← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen

De Evenvingerigen (Artiodactyla). (continued 2)

Reading edition

De stem van den Steenbok gelijkt op het fluiten van de Gems, maar is meer gerekt. Onder de zinnen neemt het gezicht een eerste plaats in. Het oog van den Steenbok is veel scherper, zijn speurvermogen daarentegen veel geringer dan dat van de Gems; ook het gehoor is voortreffelijk. Niet onwaarschijnlijk is het, dat zijne geestvermogens op één hoogte staan met die van de Geiten in ’t algemeen. De Steenbok geeft bewijzen van schranderheid door de keuze van zijne verblijfplaatsen en “wissels”, door berekenende voorzichtigheid in het behendig ontwijken van gevaren en doordat hij zonder moeite zich schikt in veranderde omstandigheden.

In stille dalen van de hooge bergstreken zoekt de Steenbok zijn voedsel in de voor- en namiddaguren; in oorden, waar hij vreest gestoord te zullen worden, doet hij dit alleen gedurende de morgen- en avondschemering, misschien ook des nachts. Lekkere bergkruiden, grassen, boomknoppen, bladen, en takknoppen, vooral venkel- en alsemsoorten, thijm, knoppen en takken van dwergwilgen, berken, alpenrozen, brem en des winters bovendien ook dorre grassen en korstmossen vormen zijn voedsel. Hij houdt zeer veel van zout.

De paring heeft in Januari plaats. De sterke, met kolossale hoornen gewapende bokken bestrijden in dien tijd met moed en volharding hunne mededingers. De geit werpt meestal in het einde van Juni of in het begin van Juli 1 of 2 jongen, die in grootte ongeveer overeenstemmen met een pas geboren Huisgeit. Reeds weinige uren na de geboorte toont het jong, dat het bijna even stoutmoedig de bergen beklimt als zijn moeder. Deze houdt veel van haar kind, likt het schoon, bestuurt zijne schreden, begroet het met vriendschappelijk geblaat, roept het bij zich, houdt zich, zoolang zij zoogt, met haar lieveling in de holen van de rotsen verborgen. Zij verlaat haar kroost nooit, behalve in gevallen, waarin de mensch haar al te gevaarlijk schijnt en zij haar eigen leven moet redden, omdat haar dood ook die van haar kind ten gevolge zou hebben. Bij dreigend gevaar loopt zij langs duizelingwekkende hellingen en zoekt in woeste bergkloven een toevlucht. Het jong echter houdt zich nu als een Muis zoo stil en verbergt zich uiterst behendig achter steenen en in rotsholen, beweegt zich niet, maar kijkt, luistert en speurt zorgvuldig in alle richtingen. Zijn grijze haarkleur gelijkt zoozeer op de kleur van rotsen en steenen, dat zelfs het scherpzinnigste valkenoog niet in staat is het te zien, het van de rots te onderscheiden, die dus tijdelijk de taak van de afwezige moeder op zich neemt.

Verscheidene oorzaken brengen te weeg, dat de Steenbokken zich slechts langzaam vermenigvuldigen, zelfs daar, waar zij met zorg behandeld worden. Behalve van den mensch hebben zij slechts weinig te lijden van vijanden, die voor hen gevaarlijk kunnen worden. Groote Roofvogels, n.l. de Steenarend en misschien ook de Lammergier, staan het jonge dier naar ’t leven, maar behalen, dank zij de waakzaamheid van de moeder, slechts bij uitzondering den begeerden buit. Oudere Steenbokken loopen misschien nu en dan gevaar van de roofzucht van Lossen, Wolven en Beren. Verderfelijker dan alle genoemde oorzaken bijeengenomen is de onherbergzaamheid van de verblijfplaats van dit dier gedurende den winter en de lente. Naar Wilczeck in Val Savaranche vernam, verliezen betrekkelijk vele Steenbokken ieder jaar hun leven door lawinen; vooral krachtige mannetjes vinden op deze wijze den dood, waarschijnlijk, omdat deze zich minder gemakkelijk door het gevaar laten afschrikken, dan hunne jongere en meer vreesachtige soortgenooten. De ergste vijand ook van den Steenbok is en blijft echter de mensch, vooral de wildstrooper. Waarschijnlijk is er geen onderneming zoo bezwaarlijk en gevaarvol als de Steenbokkenjacht, zooals hij deze uitoefent. Al wat van de gevaren van de Gemzenjacht gezegd kan worden, geldt ook—en in nog hoogere mate, naar Schinz duidelijk doet uitkomen—van de Steenbokkenjacht. Wegens de zeldzaamheid van dit wild moet de jager zich er op voorbereiden, dat hij 8 à 14 dagen, ver van alle menschelijke woningen, dus meestal in de open lucht, in het hooge bergland zal doorbrengen. Hij moet vorst en sneeuw, honger en dorst, nevel en storm verdragen, in den ijskouden wind dikwijls verscheidene opeenvolgende nachten op harde rotsen zonder eenige beschutting rusten en zeer dikwijls, nadat zijn moed vele malen op de proef gesteld is, zonder wild naar huis terugkeeren. In het gunstigste geval moet hij met den moeilijk verworven buit alle bezochte wegen vermijden, om niet met de jachtopzieners in aanraking te komen; hij moet vrij van duizeling de vreeselijkste paden kunnen bewandelen en in het dragen van zware lasten geoefend zijn, zal hij er in slagen, het loon van zijne moeite thuis te brengen. Maar al te vaak komt het voor, dat hij in plaats van wild, nood en ellende in zijn armoedige hut brengt, om er niet eens van te spreken, dat hij iederen dag gevaar loopt, door een val of misstap naar beneden te storten of, door den kogel van een jachtopzichter getroffen, in den afgrond verpletterd te worden.

Jong gevangen Steenbokken gedijen in den regel goed, wanneer men hun een Geit als min geeft; zij worden ook spoedig tam, maar verliezen deze eigenschap weer, naarmate zij ouder worden. Zij zijn even nieuwsgierig, plaagzuchtig en uitgelaten als jonge geitjes en aanvankelijk zoo speelsch en grappig, dat het een lust is naar hen te kijken. Aan het voedsel der gevangenschap geraken zij reeds na weinige dagen gewoon, aan hun verzorger na geruimen tijd; zij onderscheiden dezen zeer goed van andere menschen en geven blijdschap te kennen, als zij hem na lange afwezigheid wederzien. Op liefkoozingen zijn zij zeer gesteld; zij dulden echter niets, wat hun niet aanstaat en zijn weldra ook brutaal genoeg, om in een dergelijk geval weerstand te bieden aan hun oppasser, waarbij zij een uitdagende houding aannemen en den kop met de korte hoornen op een zeer komische wijze bewegen. Zij houden zich zoo stil als lammetjes, wanneer men hen tusschen de hoornen krauwt; maar beantwoorden deze liefkoozing niet zelden moedwillig met als een grap bedoelden, maar toch duidelijk merkbare stoot. Hoe ouder zij worden, des te meer zelfvertrouwen en overmoed toonen zij.

Dat er aan het fokken van bastaarden van Steenbokken en Huisgeiten bezwaren verbonden zijn, blijkt o.a. uit de proefnemingen, die in de jaren 1820 à 1830 in Bern genomen werden. Hier had men aan de Steenbokken en hunne bastaarden een deel van de stadswallen als weideplaats aangewezen, waar zij voldoende voedsel vonden en zich op de gewenschte wijze vermenigvuldigden. Evenals de Steenbokken zelf vergaten ook hunne nakomelingen weldra de hun bewezen weldaden en toonden ten slotte jegens de menschen zoomin liefde als vrees. Een bastaardbok vermaakte zich op de wallen met het uitdagen en bevechten van de schildwachten en deed dit met een volharding, die hem weldra zeer gehaat maakte. Eenmaal stoorde hij de waarnemingen van den in zijn observatorium arbeidenden sterrekundige en scheurde hem de roksmouw open. Later kreeg hij de liefhebberij van zich te bemoeien met de wandelingen van de vreedzame burgers en joeg hij deze op de vlucht. Eindelijk viel het hem in, op de daken te klauteren en hier de leien of pannen stuk te maken. Er werd zooveel over de handelingen van dit dier geklaagd, dat de edelachtbare autoriteiten wel genoodzaakt waren maatregelen te nemen; de plaaglustige bok werd plechtig uit de stad verbannen, en met zijne geiten naar een berg bij Unterseen overgebracht. De geiten schikten zich goed in de verandering van woonplaats; de bok echter vermeed de nabuurschap van de gletschers en meende de voorkeur te moeten geven aan den bewoonden gordel van het gebergte. Hij begon met de Alpenhutten te bezoeken, en hier een innigere betrekking aan te knoopen met de Huisgeiten, dan de veehoeders wenschten; ten slotte kwam hij hier zoo dikwijls te gast, en gevoelde zich er zoo goed thuis, dat hij zich niet meer liet wegjagen, en tegen iedereen een ruim gebruik maakte van zijne hoornen. Deze geweldenarijen en uitspattingen maakten eindelijk het verwijderen van het dier volstrekt noodig. Vier sterke mannen kregen de opdracht het verder omhoog in het gebergte, tot op de hoogte van het Saxetendal te brengen. Het woeste dier werd gebonden aan een stevig touw; meer dan eens wierp het echter zijn geheele escorte op den grond. Een forsche gemzenjager werd nu belast met het toezicht over de voorgenomen steenbokkenfokkerij. Ook hij had hiermede echter veel te stellen, want de bok scheen volstrekt geen denkbeeld te hebben van onderworpenheid. Eens daagde hij zijn bewaker tot een tweegevecht uit, een uitnoodiging, die de man goedschiks of kwaadschiks wel aannemen moest, daar zij gedaan werd dicht bij den rand van een afgrond. Een vol uur moest de jager met het dier worstelen, voordat het hem gelukte de overhand te krijgen. De bok bepaalde zich echter niet tot zulke ridderlijke oefeningen, maar deed ook op andere wijze van zich spreken. Hij was en bleef de schrik der herders, die hij, van de hoogten afdalend, in hunne hutten opzocht, letterlijk overviel en mishandelde. Op nieuw werd door de bergbewoners over hem geklaagd; een tweede verbanning van den bok was er het gevolg van. Men wees hem den Grimselalp als woonplaats aan. Ook hier bleef hij aan zijne oude liefhebberijen getrouw, aanvaardde den strijd met alle Honden, zelfs met de grootste, en wierp ze, wanneer zij standhielden, met een forsche beweging zijner hoornen, overmoedig over zijn kop heen. Uitdagend trad hij de toeristen, die den berg beklommen, te gemoet, en veroorzaakte schrik en ontzetting overal waar en telkens als hij zich vertoonde. De overheid was ten slotte wel genoodzaakt tusschenbeide te komen; het doodvonnis werd geveld, en de levensdraad van den naar vrijheid dorstenden, merkwaardig sterken klant werd ontijdig afgesneden. Ook zijne nakomelingen onderscheiden zich op lateren leeftijd door een buitengewone wildheid. Zoolang zij nog jong waren, vermaakten zij de herders door hunne uitgelaten sprongen en gebaren; toen zij evenwel ouder en sterker werden, veroorzaakten zij zooveel last aan hunne eigenaars, dat zij alle geslacht moesten worden. Zoo ging het met de Berner steenbokkenfokkerij; het hiermede beoogde doel werd dus niet bereikt.

De Bergsteenbok, de Cabramontés der Spanjaarden, de Pyreneeënsteenbok der vroegere dierkundigen (Capra pyrenaica), bereikt dezelfde grootte als de Alpen-steenbok, maar verschilt aanmerkelijk van deze door den vorm en de ontwikkeling der hoornen. Die van het mannetje staan aan den wortel zoo dicht bijeen, dat zij van voren slechts een tusschenruimte van hoogstens 4, van achteren van slechts 1 cM. overlaten; het onderste gedeelte rijst steil omhoog, en is slechts weinig buitenwaarts gericht: voorbij het eerste derde gedeelte van hun lengte wenden zij zich met een vrij sterke kromming naar buiten; liervormig uiteenwijkend, keeren zij zich tevens naar achteren en bereiken bij het begin van het laatste derde gedeelte hun grootsten onderlingen afstand; de spitsen buigen zich weder naar elkander toe en zijn ten slotte een weinig omhooggericht. Op de dwarse doorsnede zijn zij over ’t geheel genomen peervormig; daar zij, scheef van voren gezien, een ronding vertoonen en aan de tegenovergestelde zijde bijna scherpkantig samengedrukt zijn. De jaarringen of groeiringen zijn als dwarse richels zichtbaar, maar puilen veel minder uit dan bij den Alpen-steenbok. Deze hoornen kunnen vermoedelijk wel 1 M. lang worden. Een hoorn van 79 cM. lengte, had aan den wortel een omvang van 22 cM. en vertoonde 11 jaarringen.

Bezoar-geit (Capra aegagrus). 1/18 v. d. ware grootte.
Bezoar-geit (Capra aegagrus). 1/18 v. d. ware grootte.

Bezoar-geit (Capra aegagrus). 1/18 v. d. ware grootte.

Het verbreidingsgebied van den Berg-steenbok reikt van de kust van de Golf van Biscaye tot aan de Middellandsche Zee en van de Pyreneeën tot aan de Serrania de Ronda. Het veelvuldigst komt hij echter voor in de Sierra de Gredos, een bergketen, die de scheiding vormt tusschen het stroomgebied van den Doero en dat van den Taag.

*

De Geiten (in de meest beperkte beteekenis van het woord) (Hircus) zijn gemiddeld iets kleiner dan de Steenbokken; hare hoornen zijn min of meer samengedrukt, bij het mannetje met twee scherpe kanten en met dwarsrichels of rimpels voorzien, bij het wijfje geringd of gerimpeld. Voor ’t overige komen de Geiten in alle opzichten met de Steenbokken overeen.

Evenals van de meeste andere huisdieren is ook van onze Huisgeit de afstamming onbekend. Van de in ’t wild levende Geiten, die vooral in Azië aangetroffen worden, is ons nog zoo weinig bekend, dat het zelfs niet mogelijk is het aantal soorten bij benadering op te geven. Vele dierkundigen meenen, dat de Bezoar-geit meer dan eenige andere soort aanspraak mag maken op de eer ons zulk een nuttig huisdier verschaft te hebben. Werkelijk stemt dit dier in alle hoofdkenmerken met de Tamme Geit overeen; alleen de richting en de kromming der hoornen verschilt.

De Bezoar-geit (Capra aegagrus) is wel kleiner dan de Europeesche Steenbok, maar toch aanmerkelijk grooter dan onze Huisgeit. De lengte van den volwassen bok bedraagt ongeveer 1.5 M. de hoogte van de schoft 95 cM. en die van ’t kruis 2 cM. meer. De zeer groote en forsche, van weerszijden samengedrukte, van achteren en voren scherpkantige, aan de buitenzijde echter afgeronde en gewelfde horens, welker lengte reeds bij middelmatig groote dieren meer dan 40 cM., bij oude dikwijls meer dan 80 cM. bedraagt, zijn van den wortel af sterk en gelijkmatig gekromd. Zij vormen een achterwaarts gerichten, enkelvoudigen boog, die bij oude mannetjes ongeveer een halven cirkel uitmaakt; aan den wortel staan zij dicht bijeen, zijn vervolgens tot over het midden gestadig naar onderen gebogen, richten echter hun spits weer sterk naar voren en naar binnen; de middengedeelten zijn 30 à 40, de spitsen 18 à 25 cM. van elkander verwijderd. Tusschen de knoopen of dwarsrichels van den hoorn, welker aantal bij oude dieren hoogstens 10 à 12 bedraagt, komen talrijke, dwars gerichte rimpels voor. De vacht bestaat uit tamelijk lange, stijve, glad tegen de huid aanliggende bovenharen, die zich op de grens van kop en hals tot een baard verlengen, en uit korte, middelmatig fijne wolharen. Zij is licht roodachtig grijs of roestbruinachtig geel; aan de zijden van den hals en bij den buik wordt de kleur lichter; de borst en de onderzijde van den hals zijn donkerzwartbruin; de buik benevens de binnen- en de achterzijde van de pooten zijn wit. Een scherp begrensde, donkerzwartbruine, overlangsche streep loopt over het midden van den rug tot aan den staart; deze heeft een effen zwarte kleur.

Het verbreidingsgebied van de Bezoar-geit omvat een uitgestrekte landstreek van West- en Middel-Azië. Zij komt voor aan de zuidzijde van den Kaukasus, in den Taurus en in de meeste overige gebergten van Klein-Azië en Perzië tot ver in het zuiden, zelfs in Afghanistan en Beloetsjitan; voorts wordt zij gevonden op verscheidene eilanden van de Middellandsche en meer bepaaldelijk van de Grieksche Zee, misschien ook op de hoogste gebergten van het Grieksche schiereiland. Het is namelijk met nagenoeg volkomen zekerheid gebleken, dat zij het dier is, dat Homerus bedoelde bij de beschrijving van het eiland der Cyclopen:

“Der Geiten oneindige schare een speelplaats, Van ’t wilde gedierte, dat nimmer de voet des menschen verjaagde.”

Door uiterlijk, aard en bewegingen herinnert de Bezoar-geit sterk aan den Steenbok. Vlug en onbekommerd loopt zij langs moeielijke paden, staat dikwijls uren lang op een vooruitstekende rotspunt en kijkt, op duizelingwekkende hoogte onbeschut, in den ontzaglijken afgrond; zij klimt voortreffelijk en doet met bewonderenswaardigen moed en behendigheid gevaarlijke sprongen. Zij is buitengemeen schuw en weet aan de meeste gevaren te ontkomen.

Gedurende den paartijd, die in November valt, leveren de Bokken elkander langdurige en heete gevechten. In April of Mei brengen de jonge één of twee, de oude geregeld twee jongen ter wereld, zelfs drielingen komen niet bijzonder zeldzaam voor. De jongen volgen de moeder onmiddellijk na de geboorte, en vergezellen haar reeds na den tweeden levensdag op de moeielijkste paden; zij groeien snel en zijn te allen tijde speelsch en tot grappen geneigd.

Levende Bezoar-geiten komen nog steeds zeer zelden in onze dierentuinen voor, hoewel de verzending van dieren dezer soort weinig bezwaren aanbiedt, indien zij sinds hun vroegste jeugd in gevangenschap geleefd hebben.

Een thans nog veelvuldig verbreide meening, waarvan de onjuistheid echter reeds lang geleden aangetoond werd, is oorzaak, dat deze wakkere bergbewoners in vele landen van Azië door den mensch fel vervolgd worden. In de pens van vele Herkauwers vindt men namelijk rondachtige lichamen, ziekelijke verhardingen, die men tot op zekere hoogte zou kunnen vergelijken met de bekende galsteenen en blaassteenen. Zij hebben al naar de diersoort, waarbij zij aangetroffen worden, een verschillende samenstelling. Soms, zooals bij ons vee, bestaan zij grootendeels uit plantvezels en haren, die bij wijze van vilt met elkander vereenigd zijn; deze worden gewoonlijk “gemsballen” (Bezoar germanicus) genoemd. In andere gevallen, b.v. bij de Lamas en Vicuñas, is het hoofdbestanddeel dezer concrementen een niet brandbare en niet smeltbare stof, n.l. phosphorzure kalk (Bezoar occidentalis). De zoogenaamde “Oostersche Bezoar” echter bestaat geheel uit een organische stof; soms uit een eigenaardig vetzuur, soms uit een op galnotenzuur gelijkende verbinding. Aan deze voorwerpen worden belangrijke geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven. Terecht werd dit reeds door Bontius ontkend. In vele landen o. a. in Indië en Perzië, wordt dit kwakzalversmiddel ook thans nog hooggeschat en duur betaald; hierdoor worden ondernemende jagers aangelokt om een waren verdelgingsoorlog te voeren tegen de dieren, welke dit kostbare product leveren. De Bezoar-geit ontleent haar naam aan de zeer verbreide meening, dat bij haar de “Bezoar” veelvuldiger voorkomt dan bij andere Herkauwers.

De bewoners van de Grieksche eilanden, van den Kaukasus en van den Cilicischen Taurus hechten, naar het schijnt aan de Bezoar-ballen geen waarde; de wilde Geiten worden in deze deelen van haar verbreidingsgebied alleen ter wille van haar vleesch, haar huid en haar hoornen gejaagd. Het voordeel, dat deze jacht oplevert, is niet onbelangrijk. Het zeer smakelijke vleesch van de Bezoar-geit herinnert aan dat van onze Ree en is even zacht en malsch als dit; het wordt in verschen toestand gebruikt, of in lange smalle strooken gesneden en aan de lucht gedroogd om het voor later te bewaren. De langharige huid van het in den winter gedoode dier doet bij de Muzelmannen dienst als bidtapijt en wordt door hen hooggeschat, omdat zij de daaraan hechtende, sterke lucht aangenaam vinden. Het kortharige vel, dat des zomers buitgemaakt wordt, levert de grondstof voor de lederen zakken, die in het Oosten tot berging van vloeistoffen dienen; van de hoornen vervaardigt men sabelgevesten, kruithorens enz.; van den dooden Bezoar-bok wordt dus zeer goed partij getrokken.

De geschiedenis en de overlevering werpen in ’t geheel geen licht op het vraagstuk van de afstamming van de Huisgeit en van hare buitengewoon talrijke rassen. Wij zijn niet in staat om te bepalen, wanneer de eene of de andere wilde soort huisdier is geworden, òf er kruisingen hebben plaats gehad, en zoo ja, in welken tijd dit voor ’t eerst geschiedde; evenmin is het bekend, hoe de kenmerkende eigenschappen van de rassen—die, naar duidelijk gebleken is, sedert duizenden van jaren onveranderd overerfden—zich ontwikkeld hebben.

Als het edelste van alle rassen mogen wij wel de Angora-geit (Capra hircus angorensis) aanmerken. Zij is een fraai, groot dier van ineengedrongen lichaamsbouw, met stevige pooten, korten hals en kop, zeer eigenaardig gekromde horens en een vreemdsoortig haarkleed. De dieren van beiderlei geslacht zijn met hoornen gewapend. Die van den bok zijn nagenoeg lintvormig samengedrukt, scherpkantig en van achteren stomp toegespitst; gewoonlijk gaan zij in horizontale richting van den kop uit, vormen een lange dubbele schroefwinding en zijn met de spits naar boven gericht; zij hebben dus een drievoudige kromming ondergaan. De geit heeft kleinere, zwakkere, ronde enkelvoudig gebogen hoornen. Korte, glad aanliggende haren komen niet anders voor dan op het aangezicht, de ooren en de onderste gedeelten van de pooten; de overige lichaamsdeelen zijn bedekt met een zeer dikke vacht, welke uit dichte en lange, fijne, zachte, glanzige, zijdeachtige en tot lokken vereenigde, gekroesde haren bestaat. Een tamelijk lange, uit stijve of harde haren samengestelde baard versiert de onderkaak zoowel bij het mannetje als bij het wijfje. Verreweg de meeste leden van dit geitenras zijn eenkleurig en wel schitterend wit; die, welke op lichten grond donkere vlekken vertoonen, zijn zeldzamer. In den zomer valt de vacht bij zeer groote vlokken uit, maar groeit zeer snel weer aan. Fransche fokkers hebben bevonden, dat één zoo’n vacht 1.25 à 2.5 KG. weegt.

Naar het schijnt, hebben de ouden de Angora-geit in ’t geheel niet gekend. Belon was de eerste, die melding maakte van een “wolgeit”, waarvan de vacht zoo fijn is als zijde en zoo wit als sneeuw, en tot het vervaardigen van kamelot dient. De naam van dit dier is ontleend aan de kleine stad Angora, in het Turksche pasjalik Anadoli in Klein-Azië, die reeds bij de ouden onder den naam Ankyra als handelsstad zeer beroemd was. Bijna iedere bewoner van deze plaats houdt zich met den wolhandel bezig. Het vaderland van de Angora-geit is droog en heet in den zomer, maar zeer koud in den winter, die echter slechts 3 of 4 maanden duurt. Eerst wanneer de bergen geen voedsel meer opleveren, worden de Geiten in slecht ingerichte stallen gehuisvest; gedurende het overige deel van ’t jaar moeten zij op de weide blijven. Zij zijn zeer gevoelig voor temperatuurswisselingen, hoewel de slechte behandeling er niet toe bijdraagt om ze te verweekelijken. Zuivere, droge lucht is volstrekt noodig voor hun welstand. Gedurende het warme jaargetijde wordt de vacht verscheidene malen (éénmaal per maand) gewasschen en gekamd, om haar fraai te doen blijven.

Het geheele aantal Geiten in Anadoli wordt op een half millioen geschat. Deze worden in April geschoren. Op één bok komen in den regel honderd of meer geiten. Angora alleen levert bijna 1 millioen KG. wol, ter waarde van 2.16 millioen gulden. Een deel van de wol wordt in het land zelf gebruikt tot het vervaardigen van sterke stoffen voor de mannen en van fijnere voor de vrouwen; ook worden er kousen en handschoenen van gemaakt; al het overige gaat naar Engeland. Deze vezelstof heet angora-wol, kemelshaar of mohair; de hiervan geweven stoffen noemt men mohair, lustre enz. Men heeft opgemerkt, dat de fijnheid van deze wol afneemt, naarmate de Geiten ouder worden.

Angora-geit (Capra hircus angorensis). 1/12 v. d. ware grootte.
Angora-geit (Capra hircus angorensis). 1/12 v. d. ware grootte.

Angora-geit (Capra hircus angorensis). 1/12 v. d. ware grootte.

Kort nadat de Angora-geit in Europa bekend werd, is men begonnen pogingen te doen, om haar in ons werelddeel te acclimatiseeren. Tot dusver heeft men geen reden tot klagen gehad over den uitslag van deze proefnemingen, die aanleiding hebben gegeven tot het fokken van dit ras in Spanje, Italië, Frankrijk en Zweden; zelfs wordt beweerd, dat de wol van de in Frankrijk geboren dieren fijner is, dan die van hunne stamouders.

Ook in Kaapland werd dit ras met uitnemend gevolg gefokt. De vraag naar fokdieren is daar zoozeer toegenomen, dat in het jaar 1880 de beste, pas ingevoerde bokken met 1200 à 4800 gulden per stuk betaald werden. Het fokken slaagde naar wensch: de jongen groeiden voorspoedig op. De uitvoer van mohair nam buitengewoon snel toe: in het jaar 1862 bedroeg zij nog geen 500 KG.; in het jaar 1885 echter reeds 2.4 millioen KG., voor een aangegeven waarde van 1.44 millioen gulden. Het is dus niet te verwonderen, dat de Kapenaars de hoop voeden, de Aziaten, zoowel wat de hoeveelheid als wat de kwaliteit van hun mohair betreft, weldra te zullen overvleugelen.

Weinig minder geschat dan het zooeven beschreven ras, is de Kasjmir-geit (Capra hircus laniger), een tamelijk klein, maar bevallig gebouwd dier, van bijna 1.5 M. totale lengte, en 60 cM. schouderhoogte. De korte, buitengewoon fijne, weinig gekroesde, zachte, donsachtige wol wordt bedekt door lange, stijve, fijne en sluike bovenharen; alleen het aangezicht en de ooren zijn kort behaard. De kleur is verschillend. Gewoonlijk zijn de zijden van den kop, de staart en de overige deelen van den romp zilverwit of licht geelachtig. Het verbreidingsgebied van deze fraaie Geit reikt van Tibet over Boekhara tot in het land der Kirgiezen. Zij werd in Bengalen ingevoerd; in de gebergten van Tibet, waar zij zelfs bij de strengste koude in de open lucht vertoeft, is het aantal dezer dieren zeer groot.

Gedurende langen tijd was men in het onzekere over het dier, welks haar voor het vervaardigen van het “kasjmier”, de fijnste van alle wollen stoffen, dient. Door Bernier, een Fransch geneesheer, die in het jaar 1664 in het gevolg van den Groot-Mogol Tibet bezocht, vernam men, dat twee Geiten, waarvan de eene in ’t wild leeft, en de andere als huisdier wordt gehouden, deze wol leveren. Het meest gezocht is het zuiver witte wolhaar, dat geheel de glans en de fraaiheid van zijde heeft. Ieder dier levert O.3 à 0.4 KG. van deze op dons gelijkende wol. Voor het weven van één sjaal heeft men de wol van 10 à 20 geiten noodig.

Naar men zegt, bestonden er in Kasjmir gedurende de heerschappij van den Groot-Mogol 40.000 sjaal-weverijen; langzamerhand echter is deze tak van nijverheid zoozeer achteruitgegaan, dat van de 60.000 menschen, die door het sjaal-weven hun kost verdienden, duizenden door gebrek aan werk genoodzaakt werden, het land te verlaten. Thans heeft de sjaal-weverij haar oude vlucht nog niet herkregen.

Het is licht te begrijpen, dat men reeds voor vele jaren op het denkbeeld is gekomen, de zooveel winst afwerpende Kasjmir-geit in Europa te acclimatiseeren. Ternaux, die de sjaal-weverijen in Frankrijk invoerde, kwam op het denkbeeld zich dieren van dit ras te verschaffen; de beroemde Jaubert hielp hem dit doel te bereiken. In het jaar 1818 scheepte deze reiziger zich naar Odessa in, en vernam hier, dat de nomadische stammen in de steppen tusschen Astrakan en Orenburg Kasjmirgeiten hielden; hij bezocht deze menschen, overtuigde zich door nauwkeurig onderzoek van het wolhaar, van de echtheid van het ras hunner Geiten en kocht er 13000 stuks van. Deze kudde bracht hij naar Kaffa in de Krim, scheepte zich hier met hen in en landde in April 1819 te Marseille. Slechts 400 stuks hadden de lange, moeielijke reis kunnen doorstaan, en deze hadden zoo sterk geleden, dat men zeer betwijfelde, of zij voor de fokkerij zouden kunnen dienen. Vooral de bokken waren zeer verzwakt. Gelukkig werd bijna te gelijker tijd een flinke bok van dit ras, dien de Fransche natuuronderzoekers Diard en Duvaucel in Indië ten geschenke hadden gekregen, door hen aan den Parijschen dierentuin gezonden. Hij werd de stamvader van alle Kasjmir-geiten, die thans in Frankrijk voorkomen, en welke aan dit land 7.2 à 9.6 millioen gulden opleveren. Uit Frankrijk werd de Kasjmirgeit ook naar Oostenrijk en Wurtemberg overgebracht; hier echter leverde het fokken van dit ras ongunstige uitkomsten op.

De Mamber-geit (Capra hircus mambrica) gelijkt door hare lange haren eenigszins op de Kasjmir-geit, maar verschilt van deze door de buitengewoon lange, slap afhangende ooren, die bij geen andere Geit zoo groot zijn en zulk een vorm hebben. In grooten getale vindt men haar tegenwoordig in de nabijheid van Aleppo en Damascus. In verscheidene landen van Azië komt zij voor; de Kirgiezische Tartaren o.a. hebben groote kudden van deze dieren.

Verder verdient, mijns inziens, vermelding de Nijl-geit of Egyptische geit (Capra hircus aegyptiaca), welker afbeeldingen zoo veelvuldig aangetroffen worden op oude gedenkteekenen. Zij is aanmerkelijk kleiner dan onze Huisgeit, maar staat hooger op de pooten en heeft korter hoornen. Vooral onderscheidt zij zich door haar kleinen kop en zeer grooten ramsneus. De mannetjes zoowel als de wijfjes van dit ras zijn dikwijls ongehoornd; hoogstens komen bij deze dieren kleine, dunne, onbeduidende hoorntjes voor; die, welke ik gezien heb, misten bovendien den baard. Meestal zijn zij levendig roodbruin van kleur. In het Beneden-Nijldal worden deze dieren algemeen gefokt; tot in Middel-Nubië treft men ze aan; hooger op worden zij door een ander ras vervangen.

Het zooeven bedoelde ras is de Dwerg-geit (Capra hircus reversa), een dier van hoogstens 70 cM. lengte, 50 cM. schouderhoogte en niet meer dan 25 KG. gewicht, een der bevalligste leden van de geheele groep. Haar op korte en stevige pooten rustende romp is ineengedrongen; de betrekkelijk breede kop draagt bij beide geslachten korte hoornen, die ternauwernood zoo lang zijn als een vinger. De tamelijk korte, maar dichte beharing is gewoonlijk donker van kleur: meestal ten deele zwart, ten deele roodachtig vaal. Misschien mag men alle landen tusschen de Witte Rivier en den Niger als het vaderland van dit ras beschouwen.

De Huisgeit is tegenwoordig bijna over de geheele aarde verbreid. Daar het nut van dit dier algemeen erkend wordt, treft men het aan bij alle volken die een eenigszins geregeld leven leiden. De betrekking, waarin het tot den mensch staat, is zeer ongelijk: de meeste Huisgeiten grazen over dag nagenoeg volgens eigen verkiezing en worden alleen ’s nachts onder het toezicht van den mensch gehouden. Verwilderde Geiten ontmoet men waarschijnlijk alleen hier en daar in de gebergten van Zuid-Azië en op eenige eilanden van de Middellandsche Zee.

De veel besproken Geiten van het Eiland Robinson in den Stillen Oceaan (waar vijf- of zesmaal Robinsonaden voorgevallen zijn, van welke de meest bekende door De Foe tot een roman werd verwerkt) stammen af van eenige individuën, die door den ontdekker van dit eiland, Juan Fernandez, in het jaar 1563 achtergelaten werden. Deze Geiten vermenigvuldigden zich buitengewoon sterk in haar nieuw vaderland, dat bergachtig en voor haar gedijen uitnemend geschikt is. (Dit eiland is sinds kort door een vulcanische uitbarsting geheel verwoest.)

De Geit is voor het gebergte geschapen; hoe woester tafereelen het aanbiedt, hoe rijker het is aan steilten en afgronden, des te beter gevoelt zij zich er thuis. In het zuiden van Europa en in de gematigde gewesten van de andere werelddeelen zal men waarschijnlijk in ieder gebergte kudden grazende Geiten ontmoeten. Zij zijn in staat om de eenzaamste rotsen te verlevendigen en aan de treurigste oorden bekoorlijkheid te verschaffen.

Door allerlei karaktertrekken verschilt de Geit van het Schaap, dat in lichamelijk opzicht zooveel op haar gelijkt. Zij is een vroolijk, wispelturig, nieuwsgierig, plaagziek, tot grappenmaken geneigd dier, waarin ieder onbevooroordeelde behagen moet scheppen. Lenz heeft haar op de volgende, uitmuntende wijze beschreven: “Reeds als het sikje een paar weken oud is,” zegt hij, “heeft het grooten lust om zijne merkwaardige sprongen af te wisselen met halsbrekende ondernemingen. Altijd wil het hooger op. Te klauteren op hoopen hout of steen, op muren of rotsen, de trappen op te gaan, is voor een Geit een groot vermaak. Dikwijls is zij na het bereiken van haar doel nauwelijks of in ’t geheel niet in staat weder naar beneden te komen. Zij weet niet, wat het is duizelig te zijn: rustig gaat of ligt zij aan den rand van den vreeselijksten afgrond.—Verschrikkelijk zijn de gevechten, die de gehoornde bokken, ja zelfs de geiten, elkander leveren, wanneer zij elkander voor de eerste maal ontmoeten. De schok van de tegen elkander stootende hoornen is op een afstand hoorbaar. Zonder medelijden stooten zij elkander tegen de oogen, den bek, den buik, alnaar het uitkomt en schijnen intusschen volkomen gevoelloos te zijn; toch laat zulk een strijd, die dikwijls een kwartier duurt, ternauwernood andere sporen na, dan misschien een rood oog. Ongehoornde Geiten vechten zoowel onderling als met gehoornde soortgenooten; zij geven er niet om, of het bloed hun over den kop en het voorhoofd vloeit. De ongehoornde dieren trachten ook wel te bijten; maar kunnen op deze wijze geen kwaad doen. Geen van hen verweert zich met de pooten. Als men een Geit, die aan het gezelschap van hare soortgenooten gewoon is, alleen opsluit, blaat zij op een erbarmelijke wijze; dikwijls weigert zij het eten en drinken gedurende langen tijd. Evenals de mensch heeft ook de Geit allerlei nukken: de moedigste wordt soms door onbeduidende dingen zoozeer verschrikt, dat zij hals over kop wegloopt en niet te houden is.”

De bok heeft iets ernstigs en waardigs in zijn geheele houding en onderscheidt zich ook door grootere vermetelheid en uitgelatenheid van de geit. “Als er gesnoept, gespeeld of gevochten zal worden,” zegt Tschudi, “toont hij duidelijk zijn lichtzinnigen aard. Het Schaap heeft slechts gedurende zijn jeugd een opgewekt humeur, zoo ook de Steenbok; de Geit behoudt haar vroolijkheid langer dan zijne beide verwanten. Zonder eigenlijk in ernst twistziek te zijn, daagt zij gaarne iemand tot een tweegevecht uit.” Ik denk nog steeds met genoegen terug aan een zeer forschen geitebok, die rustig lag te herkauwen in het dorp, waar ik als jongen woonde. Het was in den vroolijken schooljongenstijd, en wij, baldadige knapen, konden het niet van ons verkrijgen, het op zijn gemak uitgestrekte dier ongestoord te laten. Eén van ons daagde door een stoot met de vlakke hand den Bok tot een tweegevecht uit. Deze stond langzaam op, rekte zich uit, bedacht zich eerst geruimen tijd, ging vervolgens vóór zijn uitdager staan en vatte de zaak veel ernstiger op, dan deze gewenscht had. Hij vervolgde ons door het geheele dorp, bepaald ontevreden, dat wij hem den rug toekeerden; want, zoodra een van ons zich omdraaide om naar hem te kijken, ging hij oogenblikkelijk in vechtpostuur staan en knikte op een veelbeteekenende wijze met den kop. Eerst nadat hij ons ongeveer 10 minuten ver begeleid had, en tot zijn groote spijt bemerkte, dat met zulke lafaards geen twist eerlijk uitgevochten kon worden, verliet hij ons en draafde, mokkend over het voorbijgaan van de gelegenheid om zijn moed te toonen, naar het dorp terug.

De Geit is den mensch van nature genegen; zij is eergierig en in hooge mate belust op liefkoozingen. In de hooge bergstreken begeleidt zij den wandelaar, smeekend en zich tegen hem aan vleiend, dikwijls meer dan een half uur. Wie haar, al is het ook maar éénmaal, iets gegeven heeft, wordt niet door haar vergeten, en vol vreugde begroet hij een nieuwe ontmoeting. Als een Geit weet, dat haar meester haar genegen is, toont zij zich ijverzuchtig als een verwende Hond en valt iedere andere Geit, zoodra deze door haar gebieder wordt voorgetrokken, met de hoorns aan. Zij is schrander en verstandig, en bemerkt het wel, wanneer de mensch haar onrecht heeft gedaan, of haar onrechtmatig bestraft heeft. Goed gedresseerde bokken trekken den bokkenwagen bereidwillig en met genoegen; zij weigeren echter uitdrukkelijk dezen arbeid te verrichten, zoodra zij gekweld of noodeloos geplaagd worden. Er zijn echter nog duidelijker bewijzen te vinden voor het goed ontwikkelde verstand van deze dieren. Het is bekend, dat Geiten afgericht kunnen worden om op het bevel van hun meester zeer verschillende werkzaamheden te verrichten. Dat zij echter, zonder hiertoe afgericht te zijn, duidelijk antwoord kunnen geven op vragen, die men haar doet, kan ik op grond van persoonlijke ervaring verzekeren. Mijn moeder houdt Geiten en stelt er veel prijs op; zij is er daarom bijzonder op gesteld, dat deze dieren goed verzorgd worden. Dadelijk kan zij gewaar worden, of hare beschermelingen tevreden zijn, of niet. Het is voldoende, dat zij zich naar ’t venster begeeft en het vraagt. Zoodra de Geiten de stem van haar gebiedster hooren, beginnen zij luid te schreeuwen, ingeval zij de een of andere reden van klagen meenen te hebben, zoo niet, dan zwijgen zij stil. Wanneer deze dieren in den tuin komen en met een paar zweepslagen van de bloembedden of vruchtboomen verdreven worden, hoort men geen kik van hen; als echter de dienstmeid hen in den stal een slag geeft, schreeuwen zij erbarmelijk.

In het hoogland van Spanje gebruikt men de Geiten wegens haar groote schranderheid als aanvoerders en gidsen van de schapenkudden. De edelste rassen van Schapen grazen daar gedurende den geheelen zomer in het hooge gebergte, in het zuiden dikwijls op hoogten van 2000 of 3000 M. boven den zeespiegel. Hier zouden de herders zich zonder Geiten in ’t geheel niet kunnen redden. Deze zoo nuttige dieren worden evenwel als een noodzakelijk kwaad beschouwd; omdat zij de Schapen tot gevaarlijke klimpartijen verleiden.

In Griekenland ziet men bijna geen ander vee dan Geiten; zij bewonen alle bergen en zijn voor den wandelaar reeds op een afstand merkbaar door den zeer duidelijken bokkenstank, dien zij verbreiden.—In vele gewesten worden de Geiten aan zichzelf overgelaten; dit geschiedt ook dikwijls in de Alpen. Zij worden in een bepaald, zeer afgelegen gebied gedreven om hier te grazen, en in den herfst weer bijeen gezocht; niet zelden ontbreekt dan de eene of andere op het appèl. Om dit verlies zoo gering mogelijk te maken, brengt een knecht dagelijks, dikwijls trouwens slechts éénmaal per week, zout naar de weideplaats van de Geiten, die op de hiervoor bestemde, haar welbekende steenklomp, ter bepaalder tijd met groot verlangen naar dit geschenk uitzien.

In het binnenland van Afrika grazen de Geiten eveneens naar eigen goedvinden, maar worden ’s avonds opgesloten in een zoogenaamde “seriba” of omheining van doornen, waar zij tegen de Roofdieren beveiligd zijn. Ook in West-Afrika loopen zij naar vrije verkiezing rond, beklimmen lage boomen met scheef geplaatste stammen, en klauteren zelfs bij afschuttingen met dwarsgerichte balken omhoog. Daar, waar Luipaarden, haar ergste vijanden, voorkomen, worden zij des nachts goed opgeborgen. Zij zijn den menschen, ook den Europeanen, genegen; de reiziger, die Geiten medeneemt, heeft zich hoogstens in den eersten tijd om haar te bekommeren, want meestal hebben zij zich reeds na verloop van eenige dagen geheel aan het reizen met de karavaan gewend.

Amerika heeft hare Geiten van de Europeanen gekregen. Zij zijn thans van het zuiden tot het noorden over dit werelddeel verbreid. Aan het fokken van dit vee wordt echter niet overal de noodige zorg besteed; in vele gewesten wordt het zelfs zeer verwaarloosd, zoo b.v. in Peru en Paraguay, in Brazilië en Suriname; in Chili wordt er beter voor gezorgd. In Australië werd dit nuttige huisdier eveneens ingevoerd; het heeft hier een groote verbreiding gekregen.

Naar beweerd wordt, heeft het onderzoek geleerd, dat onze Geit van 576 inheemsche soorten van planten er 449 eet. Hare veranderlijkheid en wispelturigheid komen bij ’t zoeken van voedsel het duidelijkst aan ’t licht. Zij streeft onophoudelijk naar nieuwe genietingen, plukt op iedere plaats slechts weinig, proeft en snoept nu eens van de eene, dan weer van een andere plant, en bepaalt zich niet eens tot het beste voedsel. Bijzonder gesteld is zij op boombladen; zij richt daarom in boomaanplantingen groote schade aan. Opmerkelijk is het, dat zij enkele planten, die voor andere dieren zeer schadelijk zijn, zonder nadeel eet: o. a. wolfsmelk, schelkruid, peperboompje en driedistel, zoo ook muurpeper, hoefblad, melisse, salie, scheerling, hondspeterselie en dergelijke kruiden, met smaak eet zij ook rooktabak, stukjes van sigaren, enz. Het liefst eet zij jonge bladen en bloemen van peulgewassen, bladen van allerlei soorten van rapen en kool en van de meeste boomen; het best bekomen haar alle planten, die op droge, zonnige, vruchtbare, hooge gronden groeien. Geiten, die in ’t vrije veld grazen, krijgen niet anders dan water te drinken; in den stal geeft men haar een lauwwarm mengsel van roggezemels met een weinig zout en water.

Het wijfje van de Geit werpt 21 of 22 weken na de paring 1 of 2, zeldzamer 3 en slechts bij uitzondering 4 of 5 jongen. Weinige minuten na de geboorte gaan de sikjes staan en zoeken de uier van de moeder; den volgenden dag reeds loopen zij rond en na 4 of 5 dagen volgen zij hun moeder overal heen. Zij groeien snel; in de tweede maand komen de hoorntjes te voorschijn en na verloop van een jaar hebben zij nagenoeg hun volle grootte bereikt.

De Geit is een zeer nuttig huisdier; in vele gewesten kan men haar als den besten vriend van de armen beschouwen. Haar onderhoud kost weinig, in den zomer om zoo te zeggen niets: daarentegen voorziet zij het gezin met melk en levert aan de onbemiddelden ook nog mest voor den akker. Lenz heeft zorgvuldig boekgehouden van de melkopbrengst van een Geit, die goed gevoederd werd; hij vond, dat zij in 1 jaar 885 liter melk kan leveren.

Behalve door haar melk, waar kaas van bereid wordt, die in Griekenland een groote rol speelt bij de voeding van het volk, en ook boter, is de geit nuttig door haar vleesch, haar vel en hare hoornen. Het vleesch van jonge geitjes is zeer smakelijk, hoewel het bijna te malsch is; dat van oudere dieren is niet slecht. Het vel wordt tot marokijn en corduaan, zeldzamer tot perkament verwerkt; het Oosten brengt nog altijd het grootste deel van de eerstgenoemde ledersoorten aan de markt. Van bokkenleder worden pantalons en sterke handschoenen gemaakt, in Griekenland wijnzakken en in Afrika waterzakken. Voor de lederbereiding wordt aan het vel van de Gewone Geiten van het Kaapland de voorkeur gegeven. Het grove haar wordt in sommige landen voor het vervaardigen van penseelen gebruikt of tot touw ineengedraaid. De hoornen worden door de kunstdraaiers verwerkt; in het oosten en bij vele zoogenaamde wilde volken komen zij ook in de geneeskunde te pas, daar zij als “koppen” dienst doen. Dit uitmuntende dier is dus zoowel gedurende zijn leven als na zijn dood zeer nuttig.

*

In lichamelijk opzicht zijn de Schapen (Ovis) zeer nauw verwant aan de Geiten; wat de gemoedsaard betreft, gelijken alleen de in ’t wild levende soorten van beide groepen op elkander. De Schapen onderscheiden zich van de Geiten, doordat gene in den regel in ’t bezit zijn van traangroeven en klauwklieren, die bij deze meestal ontbreken. De traangroeven, (die op de in dit werk voorkomende afbeeldingen van Schapen en Herten duidelijk zichtbaar zijn) gaan van den binnenhoek van ’t oog uit, kunnen soms een aanzienlijke lengte bereiken en bevatten in den regel een smerige stof, het afscheidingsproduct van de talrijke, hier uitmondende huidsmeerklieren. De klauwklieren zijn behaarde instulpingen van de huid tusschen de bovenste leden van de beide teenen. Een ander punt van verschil tusschen de Schapen en Geiten is de bij gene vlakke, bij deze gewelfde ruimte tusschen de oogen. Voorts hebben de Schapen kantige, op de dwarse doorsnede min of meer driezijdige, dwars gerimpelde, slakkehuisvormig gedraaide hoornen, ook ontbreekt bij hen de baard. Over ’t algemeen zijn de Schapen slank gebouwde dieren met een schralen romp, dunne hooge pooten en korten staart; hun kop is van voren sterk versmald; de oogen en ooren zijn matig groot: het haarkleed is ruig en wollig en bestaat uit tweeërlei soort van haren.

Alle in ’t wild levende Schapen bewonen de gebergten van ’t noordelijk halfrond. Hun verbreidingsgebied reikt van Azië tot Zuid-Europa, Afrika en het noordelijk deel van Amerika. Iedere groep van gebergten in Azië bezit één of meer haar kenmerkende soorten. Europa, Afrika en Amerika daarentegen zijn zeer arm aan Schapensoorten en hebben er, voor zoover men weet, ieder slechts één. Vele soorten zijn zeer nauw aan elkander verwant. Zij worden hoofdzakelijk onderscheiden op grond van eigenaardigheden der horens, welker vorm, grootte en kromming als soortverschillen worden aangemerkt. Bij sommige is de rechter hoorn van den wortel tot aan de spits links en de linker hoorn rechts gewonden; vervolgens wijken de hoornspitsen in buitenwaartsche richting uiteen. Bij andere is de rechter hoorn rechts, de linker hoorn links gewonden; de hoornspitsen zijn dan naar achteren gericht; deze hoornen herinneren dus aan die der Geiten.

Alle Wilde Schapen zijn echte kinderen van het gebergte, die, naar het schijnt, alleen op aanzienlijke hoogten zich wel bevinden: de meeste stijgen tot boven de sneeuwgrens; enkele tot op hoogten van 6000 à 7000 M., waar, behalve zij, geen andere dieren dan Geiten, een Rund, het Muscusdier en eenige Vogels kunnen leven. In vlakke streken treft men geen andere dan tamme Schapen aan; het is aan de exemplaren, die in bergstreken gefokt worden, duidelijk te zien, hoe goed het wonen in een voor hen passende omgeving hun bekomt. Grasrijke dreven en ijle bosschen, steile rotsen en woeste hellingen, tusschen welker steenklompen slechts hier en daar een groen sprietje te voorschijn komt, zijn de verblijfplaatsen van de Wilde Schapen. Al naar het jaargetijde trekken zij van de hoogte naar de laagte, of omgekeerd: de zomer lokt hen naar boven; de ijzige winter drijft hen naar beter bewoonbare oorden, omdat hij den voorraad voedsel in hoogere gewesten met een sneeuw- en ijskleed bedekt. In den zomer bestaat hun voedsel uit frissche en saprijke Alpenkruiden, in den winter uit mossen, korstmossen en dorre grassen. De Schapen zijn kieschkeurig, wanneer hun een rijke keuze van voederplanten geboden wordt, in hooge mate sober, wanneer er niet veel voor hen te bikken valt: dorre grassen, uitspruitsels, boomschors en dergelijke stoffen zijn in den winter dikwijls de eenige gerechten op hun spijskaart, zonder dat men daarom van hen zeggen kan, dat zij gebrek lijden.

Meer dan bij andere huisdieren, de Rendieren misschien alleen uitgezonderd, ziet men aan de Schapen, hoezeer de slavernij ontaarding na zich sleept. Het tamme Schaap is slechts een schaduw van het wilde. De Geit behoudt tot op zekere hoogte ook nog in de gevangenschap haar zelfstandigheid; het Schaap wordt in de dienst van den mensch een volkomen afhankelijk wezen. Geen dier kan gemakkelijker onder toezicht gehouden, gemakkelijker geregeerd worden dan het tamme Schaap; men zou kunnen meenen, dat het zich er over verheugt, als een ander wezen hem van de zorg voor zijn eigen welzijn ontheft. Dat zulke schepsels goedaardig, zachtmoedig, vredelievend en onschadelijk zijn, is niet te verwonderen: domheid is de grondslag van hun gemoedstoestand; daarom is het lam geen bijzonder gunstig gekozen zinnebeeld voor deugdzaamheid. In het zuiden van Europa, waar de Schapen meer aan zich zelf overgelaten worden dan bij ons, ontwikkelen hunne geestvermogens zich op een andere wijze, zoodat zij zelfstandiger, vermeteler en moediger zijn dan hier te lande.

De Schapen vermenigvuldigen zich tamelijk sterk. Het wijfje brengt na een draagtijd van 20 à 25 weken 1 of 2, zeldzamer 3 of 4 jongen ter wereld, die kort na hun geboorte in staat zijn hun moeder te volgen. De wijfjes van de wilde Schapen verdedigen hare jongen op gevaar van haar eigen leven en betoonen hun zeer veel liefde.

Bijna alle wilde soorten kunnen zonder groote moeite getemd worden en planten zich geregeld in de gevangenschap voort; hare nakomelingen behouden althans gedurende eenige geslachten haar opgewektheid. Zij hechten zich sterk aan lieden, die zich veel met haar bemoeien, luisteren naar hun stem en laten zich gaarne door hen liefkoozen; zij kunnen zoo tam worden, dat men ze met ander vee naar de weide kan zenden, en niet behoeft te vreezen, dat zij van een gunstige gelegenheid, om de vrijheid te herkrijgen, gebruik zullen maken. De Tamme Schapen, die door den mensch reeds sedert duizenden van jaren als huisdieren zijn gehouden, werden door hem, wegens het groote nut dat zij opleveren, over de geheele wereld verbreid en met goed gevolg ook in die landen ingevoerd, waar zij vroeger niet thuis behoorden.

Wij beginnen de beschrijving van de Wilde Schapen met die van het Manenschaap (Ovis tragelaphus), welk dier door zijne lang afhangende manen een zeer eigenaardigen indruk maakt. De vacht bestaat uit lange, ruige borstelharen en fijne, gekroesde wolharen, die den geheelen romp bekleeden. De eerstgenoemde verlengen zich aan den bovenhals, in den nek en aan de schouders tot een rechtopstaanden, korten, aan manen herinnerenden kam en ontwikkelen zich aan de voor- en onderzijde van den romp tot dichte, bijna tot op den grond afhangende manen, die aan de keel beginnen en zich langs den hals en de voorpooten uitstrekken.

Reeds in het jaar 1561 beschreef Cajus Britannicus het Manenschaap naar aanleiding van een vel, dat hij uit Mauritanië had ontvangen. Daarna kreeg men gedurende geruimen tijd geen nieuwe berichten over dit dier, waarvan voor ’t eerst weer door Pennant en later door Geoffroy melding werd gemaakt. De laatstgenoemde ontmoette het in de nabijheid van Kaïro in het gebergte; andere onderzoekers hebben het aan den Boven-Nijl en in Abessinië gevonden. Het veelvuldigst komt het in den Atlas voor. R. Jannasch zag het in ’t zuiden van Marokko.

“Het Manenschaap wordt,” naar Buvri bericht, “in het zuiden van Algerië door de inboorlingen in den regel Aroeï genoemd. Zonder twijfel zal het in de hoogste gedeelten van het gebergte, in den Marokkaanschen Atlas, nog veelvuldiger zijn dan in Algerië, daar deze gewesten weinig door den mensch bezocht worden, hetgeen voor het gedijen van een Herkauwer niet anders dan bevorderlijk kan zijn.

“De Aroeï houdt gaarne verblijf op de hoogste rotskammen van het gebergte, die men alleen door een doolhof van gespleten steenklompen en van rolsteenen kan bereiken; de jacht op dit dier is daarom zeer bezwaarlijk en dikwijls zelfs met gevaar verbonden. Daarbij komt nog, dat er niet veel voordeel door te behalen is, want het Manenschaap leeft eenzaam. Alleen in den paartijd, die in November valt, vormen zich gezelschappen, die uit wijfjes bestaan, waarbij zich weldra ook de rammen voegen; het mannetje en het wijfje leven eenigen tijd samen en gaan vervolgens weer ieder afzonderlijk hun weg. De Arabieren houden veel van het vleesch van dit Wilde Schaap; het gelijkt veel op dat van een Hert. Van de vellen maken zij voetkleeden; de huid wordt op sommige plaatsen gelooid en tot marokijn verwerkt.

“Hoewel de Aroeï niet zeer algemeen voorkomt, wordt hij menigmaal door de bewoners van het gebergte in strikken gevangen en dan gewoonlijk voor een geringen prijs verkocht aan den bevelhebber van de naastbijgelegen militaire post. In den tuin van de sociëteit te Biskra bevond zich een jonge Aroeï, die bij den 5 M. hoogen muur, welke het terrein omgaf, met weinige, bijna loodrechte sprongen opklom, alsof hij over den vlakken grond liep; daarna stond hij zoo rustig op de kruin van den muur, die ternauwernood een hand breed was, dat hieruit voldoende bleek, hoezeer hij zich daar op zijn gemak bevond.”

In den laatsten tijd is het Manenschaap in onze dierentuinen geen zeldzaamheid meer.

Slechts twee breedtegraden verder noordwaarts ligt het vaderland van den Moefflon (Ovis musimon), het eenige Wilde Schaap, dat Europa—de gebergten van Sardinië en Corsika—bewoont. Vrij algemeen is men van oordeel, dat de Moefflon in vroegere tijden ook in andere deelen van Europa voorkwam, en o. a. ook op de Balearische eilanden en in Griekenland gevonden werd; voor deze meening zijn echter geen stellige bewijzen bij te brengen. Nog altijd treft men tegenwoordig den Moefflon in troepen aan, die, naar men zegt, dikwijls uit een 50-tal exemplaren bestaan, maar gewoonlijk veel minder leden tellen.

Uit oude berichten blijkt, dat deze Wilde Schapen eertijds buitengewoon veelvuldig waren. Vroeger werden er op een enkele groote jacht soms 400 à 500 stuks van gedood; tegenwoordig mag men tevreden zijn, als men er enkele exemplaren van overmeestert; bij jachtpartijen, die op onbekrompen wijze uitgerust zijn, gebeurt het zeer zelden, dat men 30 à 40 van deze dieren buit maakt.

De Moefflon behoort tot de kleinste Wilde Schapen hoewel zijn lengte, met inbegrip van den (hoogstens 10 cM. langen) staart, niet minder dan 1.25 M., zijn schouderhoogte 70 cM. en zijn gewicht 40 à 50 KG. bedraagt. De hoornen bereiken, langs de kromming gemeten, een lengte van ongeveer 65 cM. en een gewicht van 4 à 6 KG. Zijn lichaamsbouw is meer gedrongen dan die van eenig ander Wild Schaap. De ruglijn is donkerbruin, overigens is de kleur vosrood; aan den kop heeft zij een aschgrauwe tint; aan den snuit, het kruis, de randen van den staart, de onderste gedeelten der pooten en de buikzijde gaat zij in wit over. De hoornen van den ram zijn sterk en lang, aan den wortel zeer dik en op de doorsnede driehoekig. Het aanmerkelijk kleinere wijfje verschilt van den ram door de meer naar vaal zweemende kleur en ook door het ontbreken of zeldzaam aanwezig zijn van de hoornen.

In tegenstelling tot het Manenschaap, leeft de Moefflon in troepen, die onder de leiding van een ouden en sterken ram staan. Deze troepen kiezen de hoogste bergtoppen tot verblijfplaats en houden zich hier bij steile, min of meer ontoegankelijke rotswanden op. Evenals dit bij andere, gezellig levende Herkauwers geschiedt, houden eenige individuën steeds zorgvuldig de wacht; zij laten bij het waarnemen van een verdacht verschijnsel een angstkreet hooren en waarschuwen op deze wijze hunne metgezellen, die daarna, evenals de schildwachten, onmiddellijk de vlucht nemen. In den paartijd verdeelt het gezelschap zich in kleine, uit één ram en verscheidene schapen bestaande troepjes; de als gids dienende ram heeft zijn gezag door dapperheid in den strijd met zijne mededingers verworven. In de maanden December en Januari hoort men het kletteren van de tegen elkander botsende hoornen in ’t gebergte weerklinken; als men voorzichtig op het geluid afgaat, ziet men de sterke rammen van den troep met omlaag gehouden kop tegenover elkander staan; met zooveel geweld rennen de strijders elkander tegemoet, dat het onverklaarbaar is, hoe zij zich in het strijdperk staande kunnen houden.

Manenschaap (Ovis tragelaphus) 1/15 v. d. ware grootte.
Manenschaap (Ovis tragelaphus) 1/15 v. d. ware grootte.

Manenschaap (Ovis tragelaphus) 1/15 v. d. ware grootte.

In April of Mei brengt de ooi 1 of 2 jongen ter wereld, die haar reeds na weinige dagen op de halsbrekenste paden met de grootst mogelijke zekerheid van beweging volgen en haar spoedig in al hare vaardigheden evenaren.

De bewegingen van den Moefflon zijn vlug, behendig snel en doeltreffend, maar worden niet bijzonder lang volgehouden, het minst nog op den vlakken bodem. In het klimmen toont hij zich meesterlijk bekwaam. Volgens Cetti is hij zeer vreesachtig; bij het geringste gedruisch siddert hij van angst en schrik over het geheele lichaam en vlucht zoo schielijk mogelijk.

De mensch maakt van elk beschikbaar middel gebruik om dit hooggeschatte wild meester te worden. Men verhaalt, dat de rammen in den paartijd door de in ’t struikgewas verborgen jagers, die het blaten der ooien nabootsen, gelokt kunnen worden; de gewone wijze van jagen is echter het “bekruipen,” ofschoon zij slechts zelden een goede uitkomst oplevert.

Oude, volwassen Moefflons worden waarschijnlijk nooit levend gevangen, de jongen alleen, nadat men hun moeder gedood heeft. Zij geraken spoedig aan hun verzorger gewend; hoewel zij zeer tam worden, behouden zij steeds de opgewektheid en den vluggen aard, waardoor zij zich in den wilden staat zoozeer onderscheiden. Op Sardinië en Corsika ziet men in de dorpen dikwijls getemde Moefflons; sommige zijn zoozeer aan den mensch gehecht, dat zij hem, als een Hond, overal volgen, naar zijn stem luisteren, enz. Lastig zijn zij alleen door hun moedwilligheid. Zij doorsnuffelen alle hoeken van het huis, werpen daarbij allerlei voorwerpen om, breken potten en pannen en halen allerlei streken uit. Uit alles wat ik bij gevangen Moefflons heb opgemerkt, blijkt, dat zij zwak van geestvermogens zijn, ongeschikt om te oordeelen en zeer vergeetachtig. In de vallen, die ik plaatste, lokte ik hen door hun voedsel voor te houden. Onnadenkend kwamen zij telkens weer in de strikken en netten, ofschoon zij het blijkbaar zeer onaangenaam vonden,

Moefflon (Ovis musimon). 1/12 v. d. ware grootte.
Moefflon (Ovis musimon). 1/12 v. d. ware grootte.

Moefflon (Ovis musimon). 1/12 v. d. ware grootte.

dat zij zich hadden laten vangen. De bewijzen van geesteswerkzaamheid, die ik bij hen opmerkte, zijn: een zekere mate van plaatszin, een flauwe herinnering aan ontvangen weldaden, gehechtheid aan het gezelschap, waaraan zij gewoon zijn geraakt, en liefde voor de jongen.

In Centraal-Azië en Noord-Amerika treft men de grootste Wilde Schapen aan; deze onderscheiden zich door het bezit van kolossale hoorns en lange pooten.

De Argali van de Mongolen (Ovis argali) is zoo groot als een kalf van 9 maanden. De forsche, driezijdige, breede hoornen staan aan den wortel dicht bij elkander, krommen zich eerst naar achteren en naar buiten, vervolgens naar onderen en zijwaarts, met de spits echter weder naar achteren en naar boven; van onderen tot boven zijn zij bedekt met opzwellingen, die ringvormig den geheelen hoorn omgeven en een golfsgewijs beloop hebben, of als ’t ware dooreengevlochten zijn. Het overal zeer gelijkmatige haarkleed bestaat uit dicht bijeengeplaatste, golvende bovenharen en fijn, kort wolhaar. De heerschende kleur is mat vaalgrijs; zij gaat in het aangezicht, aan de beide bovenste afdeelingen der pooten, aan de bovenste helft van den voet, aan de randen van het achterkwartier en aan het achterste deel van den buik over in een merkbaar donkerder, bruinachtig grijs, aan het voorste deel van den snuit, op het breede achterste, aan de onderste helft van de voeten in grijsachtig wit.

Het verbreidingsgebied van den Argali reikt van de bergen van het district Akmolinsk tot den zuid-oostrand van de Mongoolsche hoogvlakte en van den Altaï tot aan den Alatau; misschien strekt het zich nog verder zuidwaarts uit.

De Argali houdt niet van vochtige, met bosschen bedekte gebergten en ook niet van groote hoogten. Bergruggen, die zich 600 à 1000 M. boven den zeespiegel verheffen, rijk aan kale rotsen, met hellingen, waarop weinig boomen groeien en dalen met breed grondvlak worden bij voorkeur door hem als woonplaats gekozen. Hij bewoont ’s zomers en ’s winters nagenoeg hetzelfde gebied; hoogstens begeeft hij zich van den eenen bergrug naar den anderen. Tot aan den paartijd blijven de mannetjes van de wijfjes gescheiden; gene vormen troepjes van 3 à 5 stuks, deze leven meestal afzonderlijk; kort vóór den paartijd vereenigen zij zich tot kleine kudden van gemiddeld 10 en hoogstens 15 individuën.

Gedurende den zomer voedt de Argali zich met alle planten, die het Tamme Schaap bij voorkeur gebruikt; gedurende den winter behelpt hij zich met mossen; korstmossen en verdroogde grassen. Hij beklimt dan de toppen en kammen van de rotsen, vanwaar de wind de sneeuw heeft doen verstuiven, zoodat de korstmossen blootliggen. Hij is kieschkeuriger bij het drinken dan bij het grazen, daar hij zich altijd naar bepaalde bronnen begeeft en aan deze klaarblijkelijk de voorkeur geeft boven andere. Zouthoudende gronden worden ter wille van de door alle Herkauwers zeer gewenschte lekkernij dikwijls bezocht. Zoolang de sneeuwlaag niet al te dik geworden is, hindert de winter hem weinig, daar de dichte vacht hem tegen de guurheid van het klimaat beschut.

Naar het schijnt, zijn de zintuigen van den Argali uitmuntend en gelijkmatig ontwikkeld. Zij zien, hooren en speuren buitengewoon goed, houden van lekkernijen, wanneer zij ze krijgen kunnen, en zullen vermoedelijk ook wat het gevoel betreft, niet misdeeld zijn. Hun uitzicht teekent bedachtzaamheid en bewustzijn van kracht; ook merkt men bij hen het vermogen om te oordeelen en te onderscheiden op. In landstreken, waar hun verstand gescherpt wordt door aanhoudende vervolgingen, toonen zij zich steeds voorzichtig, hoewel niet bepaald schuw; in ’t tegenovergestelde geval geven zij verrassende bewijzen van argeloosheid. Opmerkelijk is hun dwaze nieuwsgierigheid, die hen in sommige gevallen aan groote gevaren blootstelt. Reeds de oude Steller verhaalt, dat de jagers van Kamtschatka de Wilde Schapen, die in hunne gebergten leven (het Dikhoornschaap en zijne verwanten), bezighouden met een pop, die van hunne kleederen vervaardigd is, en intusschen langs omwegen nader sluipen, totdat zij het wild binnen schot hebben. Prshewalski vernam van den Argali hetzelfde, en onderzocht de waarheid van het verhaal der Mongolen, door zijn hemd op een laadstok te hangen; de aandacht van een vluchtende kudde Wilde Schapen werd hierdoor gedurende een kwartier uurs geboeid. Zelfs met zulke listen is voor de jacht op den Argali een geoefend jager, die bovendien een uitmuntend schutter moet zijn, noodig. Het vleesch van dit dier wordt door de Kirgiezen zeer geschat, en is ook inderdaad voortreffelijk, ondanks zijn sterken wildsmaak.

Behalve door den mensch, wordt de volwassen Argali vervolgd door den Tijger, den Wolf en den Alpenwolf, ofschoon deze Roofdieren slechts zelden hun doel bereiken. Eerder gelukt het hun een Argali-lam buit te maken, hoewel dit nog meer reden heeft om den Steenarend te vreezen. Indien het gelukt den Argali te temmen, zal men hierdoor een huisdier verkrijgen, dat van groot belang zou kunnen worden. Daar het zoowel den strengen winter als den gloeienden zomer van de steppe trotseert, zou het waarschijnlijk beter dan eenig ander dier geschikt zijn, om in andere gewesten ingevoerd te worden.

Het Dikhoornschaap (Ovis montana) bewoont het Rotsgebergte en de verder westwaarts gelegen landstreken van 68° tot ongeveer 40° N.B.; het wordt echter uitsluitend in de wildste en ontoegankelijkste bergstreken aangetroffen. Tot dezelfde soort wordt een in Kamtschatka levend Wild Schaap gerekend, hoewel het zich van zijn Amerikaanschen verwant door minder sterk ontwikkelde hoornen onderscheidt.

Onze bekendheid met het Dikhoornschaap is tamelijk onvolledig, vooral wat betreft de levenswijze. Volwassen rammen hebben een lengte van 1.9 M., met inbegrip van den slechts 12 cM. langen staart en een schouderhoogte van 1.05 M.; het wijfje is 1.4 à 1.5 M. lang en 90 à 95 cM. hoog. Gene bereiken een gewicht van 175 KG. (alleen de hoornen wegen soms 25 KG.); de ooi wordt 130 à 140 KG. zwaar. De gestalte is gedrongen en gespierd; de kop gelijkt op dien van den Steenbok. De lengte van de kolossale hoornen, langs de kromming gemeten, bedraagt soms 70 cM. Het haar gelijkt niet op wol, maar is hard, hoewel zacht op het gevoel, zwak golvend en hoogstens 5 cM. lang; een vuil grijsbruine kleur, die langs den rug donkerder wordt, heeft de overhand.

De levenswijze van de Dikhoornschapen verschilt, naar men meent, niet van die hunner verwanten, en onderscheidt zich niet eens belangrijk van die der Steenbokken. Evenals deze, zijn zij onovertroffen meesters in de kunst van ’t bergen beklimmen. Zoodra zij iets vreemds opmerken, vluchten zij naar steile hoogten, en posteeren zich hier op vooruitspringende rotsen om hun gebied te overzien. Waar zij den mensch hebben leeren kennen, vreezen zij hem niet minder dan hun anderen, iets minder gevaarlijken vijand, den Wolf. Het vleesch van dit dier wordt door de blanken zoowel als door de Indianen gegeten, maar heeft een schaapachtigen reuk, die vooral bij dat van de mannetjes duidelijk merkbaar is. De duurzame en sterke, maar toch zachte en buigzame huid wordt door de Indianen voor het vervaardigen van hunne fraaie, lederen hemden zeer gezocht.

Het vangen van jonge Dikhoornschapen werd altijd als een zeer moeielijke zaak beschouwd, daar deze dieren met hunne moeders in den regel naar de minst toegankelijke plaatsen vluchten. In den laatsten tijd is men er evenwel in geslaagd; in het verre westen heeft men niet alleen jonge rammen zoo ver getemd, dat men ze vrij bij de tamme kudden kan laten loopen, maar bovendien goede uitkomsten verkregen van de kruising dezer dieren met Huisschapen. Het vleesch van de hierdoor ontstaande bastaarden wordt zeer geroemd.

Evenmin als van de oorsprong van andere Herkauwers, die door den mensch onderworpen en volslagen huisdieren geworden zijn, kan men iets bepaalds zeggen van de afstamming van ons Huisschaap. De meeningen van de natuuronderzoekers over dit vraagpunt loopen zeer ver uiteen. Eenige meenen, dat alle rassen van Schapen van één enkelen wilden vorm afstammen, die vermoedelijk reeds sinds onheugelijke tijden volkomen uitgestorven, of geheel in den tammen staat overgegaan en dus nergens meer te vinden is. Anderen daarentegen beweren, dat men in geen geval aan een enkele stamsoort moet denken, maar dat verscheidene soorten van Wilde Schapen getemd werden en door herhaalde kruising de talrijke, thans bestaande Schapenrassen opgeleverd hebben. Sommigen zien in den Moefflon, anderen in den Argali, enkelen ook in den Aroeï, verscheidene in den Scha (Ovis vignei) van Klein-Tibet den bedoelden stamvorm; anderen, waarbij ook ik mij voeg, erkennen openhartig hun onwetendheid en laten terecht uitkomen dat onderstellingen, die niet op goede gronden berusten, de oplossing van het vraagstuk geen stap verder kunnen brengen. De punten van verschil tusschen de rassen hebben hoofdzakelijk betrekking op de wijze van kromming van de hoornen op de lengte en andere eigenschappen van den staart en op de beharing.

Volgens de laatste onderzoekingen bestaan er goede gronden voor de meening, dat ook de zoo talrijke Schapenrassen niets anders zijn dan kunstproducten, ontstaan onder den invloed, dien de mensch geoefend heeft op de kruising der afstammelingen van Wilde Schapen; het is gebleken, dat zij veranderlijk zijn, wat gestalte en grootte, vorm van de hoornen en samenstelling van de vacht, levenswijze, gewoonten en allerlei andere eigenschappen betreft.

Als het meest voordeelige van alle Huisschapen beschouwt men tegenwoordig het Merino-schaap (Ovis aries hispanica), dat in Spanje zijne kenmerkende eigenaardigheden verkregen heeft en achtereenvolgens tot veredeling van bijna alle Europeesche rassen gebruikt werd. Middelmatig groot en vol gebouwd, onderscheidt het zich door zijn grooten kop, die aan het voorhoofd plat, langs den rug van den neus gewelfd, aan den snuit afgestompt is; het heeft kleine oogen, groote traangroeven en middelmatig lange, toegespitste ooren. De horens, die in den regel alleen bij den ram voorkomen, zijn forsch, bij den wortel reeds zij- en rugwaarts gekromd, vervolgens naar boven gedraaid; zij vormen zoo een uit twee schroefwindingen bestaande spiraal. De hals is kort en dik, sterk geplooid, van onderen met een “kossem” voorzien, aan de keel kropvormig gezwollen. De betrekkelijk korte, maar stevigen en gespierde pooten hebben stomp toegespitste hoeven. De vacht bestaat uit korte, zachte en fijne, bijzonder regelmatig gekroesde wol.

Merino-schaap (Ovis aries hispanica). 1/12 v. d. ware grootte.
Merino-schaap (Ovis aries hispanica). 1/12 v. d. ware grootte.

Merino-schaap (Ovis aries hispanica). 1/12 v. d. ware grootte.

“In Spanje” bericht mij Martinez, secretaris van de Vereeniging van schapenfokkers in Spanje, “onderscheidt men drie hoofdrassen van Schapen: de Entrefina of middelmatig fijne, die het talrijkst zijn, de minder talrijke Choerra en de Merino, de edelste van alle, welker aantal echter tegenwoordig op betreurenswaardige wijze vermindert. Vele buitenlanders hebben gemeend, dat er in Spanje geen ander ras van Schapen bestond en nog bestaat, dan het Merino-ras, dat dan ook ongetwijfeld gedurende eeuwen aan onze Schapen hun goeden naam heeft verschaft; verschillende oorzaken hebben echter samengewerkt om in Spanje de voorliefde voor dit ras te doen verminderen en het door de beide andere bovengenoemde rassen te vervangen.”

Een uitmuntenden invloed heeft het Merino-schaap op de ontwikkeling der schapenfokkerij in Kaapland gehad. In 1812 werden tot veredeling van de Kaapsche Schapen door Reitz en M. van Breda exemplaren van het Saksische Electoraal-ras ingevoerd: afstammelingen van de Merino’s, die de keurvorst (elector) Friedrich August in 1765 en 1771 uit Spanje ten geschenke ontving. In 1820 werd dit streven nagevolgd door andere kolonisten, die direct uit Spanje Merino-schapen invoerden. De nakomelingen en de kruisingsproducten van deze dieren werden wederom gekruist met andere Schapen van edel ras, die uit Pommeren, Hannover en Australië afkomstig waren; op deze wijze zijn verscheidene, voor de verschillende gewesten uitmuntend geschikte slagen ontstaan.

De Schapenrassen worden verdeeld in twee groepen naar de lengte van den staart, die bij de kortstaartige 13 of minder, bij de langstaartige 14 à 22 wervels bevat. De onderverdeeling van deze groepen berust op het bezit of gemis van hoornen, op eigenaardigheden van de hoornen, den staart, de pooten, enz., maar vooral op de samenstelling van de vacht; deze heeft den belangrijksten invloed op het voordeel, dat de schapenteelt afwerpt. Dit hangt af van het drieërlei gebruik, dat van het Schaap gemaakt wordt; de voortbrenging van vleesch en vet, van melk en van wol. Bij sommige rassen staat het eene product op den voorgrond, bij andere moeten vooral de overige producten voor de moeiten van de schapenteelt vergoeding verschaffen.

Van de uitheemsche, gehoornde, kortstaartige rassen is o. a. merkwaardig het Vetstuitschaap (Ovis aries steatopyga), welks vertegenwoordigers de steppen bewonen, die aan de zuidoostelijke grens van Europa, beginnen en zich door Midden-Azië tot in China uitstrekken. Het is het Schaap van de Tartaren, Kirgiezen, Kalmukken en Bureten. Zijn naam dankt het aan de groote ophooping van vet aan weerszijden van den staartwortel. De zeer korte staart, die soms niet meer dan 3 of 4 wervels bevat, ligt verborgen tusschen de twee bedoelde vetklompen, die zich aan de achtervlakte van den romp over de bovenste gedeelten van de achterbouten uitbreiden en door een onbehaarde huid bedekt zijn. Bij een Schaap van 100 KG. levert het uitsmelten van dezen “vetstuit” soms meer dan 20 KG. vet op. De vacht is grof; de harige wol wordt voor de bereiding van vilt gebruikt.

Een soortgelijke ophooping van vet komt voor bij het eveneens kortstaartige Stompstaartschaap (Ovis aries pachycerca), dat in Arabië, Perzië en Opper-Egypte thuis behoort. De dieren van dit ras zijn tamelijk groot, ongehoornd of met kleine hoornen voorzien. De vacht gelijkt, evenals bij het vorige ras, meer op die der Wilde Schapen, dan op die van onze Huisschapen, daar het bovenhaar (hier glanzig en eenigszins kroes) verreweg de overhand heeft over het fijnere en kroezere wolhaar. Bij de lammeren is het haarkleed echter buitengewoon fijn en wollig. De kop en het bovenste gedeelte van den hals zijn gewoonlijk zwart, de overige lichaamsdeelen wit van kleur (Zwartkop-schaap). De behaarde, middelmatige lange staart bevat 13 wervels; buiten de vetmassa, die zich rondom de bovenste staarthelft afgezet heeft, steekt de niet verdikte staartspits uit.

Bij een groep van langstaartige rassen, bij het Vetstaartschaap (Ovies aries platyura), is de geheele staart door buitengewone vetophooping zeer sterk verbreed en verdikt. Het meest loopt dit verschijnsel in ’t oog bij een in Syrië levend slag, waar de zeer lange, breede en met een wollige vacht bekleede staart een omhoog gekromde spits heeft en een gewicht van 15 KG. kan bereiken. Naar men zegt, wordt onder dit zware aanhangsel soms een plankje gebonden, dat ook wel op wieltjes rust, om de moeite verbonden aan het medesleepen van den staart te verminderen en beschadiging er van te voorkomen. De romp is bij dit ras met een vuil witte wol bedekt; de met korte en stijve haren begroeide kop, de ooren en de pooten zijn lichtbruin van kleur.—Vetstaartschapen met een middelmatig langen staart worden ook nog wel in sommige landen van Europa (Macedonië, Zuid- en Midden-Italië en de zuidelijke departementen van Frankrijk) gefokt, voorts in Azië (Anatolië, Tartarije, Perzië en Arabië), het meest echter in Afrika (de landen langs de noordkust, Egypte, Abessinië, Centraal Afrika); alle nomaden van deze gewesten houden Schapen van dit ras. De Hottentotten hadden ze, toen de Hollanders zich aan de Kaap de Goede Hoop vestigden. Ook bij deze dieren kan de staart een aanzienlijk gewicht verkrijgen: bij een in Perzië gefokt Schaap van dit ras was hij 5 KG. zwaar.

Een ander langstaartig ras, het Manendragend Huisschaap (Ovis aries afrikana), herinnert aan het in ’t wild levende Manenschaap door de afhangende, lange, zwarte haren, waarmede de schouders, de borst en de hals begroeid zijn, terwijl de beharing der overige lichaamsdeelen kort is. Het is een huisdier van den Schilloek-stam, die aan den linkeroever van den Witten Nijl woont.

Eveneens langstaartig zijn: het Langpootige Schaap (Ovis aries longipennis), dat in West-Afrika (Fezzan, Senegambië, Opper- en Neder-Guinea) voorkomt en, evenals het vorige, geen andere dan borstelharen heeft, en het Spiraalhoornschaap (Ovis aries strepsiceros), dat in ’t zuid-oosten van Europa (Candia, Macedonië, Walachije, Moldavië, Hongarije) aangetroffen wordt, en zich, behalve door zijne op kurketrekkers gelijkende, lange, boven- en zijwaarts gerichte hoornen, ook door zijn grove, meestal blauwachtig grijze vacht onderscheidt, welker bovenharen in één jaar een lengte van 24 cM. bereiken, terwijl de wolharen in dien tijd 12 cM. worden. Ook het Hangoorschaap (Ovis aries catotis), waartoe de groote, hoogpootige, ongehoornde Lombardische Schapen behooren, heeft een uit bovenhaar en wolhaar bestaande vacht.

Niet anders dan borstelige bovenharen vindt men daarentegen bij het Langstaartschaap (Ovis aries dolychura), dat een langen over den grond sleepende, niet met vet begroeiden staart heeft, en waartoe, behalve het Arabisch-Syrische Bedoeïnen-schaap en Tscherkessen-schaap, ook het Engelsche Leicester-schaap behoort; bij het laatstgenoemde slag is het haar wit, glanzig, fijn en zwak golvend.

Tot de langstaartige rassen behoort ook nog het Bergschaap, welks slagen in de vele bergstreken van Europa (Zevenburgen, Sardinië, Zwitserland, Frankrijk, Engeland, Ierland) veelvuldig gefokt worden. Zij zijn over ’t algemeen klein, maar sterk gebouwd; zoowel de rammen als de ooien zijn ongehoornd; zij hebben meer wolhaar dan de Spiraal-hoornschapen.

Belangrijker dan de tot dusver genoemde, uitheemsche vormen, zijn voor ons de inheemsche. Deze behooren gedeeltelijk tot de groep van langstaartige rassen, die onder den naam Landschaap (Ovis aries aries) samengevat worden. Van de drie inheemsche slagen, die men er rekent, is één, het Drentsche, gekenmerkt door lange, zware, 2 of 3 spiraalwindingen vormende hoorns bij de rammen, en korte, rechte, achterwaarts gerichte hoorns bij de ooien; bij de beide andere, het Veluwsche en Kempensche slag, blijft de hoornvorming achterwege, of komt alleen bij de ram in geringe mate voor. De Landschapen bewonen vlakke en droge gronden, en stellen minder hooge eischen wat het voedsel betreft, dan de Laaglandschapen, die tot de groep Kortstaartschaap (Ovis aries brachyura) behooren, en o. a. de lage, vochtige kuststreken van ons land bewonen, waar men ze in Groningsche, Friesche, Texelsche, Zeeuwsche en Vlaamsche Schapen onderscheidt. De hoornvorming is hier zelfs bij de rammen van weinig beteekenis. Het Texelsche ras levert de beste wol; het wordt in verschillende gedeelten van Holland gefokt.

Het Huisschaap is bedaard, geduldig, zachtmoedig, onnoozel, slaafsch, willoos, vreesachtig, lafhartig, in een woord saai. Het is nagenoeg onmogelijk positieve eigenschappen te noemen, welke bij dit dier bepaald op den voorgrond treden; het heeft geen karakter. Het begrijpt en leert niets, kan zich daarom ook niet alleen redden. Als de egoïstische mensch het niet onthief van alle zorgen, zou het in zeer korten tijd ophouden te bestaan. Het is belachelijk vreesachtig en erbarmelijk lafhartig. Ieder onbekend gedruisch maakt de geheele kudde beangst; bliksem en donder en storm, ruw weder in ’t algemeen, brengen het geheel buiten zich zelf, en verijdelen niet zelden de met groote moeite genomen voorzorgen van den mensch.

In de steppen van Rusland en Azië hebben de herders dikwijls veel te lijden. Bij sneeuwjacht en storm geraken de kudden verstrooid, hollen als zinneloos de steppe in, storten zich in ’t water en zelfs in zee, blijven stompzinnig op dezelfde plaats staan, laten zich door de sneeuw bedekken of verkleumen, zonder eenige pogingen aan te wenden, om zich op een of andere wijze te beschutten of naar voedsel om te zien. Soms bezwijken duizenden op één dag. Ook in Rusland gebruiken de schaapherders Geiten, om hun vee tot gids te dienen, maar ook deze zijn niet altijd in staat, om de domme dieren naar behooren te leiden. Bij onweder vereenigen zij zich tot een dichten hoop, en zijn niet van de plaats af te brengen. “Als de bliksem in deze hoop slaat,” zegt Lenz “worden er velen te gelijk gedood; als de stal in brand vliegt, loopen de Schapen niet naar buiten, soms storten zij zich zelfs in ’t vuur. Ik heb eens een groote, afgebrande stal vol van gebraden Schapen gezien; men had ondanks alle moeite slechts weinige met geweld kunnen redden.” Het beste middel, om Schapen uit hun brandende stal te redden, is hen door de Herdershonden er uit laten jagen.

Doch ook het schaap geeft, tot op zekere hoogte, bewijzen van geesteswerkzaamheid. Het leert zijn verzorger kennen, geeft gehoor aan zijn roepstem, en betoont hem ook eenige gehoorzaamheid; het schept, naar het schijnt, behagen in muziek, het luistert althans aandachtig naar het spel van den herder; ook heeft het een voorgevoel van weersveranderingen.

Het Schaap houdt meer van droge, hoog gelegen gronden, dan van lage en vochtige. Volgens de berekening van Linnaeus, eet het van de veelvuldige voorkomende Europeesche planten 327 soorten, terwijl het er 141 versmaadt. Boterbloemen, Wolfsmelk, Tijdeloozen, Paardenstaarten, Vetblad en Biezen zijn voor dit dier vergif. Het best vaart het bij het gebruik van velerlei gedroogde planten; door voedering met graan wordt het te vet, en vermindert de wol. Op zout is het zeer gesteld; het kan niet buiten versch drinkwater.

De oude Romeinen lieten hunne Schapen tusschen Mei en Juni paren; de veefokkers in koudere landen geven voor dit doel de voorkeur aan den herfst, bij ons aan de laatste helft van October of de eerste helft van November. Daar de draagtijd van het Schaap 144 à 150 dagen bedraagt, worden de lammeren in ’t laatstgenoemd geval geboren in Maart of April en krijgen dus spoedig jong en malsch groen voer. Gewoonlijk brengt het wijfje (de ooi) slechts één enkel lam ter wereld; tweelingen zijn tamelijk zeldzaam, drielingen zeer schaars. Men moet hierbij niet uit het oog verliezen, dat de vruchtbaarheid der verschillende rassen en slagen zeer uiteenloopt; bij sommige onzer slagen komen tweelingen vrij veelvuldig voor. In de eerste levensmaand komen de 20 melktanden voor den dag; na de zesde maand vertoont zich de eerste ware kies; in het tweede levensjaar vallen de beide middelste melksnijtanden uit, en worden door blijvende snijtanden vervangen: eerst in het vijfde levensjaar worden de beide laatste melksnijtanden (eigenlijk hoektanden), gewisseld, en komen de achterste ware kiezen voor den dag, waarmede de tandwisseling is afgeloopen. Alle rassen zijn onderling vruchtbaar, en laten zich zonder moeite kruisen; het Schaap kan derhalve gemakkelijk veredeld worden.

Hier te lande heeft dit zoo gewaardeerde huisdier weinige vijanden; in het midden en zuiden van Europa echter sluipt de Wolf vaak achter de kudden aan; in Azië, Afrika en Amerika worden deze weerlooze dieren vervolgd door groote Katten en de grootste Honden, in Australië door den Dingo en den Buidelwolf. Ook Bruin, de Beer, haalt hier en daar een stuk van dit vee weg. Arenden en Gierarenden rooven lammeren.

De veelvuldigste van alle ziekten, waaraan de Schapen onderhevig zijn, is de draaiziekte, die zich hoofdzakelijk bij jonge Schapen openbaart; zij wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van Blaaswormen, een ontwikkelingstoestand van een Lintworm (Taenia coenurus) in de hersenen. Andere Ingewandswormen, de zoogenaamde Leverbot (Distoma hepaticum) veroorzaken het ongans, eenige draadwormen de longziekte. Bovendien worden de Schapen gekweld door eenige uitwendige parasieten, zooals de tot de Luisvliegen behoorende zoogenaamde schapenteek (Melophagus ovinus) en de Schurftmijt (Dermatocoptes communis). Daarbij komen nog bloedloop, klauwzeer, hersenontsteking, sidderziekte, pokken, trommelzucht en andere dikwijls doodelijke kwalen.

Het Schaap kan 14 jaar oud worden; reeds in ’t 9e of 10e levensjaar echter verliest het de meeste tanden. Daardoor wordt het onbruikbaar; het moet dan zoo schielijk mogelijk gemest en geslacht worden.

Onder de landen, waar de schapenteelt een belangrijk deel van de inkomsten der bewoners oplevert, staat Australië, dat in 1895 124 millioen Schapen bezat, bovenaan; Azië heeft er 90, Argentinië 82, Rusland 50, Afrika 45, de Vereenigde Staten van Amerika 45, Groot Britannië 29, Frankrijk 24, Spanje 20, Oostenrijk-Hongarije 20, Uruguay 15, het Duitsche rijk bijna 11, Italië 9, Rumenië 5, Canada 3 millioen. In Nederland is het aantal Schapen 900.000.

In het hooge noorden, in de onherbergzame gewesten, waar de bodem in den zomer slechts aan de oppervlakte ontdooit, waar dwergachtige houtige planten een armoedig leven leiden, waar mos- en korstmostoendras een groot deel van den bodem uitmaken, zwerft, behalve het Rendier, nog een andere Herkauwer over de woeste vlakten, n.l. de Schaap-os of Muscus-os. Vroeger leefden beide dieren in veel verder zuidwaarts gelegen landen; vooral de Muscus-os heeft een harden strijd om het bestaan moeten voeren, zooals blijkt uit de beenderen door hem achtergelaten in verscheidene voormalige rivierbeddingen van Europa en Azië. Meer dan 15 breedtegraden lager bevond zich eertijds de zuidelijke grens van zijn verbreidingsgebied, dat thans in Amerika, het eenige nog door hem bewoonde werelddeel, eerst aan gene zijde van den 60en graad N.B. aanvangt.

De Schaap-os of Muscus-os, de Oemingarok der Eskimos (Ovibos moschatus), vereenigt op een wonderlijke wijze de kenmerken van de Runderen en van de Schapen in zich; het komt ons daarom noodig voor hem als vertegenwoordiger van een afzonderlijke onderfamilie te beschouwen. Door het gemis van een “kossem” (of halskwabbe, een huidplooi aan het achterste gedeelte van den onderhals en aan de voorborst) en door het onbehaard zijn van de spits van den snoet, door de kortheid van het staartstompje, door den bouw der hoeven en door het bezit van slechts twee tepels verschilt dit tweeslachtig wezen even duidelijk van de echte Runderen als het tot de Schapen nadert. Zijn totale lengte bedraagt, met inbegrip van den slechts 7 cM. langen staart, 2.44 M., de schouderhoogte 1.1 M. De zwaar gebouwde romp rust op korte en krachtige pooten en loopt uit in een in de vacht verborgen staartstompje; de hals is kort en dik, de kop zeer plomp, betrekkelijk smal en hoog, het voorhoofd grootendeels door de hoornen bedekt; de oogen zijn klein, de muil is groot en plomp en door dikke lippen begrensd. De hoornen zijn tot dicht bij het midden hunner lengte gezwollen: dicht tegen den kop aanliggend, zijn zij eerst een weinig naar achteren, daarna regelrecht naar onderen gebogen, vervolgens naar voren en naar buiten gekeerd, waarna de scherpe spitsen zich weer naar boven richten.

Een buitengewoon dichte vacht bekleedt den romp; de beharing is ook opmerkelijk dicht op het aangezicht en de pooten. De betrekkelijk dikke bovenharen nemen bij de kin te beginnen naar onderen in lengte toe en vormen op de borst manen, die bijna den grond raken; aan beide zijden hangen zij tot op de hoeven naar beneden. Ook bedekken zij in grooten overvloed de schoft, waardoor een kussenvormig zadel ontstaat, dat achter de hoornen begint, den hals aan weerszijden bedekt en zelfs de ooren omhult. De algemeene kleur is donker omber-bruin; zij gaat op ’t aangezicht en de manen in donkerbruin over en neemt op het zadel een lichtere tint aan.

De Schaap-ossen bewonen binnen het genoemde, uitgestrekte gebied alle oorden, die hun, zij het dan ook tijdelijk, woonplaats en voedsel kunnen verschaffen. Tot kudden van verschillenden omvang vereenigd, vestigen zij zich vooral in dalen en laagvlakten; in sommige gewesten neemt hun aantal toe, naarmate men verder noordwaarts komt: voor Oost-Groenland althans meenen de leden van de tweede Duitsche Noordpoolexpeditie dit op grond van hunne ervaringen te mogen aannemen. Zij ontmoetten hier aanvankelijk kudden van 20 à 30 exemplaren. Op de verstafgelegen eilanden van het noordwesten echter zag Mecham gedurende een kleine dagmarsch 150 en op een andere plaats binnen den gezichtskring 70 grazende Schaap-ossen. Gedurende den zomer houden deze kudden zich in het noordelijk deel van het vasteland van Amerika bij voorkeur in de nabijheid van de rivieren op; zoodra de herfst invalt, trekken zij echter verder zuidwaarts; terzelfder tijd vereenigen zij zich tot groote scharen, terwijl zij vroeger meer afzonderlijk graasden. Als een samenhangende ijslaag hun hiertoe de gelegenheid biedt, ziet men ze in langen optocht van het eene eiland naar het andere loopen, om oorden te bereiken, die hun tijdelijk meer voedsel verschaffen. Alleen door hun buitengewone soberheid zijn zij in staat den vreeselijken winter door te komen. Langzaam en bedachtzaam doorkruisen zij de eindelooze sneeuwwoestijn om er leeftocht te vinden. Zoodra de dooi invalt, breekt voor hen een tijdperk aan, waarin zij het minst gekweld worden door zorg voor ’t voedsel, maar dat daarentegen rijk is aan bezwaren van anderen aard. De winter bood hun, diep onder de sneeuw verborgen, een armoedigen kost, thans kunnen zij zonder eenige moeite zich verzadigen aan de kruiden, die gedurende korten tijd, althans op sommige plaatsen, weelderig groeien. Daarentegen hebben zij nu veel te lijden van de Muggen, die hen dikwijls in werkelijk ontzettend groote zwermen overvallen, terwijl zij tevens van haar verwisselen. Naar het schijnt, heeft de verharing wegens hun dikke wollige vacht niet gemakkelijk plaats; zij wentelen zich, misschien ook met het doel om hun huid te bedekken met een korst, die hen tegen hunne pijnigers beveiligt, in poelen en moerassen, en blijven, naar men vermoedt, gedurende dezen tijd in een beperkt gebied; eerst nadat de haarwisseling geheel afgeloopen is, hervatten zij geduldig en onverpoosd hunne zwerftochten door de uitgestrekte vlakten van hun naargeestig vaderland.

Schaap-os (Ovibos moschatus). 1/15 v. d. ware grootte.
Schaap-os (Ovibos moschatus). 1/15 v. d. ware grootte.

Schaap-os (Ovibos moschatus). 1/15 v. d. ware grootte.

Tegen het einde van Augustus paren deze dieren; omstreeks het einde van Mei, dus na een draagtijd van 9 maanden, brengt het wijfje één jong ter wereld: een klein, bijzonder lief beestje, dat door de ouders liefderijk verzorgd en in geval van nood met zeer grooten moed verdedigd wordt.

In weerwil van hun plompe gestalte bewegen de Schaap-ossen zich met bewonderenswaardige gemakkelijkheid; zij zijn zoo vlug en behendig als Antilopen. Gelijk Geiten klimmen zij op de rotsen rond, zonder eenige inspanning beklimmen zij steile wanden en vrij van duizeling kijken zij van de hoogte af omlaag. In tegenwoordigheid van den mensch gedragen de Schaap-ossen, althans die, welke vóór dien tijd bijna of in ’t geheel niet met den aartsvijand van de dieren in aanraking zijn gekomen, zich dikwijls onhandig en handelen zonder overleg. Het blijkt, echter, dat zij in korten tijd een juist begrip verkrijgen van de vreeselijkheid van den tegenstander, die plotseling in hunne tot dusver alleen door IJsberen en Wolven bezochte velden verscheen; in het volle besef van het hen dreigende gevaar vluchten zij te rechter tijd.

Wanneer verscheidene jagers gelijktijdig van verschillende zijden een rustig grazende kudde van Schaap-ossen besluipen, dringen deze soms nader bijeen, in plaats van te vluchten en zich te verspreiden; hierdoor zijn de jagers in de gelegenheid verscheidene malen achtereen te schieten. Dan beantwoordt de jacht werkelijk aan de voorstelling, die Payer en Copeland er van geven; zij noemen haar volkomen ongevaarlijk en zeggen, dat zij niet meer bezwaar oplevert dan het schieten, op een kudde Geiten of Runderen, die gelegerd zijn rondom een Alpenhut, waarbinnen de jager zich bevindt. Volgens mijn meening is het echter verkeerd aan dergelijke ervaringen een algemeene beteekenis toe te kennen, te meer omdat de ondervinding van alle vroegere onderzoekers beslist hiermede in strijd is. Gewonde dieren worden woedend en rennen, dorstend naar wraak, op den jager los, die van geluk mag spreken, als hij niet omvergeloopen en met de puntige hoornen doorboord wordt.

Het vleesch van dit dier heeft een duidelijke muscuslucht; deze is evenwel bij de wijfjes niet zoo sterk, dat het vleesch er onbruikbaar door wordt, zooals, naar men zegt, het geval is bij de mannetjes die gedurende den paartijd gedood worden. De wol en het haar worden door de Indianen en de Eskimo’s hoog geschat. Het eerstgenoemd product is zoo fijn, dat men daarvan ongetwijfeld uitmuntende weefsels zou kunnen maken, als men er genoeg van kon krijgen. Van de staarten maken de Eskimos vliegenverdrijvers en van de huid een goed schoeisel.

De derde onderfamilie van de Holhoornigen omvat de Runderen (Bovinae): groote, sterke, logge Herkauwers, hoofdzakelijk gekenmerkt door rondachtige, gladde hoornen, door een breeden snuit met onbehaarde neuspunt (neusspiegel) en ver uiteengeplaatste neusgaten, door een langen tot aan het hielgewricht reikenden, in een kwast eindigenden staart en door het gemis van traangroeven en klauwklieren. De meeste onderscheiden zich ook door een kossem aan den hals. Hun geraamte heeft zeer plompe en krachtige beenderen. De hoornen zijn aan den wortel breed en bedekken daarom bij sommige bijna het geheele voorhoofd, wat bij verreweg de meeste niet het geval is; zij zijn glad en rondachtig of hoogstens aan hun onderste gedeelte dwars geribd; zij krommen zich naar buiten of naar binnen, naar achteren of naar voren, naar boven of naar beneden, of hebben een liervormige gedaante. Het haarkleed is gewoonlijk kort en glad aanliggend, maar kan ook op sommige lichaamsdeelen bij wijze van manen verlengd zijn.

Geheel Europa en Afrika, Middel- en Zuid-Azië, en ook het noorden van Amerika kan men als het vaderland van de Runderen aanmerken; tegenwoordig zijn de soorten, die door den mensch dienstbaar gemaakt werden, over alle deelen van den aardbol verbreid. De in ’t wild levende vormen bewonen zeer verschillende landstreken: sommige dichte bosschen, andere open grasland, deze de vlakte, gene het gebergte, waar zij zelfs nog op hoogten van 5500 à 6000 M. kunnen voorkomen. Slechts weinigen hebben een vaste woonplaats, bijna alle leiden een zwervend leven. Die, welke het gebergte bewonen, begeven zich in den winter naar de dalen; zij die zich in het noorden ophouden, trekken naar zuidelijker gewesten; andere verwisselen uit gebrek aan voedsel nu en dan hunne gewone verblijfplaatsen met oorden, die rijker zijn aan voedsel. Alle soorten zonder uitzondering leven gezellig en vormen kudden, die door sterke en ervaringrijke dieren aangevoerd worden; bij enkele soorten bestaan deze kudden soms uit duizenden individuën. Niet zelden komt het voor, dat oude mannetjes het gezelschap van hunne soortgenooten verlaten om een kluizenaarsleven te leiden.

Alle Runderen, hoe plomp en langzaam zij zich ook voordoen, zijn tot snelle beweging in staat, en toonen veel meer bekwaamheden, dan men van hen verwacht zou hebben. Hun gewone beweging is een langzame stap; zij kunnen echter ook snel draven en nemen soms een zeer plompen galop aan, die hen zeer snel verder brengt. De soorten, die het gebergte bewonen, klimmen meesterlijk; alle zwemmen gemakkelijk en goed; enkele trekken zonder schroom over de breedste stroomen. Hun spierkracht is buitengewoon groot, hun volharding bewonderenswaardig. Onder hunne zinnen neemt de reuk de eerste plaats in, ook het gehoor is goed ontwikkeld, het gezicht is echter niet bijzonder scherp. De geestvermogens zijn gering; de wilde vormen openbaren echter veel meer verstand dan de tamme, die van de gaven van hun geest niet veel gebruik behoeven te maken. Hun gemoedsaard is verschillend. Over ’t algemeen zachtaardig en argeloos tegenover wezens, die voor hen niet gevaarlijk of lastig zijn, geven zij ook bewijzen van buitengewone wildheid en vermetelheid en van een grooten moed; als zij getergd worden, vallen zij met doodsverachting alle Roofdieren, zelfs de sterkste aan; zij weten hunne wapens met zulk een behendigheid te gebruiken, dat zij dikwijls de zege behalen. Jegens elkander zijn zij over ’t geheel genomen verdraagzaam, hoewel zij in bepaalde tijden, en wel gedurende den paartijd, met een duidelijk zichtbaren lust tot vechten bezield zijn. Hun stem is een gebrul, dat meer of minder schel of dof klinkt, en soms ook wel op knorren en brommen gelijkt; vooral in opgewonden toestand laten zij zich hooren.

Het voedsel van de Runderen bestaat uit zeer verschillende plantaardige stoffen. Zij eten bladeren, malsche knoppen, spruiten en twijgen van de meest verschillende boomen, grassen en andere kruiden, boomschors, mossen en korstmossen, moeras- en waterplanten, zelfs scherpkantige zeggen en rietachtige gewassen. In gevangenschap voeden zij zich met alle mogelijke voortbrengselen uit het plantenrijk. Zout is voor alle een lekkernij; water is hun een behoefte; verscheidene wentelen zich vol behagen in slijkerige poelen, of gaan uren lang in rivieren of vijvers liggen.

9 à 12 maanden na de paring werpt het wijfje één jong, zeer zelden twee. Het kalf is reeds bij de geboorte zeer volkomen ontwikkeld en na zeer korten tijd in staat om de moeder te volgen. Deze behandelt het zeer liefderijk, zoogt en reinigt, likt en liefkoost het; zij verdedigt het in tijd van gevaar met ware doodsverachting tegen iederen aanval; later dragen bij vele soorten van Runderen de stieren voor de bescherming van de jongen zorg.

Alle Rundersoorten kunnen getemd worden. Deze dieren onderwerpen zich meer of minder gewillig aan den mensch, leeren hun verzorger kennen en liefhebben, volgen zijn stem en gehoorzamen zelfs aan een zwak kind. Toch toonen zij eigenlijk geen grootere gehechtheid aan hun meester dan aan anderen, maar gedragen zich, wanneer zij eens getemd zijn, even vriendelijk jegens alle menschen.

De jacht op wilde Runderen is niet vrij van gevaar, vooral een woedende stier is een niet te verachten tegenstander. Juist hierom worden deze dieren met een waren hartstocht gejaagd; bij vele volken beschouwt men deze jacht als de roemrijkste van alle bezigheden.

*

“De Indiërs,” zoo verhaalt ons reeds Aelianus, “bieden hun koning tweeërlei Runderen aan: een van deze kan zeer snel loopen, de andere is zeer wild. Hun kleur is zwart, de staart echter, die voor het verdrijven van de Vliegen dient, heeft een schitterend witte kleur. Het dier is zeer schuw en vlucht met groote snelheid; wanneer het echter door de Honden achterhaald wordt, verweert het zich, nadat het zijn staart in de struiken verborgen heeft; omdat het meent, dat men het geen kwaad meer doen zal, als men zijn staart niet kan zien; het weet namelijk zeer goed, dat men het wegens de schoonheid van den staart vervolgt. Toch baat dit het dier niets. Men doodt het met een vergiftigen pijl, snijdt het den staart af en neemt ook de huid mede; het vleesch echter laat men liggen.”

Het dier, waarop in dit bericht van Aelianus gedoeld wordt, is Yak (Bos grunniens), die men ook wel Knorbuffel noemt. Zijn romp is krachtig gebouwd; de matig groote, zeer breede kop, neemt van het lange en platte voorhoofd tot den knotsvormigen snuit gelijkmatig in dikte en breedte af; de oogen zijn klein en hebben een onnoozele uitdrukking; de ooren zijn klein en afgerond. De hoornen zijn achter aan den kop aan weerszijden van de voorhoofdslijst gezeten, van boven naar onderen samengedrukt, aan de voorzijde rond, aan de achterzijde tot een kant versmald, eerst zijwaarts, naar achteren en naar buiten, daarna weder naar voren en naar boven, en eindelijk met de spits naar buiten en naar achteren gericht. De hals is kort en stijfnekkig; de ruglijn, die eenige golvingen vertoont, daalt tot aan den staartwortel langzaam af; de staart is lang en met een ruigen, tot op den bodem reikenden kwast versierd. Het haarkleed bestaat over ’t algemeen uit fijne en lange haren, die dikwijls het geheele aangezicht bedekken, zich aan de schouders en langs beide zijden verlengen tot steil naar onderen hangende, op een gordijn gelijkende, zacht golvende manen. De volwassen dieren hebben een fraaie donkerzwarte kleur, die op den rug en aan de zijden een bruinachtige tint vertoont; de haren om den bek zijn grijsachtig; langs den rug loopt een zilvergrijze streep. De totale lengte van volwassen stieren bedraagt 4.25, de hoogte van den bult tusschen de schouders 1.9 M.; de hoornen zijn 80 à 90 cM. lang van volwassen koeien is de lengte maar weinig meer dan 2.8, de hoogte 1.6 M.

De hooglanden van Tibet en alle hiermede samenhangende hooge bergketenen vormen het vaderland van den Yak; hij houdt verblijf op hoogvlakten van 4000 à 6000 M. hoogte. De naakte bodem van de onherbergzame velden der door hem bewoonde gewesten is slechts hier en daar met een armoedig graskleed begroeid, dat door de woedende stormen van den winter met sneeuw bedekt wordt. In zulke woestijnen kan de Yak zijne behoeften bevredigen en beschutting vinden tegen den mensch; de strijd om het bestaan is voor hem dus minder moeilijk, dan men zou kunnen meenen.

Behalve wat zijn kracht betreft, staat de Yak bij de anderen dieren van het hooge gebergte achter in begaafdheden. Wel is zijn geschiktheid tot het bestijgen der bergen even groot als die der Wilde Schapen en Steenbokken: hij klimt met dezelfde vastheid van gang als zij in de hoogste en wildste rotspartijen, op kammen en steile hellingen; maar, als hij op de effene vlakte loopt, kan ieder Paard hem inhalen. De reuk heeft bij hem verreweg de overhand, vergeleken met de overige zinnen. Dat zijn verstand op een lagen trap staat, blijkt reeds uit zijn onevenredig kleine hersenen, nog duidelijker echter uit de gebaren, die hij maakt, als hij in gevaar of nood verkeert. De meest opmerkelijke eigenschap van den Yak is zijn traagheid. Des morgens vroeg en des avonds gaat hij grazen; het overige deel van den dag wijdt hij aan de rust, brengt hij liggend of staande door. Dan verraadt alleen het herkauwen het leven van dit dier, want voor ’t overige gelijkt het op een uit steen gehouwen beeld.

Negen maanden na de paring brengt de koe haar kalf ter wereld; zij verzorgt het langer dan een jaar. Volgens de berichten der Mongolen wordt zij slechts éénmaal in de twee jaren drachtig. Naar men zegt, is de Yak op 6- à 8-jarigen leeftijd volwassen en sterft hij op 25-jarigen leeftijd aan ouderdomsverzwakking, voor zoover zijn leven niet verkort wordt door ziekte of door den kogel van een jager. Andere vijanden, die zijn leven bedreigen, beklimmen zijne hooge verblijfplaatsen niet.

De jacht op den Yak is voor een moedigen en goed gewapenden schutter even verleidelijk als gevaarvol. Zonder aarzeling, maar niet altijd, valt het kolossale dier, voor zoover het niet door het eerste schot doodelijk gewond werd, den jager aan; deze kan, al heeft hij moed, bekwaamheid, tegenwoordigheid van geest en uitmuntende wapenen, er nooit stellig op rekenen, dat hij den woedend op hem toerennenden, overmachtigen tegenstander door een schot uit de verte zal vellen. De kogel uit de beste buks brengt in den kop alleen dan de gewenschte werking teweeg, als hij in loodrechte richting het kleine deel van den schedel treft, dat de weinige omvangrijke hersenen bedekt; een bladschot is alleen dan doodelijk, wanneer het hart er door doorboord wordt. Om deze redenen vreezen de Mongolen den Yak als een monster en gaan hem liefst uit den weg; als zij het besluit genomen hebben hem te dooden, vuren zij nooit anders dan uit een veilige hinderlaag en met hun achten of twaalven te gelijk op hem.

Het vleesch van den Yak wordt door Kinloch uitmuntend genoemd, hoewel hij het steeds zeer mager heeft gevonden; de tong en de mergpijpen noemt hij lekkernijen. Meer waarde dan aan het vleesch hecht men in het armoedig vaderland van den Yak aan zijn drek; daar dit de eenige, bruikbare brandstof is, die de kale hoogten van Tibet opleveren.

In alle landen, welker hooge gebergten den Yak een woonplaats verschaffen, vindt men hem ook getemd als een nuttig en belangrijk huisdier. De tamme Yak verschilt wat gestalte en haargroei betreft, weinig van den wilden; maar hij heeft een andere kleur. Zuiver zwarte, tamme Yaks zijn zeer zeldzaam; gewoonlijk komen zelfs bij die, welke het meest op de wilde gelijken, witte plekken voor; bovendien vindt men er bruine, roode en bonte onder. Verscheidene rassen heeft men, misschien door kruising met andere soorten van Runderen, reeds verkregen. Op verscheidene plaatsen zijn de tamme Yaks ook weder verwilderd en hebben hun oorspronkelijke kleur herkregen. De tamme dieren gedijen, evenals de wilde, alleen in de koude, hoog gelegen bergstreken; bij hoogere temperatuur bezwijken zij; voor koude zijn zij daarentegen onverschillig.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings