Johan van Oostenrijk voor ’t eerst weer naar de buks, hem volgden de Koningen van Beieren en eenige van de Duitsche Hertogen. Tegenwoordig is deze jacht een vorstelijk vermaak geworden. De jachtdistricten, die het rijkst zijn aan Gemzen, behooren aan den Keizer van Oostenrijk, aan den Koning van Beieren, aan verscheidene Aartshertogen van het keizerlijke huis en aan rijke edelen van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie. Daar het wild onder toezicht staat van ervarene, meestal in het midden van deze districten wonende jagers, is hier ieder jaar gelegenheid tot het houden van jachtpartijen, die niet minder aantrekkelijk dan voordeelig zijn.
“Over de gemzenjacht,” zegt Franz von Kobell, “is zeer veel geschreven. Dikwijls heeft iemand, die hoogstens een paar jachttochten bijwoonde, de pen opgevat en—al naar de stemming waarin hij verkeerde, of de bijzonderheden, die de tocht, waarvan hij getuige was, opleverde—deze jacht voorgesteld als de gevaarlijkste van alle, of den lezer in den waan trachten te brengen, dat zij niet veel meer te beteekenen heeft dan een drijf jacht op Reeën en Hazen. Dat deze jacht romantischer is dan de meeste andere, ligt aan den aard van het gebied, waarop zij plaats heeft; wat echter de gevaren betreft, die de jager loopt, deze hangen af van de wijze van jagen en van de omstandigheden, waaronder men jaagt. Ook hem, die vele malen Gemzen heeft nagespoord, zal waarschijnlijk wel een rilling door de leden zijn gegaan, als hij bij het beklimmen van een bergwand of bij het doortrekken van een kloof plotseling het gekletter hoorde van de door vluchtende Gemzen losgemaakte en vallende steenen, en ter nauwernood het lijf kon bergen onder een vooruitstekende rots, of als hij, bij ’t achternaklimmen van een aangeschoten Gems, onverwachts op plaatsen kwam; waar de gevolgen van het mislukken van een stap of sprong, die toch noodzakelijk gedaan moest worden, hem wat al te duidelijk voor den geest kwam.... Men moet zich trouwens ook al weer niet voorstellen, dat de gemzenjagers altijd, als Vliegen aan den muur, langs rotswanden moeten op- en neerkrabbelen. De plaats is dikwijls zoo gunstig gelegen, dat men zonder bijzondere kunst en moeite zijn buit verwerft, vooral bij een drijfjacht, wanneer b. v. de wissels over een Alpenweg gaan, of door een lagen woudrand, of zelfs door het dal. Er is bijna geen jacht te bedenken, waarbij deze omstandigheden meer uiteen kunnen loopen.
“Een flinken bok te bekruipen totdat men hem kan schieten, heeft stellig bezwaren in; maar het toeval, dat deze wijze van jagen niet zelden doet mislukken, begunstigt haar ook weder in vele andere gevallen. Dikwijls komt de jager gedurende zijne vele omzwervingen in de gelegenheid om een schot te doen op een plaats, waar hij dit buitenkansje in ’t geheel niet verwachtte.... De wijze waarop de Gemzen komen aanrennen, als zij door de drijvers zijn opgejaagd, is zeer verschillend en levert een groote verscheidenheid van tafereelen op: want de hellingen, kloven en ravijnen wisselen op allerlei wijzen af. Langs steile wanden volgen de Gemzen, als zij niet beschoten worden, bijna altijd denzelfden weg; over een kloof springt de eene na de andere; bij een helling gaan de dieren dikwijls, zonder op te houden, volgens een zigzaglijn naar beneden. In de kromhoutdennen verbergen zij zich gaarne; het is moeielijk te begrijpen, hoe zij zoo snel vooruit kunnen komen tusschen de weerbarstige en in bonte verwarring door elkander heengroeien de stammen en takken van dit gewas. Als de wind gunstig is, kunnen zij in den regel gemakkelijk voorwaarts gedreven worden; een hoofdzaak blijft het echter, dat zij den drijver zien; want, hoewel steenworpen hen doen opschrikken, wanneer de steenen dicht bij haar neerploffen, boezemen zij haar in den regel niet veel zorg in. Zij weten zeer goed, of de steenen haar kwaad kunnen doen of niet; wanneer zij dus door een vooruitstekende rots gedekt zijn, blijven zij in weerwil van de hagelbui van steenen, die vandaar naar beneden valt, rustig staan. Als er een nevel hangt, kan de gemzenjacht alleen dan gelukken, wanneer de drijvers zeer talrijk zijn en goed aaneengesloten kunnen blijven. Bij het naderen van een troep Gemzen, kan men niet zelden het genoegen smaken op te merken, dat deze dieren lichtzinnig van aard zijn. De hoofdtroep laat n.l. de zorg voor haar veiligheid geheel aan de als gids dienende geit over; terwijl deze stilstaat om te luisteren en rond te kijken, stooten en bevechten de overige elkander dikwijls, tenzij de drijvers zeer dicht bij haar zijn gekomen.
“Bij het schatten van den afstand waarop het wild zich bevindt, kan men zich licht vergissen, vooral wanneer men over een kloof heenziet; menige Gems wordt om deze reden gemist. Als regel geldt, dat de afstand voor ’t schieten te groot is, als men de hoornen niet meer kan zien. Het beste schot is natuurlijk een bladschot (door het schouderblad, het hart en de longen); dikwijls komen echter weidewondschoten voor (waardoor alleen de onderbuiksingewanden getroffen worden). Een op de laatstgenoemde wijze getroffen geit gaat wel is waar spoedig liggen; maar, als men haar nadert, of den Hond op haar afstuurt, gaat zij weg en beklimt meestal een rotswand, waar de Hond haar niet volgen kan; men moet dan zoo dicht mogelijk bij haar zien te komen, en haar door een schot van den wand naar beneden doen tuimelen. In het steilere gebergte kan men geen Hond gebruiken; in den regel zijn de bloedsporen hier echter gemakkelijk zichtbaar op het grijze gesteente. Soms is het echter voor den jager onmogelijk door te dringen tot de plaats, waar de Gems om ’t leven kwam, zoodat deze verloren gaat.”
Het vleesch van de Gems behoeft, wat smakelijkheid betreft, voor geen ander wildbraad onder te doen; het overtreft mijns inziens zelfs nog zeer dat van onze Ree—waaraan, zooals men weet, onder de inheemsche soorten van wild wegens malschheid en smakelijkheid de eereplaats wordt toegekend—; daar het zich door een pikante, met niets te vergelijken bijsmaak onderscheidt. Bijna even hoog als het vleesch wordt de huid geschat, die tot uitmuntend wildleder wordt verwerkt. Ook de hoornen worden op velerlei wijzen gebruikt; met de haren uit den kam van den rug eindelijk versiert zoowel de jager van beroep als de jachtlustige zondagsjager zich den hoed.
De Gems speelt in de volksliederen der Alpenbewoners dezelfde rol als door de Oosterlingen aan de Gazelle wordt toegekend. Honderden van gedichten schilderden haar en haar jacht op even treffende als bevallige wijze; velerlei sagen zijn verbonden aan haar natuurlijke geschiedenis, voor zoover deze tot het volk doordrong. Een algemeen verbreid bijgeloof noopt den jager het hart van het pas gedoode wild te openen en het hierin nog aanwezige bloed te drinken, in de verwachting dat hij hierdoor zijne spieren stalen, zijne zinnen scherpen en de gevreesde duizelingen verdrijven zal. Een ander volksgeloof beschut een witte Gems voor het doodend lood, omdat, naar men beweert, ieder die zulk een dier om ’t leven brengt, zijn leven door een val in den afgrond verliezen zal.
Jong gevangen Gemzen kunnen getemd worden. Men voedt ze met geitenmelk, met malsche grassen en kruiden, met kool, rapen en brood. Als men goedaardige Geiten heeft, kan men dezen het pleegouderschap over de kleine, wakkere bergbewoners toevertrouwen, die er des te beter om zullen gedijen. Vroolijk spelen zij met de sikjes, moedig en flink met den Hond; vertrouwelijk volgen zij hun verzorger, vriendschappelijk komen zij hem om voedsel vragen. Steeds voert een natuurdrift hen naar het hoogste punt dat zij bereiken kunnen. Steenklompen op het erf, muurkappen en andere verhevenheden zijn hunne meest geliefde standplaatsen. Daar staan zij soms uren achtereen. Hoewel zij nooit zoo forsch worden als de in vrijheid levende Gemzen, bekomt haar de gevangenschap toch zeer goed. Bij sommige breekt op lateren leeftijd ook een zekere wildheid door; dan maken zij dikwijls een flink gebruik van hare hoorntjes. Daar zij niet veeleischend zijn, valt haar de gevangenschap gemakkelijk. Op lateren leeftijd toonen zij zich nog minder kieschkeurig ten aanzien van haar voedsel dan in de jeugd. Gehard zijn zij van de geboorte af. In den winter zijn zij tevreden met een weinig stroo onder een open afdak. Het verblijf in een stal bevalt haar niet; ruimte om zich te bewegen en frisch water moeten zij volstrekt hebben. Oud gevangen Gemzen blijven altijd vreesachtig en schuw.
Zelden planten de Gemzen zich in de gevangenschap voort. In het jaar 1863 had Schöpff het genoegen dit verschijnsel bij een zijner gevangenen waar te nemen; den 30en Juni kwam een jonge, gezonde bok ter wereld. Het diertje kreeg een Geit tot pleegmoeder en groeide zoo voorspoedig op, dat het reeds na 1½ jaar bijna even groot was als de oude Gems. Deze bleef één jaar lang geit, maar wierp in ’t volgend jaar weder een jong. In Schönbrunn heeft men eveneens Gemzen gefokt.
*
Van alle bekende Antilopen wijkt de Saïga of Steppen-antilope (Colus tataricus, Antilope saiga), die in het noordoosten van ons werelddeel veelvuldig voorkomt, door belangrijke eigenaardigheden zoo sterk af, dat men haar terecht als vertegenwoordiger van een bijzonder geslacht aanziet. Zij herinnert door haar gestalte en haar aard aan het Schaap, in sommige opzichten echter ook weder aan het Rendier. Haar gestalte is zeer plomp, het vel buitengewoon langharig en de beharing zoo dicht, dat zij op een gladde wollen deken gelijkt. Meer dan door eenig ander kenmerk onderscheidt zich de Saïga echter door den vorm van haar bovenkaak en meer bepaaldelijk van den neus. Gene steekt voorbij de onderkaak uit, deze is door een overlangsche groeve in tweeën verdeeld en met een kraakbeenige huid bekleed; hij kan samengetrokken worden, zoodat de huid rimpels verkrijgt, en is dus zeer beweeglijk; het geheel vormt een echte slurf; men zou dus aan deze groep den naam van “Slurf-antilopen” kunnen geven. De hoornen, die alleen bij den bok voorkomen, staan eenigszins verwijderd van elkander, zijn liervormig, bleek van kleur en doorschijnend. De rug en de zijden zijn in den zomer grijsgeelachtig, de ledematen onder de knie donkerder, de zijden van den hals, de onderzijde van den romp en de binnenzijde van de pooten wit, het voorhoofd en de kruin geelgrijs of aschgrauwachtig; een lancetvormige rugvlek in de kruisstreek, die met grovere en langere haren bezet is, heeft een zwartachtig bruine kleur. Tegen den winter wordt de vacht lichter van kleur, het dier krijgt dan een grijsgeelachtig, aan de buitenzijde witachtig haarkleed. De lengte van den volwassen bok bedraagt 1.3 M., waarvan 11 cM. op den staart komen, de hoogte van de schoft ternauwernood 80 cM.; de hoornen van den volwassen bok langs de kromming gemeten zijn 25 à 30 cM. lang.

Saïga (Colus tataricus). 1/12 v. d. ware grootte.
De Saïga bewoont de steppen van Oost-Europa en van Siberië, van de Poolsche grens tot aan den Altaï. Van de landstreken ten zuiden van den Donau en van de Karpathen af ontmoet men haar in de steppen van het zuidoosten van Polen, in Klein-Rusland, langs de Zwarte Zee, om de Kaukasische gebergten, de Kaspische Zee en het Meer van Aral tot aan den Irtisch en den Ob, noordwaarts tot 55° N.B. Zij leeft steeds in gezelschappen, die zich echter in ’t begin van den herfst vereenigen tot kudden van verscheidene duizenden individuën, die tamelijk regelmatig trekken en eerst tegen de lente bij troepen naar hunne vroegere standplaatsen terugkeeren. Uiterst zelden ziet men een Steppen-antilope afzonderlijk, want ook gedurende den zomer blijven de oude bokken bij de kudde. Men merkt bij deze dieren geen groote behendigheid, geen bijzonder scherp zintuigelijk waarnemingsvermogen en slechts geringe geestesgaven op. De volwassenen loopen wel is waar zoo snel, dat zoomin Paarden als Windhonden ze inhalen kunnen; de jongere dieren geraken echter spoedig buiten adem; ook de oudere vallen spoedig ten buit aan de vereenigde inspanning van Roofdieren die in benden jagen, b.v. van Wolven. Zij verzetten hunne pooten bij ’t gaan overkruis en hebben daarbij geen bevallige houding, daar zij den hals ver vooruitsteken en den kop laten hangen. Hoewel zij tamelijk ver springen kunnen, geschiedt ook deze beweging veel minder sierlijk dan bij de overige Antilopen, maar veeleer plomp en onbeholpen.
Het voedsel van de Saïga bestaat hoofdzakelijk uit de zouthoudende kruiden, die de zonnige, dorre, dikwijls met zoutwaterbronnen afwisselende Tataarsche steppen op sommige plaatsen in verbazend groote hoeveelheid bedekken. De paartijd begint tegen het einde van November; gewoonlijk is hij gekenmerkt door de hevige gevechten, die de bokken elkander leveren. De wijfjes werpen in Mei, in den regel reeds vóór het midden van deze maand, één enkel, aanvankelijk zeer hulpbehoevend jong.
Hoewel de Saïga’s een slecht wildbraad opleveren, zijn de steppenbewoners hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op deze dieren. Zij worden te paard en met Honden vervolgd en in den regel ingehaald, wanneer zij ver vluchten moeten. Ook de Wolven richten een groote slachting onder hen aan en vreten de gedoode dieren geheel op met uitzondering van den schedel en de hoornen. De hoornen worden dan door de Kirgiezen of Kozakken ingezameld en voor geringen prijs aan de Chineezen verkocht.
*
De Gnoe’s (Catoblepas) zijn wel de meest in ’t oog vallende leden van de onderfamilie der Antilopen; zij houden als ’t ware het midden tusschen de Antilopen, het Rund en het Paard, en zijn echte caricaturen van de edele en sierlijke gestalten harer verwanten. Als men voor de eerste maal een Gnoe aanschouwt, verkeert men in twijfel over de plaats, die dit dier in ’t stelsel moet innemen. Het ziet er uit als een Paard met gespleten hoeven en een stierenkop; ook door zijne handelingen doet het aan zulk een bastaardvorm denken. Onmogelijk kan men den Gnoe een fraai dier noemen, hoe sierlijk ook de bouw van verscheidene zijner lichaamsdeelen is.
Het geslacht der Gnoe’s omvat weinige soorten, welke de volgende kenmerken met elkander gemeen hebben: De romp rust op matig hooge pooten en is kort en dik, de kop bijna vierhoekig, de neusspiegel breed, elk neusgat als ’t ware met een deksel voorzien. De oogen, ieder door een krans van stervormig uitstralende witte borstels kringvormig omgeven, hebben een woeste en boosaardige uitdrukking. De hoornen, die bij beide geslachten voorkomen, zijn op de voorhoofdslijst ingeplant, platgedrukt, zeer breed en met de spitsen naar boven gebogen. De staart eindigt in een langen kwast, evenals die van een Paard; de kruin van het aangezicht, de hals, de rug, de keel en de wangen zijn met lange manen voorzien; voor het overige bestaat het haarkleed uit glad aanliggende haren.
De Gnoe, het Wildebeest der Zuid-Afrikaansche Boeren (Catoblepas gnu), bereikt een totale lengte van 2.8 M., met inbegrip van den staart, die onbehaard 50 cM., met de haren echter 80 à 90 cM. lang is; de schofthoogte bedraagt 1.2 M. De kleur is over ’t geheel genomen donkergrijsbruin, op sommige plaatsen lichter, op andere donkerder van tint, nu eens naar geel en rood, dan weer naar zwart zweemend. Het wijfje is kleiner, hare hoornen zijn zwakker; haar kleur is volkomen gelijk aan die van het mannetje.

Gnoe (Catoblepas gnu). 1/15 v. d. ware grootte.
De Gnoe bewoont Zuid-Afrika, doch in ’t Kaapland is hij uitgeroeid. Volgens de berichten van geloofwaardige onderzoekers trekken deze dieren ieder jaar; mijns inziens geeft gebrek aan voedsel, evenals bij andere Antilopen, aanleiding tot deze verhuizingen. Het zijn hoogst beweeglijke, dartele dieren, die uitmuntend in staat zijn om uitgestrekte vlakten te verlevendigen.
Gordon Cumming vernam, dat het Wildebeest, zelfs wanneer het door een groot aantal jagers vervolgd wordt, zijn woonplaats niet verlaat. Steeds blijven deze ruige, vreemdsoortige en woeste gestalten in kringen om hunne vervolgers heen rennen en intusschen allerlei zonderlinge sprongen maken. Terwijl eenige jagers naar hen toe rijden om er een van te schieten, zetten zij hunne kringvormige bewegingen om de ter rechter en ter linkerzijde achtergebleven menschen voort, hoewel hun weg dan leidt over plaatsen, waar hunne vervolgers weinige minuten te voren reden. Afzonderlijk en bij troepen van 4 of 5 stuks ziet men soms de oude Wildebeest-bokken op eenigen afstand van elkander den geheelen voormiddag onbeweeglijk in de vlakte staan en met starende blikken op de bewegingen van het overige wild letten; intusschen hoort men van hen aanhoudend een luid, snuivend gedruisch en een eigenaardig, kort en scherp gesnork. Verscheidene reizigers noemen den Gnoe een toonbeeld van onbegrensden vrijheidszin en beschouwen hem als een buitengewoon moedig en krachtig dier.
Zijn zonderlinge gedaante heeft waarschijnlijk aanleiding gegeven tot de fabelen, die de inboorlingen van hem verhalen, en heeft misschien ook invloed gehad op vele van Europeanen afkomstige, zonderlinge berichten. Waar is het trouwens, dat de gewoonten van den Gnoe ons niet minder raadselachtig voorkomen, dan zijn gestalte. Al zijne bewegingen zijn snel, uitgelaten wild en vurig. Bovendien is hij meer dan eenige andere Herkauwer speelsch en tot plagerij geneigd. Als er ernstige gevechten geleverd moeten worden, toonen de mannetjes evenveel moed als de wijfjes. Hun stem gelijkt op het geloei van Runderen. De Zuid-Afrikaansche boeren van Hollandsche afkomst bootsen het eigenaardige geschreeuw van de jonge dieren na door de woorden “Nonja, g’n avond!” en beweren door dit geluid dikwijls in de waan gebracht te zijn, dat zij in hun taal aangesproken werden. In gevangenschap zijn deze dieren dikwijls onhandelbaar en wild, ongevoelig voor liefkoozingen en ongeschikt om getemd te worden, maar ook tamelijk onverschillig voor het verlies van hun vrijheid. De vrouwelijke Gnoe’s brengen soms in de eene, soms in een andere maand van het jaar één jong ter wereld, dat reeds weinige dagen na de geboorte behagen schept in dezelfde sprongen en grappen als zijne ouders, en dat wegens zijn geringere grootte een nog veel potsierlijken indruk maakt dan deze. De moeder is met innige liefde aan haar kroost gehecht en stelt zich om het te verdedigen, zonder aarzelen aan gevaren bloot.
De jacht op den volwassen Gnoe biedt bezwaren aan wegens de ongeloofelijke snelheid en volharding van dit dier. De vluchtende Gnoe’s hebben een opmerkelijke overeenkomst met vervolgde Wilde Runderen. Slechts toevallig vangt men een Gnoe in een valkuil of een strik. Dieren, welke oud gevangen zijn, gedragen zich, alsof zij dol en onzinnig zijn; de jonge daarentegen worden, als men ze met koemelk voedt en zich veel met hen bemoeit, weldra zoo tam, dat men ze met de kudden kan laten weiden en hen alle vrijheden van een huisdier toestaan kan.
Het nut van den gedooden Gnoe is van denzelfden aard als dat, hetwelk andere Afrikaansche soorten van wild opleveren. Zijn vleesch wordt gegeten, omdat het sappig en malsch is; de huid wordt voor allerlei lederwerk gebruikt; van de hoornen vervaardigt men meshechten en andere voorwerpen.
Op de Holhoornigen laten wij een Herkauwer volgen, die tot in den laatsten tijd als een Antilope werd beschouwd, hoewel de eigenaardige ontwikkeling van zijne hoornen, die zich van de wapens van alle Holhoornigen onderscheiden, deze meening weerspreekt. Een wetenschappelijke beschrijving van dit merkwaardige dier, dat waarschijnlijk reeds door Hernandez (lijfarts van den Spaansche koning Philips II) onder den naam “Teutlamazane” als een bewoner van Mexico werd genoemd—had eerst in 1815 plaats. Eerst in den laatsten tijd echter werd een wetenschappelijke dwaling uit den weg geruimd, waardoor aan dit dier tot dusver een verkeerde plaats in het stelsel was aangewezen.
Het bedoelde dier, de Gaffelbok, verschilt van alle leden zijner orde, doordat zijne hoornen, welke evenals die der Holhoornigen uit hoornpit en hoornscheede bestaan, gaffelvormig vertakt zijn; zij groeien niet, zooals die der Holhoornigen, aanhoudend door, maar worden van tijd tot tijd, evenals het gewei der Herten (hoewel op een eigenaardige wijze) afgeworpen en opnieuw gevormd. Andere bijzonderheden, zooals het aanwezig zijn van zekere klieren, de vorm der hoeven, de gesteldheid van het haar enz., gaven Murie, die het dier ontleedde, aanleiding het een “kortkoppige, giraffe-hoevige, geit-klierige, schaap-harige Antilope” te noemen, een uitdrukking die niets anders kan beteekenen, dan dat de Gaffelbok geen Antilope is. Alle kenmerken van den bedoelden Herkauwer zijn zoo eigenaardig en belangrijk, dat men hem met geen der van oudsher aangenomen familiën zijner orde vereenigen kan, maar hem als vertegenwoordiger eener afzonderlijke familie, die der Gaffelhoornigen beschouwen moet.
De Gaffelbok, ook wel Gaffel-antilope, Gaffel-gems of Kabri genaamd (Antilocapra americana), heeft over ’t algemeen de gestalte van een forsche Antilope en een totale lengte van ongeveer 1.5 M., waarvan 17 à 20 cM. op den staart komen, bij een schofthoogte van 80 cM. De kop is niet fraai, maar schaapachtig en langwerpig, het oog groot, donker en vol uitdrukking, het oor middelmatig lang en toegespitst. De hals is middelmatig lang; de romp schijnt minder krachtig dan hij werkelijk is, daar hij op zeer slanke en meer dan middelmatig hooge pooten rust. Drie verschillende, meestal scherp bij elkander afstekende kleuren, roestkleurig-isabel, wit en donkerbruin, maken zijn vacht zeer bont. De hoornen en de hoeven zijn zwart. De bij beide geslachten voorkomende, doch alleen bij den bok gegaffelde, steil opstijgende en aan de spits scherp binnenwaarts en achterwaarts gebogen hoornen zijn bij den ouden bok bijna dubbel zoo breed als dik, merkwaardig oneffen en knobbelig, op sommige plaatsen onregelmatig bezet met korte, puntige uitwassen. Bij ’t mannetje worden de hoornen 25 à 30, bij ’t wijfje slechts 8 à 12 cM. hoog.
Het verbreidingsgebied van dit dier strekt zich uit over het westen van Noord-Amerika, van den Saskatschewan in het noorden ongeveer tot den Rio Grande in het zuiden en van den Missouri tot aan de kusten van den Stillen Oceaan. Hij bewoont echter geenszins, zooals men meende, uitsluitend de effene vlakten; men heeft hem eveneens in de kale, hooge dalen van het Rotsgebergte tot op 2500 M. hoogte aangetroffen.
Allen, die de Gaffelbokken hebben leeren kennen, bewonderen eenstemmig hunne snelheid en behendigheid. Het moge zijn, dat enkele Antilopen in deze opzichten meer bevoorrecht zijn, de dieren der prairie staan alle bij hen achter. Licht en lenig, de hooge pooten ver vooruitplaatsend “jagen zij als de stormwind over de vlakte” en stellen bovendien ieder ander Amerikaansch Zoogdier in de schaduw door hun volharding. “Een opgeschrikte kudde van Gaffelbokken levert een onvergelijkelijk en onvergetelijk schouwspel op.” Deze dieren bewegen zich, terwijl zij over de heuvels vluchten, bergop en bergaf met dezelfde behendigheid en zekerheid als op den vlakken bodem; de voorpooten worden hierbij zoo snel achtereen verplaatst, dat men hunne verschillende deelen niet meer onderscheiden kan, evenmin als de spaken van een ronddraaiend rad. De Gaffelbokken hebben uitmuntende zintuigen: zij kunnen op grooten afstand zien, hebben een zeer fijn gehoor en krijgen de lucht van een onder den wind hen bekruipenden vijand op een afstand van verscheidene honderden schreden. Waakzaam en schuw, tot op zekere hoogte ook schrander en in allen gevalle voorzichtig, kiezen zij hunne standplaatsen—en meer bepaaldelijk die, waar zij op ’t midden van den dag gewoon zijn te herkauwen en te rusten—altijd op zulk een wijze, dat zij een vrij uitzicht hebben; ook weten zij voortreffelijk gebruik te maken van de heerschende windrichting; bovendien zetten zij opzettelijk schildwachten uit. Nederzettingen van den mensch worden met zorg door hen gemeden; daarentegen bekommeren zij zich weinig om het vee, niet eens om Paarden en Runderen, in welker nabijheid men ze dikwijls zelfs onbeschroomd ziet grazen.
Op zijn vroegst in Mei, op zijn laatst in het midden van Juni werpt het wijfje jongen, gewoonlijk twee. Evenals alle Herkauwers groeien ook de jonge Gaffelbokken betrekkelijk zeer schielijk. Reeds tegen het einde van Juli breken bij den bok evenals bij de geit de hoornen door; in den beginne zijn dit korte, stomp kegelvormige spitsen, die in December 2 à 5 cM. lang geworden zijn, van nu af echter niet verder groeien, maar hunne hoornscheeden verliezen, die door nieuwe vervangen worden. Dit verschijnsel wijkt echter zoo volkomen van de wisseling der geweien bij de Herten af, en is, ook op zich zelf beschouwd, zoo merkwaardig, dat ik het uitvoeriger beschrijven moet.

Gaffelbok (Antilocapra americana). 1/12 v. d. ware grootte
Canfield is de eerste geweest, die de hoornwisseling waargenomen en de uitkomsten van zijn onderzoek aangeteekend heeft. Daar zijn verhandeling over dit onderwerp, hoewel in September 1858 aan Baird gezonden, eerst in het jaar 1886 het licht zag, komt aan Bartlett, die in de Londensche diergaarde gevangen Gaffelbokken verzorgde, de eer toe, de wetenschap met het eerste bericht over een ongeloofelijk schijnend feit verrijkt te hebben. De onderling volkomen overeenstemmende mededeelingen der beide genoemde onderzoekers zijn in lateren tijd nog door waarnemingen van anderen bevestigd geworden.
Bartlett bericht, dat de door hem verzorgde Gaffelbok kleine hoornen had, die sedert het midden van October plotseling snel schenen te groeien; zij namen niet alleen in lengte toe, maar weken tevens ook verder uiteen. In den morgen van den 7en November kwam de oppasser niet zonder ontroering vertellen, dat de Gaffelbok één van zijne hoornen verloren had; Bartlett begaf zich naar aanleiding van dit bericht naar den stal en zag bij zijn komst, dat ook de tweede hoorn afgevallen was. Tot zijn niet geringe verbazing bemerkte hij bij nader onderzoek van het dier twee nieuwe hoornen op de plaats van de oude; zij bestonden ieder uit een zeer kort, met een hoornachtige huid bedekt uitsteeksel van het voorhoofdsbeen, en waren met lange, sluike zachte haren bekleed. Van een bloeding, zooals altijd plaats heeft bij het verlies van echte holle hoornen of bij het afwerpen van geweien, was hier niets te bemerken. De nieuwe hoornen schenen dikker te zijn dan de holte van de oude, welk feit hierin zijn verklaring vindt, dat de dicht bijeenstaande haren aan den voet der horens het afwerpen van de oude hoornscheeden, dat door den groei van de huid tusschen hoornpit en hoornscheede allengs veroorzaakt wordt, verborgen hadden gehouden. Uit den snellen groei van de nieuwe hoornen kon men met zekerheid afleiden, dat de hoornwisseling een volkomen natuurlijk, geen abnormaal verschijnsel is. Deze onderstelling werd volkomen bevestigd door de mededeelingen van Canfield, die tengevolge van het bericht van Bartlett gepubliceerd werden. Een door den genoemden Amerikaan verzorgde Gaffelbok bereikte een ouderdom van bijna 3 jaren en wierp in dezen tijd ieder jaar geregeld zijne hoornen af, zoodat niet alleen de wisseling der hoornen, maar ook hun verdere ontwikkeling tweemalen waargenomen kon worden. De hoornen van het derde jaar hadden in zooverre een vormsverandering ondergaan, dat zij op de dwarse doorsnede niet meer rond, maar eivormig waren en dat de gaffelplaat zich begon te vormen. Er ontstaat n.l. aan den wortel van iedere hoornpit, aanvankelijk gescheiden van deze, een tweede knobbel op het voorhoofdsbeen, dus als ’t ware een tweede paar hoornpitten; deze vereenigen zich echter zeer schielijk en voor goed met de oudere hoornpitten en dienen voortaan alleen tot ontwikkeling van het gaffelvormig uitsteeksel. In het nu volgende jaar (van Juni tot Juni) ontstaat de volledige hoorn, die voortaan na iedere wisseling in hoofdzaak denzelfden vorm behoudt, maar iets grooter wordt. Men onderstelt, dat de nieuwe hoornmassa voortgebracht wordt door versmelting van haren, die uit haarkiemen van de huid tusschen de hoornpit en de hoornscheede voortkomen; omdat deze haarkiemen zich op den bedoelden tijd sterk beginnen te ontwikkelen, zullen zij de oude hoornen wegschuiven. Van November tot Januari is een scherpe grens tusschen de beharing en den eigenlijken hoorn niet merkbaar; de geheele, nieuwe hoorn is dan dicht bedekt met een bast van haren, die niet “geveegd” wordt, zooals bij de Herten, maar bij het aangroeien van de hoornmassa langzamerhand afvalt. In den zomer is de grens tusschen het haar en den hoorn zeer duidelijk te zien.
Oud gevangen Gaffelbokken geraken, naar het schijnt, niet gewoon aan het verlies van hun vrijheid. Die, welke men in den winter, als er veel sneeuw ligt, vangen kon, toonden zich bijzonder goedaardig, ja zelfs vertrouwelijk, toen zij in een omheinde ruimte vrijgelaten werden; deze gemoedstoestand duurde echter slechts zoolang als de toestand van afmatting en krachteloosheid, waarin zij aanvankelijk verkeerden, aanhield. Zoodra de hongersnood voorbij was, werd het verlangen naar onbeperkte vrijheid opnieuw levendig en openbaarden zij weder hun oorspronkelijke wildheid. Zij renden en sprongen, alsof zij onzinnig waren, tegen de omheining van hun perk en gingen geweldig te keer, totdat zij zich doodelijk gewond hadden. Ook de kalveren, die kort na hun geboorte opgenomen worden, sterven gewoonlijk na een korte gevangenschap, wanneer men ze niet met bijzondere zorg behandelt.
Voor 20 à 25 jaren werd van de jacht op den Gaffelbok nog niet veel werk gemaakt, “slechts ingeval van nood, als men geen vleesch van Bisons kon krijgen,” bericht de Prins Von Wied. In dien tijd was de Indiaan nog de ergste vijand van het dier, tegenwoordig heeft hij op vele plaatsen reeds moeten wijken voor den Europeeschen jager.
Het voordeel, dat deze jacht oplevert, is niet onbelangrijk. Hoewel vele lieden van het hierdoor verkregen wildbraad een afkeer hebben wegens de sterke lucht die het verbreidt, vinden de meeste Europeanen, dat het een uiterst fijnen wildsmaak heeft, geheel verschillend van die onzer Herten en Reeën, en daarom terecht onder de uitmuntendste gerechten van het westen gerekend wordt. Van het lichte en zachte, maar weinig duurzame vel maken de Indianen zich hemden; de Europeanen vervaardigen er handschoenen van.
Geen enkele Familie van de geheele orde kan zoo gemakkelijk in korte woorden omschreven worden als die der Herten (Cervidae). Door ze Geweidragende Herkauwers te noemen heeft men ze nauwkeurig genoeg aangeduid; alle overige eigenaardigheden kunnen in vergelijking met deze als bijzaken beschouwd worden.
De geweien komen meestal alleen bij de mannetjes voor. Het zijn parige, uit been samengestelde, vertakte hoornen, die telken jare afgeworpen en opnieuw gevormd worden. Reeds vóór de geboorte van het Hert is de plaats, die het gewei zal dragen, door een sterkere verbeening van den schedel aangeduid. In de 6e à 8e levensmaand ontstaat op elk voorhoofdsbeen een beenige knobbel, die de daarboven liggende huid opheft. Deze knobbel, “rozenstok” genaamd, blijft gedurende het geheele leven bestaan; hij dient als voetstuk voor het gewei. In den beginne zijn de geweien slechts éénspitsig, later vertakken zij zich hoe langer hoe meer; daar van de hoofdstang takken uitgaan, welker aantal stijgen kan tot twaalf aan iedere stang. “Bij toenemenden leeftijd,” zegt Blasius, “komt er in de geweien der Herten een zeer groote verandering tot stand. De eerste, voor iedereen duidelijk merkbare verandering is die der rozenstokken; deze uitsteeksels van het voorhoofdsbeen vergrooten zich ieder jaar, naderen hierdoor meer en meer het midden van het voorhoofd en komen dus dichter bij elkander; op gelijke wijze vermindert met het naar boven groeien van de voorhoofdslijst de afstand tusschen den rozenstok en den schedel in ieder jaar. Nog opmerkelijker zijn echter de veranderingen in den vorm der “stangen” en het aantal harer vertakkingen: de “enden” of “spitsen” van het gewei. De nieuwe geweien, in welker eerste begin van ontwikkeling de oorzaak voor het afwerpen der oude gelegen is, zijn aanvankelijk omgeven door een behaarde, vele bloedvaten bevattende huid, zij eindigen dan nog stomp en zijn week en buigzaam. Eerst groeien de lager geplaatste, daarna de hoogere “enden” van de hoofdstang uit; nadat alle “enden” hun definitieve grootte hebben bereikt en puntig geworden zijn, houdt de omloop van het bloed in het gewei op: nu gevoelt het Hert behoefte om huid of “bast” van het gewei, die nu ook van zelf begint los te geraken, te verwijderen, te “vegen”.
De verandering of, zooals men ook mag zeggen, de verdere ontwikkeling van het gewei, heeft nu op de volgende wijze plaats: Reeds voordat het Hert één jaar oud geworden is, ontstaan als onmiddellijke voortzettingen van de rozenstokken “stangen”. Bij sommige soorten van de familie worden de stangen wel afgeworpen, maar altijd op dezelfde wijze weder vervangen. Bij de meeste Herten echter wordt de plaats van de stangen van het eerste jaar—van de zoogenaamde “spiesen”—in de lente van het tweede jaar ingenomen door een paar stangen, die ieder met één tak (soms ook met twee takken) voorzien zijn, en het gewei van het tweede jaar vormen. In de lente van het derde jaar herhaalt zich hetzelfde verschijnsel: de stang, die zich dan in het verlengde van den rozenstok ontwikkelt, heeft echter één tak meer dan die van het vorig jaar. Op deze wijze gaat het voort, totdat het dier zijne grootst mogelijke ontwikkeling bereikt heeft. Ziekten of slechte voeding brengen soms teruggang teweeg: de in zulk een tijdperk gevormde stangen hebben 1 of 2 takken minder dan die, waarvoor zij in plaats komen. Daarentegen kan de ontwikkeling van het gewei bespoedigd worden door een rijkelijke voeding en een rustige, zorgenvrije levenswijze.
Het gewei is op den rozenstok bevestigd, doordat beide op de plaats, waar zij met elkander in aanraking zijn, een zeer oneffene oppervlakte hebben; de uitsteeksels van het gewei passen in de holten van den rozenstok en omgekeerd.
Bij de meeste Herten merkt men eenige dagen vóór het afwerpen van het gewei een opzwelling op van de huidstrook, die de plaats van verbinding van gewei en rozenstok omgeeft; het Hert mijdt dan het stooten met het gewei en toont hierdoor, dat het een ongewoon gevoel heeft op de plaats waar het aangehecht is.
Het afwerpen zelf geschiedt ten gevolge van de zwaarte van het gewei; een geringe schok van buiten geeft er dikwijls aanleiding toe. Hoogst zelden worden de beide stangen tegelijk afgeworpen; in den regel verloopt er tusschen het loslaten van de eene en van de andere stang een tijdruimte van verschillenden duur, die soms eenige weinige minuten, soms verscheidene dagen omvat. Door zijn geheele voorkomen, vooral echter door de houding van zijn kop en het laten hangen der ooren, toont het Hert, dat het afwerpen van het gewei, een pijnlijke verrichting is, of althans met een onaangenaam gevoel gepaard gaat. Reeds verscheidene dagen van te voren, stoot de bok niet meer, maar verweert zich, evenals de hinde, door met de voorpooten te slaan. Na het afwerpen van de eene stang wordt hij door het grootere gewicht van de eene helft van den kop genoopt om den kop scheef te houden; hij schudt hem dikwijls, alsof hij op deze wijze de andere stang eveneens wil verwijderen.
Reeds in den voortijd waren de Herten over een groot deel van de aardoppervlakte verbreid. Tegenwoordig bewonen zij, met uitzondering van het Ethiopische rijk en van Australië, alle werelddeelen en nagenoeg alle klimaten, de vlakten zoowel als de gebergten, de open terreinen zoowel als de wouden. Alle Herten zijn levendige, vreesachtige en spoedig vluchtende dieren, snel en behendig in hunne bewegingen, met uitnemende zintuigen uitgerust, doch met tamelijk geringe geestesgaven bedeeld. Hun stem bestaat uit kort afgebroken, doffe geluiden bij het mannetje en uit een soort van geblaat bij het wijfje.
Als voedsel gebruiken de Herten uitsluitend plantaardige stoffen; het is althans volstrekt nog niet uitgemaakt, dat de Rendieren, zooals men beweerd heeft, ook wel Lemmingen eten. Grassen, kruiden, bloemen, bladen en naalden, knoppen, jonge spruiten en takken, graan, bessen en andere vruchten, schors, mossen, korstmossen, en zwammen vormen de voornaamste bestanddeelen van hun voedsel. Zout is voor hen een lekkernij, water een behoefte.
Het wijfje werpt 1 of 2, in enkele gevallen 3 jongen, die volkomen ontwikkeld ter wereld komen en reeds na verloop van weinige dagen hun moeder volgen. Bij eenige soorten toont ook de vader genegenheid voor zijn kroost. De Kalfjes scheppen veel behagen in de liefkoozingen van hun moeder; deze verzorgt ze zorgvuldig en beschermt ze ook tegen de gevaren, die hen bedreigen.
In gewesten waar de landbouw en de boschbouw volgens de eischen van den tegenwoordigen tijd uitgeoefend worden, kunnen de Herten niet meer geduld worden. De schade die deze fraaie dieren aanrichten, overtreft in dit geval het geringe voordeel dat zij opleveren. Ongelukkig genoeg is hun bestaan in strijd met een goede exploitatie van den bodem. Als de jacht er niet was, die terecht als een der edelste en mannelijkste uitspanningen wordt beschouwd, zouden alle Herten bij ons reeds sinds lang uitgeroeid zijn. Nog is het niet zoo ver gekomen; maar toch gaan alle in ons midden wonende leden van deze in zoovele opzichten uitmuntende familie met rassche schreden hun ondergang te gemoet; zij zullen waarschijnlijk reeds na verloop van korten tijd alleen in wildparken en diergaarden te vinden zijn.
Het is niet zoo gemakkelijk Herten te temmen, als men gewoonlijk onderstelt. Wel is waar gedragen al deze dieren, als zij vroegtijdig in gevangenschap gekomen en aan den mensch gewoon geraakt zijn, zich in hun jeugd zeer lieftallig, vertrouwelijk en aanhankelijk; naarmate zij ouder worden verdwijnen deze eigenschappen hoe langer hoe meer; bijna alle oude Herten zijn driftige, boosaardige en twistzieke wezens. Hierop vormt ook de eenige, reeds sedert langen tijd in gevangenschap levende soort, het Rendier, geen uitzondering. Zij kan te dezen aanzien volstrekt niet op één lijn gesteld worden met het Rund en andere soorten van Herkauwers, die huisdieren geworden zijn; het temmen is bij haar slechts ten deele gelukt.
In de eerste plaats zullen wij de reusachtigste leden dezer familie behandelen. De Elanden (Alces), die tegenwoordig nog slechts één enkele vertegenwoordiger hebben, of twee, indien men den Amerikaanschen Eland als een afzonderlijke soort beschouwt, zijn kolossale, plomp gebouwde, hoogpootige dieren met bladvormig uitgebreide, vingervormig ingesneden, sterk getakte geweien: zij hebben kleine traansleuven, haarlokken aan de binnenzijde van den voetwortel en klauwklieren, maar geen hoektanden. De kop is leelijk, de behaarde bovenlip hangt over de onderlip heen; de oogen zijn klein, de ooren lang en breed; de staart is zeer kort.
Reeds sedert oude tijden is de Elk of Eland (Alces palmatus) hoog beroemd. Over den oorsprong van den naam verkeert men nog in ’t onzekere: Sommigen beweren, dat hij van het oude woord “elend” of “elent” is afgeleid, en “sterk” beteekent, anderen nemen aan dat hij uit het Slavische woord “jelen” (= “hert”) ontstaan is. Reeds de oude Romeinsche schrijvers kennen den Eland als een Germaansch dier. “In het Hercynische Woud”, zegt Julius Caesar, “leven de Alces, dieren, die in gestalte en verscheidenheid van kleur op Geiten gelijken, hoewel grooter en zonder hoornen, de voeten zonder gewrichten. Zij gaan ook niet liggen om te rusten, en kunnen niet opstaan, als zij gevallen zijn. Om te slapen leunen zij tegen boomen; daarom worden deze door de jagers uitgegraven en zoo afgehouwen, dat zij licht omvallen, zoodra het dier er tegen leunt.” In de Middeleeuwen wordt dit dier dikwijls genoemd, o.a. ook in het Nibelungen-lied, waar het onder den naam “Elk” voorkomt. Als de sage waarheid behelst, moet in dezen tijd de Eland in geheel Duitschland en Nederland tot aan het uiterste westen geleefd hebben, want bij de beschrijving van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:
“Daarna versloeg hij weder een Wisent en een Elk, Vier sterke Auers en een boosaardigen Schelk”.
Een verordening van Keizer Otto den Grooten van het jaar 943 houdt in, dat niemand zonder verlof van den bisschop in de bosschen van Drente aan den Neder-Rijn, Herten, Beren, Reeën, Evers en de wilde dieren die in de Duitsche taal Elo of Schelo heeten, zou mogen jagen.
In de laatste eeuwen is het aantal Elanden in Europa overal zeer snel afgenomen. Nog in de 17e en misschien zelfs nog in de 18e eeuw kwam de Eland hier en daar in Saksen en Silezië voor. In Saksen werd de laatste Eland in het jaar 1746, in Silezië de laatste in het jaar 1776 gedood. In het woud Ibenhorst bij Tilsit is dit wild, door koninklijke voorschriften beschermd, tot in onzen tijd blijven bestaan. Wel was het aantal exemplaren in het jaar der jachtvrijheid 1848 ook hier tot op 16 stuks en in het volgende jaar zelf tot op 11 stuks verminderd; strenge beschermende maatregelen en het invoeren van Zweedsche Elanden in het begin van de jaren 1860–1870 hebben echter den wildstand weder uitgebreid, zoodat hij thans tot nagenoeg 100 stuks is toegenomen. Bovendien bevinden zich in de bosschen van het regeeringsdistrict Koningsbergen nog 70 à 80 stuks Elanden. Derhalve mogen wij ook thans nog deze soort van Herten tot de Duitsche dieren rekenen.
Behalve in deze onder zeer streng toezicht geplaatste wildparken vindt men den Eland in alle op hoogeren breedtegraad gelegen, boschrijke landen van Europa en Azië. In ons werelddeel is hij beperkt tot de Baltische laaglanden, derhalve tot Oost-Pruisen, Littauen, Koerland en Lijfland, en bewoont bovendien Zweden en Noorwegen en eenige streken van Rusland. Men treft hen aan in de oostelijke provinciën van het zuiden van Noorwegen en in de hieraan grenzende westelijke provinciën van Zweden, met andere woorden in de ontzaglijke wouden, die het Kjölengebergte bedekken. Veel overvloediger dan in Europa komt de Eland in Azië voor. Hij bewoont hier het geheele noorden boven den 59en graad N.B. tot aan den Amoer en wordt overal gevonden, waar uitgestrekte wouden zijn.
De Eland is een buitengewoon groot dier. De lichaamslengte van een volwassen exemplaar bedraagt 2.6 à 2.9 M., de lengte van den staart ongeveer 10 cM., de schofthoogte 1.9 M. Zeer oude dieren kunnen een gewicht van 500 KG. bereiken; als hun gemiddeld gewicht kan men echter 300 à 400 KG. rekenen. De Eland heeft een betrekkelijk korten en dikken romp; hij is breed aan de borst, hoog, bijna bultig van schoft, recht van rug, laag in het kruis. Hij rust op zeer hooge en forsche pooten van gelijke lengte, welker hoeven smal, recht, diep gespleten en door een rekbaar spanvlies verbonden zijn; de bijhoeven komen licht met den bodem in aanraking. De korte, forsche en krachtige hals draagt den grooten, langwerpigen kop, die vóór de oogen versmald is, en in een langen, dikken, gezwollen, van voren zeer breed afgeknotten snuit eindigt. Het gewei van het volwassen mannetje bestaat uit een groote, enkelvoudige, zeer uitgebreide, driehoekige, platte, schopvormige, gegroefde plaat (“de kroon”), die aan haar buitenrand met talrijke takken bezet is en door korte, dikke, afgeronde, met weinige knobbeltjes (“paarlen”) bezette stangen gedragen wordt; deze rusten op korte rozenstokken en zijn van hun oorsprong af zijwaarts gebogen. Het gewei kan wel 20 KG. zwaar worden. Het wijfje is slechts weinig kleiner, maar heeft geen gewei.

Eland (Alces palmatus). 1/24 v. d. ware grootte.
De Eland is met lange en stijve haren dicht bekleed. De kleur van de vacht is tamelijk gelijkmatig roodachtig bruin, gaat aan de manen en de zijden van den kop in glanzig donker zwartbruin, aan het voorhoofd in roodachtig bruin en aan het einde van den snuit in grijs over; de pooten zijn witachtig aschgrauw, de oogringen grijs.
Wilde, eenzame bosschen, die rijk zijn aan broekland en ontoegankelijke moerassen, bij voorkeur die, welke wilgen, berken, espen en andere breedgebladerde boomen bevatten, leveren geschikte woonplaatsen voor den Eland. Moerassen en venen schijnen volstrekt noodig te zijn voor zijn leven en welvaren. Het plompe dier houdt zich gedurende den zomer in de lager gelegen, natte gewesten op, in den winter in de hoogere, die niet onderhevig zijn aan overstroomingen en niet met ijs bedekt worden. Bij helder weer houdt hij zich het liefst in bosschen van loofboomen, bij regen, sneeuw en nevel daarentegen in dichte naaldboomwouden op. Bij gebrek aan rust of schaarschte van voedsel verandert hij licht van woonplaats.
De levenswijze van de Elanden wijkt in vele opzichten van die van de Edelherten af. Evenals deze vereenigen gene zich tot meer of minder talrijke troepen en eerst tegen den werptijd scheiden de oude mannetjes zich af, en vormen gewoonlijk afzonderlijke gezelschappen.
Meer nog dan de overige Herten heeft de Eland een innigen hekel aan stoornissen van allerlei aard. Hij verlangt een volstrekte rust en verlaat een streek, waar hij herhaaldelijk lastig gevallen werd. Op plaatsen, waar hij verzekerd is niet gestoord te zullen worden, slaapt hij, korte rustpauzen misschien uitgezonderd, niet anders dan in de vóór- en namiddaguren en zwerft eerst na 4 uur ’s namiddags gedurende den avond en in de eerste uren van den nacht, van den ochtend en van den morgen rond; in ’t tegenovergestelde geval gebruikt hij den nacht om te laveien. Zijn voedsel bestaat uit bladen en spruiten van de rozemarijnbladige wilg, van berken, esschen, espen, lijsterbessen, van spitsbladige eschdoornen, van linden, eiken, dennen, sparren, uit heide, jong riet en jonge zeggen, uit jonge graangewassen en vlas. Bij ’t schillen van een boom slaat hij zijne snijtanden als een beitel in de schors, maakt hiervan een stukje los, pakt dit met de tanden en lippen aan en scheurt dan in bovenwaartsche richting lange strooken schors af; hij doet dit zoo goed, dat hij niet zelden zelfs zeer dikke espen nog volledig ontschorst. Sommige stammen buigt hij met den kop naar beneden en breekt dan de kroon er af. Zooals licht te begrijpen is, geeft hij bij het ontschorsen de voorkeur aan alle boomen en struiken met saprijke schors, zooals espen, esschen, wilgen en populieren.
De bewegingen van den Eland zijn veel minder evenredig en licht dan die van het Edelhert. Hij is niet in staat tot langdurig hollen, maar maakt zich toch zeer snel en met ongeloofelijke volharding uit de voeten; sommige schrijvers beweren, dat hij in één dag 30 mijlen kan afleggen.
Een hoogst zonderlinge bewegingswijze in waterrijke veengronden wordt door Wangenheim beschreven. De Eland buigt daar, waar de bodem hem niet meer dragen kan, de achterpooten op zulk een wijze, dat de geheele achtervoet recht uitgestrekt op den grond rust, schuift het lichaam naar voren door met de voorhoeven te trekken, en met de sterke pezen der achterpooten te duwen en glijdt zoo over de slijkerige vlakte. Daar waar de bodem geheel en al week is, gaat hij zelfs op zijde liggen en werkt zich vooruit door met de pooten te slaan en te schoppen. In het zwemmen is de Eland een meester. Hij gaat te water, ook wanneer hij er niet door den nood toe gedrongen is; hij doet dit, evenals vele Rundersoorten, uit eigen aandrift, voor zijn genoegen, om te baden en zich te verfrisschen; in Oost-Siberië zoekt hij zelfs de diepste bergkloven op, waarin de sneeuw lang liggen blijft, om zich hierop rond te wentelen. Op glad ijs, dat niet met sneeuw bedekt is, kan hij niet lang gaan; als hij op de spiegelgladde baan gevallen is, komt hij niet gemakkelijk weer op de pooten. Gedurende het loopen merkt men een hoorbaar tikken van de bijhoeven tegen de hoefballen op; dit gedruisch noemt de jager “schellen”. Een Eland, die eenmaal aan den loop is, laat zich door niets van den weg afbrengen, zoomin door de wildernissen van het woud, als door de rivieren, meren of moerassen, die hij ontmoet.
De Eland kan uitstekend hooren; voor ’t kijken, speuren en de lucht van iets krijgen zijn zijne zintuigen echter minder geschikt. Zijne geestvermogens logenstraffen zijn dom en plomp uiterlijk niet. Uit zijne handelingen kan men afleiden, dat zijn verstand gering is. Hij is niet bijzonder schuw en nog minder voorzichtig; ternauwernood leert hij werkelijk bestaande gevaren van denkbeeldige onderscheiden. Van een band tusschen de leden van den troep bemerkt men niets: ieder individu handelt naar eigen inzicht; het kalf alleen volgt zijn moeder, niet echter de geheele troep een aanvoerder, zooals bij de meeste andere Herten het geval is. De paartijd vangt in de Oostzeelanden tegen het einde van Augustus aan, in Aziatisch Rusland in September of October. Omstreeks dezen tijd zijn de mannetjes in de hoogste mate opgewonden, zij dagen alle concurrenten die zij ontmoeten, tot een tweestrijd uit en bevechten hen met woede en kwaadaardigheid; zij vallen dikwijls ook menschen aan; rusteloos en zonder bepaald doel loopen zij rond, over dag zoowel als ’s nachts. Zeer groot is de gehechtheid en de liefde van de moeder voor hare jongen. Zij verdedigt ze zelfs na hun dood en dwaalt, wanneer zij haar ontroofd zijn, dikwijls nog dagen lang op de plaats van het onheil rond, om ze te zoeken.
Behalve van den mensch, heeft de Eland, in weerwil van zijn lichaamskracht, van verscheidene andere vijanden gevaar te vreezen: vooral van den Wolf, den Los, den Beer en den Veelvraat. De Wolf overmeestert den Eland gewoonlijk in den winter, als er veel sneeuw ligt; de Beer besluipt gewoonlijk slechts alleenloopende dieren en valt een troep niet aan. De Los en soms ook de Veelvraat bespringen een onder hen doorloopenden Eland van boven af, slaan hem de klauwen in den hals en bijten hem de slagaders door. Zij kunnen als de gevaarlijkste vijanden van dit weerbare wild aangemerkt worden; de Wolven en Beren daarentegen mogen wel voorzichtig zijn, want de Elanden kunnen, zelfs wanneer zij geen gewei hebben, met goed gevolg voor hun verdediging gebruik maken van de harde en scherpe hoeven der voorpooten.
De Elanden worden tam, als zij jong gevangen zijn en kunnen dan zelfs zonder bezwaar losloopen; bij ons blijven zij in de gevangenschap echter niet lang leven. In Zweden heeft men zeer jonge gevangen dieren wel eens zoo goed afgericht, dat men ze voor het trekken der sleden kon gebruiken; het gebruik van zulke trekdieren werd echter bij de wet verboden, “omdat hunne snelheid en onvermoeidheid de vervolging van misdadigers onmogelijk zou kunnen maken.” Latere pogingen, om Elanden tot huisdieren op te voeden zijn mislukt. Wel scheen het, dat de jongen in den beginne goed opgroeiden, later vermagerden zij echter hoe langer hoe meer en stierven in den regel kort daarna.
De omheining van het perk, waarin men een Eland houdt, moet hoog zijn; want in weerwil van de plompheid van al zijn bewegingen, springt hij zonder moeite over een staketsel van 2 M. hoogte; het is hiervoor niet eens noodig, dat hij een aanloop neemt. Hij loopt bedaard naar de bedoelde omheining, gaat plotseling op de achterpooten staan, steekt de voorpooten, na ze gebogen te hebben, over het hek heen, springt vervolgens naar voren, terwijl hij intusschen het achterstel opheft en de lange achterpooten bijtrekt. Tegen andere dieren toont de gevangen Eland zich zeer onverschillig; hij bekommert zich volstrekt niet om de Honden, hoewel andere Herten door het zien van deze dieren zeer opgewonden worden. Met Runderen kan hij zeer goed overweg, misschien omdat hun rustige aard hem bevalt. Daarentegen kan hij de vlugge en dartele soorten van Herten niet lijden; hij tracht ze te slaan en duldt hen zonder bewijzen van vijandschap te geven eerst, nadat hij zich overtuigd heeft van de nutteloosheid zijner pogingen om ze te verjagen.
Het voordeel dat een gedoode Eland den mensch kan opleveren, is belangrijk. Het vleesch, het vel en de geweien worden op gelijke wijze gebruikt als die van het Edelhert. Het vleesch is taaier, het vel echter vaster en beter. Elandsleer werd vooral in de Middeleeuwen hooggeschat en duur betaald. Al het nut echter, dat de Eland kan opleveren, is echter op lange na niet voldoende tot vergoeding van de schade, die hij aanricht. Hij is een echte boomenvernieler en wordt voor bosschen, die op een geregelde wijze geëxploiteerd worden, zoo nadeelig, dat hij nergens beschermd en eigenlijk niet eens tijdelijk gespaard mag worden, daar waar de boschkultuur volgens de eischen van den tegenwoordigen tijd beoefend wordt.
De Amerikaansche Eland—door de Engelschen Moosedeer, door de Amerikanen van Franschen afkomst Orignal genoemd (Alces americanus)—onderscheidt zich van den Gewonen hoofdzakelijk doordat de oogspitsen duidelijk gescheiden zijn van de diep ingesneden, platte geweikroon, door den zwak behaarden kossem aan de keel en door de donkerder kleur van het vel. Nog zijn de dierkundigen het er niet over eens, of hij als een afzonderlijke soort moet worden beschouwd, hoewel sommigen niet alleen aan het vel, maar zelfs aan de gerookte achterbouten van het dier verschil meenen te bespeuren. De geweien van het “Moshert” zijn forscher en zwaarder dan die van onzen Eland; zij bereiken zelfs een gewicht van 30 à 40 KG.
Tegenwoordig wordt deze Eland nog gevonden in het noorden van Noord-Amerika, vooral in Canada, Nieuw-Brunswijk en aan de Fundy-baai. Franklin vond hem aan den mond van de Mackenzie-rivier en verder oostwaarts nog bij de Kopermijn-rivier op 65° N.B. Mackenzie trof hem ook aan in het Rotsgebergte en bij de bronnen van de Elk-rivier. De Amerikaansche Eland werpt het gewei eerder af dan de Europeesche, gewoonlijk in Januari en Februari, in strenge winters echter eerst in Maart. Zijn voedsel is waarschijnlijk hetzelfde als dat van onzen Eland.
De wilden maken ijverig jacht op het “Moshert” en doen dit op verschillende wijzen. Eén daarvan is, dat zij het wild in het water drijven, waar zij het met hunne booten telijf gaan en zonder groote moeite doodslaan kunnen. Jonge dieren kunnen gemakkelijk getemd worden, leeren in weinige dagen hun oppasser kennen en volgen dezen dan met groot vertrouwen. Op lateren leeftijd worden ook zij echter wild, oploopend en gevaarlijk.
*
Bij de Rendieren (Rangifer) dragen beide geslachten geweien, die van de korte rozenstokken af boogvormig van achteren naar voren gekromd, aan hunne einden bladvormig uitgebreid, vingervormig ingesneden en zwak gevoord zijn. Deze Herten onderscheiden zich bovendien door breede hoeven en langwerpige, maar stomp toegespitste bijhoeven. Hun gestalte is tamelijk plomp, vooral de kop is niet bijzonder fraai; de pooten zijn betrekkelijk kort, de staart is zeer kort. Alleen de oude mannetjes hebben in de bovenkaak kleine hoektanden, hoewel deze ook wel eens ontbreken.
Het Rendier mag men het belangrijkste van alle Herten noemen. Geheele volken hebben aan dit dier hun levensonderhoud te danken; zij zouden zonder dit (tamelijk vreemd gekozen) huisdier niet kunnen bestaan. Voor de Lappen en Finnen is het Rendier veel noodzakelijker dan het Rund of het Paard voor ons, dan het Kameel of de Geit voor den Arabier, want het moet dezelfde diensten bewijzen als bijna alle overige huisdieren te zamen genomen. Het tamme Rendier geeft vleesch en vel, beenderen en pezen om zijn geweldenaar te kleeden en te voeden; het levert melk, laat zich als lastdier gebruiken en sleept op de lichte slede het gezin en het huisraad van de eene plaats naar de andere; kortom: het Rendier is voor het nomadische leven van de noordelijke volken onontbeerlijk.
Mij is geen tweede dier bekend, waaraan de last der dienstbaarheid, de vloek der slavernij, zoo duidelijk zichtbaar is als aan het Rendier. Zonder eenigen twijfel is de thans nog in het wild voorkomende “Renn” van de Skandinaviërs de stamvader van dit huisdier. Tamme Rendieren, die niet meer onder de hoede van den mensch leven, verwilderen in zeer korten tijd en worden reeds na eenige geslachten weder volkomen gelijk aan de wilde. Er kunnen echter moeielijk twee wezens aangewezen worden, die zoo innig verwant zijn en toch in gestalte en aard zoo buitengewoon veel van elkander verschillen als het Tamme Rendier en het Wilde. Gene is een ellendige slaaf van een armen, ellendigen meester, deze een fiere heerscher in het hooge gebergte, een Hert, dat als een Gems leeft, met alle adel, dien dit schoone wild bezit. Hij, die vrij levend “Renn”-wild in troepen en tam Rendieren-vee in kudden gezien heeft en beide vergelijkenderwijs nagaat, kan bijna niet gelooven, dat zoowel het eene dier als het andere kinderen zijn van denzelfden stam.
Het Rendier (Rangifer tarandus) is een statig dier, wel zoo groot, maar niet zoo hoog als een Edel-hert. Zijn lengte bedraagt 1.7 à 2 M., de lengte van den staart 13 cM., de schofthoogte 1.08 M. Hoewel zijn gewei bij dat van ’t Edelhert achterstaat wat grootte en meer nog wat schoonheid betreft, is het toch wel degelijk een indrukwekkend kopsieraad. De romp van het Rendier verschilt van dien van ’t Edelhert misschien alleen door de grootere breedte van het achterdeel; de hals en de kop zijn echter veel plomper en minder fraai gebouwd, de pooten aanmerkelijk korter, de hoeven veel leelijker. Ook mist het Rendier in alle omstandigheden de fiere houding van het Edelhert; zijn houding is veel minder schoon dan die van dit prachtige wezen. De hals is ongeveer zoo lang als de kop, hij is forsch en zijdelings samengedrukt, nagenoeg niet bovenwaarts gebogen. De kop wordt naar voren slechts weinig smaller en heeft een plompen snuit, o. a. wegens het rechte beloop van den rug van den neus. De ooren zijn korter dan bij het Edelhert, maar van soortgelijken vorm, de oogen groot en fraai, de traansleuven klein en met bosjes haar bedekt. De schenkels zijn dik, de pooten forsch en tevens kort, de hoeven zeer groot, breed, platgedrukt en diep vaneengescheiden; de bijhoeven reiken tot op den bodem. Bij de tamme Rendieren is de breedte van de hoeven zooveel grooter dan bij de wilde, dat men, alleen op dit lichaamsdeel lettend, voldoende reden zou hebben om deze beide vormen als verschillende soorten te beschouwen. Over ’t geheel genomen is de lichaamsbouw van de wilde Rendieren veel sierlijker en bevalliger dan die van de tamme; met gene vergeleken wekken deze den indruk van misvorming.
De vacht is dichter dan bij eenigen anderen Geweidrager. Aan de voorzijde van den hals bevinden zich manen, die soms tot op de borst afhangen; ook aan de wangen komen langere haren voor. In den winter worden de haren overal minstens 6 cM. lang; zij vormen dan wegens hun dicht opeengedrongen plaatsing een laag van minstens 4 cM. dikte, waardoor het zeer verklaarbaar wordt, dat het Rendier gemakkelijk een zeer lage temperatuur verdragen kan. De algemeene kleur verschilt in verband met de woonplaats en is in nog hoogere mate afhankelijk van het jaargetijde. Bij de wilde Rendieren hebben de haarwisseling en de hiermede gepaard gaande kleursverandering tamelijk geregeld tweemaal ’s jaars plaats. In het begin van de lente valt het dichte winterhaar uit en wordt vervangen door korte, effen grijze haren; hiertusschen komen langzamerhand andere haren te voorschijn, welker witte spitsen het grijze haar meer en meer verdringen, totdat eindelijk het geheele dier witachtig grijs, bijna vaal, geworden is, en zijn kleur in hooge mate overeenkomt met die van vuile sneeuw bij dooiweder. Het tamme Rendier is ’s zomers donkerbruin. In den winter verdwijnt de bruine kleur, waarna ook hier het witte haar meer op den voorgrond treedt; er zijn echter ook vele Rendieren, welker wintervacht alleen door de grootere lengte der haren van de zomervacht verschilt, maar in kleur er niet van afwijkt. Het gewei van het wijfje is kleiner en minder getakt dan dat van het mannetje.
Eenige dierkundigen beschouwen de in Amerika voorkomende Rendieren als een afzonderlijke soort en voeren tot steun voor hun meening aan, dat ook het Europeesche Rendier in Amerika voorkomt en zich door grootte, kleur en levenswijze van zijn naamgenoot onderscheidt. Volgens hen is deze—de Kariboe (Rangifer caribu)—grooter en donkerder van kleur dan het Rendier; hij heeft kleinere geweien en leeft meer afgezonderd, bij voorkeur in wouden.

Rendier (Rangifer tarandus). 1/15 v. d. ware grootte
Het Rendier was reeds bij de ouden bekend. Julius Caesar heeft er een tamelijk juiste beschrijving van gegeven. “In het Hercynische woud”, zegt hij, “treft men een Rund aan met de gestalte van een Hert; midden op het voorhoofd heeft het hoornen, veel grooter dan die, welke bij de andere voorkomen, en welker kroon zich handvormig in vele takken splitst. Het wijfje heeft net zulke horens.” Latere beschrijvingen van het Rendier bevatten een mengsel van waarheid en verdichtselen; de groote Linnaeus was de eerste, die het dier op grond van eigen onderzoek zeer nauwkeurig beschreven heeft.
Het verbreidingsgebied van het Rendier omvat de noordelijkste gewesten van de Oude Wereld (en wanneer men den Kariboe niet als een afzonderlijke soort beschouwt) ook het hooge noorden van Amerika. Men treft het aan in alle landen benoorden 60°, in vele gewesten zelfs nog op 52° N.B.; in tegenovergestelde richting ontmoet men het nog aan gene zijde van den 80en graad N.B. In ’t wild leeft het in de gebergten van Skandinavië en Lapland, in Finland, in ’t geheele noordelijke deel van Siberië, in Groenland en op de noordelijkste gebergten van het Amerikaansche vasteland. Ook op Spitsbergen komt het voor. Op IJsland, waar het ruim een eeuw geleden werd ingevoerd, is het volkomen verwilderd en heeft zich reeds in grooten getale over alle gebergten van het eiland verbreid. In Noorwegen vond ik het op den Dovrefjeld nog vrij veelvuldig. Men treft het echter ook in de hooge gebergten van het Bergensche Stift aan, waar zijn gebied zich ongetwijfeld tot 60° N.B. uitstrekt.
Evenals de Gems is het Rendier een echte bergbewoner; men vindt het slechts op de boomlooze, met mos en weinige Alpenplanten begroeide breede ruggen van de Noorsche gebergten, die de bewoners van dit land met den zoo karakteristieken naam van “Fjelds” aanduiden. In Noorwegen houdt het zich gewoonlijk op in den gordel tusschen 1600 en 2000 M. hoogte. Nooit daalt het hier tot den woudgordel af; over ’t geheel genomen vermijdt het angstvallig de bosschen. De kale bergvlakten en glooiingen, tusschen welker gesteenten enkele planten groeien, of de uitgestrekte vlakten, die schraal met rendierkorstmossen oversponnen zijn, moeten als vaste verblijfplaatsen van dit dier beschouwd worden; alleen dan, wanneer het zich van den eenen bergrug naar een anderen begeeft, trekt het door de tusschenliggende, drasse, op moerassen gelijkende, lage vlakten; ook bij deze verandering van woonplaats vermijdt het steeds angstvallig het woud. Pallas bericht, dat het in het noorden van Siberië soms in bosschen voorkomt, en Von Wrangel bevestigt deze mededeeling. Van deze beide schrijvers vernemen wij, dat het in Siberië geregeld uitgestrekte reizen onderneemt.
“Tegen het einde van Mei”, zegt Von Wrangel, “verlaat het wilde Rendier in groote kudden de wouden, waar het in den winter eenige beschutting tegen de felle koude zoekt, en trekt naar de verder noordwaarts gelegen vlakten, gedeeltelijk omdat daar (in de mossteppen) beter voedsel te vinden is, gedeeltelijk echter ook om te ontkomen aan de Vliegen en Muggen, die, zoodra de lente aanvangt, in verbazend groote zwermen de lucht verduisteren. De trek in de lente levert aan de volkstammen, die deze gewesten bewonen, geen voordeel op; want in dit jaargetijde zijn de dieren mager en door de steken van de Insecten geheel met builen en wonden bedekt; in Augustus en September echter, als de Rendieren uit de vlakten naar de wouden terugkeeren, zijn zij gezond en goed gevoed en verschaffen zij den jager een smakelijke, krachtige spijs. In gunstige jaren bestaat de rendierentrek uit verscheidene duizenden exemplaren, die, hoewel zij in kudden van 200 à 300 stuks gegroepeerd zijn, toch altijd tamelijk dicht bijeenblijven, zoodat het geheel een ontzaglijk groot leger vormt. Steeds volgen zij denzelfden weg. Voor ’t overtrekken van een rivier kiezen zij een plaats uit, waar een droge dalweg naar den oever leidt, en een zandbank hen het beklimmen van den tegenovergestelden oever gemakkelijk maakt. Hier dringen de leden van iedere kudde dicht opeen, en de geheele waterspiegel is met zwemmende dieren bedekt.” Op het vasteland van Amerika verhuizen deze dieren op soortgelijke wijze als in Siberië van de gebergten naar de kust en omgekeerd.
In Noorwegen trekken de Rendieren niet, maar verwisselen hoogstens den eenen bergrug voor den anderen. Deze gebergten zijn trouwens van zulk een aard, dat zij hun alle voordeelen verschaffen, die hunne Siberische verwanten door het trekken deelachtig worden. In den tijd van de Muggen begeven de wilde Rendieren zich omhoog naar de gletschers en sneeuwvelden; in den herfst, den winter en de lente zoeken zij lager gelegen bergstreken op. Alle wilde Rendieren houden zeer veel van gezelligheid. Hunne troepen zijn veel grooter dan die van andere Herten; eenzaam levende dieren treft men slechts zelden aan; dit zijn dan steeds oude mannetjes, die door de andere leden van den troep in de ban gedaan zijn.
De Rendieren zijn uitmuntend geschikt om deze noordelijke landen te bewonen, die in den zomer één en al moeras, in den winter een uitgestrekt sneeuwveld zijn. Hunne beide hoeven stellen hen in staat om even goed over moerassige plaatsen en sneeuwlagen te gaan, als bij steenachtige berghellingen op en af te klauteren. De gang van het Rendier is een tamelijk snelle pas of een vlugge draf. Men hoort bij iedere beweging een eigenaardig geknetter, dat nog het meest overeenkomt met het geluid, dat een electrische vonk veroorzaakt. Dit is ook het geval, wanneer zij de pooten op den grond laten rusten en zich eenvoudig een weinig naar voren of zijwaarts buigen. Ik meen er voor te kunnen instaan, dat bij deze buigingen de bijhoeven niet tegen de ware hoeven tikken. Men hoort het gedruisch echter niet, wanneer de hoeven en bijhoeven met een lap linnen omwikkeld zijn. Van jonge Rendieren verneemt men het niet en ook niet van oude, als zij door de sneeuw waden. Deze feiten zijn in strijd met de meening van de Lappen, die dit geluid vergelijken met het bekende knappen van de vingers en dus de oorzaak hiervan in het gewricht zoeken.
Wanneer het Rendier langzaam over een moerassige vlakte gaat, breidt het zijne hoeven zoover uit, dat het hierdoor ontstaande spoor eerder op dat van een Rund dan op dat van een Hert gelijkt. Op dezelfde wijze loopt het over de sneeuw: zoodra deze een weinig beklonken is, zal het er niet meer in wegzakken. In het zwemmen zijn de Rendieren goed ervaren; zonder aarzeling trekken zij over breede stroomen. De Lappen drijven geheele kudden door de fjords van het eene eiland naar het andere.
Alle zintuigen van het Rendier zijn voortreffelijk. Het heeft een fijnen neus: ik heb mijzelf er van kunnen overtuigen, dat het op een afstand van 500 à 600 schreden de lucht van iets krijgt. Het hoort minstens even goed als het Hert, en heeft zulk een scherp gezicht, dat de jager, zelfs wanneer hij onder den wind het dier besluipt, zich wel terdege mag schuil houden. Voor de ontwikkeling van het smaakzintuig pleit de kieschkeurigheid, die het bij het grazen toont; het weet steeds de beste Alpenplanten uit te kiezen. Alle jagers, die wilde Rendieren hebben leeren kennen, schrijven hun schranderheid, ja zelfs een zekere listigheid toe: zonder eenigen twijfel zijn zij in de hoogste mate schuw en voorzichtig. Tegenover andere dieren zijn zij volstrekt niet schroomvallig: vol vertrouwen naderen zij de Runderen en Paarden, die op hunne bergen grazen; ook voegen zij zich zeer gaarne bij tamme dieren van hun soort, hoewel zij zeer goed beseffen, dat zij niet met huns gelijken te doen hebben. Hieruit blijkt, dat hunne schuwheid en vrees voor den mensch op ervaring berusten; men moet hun dus een zekere mate van verstandelijke ontwikkeling toeschrijven.
In den zomer voedt het wilde Rendier zich met saprijke Alpenkruiden, vooral met de bladen en bloemen van sneeuwranonkels, rendierzuring, boterbloemen, zwenkgrassen enz., gedurende den winter met korstmossen.
In Noorwegen vangt de bronsttijd van het Rendier tegen het einde van September aan. In het midden van April worden de jongen geboren; de drachtigheid duurt dus 30 weken. Nooit brengen de wilde Rendieren meer dan één kalf ter wereld. Dit is een fraai diertje, dat door zijn moeder liefderijk verzorgd en langen tijd gezoogd wordt.
Voor de jacht op het wilde Rendier zijn alleen hartstochtelijke liefhebbers van de jacht geschikt of echte natuuronderzoekers die niet tegen moeite en ontberingen opzien. In Noorwegen is het besluipen van het wild voor hen die hierin geoefend zijn, de beste wijze van jagen. Niet zelden is een troep Rendieren, die men beslopen heeft, na het eerste schot zoo verbijsterd, dat zij nog een geruimen tijd verwonderd blijven staan. Eerst nadat zij den jager in ’t oog gekregen hebben, nemen zij de vlucht. De Noorsche jagers weten dit en gaan daarom liefst met hun tweeën, drieën of vieren op de jacht; als zij het wild beslopen hebben, mikken zij volgens afspraak op bepaalde dieren; één hunner schiet het eerst, daarna schieten de anderen ook.—Voor vele Siberische volksstammen is de rendierenjacht een hoogst belangrijk bedrijf. “De Joekahieren en de overige bewoners van de landstreek langs de Anioej-rivier in Siberië,” zegt Von Wrangel, “hangen geheel van het Rendier af, dat hier, evenals in Lapland, bijna uitsluitend in de behoefte aan voedsel, kleeding, voertuigen en woningen voorziet. De uitslag van de rendierenjacht beslist, of bij deze stammen hongersnood of welstand zal heerschen; voor hen is het belangrijkste tijdperk van het geheele jaar dat, waarin de Rendieren trekken. Zoodra deze dieren gedurende hunne op bepaalde tijden plaats hebbende verhuizingen bij rivieren komen en gereed zijn om ze over te zwemmen, komen de jagers in hunne kleine bootjes pijlsnel van achter struiken, rotsen enz., waar zij zich tot dusver verborgen hielden, te voorschijn, omringen den zwemmenden troep en trachten hem tegen te houden, terwijl twee of drie van hen, met een korte lans gewapend, zich in hunne bootjes te midden van de Rendieren begeven en in ongeloofelijk korten tijd er een groot aantal van dooden of althans zoo zwaar wonden, dat zij hoogstens den oever kunnen bereiken, waar zij in de handen vallen van de hier wachtende vrouwen, meisjes en kinderen. Deze jacht is trouwens met groot gevaar verbonden. Te midden van het ontzaglijk gewoel van dicht bij elkander zwemmende dieren is de kleine, lichte boot ieder oogenblik op het punt van om te slaan; bovendien verweren de vervolgde dieren zich op alle mogelijke wijzen, de mannetjes met de geweien en tanden, de wijfjes meestal door met de voorpooten op den rand van de boot te springen. Als deze omslaat, is de jager gewoonlijk verloren; het is voor hem bijna onmogelijk uit het gedrang te komen.”
Verscheidene Indiaansche volksstammen in Noord-Amerika leven eveneens, bijna uitsluitend, naar King bericht, van de rendierenjacht. Groote kudden van vele duizenden stuks trekken in de lente noordwaarts naar de IJszee en in den herfst weder zuidwaarts. Zij hebben dan een vetlaag van 7 à 12 cM. dikte onder de huid van den rug en van de schenkels en zijn daarom juist in dezen tijd het hoofddoel van de jacht. Men schiet het wild met vuurwapens, vangt het in strikken, doodt het met spiesen, terwijl het de rivieren overzwemt, graaft diepe valkuilen, of bouwt van takken en struiken twee schuttingen, beide met smalle openingen voorzien, die ieder een strik bevatten, drijft den troep tusschen de heiningen door zoodat de dieren, die ontsnappen willen in de strikken blijven hangen, of als zij aan het einde van de afgeschutte ruimte zijn gekomen, doodgestoken kunnen worden.
De Indianen maken een soortgelijk gebruik van de lichaamsdeelen van het wilde Rendier als de Lappen van het tamme. Van de geweien en beenderen vervaardigen zij hunne voor de vischvangst dienende speren en haken, met het overlangsch gespleten scheenbeen schaven zij de huiden af om ze te bevrijden van vleesch, vet en haar; met rendierhersenen smeren zij de huiden in om ze lenig te maken. Met het leer, dat door het blootstellen van deze huiden aan den rook van rottend hout verkregen wordt, bekleeden zij het uit palen bestaande geraamte van hun tent; de ongelooide huiden verschaffen hun koorden voor hunne bogen en netten; de pezen van den rug worden gespouwen in vezels, die als naaigaren dienst doen; de zachte, op pelzen gelijkende vellen van de kalveren leveren de grondstof voor hunne kleederen. Van ’t hoofd tot aan de voeten bekleeden zij zich met rendiervellen, leggen een ander, zachtgelooid vel op de sneeuw, dekken zich met een dergelijk vel toe, en zijn op deze wijze in staat om weerstand te bieden aan de felste koude. Geen stukje van het Rendier blijft ongebruikt, niet eens de spijsbrij in zijn maag. Nadat deze eenigen tijd bewaard geworden is en een soort van gisting ondergaan heeft, wordt zij als een zeer smakelijk gerecht beschouwd.
Het wilde Rendier heeft, behalve den mensch, nog vele andere vijanden. De gevaarlijkste van deze is de Wolf. Steeds waart hij in de nabijheid van de troepen Rendieren rond, met de meeste volharding doet hij dit echter in den winter. In Noorwegen moesten de rendierfokkerijen, die men op de gebergten van het zuiden wilde aanleggen, wegens de Wolven opgegeven worden. Ook de Veelvraat, de Los en de Beer maken jacht op de Rendieren. Naast deze groote roovers moeten eenige kleine, schijnbaar machtelooze Insecten, als de ergste vijanden van de Rendieren beschouwd worden.
Jong gevangen Rendieren worden zeer spoedig tam; men zou zich echter een verkeerde voorstelling vormen van een tam Rendier, wanneer men het, wat zijn onderworpenheid aan den mensch betreft, met onze huisdieren ging gelijkstellen. Niet eens de nakomelingen van de Rendieren, die sedert onheugelijke tijden in gevangenschap leven, zijn zoo tam als onze huisdieren, maar verkeeren nog steeds in half wilden toestand. Alleen de Lappen en hunne Honden zijn in staat om zulke kudden te leiden en te beheerschen.
Trouwens niet alleen de Lappen houden zich bezig met het fokken van Rendieren, maar ook de Finnen en vele Siberische volksstammen. Het tamme Rendier is de steun en de trots, de lust en de rijkdom, de plaag en de last van den Laplander; in zijn schatting staat hij, die zijne Rendieren bij honderden telt, op het toppunt van menschelijke gelukzaligheid. Enkele Lappen hebben er 2000 à 3000; de meesten echter hoogstens 500 stuks.
Met minachting ziet de Fjeld-Laplander, de eigenlijke rendierfokker, neer op alle zijne stamgenooten, die het nomadenleven opgegeven hebben, en zich als visschers in de nabijheid van het water vestigden, of zich zelfs als knechts bij de Skandinaviërs verhuurden; hij alleen acht zich een werkelijk vrij man; hij kent niets verheveners dan zijn “meer” (zoo noemt hij een groote rendierkudde). Alleen zijn leven komt hem bekoorlijk voor; hij meent, dat hem het beste lot op aarde ten deel gevallen is.—En hoe is nu het leven van deze menschen? Niet zij beschikken het, maar hun kudde: de Rendieren gaan, waar het hun goeddunkt; de Lappen moeten hen volgen. De Fjeld-Lap leidt een echt hondenleven. Maandenlang brengt hij het grootste deel van den dag in de vrije natuur door. ’s Zomers wordt hij gekweld en gepijnigd door de Muggen, ’s winters door de koude, waartegen hij zich niet beschermen kan. Dikwijls kan hij niet eens een vuur aanleggen, omdat op de hoogte, waar zijne kudden grazen, geen hout is; dikwijls moet hij honger lijden, omdat de kudde verder voorttrekt dan hij wil. Slecht gekleed, aan weer en wind blootgesteld, is hij door zijn levenswijze bijna aan een dier gelijk. Hij wascht zich niet; hij gebruikt als voedsel allerlei afschuwelijke spijzen, die alleen door den honger eetbaar worden; hij heeft geen ander gezelschap dan zijn trouwen Hond, met wien hij eerlijk zijn sober maal deelt. En dit alles verdraagt hij met blijdschap ter wille van zijn vee.