← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren

De Roofdieren (Carnivora). (continued 8)

Reading edition

“De Poedel heeft een uitmuntenden plaatszin. Hij vindt zijn huis terug, al is hij er uren of dagen gaans van verwijderd. In de stad of op het land loopt hij naar eigen verkiezing rond, en bezoekt, met de zekerheid het te zullen vinden, het een of ander huis, waar hij met zijn meester, al is het ook slechts éénmaal, geweest is, en waar hij aangename ervaringen heeft opgedaan. Daarom kan men hem leeren brood bij den bakker, vleesch bij den slager te halen. Zijn tijdzin is merkwaardig ontwikkeld; hij onderscheidt den Zondag van de overige dagen; hij kent evenals de hongerige mensch het uur van den maaltijd; ook is hij goed op de hoogte van de dagen waarop in het slachthuis geslacht wordt. De kleuren kent hij goed uit elkander en onderscheidt hieraan de voorwerpen duidelijk. Zonderling is de indruk dien de muziek op hem maakt; sommige instrumenten vallen in zijn smaak, andere niet. Hij heeft een buitengewoon scherp waarnemingsvermogen; daar niets hem ontgaat, is hij zeer bij de hand. Hij is een uitmuntend opmerker; dit maakt, dat hij niet alleen de woorden, maar ook de gezichtsuitdrukking en den blik van zijn meester uitmuntend leert verstaan. Hij heeft een zeer sterk geheugen: jaren lang blijven hem de vorm en de kleur van zijn meester bij; jaren lang onthoudt hij den weg naar elke hem bekende plaats. Men noemt den Hond reeds verstandig, omdat hij met zijn reukzin veel onderscheiden kan; veel meer aanspraak maakt hij op dien naam wegens zijn uitmuntend geheugen, daar immers in ’t dagelijksch leven ieder kind met een goed geheugen en zelfs een domme geleerde, d. w. z. een veelweter, voor verstandig doorgaat. Het geheugen is de hoofdoorzaak van de leerzaamheid van den Poedel; hierbij spelen echter ook zijn geduld, zijn goedaardigheid en zijn gehoorzaamheid een groote rol. Hij kan leeren op de trommel slaan, pistolen afschieten, bij ladders opklimmen, met een troep Honden een hoogte bestormen, die door andere Honden verdedigd wordt, met zijne kameraden komedie spelen enz. Het is bekend, dat men ook aan Paarden en Olifanten hetzelfde of iets dergelijks kan leeren.

“Twee eigenschappen van den Poedel moeten bovendien nog genoemd worden: zijn zucht tot nabootsing en zijn eergevoel, d. w. z. zijn ijdelheid. Altijd kijkt hij zijn meester aan, altijd gaat hij na, wat deze doet, altijd wil hij hem van dienst zijn. Hij is een echte oogendienaar; evenals een kind van zijn vader, denkt de Poedel van zijn meester: ‘wat hij doet, is wel gedaan; ik moet (of mag) het ook doen.’ Als zijn meester een kegelbal aanvat, neemt hij er ook een tusschen de pooten of wil dien met den bek grijpen en spant zich dus noodeloos in, daar hij hierin niet slaagt. Als zijn meester met een wetenschappelijk doel steenen verzamelt, zal ook de Poedel steenen zoeken. Als zijn meester ergens graaft, begint ook de Poedel met de pooten te graven. Als zijn meester aan ’t venster zit, springt de Poedel naast hem op de bank, legt beide voorpooten op het kozijn en kijkt eveneens naar het schoone landschap. Ook hij wil een stok of een korf dragen, omdat hij zijn meester of de keukenmeid er een ziet medenemen. Hij draagt ze zorgvuldig, zet ze voor de menschen neer, gaat van den een naar den ander, om te laten zien hoe knap hij is en kwispelstaart uit tevredenheid met zichzelf. Gedurende het dragen bekommert hij zich in het geheel niet om andere Honden; hij veracht ze, naar ’t schijnt, als deugnieten; men zou echter zeggen, dat zij hem achting toedragen.

“De Poedel is de meest geachte (maar niet de meest gevreesde) en ook de meest geliefde Hond, omdat hij de goedaardigste is. Kinderen vooral houden veel van hem, omdat hij het zonder te knorren, te bijten en ongeduldig te worden toelaat, dat zij hem op allerlei wijzen plagen, op hem rijden, aan hem plukken. Hoe vraatzuchtig hij ook is, toch kan men hem de brokken dikwijls weer uit den bek halen, wat zeer weinige Honden toelaten. Den persoon, die hem eens geschoren heeft, kent hij voor goed, en kijkt hem er op aan, waar hij hem ontmoet. Komt deze in een volgend jaar terug om hem weder te scheren, dan loopt hij oogenblikkelijk weg en verbergt zich; hij wil niet geschoren worden. Zeer aardig is het te zien, hoe hij zijn meester zoekt. Hij loopt met den kop naar beneden de straat langs, staat stil, bedenkt zich, keert terug, blijft aan den anderen hoek van de straat opnieuw stil staan, denkt meer na dan hij rondkijkt, snijdt hoeken af om schielijker ergens te zijn enz. Ook is het de moeite waard, na te gaan hoe hij doet, als hij uitgaan wil en niet mag, hoe hij zijn meester te slim af tracht te zijn, bij hem langs tracht te sluipen, hoe hij zich houdt, alsof hij niet weg wil gaan, en plotseling, als men niet naar hem kijkt, de plaat poetst; hoe hij met een meer vosachtige dan hondachtige list bij den muur een poot optilt, alsof hij, om te maken dat men hem de deur laat uitgaan, van plan is daar zijn behoefte te doen.

“Zonderling is het, dat de Poedel des te minder geschikt is voor wachthond, des te minder goed op den man afgericht kan worden, naarmate hij goedaardiger en verstandiger is. Hij houdt van alle menschen, heeft eerbied voor hen; als men hem op een mensch wil aanhitsen, kijkt hij eenvoudig zijn meester en diens tegenstander aan, alsof hij denkt: “het kan toch de bedoeling van mijn meester niet zijn, dat ik een van zijns gelijken zou aanvallen.” Men zou zijn meester kunnen dooden, zonder dat hij voor hem in de bres sprong. Steeds is hij in de hoogste mate onderworpen aan zijn meester; hij vreest niet alleen diens slagen, maar zelfs diens ontevredenheid, het berispende woord, den dreigend opgeheven vinger.

“De Poedel is bijzonder gesteld op vrijheid van beweging. Hij wil komen en gaan, zooals het hem goeddunkt. Geen enkele Hond zit graag aan de ketting, de Poedel wel het allerminst graag; hij kent allerlei middelen om zijn vrijheid te herkrijgen; touwen tracht hij te breken of stuk te bijten, of de lus over zijn kop te stroopen. Hij jubelt vaak als een mensch, als hij losgemaakt wordt, en doet soms, alsof hij gek is van blijdschap.”

Van ’t geen hij alzoo bedenkt om los te komen, wordt door Giebel een aardig geval medegedeeld: “In een groote stad, waar een hondenbelasting geheven werd, ving de vilder, zooals meer geschiedt, alle Honden zonder belastingpenning op, en bergde ze groot en klein, oud en jong, mooi en leelijk, in een groot hok, waar zij zich den tijd kortten door zoo luid mogelijk hun onverdiend leed te bejammeren. Alleen de Poedel zat stil, schijnbaar in zijn noodlot berustend, in een hoek van de gevangenis, en kwam er spoedig achter, hoe de deur opengedaan moest worden. De weg tot de vrijheid was hem hierdoor aangewezen. Fluks ging hij aan ’t werk, drukte met zijn poot den grendel naar beneden, opende de deur, en op zijn voorbeeld volgde de geheele schaar van gevangenen hem naar buiten. In stormpas en onder luid geschreeuw trokken zij voorbij de poortwachters, die in ’t geweer kwamen, de stad binnen, en ieder keerde vergenoegd naar zijn meester terug.”

*

De Rattenvangers (de Pintscher van de Duitschers), die nu aan de beurt liggen, worden niet zelden nog bij de vorige groep gerekend; werkelijk hebben zij (eenige hunner althans) door hun beharing en door den vorm van snuit, ooren en staart, door hunne goedaardigheid en trouw, vroolijkheid en speelschheid veel overeenkomst met den Poedel, van wien zij zich echter door eigenaardigheden van den bouw van den schedel en van andere skeletdeelen zoozeer onderscheiden, dat zij een afzonderlijke groep behooren uit te maken. Men onderscheidt ze in gladharige en ruigharige. De eerstgenoemde gelijken door hun lichaamsbouw op de Dashonden, verschillen er echter van door de hoogere en rechte pooten en de geheel rechtopstaande of slechts aan de spits overhangende ooren. De meeste zijn donker van kleur, gevlekte komen zeldzamer voor. Hun lichaam is tamelijk slank, de kop forsch, de snoet lang en recht afgeknot; de staart wordt achterwaarts gericht met naar boven gekromde spits, of loodrecht omhoog gestoken met naar voren gebogen spits; de pooten zijn middelmatig hoog en recht. Gewoonlijk snijdt men deze dieren, als zij nog jong zijn, den staart en de ooren af, waardoor zij niet mooier worden.

Alle Rattenvangers zijn uiterst schrandere, bijzonder levendige dieren, die buitengewoon belust zijn op jagen. Het is hun grootste genoegen Ratten, Muizen, Mollen en andere dieren die in de bovenste aardlaag hun bedrijf uitoefenen, te vangen; met waarlijk onvermoeiden ijver vervolgen zij hen. Als huisgenooten van den mensch zijn zij niet onvoorwaardelijk aan te bevelen, daar zij wegens hun voortdurende onrustigheid hun meester dikwijls meer verdriet dan genoegen verschaffen; daarentegen zijn zij uitnemend geschikt voor menschen, die te paard of in een rijtuig snel rijden: want de Rattenvanger vergezelt zijn meester het liefst, wanneer hij terdege rennen en loopen moet. Maar zelfs bij den snelsten rit weet hij altijd nog tijd te vinden om ieder muizengat te onderzoeken en iederen Mol bij het opwerpen van zijn aardhoopen te storen. Den neus omhoog en tegen den wind in speurt hij naar alle zijden, en, zoodra hij eenig geritsel hoort, gaat hij er voorzichtig en stil op af, blijft een tijdlang onbeweeglijk staan, doet plotseling een sprong, slaat de voorpooten in den grond en heeft in ’t volgende oogenblik het in den grond levend dier in den bek. Geheel op dezelfde wijze jaagt hij Mollen; hij doet dit met zooveel ijver, dat hij, naar Lenz verzekert, gedurende een niet te korte wandeling er geregeld 4 of 5 en soms wel 14 stuks vangt. De Mollen eet hij niet op, maar begraaft ze; Muizen eet hij echter, tot hij volkomen verzadigd is, de overige werpt hij weg.

De geschiktheid van dit dier voor de Rattenvangst heeft vooral in Engeland veel belangstelling gewekt; reeds sinds lang scheppen de Engelschen er vermaak in, groote Rattenjachten te houden en daarbij de behendigheid van deze Honden te doen uitkomen. Om de belangstelling in dezen wedkamp te verhoogen, worden daarbij zeer groote sommen verwed; hierdoor gelijkt dit volksvermaak veel op een hazardspel.

Een der vreemdsoortigste Honden wat vorm en uitzicht betreft, is de Kleine Ruigharige Rattenvanger, bij ons gewoonlijk Smousje genoemd. Hij verschilt aanmerkelijk van zijn gladharigen rasgenoot. Juist om zijn leelijkheid wordt hij door de liefhebbers zeer gezocht en hoog geschat. Het is een vroolijk en gezellig dier, den mensch in de hoogste mate onderworpen, vleiend en liefkoozend jegens zijne vrienden en zeer dapper in den strijd tegen andere Honden. Ook is hij voortreffelijk voor de Rattenjacht geschikt, en wordt zelfs hier en daar voor de Konijnen- of Kwarteljacht gebruikt.

*

De laatste groep van Huishonden, die wij beschouwen willen, omvat een aantal rassen, die den mensch zeer trouw dienen, maar meer nog dan de overige door hem voor slavenarbeid gebruikt worden; het zijn de Huishonden in engeren zin (Canis familiaris domesticus.) Tot deze groep behooren de Herdershonden, de Keeshonden, de Wolfshonden, de Honden der noordelijke volken (Lappen, Kamtschadalen, Eskimos, Hazen-Indianen enz.), de Zigeuner-Hond, de Chineesche Hond, de IJslandsche Hond enz.

Ruigharige Rattenvanger (Canis familiaris gryphus hirsutus). ⅙ v. d. ware grootte.
Ruigharige Rattenvanger (Canis familiaris gryphus hirsutus). ⅙ v. d. ware grootte.

Ruigharige Rattenvanger (Canis familiaris gryphus hirsutus). ⅙ v. d. ware grootte.

De eigenlijke Herdershond verschilt van alle overige Huishonden, doordat alleen de toppen zijner ooren overhangen; ook is hij in den regel slank gebouwd, mager, hoog op de pooten, met sterk uitkomende pezen en spieren als een Wolf, waarbij hij trouwens in grootte aanmerkelijk achterstaat. De langwerpige kop met den spitsen snoet, de magere, rechte pooten, de middelmatig lange staart, die gewoonlijk een weinig ingetrokken wordt, het dichtbehaarde, krulharige, dikwijls ruige vel van grijs bruinachtige kleur zijn kenmerken, die tot aanvulling van het beeld van dit dier kunnen dienen.

In den regel treedt de Herdershond reeds in zijn eerste levensjaar als veehoeder in dienst. Mettertijd leert hij zijn arbeid volledig verrichten. Hij is volstrekt niet onverschillig welk vee aan zijne zorgen wordt toevertrouwd, want hij moet bij verschillende huisdieren een verschillende gedragslijn volgen. De Hond van den koeherder moet steeds letten op zijn meester en acht geven op diens bevelen. De Runderen, die niet dadelijk gehoorzamen, moet hij werkelijk bijten, want anders zijn zij niet bevreesd voor hem. Als hij de koe voor zich uitdrijft, mag hij alleen in de achterpooten bijten, nooit in den staart of in de zijden, en nog veel minder in de uiers. Als een koe achteruitslaat, moet hij goed oppassen, dat hij niet geraakt wordt, maar toch het bijten niet verzuimen; als een os of een koe zich met de horens verweert, blijft hij, zoo hij zijn werk goed verstaat, toch nog baas over het dier, door het bij den bek te pakken en er aan te blijven hangen. De Spaansche herders gebruiken bij het veehoeden ook nog den slinger en doen dit zonder hun doel te missen. Een os die eenige malen bestraft geworden is door een steen, die de herder hem tegen den kop werpt, mag zich wel voor den Hond in acht nemen; want deze houdt den weerspannige goed in ’t oog en beperkt zijne bewegingen reeds na korten tijd tot een bepaalden kring. De Hond van den schaapherder moet sterke hamels ook wel bijten, maar alleen in de achterpooten; hij mag echter lammeren en drachtige of zoogende Schapen nooit aanpakken, maar moet bij hen alleen maar doen, alsof hij bijten wil.

Evenals iedere Hond, is ook de Herdershond het spiegelbeeld van zijn meester. De Spaansche Herdershond is even driftig, de Duitsche even goedaardig als zijn baas. Als deze een wildstrooper is, zal zijn Hond weldra den flinksten Jachthond evenaren. Zoekt de herder zijne karige verdiensten te vermeerderen door het inzamelen van paddestoelen en dergelijke verkoopbare producten, dan helpt de Hond hem ze te zoeken. Moet zijn meester weerstand bieden aan twee- of viervoetige roovers: de Hond neemt deel aan de gevechten, die hierbij noodig zijn. Als de herder een vreedzaam leven leidt, zal ook zijn Hond een zachtaardig wezen zijn. De beide bondgenooten komen in aard overeen. Zij korten elkander den tijd: er zijn Herdershonden, die als ’t ware ieder woord van hun meester verstaan. Een geloofwaardig opmerker verhaalde mij hiervan een staaltje, waarvan hij ooggetuige was. Een schaapherder zeide tegen zijn Hond, dat hij goed op het “raapzaad” moest letten. Het dier stond een oogenblik verlegen, waarschijnlijk omdat hij het woord nog niet eerder had gehoord. Tarwe en rogge, gerst en haver, weiland en bouwland waren bekende zaken voor hem, van raapzaad had hij echter geen begrip. Na een korte overdenking ging hij de kudde rond, onderzocht de verschillende omliggende akkers en bleef eindelijk staan bij dien, welks voortbrengselen verschilden van de hem bekende graansoorten: dat zou wel de raapzaadakker zijn, en ’t was werkelijk zoo!

Wat de Herdershond is voor het vee, is de Keeshond (de Spitz of Pommer van de Duitschers) voor het huis. Klein of hoogstens middelmatig groot, krachtig en gedrongen van gestalte, kortpootig en langstaartig, de spitssnuitige kop uitgerust met middelmatig groote oogen en ooren, schrander en levendig van uitzicht, dicht bekleed met een soms grof- en langharige, soms fijn- en kortharige vacht van zuiver witte, gele, vosroode, grijze, bij uitzondering ook zwarte kleur, hoogstens nog met een lichte bles aan ’t voorhoofd, en witte merken aan de voeten, verschijnt hij voor ons, zoodat men hem niet licht met een ander ras verwarren zal. Men geeft in den regel den voorkeur aan die, welke lange, zachte, zuiver witte haren hebben.

Keeshond (Canis familiaris domesticus pomeranus). 1/10 v. d. ware grootte.
Keeshond (Canis familiaris domesticus pomeranus). 1/10 v. d. ware grootte.

Keeshond (Canis familiaris domesticus pomeranus). 1/10 v. d. ware grootte.

Deze in zijn soort waarlijk uitmuntende Hond, wordt in vele streken van Duitschland en ook van Nederland, als wachthond op boerenerven voor het bewaken van huis en hof, of door voerlieden als bewaker van hunne wagens gebruikt. Als metgezel van den voerman ontbreekt hij in Duitschland nagenoeg nooit; hier heeft hij ook nog een andere rol te vervullen; door zijn vroolijken aard verschaft hij den man bij zijn moeielijken eentonigen arbeid, een zeer gewenschte afleiding. De Keeshond wordt het meest geschikt geacht voor het genoemde doel, omdat hij zich door onwankelbare trouw en gehechtheid aan zijn meester onderscheidt, zeer opmerkzaam en wakker is, bovendien geen regen of koude vreest, ja zelfs in huis of hof gewoonlijk het liefst zich neervleit daar, waar de wind het hardst huilt. De Keeshonden zijn trouwens zeer gesteld op vrijheid, en daarom niet geschikt om vast te liggen, terwijl zij daarentegen wegens hunne trouw en onomkoopbaarheid als losloopende waakhonden nagenoeg onmisbaar zijn.

De Wolfshonden, zoo genoemd naar hun voorkomen, zijn grooter en krachtiger dan de zoo even genoemde; zij gelijken nog het meest op de Herdershonden, welker werkkring gewoonlijk ook de hunne is.

Als voorbeeld van de Honden der bewoners van noordelijke landen, moge de Eskimo-hond dienen; deze gelijkt op de leden van de beide laatstgenoemde rassen, en is het belangrijkste huisdier van de onbeschaafde volken in het hooge noorden van beide werelden. Zijn schouderhoogte bedraagt 50 à 60 cM., in sommige gewesten komen echter forschere dieren voor. Van onzen Herdershond verschilt hij door een meer wolfachtig voorkomen, door de overeind staande ooren, de dikke vacht, die in den winter geheel wollig is, en de listige gezichtsuitdrukking. Hij gedraagt zich als een half-wild dier, hoewel hij slechts tijdelijk een zekere mate van vrijheid geniet. In alle noordelijke gewesten van de Oude Wereld, heeft hij verwanten, die veel op hem gelijken. Men gebruikt hem zoowel voor ’t hoeden van ’t vee als voor het trekken van de slede.

Een goed gevoede Eskimo-hond is werkelijk een mooi dier; ongelukkig echter wordt hem het voedsel, wanneer hij het zichzelf niet verschaft, door zijn meester zoo karig toegemeten, dat hij gedurende vele maanden alleen uit vel en beenderen schijnt te bestaan. Hij staat tot den mensch in een eigenaardige betrekking. Hij weet, dat hij in slavenketenen ligt, en tracht deze ketenen te verbreken. Er is iets Wolfachtigs in dit dier, zoowel in zijn lichaam als in zijn geest. Door zijn dicht haarkleed, de overeind staande ooren, de breedte van den bovenkop en de spitsheid van den snoet gelijkt hij zoozeer op den Wolf der Poolgewesten, dat men beide op een afstand in ’t geheel niet van elkander onderscheiden kan. De Eskimo-hond rooft en steelt als een Wolf, maar is aan den anderen kant ook weer zoo hondsch deemoedig, als slechts een door vrees gepijnigde slaaf kan zijn. Voor de slede wordt gewoonlijk een tamelijk talrijke troep gespannen, die onder de leiding van een ouderen en ervaren Hond zijn weg vervolgt; van het besturen der slede door den mensch, zooals wij dit gewoon zijn, kan geen sprake zijn. Iedere Hond trekt aan een afzonderlijken lederen riem, die door een hoogst eenvoudig gareel aan hem bevestigd is; in de Hudsonsbaai-landen worden de Honden ook wel vóór elkander aangespannen. Soms beginnen zij gedurende de reis samen te plukharen; het geheele gespan wordt één verwarde klomp; alle brommen, blaffen, bijten, razen dooreen; niet eens de met kracht op hen neerkomende zweep van den bestuurder der slede kan de orde herstellen. Eindelijk is de verwarring zoo groot geworden, dat er aan vrije beweging niet meer te denken valt, en nu moet de voerman de dieren wel van elkander losmaken en opnieuw aanspannen.—Zonder deze Huisdieren zouden de bewoners der noordelijke gewesten niet kunnen bestaan. De Honden bewijzen hun alle mogelijke diensten. Met een vracht van 10 à 15 KG. beladen vergezellen zij hunne meesters op hunne langdurige jachttochten. 6 à 10 van deze dieren trekken een slede met een last van 300 à 400 KG. en doorloopen er in gunstige omstandigheden in één dag een aanzienlijken afstand mede, naar men zegt, wel 40 of 50 KM., en met geringer last wel 80 KM. Als zij onderweg wild bespeuren, loopen zij het dikwijls als razenden achterna; bovendien helpen zij bij de jacht, houden de wacht, verdedigen hunne meesters, als deze in gevaar verkeeren, en bewijzen nog honderd andere diensten.

De Honden zijn de eenige getemde dieren, die op Kamtschatka gevonden worden. “Zonder deze Honden”, zegt Steller, “kan iemand hier evenmin leven als op andere plaatsen zonder Paarden en Runderen. De Kamtschadaalsche Honden zijn verschillend van kleur: de meeste echter zijn wit, zwart of wolfkleurig (n.l. grijs), bovendien zeer dik- en langharig. Zij voeden zich met visch. Van de lente tot laat in ’t najaar bekommert men zich volstrekt niet om hen; in dezen tijd loopen zij overal vrij rond, loeren den geheelen dag bij de rivieren op Visschen, die zij zeer behendig en aardig weten te vangen. Als zij genoeg Visschen kunnen machtig worden, vreten zij er, evenals de Beren, alleen den kop van, en laten het overige liggen. In October verzamelt iedereen zijne Honden, en bindt ze aan de palen van de woning vast. Dan laat men ze terdege honger lijden, om te maken, dat zij hun vet verliezen, voor ’t loopen geschikt en niet engborstig worden. Zoodra de eerste sneeuw valt, begint hun ellende; dan hoort men ze dag en nacht met een afschuwelijk gehuil en gejammer hun lot beklagen. In den winter krijgen zij tweeërlei voedsel: gewoonlijk worden zij onthaald op stinkende visch, die gedurende den zomer ingekuild werd, en in hooge mate verzuurd is; het andere voedsel is droog en bestaat uit verschimmelde, aan de lucht gedroogde Visschen; zij krijgen dit ’s morgens om te maken, dat zij onderweg zich behoorlijk zullen inspannen.

“Men kan zich niet genoeg verwonderen over de spierkracht van deze dieren. Gewoonlijk worden slechts vier Honden voor iedere slede gespannen; zij trekken drie volwassen menschen en een lading van 1½ poed (24.5 KG.) behendig voort. De gewone lading voor vier Honden is 5 à 6 poed (82 à 98 KG.). Hoewel de reis met Honden zeer moeitevol en gevaarlijk is, en men zich er bijna nog meer bij moet inspannen, dan wanneer men te voet gaat, zoodat men door het rijden op en het besturen van een hondenslede zoo moede wordt als een Hond, biedt dit middel van vervoer toch het voordeel aan, dat men over de moeielijkst begaanbare plaatsen van het eene oord naar het andere kan komen, en een weg kan volgen, die voor Paarden en, wegens de diepe sneeuw, ook voor voetgangers volkomen onbruikbaar zou zijn.

“Het andere voorname nut van de Honden, waarom zij eveneens in zulk een groot aantal gefokt en gehouden worden, is, dat men zoowel van de afgeleefde sledehonden als van die, welke voor het trekken ongeschikt blijken te zijn, de huiden tot tweeërlei soort van kleedingstukken verwerkt, die het geheele land door gedragen worden en van groote waarde zijn.”

*

De Vossen (Vulpes) verschillen door hun langwerpigen romp, den langen, in een spitsen snoet uitloopenden kop, de pupil, die in den regel langwerpig rond en een weinig scheef geplaatst is, de korte pooten, den zeer langen, dicht en ruig behaarden staart, zoozeer van de Wolven, dat men ze tot een afzonderlijk geslacht vereenigt. Hunne gewoonten en bewegingen bieden bij alle overeenstemming met die der andere Honden zooveel eigenaardigheden aan, dat zij onze aandacht ten zeerste waardig zijn.

Onder de in ons vaderland in ’t wild levende Zoogdieren staat de Vos (Vulpes vulgaris) ongetwijfeld bovenaan. Waarschijnlijk is geen ander dier, tenzij de Jakhals, zoo beroemd en zoo algemeen bekend als onze vriend Reintje, het zinnebeeld van de list, geveinsdheid en valschheid, van de lust tot het plegen van overtredingen en, om het zoo eens uit te drukken, van de gemeene ridderlijkheid. Hem roemt het spreekwoord, hem prijst de sage, hem verheerlijkt het gedicht; Duitschlands grootste dichter Goethe, achtte hem een waardigen held voor zijne zangen. Of hij zulk een roem volkomen verdient, is echter een andere vraag. “De Vos van de sage en van de dichters,” schrijft Pechuel-Loesche, “en de Vos van de werkelijkheid, zijn twee zeer verschillende dieren. Wie dezen geheel onbevooroordeeld nagaat, vindt bij hem niet in buitengewone mate de veelgeprezene tegenwoordigheid van geest, schranderheid, list en vindingrijkheid, ook niet de onovertroffene fijnheid van zinnen, welke hem worden toegeschreven. Naar het mij voorkomt, onderscheidt hij zich van de andere Roofdieren, en meer bepaaldelijk van de Wolven, door geen enkele in ’t oogloopende begaafdheid; hoogstens kan men toegeven, dat dit onophoudelijk vervolgde dier zich zeer goed weet te voegen naar de omstandigheden, hoewel hij in dit opzicht niet bekwamer is dan andere dieren, die met behoorlijke zintuigen begaafd zijn. Evenals zoovele van deze, de weerlooze er onder begrepen, zullen waarschijnlijk vele oude Vossen door velerlei ervaringen een buitengewone schranderheid verkrijgen; iedere jager, die met deze roovers herhaaldelijk in aanraking komt, zal mij echter toestemmen, dat er ook zeer vele niet-schrandere, ja zelfs werkelijk domme schepsels onder zijn—en dit zijn niet alleen de onervaren jongen, maar ook sommige oude dieren. De Vos is een vogelvrije spitsboef; hij verstaat zijn beroep, omdat hij toch op zijn wijze aan den kost moet komen; hij is vermetel, maar alleen als de honger hem kwelt, en wanneer hij jongen te verzorgen heeft; ook geeft hij in moeilijke omstandigheden geen bewijzen van tegenwoordigheid van geest of van overleg, maar geraakt geheel van streek; hij laat zich vangen in vallen, die toch maar recht lomp gesteld zijn, en laat zich herhaaldelijk op deze wijze beetnemen; in ’t open veld laat hij de sleden, die zich in een kring om hem heen bewegen, binnen het bereik van een schot naderen; hij is telkens weer opnieuw bevreesd voor onschadelijke middelen om hem schrik aan te jagen; hij laat zich, ondanks al het geraas en geschiet bij een drijfjacht in een bosch, toch op korten afstand van daar bij een volgende gelegenheid omsingelen, in plaats van zich tijdig uit de voeten te maken—om kort te gaan, dit dier, dat meedoogenloozer vervolgd wordt dan eenige andere bewoner van bosch en veld, heeft, in weerwil van de hiervoor ruimschoots bestaande gelegenheid, niet geleerd, de streken van den mensch te doorzien, en zijne handelingen dienovereenkomstig in te richten. Het schrandere Reintje van de overlevering en de Vos in bosch en veld kunnen niet goed als een en hetzelfde dier beschouwd worden; deze onderscheidt zich door geen enkel sterk op den voorgrond tredend talent van andere dieren.”

Reintje leeft, honderden malen geschilderd in woord en beeld, in ieders voorstelling en is dus wel bekend. Voor hen, die minder met de natuur vertrouwd zijn, diene de volgende beschrijving. Hij wordt hoogstens 1.4 M. lang, waarvan omstreeks 50 cM. op den staart komen; de schouderhoogte is 35, hoogstens 38 cM. De kop is breed, het voorhoofd plat, de snoet, die plotseling smaller wordt, is lang en dun. De oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die aan den voet breed zijn en naar boven spitser worden, staan rechtop. De romp schijnt wegens het dikke haarkleed dik, maar is in werkelijkheid buitengemeen slank; toch is hij buitengewoon krachtig en voor de meest omvangrijke bewegingen geschikt. De pooten zijn dun en kort, de staart is lang en ruig behaard, de vacht dicht en zacht. Reintje met zijn geheele edele familie draagt een kleed, dat uitmuntend bij zijn rooversbedrijf past. De kleur, een vaal, grijsachtig rood, dat geheel in overeenstemming is met de kleur van den bodem, past even goed bij de bosschen met breedgebladerde boomen als bij die met naaldboomen, om ’t even of zij hoog of laag zijn, ook is het even goed geschikt voor de heide als voor het veld of voor een steenachtigen of rotsachtigen bodem. Meer dan bij andere dieren schijnt bij den Vos het kleed zich naar het land te schikken; want de Vos in zuidelijke landen vertoont met die der noordelijke gewesten en de Vos der bergstreken met die der vlakten een niet onbelangrijk verschil. Bij zijne in de steppe en in de woestijn levende verwanten blijkt, zooals wij later zullen zien, de gelijkheid van haarkleur en bodem nog duidelijker. Bij nauwkeurige beschouwing van het kleed van onzen roover merken wij ongeveer de volgende verdeeling van kleuren op: Aan de geheele bovenzijde is de vacht roestrood of geelrood; het voorhoofd, de schouders en het achterste deel van den rug tot aan den staartwortel zijn met wit overtogen, omdat ieder haar afzonderlijk op deze plaatsen in een witten top eindigt; de lippen, de wangen en de keel zijn wit. Een witte streep loopt bij de pooten af; de borst en de buik zijn aschgrauw, de flanken witachtig grijs, de voorpooten rood, de ooren evenals de voeten zwart, de staart eindelijk is roestrood of geelachtig rood, met een zwartachtig waas bedekt en aan de spits van dezelfde kleur of wit. Al deze kleurschakeeringen gaan volkomen onmerkbaar in elkander over, geen enkele steekt schel bij de overige af, en juist daardoor komt het, dat het geheele haarkleed voor alle omstandigheden recht goed geschikt is.

Reintje bewoont het grootste deel van de noordelijke helft van ons halfrond. Zijn verbreidingsgebied omvat geheel Europa, Noord Afrika, het westen en het noorden van Azië; wij mogen ook Afghanistan, het westelijk deel van den Himalaja en Tibet er bij voegen, want de daar voorkomende vormen zullen moeielijk van hem gescheiden kunnen worden. Nergens ontbreekt hij geheel; in vele gewesten komt hij veelvuldig voor. Wegens zijn alzijdigheid kan hij overal geschikte woonplaatsen vinden, waar andere Roofdieren, uit gebrek hieraan, zich niet kunnen ophouden; zijn list, sluwheid en behendigheid stellen hem in staat om zich in het bezit van deze woonplaatsen te handhaven met een volharding en hardnekkigheid, die werkelijk voorbeeldeloos zijn. Daar de Wolf hem vijandig is, komt hij betrekkelijk zelden voor in de eigenlijke door Wolven bewoonde gewesten; zijn aantal neemt daar echter gewoonlijk in dezelfde mate toe, als dat der Wolven vermindert.

Zijne woonplaatsen worden altijd met de uiterste voorzichtigheid gekozen. Het zijn diepe, gewoonlijk vertakte, in een ruime kamer uitkomende holen in rotskloven, tusschen wortels of op andere gunstig gelegen plaatsen. Liefst graaft hij deze holen niet zelf, maar neemt oude verlaten holen van Dassen in bezit, of bewoont ze gemeenschappelijk met Grimbaard, zonder zich te storen aan diens afkeerigheid van het gezelschap van andere dieren. Alle groote Vossenholen zijn oorspronkelijk door Dassen aangelegd. Voorzoover hiertoe gelegenheid bestaat, graaft de Vos zijn hol aan een berghelling, zoodat de gangen naar boven gericht zijn, zonder te dicht onder den bodem te liggen. In volkomen vlakke streken ligt de kamer dikwijls dicht onder de oppervlakte. In den herfst en den winter vestigt hij, vooral in vlakke gewesten, gaarne zijn verblijf in hoopen opeengestapeld rijshout of steenen; in sommige gevallen moet een oude knotwilg of zelfs een ondiepe kuil te midden van de dichte struiken als woning en als kraamkamer dienst doen. Bij plasregen, storm, koud weder en gedurende den paartijd, ook wel in den zomer gedurende de grootste hitte, of zoolang de moervos kleine jongen heeft, vindt men onzen struikroover gewoonlijk in zijn hol; bij gunstig weer echter doorloopt hij zijn jachtgebied, en gebruikt het eerste, het beste geschikte plekje, dat hier te vinden is, als rustplaats. In vlakten, die arm aan bosschen zijn, bijvoorbeeld in de landbouwdistricten van Onder-Egypte, graven de Vossen slechts ten behoeve van hunne jongen werkelijke holen, terwijl de ouden onder den zachten hemel van dit land jaar in jaar uit in de open lucht leven.

Vos (Vulpes vulgaris).
Vos (Vulpes vulgaris).

Vos (Vulpes vulgaris).

De Vos houdt zijne rooftochten liever ’s nachts dan over dag; op stille plaatsen jaagt hij echter ook graag bij ’t licht der zon. In de lange dagen van de zomermaanden gaat hij op gedekte plaatsen van zijn gebied dikwijls verscheidene uren vóór zonsondergang met zijne jongen op roof uit; bij langdurige koude en als er veel sneeuw ligt, rust hij, naar ’t schijnt, alleen gedurende de morgenuren uit; hij begint dan reeds om 10 uur voormiddags in de velden rond te zwerven. Evenals de Hond is hij zeer op warmte gesteld. Bij fraai weder legt hij zich op een ouden boomstam of op een steen neder om zich in de zon te koesteren en verdroomt dan in de verkwikkelijkste gemoedsrust menig uurtje. Daar waar hij zich veilig gevoelt, geeft hij zich ook op weinig of niet gedekte plaatsen tamelijk zorgeloos aan den slaap over, snorkt luid als een Hond, en slaapt zoo vast, dat de jager, wiens aandacht door een schranderen Hond op den Vos werd gevestigd, hem soms in dezen toestand kan verrassen en bespieden. Met het aanbreken van de schemering of reeds in de namiddaguren begint hij zijn rooftocht. Uiterst voorzichtig sluipt hij langzaam voort, kijkt en speurt van tijd tot tijd en tracht voortdurend gedekt te zijn; zijne wegen, passen of “wissels” (d.w.z. de paden, waarlangs hij het bosch binnenkomt of verlaat) zijn daarom altijd tusschen struiken, steenen, hoog gras en dergelijke dekkingsmiddelen gelegen. Alleen wanneer het strikt noodig is, verlaat hij het met dicht struikgewas gevulde deel van ’t woud; hij doet dit stellig alleen daar, waar enkele struiken en dergelijke dekkingsmiddelen voor hem als ’t ware een brug vormen, waarlangs hij een ander even gunstig gelegen deel van het woud kan bereiken. Daarom kennen ervaren jagers de “passen” van den Vos zeer goed, en kunnen vrij zeker vooruit bepalen, welken wissel Reintje in de op dat tijdstip bestaande omstandigheden zal kiezen.

Hij maakt jacht op alle dieren, van de jonge Ree tot aan den Kever, vooral echter op Muizen, die waarschijnlijk den hoofdschotel van zijne maaltijden vormen. Hij verschoont jong noch oud, vervolgt zeer ijverig de Hazen en Konijnen en besluipt zelfs de jongen van Reeën en Edelherten. Hij plundert niet alleen de nesten van alle op den bodem broedende Vogels, welker eieren en jongen hij verslindt, maar tracht ook de oude, in ’t vliegen ervaren Vogels door list te overmeesteren en bereikt niet zelden zijn doel. Hij zwemt en waadt door poelen en moerassen om de te midden van het water broedende Vogels te bereiken; er zijn voorbeelden van bekend, dat hij broedende Zwanen heeft gedood. Bovendien overvalt hij het pluimvee, en sluipt des nachts tot op de erven van eenzaam gelegen boerderijen; als hij een goede schuilplaats heeft, besluipt hij de tamme Vogels zelfs op klaarlichten dag. In groote tuinen en wijngaarden komt hij stellig veel vaker te gast, dan men gewoonlijk meent. Op beide plaatsen, vangt hij Sprinkhanen, Meikevers en engerlingen, Regenwormen, enz., of zoekt zoete peren, pruimen, druiven en andere bessen. Bij de beek slentert hij rond, om een mooie Forel of een domme Kreeft te verschalken, aan het zeestrand vreet hij de netten van de visschers leeg, in het bosch ledigt hij de vogelstrikken van de jagers. Zoo komt het, dat zijn tafel bijna altijd goed voorzien is, en hij alleen dan in nood geraakt, als zeer diepe sneeuw hem de jacht buitengewoon bemoeilijkt. Dan behelpt hij zich met al wat eetbaar is, niet alleen met krengen, die hij geregeld en in ieder jaargetijde opzoekt, en, evenals vele Honden bijzonder graag schijnt te eten, maar ook met oude verdroogde beenderen, zelfs met een stuk half vergaan leder; gaarne bezoekt hij ook de leger- en stookplaatsen van de houthakkers om de overblijfselen van hunne maaltijden op te zoeken. Met de gevangen prooi speelt hij, als hij half verzadigd is, lang en op een gruwzame wijze, voordat hij haar doodt.

Bij zijne jachttochten zorgt hij in de eerste plaats voor zijn eigen veiligheid. Alles wat hem niet bekend is, wekt zijn argwaan en als hij eerst wantrouwig is geworden, kunnen alleen de kwellingen van den honger hem tot onvoorzichtige daden verleiden. In dit geval echter toont hij een werkelijk onbeschaamde vermetelheid. Hij komt op klaarlichten dag op het erf, haalt vandaar voor de oogen van de bewoners een Hoen of een Gans weg en gaat met zijn buit aan den haal. Slechts in den uitersten nood laat hij een zoo moeilijk verworven prooi in den steek, dikwijls keert hij later weer terug om te zien, of hij haar toch niet medenemen kan. Dezelfde driestheid toont hij soms in omstandigheden, die een allersnelste vlucht dringend noodig maken. Zoo pakte een Vos, die bij een drijfjacht door de Honden achtervolgd werd en reeds twee maal de hagelkorrels rondom zich had hooren fluiten, in vollen ren een aangeschoten Haas en droeg hem een eind weegs voort. Een andere stond bij een drijfjacht uit het door de jagers omsingelde veld op, roofde een gewonden Haas, beet hem ten aanschouwen van het jachtgezelschap dood, begroef hem nog schielijk in de sneeuw en ontvluchtte daarna midden door den kring van drijvers en schutters. De houtvester Liebig verhaalt, dat een Vos op het erf van een boer in Moravië kwam om Hoenderen te stelen, met stokslagen verjaagd werd, terugkeerde, nogmaals verdreven werd, ten derden male een poging deed, maar toen er het leven bij inschoot.

De Vos loopt snel, langen tijd achtereen en toont bij deze beweging groote behendigheid en slimheid. Hij kan sluipen, op een onhoorbare wijze over den bodem voortglijden, maar ook loopen, rennen en buitengewoon groote sprongen doen. Zelfs goede Jachthonden zijn zeer zelden in staat hem in te halen. Als hij hard loopt, is de staart bijna in horizontale richting achterwaarts gestrekt, bij langzamer beweging sleept hij bijna over den grond. Als hij loert, ligt hij met den buik op den grond; om te rusten gaat hij niet zelden, evenals de Hond, ineengerold op een zijde of zelfs op den rug liggen; zeer dikwijls zit hij ook geheel op de wijze van de Honden op zijn achterkwartier en slaat den ruigen staart sierlijk om zijne voorpooten. Voor het water is hij volstrekt niet schuw, integendeel hij kan zonder moeite en snel zwemmen; ook in ’t klimmen is hij niet onervaren; soms vindt men hem in boomen, die een voor zijn klimvermogen geschikten vorm hebben, hoog boven den grond.

De stem van den Vos bestaat uit een kort afgebroken gekef, dat in een sterker en hooger geluid eindigt. Volwassen Vossen “blaffen” alleen, als er stormachtig weer op til is, bij onweders, bij felle koude en in den paartijd; de jongen daarentegen schreeuwen en keffen telkens als zij honger hebben of zich vervelen. Als de Vos toornig is, of in gevaar verkeert, laat hij een woedend gesnater hooren; een smartkreet verneemt men van hem alleen dan, als hij door een kogel getroffen is, of wanneer een schot hagel hem een poot verbrijzeld heeft; bij iedere andere verwonding zwijgt hij hardnekkig. In den winter, n.l. als het sneeuwt en vriest, schreeuwt hij luid en op klagenden toon; het meest hoort men echter zijn stem in den paartijd; men verneemt dan van hem soms ook geluiden, die deels aan het geschreeuw van den Raaf, deels aan dat van den Pauw herinneren.

Reintje is geen gezellig dier en verschilt ook in dit opzicht van de Wolven. Wel treft men niet zelden verscheidene Vossen in hetzelfde kreupelboschje en zelfs in een en hetzelfde hol aan, in den regel echter gaat iedere Vos zijn eigen gang en bekommert zich om de andere dieren van zijn soort slechts in zoover, als door hem dienstig en voordeelig wordt geacht. Vriendschap voor andere dieren kent de Vos evenmin als gezelligheid. Toch heeft men herhaaldelijk opgemerkt, dat hij zelfs met zijn doodvijand, met den Hond, vriendschappelijk verkeerde; dit geschiedt echter stellig alleen bij hooge uitzondering. Ook zijn betrekking tot Grimbaard moet niet als een vriendschappelijke verhouding opgevat worden; het is Reintje volstrekt niet om den Das, maar alleen om diens woning te doen.

Negen weken (juister gezegd: 60 à 63 dagen) na de paring, in het einde van April of in ’t begin van Mei, werpt de moervos jongen, welker aantal tusschen 3 en 12 afwisselt; waarschijnlijk is het meest voorkomende aantal jongen in een nest 4 à 7. De moeder behandelt ze met groote teederheid, verlaat hen gedurende de eerste levensdagen in ’t geheel niet, later slechts gedurende korten tijd als de schemering reeds ver gevorderd is, en is er blijkbaar steeds ijverig op bedacht hun verblijfplaats geheim te houden.

Een maand of anderhalf na hun geboorte wagen de aardige, met roodachtig grijze wol bekleede roofjonkers zich op een stil uur vóór het hol, om zich door de zon te laten koesteren en om met elkander en met hun steeds bereidwillige moeder te spelen. Deze brengt hun voedsel in overvloed, van den eersten tijd af ook reeds levende dieren: Muizen, Vogeltjes, Vorschen en Kevers; zij leert hare hoopvolle spruiten de bedoelde dieren te vangen, te plagen en te verslinden. Zij is in dezen tijd voorzichtiger dan ooit te voren, ziet in de onschuldigste zaak reeds gevaar voor haar kroost, en brengt het bij het geringste gedruisch in het hol terug, of sleept het, zoodra zij van de een of andere vervolging de lucht krijgt, met den bek naar een ander hol; zelfs wanneer zij zeer in ’t nauw gebracht is, grijpt zij in haast nog een jong, om voor zijn veiligheid te zorgen. Niet zelden gelukt het den ervaren jager de spelende familie te bespieden. Als de jongen een zekere grootte bereikt hebben, liggen zij bij goed weder ’s morgens en ’s avonds gaarne vóór den ingang van het hol, en wachten de thuiskomst van de moeder af; als het wachten hun te lang duurt, blaffen zij, en verraden hierdoor hun aanwezigheid. Reeds in Juli vergezellen de jonge dieren de jagende moervos of gaan alleen op de jacht, zoeken overdag of in de schemering een Haasje, Muisje, Vogeltje of ander diertje te verschalken, of behelpen zich met een Kever. Tegen het einde van Juli verlaten de jongen het hol voor goed en begeven zich met hun moeder naar de graanvelden, die hun een rijke vangst beloven en een volkomen veiligheid verschaffen. Na den oogst zoeken zij dicht struikgewas, heiden en rietbosschen op, ontwikkelen zich intusschen tot volleerde jagers en sluwe struikroovers en verlaten eindelijk in het laatst van den herfst hun moeder om op hun eigen houtje fortuin te zoeken.

Jong gevangen Vosjes kunnen gemakkelijk grootgebracht worden, omdat zij het gewone voedsel van jonge Honden voor lief nemen. Zij worden, als men zich veel met hen bemoeit, weldra tam en vermaken hun verzorger door hunne opgewektheid en vlugge bewegingen.

“Verscheidene Vossen heb ik grootgebracht,” verhaalt Lenz; “van deze was de laatste, een wijfje, de tamste, omdat ik dezen kreeg, toen hij nog zeer jong was. Hij was juist begonnen zelf te eten, maar was toen reeds zoo boosaardig en bijtlustig, dat hij, als hij een lekker brokje vóór zich had, voortdurend knorde, en, hoewel niemand hem hinderde, toch om zich heen beet in het stroo en het hout. Door vriendelijke behandeling werd hij weldra zoo tam, dat ik hem zonder bezwaar een pas door hem gedood Konijntje uit den bloedigen bek kon nemen en, in plaats daarvan, mijn vinger er in kon leggen. Over ’t algemeen speelde, hij, zelfs toen hij volwassen was, buitengewoon graag met mij, was buiten zichzelf van vreugde, als ik hem bezocht, kwispelstaartte als een Hond en sprong huilend om mij heen. Even vriendelijk was hij voor iederen vreemdeling; zelfs kon hij vreemdelingen op 50 passen afstands, als zij den hoek van ’t huis omgingen, dadelijk reeds van mij onderscheiden; onder luid gehuil noodigde hij ze uit, bij hem te komen, welke eer hij mij en mijn broeder, die hem gewoonlijk met voedsel voorzagen, in den regel niet bewees, waarschijnlijk, omdat hij wist, dat wij toch wel zouden komen.”

Reintje wordt door de jachtliefhebbers zeer gehaat en is door hen vogelvrij verklaard; voortdurend wordt hij vervolgd: voor hem bestaat geen tijd van gesloten jacht. Men schiet hem, vangt hem in klemmen (zoogenaamde zwanehalzen), vergiftigt hem, delft hem op uit zijn veilig hol en slaat hem met een lompen knuppel dood, vervolgt hem op drijfjachten tot hij dood neervalt, haalt hem met boren en tangen uit den grond, kortom men tracht hem op allerlei wijzen uit te roeien. Van het standpunt van den jager, gezien, volgens wiens meening de bosschen en velden alleen ter wille van het wild schijnen te bestaan, mag zulk een onverbiddelijke, bijna onmenschelijke vervolging gerechtvaardigd heeten, van ieder ander gezichtspunt beschouwd, is zij het niet. Want de bosschen en velden worden niet ten behoeve van de Reeën, Hazen, Woer-, Berk- en Hazelhoenders, Patrijzen en Fazanten aangelegd, bebouwd en onderhouden, maar zijn voor een veel belangrijker doel bestemd. Het is daarom de plicht van allen, die zich met boschkultuur, landbouw en veeteelt bezighouden, van bosch en veld zooveel mogelijk alles te doen verdwijnen, wat hun opbrengst verminderen of ze op andere wijze benadeelen kan. Nu zal toch wel niemand in vollen ernst willen beweren, dat een der genoemde soorten van wild voor onze velden en bosschen nuttig kan zijn: alle zonder uitzondering moeten integendeel als schadelijke dieren beschouwd worden. Men kan de door hen veroorzaakte schade over ’t hoofd zien en vergeven, haar wegcijferen kan men niet.

Nu is echter het benadeelen van den wildstand een der geringste werkzaamheden van den Vos: in veel hoogere mate legt hij zich toe op en maakt hij zich verdienstelijk door het verdelgen van Muizen. Deze buitengewoon schadelijke Knaagdieren, maken, zooals reeds gezegd is, zijn voornaamste voedsel uit: hij vangt er niet slechts zooveel, als hij voor zijn levensonderhoud noodig heeft, n.l. 20 à 30 stuks bij iederen maaltijd, maar bijt er dikwijls nog verscheidene tot tijdverdrijf dood, die hij laat liggen. Hierdoor is hij in allen gevalle hoogst nuttig. Het is volstrekt mijn bedoeling niet, hem vrij te pleiten van de misdrijven, waaraan hij zich schuldig maakt; want ik weet zeer goed, dat hij geen enkel zwakker dier verschoont, vele nuttige Vogels verslindt en hunne nesten plundert, in de pluimveestallen als een Marter moordt en andere schanddaden pleegt; hiervoor echter geeft hij een voldoende vergoeding door het nut, dat hij sticht. Voor het jachtveld is hij zeer schadelijk, in de bosschen en op de weiden en akkers brengt hij echter meer nut dan schade teweeg; dit maakt het verklaarbaar, waarom de jager hem haat en vervolgt, terwijl de nietjagende landbouwer voor hem in de bres springt.

De jacht op den Vos verschaft den jager een buitengewoon groot genoegen. Gewoonlijk wordt Reintje op drijfjachten gedood, dikwijls schiet men hem “op den aanstand”, na hem door het nabootsen van het geluid van een jongen Haas of Muis gelokt te hebben, of doodt hem bij helderen maneschijn vóór de schiethut op een plaats waar krengen neergelegd zijn. Wanneer hij ’s winters over de besneeuwde velden op roof uitgaat, kan men op een voor jagers zeer aanlokkelijke wijze jacht op hem maken. Op sommige plaatsen wordt de Vos ook nog wel met Spionnen in het bosch gejaagd, waarbij men in den regel geen gebruik maakt van drijvers, doch eenvoudig op de beste wissels goede schutters plaatst. De door een schot gewonde Vos laat zelden klaagtonen hooren; soms ziet men hem echter in dit geval opmerkelijke daden verrichten: Winckell had met een kogel den voorpoot van een Vos dicht onder het schouderblad stuk geschoten. Bij het vluchten sloeg de nu verlamde poot hem voortdurend tegen den kop; dit hinderde den Vos, die den kop omdraaide, den loshangenden poot schielijk afbeet, en nu even hard wegliep, alsof hem niets mankeerde. De Vos is trouwens merkwaardig taai van leven. Verscheidene voorbeelden zijn er bekend, dat Vossen, die voor dood gehouden werden, plotseling weder opsprongen en wegliepen.

Poolvos (Vulpes lagopus) in zijn winterkleed, ⅛ v. d. ware grootte.
Poolvos (Vulpes lagopus) in zijn winterkleed, ⅛ v. d. ware grootte.

Poolvos (Vulpes lagopus) in zijn winterkleed, ⅛ v. d. ware grootte.

Levend wordt de Vos gevangen in vallen van allerlei soort, het meest echter in “zwanehalzen”; dit zijn ijzeren vallen met slagveeren, die in beweging komen, zoodra het lokaas (de vangbrok) wordt weggenomen. Reeds verscheidene dagen voordat men het ijzer op de hiervoor bestemde plaats stelt, moet men hier lokspijs of voerbrokken leggen en hierdoor den Vos er aan gewennen, haar te bezoeken. Eerst wanneer hij verscheidene nachten achtereen het voer heeft aangenomen, wordt het schoongemaakte ijzer, dat met een weinig sterk riekend lokaas bestreken is, ter juister plaatse voor aller oogen verborgen gesteld met versche lokbrokken er om heen en met den vangbrok er op.

De Vos heeft behalve den mensch nog tal van andere vijanden. Door den Wolf wordt hij gevangen en opgegeten; ook de Honden hebben zulk een hekel aan hem, dat zij gaarne jacht op hem maken, om hem te verscheuren. Merkwaardig is het, dat drachtige en zoogende moervossen dikwijls door de Honden gespaard of zelfs in ’t geheel niet vervolgd worden. De overige Zoogdieren kunnen Reintje niets doen: onder de Vogels heeft hij echter verscheidene zeer gevaarlijke vijanden. De Havik neemt zonder bezwaar jonge Vossen op, de Steenarend zelfs volwassene, hoewel hem dit soms slecht bekomt. Tschudi maakt melding van zulk een geval: “Een Vos die over een gletscher liep, werd door een Steenarend gegrepen, die hem meevoerde in de lucht. Weldra echter begon de Roofvogel vreemdsoortige bewegingen met de vleugels te maken, daalde en kwam achter een rotspunt terecht. De persoon, die dit had waargenomen, beklom de spits en zag tot zijn verwondering de Vos hem pijlsnel voorbijloopen; aan den anderen kant vond hij den stervenden Arend met opengebeten borst. Het was den Vos mogelijk geweest gedurende zijn onvrijwillige luchtreis den hals te strekken, den roover bij den strot te pakken en dezen door te bijten. Welgemoed hinkte hij nu heen, maar zal waarschijnlijk wel levenslang een herinnering aan zijn snelle luchtvaart behouden hebben.” In de overige klassen van het dierenrijk heeft de Vos geen vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden, wel echter zulke, die hem het leven zuur maken, o. a. Vlooien. Dat hij deze onaangename gasten verjaagt, door een bosje mos in den bek te nemen, zich langzaam te water te begeven, zoodat achtereenvolgens alle lichaamsdeelen met uitzondering van den kop ondergedompeld en meteen door de Vlooien verlaten worden, die op deze wijze, wanneer ook de kop onder water wordt gehouden, ten slotte alle in het mos aanlanden, en te gelijk met dit weggeworpen worden, is een fabel.

Het is gebleken, dat de Vos onderhevig is aan nagenoeg alle ziekten, waaraan de Honden kunnen lijden, ook de vreeselijkste van allen, de hondsdolheid. Er zijn zelfs voorbeelden van bekend, dat Vossen door deze ziekte aangetast op klaarlichten dag in dorpen doordrongen, en hier ieder die hun in den weg kwam, beten. Volgens Noll komt de genoemde ziekte onder de Vossen soms epidemisch voor en verbreidt zij zich dan over een groot gebied.

Ook in het dierenrijk merkt men soms op, dat verwanten, die door lichamelijke eigenaardigheden veel op elkander gelijken, naar den geest in allerlei opzichten uiteenloopen. Zulk een ontaarding wordt opgemerkt bij den Poolvos, die zeer veel overeenkomst met ons Reintje vertoont, maar zich toch door levenswijze en gewoonten aanmerkelijk van hem onderscheidt; hij is een der onnoozelste en tevens een der indringerigste, een der domste en toch een der sluwste leden van het Vossengeslacht.

De Poolvos, IJsvos of Steenvos (Vulpes lagopus) is kenbaar aan de korte, rondachtige ooren, de korte pooten, de eeltballen onder de teenen, die, evenals het overige lichaam, dicht behaard zijn, den zeer ruigen, vollen staart en eindelijk aan de vreemdsoortige kleur. Hij is aanmerkelijk kleiner dan onze Vos, ongeveer 95 cM. lang, waarvan ruim een derde op den staart komt. In den zomer komt zijn beharing in kleur met die van den grond of van de rotsen overeen; in den winter is zij meestal sneeuwkleurig. Er zijn echter ook IJsvossen, die in den winter een bruinachtig leikleurig, bruinachtig blauw of bruin haarkleed krijgen. Deze zoogenaamde “Blauwe Vossen” moeten, evenals de bontgevlekte IJsvossen, beschouwd worden als verscheidenheden van den Witten Vos; deze komt het veelvuldigst voor.

De Poolvos bewoont, zooals zijn naam aanduidt, het hooge noorden, zoowel van de Oude als van de Nieuwe Wereld, en is op de eilanden niet zeldzamer dan op het vastland. Waarschijnlijk heeft hij zich met het drijfijs over het geheele noordelijke gedeelte van de aarde verbreid; men heeft althans dikwijls Poolvossen op zulke door de natuur gevormde, in zee drijvende vlotten aangetroffen; men vond ze als eenige vertegenwoordigers van de Zoogdierenklasse, in verrassend groot aantal op eilanden, die ver van alle andere, door hen bewoonde streken verwijderd zijn; men moet dus wel aannemen, dat zij te eeniger tijd hierheen verhuisd zijn. Alleen wanneer er slecht weer ophanden is, of op plaatsen, waar hij zich niet recht veilig gevoelt, zoekt de Poolvos een schuilplaats in holen in het gesteente, of ook wel in door hem zelf gegraven gangen; hij verlaat deze dan alleen ’s nachts, om op roof uit te gaan. Op alle plaatsen echter, waar hij het niet noodig acht, zich over dag voor den mensch te verbergen, geeft hij zich de moeite niet, zelf holen te graven, maar loert onder steenen, struiken en andere voorwerpen, die hem een schuilplaats bieden, op buit. Hij is geen lekkerbek, en maakt gebruik van elke soort van dierlijk voedsel, die hij krijgen kan; het liefst maakt hij jacht op Muizen; de Lemmingen vervolgt hij dikwijls zeer ver, als zij in groote troepen hunne woonplaatsen in de gebergten verlaten, om zich naar de vlakten te begeven; met hen trekt hij de rivieren en meren over. Uit de klasse der Vogels rooft hij Sneeuwhoenderen, Pluvieren, Strand- en Zeevogels; vooral onder hunne jongen richt hij een groote slachting aan. Bovendien eet hij alle dieren, die door de zee op de kust worden geworpen.

De Poolvossen worden dikwijls tot troepen vereenigd aangetroffen; er heerscht echter geen groote eensgezindheid in deze gezelschappen; integendeel, onder hunne leden hebben dikwijls bloedige gevechten plaats, die voor den toeschouwer zeer belangwekkend zijn. De eene pakt den anderen aan, werpt hem op den grond, trapt met de pooten op hem om, en houdt hem zoo lang vast, totdat hij van oordeel is, dat hij hem genoeg gebeten heeft. De kampioenen schreeuwen intusschen als Katten; terwijl zij, als zij ongeduldig worden, met schelle stem huilen.

De geestesgaven van dit dier zijn volstrekt niet gering; maar toch komen bij ’t nagaan van zijne talenten de zonderlingste tegenstrijdigheden aan ’t licht, zoodat men dikwijls niet weet, hoe deze of gene handeling beoordeeld moet worden. List, geveinsdheid, kunstvaardigheid, in een woord verstand, werden opgemerkt bij alle exemplaren, die men nagegaan heeft; tevens toonden zij echter een domme brutaliteit, zooals bij geen ander dier voorkomt. Ik heb mij hiervan persoonlijk kunnen overtuigen. Wij ontmoetten ’s avonds een van deze Vossen op het Doverfjeld in Noorwegen en schoten met de buks zeven maal op hem, zonder hem te treffen. In plaats van nu te vluchten, volgde deze Vos ons nog wel 20 minuten lang, zooals een goed gedresseerde Hond zijn meester volgt; eerst daar waar het rotsachtig gedeelte van het gebergte eindigt, acht hij het raadzaam om te keeren. Hij liet zich door goed gemikte steenworpen evenmin verdrijven, als hij zich aan de dicht bij hem langs fluitende kogels had gestoord.

De uitvoerigste en tevens prettigste beschrijving van dit dier werd reeds in de vorige eeuw door Steller gegeven: “Op Bering-eiland komen geen andere viervoetige landdieren voor, dan de Steen- of IJsvossen, die er zonder twijfel op het drijfijs gekomen zijn. Zij voeden zich met hetgeen de zee op de kust werpt en hebben zich onbeschrijfelijk sterk vermenigvuldigd. Door hunne verregaande vrijpostigheid en vermetelheid zijn zij veel lastiger dan de Gewone Vos, die ook in geslepenheid bij hen achterstaat. Gedurende ons rampspoedig verblijf op dit eiland ben ik maar al te goed in de gelegenheid geweest den waren aard dezer dieren te leeren kennen. Zoowel over dag als ’s nachts drongen zij in onze woningen door, en stalen alles wat zij maar meesleepen konden, ook voorwerpen, die voor hen niets nut waren, zooals messen, stokken, zakken, schoenen, mutsen enz. Op een onbegrijpelijk kunstige wijze wisten zij een last van ettelijke poeds gewicht van onze vaten met leeftocht af te wentelen en hieruit het vleesch te stelen, zoodat wij aanvankelijk bijna niet konden gelooven, dat zij dezen diefstal begaan hadden. Als wij het vel van een dier aftrokken, gebeurde het dikwijls, dat wij 2 of 3 Vossen, onder de bedrijven door, met onze messen doodstaken, omdat zij ons het vleesch uit de handen wilden rukken. Als wij iets zoo goed mogelijk in den grond begraven en het met steenen bezwaard hadden, wisten zij het niet alleen op te sporen, maar ook, als menschen, met de schouders de steenen er af te schuiven; gedurende dezen arbeid hielpen zij elkander zooveel mogelijk. Als wij iets op een paal in de lucht bewaarden, dan groeven zij den grond om den paal weg, zoodat deze omviel; soms ook klauterde een hunner als een Aap of een Kat bij den paal op, en wierp al wat zich daarop bevond, met ongeloofelijke behendigheid en list naar beneden. Zij gaven acht op al ons doen en laten, en vergezelden ons, wat wij ook deden. Als de zee een dood dier op de kust wierp, verslonden zij het tot ons groot nadeel, eer nog een mensch er bij kon komen; als zij niet alles dadelijk konden opeten, sleepten zij het overige bij stukken en brokken naar het gebergte en begroeven het onder de steenen om het voor ons te verbergen. Terwijl zij heen en weer liepen, zoo lang er nog wat over te brengen was, stonden eenige van hen op schildwacht, om te letten op de komst van menschen. Zoodra deze wachters iemand in de verte zagen aankomen, begon de geheele troep gemeenschappelijk in ’t zand te graven, totdat de Zeeotter of Zeebeer zoo goed in den grond verstopt was, dat men er geen spoor meer van kon ontdekken. Des nachts, als wij op den grond sliepen, trokken zij ons de slaapmutsen van ’t hoofd, de handschoenen onder ’t hoofd weg, en namen ook de huiden van Bevers”—zoo werden in Steller’s tijd de Zee-otters genoemd,—“en andere dieren mede, die op en onder ons lagen. Als wij op den pas door ons gedooden Bever gingen liggen, om hem tegen de dieven te beveiligen, vraten de Vossen, onder de menschen door, het vleesch en de ingewanden uit het dier. Wij sliepen daarom altijd met knuppels in de handen, om hiermede, als wij door de Vossen gewekt werden, deze dieren te kunnen slaan en verjagen.”

De IJsvossen worden gejaagd gedeeltelijk om ze uit te roeien, gedeeltelijk ter wille van hun huid, welker waarde afhangt van de kleur. De witte zijn niet zeer gezocht, de blauwe zijn des te hooger in prijs, naarmate zij donkerder zijn. Wanneer de bodem met een dikke sneeuwlaag bedekt is, graven de Vossen hierin holen, waaruit zij door de met spaden van rendier-geweien gewapende Ostjaken en Samojeden worden opgedolven. Het dier wordt eenvoudig bij den staart gepakt en met den kop tegen den grond geslingerd om het te dooden.

H. Elliot, die gedurende het tijdperk van 1880–90 het Bering-eiland bezocht, en een studie heeft gemaakt van de hier levende pelsdieren en van de wijze waarop deze gejaagd worden, verhaalt van den Poolvos niets, wat aan de ervaringen van Steller herinnert, maar geeft van dit dier allerlei andere berichten. Zoo vernemen wij door hem, dat de bewoners van Attoe, het westelijkste eiland van den eilandenketen der Aleoeten, den Blauwen Vos opzettelijk in hun vaderland ingevoerd hebben, hem daar als het ware in vrijheid aanfokken, en veel zorg dragen voor het zuiver houden van het ras. De Gewone Roode Poolvos was op Attoe reeds uitgeroeid, toon de inboorlingen er de fraaie Blauwe Vossen van de Pribylow-eilanden brachten; andere Poolvossen, welker huiden minder waard zijn, kunnen op dit afgelegen eiland niet komen, waarheen voor hen niet eens door het ijs een brug wordt gebouwd; bovendien zorgen de inboorlingen er goed voor, dat het op hun eiland voorkomende ras niet bedorven wordt. Daar er geene nadeelige kruising kan plaats vinden, heeft het vel van de Blauwe Vossen van Attoe zijn schoonheid onverminderd behouden, gelijk algemeen erkend wordt; de inboorlingen brengen ieder jaar 200 à 300 van deze huiden in den handel.

De bronsttijd van den Poolvos valt in de maanden April en Mei. Omstreeks het midden of het einde van Juni werpt het wijfje in een hol of in een rotsspleet 9 of 10, soms zelfs 12 jongen. Bij voorkeur graven de moervossen hun hol boven op een berg of aan den rand er van. Zij houden zeer veel van hunne jongen, maar juist door het middel dat zij aanwenden om hun kroost voor gevaren te beveiligen, verraden zij de plaats, waar het zich bevindt. Zoodra zij namelijk een mensch, al is deze nog ver af, zien aankomen, beginnen zij te blaffen en te keffen, waarschijnlijk om den vijand door vreesaanjaging van hun hol verwijderd te houden.

Op de Poolvossen wordt op zeer verschillende wijzen jacht gemaakt. Zij worden geschoten, in netten, in strikken en ook wel in klemmen gevangen. Behalve de menschen zijn vermoedelijk ook de IJsberen voor hen gevaarlijk; naar het schijnt, worden zij ook door Zee-arenden vervolgd: Steller zag, dat een Zee-arend een IJsvos met de klauwen greep, omhoog voerde en daarna liet vallen, om hem door den val te dooden. Voor ons is alleen het vel van dit dier van belang. Noordpoolreizigers, die in nood verkeerden, hebben ook wel eens zijn vleesch gegeten, maar getuigen eenstemmig, dat het geen lekkernij is.

Jong gevangen IJsvossen worden tamelijk tam en kunnen er aan gewend worden hun meester te volgen. Bij ons zijn zij meestal zeer prikkelbaar; zoodra men ze aanraakt, knorren zij als kwaadaardige Honden; hunne groene, glinsterende oogen schitteren dan vurig en valsch. Als zij met andere dieren van hun soort in één hok zijn opgesloten, houden zij geen vrede.

Korsak (Vulpes corsac). 1/7 v. d. ware grootte.
Korsak (Vulpes corsac). 1/7 v. d. ware grootte.

Korsak (Vulpes corsac). 1/7 v. d. ware grootte.

Van de overige soorten van Vossen mag ik hier alleen nog maar vermelden die, welke zich van de reeds genoemde door een bijzonder eigenaardige levenswijze of door een in ’t oog vallende kleur zeer onderscheiden. Tot de kleine soorten van dit geslacht behoort de Steppenvos, die door de Russen Korsak, door de Mongolen Kirsa of Kirassoe genoemd wordt (Vulpes corsac.) Hij is aanmerkelijk kleiner dan ons Reintje, daar zijn lichaamslengte hoogstens 55 à 60 cM. bedraagt, ongerekend den 35 cM. langen staart. In gestalte en aard gelijkt hij veel op den Gewonen Vos. De kleur van zijn dichte vacht varieert minder dan die van den Wolf en van den Vos, maar wisselt af met den tijd van ’t jaar. Het jonge zomerhaar heeft een roodachtige kleur, het winterhaar heeft een breeden, zilverwitten ring onder de donkerder gekleurde spits, waardoor de kleur van het geheele dier soms meer vaalwit is.

Het verbreidingsgebied van den Korsak strekt zich uit van de steppen om de Kaspische Zee tot aan Mongolië; men vindt het dier echter alleen in gewesten, die de kenmerken van steppen of woestijnen vertoonen, nooit in bosschen en diensvolgens evenmin in gebergten. In den regel heeft hij geen vaste woonplaats: hij graaft zelf geen holen, maar zwerft meestal rond en rust eenvoudig onder den blooten hemel, of maakt hoogstens van een bij toeval gevonden Bobak-hol gebruik, misschien nadat hij het een weinig wijder heeft gemaakt. In zulke Marmotten-holen worden, naar men zegt, dikwijls verscheidene (altijd minstens twee) Korsaks bijeengevonden. Waarschijnlijk bestaat het voedsel van dit dier vooral uit Alpenhazen en Woelmuizen; bovendien maakt hij jacht op Vogels, Hagedissen en Vorschen, waarschijnlijk ook op groote Insecten, vooral Sprinkhanen.

Wegens zijn zachte, dichte, warme en mooie winterpels wordt hij vooral door de Kirgisen ijverig vervolgd. Men vangt hem in vallen en strikken, die voor de uitgangen van zijn hol geplaatst worden; ook wordt hij door rook uit zijn schuilplaats verdreven en daarna door de Honden gegrepen. Behalve Honden hebben de Tataren ook andere en veel gevaarlijker dieren voor de jacht op den Korsak afgericht, n.l. Steenarenden en Edelvalken: aan deze gevleugelde roovers kan de arme schelm natuurlijk niet ontkomen.

Ik heb den Korsak geruimen tijd achtereen in leven gehouden en ook bij anderen dikwijls in gevangenschap gezien, maar kan geen noemenswaard verschil tusschen zijn gedrag en dat van onzen Vos ontdekken. Hij is een van de gelukkigste bewoners van een dierentuin, gevoelt zich in de voor hem bestemde kooi weldra thuis, schuwt zoomin de zomerhitte als de winterkoude, en stelt zich met dezelfde gelijkmoedigheid aan de stralen van de zon bloot, als waarmede hij zich bij strenge vorst op den steenen vloer van zijn kooi nedervlijt. Met zijne medegevangenen verdraagt hij zich even goed of even slecht als de Vos.

Allerliefste Vosjes bewonen Afrika en de aangrenzende deelen van Azië. Dwergachtige leden van de Hondenfamilie in ’t algemeen en van het Vossengeslacht in ’t bijzonder, buitengewoon sierlijk gebouwd en met een vaalgeel haarkleed bedekt, onderscheiden zij zich van hunne verwanten vooral door de groote ooren, die bij twee hunner alle gewone verhoudingen ver overschrijden, maar die ook bij de verwante soorten de ooren van de andere Vossen aanmerkelijk overtreffen. Men heeft ze Grootoorige Vossen of Feneks genoemd; hun gebit komt met dat van de andere Vossen overeen.

Wanneer de verzengende zonnestralen meer en meer tot de horizontale richting naderen en alle dieren, die over dag hun voedsel zoeken, herleven in de koelte van den avond, denkt een meer of minder somber gekleurde en toch zeer sierlijke schaar er aan, haar dagwerk of liever haar nachtwerk te beginnen. Van de gruwzame Hyenas en de huilende Jakhalzen, die omstreeks dezen tijd hongerig rondzwerven om voedsel te zoeken, wil ik hier niet spreken, evenmin van de Woestijnlossen: het is noodig nog een andere woestijnroover, en wel de sierlijkste en fraaiste van alle, aan u voor te stellen. Dit is de Fenek of Woestijnvos (Vulpes zerdo), een dier, dat nog beter zelfs dan de Gazelle de woestijn kenmerkt. Men denke zich een vossentronie, teer en fijn, listig, geslepen en sluw van uitdrukking als die van ons Reintje; aan beide zijden van dit gelaat, waarin een paar ongewoon groote oogen schitteren, steekt een oor omhoog, zoo groot, als er in het geheele Vossengeslacht geen te vinden is, terwijl van de overige leden der Hondenfamilie slechts één hem in dit opzicht nabij komt. Op de buitengewoon fijne, sierlijke voetjes rust een slanke romp, die in een dikken, langen pluimstaart eindigt. Uit het geheele voorkomen van dit dier blijkt, dat het even vlug als behendig moet zijn; van de uitmuntende werking zijner zintuigen geven de direct zichtbare afdeelingen dezer organen een voorgevoel.

Als de schemering aanvangt, hoort gij soms een zacht gekrijsch, dat moeielijk beschreven kan worden, en ziet gij, wanneer het u meeloopt, tusschen de zandheuvels, tusschen de steenen, in de lage landen tusschen het gras onzen Fenek voortsluipen, uiterst bedachtzaam, uiterst voorzichtig, in alle richtingen loerend, kijkend, speurend en luisterend. Niets ontgaat aan het waarnemingsvermogen van dezen goed voor zijn taak berekenden roover. De Sprinkhaan ginds, die nog een sprong doet, voor hij zich te ruste begeeft, heeft genoeg gedruisch gemaakt, om door de groote ooren van den Fenek opgemerkt te worden; meer door nieuwsgierigheid dan door eetlust gedreven, sluipt de sierlijke gestalte nader om den levenmaker te dooden; de vlugge Hagedis heeft zich verroerd, en dadelijk is de Fenek bij de hand, om te zien, wat er te doen is. Maar zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit andere dieren, n.l. uit Vogels. Wee den Woestijn-Leeuwerik, die toevallig dicht bij het pad zit, dat de Fenek bewandelt! Hij is verloren, wanneer hij maar even de vleugels beweegt; zijn dood is zeker, als hij, in den droom zijn eenvoudig lied gedachtig, een enkelen toon laat hooren! Wee ook het Woestijnhoen, want juist deze Duif wordt door den Vos het ijverigst vervolgd! Hij behoeft er niet veel te vangen: een enkele reeds verschaft hem een lekker maal, genoeg voor hem en misschien ook voor zijn hongerig gezin. Gij moest hem eens zien sluipen, als zijn fijne neus de lucht gekregen heeft van een toom Woestijn-Hoenderen! Misschien heeft slechts één van hen het pad gekruist, dat door den gauwdief gevolgd wordt, maar dit is voldoende. Na een zorgvuldig onderzoek van het spoor, gaat hij met den neus dicht langs den grond, onhoorbaar en onzichtbaar voort. De Fenek kent de Woestijn-Hoenderen wel, en zijn oog is scherpzichtiger dan dat van de meeste reizigers. Hij laat zich niet bedriegen door steenen of aardhoopen, die in kleur met de gezochte prooi overeenkomen; want zijn fijne neus en uitmuntend gehoor hebben bij het opsporen van den buit ook hun advies uit te brengen. Hoe gering ook het gedruisch moge zijn, dat het Woestijn-hoen voortbrengt, als het den kop in de vederen gestoken heeft; hoe onmerkbaar de beweging ook moge schijnen, die het bezorgde, reeds half-slapende mannetje maakt, als het de omgeving bespiedt, hoe onbeduidend, voor ons onmerkbaar de reuk moge zijn, die het spoor van den Vogel kenmerkt: den Fenek ontgaat dit alles niet. Reeds is zijn overtuiging ten volle gevestigd; hij sluipt nu naderbij, bijna op den buik kruipend, onmerkbaar voor het oog zoowel als voor het oor. Daar, achter den laatsten struik, maakt hij halt. Hoe gloeien zijne oogen! de ooren zijn zoover mogelijk uitgespreid en met de opening naar voren gericht. Wat kijkt hij begeerig naar de zich veilig wanende, sluimerende Vogels! De geheele gestalte is vol leven, en toch is er geen beweging aan waar te nemen. De geheele ziel van den Vos ligt in zijn aangezicht, en toch ziet dit er even onbeweeglijk en rustig uit, als hij zelf, die met het woestijnzand een geheel schijnt uit te maken. Op eens, één enkele sprong, door een kortstondig gefladder gevolgd: het Woestijnhoen is bezweken. Snel vliegen de andere op, luidruchtig kleppen hunne vleugelslagen. Besluiteloos dwalen zij in ’t nachtelijk duister rond en laten zich na korten tijd weer op den bodem neder, misschien zonder nog recht te weten, welke nachtelijke bezoeker hen heeft opgeschrikt.

De Fenek is de kleinste van alle Vossen. Met inbegrip van zijn staart, welks lengte ongeveer 20 cM. bedraagt, is hij hoogstens 65 cM. lang en wordt in de schouderstreek te nauwernood 20 cM. hoog. Zijn geheele lichaamsbouw is buitengewoon fijn, de kop loopt zeer spits toe, de groote oogen hebben een rondachtige pupil, die door een bruin regenboogvlies omgeven is. Het meest vallen voorzeker de ooren op. Zij zijn bijna zoo lang als de kop, en zijn iets meer dan half zoo breed. Het dier krijgt hierdoor een vreemdsoortig uitzicht; het heeft tot op zekere hoogte het air van een Vledermuis. De binnenranden der ooren zijn wit behaard, en wel zoo, dat aan de gehooropening twee haarbosjes zich verheffen, die zich als ’t ware in een baard voortzetten, welke den rand der oorschelp volgt tot haar spits, maar daar korter en dunner wordt. De kleine snoet pronkt met lange, borstelvormige snorren, die ook tot de kenmerkende eigenaardigheden van het dier behooren. Het haarkleed is zoo zacht als zijde, en wordt, zoodra de winter nadert, aangevuld door een zeer dicht wolhaar, dat bij ’t verharen in vlokken losgeraakt, als het dier zijn lichaam langs takken en dergelijke voorwerpen schuurt. Men zou kunnen meenen, dat de Fenek in zijn warm vaderland geen dichte vacht noodig heeft; maar de kleine baas schijnt voor de koude uiterst gevoelig te zijn en een flinke beschutting hiertegen niet te kunnen ontberen. De kleur van de geheele bovenzijde gelijkt volkomen op die van het woestijnzand, de onderzijde is wit, boven het oog bevindt zich een witte vlek, daarvóór echter een donkere streep. De zeer lange pluimstaart is bijna geheel okerkleurig, de staartspits en een vlek aan den staartwortel zijn zwart. Bij het wijfje is de pels altijd meer stroogeel; bovendien wordt de kleur bij toenemenden leeftijd veel lichter.

In den gevangen staat is de Fenek, vooral wanneer hij jong in de handen van den mensch gekomen is, een uiterst beweeglijke, hoogst vermakelijke huisgenoot. Hij wordt zeer spoedig tam en aan zijn meester gewoon. Vele dieren van deze soort werden zoo aan den mensch gehecht, dat zij hem volgen, naar verkiezing uit- en ingaan en ’s avonds in hun hok terugkeeren. Minder vriendelijk zijn zij voor hunne soortgenooten. Mijne gevangenen waren bovenal op warmte gesteld; dikwijls is het gebeurd, dat zij zich aan de nog gloeiende haardasch haar en pooten brandden, zonder hun plaats te verlaten.

*

Het laatste lid van het talrijke geslacht der Vossen is de Lepelhond (Otocyon megalotis), die in Zuid-Afrika thuis behoort. Wat zijn uitwendig voorkomen betreft, gelijkt hij op een Vos en wel het meest op den Fenek; men heeft hem zelfs dikwijls met dezen verward. Hij is echter aanmerkelijk grooter en hooger op de pooten; zijn snoet is veel korter en slechts de ooren gelijken op die van den Woestijnvos en zijn bijna even groot.

Bij voorkeur houdt hij zich op in de met struikgewas bedekte; hooge steppen van het binnenland van Zuid-Afrika, ten noorden van de Oranje-rivier. Over dag ligt hij, evenals andere hem verwante dieren, goed verborgen in het dichte struikgewas of in de door Aardvarkens uitgeholde Termieten-woningen, des nachts zwerft hij rond; soms komt hij met waarlijk erbarmelijke klaagtoonen in de nabijheid van de bivouak-vuren. Zijn voedsel bestaat uit kleine dieren en afval van dierlijke stoffen, vooral echter uit Treksprinkhanen.

De laatste familie van de Orde der Roofdieren is die der Beren (Ursidae). Zij omvat, behalve de groote vormen, die wij reeds sedert onze kinderjaren onder den naam van Beren kennen, en die wegens hun zeer eigenaardigen lichaamsbouw gemakkelijk te onderscheiden zijn, ook nog een aantal kleinere soorten, die in vele opzichten van de eigenlijke Beren verschillen; zelfs worden in deze familie dieren opgenomen, waarvan het twijfelachtig is, of zij hier wel op hun plaats zijn.

De romp van de groote Beren is ineengedrongen, die van de kleinere dikwijls slank, de kop langwerpig rond, middelmatig lang, met naar voren sterk versmalde, maar gewoonlijk recht afgestompte snoet; de hals is naar verhouding kort en dik; de ooren zijn kort en de oogen betrekkelijk klein. De pooten zijn middelmatig lang; aan voor- en achterpooten beide komen vijf teenen voor; de groote, gekromde klauwen zijn niet (of alleen bij de meest afwijkende vormen een weinig) terugtrekbaar en daardoor aan de spits dikwijls zeer sterk afgesleten. De voetzolen, die bij ’t gaan over hun geheele lengte den bodem aanraken, zijn bijna geheel onbehaard.

Het gebit bestaat uit 36 à 43 tanden, nl. 3 snijtanden en 1 hoektand in elke helft van iedere kaak (evenals bij alle Roofdieren), voorts, bij de Eigenlijke Beren, aan weerszijden 6 kiezen in de bovenkaak en 7 kiezen in de onderkaak, bij de overige leden der familie òf 6, òf 5 kiezen in elke helft van iedere kaak. De achterste kiezen zijn, evenals bij de overige Roofdieren, knobbelkiezen; de voorste of kleine kiezen echter zijn voor het verwerken van dierlijk voedsel geschikt; de scheurkies, die bij de overige leden der orde een scheiding tusschen de beide genoemde soorten van kiezen vormt, verschilt hier niet veel van de daarachter gelegen knobbelkiezen; deze zijn stomp en in de onderkaak steeds langer dan breed; de kleine kiezen zijn kegelvormig en vertakt, of hebben slechts onbeduidende, zijdelingsche spitsen. De snijtanden zijn betrekkelijk groot en hebben dikwijls een gelobde kroon; de hoektanden zijn forsch en meestal met kanten of lijsten voorzien.

Het schedelgedeelte van het geraamte van den kop is verlengd en vertoont groote kammen, waaraan de krachtige voor ’t sluiten van den bek dienende slaapspieren en de niet minder forsche, den kop terugtrekkende nekspieren ontspringen. De halswervels zijn kort en stevig, evenals de 19 of 20 rug- en lendewervels, waarvan er 14 of 15 ieder één paar ribben dragen. Het heiligbeen bestaat uit 3 à 5, de staart uit 7 à 34 wervels.

De tong is glad, de maag een eenvoudige buis: de dunne en dikke darm verschillen niet veel in dikte; de blinde darm ontbreekt geheel.

De Beren bestonden reeds in het tertiaire tijdvak. Tegenwoordig strekt hun verbreidingsgebied zich uit over geheel Europa, Azië en Amerika en over een deel van Noodwestelijk Afrika. Zij bewonen even goed de warmste als de koudste landen, de hooggebergten zoowel als de door ijs geblokkeerde kusten. Bijna alle soorten houden zich op in dichte, uitgestrekte wouden of in rotsachtige gewesten, meestal in de eenzaamheid. Sommige geven de voorkeur aan waterrijke of vochtige landstreken en aan de nabuurschap van rivieren, beken, meren, moerassen en van de zee, terwijl andere meer van droge gewesten houden. Eén enkele soort is aan de zeekust gebonden en gaat zelden dieper landwaarts in; daarentegen onderneemt zij op drijvende ijsschotsen, en ook over groote afstanden zwemmend, verdere reizen dan alle andere soorten; zij doorkruist de Noordelijke IJszee en begeeft zich van het eene werelddeel naar het andere. De zwerftochten van alle overige Beren blijven binnen engere kringen beperkt. De meeste leven eenzaam en houden zich alleen in den paartijd bij hun wijfje op; eenige zijn gezellig en vereenigen zich tot troepen. Sommige graven holen in den grond en slaan daarin hun leger op; andere zoeken een schuilplaats in holle boomen of in rotskloven. De meeste Beren zijn nachtdieren of halve nachtdieren, gaan na zonsondergang op roof uit en brengen den geheelen dag slapend door in hunne schuilplaatsen.

Meer dan alle overige Roofdieren zijn de Beren, naar het schijnt, alleseters in den volsten zin van het woord; zij kunnen zich geruimen tijd achtereen uitsluitend met plantaardige stoffen voeden. Zij eten niet alleen allerlei sappige vruchten, maar ook zaden, graan in rijpen en halfrijpen toestand, wortels, sappige grassen, knoppen van boomen, bloemkatjes enz. Gevangene Beren heeft men langen tijd achtereen uitsluitend met haver gevoed, zonder eenige vermindering van hun welstand op te merken. In hun jeugd ontlenen zij hun voedsel waarschijnlijk geheel aan het plantenrijk en ook later geven de meeste soorten de voorkeur aan plantaardig voedsel boven vleesch. Zij zijn niet kieschkeurig en eten behalve de opgenoemde plantendeelen ook dieren en wel Kreeften en Schelpdieren, Insekten en hunne larven, Visschen, Vogels en hunne eieren, Zoogdieren en lijken van dieren, deze echter alleen zoolang zij nog versch zijn en geen stank verbreiden. In de nabijheid van menschelijke woningen richten zij schade aan; de sterkste soorten worden tijdelijk als roovers gevaarlijk, door wanneer de honger hen kwelt ook groote dieren aan te vallen en vooral onder het groote vee verwoestingen aan te richten. Eenige zijn hierbij zoo stoutmoedig, dat zij tot in de dorpen doordringen. Voor den mensch worden zelfs de sterkste Beren in den regel alleen dan gevaarlijk, wanneer hij hen stoort, verschrikt, wondt, of op eene andere wijze uitdaagt.

Ten onrechte worden de bewegingen van de Beren plomp en langzaam genoemd. De groote soorten zijn gewoonlijk niet bijzonder vlug en behendig, maar toonen eene merkwaardige volharding; de kleine soorten echter bewegen zich uiterst flink en snel. De Beren zetten bij het gaan de geheele zool op den grond en verplaatsen bedachtzaam den eenen poot na den anderen; wanneer zij echter in drift geraken, gaat hun gang in een soort van galop over, die een vreemdsoortigen indruk maakt, maar hun beweging zeer bespoedigt; zelfs de groote soorten wekken in dezen toestand door hunne snelheid en behendigheid, onze verbazing. De logst gebouwde Beren kunnen bovendien op de achterpooten staan, en in deze houding gaan; zij kunnen zóó op een waggelende, maar toch niet onbeholpen wijze een korten afstand doorloopen. Bijna alle leden van deze familie kunnen vrij goed klimmen, hoewel zij, wegens hun zwaarte, slechts in enkele gevallen deze kunst beoefenen, en haar, de groote soorten althans, op meer gevorderden leeftijd, in ’t geheel niet meer in praktijk brengen. Sommige schuwen het water, terwijl de overige uitmuntend zwemmen en eenige diep en lang achtereen duiken kunnen. Den IJsbeer treft men dikwijls op een afstand van vele mijlen van de kust in zee zwemmend aan; men is dan in de gelegenheid zijne vlugheid en onvermoeidheid te bewonderen. Door hun groote spierkracht zijn de Beren in staat, om zeer vermoeiende bewegingen met gemak te verrichten, en bezwaren te overwinnen, die voor andere dieren in de hoogste mate hinderlijk zouden zijn; bij hunne rooverijen komt deze eigenschap hun soms zeer goed te pas; zij zien er niet tegen op, wild en vee van de grootste soort mede te voeren.

Onder hunne zinnen neemt de reuk de belangrijkste plaats in; het gehoor is goed, het gezicht middelmatig, de smaak niet bijzonder en het gevoel nog minder ontwikkeld; bij sommige echter is de lange snuit, een voor het tasten bestemd orgaan. Eenige soorten zijn verstandig en schrander; zij laten zich eenigszins africhten, maar bereiken nimmer een hoogen trap van geestesontwikkeling. Enkele worden zeer tam, maar laten geen bijzondere gehechtheid aan hun meester en verzorger blijken. Hierbij komt, dat op lateren leeftijd de wilde-beestenaard bij hen meer en meer voor den dag komt; zij worden dan valsch en prikkelbaar, opvliegend en boosaardig; de sterkste soorten zijn dan gevaarlijk. De Beren geven hunne gemoedsaandoeningen te kennen door verschillende nuanceeringen van hun in vele opzichten merkwaardige stem, die uit een dof gebrom, gesnuif en gemurmel of uit een knorrend en fluitend, soms ook blaffend geluid bestaat.

Alle in noordelijke gewesten levende, groote soorten van Beren zwerven alleen gedurende den zomer rond, en trekken zich bij den aanvang van den winter in een schuilplaats, een leger terug. Zij hebben echter geen echten, onafgebroken winterslaap, maar verkeeren in een half slapenden, half wakenden toestand; zoodra er iets verdachts gebeurt, zijn zij dadelijk bij de hand. Zij verlaten echter hoogst zelden hun winterkwartier en maken nog minder dikwijls gebruik van voedsel. Opmerkelijk is het, dat alleen de Land-Beren den winter op de genoemde wijze slapend doorbrengen, terwijl de IJs- of Zee-Beren zelfs bij de strengste koude nog rondzwerven, of zich hoogstens bij een zeer hevige sneeuwjacht te ruste begeven, en door de sneeuw zelf een woning voor zich laten bouwen, d. w. z. zich eenvoudig laten insneeuwen.

Het drachtige wijfje zoekt een schuilplaats in een als nest ingericht leger, en werpt hier 1 à 6 jongen, die bij de geboorte blind zijn, en door hun moeder met de meeste zorgvuldigheid gezoogd, verzorgd, beschermd en verdedigd worden. Zoodra zij geleerd hebben, zich eenigszins te bewegen, wekken zij in hooge mate de belangstelling van de toeschouwers door hunne potsierlijkheid en speelschheid.

De schade, die de Beren aanrichten, wordt ongeveer vergoed door het nut, dat zij verschaffen, vooral, omdat vele soorten zich alleen in weinig bevolkte streken ophouden, waar zij om die reden den mensch niet zeer benadeelen kunnen. Van bijna alle soorten wordt het vel gebruikt en als een uitmuntende grondstof voor pelterijen hoog geschat. Bovendien wordt hun vleesch gegeten, terwijl ook hunne beenderen, pezen en darmen dienst doen.

Wij verdeelen de Berenfamilie in drie onder-familiën, waarvan de eerste de Groote Beren (Ursinae) omvat, de logste vormen van de geheele groep, met een kop, die in een langen snuit eindigt, kleine oogen en ooren, middelmatig lange pooten, voeten met vijf teenen en een onbehaarde zool, stompe, niet terugtrekbare klauwen, een kort staartje en een dichte, ruige, uit haarbosjes bestaande pels. Deze onderfamilie bevat twee geslachten: de Eigenlijke Beren (Ursus) en de Lippenberen (Melursus).

Hoewel iedereen onzen Gewonen Beer meent te kennen, zijn de dierkundigen het er nog niet over eens geworden, of zij zijne verschillende afwijkingen in één soort vereenigen of over verscheidene soorten verdeelen moeten. Wanneer men slechts één soort aanneemt, dan mag men niet uit het oog verliezen, dat deze, de Landbeer, Bruine, Gewone of Aasbeer (Ursus arctos), zeer vele afwijkingen vertoont, niet alleen wat de beharing en de kleur, maar ook wat de gestalte en vooral den schedelvorm betreft. De over ’t algemeen dichte vacht, die rondom het aangezicht, aan den buik en achter de pooten langer is dan aan de overige lichaamsdeelen, kan uit lange of korte, gladde of gekroesde haren bestaan; haar kleur wisselt af door alle tinten van zwartbruin tot donkerrood en geelbruin, of van zwartachtig grijs en zilvergrijs tot een vale isabelkleur; de witte halsband, die bij jonge dieren dikwijls voorkomt, blijft vaak tot op hoogen leeftijd aanwezig, of komt dan weder, evenals in de jeugd, te voorschijn. De snuit is meer of minder verlengd, het voorhoofd meer of minder afgeplat, de romp soms zeer ineengedrongen, soms een weinig slanker; de pooten zijn verschillend van lengte. Hiernaar onderscheidt men de in Europa inheemsche vormen in twee groepen: een aantal verscheidenheden worden samengevat onder den naam Aasbeer (Ursus arctos); deze heeft een door lange pooten gesteunden, verlengden romp en een langen kop met hoog voorhoofd en langen snuit; zijn uit sluike haren samengestelde vacht vertoont vale of grijsachtige nuances; de andere Beren vormen de groep, die Bruine Beer of Mierenbeer (Ursus formicarius) heet: de meer ineengedrongen romp wordt bij hen door kortere, dikkere pooten gedragen, terwijl de breedere kop een platter voorhoofd en een korteren snuit heeft.

Landbeer (ursus arctos). 1/16 v. d. ware grootte.
Landbeer (ursus arctos). 1/16 v. d. ware grootte.

Landbeer (ursus arctos). 1/16 v. d. ware grootte.

De Beer kan bij 1 à 1.25 M. schouderhoogte een lengte van 2 à 2.2 M. bereiken. Zijn gewicht wisselt gewoonlijk af tusschen 150 en 250 KG., maar kan bij zeer forsche en vette exemplaren tot 350 KG. stijgen.

Indien alle vormen tot één soort vereenigd worden, dan heeft deze een verbreidingsgebied, dat zich van Spanje tot Kamtschatka, van Lapland en Siberië tot aan den Atlas, den Libanon en het westelijk gedeelte van den Himalaja uitstrekt. In Europa bewoont de Landbeer ook thans nog alle hooggebergten: de Pyreneeën, Alpen, Karpaten, Transsylvanische Alpen, den Balkan, de Skandinavische Alpen, den Kaukasus en den Oeral, benevens de uitloopers en een deel van de omstreken dezer gebergten, voorts geheel Rusland, geheel Noord- en Middel-Azië (met uitzondering van de kale steppen), Syrië, Palestina, Perzië, Afghanistan, den Himalaja, oostwaarts tot in Nepal, in Afrika eindelijk den Atlas. Hij komt veelvuldig voor in Rusland, Zweden en Noorwegen, Zevenburgen, in de lage landen van het Donaugebied, Turkije en Griekenland; hij is niet zeldzaam in Krain en Kroatië, in de bergstreken van Spanje en Italië; hij is reeds zeer zeldzaam geworden in Zwitserland en Tyrol, bijna geheel uitgeroeid in Frankrijk en in de Oostenrijksch-Duitsche landen en geheel verdwenen uit Duitschland, België, Nederland, Denemarken en Groot-Britannië. Enkele overloopers vertoonen zich nu en dan in het Beiersche hooggebergte, in Karinthië, Stiermarken, Moravië en misschien ook in het Bohemerwoud. Voorwaarden voor hun verblijf zijn groote, samenhangende, moeielijk toegankelijke of althans weinig bezochte bosschen, waar vele bessen en dergelijke vruchten groeien. Holen onder boomwortels, in boomstammen of in rotsen, donkere, ondoordringbare wildernissen en broeklanden met droge eilanden verschaffen hun een schuilplaats, waar zij zich trachten te beveiligen tegen hun aartsvijand, den mensch.

De Beer, het logste en zwaarste Roofdier van Europa, is, evenals de meeste zijner naaste verwanten, een log en tamelijk stompzinnig wezen. Zijne bewegingen schijnen echter onhandiger dan zij werkelijk zijn. Hij is een telganger en beweegt dus bij ’t gaan de pooten van dezelfde zijde gelijktijdig, waardoor hij een onbeholpen, schommelenden en slingerenden gang heeft; wanneer hij echter zijne schreden versnelt en tot een galop overgaat, komt hij vlug vooruit en kan met gemak een mensch inhalen; ook in andere omstandigheden merkt men bij hem een vlugheid en behendigheid op, die men niet van hem verwacht zou hebben. Hij kan uitmuntend zwemmen en goed klimmen; op lateren leeftijd, als hij groot en zwaar geworden is, klimt hij echter niet meer in de boomen, althans niet in gladde stammen zonder takken. De geweldige spierkracht en de groote, harde klauwen komen den Beer bij het klimmen goed te pas; zelfs bij zeer steile rotswanden kan hij omhoogstijgen. Onder zijne zinnen munten het gehoor en de reuk uit; het gezicht is tamelijk slecht, de smaak echter, naar het schijnt, zeer goed ontwikkeld.

De opperhoutvester Krementz heeft onlangs zijne veeljarige ervaringen over de Beren der Rokitno-moerassen in Rusland in een zeer leerrijk geschrift openbaar gemaakt; hij komt er echter uitdrukkelijk tegen op, dat al wat door hem bij deze dieren opgemerkt is, ook op de Beren in andere gewesten toepasselijk zou zijn. “Over ’t algemeen,” zegt Krementz, “kan men den Beer niet gruwzaam of bloeddorstig noemen. Als hij bloeddorstig was, zou hij dagelijks in de gelegenheid zijn, dit op de een of andere wijze te toonen, en dan zou met het oog op de buitengewone spierkracht van dit dier de vraag wel overweging verdienen, of het niet noodzakelijk ware, hem met meer ijver te vervolgen. Mij is echter geen enkel geval ter oore gekomen, dat hij bij een ontmoeting met den mensch dezen zou hebben aangevallen. Hij zal integendeel in de meeste dergelijke gevallen ten spoedigste vluchten, of in ’t volle bewustzijn van zijn kracht op een wezen zoo zwak als wij geen acht slaan, hoogstens zal hij zijn verstoordheid te kennen geven door een schijnaanval met kort afgebroken bromgeluiden. De Beer is veeleer goedig van aard, hoewel hij in geen geval te vertrouwen is; vooral wil hij niet geplaagd en niet plotseling in zijn rust gestoord worden. Onverschilligheid is een zijner kenmerkende eigenschappen. Hij is zeer op zijn gemak gesteld. Zijn aanval verraadt een zekere openhartigheid, een afkeer van kronkelwegen, een ridderlijkheid, die gunstig afsteekt bij de lafhartige moordlust van den Wolf en de arglistige valschheid van den Los. In enkele gevallen openbaart hij zelfs een zekeren galgenhumor.”

Een enkele blik op het gebit van den Beer leert ons, dat hij een alleseter is en meer geschikt voor plantaardig dan voor dierlijk voedsel. Het best zou hij in dit opzicht met een Zwijn vergeleken kunnen worden: ook dit dier is al wat eetbaar is, welkom. In den regel vormen plantaardige stoffen het voornaamste deel van zijn maal; kleine dieren, vooral Insecten, Slakken en dergelijke dienen als toespijs. Maanden achtereen stelt hij zich met zulk voedsel tevreden, verzadigt zich als een Rund met de pas ontkiemde rogge of met het malsche gras, vreet rijpend koren, knoppen, ooft, eikels, boschbessen, paddenstoelen enz., wroet onder de bedrijven Mierennesten open, en vergast zich op de larven en poppen, zoowel als op de volwassen dieren, welker eigenaardige zure smaak hem welgevallig schijnt, of hij ontdekt door den reuk een Bijennest, welks inhoud hem een smakelijk dessert verschaft. In het zuidelijk gedeelte van Karinthië brengt men de bijenkorven des zomers naar het gebergte, om ze, in overeenstemming met den bloeitijd der Alpen-planten, meer of minder hoog in de bergen te plaatsen. Soms komt een Beer uit Krain deze streek bezoeken, en richt dan groote schade aan door de korven te vernielen en van hun inhoud te berooven. Eenige jaren geleden trok zulk een zwerver van den eenen bijenstal naar den anderen en vernielde meer dan 100 korven, waarbij er 8 waren van mijn zegsman, den houtvester Wippel. Men moet niet meenen, dat de Beer onverschillig is voor de steken der Bijen, integendeel, hij bromt van pijn, rolt over den grond, tracht de kwelgeesten met de pooten van zich af te strijken, en ruimt zelfs het veld, als de Bijen het hem al te lastig maken; hij zoekt dan een schuilplaats in het bosch of in het water, maar keert toch vroeger of later terug, om den strijd tegen de bezitters der zoo geliefkoosde lekkernij te hervatten.

Het is niet mogelijk den Beer in de vrije natuur op zijne dagelijksche zwerftochten te volgen, zijn doen en laten na te gaan en te bespieden; wanneer men hem toevallig ontmoet, of hem opwacht op plaatsen, die geregeld door hem bezocht worden, zooals op drinkplaatsen, kan men hem slechts gedurende korten tijd waarnemen, zoodat ook hierdoor weinig licht verspreid wordt over de in vele opzichten nog duistere levenswijze van den Beer. Meer leeren ons hierover de versche sporen van het dier op den besneeuwden of berijpten grond, daarom deelen wij hier een verslag mede van de uitkomsten, die door het nagaan van zulke sporen verkregen zijn: “De middelmatig groote Beer verliet vroeg in den morgen het bosch en nam zijn weg over een weiland, keerde een stuk van een sparrenstam om, dat aan den rand der weide lag, krabde hieronder op enkele plaatsen den grond open, en zocht er naar Wormen, poppen en larven. De schors van den reeds voor 2 jaar omgehouwen stam had hij op verscheidene plaatsen losgescheurd, om uit het daaronder voorkomende poeder de vette larven van Boktorren en dergelijke houtborende dieren op te lezen. Terwijl hij door ’t bosch verder ging, hield hij zich bezig met het blootwoelen van den met afgevallen bladen bedekten grond, het uiteenwerpen van mierenhoopen, het omkeeren van stukken schors en hout, die op den grond lagen, het afvreten van boschbessen en paddestoelen. Op enkele plaatsen had hij met de klauwen sterk in den grond gekrabd; na het uiteenwerpen van een verschen drekhoop van een Eland, was hij op het spoor van dit wild voortgegaan; daarna begaf hij zich naar een broekland of moerassig gedeelte van het bosch; toen hij er 100 schreden ver in doorgedrongen was, ging hij plotseling links af naar het bosch terug, waaruit hij gekomen was, en deed van uit het moeras een sprong naar verscheidene Hazelhoenderen in het bosch, zooals uit de vederen bleek, die daar waren blijven liggen en het bewijs leverden van de overhaaste vlucht der overrompelde dieren. Vervolgens keerde hij in ’t broekland terug, begaf zich regelrecht naar het aan de overzijde gelegen bosch, zonder onderweg iets te doen wat vermelding verdiend; in het bosch haalde hij een ledig lijster-nest uit een hazelaar, trachtte met klauwen en tanden de opening van een holte in een eikenstam te verwijden, om bij den honig van een zwerm wilde Bijen te kunnen komen, vrat boschbessen, besnuffelde den ingang van een Dassenhol, en liet op een met gras begroeide open plaats vele sporen van zijn heen- en weerloopen achter. Bij nader onderzoek bleek het, dat daar veel drek lag van jonge Berkhoenderen, welker wegen hij ijverig nagegaan had. Van hier uit trok hij door een nat, dicht met elzen begroeid stuk broekland naar een met oude sparren bezet terrein, liet zijn drek vallen, ontschorste het onderste deel van den stam van een dooden spar, krabde den grond los, zette zich met zijn achterdeel er op, terwijl hij zich op de voorpooten, naar ’t scheen, heen en weer bewoog, want de afdrukken van de klauwen waren hier in grooten getale te zien en de grond was door het veelvuldig neerzetten en de sterke drukking der zolen saamgeperst. Daarna richtte hij zijne schreden naar een opene, met boekweit bezaaide plek, liep hierover naar een laag gelegen afdeeling van het bosch, die met zacht hout en sparren begroeid was en waar veel boomstammen lagen; terwijl hij hier doortrok, ging hij bij voorkeur bij de boomstammen langs, kroop onder den boven den grond uitstekenden wortel van een scheef staanden spar door, gleed bij ’t loopen over een op den grond liggenden esp uit, en zonk met het achterste deel van ’t lichaam tamelijk diep in het moeras; ten slotte begaf hij zich naar den drogeren bodem van een nabijgelegen, dicht met sparren bezet terrein en verdween hierin, zonder dat zijn spoor verder nagegaan werd.”

Zoolang de Beer plantaardig voedsel in overvloed kan krijgen, eet hij niets anders; wanneer echter de nood hem dwingt, of als hij aan dierlijk voedsel gewoon geraakt is, wordt hij dikwijls een roofdier in de letterlijke beteekenis van het woord. Hij tracht zijn buit te beloeren of te bekruipen; groot vee wordt, naar men zegt, door hem nagejaagd, tot het uitgeput is; wanneer het op hooge bergen graast, drijft hij het uiteen, en dwingt het, zich in een afgrond te storten, waarna hij voorzichtig naar beneden klautert en zich aan het door den val gedoode dier zat vreet. Door iedere gelukkige jacht neemt zijn vermetelheid toe. In den Oeral wordt de Beer als de ergste vijand van de Paarden beschouwd. Voerlieden en postrijders weigeren soms ’s nachts door een bosch te rijden, hoewel het niet zeer waarschijnlijk is, dat de Beer Paarden voor den wagen aanvalt. In de weide grazende Paarden zijn echter nooit veilig voor hem. Een met mij bevriende berenjager, Von Beckmann, verhaalt mij als ooggetuige hoe het Roofdier bij den aanval handelt. In de nabijheid van een moerassig met kreupelhout begroeid terrein graasden verscheidene Paarden onder de oogen van den jager, die bewegingloos in een hinderlaag lag. Op eens kwam uit het kreupelhout een Beer te voorschijn, die langzaam sluipend de Paarden hoe langer hoe meer naderde, totdat deze hem opmerkten en zoo snel mogelijk op de vlucht sloegen. Met groote sprongen ging de Beer hen achterna, haalde het eene Paard in een merkwaardig korten tijd in, sloeg het met den eenen poot op den rug, pakte het met den anderen van voren in ’t aangezicht, wierp het op den grond en scheurde het de borst open. Toen hij zag, dat een van de beide gevluchte dieren lam was en niet ontsnappen kon, verliet hij de neergevelde prooi, liep het tweede slachtoffer na, haalde het spoedig in en doodde het eveneens. Gedurende den strijd schreeuwden de beide Paarden geweldig.

Als Meester Bruin eens stoutmoedig geworden is, gaat hij ook de stallen bezoeken, hij tracht er de deur van open te breken, of in het dak een opening te maken, zooals naar men zegt, in Skandinavië meermalen geschied is. Zijn buitengewone spierkracht stelt hem in staat om zelfs groote dieren mee te sleepen. Van de geweldige kracht van groote Beren geeft Krementz verscheidene voorbeelden. Een Beer brak in zijn doodstrijd houten palen van 6 à 10 cM. dikte; een andere nam een pas door hem gegrepen en nog zieltogende koe met de voorpooten op en droeg haar, terwijl hij op de achterpooten ging, door een beek naar het bosch. Een bij ’t vuur zittende boschwachter werd van achteren overvallen door een zonder opzet uit zijn winterverblijfplaats opgeschrikten Beer, “die hem door een geweldigen slag en ruk met de voorpooten den hersenpan verbrijzelde, zoodat de man oogenblikkelijk dood was.” Een vierde Beer trok een in een kuil gestorten, levenden Eland, wiens gewicht op 300 KG. geschat werd, naar boven en sleepte hem een halve KM. ver door het moeras.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings