← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren

De Roofdieren (Carnivora). (continued 7)

Reading edition

De zinnen van den Hond zijn scherp, maar bij de verschillende rassen niet gelijkmatig ontwikkeld. De reuk, het gehoor en het gezicht hebben naar het schijnt de overhand; sommige rassen onderscheiden zich van alle overige door een fijnere ontwikkeling van het gehoor, andere door grootere volkomenheid van den reuk. Dat zij voor smaakindrukken gevoelig zijn, kan niet ontkend worden, hoewel deze zin zich bij hen op een eigenaardige wijze openbaart. Van alle prikkels die hunne zintuigen te sterk aandoen, hebben zij een afkeer. Het minst worden zij gehinderd door sterke lichtprikkels, zeer gevoelig zijn zij echter voor schelle en krijschende geluiden of scherpe prikkeling van het reukorgaan. Klokgelui en muziek brengen hen aan ’t huilen; als men hun eau-de-cologne, geest van salammoniak, ether of een dergelijke stof onder den neus houdt, geven zij zeer duidelijke bewijzen van afschuw. Bij vele is de reuk buitengewoon sterk ontwikkeld, en bereikt deze zin een trap van volkomenheid, waarvan wij ons in ’t geheel geen denkbeeld kunnen vormen.

Met de behandeling van de geestesgaven van den Hond zou men boekdeelen kunnen vullen; het is dus zeer moeilijk ze in ’t kort te schilderen. Het best kan ik mij vereenigen met de door Scheitlin gegeven beschrijving van de ziel van den Hond, waaraan het volgende citaat ontleend is: “Hoe groot het verschil ook zij, dat er in lichamelijk opzicht tusschen de Honden bestaat, hun geest biedt nog veel grooter verscheidenheid aan; sommige Hondenrassen zijn volkomen ongeschikt om iets te leeren, andere leeren alles in zeer korten tijd. Sommige zijn in ’t geheel niet tembaar, terwijl andere spoedig volkomen getemd worden; wat sommige haten, wordt door andere zeer aangenaam gevonden. De Poedel gaat uit eigen beweging te water, de Keeshond wil altijd thuis blijven. De Dog laat zich op den man africhten, met den Poedel gelukt dit niet. Alleen de Jachthond heeft een zoo fijnen speurneus; alleen de Beerhond bijt den Beer tusschen de achterpooten; alleen de langlijvige Dashond, die, naar men zou kunnen meenen, een paar pooten te min bezit, is zoo laag bij den grond en heeft zulke kromme pooten, dat hij in Dassenholen kan kruipen; hij heeft hiervoor evenveel liefhebberij als de Slagershond voor het loopen in bogen en het nazitten van kalveren en Runderen.

De Newfoundlandsche Hond vreest den Wolf niet en is daarom uitmuntend geschikt voor het bewaken van ’t vee; ook kan hij meesterlijk graven, zwemmen, duiken en menschen uit het water halen. Ook de Slagershond durft den Wolf aan, is een goede veehoeder, maakt jacht op Wilde Zwijnen en andere groote dieren; hij is verstandig en zeer gehecht aan zijn meester, maar gaat vrijwillig nooit te water. Men gebruikt en misbruikt hem bij drijfjachten, waardoor hij, gelijk op psychologische gronden te voorzien was, steeds strijdlustiger wordt; vooral voor kalveren, die hij zonder eenigen schroom overvalt, omdat zij zich niet verweren kunnen, is hij vaak zeer gevaarlijk. Zijn bloeddorst is in hooge mate afkeerwekkend; de verwoedheid die hij bij ’t bijten en bij het verscheuren en opvreten van overblijfselen van dieren aan den dag legt, is een van zijne slechtste eigenschappen. Van de Windhonden wordt gezegd, dat zij weinig verstand hebben, zich bijna niet laten dresseeren en hun meester niet trouw zijn, bovendien hebben zij de slechte eigenschap, dat zij zich graag door vreemden laten liefkoozen; men kan ze echter africhten voor de jacht op Hazen en dergelijk wild. In den naam van den Patrijshond ligt opgesloten, waarvoor hij van nature geschikt is. Want de Hond (en ieder ander dier) moet op de een of andere wijze te kennen geven, waartoe hij lust heeft, voordat de mensch op het denkbeeld komt hem hiervoor af te richten. Alleen tot tijdverdrijf, om zich zacht op den arm te laten dragen, om met de vrouw op de sofa te liggen, bij haar op schoot te zitten, vandaar ieder die in ongenade is, toe te brommen, steeds in de kamer te blijven, met de vrouw uit één glas te drinken, van één bord te eten en zich te laten kussen, hiervoor worden de Bolognezer Hondjes en de Leeuwtjes gehouden. Van den Jachthond worden de fijne reuk, de groote schranderheid en leerzaamheid en ook de trouwe gehechtheid aan zijn meester geroemd. Zeer verstandig en uitstekend voor het bewaken van ’s menschen eigendom geschikt zijn de Hof- of Wachthond en de Herdershond. De Spits of Keeshond wordt geacht een loos, leerzaam, vroolijk en bruikbaar slag van Hond te zijn; hij wil graag bijten en is in huis zeer waakzaam; sommige verscheidenheden gaan voor valsch en boosaardig door. De Hond van de Poolgewesten is gekenmerkt door onderworpenheid aan den mensch, hoewel hij zijn meester niet kent en geen slagen vreest; hij is onverzadelijk, maar kan toch gedurende langen tijd honger lijden. De Doggen zijn trouw, maar niet zeer verstandig; zij zijn goede waakhonden, door hunne woestheid en moed voor de jacht op Wilde Zwijnen, Leeuwen, Tijgers en Panters geschikt; met ware doodsverachting pakken zij hunne gevaarlijke tegenstanders aan, letten op iederen oogwenk, op elk woord van hun meester, laten zich op den man africhten, bekommeren zich niet om schoten, houwen en verscheurde ledematen en takelen ook elkander bij ’t vechten vreeselijk toe. Zij zijn zeer sterk, werpen zelfs den krachtigsten mensch ter aarde en worgen hem, of dwingen hem, terwijl zij op hem omspringen, op één plaats te blijven, totdat hij verlost wordt; zij houden woedende Evers bij het oor vast, zoodat zij zich niet bewegen kunnen. Gehoorzaam zijn zij in de hoogste mate. Zij hebben een weinig meer verstand, dan men meent. Het laagst ontwikkeld onder de Honden is ongetwijfeld de Mops. Hij is door geestelijke ontaarding ontstaan en kan, zooals licht te begrijpen is, zich zelf niet tot hooger peil verheffen. Hij begrijpt den mensch niet, terwijl deze hem niet vat.

“Op den indruk, dien de Hond maakt, hebben zijne geestesgaven een te grooten invloed, dan dat het mogelijk zou zijn, dien indruk door een opgestopt exemplaar of door een teekening volledig weer te geven. Zijn ziel is ongetwijfeld zoo volkomen, als een zoogdierenziel kan zijn. Van geen dier mag eerder dan van dit gezegd worden, dat het om geheel menschelijk te zijn, niets anders mist dan de spraak, geen dier vertoont ons zulk een volledige reeks van wijzigingen van den gemoedsaard, geen dier heeft de stof geleverd voor zooveel verhalen, welke de bewijzen leveren van zijn verstand, zijn geheugen, zijn herinneringsvermogen, zijn oordeel, zijn fantasie, of zelfs van zedelijke eigenschappen, zooals: trouw, gehechtheid, dankbaarheid, waakzaamheid, liefde voor den meester, geduld bij ’t omgaan met kinderen van menschen, woede en doodelijken haat tegen de vijanden van zijn meester; geen enkel dier wordt daarom den mensch zoo vaak ten voorbeeld gesteld. Wat worden ons al geen staaltjes verteld van zijn geschiktheid om iets te leeren! Hij danst, hij trommelt, hij loopt over een koord, hij staat op schildwacht, hij bestormt en verdedigt vestingen, hij schiet pistolen af, draait het braadspit, trekt den wagen; hij kent de noten, de getallen, de kaarten, de letters; hij neemt een mensch de muts van ’t hoofd, brengt hem zijn pantoffels en tracht hem als een knecht de laarzen of de schoenen uit te trekken; hij verstaat de oogen- en gebarentaal en nog vele andere zaken.”

“Ik heb Honden gekend,” zegt Lenz, “die, naar het scheen, bijna ieder woord van hun meester begrepen, op zijn bevel de deur openden of sloten, den stoel, de tafel op de bank binnendroegen, hem den hoed afnamen of brachten, een verstopten zakdoek of een dergelijk voorwerp opzochten en teruggaven, den hoed van een hun aangewezen vreemdeling door den reuk van midden uit allerlei andere hoofddeksels te voorschijn haalden enz. Het is trouwens altijd aardig om te zien, hoe een schrandere Hond de oogen en de ooren beweegt, als hij een bevel van zijn meester verwacht, hoe uitgelaten van blijdschap hij is, als hij mede mag gaan, en welk een jammerlijk gezicht hij trekt, als hij thuis moet blijven; hoe hij verder, als hij vooruitgeloopen en aan een kruisweg gekomen is, omkijkt, om te vernemen of hij rechts of links moet gaan; hoe gelukkig hij is, als hij een buitengewoon verstandige daad, hoe beschaamd daarentegen, als hij een dommen zet gedaan heeft; hoe hij, als hij iets kwaads verricht heeft en niet zeker weet, of zijn meester het bemerkt, liggen gaat, gaapt, doet, alsof hij half in slaap of onbekommerd is, om iedere verdenking van zich af te wenden, maar zich verraadt, door den angstigen blik dien hij intusschen van tijd tot tijd op zijn meester werpt, hoe hij verder iederen huisvriend spoedig leert kennen, onder de vreemdelingen voornamen en geringen gemakkelijk onderscheidt, en vooral op bedelaars gebeten is enz. Aardig is het ook om te zien, hoe een Hond, om zijn meester te believen, truffels zoekt, waarvoor hij van nature in ’t geheel geen trek gevoelt, hoe een andere Hond zijn meester een kar helpt trekken en zich des te meer inspant, naarmate hij ziet, dat zijn meester zich meer moeite geeft.”

Uit dit alles blijkt, dat de Hondenrassen in geestelijk opzicht onderling evenzeer verschillen, als zij in lichamelijk opzicht van elkander afwijken. Hunne meest in ’t oogloopende karaktertrekken zijn: onwankelbare trouw en gehechtheid aan hun meester, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en onderworpenheid, nauwgezette waakzaamheid, zachtmoedigheid, zachtaardigheid in den omgang, een dienstvaardig en vriendelijk gedrag. Bij geen enkelen Hond zijn zij alle gelijkelijk ontwikkeld aanwezig: soms zal de eene eigenschap meer op den voorgrond, een andere daarentegen op den achtergrond treden. De opvoeding heeft hierop grooter invloed, dan men gewoonlijk meent. Slechts goede menschen kunnen aan Honden eene goede opvoeding geven. De Hond is een getrouw spiegelbeeld van zijn meester: hoe vriendelijker, liefderijker, oplettender men hem behandelt, hoe beter en zindelijker men hem verzorgt, hoe meer en hoe verstandiger men zich met hem bemoeit, des te verstandiger en uitmuntender wordt hij; juist het tegendeel heeft plaats, wanneer hij slecht behandeld wordt. Hij schikt zich in de meest verschillende omstandigheden, van welken aard zij ook zijn; altijd geeft hij zich met geheel zijn ziel aan den mensch over. Deze verhevene eigenschap wordt ongelukkig gewoonlijk niet op haar juiste waarde geschat; daarom wordt het woord “hondsch” nog steeds in onteerenden zin gebezigd, hoewel het eigenlijk juist het tegenovergestelde beteekent van wat men er in den regel mede bedoelt. Door zijne veelzijdige begaafdheden neemt de Hond den hoogsten rang in; zijn getrouwheid aan den mensch maakt hem tot diens onontbeerlijken metgezel.

Vele eigenaardige gewoonten zijn aan bijna alle rassen gemeen. Zoo huilen en blaffen vele bij ’t zien van de maan, zonder dat men hiervoor een reden weet aan te wijzen. Door beweging worden zij tot beweging geprikkeld; al wat hun snel voorbijgaat, loopen zij na, onverschillig of het menschen, dieren, wagens, kogels of steenen zijn, trachten het te grijpen en vast te houden, zelfs wanneer zij er volkomen zeker van zijn, dat het een voor hen geheel nutteloos voorwerp is. Tegen sommige dieren toonen zij zich in de hoogste mate vijandig, zonder dat hiervoor een goede reden bekend is. Zoo haten alle Honden de Katten en de Egels; als zij een der laatstgenoemde dieren ontmoeten, scheppen zij er als ’t ware behagen in, zich zelf te kwellen door woedend in de stekelbekleeding te bijten, ofschoon zij weten, dat dit tot geen doel leidt, en zij er hoogstens een bebloeden neus en snuit door oploopen.

Opmerkelijk is het zeer sterke voorgevoel, dat de Hond van weersveranderingen heeft. Hij neemt reeds van te voren maatregelen tegen den invloed van die veranderingen, en kondigt zelfs door den onaangenamen reuk, dien hij verbreidt, den mensch naderenden regen aan.

Gewoonlijk zijn de Honden onderling niet zeer verdraagzaam. Als twee Honden, die elkander niet kennen, samenkomen, heeft eerst een wederzijdsche besnuffeling plaats, daarna laten beide de tanden zien, en beginnen met elkander te vechten, tenzij teedere gevoelens bij hen de overhand hebben. Des te meer loopt de groote innigheid in ’t oog van de vriendschapsbanden, die soms tusschen Honden bestaan. Zulke vrienden twisten nooit onderling, maar zoeken elkander op en helpen elkander in nood. Ook met andere dieren gaan zij soms zulk een bondgenootschap aan; zelfs het zeer gebruikelijke spreekwoord over de verhouding tusschen Hond en Kat is wel eens onjuist.

De teef brengt 63 dagen na de paring op een donkere plaats 3 à 10, gewoonlijk 4 à 6, in uiterst zeldzame gevallen echter 20 of meer jongen ter wereld, die bij de geboorte de voorste tanden reeds hebben, maar 10 à 12 dagen lang blind blijven. De moeder bemint hare kinderen boven alles, zoogt, behoedt, belekt, verdedigt ze, en draagt ze niet zelden van de eene plaats naar de andere, waarbij zij ze met de tanden bij het ruime nekvel aanpakt. Haar liefde voor haar kroost is in één woord roerend: er zijn voorbeelden van bekend, die ons niet alleen tot hoogachting, maar tot bewondering van dit dier nopen. Zoo verhaalt Bechstein een geval, dat bijna ongeloofelijk schijnt: “Een schaapherder te Waltershausen kocht geregeld in de lente schapen op het Eichsfeld, en zijn hond (een teef) moest hem natuurlijk op dezen 18 mijlen langen weg begeleiden. Eens wierp deze Hond, terwijl hij zoover van huis was, jongen, ten getale van 7, zoodat de herder zich genoodzaakt zag, hem achter te laten en alleen naar huis terug te keeren. Maar ziet, anderhalven dag later vindt hij den Hond met zijne zeven jongen voor zijn huisdeur. Hij had telkens over kleine gedeelten van den weg het eene hondje na het andere voortgedragen, en op deze wijze de 18 mijlen dertien malen achtereen afgelegd, ondanks den toestand van uitputting en zwakte, waarin hij verkeerde.”

Gewoonlijk laat men een teef slechts 2 of 3, hoogstens 4 van hare jongen behouden, om haar niet te zeer te verzwakken. De kleintjes hebben veel voedsel noodig, en de moeder is bijna niet in staat hun het noodige te verschaffen. Het spreekt van zelf, dat de teef gedurende dezen tijd bijzonder goed en krachtig gevoederd moet worden. Iedere eigenaar van een drachtige teef moet voor haar van te voren in een rustig hoekje, op een goed beschutte, niet te koele plaats, een zacht leger gereed maken, en haar ook later op allerlei wijzen bij het groot brengen van de jongen behulpzaam zijn. Zoo lang de teef zoogt, is haar hart, naar het schijnt, voor een veel omvattende liefde vatbaar, want zij duldt het, dat Hondjes uit een ander nest, ja zelfs jongen van andere dieren, b. v. van Katten en Konijnen, van haar melk gebruik maken. Ik heb dit laatste dikwijls bij Honden waargenomen, maar merkte daarbij op, dat zoogende Katten veel vriendelijker voor hare pleegkinderen waren dan Honden, die, hoe goedhartig zij ook zijn, bij zulk een gelegenheid toch in den regel niet volkomen tevreden zijn, zooals uit het rimpelen van de huid van den neus blijkt. Zij zijn echter uitmuntende minnen van jonge Leeuwen en Tijgers.

Gewoonlijk laat men de jonge Honden zes weken lang door de ouden zoogen. Om de Hondjes te spenen voedert men de teef een tijdlang zeer schraal, om te maken, dat de melkafscheiding ophoudt; dan laat zij zelf het zuigen van hare jongen niet langer toe. Nu worden de diertjes aan licht verteerbaar voedsel gewend; men leert ze in de eerste plaats zindelijkheid. Reeds in de 3e of 4e levensmaand wisselen zij hunne eerste tanden; in de 6e maand bekommeren zij zich niet veel meer om hun moeder. Als het de bedoeling is, ze op te voeden, of, zooals men gewoonlijk zegt, af te richten, moet dit niet te lang uitgesteld worden. De meening van ouderwetsche jagers en andere Hondenfokkers, dat een jonge Hond, voordat hij aan het einde van zijn eerste levensjaar gekomen is, te klein en te zwak zou zijn om te leeren, berust op een dwaling. Adolf en Karl Müller, beiden zeer ervaren als natuuronderzoekers en als jagers, maken een aanvang met het dresseeren van hunne Jachthonden, zoodra deze behoorlijk loopen kunnen, en bereiken hierdoor uitmuntende resultaten.. Hunne leerlingen worden nooit met slagen bestraft, krijgen bijna nooit een hard, hoogstens een ernstig woord te hooren, en worden de allervoortreffelijkste gezellen en helpers op de jacht. Jonge Honden moeten behandeld worden als kinderen, niet als verstokte slaven. Zonder uitzondering zijn zij gewillig en leerzaam; zeer spoedig luisteren zij naar ieder woord van hun opvoeder en begrijpen het; uit liefde spannen zij zich langer en beter in, dan uit vrees. De africhters van jonge Honden, die hun doel niet bereiken kunnen zonder stekelhalsband en hondenzweep, zijn onhandige beulen, maar geen nadenkende opvoeders.

Reeds met het twaalfde jaar begint voor den Hond de ouderdom. Er zijn trouwens voorbeelden van bekend, dat Honden een leeftijd van 20, ja zelfs van 26 en van 30 jaar bereikt hebben. Dit zijn echter zeldzame uitzonderingen. Dikwijls trouwens maakt geen ouderdomsverzwakking, maar een der vele ziekten, waaraan de Honden, evenals andere huisdieren, onderhevig zijn, een einde aan hun leven.

Een zeer veelvuldig voorkomende ziekte van de Honden is de door woekerdieren veroorzaakte schurft, die niet, gelijk men vroeger meende, een gevolg is van onvoldoende voeding en beweging of van onzindelijkheid. Jonge Honden lijden dikwijls aan de Hondenziekte, die een besmettelijke ontsteking van de slijmvliezen is en het veelvuldigst voorkomt tusschen de 4de en 9de levensmaand. Waarschijnlijk sterft meer dan de helft van de Honden in Europa aan deze ziekte of wordt althans hierdoor zeer benadeeld. Bovendien worden zij alle gekweld door parasieten, waarvan meer dan een dozijn soorten bekend zijn. Zij hebben dikwijls zeer veel te lijden van Vlooien en Luizen en op sommige plaatsen ook van Tieken. De beide eerstgenoemde soorten van ongedierte kan men spoedig verdrijven door onder het strooleger van den Hond een laag asch op den bodem te strooien, of het vel van het dier met Perzisch-insectenpoeder in te wrijven. De Tieken, die den Hond het meest pijnigen, verdrijft men door ze met een weinig brandewijn, pekel of tabakssap te bevochtigen. Het is niet raadzaam ze met geweld uit de huid te trekken, omdat in dit geval de kop licht in de door ’t zuigorgaan veroorzaakte wonde blijft steken en deze doet etteren of zweren.

De vreeselijkste ziekte echter is de hondsdolheid of lyssa, vooral omdat hierdoor niet alleen de overige Honden en huisdieren, maar ook de menschen in groot gevaar verkeeren. Gewoonlijk komt deze ziekte alleen bij Honden op meer gevorderden leeftijd voor, meestal in den zomer bij zeer groote hitte, of in den winter bij al te felle koude. Men merkt bij den Hond, die door deze ziekte is aangetast, in de eerste plaats op, dat hij zich anders gedraagt dan gewoonlijk; hij wordt valsch-vriendelijk, en bromt tegen zijn meester; voorts openbaren zich bij hem een ongewone slaperigheid en droefgeestigheid, voortdurend zoekt hij warme plaatsen op, gaat dikwijls naar zijn voedsel zonder te eten, drinkt gretig water, doch altijd slechts bij kleine hoeveelheden te gelijk, en toont over ’t algemeen door zijne handelingen onrust en angst. Onbedriegelijke kenteekeningen van de ziekte zijn voorts, dat de stem van het dier verandert, dat het blaffen in een rauw, heesch gehuil overgaat, dat zijn eetlust vermindert, dat hij niet dan met moeite slikken kan, dat hij kwijlt, dat de oogopslag zijn helderheid verliest, dat hij graag en dikwijls wegloopt, oneetbare voorwerpen belekt of verslindt, en, als de ziekte erger wordt, om zich heen hapt, en zonder aanleiding bijt. Gedurende de ziekte komt gewoonlijk verstopping voor; de ooren worden slap, het dier laat den staart hangen, zijn oog wordt mat, de blik loensch. Later wordt het oog rood en ontstoken. De dolle Hond laat zich niet meer liefkoozen, let niet meer op het bevel van zijn meester, wordt steeds onrustiger en schuwer, zijn blik is starend of vurig, hij laat den kop laag hangen, het aangezicht zwelt op aan de wangen en om de oogen, de tong neemt een vuurroode kleur aan en hangt uit den bek, die aan de zijden een taai slijm laat uitvloeien. Weldra knort hij slechts zonder te blaffen, herkent de menschen en ten slotte zijn eigen meester niet meer. Hoezeer hij ook van dorst versmacht, hij kan niets meer binnenkrijgen; zelfs wanneer men hem met geweld water in de keel giet, veroorzaakt dit bij hem ademnood en een krampachtige samentrekking van de keelspieren. Nu begint hij het water en iedere andere vloeistof te schuwen. Hij gaat niet meer liggen, maar sluipt met loenschen blik en afhangenden staart onrustig rond.

Thans eerst ontwikkelt zich de ziekte hetzij in den stillen of in den razenden vorm. Bij de stille dolheid zijn de oogen ontstoken, maar dof en onbewegelijk, de tong wordt blauwachtig en hangt dikwijls ver uit den bek. Een wit schuim vertoont zich in de mondhoeken; de bek blijft altijd geopend, de onderkaak is verlamd en hangt slap naar beneden. Met den staart tusschen de pooten en hangenden kop loopt de Hond wankelend en onvast dikwijls mijlen ver voort en bijt naar alles wat hem in den weg komt, vooral echter naar andere Honden. Ontmoet hij op zijn weg een beletsel, dat hem verhindert de oorspronkelijke richting te blijven volgen, dan waggelt hij in een kring rond, valt dikwijls neder en hapt naar lucht.

Wanneer daarentegen de ziekte in haar razenden vorm optreedt, fonkelt het oog, de pupil wordt wijd, de bek is open en slechts weinig met speeksel bevochtigd; de blauwachtige tong hangt uit den mond. Reeds in vroegere ontwikkelingstijdperken van dezen ziektevorm is de Hond in hooge mate koppig en valsch, zelfs tegenover zijn meester; hij hapt onwillekeurig naar Vliegen of naar alles wat in zijne nabijheid komt, valt de Huisvogels aan en verscheurt ze, zonder ze op te eten, lokt andere Honden tot zich en schiet dan woedend op hen toe, laat de tanden zien, toont gezichtsvertrekkingen, jankt, lekt zich met de ontstoken tong de lippen af en maakt er ook wel smakkende bewegingen mede, waarbij hem dikwijls reeds vloeibaar speeksel uit den mond druppelt. Van ’t water wendt hij zich duizelig af, maar zwemt toch nog soms door beken en plassen. Hij bijt naar al wat hem voor den bek komt, dikwijls ook in levenlooze voorwerpen, als hij vastligt, zelfs in zijn ketting.

De hondsdolheid was reeds bij de Grieken bekend, hoewel zij in ’t zuiden van Europa veel zeldzamer voorkomt dan bij ons. Zoowel in landen die tot den kouden, als in die, welke tot den heeten aardgordel behooren, komt de ziekte minder dikwijls of in ’t geheel niet tot uitbarsting.

Van oudsher zijn vele middelen tegen de lyssa aangeprezen; het is echter niet uit te maken, of zij eenige uitwerking hebben gehad, en wel voornamelijk niet, omdat men geen zekerheid kon verkrijgen, dat het dier, waardoor de patiënt gebeten was, werkelijk aan dolheid leed, of ten onrechte verdacht werd, dol te zijn. Het eenige radicaal helpende middel kon slechts in het uitbranden der wonden bestaan; dit moest echter onmiddellijk en grondig geschieden. Als dit niet gebeurd was en het gif van de hondsdolheid zich reeds door het lichaam verspreid had, hing het alleen af van omstandigheden, waarover de mensch geen macht had, of de ziekte, die steeds een noodlottig einde nam, al of niet tot uitbarsting kwam. De eerst voor korten tijd door Pasteur ontdekte geneeswijze heeft ten doel, ook in zulke gevallen nog redding te brengen. Zij is gegrond op het feit, dat het mogelijk is, door inenting sommige ziekten te voorkomen, zooals b.v. de pokken door inenting van koepokstof. Volgens de methode van Pasteur wordt het ruggemerg van dieren, die aan hondsdolheid lijden, gedroogd, in bouillon fijn gewreven en dit mengsel verscheidene malen achtereen onder de huid van den patiënt ingespoten. Door het drogen is de vergiftige werking van het bedoelde ruggemerg verzwakt, en wordt het in een inentingsstof veranderd, die den patiënt tegen de ziekte beschut. Sedert 1885 zijn duizenden van menschen, die gebeten waren, op deze wijze behandeld. Vele van de behandelden waren ongetwijfeld gebeten door dieren, die ten onrechte van dolheid verdacht werden; er zijn echter onder hen ook een groot aantal personen geweest, die gebeten waren door dieren, waarvan de dolheid met zekerheid kon worden aangetoond. Van deze personen zijn eenigen in weerwil (misschien zelfs ten gevolge) van de inenting gestorven; verreweg de meesten echter zijn door de inenting voor een wissen dood behoed.

Een onbedriegelijk kenteeken van de gezondheid van een Hond is de koude en vochtige neus. Als deze droog en warm is, als de oogen dof staan, als het dier geen eetlust heeft enz., kan men er zeker van zijn, dat het onpasselijk is. Als er in den toestand van den patiënt niet spoedig een gunstige verandering komt, en de middelen, die door een ervaren veearts voorgeschreven zijn, niet baten, blijft er weinig hoop op het behoud van het dier over, want slechts weinige Honden kunnen zware ziekten doorstaan. Verwondingen genezen schielijk en volkomen, niet zelden zonder eenige hulp; bij inwendige ziekten echter zijn zelfs ervaren geneeskundigen, om van kwakzalvers niet eens te spreken, meestal spoedig ten einde raad, omdat deze ziekten een buitengewoon snel verloop hebben.

De Hond bewijst den mensch onschatbare diensten. Hoe nuttig hij is voor beschaafde en ontwikkelde volken, weet ieder lezer uit eigen ervaring; de onbeschaafde of wilde volksstammen hebben hem echter misschien nog meer noodig. Zijn vleesch wordt gegeten op de Zuidzee-eilanden, door verscheidene Afrikaansche volken, alsmede door de Toengoesen, Chineezen, Eskimos, de Noord-Amerikaansche Indianen enz. In China ziet men dikwijls slagers, die met geslachte Honden beladen zijn; zij hebben echter veel last van de vijandige gezindheid van andere, nog vrij rondloopende Honden, die bij troepen op hen aanvallen. In verband met dit feit moeten wij ook nog wijzen op een andere betrekking tusschen den mensch en den Hond, die wel in staat is om bij ons een gevoel van afschuw te wekken. Nadat Bernardin de Saint-Pierre het denkbeeld uitgesproken heeft, dat het eten van Honden de eerste stap zou zijn geweest tot het eten van menschen, is de volkenkunde verrijkt geworden met vele feiten, die het hoogst waarschijnlijk maken, dat de gewoonte om Honden te eten een voorlooper, begeleider of overblijfsel is van het menscheneten.

Maar ook in die gewesten, waar de Hond geregeld of somtijds als voedsel voor den mensch dient, is hij steeds zijn metgezel en helper; zelfs den minst ontwikkelden wilde, die nog niet eens op het denkbeeld is gekomen dit dier een eigen naam te geven, bewijst de Hond in de keerkringsgewesten den dienst van waarschuwer, zoo niet dien van wachter, ook helpt hij hem op de jacht. Voor den bewoner der Poolgewesten, die zonder den Hond nagenoeg hulpeloos zou zijn, trekt hij de slede over de ijs- en sneeuwwoestijnen van zijn vaderland, of draagt als een lastdier op den rug de uitrusting van den jager. In het noorden van Azië worden hondevellen tot kleedingstukken verwerkt; in Europa maakt men er mutsen, zakken en moffen van. Van zijne pezen, banden en beenderen wordt lijm bereid; het taaie en dunne hondenleer komt op tweeërlei wijze gelooid in den handel: rungaar dient het tot dansschoenen, aluingaar tot handschoenen; het haar wordt tot het vullen van kussens gebruikt. Het vet dient tot het smeren van raderwerk enz.; het gold vroeger als huismiddel tegen longtering. Zelfs de drek, die “Grieksch wit” (Album graecum) wordt genoemd, omdat de Grieken het voor ’t eerst hebben toegepast, was een gezocht geneesmiddel. Ook in den oorlog moesten de Honden meehelpen, niet, gelijk thans geschieden zal, als doelmatig opgevoede waarschuwers en snelvoetige, gemakkelijk aan ’s vijands aandacht ontsnappende boden, maar om te strijden in de gelederen der krijgslieden. Toen de Spanjaarden de landen van de Nieuwe Wereld aan zich onderwierpen, speelden de Bloedhonden bij hunne ondernemingen als krijgsgezellen geen geringe rol: vele van deze dieren werden wegens hun moed en hunne roemrijke daden even hoog geacht en geprezen als de tweevoetige helden, die deel uitmaakten van de roofgierige benden der Conquistadores. Even als alle deelnemers aan deze rooftochten en gevechten, kregen ook deze Honden, of liever hunne meesters in hun plaats, een evenredig aandeel van den buit. Later, zelfs nog tot in den laatsten tijd, was het de gewoonte, ontvluchte slaven of inboorlingen, die zich aan het gezag der Europeanen onttrokken hadden, met behulp van Bloedhonden in de wildernis op te sporen.

Reeds sedert de vroegste tijden zijn de Honden den menschen nuttig geweest; de wijze, waarop zij behandeld werden, en de achting, die men voor hen had, was echter zeer ongelijk: Socrates was gewoon bij den Hond te zweren; Alexander de Groote was over den dood van een zijner lievelingshonden zoo bedroefd, dat hij te zijner eere een stad met tempels liet bouwen; Homerus bezingt Argos, den Hond van Odysseus op een waarlijk treffende wijze; Plinius acht de Honden zeer hoog en verhaalt allerlei merkwaardigheden van hen. Hij verhaalt o.a., dat de Kolophoniërs, die voortdurend oorlog voerden, met het oog hierop groote troepen Honden onderhielden, dat de Honden altijd het eerst aanvielen, en in geen veldslag in gebreke bleven. Toen Alexander de Groote naar Indië trok, had de koning van Albanië hem een grooten Hond geschonken, waarmede de veroveraar zeer ingenomen was. Hij liet daarom Beren, Evers en dergelijke dieren bij den Hond brengen, maar deze bleef stil liggen en wilde niet opstaan. Alexander meende, dat de Hond lui was, en liet hem ter dood brengen. Toen de koning van Albanië dit vernam, zond hij nog een Hond van dezelfde soort met de boodschap, dat Alexander geen zwakke dieren tegenover den Dog moest plaatsen, maar Leeuwen en Olifanten; hij, de Koning, had slechts twee zulke Honden gehad; als Alexander dezen liet dooden, had hij er geen meer over. De Macedonische vorst liet het dier daarom eerst met een Leeuw, later met een Olifant vechten; de Hond doodde ze allebei.—De oude Egyptenaars gebruikten de Honden op de jacht, en achtten ze zeer hoog, zooals uit de afbeeldingen op de gedenkteekenen blijkt. Bij de Joden daarentegen werd de Hond veracht, zooals door vele aanhalingen uit den Bijbel aangetoond kan worden; de hedendaagsche Arabieren zijn ongeveer van hetzelfde gevoelen. Hoog geëerd was de Hond bij de oude Germanen. Toen de Cimbrem in het jaar 108 v. C. door de Romeinen overwonnen waren, moesten deze eerst nog een hevigen strijd voeren met de Honden, die de goederen bewaakten. De Kanarische eilanden ontleenen, naar Plinus bericht, hun naam aan de Honden. In Peru werden, volgens Von Humboldt, bij een maansverduistering de Honden zoo lang geslagen, tot de duisternis geweken was.

Vermakelijk is het te lezen, wat de oude schrijvers van het gebruik van den Hond voor geneeskundige doeleinden berichten. Nagenoeg al zijne lichaamsdeelen dienden als geneesmiddelen.

Nu hebben wij den Hond in ’t algemeen beschouwd; het wordt tijd, dat wij eenige van de voornaamste rassen van dezen merkwaardigen diervorm behandelen; natuurlijk kunnen wij alleen voor eenige van de belangrijkste een plaats in dit werk inruimen, omdat het aantal rassen zoo verbazend groot is: Reichenbach vermeldt er 195.

*

De Windhonden (Canis familiaris grajus) zijn kenbaar aan hun uiterst slanken, sierlijken romp, den spits toeloopenden, fijn gebouwden kop, de dunne, hooge ledematen, en in den regel ook de kortharigheid en gladheid van hun vel. De fijne, langwerpige snoet, de vrij lange, smalle, met korte haren begroeide ooren, die voor de helft overeind staan en voor ’t overige omgebogen zijn, de korte en strak gespannen lippen verschaffen den kop zijn eigenaardig, sierlijk voorkomen, en staan tevens in nauw verband met de afwijkingen, die in de ontwikkeling der zinnen waargenomen worden. De Windhond hoort en ziet uitmuntend, maar heeft een zwak reukvermogen, daar de neusschelpen zich in den spitsen snuit niet behoorlijk uitbreiden kunnen, waardoor de reukzenuw-eindtoestellen niet over zulk een groote oppervlakte verbreid kunnen zijn als bij andere Honden. Hoewel de romp in de lengte gerekt is, onderscheidt de borst zich door groote breedte, diepte en hoogte, en bevat dus de noodige ruimte voor de betrekkelijk zeer groote longen, die, zelfs wanneer de bloedsomloop door de vlugge beweging aanmerkelijk versneld is, in staat zijn om aan het bloed een voldoende hoeveelheid zuurstof toe te voeren, en er het koolzuur uit te verwijderen. In de liesstreek is de romp daarentegen buitengewoon sterk versmald, als ’t ware om aan het lichaam, dat door de krachtige borst verzwaard wordt, het noodige evenwicht te hergeven. Denzelfden lichaamsbouw hebben wij bij de Langarmapen en een dergelijken bij den Gepard kunnen opmerken; wij vinden dien bij vele dieren terug: een onbedriegelijk kenteeken van geschiktheid tot een snelle en gedurende langen tijd voortgezette beweging. Buitengewoon fijn gebouwd zijn de pooten van den Windhond; men ziet aan hen iedere spier en vooral ook de sterke pezen, waarin deze spieren uitloopen. Maar ook aan den borstwand zijn alle tusschenribspieren zichtbaar; sommige Windhonden zien er uit, alsof hunne spieren reeds door een bekwaam ontleedkundige waren blootgelegd. De staart is zeer dun, tamelijk lang, strekt zich uit tot ver onder het hielgewricht, en wordt naar beneden gericht gedragen met teruggebogen spits, of achterwaarts gestrekt en een weinig naar boven gekromd. De fijne en gladde beharing, die in den regel dicht aanligt, verkrijgt bij enkele rassen een grootere lengte, en verschilt dan ook meestal door haar kleur van die der overige rassen, waar zij fraai roodachtig geel is. Een andere kleur dan deze treft men bij de uitnemendste Windhonden, n.l. bij die van Perzië en van Centraal-Afrika, nagenoeg niet aan. Gevlekte Windhonden zijn zeldzamer en in den regel zwakker dan de éénkleurige.

De gemoedsaard van den Windhond is anders dan die van de overige Honden. Hij is een in de hoogste mate zelfzuchtig wezen; in den regel openbaart hij geen bijzondere gehechtheid aan zijn meester, maar laat zich door iedereen liefkoozen en toont genegenheid aan iedereen, die vriendelijk voor hem is. Hij is tevreden, als hij een meester heeft, die hem voortdurend aanhaalt, en toont dezen dan ook een zekere mate van gehechtheid; zijn ontrouwe aard blijkt echter, wanneer een ander persoon jegens hem vriendelijker is dan zijn eigen meester. De geschiedboeken vermelden een voorbeeld van deze trouweloosheid. Toen Eduard III van Engeland stierf, verliet zijn Windhond hem in de stervensure, en voegde zich bij de vijanden van het huis van Plantagenet. Er zijn echter ook onder de Windhonden enkele, die, wat trouw en gehechtheid aan hun meester betreft, bijna niet achterstaan bij andere Honden, hierdoor een loffelijke uitzondering maken op den algemeenen regel, en onze ingenomenheid met hun ras vermeerderen.

Windhond (Canis familiaris grajus). 1/10 v. d. ware grootte.
Windhond (Canis familiaris grajus). 1/10 v. d. ware grootte.

Windhond (Canis familiaris grajus). 1/10 v. d. ware grootte.

De Windhond gedraagt zich ten opzichte van andere Honden als tegenover den mensch: hij houdt niet van hen, zij zijn hem zelfs nagenoeg onverschillig: wanneer het echter tot vechten komt, is hij stellig de eerste, die toebijt; hierdoor kan hij gevaarlijk worden. Want ondanks zijn slanke, fijne gestalte is hij sterk, en zoodra het bijten begint, trekt hij partij van zijn grootte, houdt steeds den snoet boven den nek van zijn tegenstander, pakt dezen, zoodra hij zich verroert, stevig beet, tracht hem op te tillen, en schudt hem heen en weer, tot hooren en zien hem vergaan. Tegenover deze onaardige eigenschappen staan echter vele uitmuntende hoedanigheden. Voor vele volken is hij even onmisbaar als de Staande Hond voor den Europeeschen jager, als de Herdershond voor den schaapherder. Veel meer dan in de noordelijke gebruikt men hem in de zuidelijke gewesten en meer bepaaldelijk in alle steppenlanden. De Tartaren, Perzen, bewoners van Klein-Azië, Bedoeïnen, Kabylen, Soedaneezen, Indiërs en andere volken van Middel-Afrika en Azië achten hem buitengewoon hoog en schatten zijn waarde dikwijls gelijk aan die van een goed Paard. Bij de Arabische stammen van de woestijn, of liever van de woestijnsteppen aan den rand van de Sahara, bestaat het spreekwoord:

“Een goede Valk, een snelle Hond, een edel Paard, Zijn meer dan twintig vrouwen waard,”

en de oorsprong van dit gezegde is duidelijk voor een ieder, die met deze menschen verkeerd heeft.

Bij ons wordt de Windhond trouwens niet veel gebruikt. Het terrein moet vlak en open zijn, en men moet te paard iedere plaats kunnen bereiken, zal men ook te rechter tijd bij den Windhond komen, zoodra deze een Haas gevangen heeft. Zulk een jacht levert een fraai schouwspel op. De Haas is zoo dom niet, als hij er uitziet, en speelt den onervaren Hond menige poets. Met razenden spoed snelt deze het wild achterna, maakt sprongen, die werkelijk ongeloofelijk schijnen, en niet zelden met die van de groote Kattensoorten kunnen wedijveren, d. i. van 2, 3 en 4 M. wijdte, en haalt op deze wijze den Haas spoedig in. Hij is hem reeds op de hielen,—in ’t volgende oogenblik zal hij hem zeker grijpen—maar de Haas is plotseling zijwaarts uitgeweken en loopt nu, wat hij kan, in tegengestelde richting; de Hond echter, die hem regelrecht najoeg, is ver uit den koers geraakt, valt bijna op den grond, kijkt woedend om, wordt hoe langer hoe meer vertoornd, zoekt en ziet eindelijk den Haas, die reeds een honderd vijftig schreden ver gekomen is. Nu gaat ook hij dien kant uit, ijlt het wild na, heeft het opnieuw bijna gegrepen, daar maakt de Haas een tweeden zijsprong, en het gaat den Hond als de eerste maal. Op deze wijze zou de jacht nooit tot een einde komen, als men niet twee Honden tegelijk in ’t veld bracht, waarvan de eene den Haas vervolgt en de andere hem den pas afsnijdt.

Terwijl de Windhonden van de noordelijke landen veel uiteenloopen, wat lichaamsbouw en beharing aangaat, behooren die van het zuiden in meerder of mindere mate tot één ras, waarmede de Steppenwindhond ons kennis kan doen maken. Dit even edel als bevallig dier heeft haar zoo zacht als zijde; zijn kleur is licht issabella-geel, niet zelden naar ’t witachtige zweemend, dikwijls echter tot echte reekleur verdonkerd. Op de Egyptische gedenkteekenen vindt men dit ras onder andere, vooral gevlekte Windhonden afgebeeld.

In het jaar 1848 bracht ik verscheidene weken in het dorp Melbesz in Kordofan door, en was hier dikwijls in de gelegenheid om den Centraal-Afrikaanschen Windhond te leeren kennen. De dorpsbewoners voorzien hoofdzakelijk door veefokkerij en jacht in hun onderhoud, hoewel zij ook graan verbouwen. Hierom houden zij alleen Herdershonden en Windhonden, de eerste bij hunne schapenkudden, de laatste in het dorp. Het was een genot, een wandeling door het dorp te doen; vóór iedere deur zaten verscheidene van deze prachtige dieren, het eene al mooier dan het andere. Zij waren waakzaam en verschilden reeds hierdoor zeer van hunne verwanten. Zij beschermden het dorp ook tegen de nachtelijke rooftochten van de Luipaarden en Hyenas; aan een strijd met den Leeuw waagden zij zich echter niet. Over dag hielden zij zich rustig; na het invallen van den nacht begonnen zij eerst recht te leven. Men zag ze dan op alle muren klimmen; zij klauterden zelfs op de kegelvormige stroodaken van de ronde hutten, waarschijnlijk om een geschikt standpunt voor het uitkijken en luisteren te verkrijgen. Te recht verwonderde ik mij over hun vaardigheid in ’t klimmen.

Iedere week bracht een paar feestdagen voor onze dieren. Vroeg in den morgen hoorde men soms in het dorp het geluid van een hoorn: het was de oproeping tot de jacht. De mannen verzamelden zich om de Honden en weldra trok de geheele jachtstoet in geregelde orde het dorp uit, hetwelk een prachtig schouwspel opleverde. Zelden ging men ver, want reeds de naastbijgelegen bosschen leverden een overvloedigen jachtbuit op en de moeite om haar te verkrijgen was voor de mannen betrekkelijk gering, dank zij den ijver en de behendigheid der Honden. Zoodra men bij een met struiken aangevuld woud was aangekomen, vormde men een wijden kring en liet de Honden los. Deze drongen in de wildernis door, en vingen bijna al het jaagbare wild, dat zich daar bevond. Men bracht mij Trappen, Parelhoenders, Frankolijnen, ja zelfs Steppenhoenderen, die door de Honden gevangen waren. Een Antilope ontkwam hun nooit, omdat telkens 4 of 6 Honden samenwerkten om haar te vervolgen.

Van de Windhonden van het westelijk gedeelte van de woestijn, deelt generaal Daumas het volgende mede: “In de Sahara en in alle overige door de Arabieren bewoonde landen is de Hond niets meer dan een verwaarloosde, lastige dienaar, die men den rug toewendt, hoe nuttig ook zijne bediening zij, onverschillig of hij de woning moet bewaken of het vee hoeden; de Windhond alleen geniet de genegenheid, de achting, de teedere zorgen van zijn meester. De rijken zoowel als de armen beschouwen hem als de onafscheidelijke metgezel bij alle ridderlijke uitspanningen, waarvan de Bedoeïnen zooveel werk maken. Men verzorgt dezen Hond, als zijn eigen oogappel, geeft hem het meest geschikte voedsel, laat hem bij wijze van spreken met zich uit één schotel eten en let zorgvuldig op het zuiver houden van de rassen.

“Als de Windhond 3 of 4 maanden oud geworden is, begint men zich bezig te houden met zijn opvoeding. De jongens laten in zijn nabijheid Springmuizen en Renmuizen loopen en hitsen hem op dit wild aan. Na verloop van korten tijd toont het edele dier reeds een groote en levendige belangstelling in deze jacht, en na weinige weken heeft het reeds zooveel ervaring opgedaan, dat het ook voor ’t vangen van andere, grootere Knaagdieren gebruikt kan worden. In de 5e of 6e levensmaand begint men het reeds af te richten voor de Hazenjacht, waaraan veel meer moeilijkheden verbonden zijn. Van deze klimt men op tot de jacht op jonge Gazellen. Men nadert deze Antilopen zoo voorzichtig mogelijk, terwijl zij aan de zijde van hun moeder rusten, vestigt de aandacht der Honden op dit wild, spoort ze aan, tot zij ongeduldig worden, en laat ze dan los. Na eenige oefeningen houdt de Windhond zich ook zonder bijzondere aansporing met hartstochtelijken ijver met deze jacht bezig.

“Onder al die bedrijven is het edele dier één jaar oud geworden en heeft bijna zijn definitieve sterkte bereikt. Toch wordt de ‘Sloegoei’ nog niet als de volwassen dieren voor de jacht gebruikt; men stelt dit uit, totdat hij 15 of 16 maanden oud is. Maar na dien tijd legt men hem een taak op, die bijna onmogelijk schijnt, en hij volbrengt dien naar behooren. Als deze Hond nu een kudde van 30 of 40 Antilopen ziet, trilt hij van opgewondenheid en jachtlust, en kijkt zijn meester smeekend aan. Deze neemt zijn waterzak en bevochtigt den rug en den buik van ’t dier, in de overtuiging, dat het hierdoor, meer dan door iets anders, versterkt wordt. Eindelijk is de Windhond vrij, hij jubelt van pleizier en snelt als een pijl uit den boog op zijn buit af, waarvoor hij altijd het grootste en mooiste exemplaar uitkiest. Zoodra hij een Gazelle of een andere Antilope gevangen heeft, krijgt hij oogenblikkelijk het stuk, waarop hij recht heeft, n.l. het vleesch aan de ribben,—ingewanden zou hij met verachting laten liggen.

“De edele Windhond jaagt met niemand anders dan met zijn meester. Zulk een gehechtheid en de zindelijkheid van het dier verschaffen vergoeding voor de zorgen aan zijn opvoeding besteed. Als de eigenaar na een afwezigheid van eenige dagen terugkomt, schiet de Windhond jubelend uit de tent te voorschijn, en wipt met een sprong op het zadel, om den meester, wiens uitblijven hij betreurde, te liefkoozen. Dan zegt de Arabier tot hem: “Mijn lieve vriend, houd het mij ten goede, het was noodzakelijk dat ik u verliet; maar nu ga ik met u, want ik heb vleesch noodig, ik ben het dadels-eten moede, en gij zult wel zoo goed zijn, mij vleesch te verschaffen.” De Hond gedraagt zich bij al deze plichtplegingen, alsof hij woord voor woord de beteekenis er van begrijpt. De prijs van een Sloegoei, die de grootste soorten van Gazellen vangt, staat gelijk met dien van een Kameel; voor een Windhond, die grootere Antilopen neervelt, betaalt men gaarne evenveel als voor een mooi Paard.”

Het sierlijkste lid van het geheele Windhonden-gezelschap is de zoogenaamde Italiaansche Windhond, in vergelijking met andere Windhonden een echte dwerg, maar een buitengewoon fraai gevormde dwerg, bij wien alle lichaamsdeelen volkomen met elkander harmonieeren. Zijn gewicht bedraagt zelden meer dan 3 à 5 KG., de alleruitmuntendste wegen zelfs niet meer dan 2 KG., hoewel zij 40 cM. hoog zijn. In gestalte en kleur stemt hij volkomen met den eigenlijken Windhond overeen.

Italiaansche Windhond (Canis familiaris grajus italicus). 1/9 v. d. ware grootte.
Italiaansche Windhond (Canis familiaris grajus italicus). 1/9 v. d. ware grootte.

Italiaansche Windhond (Canis familiaris grajus italicus). 1/9 v. d. ware grootte.

Als een leelijke ontaarding van het Windhond-type mag men den Naakten Hond van Centraal-Afrika (Canis familiaris africanus) beschouwen. Zijn romp is een weinig gerekt, slank, naar de liesstreek sterk ingetrokken, de rug sterk gekromd, de borst smal, de hals middelmatig lang, maar dun, de kop langwerpig en hoog, het voorhoofd sterk gewelfd; de tamelijk lange snoet wordt naar voren smaller en spitser; de middelmatig lange, nog al breede, spitser toeloopende en half overeindstaande ooren zijn, evenals het overige lichaam, onbehaard en bij de spits een weinig omgebogen; de lippen zijn kort en strak gespannen. Andere kenmerken van dit dier zijn de hooge, tamelijk slanke en fijne pooten, de zeer dunne, matig lange staart en het ontbreken van den binnenteen aan de achterste ledematen. Alleen in de nabijheid van den staart, rondom den mond en aan de pooten komen eenige haren voor; overigens is de huid volkomen naakt; dit maakt dezen Hond tot een leelijk dier; want ook de zwarte huidkleur, die bij ons na verloop van eenigen tijd grijsachtig wordt en op sommige plaatsen vleeschkleurige vlekken heeft, is niet mooi. De lengte van het lichaam bedraagt 65, die van den staart 25, de schouderhoogte 35 cM. Behalve bij dezen op een Windhond gelijkenden vorm, treft men het ontbreken van de beharing ook nog wel bij andere rassen van Honden aan; alle zijn afschuwelijke beesten; niet zelden hebben zij een verkleurd bosje haar midden op den kop. Naakte Honden komen voor in China, Middel- en Zuid-Amerika, op Manila, de Antillen en de Bahama-eilanden.

Daar de Naakte Hond zeer teer en gevoelig voor ruw weder is, moet hij in ons klimaat voortdurend in de kamer blijven en kan in den regel niet lang in ’t leven gehouden worden.

*

Een tweede groep van Honden is die der Doggen (Canis familiaris molossus). Van deze noemen wij in de eerste plaats den Deenschen Hond, hoewel hij als een bastaard van den Windhond en den Bullebijter wordt beschouwd. Hij is een groot, fraai dier van edelen vorm met slanke pooten, gladden staart en groote, mooie oogen; de snoet is toegespitst, maar in overeenstemming met het geheele dier, toch nog veel forscher dan die van den Windhond. In vroegere tijden werd hij veelvuldig gefokt en voor de Hertenjacht gebruikt; thans treft men hem nog wel hier en daar als Huishond aan, vooral in Engeland, waar hij een trouwe geleider is van Paarden en rijtuigen.

Deensche Hond (Canis familiaris molossus danicus). 1/10 v. d. ware grootte.
Deensche Hond (Canis familiaris molossus danicus). 1/10 v. d. ware grootte.

Deensche Hond (Canis familiaris molossus danicus). 1/10 v. d. ware grootte.

Een ander, eveneens verouderd ras is dat, hetwelk vroeger met den naam Wachthond of Slagershond werd aangeduid (Mâtin der Franschen, welk woord volgens sommigen letterlijk “huishond” beteekent), en waaruit zich, volgens Linnaeus, in het noorden de Deensche Hond, in het zuiden de Hazewindhond ontwikkeld zou hebben.

Veel menigvuldiger dan de Deensche Hond ziet men bij ons een door kruising verkregen afstammeling van dit dier, de Duitsche Dog, die zich evenzeer door schoonheid als door geestesgaven onderscheidt, en ook nog om een andere reden, zooals men het noemt, in de mode is gekomen. Wie heeft wel niet eens van den Duitschen “Rijkshond” gehoord of gelezen? De Duitsche hondenfokkers zijn er in geslaagd dit ras, dat oorspronkelijk den naam van het stamras bleef dragen, en ook wel Ulmer Dog werd genoemd, zoozeer te ontwikkelen, dat sedert een twaalftal jaren de vroegere benamingen vervangen zijn door den naam Duitsche Dog.

De Duitsche Dog is kort en dicht behaard ook op den dun uitloopenden en weinig gekromden staart. Zijn kleur is effen zwart, licht- of donkergrijs, bruin- of lichtgeel; de lichtkleurige exemplaren zijn dikwijls donkerder gestreept of, als zij licht grijs zijn, meestal met onregelmatige, donkere vlekken geteekend; bij eenkleurige dieren komen niet zelden witte merken op de borst en de teenen voor. De middelmatig groote, hoog aangehechte ooren worden in den regel ingekort. Een Hond van dit ras, van wiens begaafdheden en daden hieronder een aan Gräszner ontleende beschrijving zal volgen, had in zijn derde levensjaar een schouderhoogte van 94 cM., een totale lengte van 175 cM. en een gewicht van 61 KG., bijgevolg een zeer buitengewone grootte bereikt. Onze zegsman, rector van een school in een groote industrieele stad van Duitschland, woonde buiten de poort op een niet geheel veilige plaats, en achtte het daarom noodig, zich een flinken Hond aan te schaffen, tot bescherming van zijn gezin en tot bewaking van zijn huis. “Mijn keuze viel,” verhaalt Gräszner verder, “op een Duitschen Dog van 5 maanden, wiens ouders wegens hunne grootte, schranderheid en trouw bij de Hondenliefhebbers van den geheelen omtrek zeer gezien waren, maar tevens ook wegens hun boosaardigheid gevreesd werden. Toen ik den Hond in huis bracht, waren mijne huisgenooten over zijne lompe manieren en zijn boos uitzicht niet bijzonder gesticht. Na verloop van eenige uren legde hij zijn onbeholpenheid al een weinig af en gevoelde zich in zijn nieuwe omgeving al eenigszins op zijn gemak. Het spreekt van zelf, dat hij mijn bestendige geleider was op mijne dagelijksche uitstapjes. Bij deze gelegenheden toonde hij een zoo levendigen en waakzamen aard, als ik niet in hem gezocht had. Daar ik mij maar weinig met hem bezig hield, verschafte hij zich zonder mijn hulp allerlei tijdverdrijf, ging bij voorkeur met onverflauwde opmerkzaamheid al het doen en laten van de menschen na en bemoeide zich er mede, zoodra er iets gebeurde, dat zijns inziens niet geoorloofd was. Van geharrewar en ruzie b.v. had hij een grooten afkeer. Wanneer twee personen met elkander in hevige woordenwisseling geraakten, schoot hij op hen toe, zelfs wanneer zij tamelijk ver af waren, plaatste zich brommend en de lippen optrekkend tusschen de twistenden, en bracht teweeg, dat zij spoedig uiteengingen.

“Zijn lichaamskracht was geëvenredigd aan zijn kolossale grootte. Spelend droeg hij b.v. een hengselkorf, die 2.5 KG. zwaar was, geruimen tijd achtereen. Een volwassen mannetje van een Heideschaap, die hem in ’t voorbijgaan gestooten had, droeg hij, zonder hem eenigszins te beschadigen, over twee spoorwegafsluitingen heen naar mij toe. Een woedende, dreigend op mij losloopende os, die met een aantal koeien naar de weide gedreven werd, hield hij zoo stevig aan den hals vast, dat het dier luidkeels brulde van pijn en ontsteld wegliep, toen het van zijn aanvaller bevrijd werd. De wanden van een sterke, van nieuwe planken getimmerde verhuiskist, waarin ‘Tom’ eens verstuurd zou worden, en die, naar de kastenmaker meende, sterk genoeg zou zijn voor een Tijger, vernielde hij, voordat hij aan het dichtbij gelegen spoorwegstation was aangekomen. Als hij op het punt stond, toe te schieten op iets, dat zijn toorn had opgewekt, kon zelfs de sterkste man hem niet in toom houden, maar werd als een kind omgeworpen en voortgesleept.

“In alle huiselijke aangelegenheden toonde hij belangstelling, alsof hij een mensch was. Wanneer iemand b.v. bedlegerig werd, bleef hij uren lang bij ’t bed van den zieke zitten, hield zijne oogen voortdurend op diens gelaat gevestigd, en legde om zijn medelijden te toonen zijn snuit of zijn poot zachtjes op de hand, die hem toegestoken werd.... Als de post een pakje had gebracht van een buitenshuis vertoevend kind, kon hij uit blijdschap nauwelijks den tijd afwachten, waarop de inhoud werd uitgepakt; hij greep dan het eerste het beste voorwerp, dat in het pak gezeten had en ging daarmede rond bij alle leden van het gezin, die niet bij het uitpakken tegenwoordig waren, om hen op deze wijze met de blijde gebeurtenis bekend te maken. Het was dan ook geen wonder, dat hij weldra de lieveling van alle, vooral echter van de vrouwelijke huisgenooten was geworden.

“Allervermakelijkst was zijn gedrag, als hij de kans schoon zag om aan mijne dochters een voorwerp, dat zij bij hunne handwerkjes noodig hadden, b.v. een paar opgevouwen kousen, een groote kluwen wollen garen of zoo iets, heimelijk, naar hij meende te ontkapen, en in zijn grooten bek te laten verdwijnen. Als zij dan het geroofde voorwerp opzettelijk met in ’t oogvallenden ijver zochten, had hij zijn doel bereikt, nam een onverschillige houding aan en zette een onnoozel gezicht, om te laten zien, dat hij van de oorzaak van de opschudding niet het minste vermoeden had; het vermiste voorwerp gaf hij, sluw knipoogend, eerst dan terug, als men zich direct tot hem wendde met de vraag: ‘Tom! weet jij dan niet, waar dit of dat gebleven is?’ Als ik toevallig bij dit spel tegenwoordig was, kwam hij, voordat men hem deze vraag gedaan had, en nadat hij zich door een blik op de meisjes overtuigd had, dat er niet op hem gelet werd, ongeroepen bij mij, sperde zijn bek zoo wijd open, dat ik het gezochte voorwerp zien moest, wierp mij tersluiks een schelmschen blik toe, die van innige verstandhouding getuigde, om dan, terwijl hij zich omdraaide, het domme gezicht van vroeger weer aan te nemen, en naar zijn plaats terug te keeren.

“Het zou den lezer te zeer vermoeien, wanneer ik een beschrijving gaf van alle overige vaardigheden en talenten, die deze Hond bezat, hoewel zij in den regel als een kenmerkende eigenschap van andere Hondenrassen beschouwd worden; ik zal mij bepalen tot het mededeelen van nog een staaltje van buitengewoon verstand. Eens bevond ik mij, door mijn Hond vergezeld, in de nabijheid van het spoorwegstation, toen er juist een personentrein binnenstoomde. Uit gewoonte keek ik naar den voorbijsnellenden trein, om te weten of er ook een bekend gezicht aan een der coupé-vensters te zien was. Ik bemerkte intusschen, dat Tom beurtelings aandachtig naar mij en naar den trein keek, blijkbaar in de meening, dat ik iemand verwachtte. Begeerig om te weten, of ik zijne gedachten geraden had, riep ik hem toe: ‘Ja, Tom! ga er heen!’ Bliksemsnel rende de Hond toen den spoorweg op en achter den trein aan naar het station. Langs een korten omweg ging ik zoo spoedig mogelijk ook daarheen. Ik kwam nog juist bijtijds om te zien, hoe Tom in de eerste plaats haastig alle pas aangekomen reizigers in oogenschouw nam, daarna twee maal langs de geopende compartimenten ging om ze te onderzoeken en ten slotte, toen hij geen bekend dierbaar wezen daarin vond, treurig den terugtocht aannam. Sedert dien tijd gebruiken wij den Hond als een betrouwbaren bediende voor het afhalen, vooral als het donker was, van alle in een nauwe betrekking tot ons huis staande reizigers, die wij verwachtten. Zoodra de bepaalde trein aankwam, drong Tom door de dichte menschenmassa heen tot aan de waggons, begroette kwispelstaartend de verwachte gasten, vleide hun een stuk van hun bagage af, liep hiermede fier vooruit, deed dus ook uitmuntend dienst als baanbreker, en bracht het gezelschap langs den kortsten weg naar ons, die niet op het perron waren.”

Bij den Bullenbijter is de romp ineengedrongen, dik, in de flanken slechts weinig samengetrokken, de rug niet gekromd, de borst breed en diep, de hals tamelijk kort en dik, de kop rondachtig, hoog, het voorhoofd sterk gewelfd, de snoet kort, naar voren smaller wordend en zeer sterk afgeknot. De bovenlip hangt aan weerszijden over de onderlip heen (van voren wijken de lippen echter niet uiteen), beide zijn voortdurend met speeksel bedekt; de vrij lange en middelmatig breede ooren zijn afgerond en half-hangend, d. w. z. zij staan voor de helft rechtop, terwijl de top omgebogen is en naar beneden hangt. De krachtige pooten zijn middelmatig hoog. De staart is bij den wortel dik, wordt naar den spits dunner, is vrij lang en reikt tot op het hielgewricht, hij wordt zelden rechtuit of naar achteren gestrekt, maar meestal omhoog gericht en naar voren gebogen. De kleur is òf vaal òf bruinachtig geel, soms met een zwartachtig waas overtogen; de snuit, de lippen en de buitenste randen der ooren zijn zwart; evenals bij alle Honden, komen ook bij deze vele afwijkingen van kleur voor.

Vermoedelijk is de Bullenbijter uit Ierland afkomstig; daar vindt men althans de uitnemendste rassen die er bestaan. Wegens de zwaarte en logheid dezer dieren loopen zij niet snel en ook niet lang achtereen. Daarentegen hebben zij een buitengewone spierkracht, veel vastberadenheid en een ongeloofelijken moed; men zou zelfs kunnen zeggen, dat zij, op weinige uitzonderingen na, als de moedigste van alle dieren beschouwd kunnen worden. Wegens hun spierkracht zijn de Bullenbijters bijzonder geschikt voor een moeilijke en gevaarlijke jacht en voor den strijd met wilde dieren. Hunne geestesgaven zijn niet zoo uitmuntend als die van vele andere Hondenrassen; zij staan echter in dit opzicht niet zoo laag, als gewoonlijk aangenomen wordt; want iedere Bullenbijter gewent zich aan den Mensen en offert zonder aarzeling zijn leven voor hem op. Hij is uitmuntend geschikt voor het bewaken en beschermen van het huis, en verdedigt het hem toevertrouwde goed met een waarlijk voorbeeldeloozen moed. Als reisgezel in gevaarlijke, eenzame gewesten is hij onbetaalbaar. Men verhaalt, dat hij zijn meester met gevolg tegen 5 à 6 roovers verdedigd heeft, en er zijn voorbeelden van bekend, dat hij als overwinnaar uit zulk een ongelijken strijd te voorschijn kwam in weerwil van de tallooze wonden, die hij ontvangen had. Hij wordt ook als wachter bij kudden Rundvee gebruikt, en is in staat om zelfs den wildsten stier in toom te houden, want hij is behendig genoeg om op het juiste oogenblik zijn tegenstander met de tanden bij den bek te pakken en zich zoo lang vast te houden, totdat de stier zich gewillig aan de overmacht van den Hond onderwerpt. Voor den strijd met groote roofdieren, zooals Beren, Wolven en Wilde Zwijnen, kan hij gemakkelijk afgericht worden. Tegenover andere Honden gedraagt hij zich zeer loffelijk. Hij zoekt slechts zelden twist, en laat zich vooral van kleine Honden veel welgevallen. Hij is trouw en gehecht aan zijn meester, maar is voor vreemden steeds gevaarlijk, hij moge los loopen of aan den ketting liggen; als hij op menschen aangehitst wordt, is hij werkelijk zeer te vreezen.

Bullenbijter (Canis familiaris molossus hibernicus). ⅛ v. d. ware grootte.
Bullenbijter (Canis familiaris molossus hibernicus). ⅛ v. d. ware grootte.

Bullenbijter (Canis familiaris molossus hibernicus). ⅛ v. d. ware grootte.

Zeer nauw verwant aan de Bullenbijters zijn de eigenlijke Doggen, zeer groote en sterke dieren, met grooten, dikken, van voren recht afgeknotten snoet, welks bovenlip, hoewel zij aan de zijden over de onderlip heen hangt, den mond van voren niet sluit, zoodat het gebit voortdurend zichtbaar blijft. De neus is niet zelden gespleten, de vacht kortharig en gewoonlijk effen rood van kleur, dikwijls echter bont. In vroegere tijden, toen het land minder veilig was dan thans, kwamen de Doggen vrij veelvuldig voor, tegenwoordig treft men ze alleen bij sommige hondenliefhebbers aan.

Een der grootste rassen is de Engelsche Dog (Mastiff), die vaak als wachthond dienst doet.

Bij ons ontmoet men het meest een ras van middelmatige grootte, dat in dit opzicht hoogstens met een Patrijshond vergeleken kan worden, dikwijls echter nog aanmerkelijk kleiner is. In den regel is dit dier licht isabelkleurig; men krijgt echter ook wel eens, hoewel minder dikwijls, donkerder gekleurde Doggen te zien.

De Bulhond, Bulldog of Boxer wordt vooral in Engeland veelvuldig gehouden. Meer nog dan de Bullenbijter, wordt hij als een woedend, ongenaakbaar en stompzinnig dier beschouwd; dit geldt echter niet van alle dieren van dit ras. Hij geeft aan zijn meester bewijzen van trouw en gehechtheid; maar alleen, als hij dezen volkomen heeft leeren kennen, en bij ervaring weet, dat zijn lichaamskracht in alle omstandigheden het onderspit moet delven voor de geestesgaven van den mensch; zoolang hij dit niet weet, bestaat de mogelijkheid, dat hij een poging doet om den mensch op soortgelijke wijze te behandelen als de dieren. De Bulhond is buitengewoon bijtlustig en heerschzuchtig; het is hem een waar genoegen, een ander dier dood te bijten. Tot zijn lof moet echter opgemerkt worden, dat zijn moed nog grooter is, dan zijn waarlijk verschrikkelijke sterkte.

Wat de Boxer eens gegrepen heeft, laat hij zoo licht niet weder los. Men kan hem in een stok of een doek laten bijten en hem bij deze voorwerpen optillen, op den rug werpen en andere dingen met hem doen, zonder dat hij zijn gebit opent.

De eigenschappen van de Doggen waren reeds aan de Romeinen bekend, en werden door hen op hoogen prijs gesteld, omdat deze dieren meer dan alle overige Honden geschikt waren, om een hoofdrol in de bloedige spelen van het Circus te vervullen.

Niet alle Doggen zijn aangename gezellen van den mensch. Het is wel eens voorgekomen, dat zij hun eigen, nieuwen meester in staat van beleg verklaarden en hem dwongen te blijven waar hij was. Het is daarom best te begrijpen, waarom de Bulhonden tegenwoordig niet meer zeer in den smaak vallen. Zij zijn echter niet zoo arm aan geest, als men gewoonlijk meent; integendeel, sommige dieren van dit ras komen in verstand den Poedel zeer nabij.

Tot de Doggen behoort ook nog een caricatuur van een Hond, men vergeve mij de uitdrukking, n.l. de Mops, eigenlijk een Bullenbijter in ’t klein, wiens snoet op zeer eigenaardige wijze afgeknot is en die een kurketrekkervormig gekromden staart heeft. Zijn ineengedrongen krachtigen lichaamsbouw en wantrouwigen, brommigen aard, doen hem zeer veel op de Bulhonden gelijken.

De Mops, die vroeger zeer algemeen verbreid, later bijna uitgestorven was, behoort sedert weinige jaren weder tot de geliefde Hondenrassen. Hij wordt licht vertroeteld en bedorven, is dan nukkig en lastig; vele menschen hebben een hekel aan hem.

Een groot ras van Bullenbijters, de Cubaansche Bloedhonden, werd in vroegere tijden voor een afschuwelijk doel gebruikt. Men richtte deze dieren af om menschen te vangen, neer te vellen, of zelfs te dooden. Reeds bij de verovering van Mexico maakten de Spanjaarden gebruik van dergelijke Honden in den strijd tegen, of tot het opsporen van Indianen, en een van hen, Beçerillo genaamd, is beroemd, of liever berucht geworden. Hij muntte evenzeer door stoutmoedigheid als door schranderheid uit. Hij bekleedde een hoogen rang onder de Honden van het leger en kreeg daarom een dubbele portie eten. Bij den aanval was hij gewoon zich in de dichtste drommen der Indianen te werpen, één hunner bij den arm te vatten en hem op deze wijze als gevangene weg te brengen. Als hij gehoorzaamde, deed de Hond hem overigens geen kwaad, als hij echter weigerde mede te gaan, wierp het dier hem oogenblikkelijk op den grond en beet hem dood. De Indianen die zich onderworpen hadden, wist hij nauwkeurig te onderscheiden van de vijanden en deed hen geen leed.

Nog in het jaar 1798 werden op Jamaika Honden van dit ras voor het bedwingen van een slavenoproer gebruikt; toen waren het echter geen Spanjaarden, maar Engelschen, die op deze wijze op menschen jacht maakten.

Een andere Dog, die eveneens reeds aan de Romeinen bekend was, is de Tibetaansche, een prachtig, groot dier, dat een werkelijk indrukwekkend voorkomen heeft. In grootte overtreft hij alle overige rassen, bovendien is hij schoon van gestalte en fraai van kleur. De langharige, ruige vacht is grootendeels zwart, de snuit en de wenkbrauwenstreek zijn geelachtig. De bruikbaarheid en gehoorzaamheid van dit dier worden in zijn vaderland zeer geroemd; in alle dorpen van de gebergten van Tibet doet het dienst als bewaker van het huis en van het vee.

Tibetaansche Dog (Canis familiaris molossus tibetanus). 1/12 v. d. ware grootte.
Tibetaansche Dog (Canis familiaris molossus tibetanus). 1/12 v. d. ware grootte.

Tibetaansche Dog (Canis familiaris molossus tibetanus). 1/12 v. d. ware grootte.

*

De Dashonden (Canis familiaris vertago), in Engeland Terrier genoemd, verschillen aanmerkelijk van de Doggen. Zij onderscheiden zich van alle overige rassen door den hoogst eigenaardigen vorm en andere merkwaardige eigenschappen. De lange, rolvormige, naar onderen gekromde romp, met den naar binnen gebogen rug, die op korte, verdraaide pooten rust, de groote kop en de groote snoet met het degelijke gebit, de hangende ooren, de groote teenen met de scherpe klauwen en het korte, gladde, stijve haar kenmerken hen. De pooten zijn zeer kort, plomp en sterk; de voorste ledematen zijn naar binnen gebogen, zoodat de handgewrichten elkander bijna aanraken, vandaar te beginnen zijn zij echter plotseling weder naar buiten gekromd; aan de achterpooten merkt men een iets hooger geplaatsten, met een klauw gewapenden binnenteen op. De staartspits bereikt nagenoeg het hielgewricht; de staart wordt hoog naar boven gericht en sterk naar binnen gebogen, zelden recht uitgestrekt gedragen. Het haar is kort en grof, maar glad en nog al verschillend van kleur, aan de bovenzijde gewoonlijk zwart of bruin, van onderen roestrood, niet zelden ook eenkleurig bruin of geelachtig, soms zelfs grijs of gevlekt. In den regel staan een paar licht roestroode vlekken boven de beide oogen.

De afkomst van den Dashond ligt nog geheel in ’t duister. Xenophon heeft hem, naar ’t schijnt, gekend; ook vindt men hem afgebeeld in oud-Egyptische tempels. In verhouding tot zijn geringe grootte is de Dashond een buitengewoon sterk dier, dat bovendien zeer moedig is. Op de jacht verzot, zelfs meer dan de meeste andere Honden, zou hij voor de vervolging van alle soorten van wild gebruikt kunnen worden, als hij niet de onhebbelijkheid had, zich weinig of niet om het bevel van zijn meester te bekommeren en gewoonlijk ook die van te “scheuren”, d. w. z. het buit gemaakte wild aan te vreten. Alle Dashonden hebben een zeer fijnen speurneus en een buitengewoon fijn gehoor; moed en verstand bezitten zij in de hoogste mate, ook zijn zij dapper en volhardend; zij kunnen daarom voor iedere jacht gebruikt worden; zelfs op een Wild Zwijn gaan zij onverschrokken af; zeer behendig weten zij buiten het bereik te blijven van de tanden van dit woedende dier, dat hen wegens hun geringe hoogte toch al niet zoo gemakkelijk pakken kan als een grooteren Hond. Zij zijn schrander, leerzaam, trouw, vroolijk en prettig in den omgang, waakzaam, laten zich door vreemden niet licht tot ontrouw verleiden; ongelukkig zijn zij tevens listig en diefachtig, en op lateren leeftijd ernstig, knorrig, bijtlustig en dikwijls valsch.

Op de jacht heeft men dikwijls heel wat moeite met hen. De Dashond wijdt zich aan de vervolging van het wild met een ongeloofelijken ijver en begeeft zich in de verwardste wildernissen; ook vindt hij, geholpen door zijne voortreffelijke zintuigen, weldra een stuk wild: nu echter vergeet hij alles. Al is hij vroeger ook nog zoo vaak gekastijd geworden wegens zijn ongehoorzaamheid, de jager moge hem fluiten, roepen, naar hem zoeken,—het baat alles niets: zoo lang hij het wild voor oogen heeft of het spoor er van vervolgt, gaat hij zijn eigen gang met een eigenzinnigheid, die bij geen ander ras van Huishonden in deze mate voorkomt. Uren achtereen vervolgt hij den opgejaagden Haas, uren lang woelt en graaft hij in een hol, waarin een Konijn zich verscholen heeft, onvermoeid rent hij een Ree achterna en vergeet onder deze bedrijven volkomen afstand en tijd. Als hij vermoeid is, gaat hij liggen, en zet de jacht voort, als hij uitgerust is. Om deze redenen is de Dashond gewoonlijk slechts voor één jachtbedrijf bruikbaar: n.l. om dieren, die onder den grond wonen, uit hunne holen te verdrijven.

Dressuur heeft de Dashond niet noodig. Men tracht jongen te verkrijgen van een recht goede teef en houde ze gedurende den zomer in een open hok, in den winter in een warmen stal; men moet ook alles vermijden, wat hen schroomvallig zou kunnen maken; want den moed, die hun van nature eigen is, moet in alle omstandigheden gestaald of althans in stand gehouden worden.

Van den bij ons zeer zeldzamen Otterhond, die naar zijn vaderland Skije-terrier heet, is de afkomst niet met zekerheid bekend; volgens sommigen is hij ontstaan door kruising van een Ruigharigen Terrier met een aan de Dashonden verwant ras, dat rechte pooten heeft, en Spithond genoemd wordt, omdat men het in Engeland en Frankrijk voor ’t draaien van ’t braadspit gebruikt, en hiervoor, evenals bij ons den Karnhond, in een tonvormig treerad laat loopen.

De Otterhond is een forsch gebouwd dier, met tamelijk langen romp, rechte pooten, langen kop, tamelijk spitsen snoet en hangende ooren; zijn schouderhoogte bedraagt niet zelden 60 cM. Zijn ruige, verwarde middelmatig lange vacht is meestal licht (grijs of geel) van kleur. Hij is zeer goed tegen temperatuurswisselingen bestand, kan uitstekend zwemmen en duiken, en wordt daarom veel voor de otter-jacht gebruikt. Vroeger deed dit dier ook wel bij de Hazenjacht dienst; het heet daarom ook thans nog “Welsh Harrier.”

*

De groep der Jachthonden (Canis familiaris sagax) omvat een veel grooter aantal rassen en vormen dan die der Dashonden; ook zijn zij veel beter geschikt om goed afgericht te worden voor de diensten, die men van hen verlangt; zij nemen hierdoor onbetwistbaar den hoogsten rang in onder de Huishonden. Reeds bij ons is het aantal rassen niet onbelangrijk; veel meer heeft men er echter in Groot-Brittannië, waar men zich reeds sinds lang met ijver op het veredelen van deze uitmuntende dieren toelegt. Dit doel wordt vooral door een doelmatige keuze van de voor ’t fokken gebezigde rassen bereikt; steeds leert de ervaring, dat uitmuntende ouders voortreffelijke jongen voortbrengen. Alle deze dieren zijn krachtig, snel ter been en door de hooge ontwikkeling hunner zintuigen, en vooral door hun uiterst fijnen reuk meer dan de overige Honden voor de jacht geschikt. Zij hebben zulk een sterk speurvermogen, dat zij het spoor van het wild nog na verloop van uren, ja zelfs van dagen, door den reuk waarnemen kunnen.

Van de hiertoe behoorende rassen willen wij de meest bekende, de Staande Honden, het eerst beschouwen. Zij zijn middelmatig groot en tamelijk forsch gebouwd; hun snoet is lang en dik, de neus soms gespleten, het oor breed, lang en hangend (men noemt de oorlappen “het behang”); zij zijn òf kort en gladharig, òf langharig, òf ruigharig; hun kleur is gewoonlijk wit met bruine, zeldzamer met zwarte vlekken; men treft echter ook geheel witte, bruine, zwarte of gele exemplaren aan.

De namen waaronder verschillende rassen van Jachthonden hier te lande bekend zijn, worden wel eens verwisseld, of althans door sommigen in ruimeren zin gebruikt dan door anderen. Zoo wordt de naam Staande Hond soms beperkt tot de gladharige verscheidenheid; terwijl de naam Patrijshond meer bepaaldelijk tot aanduiding van de lang- en ruigharige rassen dient. Beide namen worden echter ook wel gebezigd tot aanwijzing van al deze rassen te zamen genomen. De Engelschen zijn in dit opzicht nauwgezetter. Hun gladharige Staande Hond heet Pointer: dit dier “teekent” (d. w. z. wijst den jager het wild) door in de nabijheid van het door hem opgespoorde dier onbewegelijk te blijven staan, het heeft den neus naar het doelwit van de jacht gericht (chien d’arrêt). De langharige Engelsche staande Hond heet Setter, omdat hij gewoon was te “teekenen” door te gaan zitten of liggen bij de plaats waar het wild verborgen is (chien couchant); tegenwoordig wordt hem meestal geleerd, dit op dezelfde wijze te doen als de Pointer.

De Staande Honden zijn uitmuntende, schrandere, leerzame, volgzame dieren, hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op allerlei wild, en hiervoor in den letterlijken zin van ’t woord onontbeerlijk. Zij sporen het wild op, zoowel door het nauwgezet volgen van het versche spoor, als ook doordat zij van de dieren zelf de lucht krijgen; in gunstige omstandigheden kunnen zij het kleine wild reeds op een afstand van 30 en zelfs van 50 schreden door den reukzin waarnemen.—Diezel roemt den Staanden Hond als verreweg de voortreffelijkste van alle Jachthonden. Den hoogsten trap van volkomenheid zal dit dier echter alleen dan bereiken, als zijn afkomst geheel zuiver is, zoodat het van nature een uitmuntenden aanleg, en vooral een zeer scherpen reuk bezit. Het mag niet door vreemden opgevoed zijn, maar moet, om ieder woord, iederen wenk van den jager, wiens metgezel hij zal worden, te leeren verstaan, geen anderen meester gekend hebben. Deze moet alle eigenschappen van een goeden opvoeder, en wel in de eerste plaats geduld, in hooge mate bezitten, en bovendien een uitmuntend schutter zijn.

Diezel beschrijft de werkzaamheid van den Staanden Hond als volgt: “Een volkomen goed afgerichte, van jongs af doelmatig geleide Hond van 3 of 4 jaar, zal, volgens zijn natuurdrift, het wild opsporen met een steeds naar den wind gerichten neus, en zich nu eens naar rechts, dan weer naar links begeven. Van tijd tot tijd blijft hij even stilstaan, en kijkt om naar zijn meester, die dan door een gebaar de streek aanwijst, die afgezocht moet worden. Deze wenken worden zeer nauwkeurig opgevolgd. Zoodra het dier de lucht krijgt van het gezochte wild, wordt de beweging van den staart, die vóór dien tijd geen oogenblik in rust was, plotseling gestaakt. De Hond verandert op eens in een levend beeld. Dikwijls echter sluipt hij als een Kat, met lichte schreden, dichter bij, voordat hij geheel stilstaat. Weinige oogenblikken later wendt hij den kop naar zijn meester, om te zien, of deze het teeken heeft opgemerkt en nadert. Wanneer de jager, door den aard van het terrein (b.v. in een bosch of in het hooge koorn) den Hond niet zien kan, zal deze soms voor een korte poos zijn plaats verlaten en zijn meester opzoeken, om hem naar het gevonden wild te geleiden. Van de vele Honden, die ik gehad en gebruikt heb, waren echter slechts eenige zoo loos; ook waren zij dit niet reeds in den eersten tijd, maar leerden het eerst in latere jaren.”

Staande Hond (Canis familiaris sagax avicularius). Langharig ras. ⅛ v. d. ware grootte.
Staande Hond (Canis familiaris sagax avicularius). Langharig ras. ⅛ v. d. ware grootte.

Staande Hond (Canis familiaris sagax avicularius). Langharig ras. ⅛ v. d. ware grootte.

De Hond leert alle bij de jacht vereischte handelingen door langdurige dressuur. Waarschijnlijk is bij geen enkel dier de machtige invloed, dien de mensch door onderricht en goede behandeling kan oefenen, duidelijker zichtbaar dan bij den Staanden Hond. Een goed onderwezen Jachthond is werkelijk een bewonderingwekkend dier, en een onbekwame jager wordt door den goed gedresseerden Jachthond, die hem vergezelt, niet zelden op duidelijk merkbare wijze berispt. Zoo heb ik een Patrijshond gekend, Basko genaamd, die alles deed, wat men van een dier van zijn soort verlangen kan. Zijn meester was een uitmuntend schutter, die in den regel bij twintig schoten op Vogels in de vlucht twintig treffers had, of hoogstens éénmaal misschoot. Eens kreeg hij bezoek van een zoon van een vriend, een jong ambtenaar, die veel beter met de pen overweg kon, dan met het geweer, en deze vraagt verlof een weinig te mogen jagen. De oude jager stemt toe, maar zegt tevens: “Schiet vooral goed, anders neemt Basko het u erg kwalijk!” De jacht begint; Basko krijgt weldra de lucht van een vlucht Patrijzen, en “staat” voor hen als een marmeren beeld. Hij krijgt bevel, ze op te jagen. De Patrijzen vliegen, het schot knalt, maar geen enkele Vogel valt ter aarde. Basko kijkt hoogst verbaasd om, en geeft duidelijk te kennen, dat hij niet weinig uit zijn humeur is. Hij gaat echter nogmaals mede, spoort een tweede vlucht Patrijzen op, die er even goed afkomen als de vorige. Nu was de maat vol! De Hond gaat dicht bij den onbekwamen jager langs, werpt hem een blik vol van de diepste verachting toe, en snelt ijlings naar huis. Nog jaren daarna was het den jager, wien dit overkwam, onmogelijk, den Hond, die zoo hartstochtelijk veel van jagen hield, naar het veld mede te nemen; de verachting voor den onbekwamen schutter was te diep in zijn hart geworteld.

Het spreekt van zelf, dat een van aanleg goede Hond een uitmuntenden opvoeder moet hebben, zoo er van hem iets goeds zal groeien. De africhting is een zeer moeielijke zaak; geduld, ernst en liefde voor het dier, zijn de hoofdvereischten. Vroeger ging men op gewelddadige wijze te werk, met zweep en kralen-halsband; ook thans nog zijn er niet weinige africhters, die zich van deze marteltuigen bedienen. Velen echter handelen volgens andere, betere beginselen. Zij beschouwen hunne leerlingen niet als slaven, maar als verstandige helpers; zij behandelen hen naar dezen regel, en doen dit van den beginne af.

De Speurhond (in Duitschland Schweisshund, in Schotland Bloodhound of Talbot genoemd), gelijkt in grootte en gestalte op een gladharigen Staanden Hond. Van zijn afkomst is niets zekers bekend. De dieren, die tot dit ras behooren, zijn forsch gebouwd; hun kleur is gewoonlijk als die van run, of wisselt af van rood tot vaalgeel, met een zwartachtig waas aan den snoet en aan de ooren; dikwijls hebben zij een donkere streep over den rug. De kop is breed, weinig gewelfd; de zwarte of bijna vleeschkleurige neus is merkbaar breeder dan bij de overige Jachthonden; de lippen van den stompen snoet hangen breed af, en vormen in den mondhoek een sterke plooi; de breede, afhangende ooren zijn middelmatig lang en van onderen afgerond; de uitdrukking van het gelaat is ernstig, schrander en edel. De staart neemt ongevoelig in dikte af tot aan de spits. Zijn stem is vol en diep; hij slaat op een eigenaardige, gerekte wijze aan, zoodat ieder, die hem eenmaal gehoord heeft, hem gemakkelijk weder herkent.

Hertenhond (Canis familiaris sagax acceptorius). 1/10 v. d. ware grootte.
Hertenhond (Canis familiaris sagax acceptorius). 1/10 v. d. ware grootte.

Hertenhond (Canis familiaris sagax acceptorius). 1/10 v. d. ware grootte.

De Speurhond is een bijna onmisbare helper bij de jacht op grootwild: hij moet het spoor van het dier volgen, wanneer het aangeschoten is. Aan de lijn gehouden (als leihond) brengt hij bij het “nazoeken” den jager stil door bosch en struiken naar de plaats, waar het gewonde dier zich heeft neergelegd; als men hem los laat loopen, en hij het wild gestorven vindt, dan slaat hij “dood” aan; als het wild nogmaals is gaan loopen, vervolgt hij het al blaffend, tot zijn meester nadert, en aan de jacht met een treffer een einde maakt.

In vroeger tijden werd de Speurhond door de Engelschen in hunne oorlogen tegen Schotland, Ierland en Frankrijk gebruikt. Ook beschermde hij zijn meester en diens huis en hof tegen de destijds veelvuldig voorkomende roovers, en spoorde dieven op. Naar men meent, is de Talbot de stamvader van de Pointers, Setters en Voshonden.

Bij de Parforce-jacht wordt het wild door de Honden, die in dit geval tot koppels van 6 à 40 stuks vereenigd moeten blijven, zoo lang nagejaagd, tot het, door vermoeienis uitgeput, staan blijft, en, niet zelden na een verwoeden tegenstand, door de Honden gegrepen, of door den jager, die te paard het wild volgt, afgemaakt wordt. Het wild wordt dus “par force” (door krachtsinspanning) verkregen, en niet van uit de verte geschoten. Voor dit doel dienen verschillende rassen van Honden, die daarom Parforce-honden of Brakken (chiens courants) heeten.

Eén van deze, de Schotsche Hertenhond (Greyhound, Deerhound), die naar men zegt, ontstond door kruising van Bloedhond en Windhond, en de eigenschappen van beide rassen in zich vereenigt, onderscheidt zich door een zeer fijn speurvermogen en door buitengewone snelheid. Tegenwoordig bezit de Engelsche koningin nog maar weinig van deze dieren. Vroeger was dit anders. George III was een hartstochtelijk liefhebber van de hertendrijfjacht, waaraan hij dikwijls in persoon deel nam. Niet zelden werd met zulk een ijver gejaagd, dat van de 100 bereden jagers, die aanvankelijk het Hert vervolgden, er nog maar 10 of 20 over waren, als het wild door de Honden gegrepen werd. Vliegensvlug werden ongeloofelijke afstanden afgelegd; de jacht werd dikwijls zoo lang voortgezet, dat een groot deel van de Paarden en zelfs vele Honden hierbij om ’t leven kwamen. Tegenwoordig gaat dit niet meer zoo, daar de meerdere bebouwing van den grond aan deze jacht te veel hinderpalen in den weg legt.

Een veel belangrijker dier is de Voshond. Beroemde mannen hebben zich meer met hem dan met andere zaken bemoeid; dikke boeken zijn over hem geschreven, en ook nu nog stellen de Engelsche grooten dikwijls, naar ’t schijnt, meer belang in hunne koppels Voshonden, dan in het lot van geheele volken. Hij vereenigt in zich de snelheid van den Windhond, den moed van den Bullenbijter, den fijnen neus van den Bloedhond, de schranderheid van den Poedel, kortom alle goede eigenschappen van de Honden. Buitengewoon zijn zijne snelheid en volharding. Een goede koppel Honden volgt den Vos halve dagen achtereen, zonder dat hun ijver maar eenigszins verflauwt; de Honden van den hertog van Richmond b.v. vonden, naar Bell verhaalt, ’s morgens om kwart voor acht den Vos en grepen hem eerst even vóór 6 uur ’s avonds, dus na een snellen loop van 10 uren. Verscheidene jagers moesten drie maal van Paarden verwisselen en verscheidene van deze dieren bezweken; van de 40 Honden waren bij het einde van de jacht nog maar 23 aanwezig.

Veel kleiner dan de 55 à 60 cM. hooge Voshond is de Spion (Stöberhund Choupille, Beagle), wiens schouderhoogte slechts 35 cM. bedraagt, en die, naar men beweert, een bastaard van Voshond en Dashond is. Hij jaagt kort onder het geweer en “teekent” voor het wild zonder te “staan”. Vroeger werden koppels van deze dieren veel voor de drijfjacht op Hazen gebruikt, thans zijn zij zeldzaam.

*

Onder den naam Zijdehonden (Canis familiaris extrarius) vat men gewoonlijk een aantal zeer uiteenloopende Hondenrassen samen; zij onderscheiden zich door een uit lange, zijdeachtige haren bestaande vacht, en een middelmatig langen, vooral aan de onderzijde lang, zijdeachtig behaarden staart, die sterk omhoog en rugwaarts gekromd gedragen wordt. Zij heeten ook wel Spaansche Honden (Épagneul, Spaniel), welke naam, naar men beweert, aan dien van het eiland Hispaniola (Haïti) ontleend is. Een dergelijk hondje redde aan Prins Willem I voor Mons het leven. Sommige langharige rassen van Staande Honden zijn, naar men meent, door kruising uit Honden van dit ras verkregen.

Alle Zijdehonden bewegen zich vlug en snel, maar kunnen niet lang achtereen zich inspannen. Zij hebben een fijnen neus en een groot verstand, zonder evenwel bijzonder leerzaam te zijn. Sommige worden voor de jacht op klein wild, vooral Vogels, gebruikt; deze heeten Kwartelhonden of Patrijshonden; hiervoor moeten deze dieren echter een zeer zorgvuldige opvoeding ontvangen, daar zij van nature te driftig en te hartstochtelijk jagen. Zelfs na een uitmuntende dressuur sidderen zij van begeerte bij het vinden van een spoor, en zijn niet in staat hun vreugde of hun ijver te verbergen, maar keffen en blaffen bijna voortdurend. Om deze reden worden zij meer in de kamer gehouden, dan voor de jacht gebruikt. Zij zijn overigens zeer moedig en behouden ook in andere klimaten hun oorspronkelijke vermetelheid, zelfs in het heete Indië, waar de beste uit ons klimaat afkomstige Honden weldra bedorven zijn. Kapitein Williamson verhaalt, dat hij eens een van deze kleine, vermetele dieren zelfs op een Tijger onverschrokken heeft zien los gaan. Het vreeselijke Roofdier keek den kleinen keffer in ’t eerst verwonderd aan, stond daarna echter op, gehinderd door het aanhoudend gekef van den brutalen wijsneus, en vluchtte! De verhaler voegt er bij, dat het een onbeschrijfelijk schouwspel was, deze beide, in grootte en kracht zoo verschillende dieren achter elkander aan te zien rennen, de groote, vreeselijke Tijger met opgeheven staart als voorganger en het moedige Hondje, ruzie zoekend en blaffend, achter hem aan.

De kleine Spaansche of liever Engelsche Hondjes heeten King-Charles, de allerkleinste Blenheim-Hondjes; de eerste naam brengt in herinnering, dat Koning Karel II van Engeland buitengewoon veel van deze diertjes hield en er altijd eenige bij zich had. Zij onderscheiden zich door hun donkere kleur, die trouwens dikwijls een bruinachtige tint vertoont, de witte voorborst, het zijdeachtig zachte, lange haar en het groote, lange “behang”. De allerbeste en meest gezochte van deze diertjes wegen niet meer dan 2,5 KG., de grootsten slechts 3,5 KG. Als kamerhondjes zijn zij zeer gewild, omdat zij er lief uitzien, en ook vroolijk en leerzaam zijn, wanneer zij verstandig behandeld worden. Het zijn de gezelligste dieren, die men zich voorstellen kan: voortdurend op grappen bedacht, laten zij zich met zeer geringe moeite tot het verrichten van aardige kunstjes africhten. Een onaangename eigenschap van deze dieren is, dat hunne oogen altijd nat van tranen zijn, die uit de binnenooghoek af en toe over de wangen vloeien. Ook de Maltezer en Bolognezer Schoothondjes en de Leeuwtjes behooren tot dit ras.

De zooeven genoemde rassen zijn dwergen, de Newfoundlander of Terreneuve is de reus onder de Zijdehonden. Hij is een kolossaal, sterk en forsch dier met breeden, langen kop, eenigszins verdikten snoet, middelmatig groote, hangende, ruig behaarde ooren, sterke borst, krachtigen hals, tamelijk hooge, forsche pooten, welker teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd zijn; dichte, lange, gekroesde of wollige, zachte, bijna zijdeachtige haren vormen de vacht; de ruig behaarde staart is tamelijk lang. De kleur van deze dieren is zeer verschillend. Vele zijn zwart met een heldere, roestgele vlek boven ieder oog en roestgele vlekken aan de keel en aan de voetgewrichten. Een weinig minder veelvuldig komen zwart en wit, of bruin en wit gevlekte, of effen zwartbruine en witte exemplaren voor.

Met recht wordt de Newfoundlander als een van de schoonste rassen beschouwd en zeer gezocht, want al zijne eigenschappen harmonieeren met zijn uitwendige schoonheid en leggen getuigenis af van den goeden stam, waartoe hij behoort. Hij is in de hoogste mate trouw en gehecht aan zijn meester, bovendien verstandig en buitengewoon leerzaam. De Newfoundlander is de beste van alle waterhonden; het water schijnt zijn eigenlijk element te zijn. Hij is een hartstochtelijk liefhebber van zwemmen en verstaat deze kunst uitnemend; hij duikt als een zeedier en kan uren lang in het water blijven. Eens vond men een van deze Honden in een wijde inham van de zee, op mijlen afstands van de kust; men moest wel aannemen, dat hij vele uren lang in de zee rondgezwommen had. Het is den Newfoundlander volkomen onverschillig op welke wijze hij zwemmen moet; hij gaat evengoed tegen stroom en in den wind, als voor den wind af en met den stroom mede. Zonder eenige voorafgegane dressuur haalt hij onvermoeid ieder voorwerp uit het water, zelfs bij de strengste koude, en brengt het aan zijn meester. De mensch kan hem op geen wijze meer genoegen doen, dan door hem de gelegenheid te geven, zich veel in het water op te houden. Dat zijn meester zich met hem te water begeeft, vindt hij nog veel prettiger. De Hond schijnt buiten zichzelf van vreugde te zijn over de ontdekking, dat de mensch, evenals hij, met het water vertrouwd is, en geeft zich alle mogelijke moeite om hierover zijn blijdschap aan den dag te leggen. Nu eens zwemt hij zijn meester vooruit, dan weer achter hem aan, gaat duikend onder hem door, alsof hij hem een eind weegs wilde dragen of ondersteunen, kortom, hij wil in ’t water voortdurend spelen. Als eindelijk zijn meester zich vermoeid naar den oever begeeft, tracht de Hond hem tot een nieuwen wedstrijd over te halen.

Newfoundlander (Canis familiaris extrarius terrae novae). 1/12 v. d. ware grootte.
Newfoundlander (Canis familiaris extrarius terrae novae). 1/12 v. d. ware grootte.

Newfoundlander (Canis familiaris extrarius terrae novae). 1/12 v. d. ware grootte.

St. Bernardshond (Canis familiaris extrarius st. Bernhardi). 1/10 v. d. ware grootte.
St. Bernardshond (Canis familiaris extrarius st. Bernhardi). 1/10 v. d. ware grootte.

St. Bernardshond (Canis familiaris extrarius st. Bernhardi). 1/10 v. d. ware grootte.

De buitengewone geschiktheid van den Newfoundlander voor de beweging in ’t water, maakt hem tot een zeer nuttig dier; zeer dikwijls heeft hij aan verdrinkende menschen het leven gered. In plaatsen, die in de nabijheid van diepe wateren gelegen zijn, is hij de beste kinderoppasser, dien men zich denken kan. Men kan gerust zelfs het kleinste kind aan zijne waakzaamheid en nauwgezetheid toevertrouwen; men kan er zeker van zijn, dat aan het kind niet het geringste leed zal wedervaren, zoo lang de Hond met de zorg er voor belast is. Bij deze voortreffelijke eigenschappen moet men nog voegen zijne groote goedaardigheid en zachtheid als ook zijn dankbaarheid voor ontvangen weldaden; trouwens evenzeer behoudt hij de herinnering aan een onrechtvaardige behandeling of straf, die hij ondergaan heeft; voor lieden, die hem opzettelijk kwellen, wordt hij dikwijls gevaarlijk.

Met den Newfoundlander heeft de St. Bernards- of Bernhardinerhond eenige overeenkomst. “De St. Bernhardshonden,” zegt Tschudi, “zijn groote, langharige, uiterst sterke dieren met korten, breeden snuit en lang ‘behang’; zij zijn buitengewoon scherpzinnig en trouw. Door vier geslachten hebben zij zich zuiver voortgeplant; zij zijn thans niet meer zuiver aanwezig, omdat zij bij hunne trouwe diensten door lawinen om het leven zijn gekomen. Een ras dat weinig van het oorspronkelijke verschilt, wordt nu gefokt, en een jong dier dikwijls zeer duur verkocht. Het vaderland van deze edele dieren is het klooster van den St. Bernard, dat 2472 M. boven den zeespiegel is gelegen, in den somberen bergpas, in welks onmiddellijke nabijheid de winter 8 of 9 maanden duurt. Daar vallen alleen in den zomer groote sneeuwvlokken, in den winter echter droge, kleine, broze ijskristallen, die zoo fijn zijn, dat de wind ze door alle naden van deuren en vensters kan stuwen. Vooral in de nabijheid van het klooster jaagt de wind dit ijspoeder tot losse sneeuwwanden van 30 à 40 voet hoogte op, die paden en afgronden bedekken en bij den geringsten schok in de diepte storten.

“De reis over dezen ouden bergpas is alleen in den zomer bij volkomen helder weder zonder gevaar, bij stormachtig weder daarentegen en in den winter, als de talrijke spleten en kloven door de sneeuw bedekt zijn, is deze tocht vooral voor den hier onbekenden reiziger met vele moeiten en gevaren verbonden. Ieder jaar eischt de berg een zeker aantal slachtoffers. De eene valt in een spleet, de andere wordt onder een sneeuwval bedolven, een derde wordt zoo door den nevel omhuld, dat hij van het pad af geraakt en in de wildernis van honger en vermoeidheid bezwijkt, een vierde wordt bevangen door den slaap, waaruit hij niet weder ontwaakt. Zonder de echt christelijke en zelfopofferende werkzaamheid der monniken zou de weg over den bergpas ieder jaar slechts gedurende weinige weken of maanden begaanbaar zijn. Sedert de achtste eeuw wijden zij zich aan de edele taak van de verzorging en redding der reizigers. Kosteloos vinden deze in ’t klooster een onderkomen. De stevige steenen gebouwen, waarin het haardvuur nooit uitgaat, kunnen in geval van nood een paar honderd menschen herbergen. De eigenaardigste werkzaamheid der kloosterlingen is echter de steeds door hen verrichte veiligheidsdienst, waarbij de wereldberoemde Honden krachtdadig medehelpen. Iederen dag gaan twee knechten van het klooster over de gevaarlijke plaatsen van den pas: één van de laagst gelegen herdershut van het klooster naar het hospitium omhoog, de andere in omgekeerde richting. Bij onweder of sneeuwafstortingen wordt hun aantal verdrievoudigd; verscheidene geestelijken voegen zich dan bij de ‘zoekers,’ die door de Honden vergezeld worden en met schoppen, staven, draagbaren en ververschingen voorzien zijn. Ieder verdacht spoor wordt zorgvuldig gevolgd, voortdurend klinken de signalen; op de Honden wordt nauwkeurig gelet. Deze zijn zeer fijn gedresseerd op het volgen van het spoor van menschen, en zwerven vrijwillig soms dagen achtereen door alle afgronden en wegen van het gebergte. Als zij een door de koude verstijfd mensch vinden, loopen zij langs den kortsten weg naar het klooster terug, blaffen luid en leiden de steeds gereed staande monniken naar den ongelukkige. Als zij een lawine ontmoeten, onderzoeken zij, of zij niet het spoor van een mensch ontdekken, en als hun fijne neus hun daarvan de zekerheid geeft, beginnen zij onmiddellijk den bedolvene te ontgraven, waarbij hunne forsche klauwen en groote lichaamskracht hun goed te pas komen. Gewoonlijk dragen zij aan den hals een korfje met versterkende middelen of een fleschje wijn, op den rug dikwijls wollen dekens. Het aantal menschen, die door deze schrandere Honden gered zijn, is zeer groot; in de geschiedboeken van het klooster wordt er nauwkeurig aanteekening van gehouden. De beroemdste Hond van dit ras was Barry, een onvermoeid werkzaam dier, dat aan meer dan 40 menschen het leven redde.”

Een dichter heeft dezen Hond bezongen; Tschudi haalt dit gedicht in zijn werk aan; ik ken echter een nog beter gedicht, hoewel het niet in gebonden taal geschreven is, n.l. de beschrijving, die Scheitlin van Barry geeft. “De allervoortreffelijkste Hond, dien wij kennen,” zegt hij, “was niet die, welke de wachten van den Akropolis van Korinthe deed ontwaken, ook niet de Bloedhond Beçerillo, die honderden van naakte Amerikanen heeft verscheurd, niet de Hond van den scherprechter, die op bevel van zijn meester, een beangste reiziger vergezelde en beschermde bij zijn tocht door het uitgestrekte, duistere woud, ook niet Dryden’s ‘Draak,’ die na een wenk van zijn meester, op vier bandieten aanviel, eenige hunner doodde en zóó zijn heer het leven redde, niet die, welke thuis berichtte, dat het kind van den molenaar in ’t water was gevallen, evenmin de Hond, die zich van den brug te Warschau in den stroom stortte en een klein meisje aan den dood in de golven ontrukte, ook niet Aubry’s Hond, die woedend den moordenaar van zijn meester aanviel en hem na een strijd, die in tegenwoordigheid van den koning plaats had, verscheurde, ook niet de Hond van Benvenuto Cellini, die den beroemden goudsmid dadelijk wekte, toen men juweelen stelen wilde, maar Barry, de heilige Hond van den St. Bernard! Gij, Barry, verhevenste van alle Honden, verhevenste van alle dieren! gij waart een groote, verstandige Hond met een menschenziel, een warme ziel voor ongelukkigen. Meer dan 40 menschen hebt gij het leven gered. Met een korfje vol brood en zoete, versterkende lafenis aan den hals, verliet gij het klooster, bij sneeuwjacht zoowel als bij dooiweder, dag aan dag, om ingesneeuwde, door lawinen bedekte ongelukkigen op te zoeken, om ze op te graven, of om, ingeval dit onmogelijk bleek, snel naar huis te rennen, opdat de kloosterbroeders met u kwamen en met spaden u bij ’t graven hielpen. Gij waart het tegendeel van een doodgraver, gij bracht opstanding teweeg. Zeker hebt gij, zooals een fijngevoelig mensch dit kan, door sympathie u verstaanbaar kunnen maken; anders zou het door u opgegraven knaapje niet op uw rug hebben durven klimmen, om zich door u naar het gastvrije klooster te laten dragen. Daar aangekomen, trokt gij aan de schel der heilige poort, om aan de barmhartige broeders den dierbaren vondeling ter verzorging over te geven. En toen de zoete last u afgenomen was, sneldet gij dadelijk opnieuw naar buiten om uw onderzoek voort te zetten. Door iedere naar wensch geslaagde poging nam uw ervaring toe en werdt gij vroolijker en deelnemender. Dat is de zegen van de goede daad, dat zij voortdurend goede gevolgen teweegbrengt!”

Ook op den St. Gotthard, den Simplon, den Grimsel, den Furka en alle andere hospitiën worden, volgens Tschudi, uitmuntende Honden gehouden, die een uiterst fijnen neus voor menschen hebben, dikwijls Newfoundlanders of kruisingsproducten van deze. De hospitiumbewoners op al deze plaatsen verzekeren, dat hunne Honden vooral in den winter het naderen van slecht weder reeds 1 uur van te voren opmerken, en door onrustig rondloopen op een onbedriegelijke wijze aanduiden. Zoo beroemd als Barry is geen hunner echter geworden.

Een Zijdehond is ook de algemeen bekende Poedel. Hem te beschrijven, komt ons onnoodig voor, daar hij, zooveel eigenaardigheden heeft, die ieders aandacht trekken. De ineengedrongen bouw van het lichaam met de lange, wollige, vlokkige haren, die op vele plaatsen echte lokken vormen en den geheelen Hond met een dicht kleed voorzien, de lange en breede ooren onderscheiden hem van zijne verwanten. Een fraaie Poedel moet geheel wit of geheel zwart zijn; hoogstens mag hij op zijn overigens zuiver zwarte vacht een witte bles of een borstvlek hebben.

De Poedel verraadt zijn verwantschap met de overige Zijdehonden, doordat hij zooveel van het water houdt. Hij zwemt goed en gaarne, en kan ook wel voor de jacht afgericht worden. Veel beter echter is hij geschikt om den mensch gezelschap te houden; in dit opzicht doet hij al wat van een dier verwacht kan worden. Om zijn karakter te schetsen, ontleen ik de woorden aan Scheitlin, een zijner warmste vereerders. “Van alle Honden is de Poedel het best gebouwd. Hij heeft den fraaist gevormden kop, den best gebouwden romp, de schoonste gestalte, een volle, breede borst, goed gevormde pooten; hij is niet hoog en niet laag, niet lang en niet kort en heeft een zeer waardig voorkomen. Reeds door zijn lichaamsbouw is hij beter dan andere Honden voor allerlei kunstverrichtingen geschikt. Het dansen kan hij uit zich zelf leeren; want zijn half-menschelijke aard spoort hem aan, zich naast zijn meester op te richten, zich op de achterpooten te verheffen en rechtop te gaan. Spoedig genoeg wordt hij gewaar, dat hij het zou kunnen, en hij doet het zeer dikwijls uit zich zelf, wanneer hij wil. Zijn smaakzin is fijn; hij onderscheidt de spijzen zeer goed en is een lekkerbek. Zijn reukzin is beroemd. Wanneer men hem van een zoek geraakt kind een schoen of een ander kleedingstuk laat ruiken, kan hij door het onthouden van dezen reukindruk het verloren kind terugvinden. Hij vergist zich zoo goed als nooit: de reuk is voor hem het beste herkenningsmiddel. Zijn algemeen gevoel is eveneens fijn; voor lichaamssmarten is hij zeer gevoelig; hij is kleinzeerig. Zijn gehoor is voortreffelijk. Van verre herkent hij de stem zijns meesters, merkt verschil op in de wijze waarop deze spreekt, onderscheidt de klokken en schellen, herkent de huisgenooten aan hun wijze van gaan en aan het geluid hunner voetstappen. Zijn gezichtsvermogen is echter minder ontwikkeld: hij ziet niet goed, hij herkent zijn meester door het gezicht alleen als deze tamelijk nabij is.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings