← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren

De Roofdieren (Carnivora). (continued 6)

Reading edition

Nog veel meer munten de Honden uit door hunne geestvermogens. Zelfs de laagst ontwikkelde soorten geven merkwaardige blijken van list en sluwheid, die trouwens bij sommige aan den (bij andere in zoo hooge mate voorkomenden) moed wel eenige afbreuk doen. De hooger staande Honden echter en meer bepaaldelijk die, welke met de menschen verkeeren, of, beter gezegd, zich met lichaam en ziel aan hen overgegeven hebben, bewijzen dagelijks, dat hunne geestvermogens een trap van ontwikkeling hebben bereikt, die bij geen ander dier wordt aangetroffen. De tamme Hond en de in ’t wild levende Vos handelen met schrander overleg en voeren zorgvuldig doordachte plannen uit, welker afloop zij met groote gewisheid van te voren schatten. Door zijn verstand is de Hond ten nauwste met den Mensch verbonden geraakt; hierdoor verheft hij zich boven alle overige dieren.

De Honden voeden zich hoofdzakelijk met dierlijke stoffen, vooral met Zoogdieren en Vogels. Zij eten versch gedoode dieren niet liever dan krengen, voor welke sommigen zelfs een duidelijke voorkeur schijnen te hebben. Enkele verslinden ook zeer graag beenderen; andere vinden zelfs in de vuilste uitwerpselen van het menschelijk lichaam nog een gewenschte spijs. Bovendien eten zij Kruipende Dieren, Amphibiën, Visschen, Schaaldieren, Insecten of honig, ooft, veld- en tuinvruchten, ja zelfs boomknoppen, uitspruitsels, wortels, gras en mos. Vele zijn zeer vraatzuchtig en dooden meer dieren dan zij verslinden kunnen; de bloeddorst vertoont zich hier echter nooit in een zoo afschrikwekkende gedaante als bij sommige Katten en Marters; er is geen enkele Hond, die zich aan het bloed van de door hem gedoode slachtoffers met welgevallen bedwelmt.

De vruchtbaarheid van de Honden is grooter dan die der Katten; het aantal jongen bereikt bij hen soms de uiterste grenzen van het voortplantingsvermogen der Zoogdieren in ’t algemeen. Men kan aannemen, dat de Honden gemiddeld 4 à 9 jongen werpen; het is echter wel eens gebeurd (hoewel zulke gevallen tot de uitzonderingen behooren), dat een Hond in een worp 18 en zelfs 23 jongen ter wereld bracht. Het komt voor, dat een vader zijn kroost of dat een andere mannetjeshond de jonge nakomelingschap van een teef met moordzuchtige bedoelingen vervolgt en opvreet, als hij kan: vooral heeft dit plaats bij de Wolven en Vossen, die in sommige gevallen ook hunne volwassene soortgenooten niet sparen. Bij de meeste soorten echter worden ook de jonge dieren dadelijk als leden van het gezelschap beschouwd. De moeder zorgt met ware zelfverloochening voor haar kroost.

Daar verscheidene soorten van Honden in de door hen bewoonde gewesten zeer talrijk vertegenwoordigd kunnen zijn, is de schade, die de geheele familie dooreengenomen aanricht, vrij belangrijk; de soorten, die den mensch benadeelen, worden daarom overal onbarmhartig vervolgd. Hier staat tegenover, dat de kleinere soorten ons door het wegvangen van schadelijke Knaagdieren en Insecten of door het uit den weg ruimen van krengen en andere afval goede diensten bewijzen en ons bovendien nog door hun vacht, hun huid en hunne tanden nuttige producten leveren.

Men kan de Honden in drie geslachten verdeelen en twee van deze weder in kleinere groepen splitsen. Deze geslachten omvatten de Wolven of Wilde Honden met ronde pupil en korten staart (Canis), de Vossen, met spleetvormige pupil en langen, ruigen staart (Vulpes) en de Lepelhonden, grootoorige woestijnbewoners met een afwijkend, uit zeer vele tanden samengesteld gebit (Otocyon).

*

Om den Huishond en zijne tallooze rassen juist te beoordeelen, is het volstrekt noodzakelijk, zijne in ’t wild levende verwanten, de Wolven (Canis), waaronder men zijne voorvaders moet zoeken, te leeren kennen. Bovendien is het wenschelijk van de vrij levende Honden tot de getemde over te gaan. Gene leeren ons, wat de Hond was, voordat hij zich aan den mensch onderwierp; in hen zien wij nog het oorspronkelijke, in den getemden Hond het veranderde en, gelijk men wel zeggen mag, het vermenschelijkte dier.

In het ondergeslacht der Eigenlijke Wolven (Lupus), vereenigen wij alle Wolfachtige Honden (met uitzondering van den Hyena-Hond), hoeveel verschil in uitwendig voorkomen zij ook vertoonen, voorzoover hun gebit uit 42 tanden bestaat; zij onderscheiden zich door een matig grooten kop met tamelijk spitsen snuit.

De Wolf (Canis lupus, Lupus vulgaris), heeft ongeveer den vorm van een grooten, hoog op de pooten geplaatsten, schralen Hond, die den staart laat hangen in plaats van hem opgerold te dragen. Bij nauwkeuriger vergelijking merkt men de volgende punten van verschil op: De romp is mager, de buik ingetrokken; de pooten harmonieeren met dezen bouw van den romp; de langharige staart hangt tot op het hielgewricht naar beneden; de snuit is, met den dikken kop vergeleken, gestrekt en loopt spits toe; het breede voorhoofd helt af; de oogen zijn scheef geplaatst; de ooren staan altijd overeind. De beharing wisselt af al naar het klimaat van de landen, die de Wolf bewoont; zoowel de groeiwijze als de kleur van het haar verschillen. In de noordelijke landen is het haarkleed lang, ruig en dicht; het langst aan het onderlijf en aan de bovenste gedeelten der ledematen, ruig aan den staart, dicht en opgericht aan den hals en aan de zijden; in zuidelijke streken is de beharing over het algemeen korter en ruiger. De kleur is gewoonlijk vaal grijsachtig geel met een zwartachtige tint doormengd, die aan de onderzijde lichter, dikwijls witachtig grijs schijnt. In den zomer zweemt de kleur meer naar rood, in den winter is zij geelachtiger, in noordelijke landen nadert zij meer tot wit, in zuidelijke landen is zij zwartachtiger. Het voorhoofd is witachtig grijs, de snuit geelachtig grijs, altijd echter met zwart gemengd, de lippen zijn witachtig, de wangen geelachtig en soms onduidelijk zwart gestreept, de dichte wolharen zijn vaalgrijs.

Wolf (Canis lupus). 1/9 v. d. ware grootte.
Wolf (Canis lupus). 1/9 v. d. ware grootte.

Wolf (Canis lupus). 1/9 v. d. ware grootte.

Hier en daar komt een zwarte verscheidenheid van den Wolf voor, die men evenals andere kleursafwijkingen, als eenvoudige spelingen moet beschouwen. De Wolven in ’t gebergte zijn over ’t algemeen groot en sterk, de Wolven in de vlakten aanmerkelijk kleiner en zwakker, maar daarom volstrekt niet minder roofgierig of minder geneigd tot den aanval. In Hongarije en Galicië onderscheidt men algemeen de Rietwolven en de Boschwolven.

Een volwassen Wolf bereikt een lichaamslengte van 1.6 M., waarvan 45 cM. op den staart komen; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 85 cM. Een flink exemplaar weegt 40, soms ook wel meer, tot aan 50 KG. De Wolvin onderscheidt zich van den Wolf door een iets zwakkeren lichaamsbouw, een spitseren snuit en een dunneren staart.

Ook nu nog is de Wolf wijd verbreid, hoe zeer ook zijn gebied is ingekrompen in vergelijking met vroegere tijden. Hij bewoont tegenwoordig nog bijna geheel Europa, hoewel hij uit de volkrijkste gedeelten van dit werelddeel verdwenen is. In Spanje komt hij in alle gebergten en zelfs in alle eenigszins uitgebreide vlakten geregeld voor; in Griekenland, Italië en Frankrijk is hij tamelijk veelvuldig, in Zwitserland zeldzamer; in ons land evenals in Middel- en Noord-Duitschland en in Groot-Britannië is hij geheel uitgeroeid; in het oosten van Europa is hij algemeen: Hongarije en Galicië, Kroatië, Krain, Servië, Bosnië, de Donau-vorstendommen, Polen, Rusland, Zweden, Noorwegen en Lapland zijn de landen, waar hij ook thans nog in noemenswaardig aantal voorkomt. Op IJsland en de eilanden van de Middellandsche Zee schijnt hij zich nooit opgehouden te hebben. In de Atlaslanden wordt hij wel gevonden. Bovendien strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over geheel Noordoost- en Middel-Azië, door Afghanistan en Beloetsjistan tot in het stroomgebied van den Indus, misschien tot in de bovenlanden van Pendsjab. In Noord-Amerika heeft hij verwanten, die zoo zeer op hem gelijken, dat men ook wel de noordelijke landen van het westelijk halfrond binnen zijn verbreidingskring heeft getrokken, en niet alleen den Noord-Amerikaanschen, maar ook den Mexicaanschen Wolf als ondersoorten heeft opgevat.

De ouden waren zeer goed met den Wolf bekend. Vele Grieksche en Romeinsche schrijvers maken melding van dit dier, eenige niet slechts met den vollen afschuw, die Isegrim van vroegs af aan heeft ingeboezemd, maar ook reeds met geheime vrees voor zijne bovennatuurlijke, spookachtige eigenschappen. In de oud-Germaansche mythologie wordt de Wolf, het dier van Wodan, eer geacht dan verafschuwd; den laatstgenoemden indruk bracht hij eerst veel later teweeg, toen de christelijke godsdienst het geloof van onze voorouders verdrongen had. Toen veranderde Wodan in den “Wilden Jager” en zijne Wolven in diens Honden. Ten slotte ontstond uit deze de als “Weerwolf” bekende spookgestalte, die bij afwisseling als Wolf en als mensch verscheen, en een bron van ontzetting was voor alle bijgeloovige lieden.

Hoewel de Wolf langzamerhand meer en meer teruggedrongen wordt, is toch de laatste dag van zijn aanwezigheid in de beschaafde Europeesche landen naar alle waarschijnlijkheid nog niet aanstaande. In de vorige eeuw ontbrak dit schadelijk Roofdier in geen der groote wouden van Middel-Europa, en ook in deze eeuw werden in Duitschland, volgens officieele opgaven, altijd nog duizenden van deze dieren gedood. Op Pruisisch gebied werden er in 1817 nog 1080 geschoten. In Pommeren alleen doodde men er in 1800: 118, 1801: 109, 1802: 102, 1803: 186, 1804: 112, 1805: 85, 1806: 76, 1807: 12, 1808: 37, 1809: 43 stuks. Daarna werden zij zeldzamer, maar kwamen weder in groote menigte in het land met het uit Rusland vluchtende Fransche leger, dat hun lijken genoeg als voedsel verschafte.

“De Wolf,” zegt Van Bemmelen, “was vroeger in de meeste streken van ons land zeer gemeen, werd in de 16e eeuw op groote drijfjachten bij honderden gedood. Zelfs in het laatst der vorige eeuw hielden zich in minder bewoonde, boschrijke streken, zooals te Oosterwijk en Heeswijk in Noord-Brabant, nog steeds Wolven op. In lateren tijd werden gedurende zeer koude winters, enkele voorwerpen in de Groesbeeksche, Hoog-Soerensche, Gorteler en Vreebosschen enz. gedurende korteren of langeren tijd aangetroffen, doch deze waren waarschijnlijk uit de Ardennen over de Kleefsche bosschen afgedwaald.”

De Wolf bewoont eenzame, stille landstreken en wildernissen, en wel dichte, donkere bosschen, broekland met moerassige en droge gedeelten, in het zuiden ook de steppen. Men vindt hem zelfs in betrekkelijk kleine en lage, wild groeiende bosschen, op dammen in broekland en moerassen, in rietbosschen, maïsvelden, in Spanje zelfs in koornvelden, dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van bijeenstaande huizen. In dicht bevolkte gewesten vertoont hij zich slechts bij uitzondering voor het aanbreken van de schemering, in eenzame wouden daarentegen begint hij, evenals de Vos in dergelijke omstandigheden, reeds in de namiddaguren zijne omzwervingen; hij sluipt rond, telkens stilstaande om te onderzoeken of er niets te vinden is tot bevrediging van den honger, die hem voortdurend kwelt. Gedurende de lente en den zomer leeft hij eenzaam of in gezelschappen van twee of drie stuks; in den winter voegen de Wolven zich bijeen tot troepen, die uit een meer of minder groot aantal individuën bestaan, al naar de landstreek deze vereeniging begunstigt of niet. De leden van zulk een bende verrichten al hunne werkzaamheden gemeenschappelijk, staan elkander bij, en roepen ingeval van nood door hun gehuil elkanders hulp in. De tot benden vereenigde Wolven zwerven even ver rond als de afzonderlijk levende; zij volgen de richting van gebergten, trekken door vlakten, doorreizen, van het eene bosch in het andere overgaande, geheele provinciën, en vertoonen zich zoodoende geheel onverwachts in gewesten, waarin men ze gedurende geruimen tijd, misschien jaren achtereen, niet had waargenomen. Dat hij bij zijne jacht- en zwerftochten in een enkelen nacht een afstand van 40 à 70 KM. aflegt, is duidelijk gebleken. Niet zelden, in den winter als er een dikke sneeuwlaag ligt, vrij geregeld, vormen de Wolvenbenden lange rotten, doordat deze dieren, evenals de Indianen op hun krijgspad, op korten afstand van en achter elkander loopen, en zooveel mogelijk in elkanders spoor treden, zoodat het zelfs voor een ervaren jager moeilijk wordt, te beslissen, uit hoeveel individuën de bende bestaat.

Wegens de vele beweging die de Wolf maakt, en het groote arbeidsvermogen door hem ontwikkeld, moet de stofwisseling bij hem zeer snel plaats hebben, waarvoor hij een buitengewoon groote hoeveelheid voedsel dient te gebruiken; deze gevaarlijke roover richt dan ook overal waar hij voorkomt, een groote slachting aan onder alle voor hem bereikbare dieren. Het liefst maakt hij jacht op huisdieren en de groote soorten van wild, onverschillig of zij behaard dan wel bevederd zijn; hij behelpt zich echter ook wel met de kleinste en eet zelfs Insecten; evenmin versmaadt hij plantaardig voedsel; hij eet, naar bericht wordt, maïs, meloenen, komkommers, augurken, aardappels enz. De schade, die hij door zijn jacht aanricht, zou, hoewel ook dan nog aanzienlijk, toch misschien nog te dragen zijn, als hij zich niet door zijn onstuimigen jachtijver en onbeteugelde bloeddorst liet vervoeren, om veel meer dieren te dooden, dan hij voor zijn voeding noodig heeft. Juist hierdoor wordt hij tot een plaag voor de herders en jagers, tot den hartstochtelijk gehaten vijand van iedereen. Gedurende den zomer richt hij minder schade aan dan in den winter. Het woud biedt hem n.l., behalve het gewone wild, nog velerlei andere spijzen aan: Vossen, Egels, Muizen, verschillende soorten van Vogels en Kruipende Dieren en ook plantaardige stoffen; van de huisdieren valt hem daarom in dit jaargetijde hoogstens eenig klein vee, dat zonder toezicht in de nabijheid van zijn verblijfplaats graast, ten buit. Onder het wild houdt hij een verschrikkelijke opruiming: hij verscheurt en verjaagt Elanden, Herten, Damherten, Reeën en roeit in zijn jachtgebied bijna alle Hazen uit, maar valt de grootere vee-soorten waarschijnlijk slechts bij uitzondering aan. Dikwijls stelt hij zich gedurende langen tijd tevreden met de allereenvoudigste jachtbedrijven, volgt de tochten van de Lemmingen over een afstand van honderden wersten, en voedt zich dan uitsluitend met deze Woelmuizen, of zoekt Hagedissen, Ringslangen en Kikvorschen en zamelt Meikevers in. Van aas is hij een hartstochtelijk liefhebber; daar waar hij met den Los één gebied bewoont, maakt hij op diens slachtplaatsen den disch schoon.

Op geheel andere wijze treedt hij gedurende den herfst en den winter op. Thans besluipt hij onverpoosd het vee in de weide en spaart zoo min groote als kleine dieren; de weerbare Paarden, Runderen en Zwijnen hebben alleen dan geen last van hem, als zij aaneengesloten troepen vormen, en hij zich nog niet met zijne rotgezellen tot benden vereenigd heeft. Als de winter aanvangt, nadert hij de dorpen en steden meer en meer; hij komt b.v. tot aan de eerste huizen van St. Petersburg, Moskou en andere Russische steden, dringt in de Hongaarsche en Kroatische dorpen door, doorloopt zelfs steden van de grootte van Agram en houdt zich in kleine vlekken en dorpen geregeld met de jacht bezig; vooral de Honden leveren hem een zeer begeerde spijs; zij zijn de eenige buit, die hij in de nabijheid van de dorpen gemakkelijk kan verkrijgen. Andere gelegenheden om voedsel te verkrijgen worden trouwens volstrekt niet ongebruikt gelaten; zonder aarzeling sluipt hij een stal binnen, en doodt zonder genade of barmhartigheid al het kleine vee, dat hij er vindt. Zulk een inbraak van den vermetelen roover in de veestallen behoort echter steeds tot de zeldzaamheden, terwijl daarentegen de bewoners van alle dorpen in de door Wolven bewoonde gewesten iederen winter een groot aantal van hunne Honden verliezen, op gelijke wijze als de wolvenjager iederen zomer verscheidene van zijne trouwe helpers moet missen. Als de Wolven zich tot benden vereenigen om te jagen, vallen zij ook Paarden en Runderen aan, hoewel deze hun leven weten te verdedigen. In Rusland wordt verteld, dat benden hongerige Wolven zelfs Beren te lijf gaan, en na hevigen strijd ten slotte dooden. Veilig kan men zeggen, dat de Wolf jacht maakt op alle levende dieren, die hij meent te kunnen overmeesteren. Altijd en overal echter ontziet hij, zoolang hem dit mogelijk is, den mensch. De akelige moordgeschiedenissen, die, evenals van den Tijger, ook van den Wolf verhaald en door de fantazie op velerlei wijzen opgesierd worden, bevatten slechts een zeer kleine kern van waarheid. Een troep door den honger gekwelde en door woede verblinde Wolven zal bij gelegenheid ook wel menschen, zelfs weerbare volwassenen, aanvallen, dooden en verslinden; de gevaren, die den mensch bedreigen in de door Wolven bewoonde landen, zijn echter niet zoo verschrikkelijk als zij soms worden voorgesteld. Een afzonderlijk jagende Wolf zal waarschijnlijk niet licht een aanval wagen op een krachtigen man, al is deze slechts met een knuppel gewapend, tenzij allerlei ongunstige omstandigheden bijeenkomen; weerlooze vrouwen en kinderen staan ongetwijfeld meer bloot aan dit gevaar.

Uit de bovenstaande mededeelingen blijkt genoegzaam, hoe schadelijk de Wolven zijn. Voor de nomadische volken en voor alle volken die vee houden, zijn zij ontegenzeggelijk de ergste van alle vijanden. Er zijn gevallen voorgekomen, dat zij de veeteelt in een gewest geheel onmogelijk hebben gemaakt. Een enkele Wolf, die zich, volgens Kobell, voordat hij gedood werd, 9 jaren in de omstreken van Schliersee en Tegernsee had opgehouden, heeft volgens officieele berichten gedurende dien tijd omstreeks 9000 Schapen en een groote hoeveelheid wild verscheurd, zoodat de door hem veroorzaakte schade op 8 à 10000 gulden werd begroot. In Lapland heeft het woord “vrede” dezelfde beteekenis als “geen last van de Wolven”. Men kent daar slechts één oorlog, en deze wordt met de genoemde Roofdieren gevoerd, die de levende have van de arme nomaden van het noorden dikwijls op de gevoeligste wijze verminderen. Ook in Spanje veroorzaken de Wolven aanzienlijke verliezen. In Rusland vallen hun ieder jaar omstreeks 180.000 stuks groot vee en ongeveer drie maal zooveel klein vee ten prooi; Lasarewski begroot de schade, die ieder jaar door hen onder de huisdieren aangericht wordt, op ongeveer 15 millioen roebels, en zegt, dat zij wel voor 50 millioen roebels bruikbaar wild dooden. Bij dit alles komt nog, dat ook zij voor rabies (hondsdolheid) vatbaar zijn, en dan voor menschen en dieren in hooge mate gevaarlijk worden.

Het is niet te verwonderen, dat deze gevaarlijke dieren, overal waar zij zeer talrijk zijn, niet alleen onder de menschen, maar ook onder de dieren angst en schrik veroorzaken. De Paarden worden zeer onrustig, wanneer zij de lucht krijgen van een Wolf; de overige huisdieren, met uitzondering van de Honden, gaan op de vlucht, zoodra zij eenig vermoeden krijgen van de nadering of van de aanwezigheid van den gevreesden vijand. Voor goede Honden schijnt er echter geen grooter genoegen te bestaan dan de Wolvenjacht, zooals trouwens de Honden over ’t algemeen zich hierdoor onderscheiden, dat zij juist aan de gevaarlijkste jacht de voorkeur geven. Moeilijk verklaarbaar, maar toch merkwaardig is het, dat de haat tusschen twee zoo nauw verwante dieren als de Wolf en de Hond zoo groot kan worden.

Ook andere huisdieren weten zich tegen den Wolf te verdedigen. In de steppen van Zuid-Rusland wonen de Wolven in door henzelf gegraven holen, die dikwijls meer dan 2 M. diep zijn. Deze dieren sluipen in de Russische steppen des nachts voortdurend om de kudden. Zij naderen de paardenkudden met voorzichtigheid, trachten de alleenloopende veulens, die zich te ver van de kudde verwijderd hebben, te verrassen, of besluipen alleenloopende Paarden, springen hen naar den strot en werpen ze ter aarde. Als de overige Paarden den Wolf bemerken, gaan zij onmiddellijk op hem af en slaan, als hij stand houdt, met de hoeven van de voorpooten op hem los; de hengsten grijpen hem ook wel met de tanden aan. In een even onaangenamen toestand geraakt Isegrim, als hij in de bosschen van Spanje of van Kroatië varkenskluifjes tracht te rooven. Een alleenloopend Zwijn valt hem misschien ten buit, een aaneengesloten kudde van eenige beteekenis heeft echter geen last van den Wolf. Als hij het geschikte oogenblik om te vluchten, verzuimt, wordt hij door de woedende Zwijnen onmeedoogend afgemaakt, en daarna door hen met evenveel smaak verslonden, als waarmede hij hen opgegeten zou hebben.

De Wolf bezit alle begaafdheden en eigenschappen van den Hond: dezelfde kracht en volharding, dezelfde scherpte van de zintuigen en hetzelfde verstand. Hij is echter eenzijdiger en komt ons veel minder edel voor; de reden hiervan is ongetwijfeld deze, dat hij niet door den mensch is opgevoed. Zijn moed is volstrekt niet geëvenredigd aan zijn kracht. Zoolang de honger hem niet kwelt, is hij een van de lafhartigste en vreesachtigste dieren die er bestaan. Hij vlucht dan niet alleen voor menschen en Honden, voor een koe of een Bok, maar ook voor een kudde Schapen, zoodra deze dieren zich aaneensluiten en de koppen tegen hem richten. De Wolf staat in sluwheid, list, geveinsdheid en voorzichtigheid volstrekt niet achter bij den Vos, bezit veeleer deze eigenschappen in nog hoogere mate. In den regel laat hij zijn gedrag afhangen van de omstandigheden, overlegt voordat hij handelt, en weet, ook als hij in een moeielijken toestand komt, den rechten uitweg te vinden. Zijn prooi besluipt hij met even groote voorzichtigheid als list; als hij zelf vervolgd wordt, beweegt hij zich even behoedzaam. De reuk, het gehoor en het gezicht zijn alle even voortreffelijk bij hem. Men beweert, dat hij niet slechts zorgvuldig speurt, maar ook reeds op grooten afstand de lucht krijgt van het voorwerp dat hem belang inboezemt. Ook weet hij nauwkeurig te bepalen, aan welk dier het spoor behoort, dat hij toevallig op zijne zwerftochten heeft opgemerkt. Hij volgt dit dan, zonder zich om andere sporen te bekommeren. Zijn lafhartigheid, zijn list en zijn uitstekend waarnemingsvermogen blijken bij elke overrompeling, die hij onderneemt.

Bij de Wolven begint de bronsttijd meestal in het einde van December en duurt tot in het midden van Januari. Na 63 of 64 dagen brengt de Wolvin op een veilig plaatsje midden in het woud 3 à 9, gewoonlijk 4 à 6 jongen ter wereld. De jongen blijven 21 dagen blind, groeien in ’t eerst langzaam, later snel, gedragen zich geheel als jonge Honden, spelen vroolijk met elkander of plukharen soms onder luid, op grooten afstand hoorbaar gehuil en gekef. De Wolvin behandelt ze met evenveel liefde, als bij een goeden Huishond in dergelijke omstandigheden wordt opgemerkt, belekt en reinigt ze, zoogt ze zeer lang, verschaft hun rijkelijk het voedsel dat voor hun leeftijd past, is voortdurend angstvallig bezorgd voor hun veiligheid, en zoekt hun verblijfplaats verborgen te houden; wanneer zij reden tot bezorgdheid meent te hebben, of wanneer er werkelijk een gevaar dreigt, draagt zij hare jongen in den bek naar een plaats, die zij veilig acht. De ouderdom, dien deze dieren bereiken kunnen, bedraagt vermoedelijk 12 à 15 jaren.

Vele proefnemingen hebben voldoende bewezen, dat door de paring van een Wolf met een teef, of van een rekel met een Wolvin bastaarden ontstaan, die vruchtbare jongen kunnen voortbrengen. Deze bastaarden houden niet altijd het midden tusschen den Wolf en den Hond; ook kunnen de jongen uit een nest veel van elkander verschillen. In den regel gelijken zij meer op den Wolf dan op den Hond, ofschoon er ook bij zijn, die meer overeenkomst met den Hond vertoonen.

Wolven, die van jongs af goed opgevoed en verstandig behandeld zijn, worden zeer tam en geven blijken van innige gehechtheid aan hun meester. Cuvier maakt melding van een Wolf, die als een jonge Hond opgevoed was en in volwassen toestand door zijn meester aan den “Jardin des Plantes” werd geschonken. “Hier toonde hij zich gedurende eenige weken geheel troosteloos, at uiterst weinig en was volkomen onverschillig voor zijn oppasser. Eindelijk vatte hij eenige genegenheid op voor de menschen, die zich met hem bemoeiden; het scheen zelfs, dat hij zijn vorigen meester vergeten had. Deze kwam na een afwezigheid van 18 maanden te Parijs terug. De Wolf herkende zijn stem te midden van het gedruisch, en toonde, toen men hem losgelaten had, op een uitbundige wijze zijn blijdschap.”

Allerlei middelen worden gebruikt om den Wolf te verdelgen: niet alleen kruit en lood, maar ook het arglistig vergiftigde lokaas, de verraderlijke strikken en vallen, de knuppel en ieder ander wapen. De meeste Wolven worden waarschijnlijk met strychnine gedood. Als in den winter het voedsel schaarsch begint te worden, doodt men een Schaap, trekt het de huid af, strooit het vergif bij kleine hoeveelheden in het vleesch, dat daartoe overal met insnijdingen wordt voorzien. Het dus toebereide dier wordt, nadat de huid er weer overheen getrokken is, neergelegd op een plaats, die door de Wolven bezocht wordt. Geen Wolf eet zich zat aan een op deze wijze vergiftigd dier, omdat hij zeer spoedig de werking van het gif ondervindt en er aan bezwijkt. Deze handelwijze is wel de meest doeltreffende. Met voordeel maakt men ook gebruik van valkuilen, gaten in den grond, die ongeveer 3 M. diep en 2.5 M. wijd zijn. Zij worden bedekt met een licht dak van dunne, buigzame takken, mos enz.; op ’t midden van dit dak wordt een lokaas vastgebonden. Opdat de Wolf geen tijd zal hebben om vooraf langdurige nasporingen te doen, en om menschen, welke dien weg langs gaan, niet in gevaar te brengen, wordt de kuil met een hooge schutting omgeven, waarover ieder die op het lokaas belust is, moet heenspringen.

In volkrijke gewesten worden groote drijfjachten gehouden om de Wolven uit te roeien. Het vinden van het spoor van een Wolf was en is het signaal voor het op de been komen van geheele gemeenten. In de groote houtvesterijen van Polen, Posen, Oost-Pruisen, Litauen enz. heeft men bepaaldelijk met het oog op de Wolvenjacht breede wegen door het bosch gehouwen en dit hierdoor in kleine vierhoeken verdeeld.

Op een geheel andere wijze jagen de bewoners van de Russische steppen. Voor hen is het geweer bij de Wolvenjacht een bijzaak. Het opgejaagde Roofdier wordt door jagers te Paard zoo lang vervolgd, totdat het niet meer loopen kan, en daarna doodgeslagen.

Het grootste nut, dat de Wolf ons kan verschaffen, bestaat in zijn huid, die als zij gedurende den winter wordt buit gemaakt, een goede pels oplevert, die veelvuldig gebruikt wordt. De beste en grootste vellen komen uit Skandinavië, het noorden van Rusland, Siberië en het noorden van China, en worden met 6 à 15 gulden betaald. Bovendien wordt in vele landen van regeeringswege nog een premie betaald voor iederen gedooden Wolf, onverschillig of deze geschoten, doodgeslagen, gevangen of vergiftigd werd.

Eenige met onzen Wolf verwante soorten kunnen wij hier slechts terloops vermelden: de Vale Wolf (Canis [Lupus] occidentalis), een groot, maar voor den mensch niet gevaarlijk dier, dat over de geheele noordelijke helft van Amerika verbreid is, welks kleur van vaalwit, door vaalrood tot zwart afwisselt, en welks levenswijze in hoofdzaken met die van den Gewonen Wolf overeenkomt, alsmede de Jakhalswolf of Aboe-el-Hossein der Arabieren (Canis [Lupus] anthus), een kleinere verwant van onzen Isegrim, die in Noordoost-Afrika voorkomt en reeds aan de oude Egyptenaars bekend was, zooals uit afbeeldingen van dit dier op oude gedenkteekenen blijkt. Zijn in een spitsen snuit eindigende kop draagt groote, breede ooren; de romp rust op hooge pooten en is sterk gespierd; de donker vaalbruine kleur varieert aanmerkelijk al naar de verblijfplaats. Hij voedt zich met klein wild, aas en vruchten; soms echter maakt hij, tot benden vereenigd, jacht op de Schapen- en Geitenkudden van de inboorlingen.

Een Wilde Hond van soortgelijken lichaamsbouw is de Gestreepte Wolf (Canis [Lupus] adustus), een middelvorm tusschen den Wolf en den Jakhals. Zijn romp is langwerpig; de kop eindigt in een kegelvormig toegespitsten snuit, welke aan dien van den Vos herinnert; de oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die evenals bij den Jakhals, ver vaneenstaan, zijn aan den top zacht afgerond; de pooten zijn in ’t oog vallend lang en slank; de staart reikt tot op den bodem.

“De Gestreepte Wolf,” zegt Pechuel-Loesche, die dit dier in Neder-Guinea, vooral in Loango, zoowel in de wildernis, als getemd, heeft nagegaan, “is grooter en staat hooger op de pooten dan onze Vos, heeft dezelfde listige uitdrukking in ’t gelaat, maar tevens edelere en ook goedaardige trekken. Het is een buitengewoon behendig en lenig dier, welks bewegingen men met welgevallen aanschouwt. De inboorlingen van Loango, die den Gestreepten Wolf Mboeloe noemen, doen hem geen kwaad, hoewel hij dicht bij hunne woningen komt; ook de Honden der dorpelingen denken er niet aan, met hem te twisten. In alle jaargetijden laat de Mboeloe des nachts en des morgens zijn langgerekt, schel gekef hooren; het is zoo luid en doordringend, dat het een nieuweling misschien verschrikt zal doen opspringen, wanneer het in de onmiddellijke nabijheid van het dorp of van het kamp weerklinkt. De jammerlijke klaagtoonen van een Mboeloe brachten ons eens nog te rechter tijd aan den rand van een boschje van struikgewas, waar zulk een dier juist aan een groote Slang, aan een Python, ten buit was gevallen, en stelden ons in staat, het door een schot hagel te bevrijden. Eerst wist hij niet, wat hem overkwam, maar weldra liep hij huilend weg.

“Half volwassen Gestreepte Wolven hielden wij dikwijls op ons erf. Een van deze ontwikkelde zich tot een zeer flink dier, en werd zoo tam en welgemanierd, dat wij hem weldra een onbeperkte vrijheid konden toestaan. Hij liep niet slechts binnen de omrastering rond, en bezocht de kamers, maar zwierf uren lang zoowel door onze aanplantingen, als door de velden en heesterbosschen van de omstreken. Daar zocht en ving hij Kevers en Sprinkhanen; die, welke opvlogen, sprong hij spelenderwijs uit overmoed achterna; hij maakte waarschijnlijk ook menig klein Zoogdier, menigen onvoorzichtigen Vogel buit. Ongelukkig hield hij zich niet bezig met de jacht op Ratten, die op ons erf een ware plaag geworden waren. Onze tamme Vogels liet hij met rust, nadat hem eens een onbeduidende kastijding was toegediend, toen hij op heeterdaad betrapt was bij het vangen van een Hoen. Als hij later nogmaals begeerige oogen sloeg op een verleidelijk stukje, dan was een zacht ‘Pst!’ of een verwijtend woord voldoende, om hem op het pad der deugd te houden. Soms bleef hij den geheelen dag afwezig, maar verscheen toch altijd ’s avonds in de eetkamer om eenige brokken in ontvangst te nemen. Wanneer men langer dan hij passend achtte, vergat hem iets te geven, meldde hij zich aan door zijn neus tegen ons been te duwen en ten slotte als een Hond den kop op onze knie te leggen. Hij nam alles dankbaar aan: brood, boonen, rijst, visch, vleesch, zelfs rauwe bananen en olienoten; hij vergruisde echter geen andere dan dunne beenderen. Als iemand zich met hem bemoeide en hem vriendelijk aansprak, keek hij dezen vroolijk en trouwhartig als een Hond aan; hij kwispelstaartte echter zelden. De menschelijke stem maakte in zulke omstandigheden op hem een indruk, soortgelijk aan die, welke zij, naar mij gebleken is, op den Gorilla maakt; hij scheen er letterlijk door betooverd.”

De Jakhals (Canis [Lupus] aureus) is het dier, dat door de ouden Thos en Gulden Wolf werd genoemd; de “Vossen,” die Simson gebruikte om het koorn van de Filistijnen in brand te steken, zijn waarschijnlijk Jakhalzen geweest. In ’t Oosten is dit dier overal bekend; men spreekt daar over zijne daden met hetzelfde welgevallen, als waarmede men te onzent die van den Vos gedenkt.

De Jakhals heeft, zonder den 22 à 26 cM. langen staart, een lichaamslengte van 65 à 80 cM. en een schouderhoogte van 45 à 50 cM.; hij is krachtig gebouwd en staat hoog op de pooten; zijn snuit is spitser dan die van den Wolf, maar stomper dan die van den Vos; de ruige staart hangt tot aan het hielgewricht naar beneden. De ooren zijn kort, de lichtbruine oogen hebben een ronde pupil. Een ruige vacht van moeielijk te beschrijven kleur, die uit middelmatig lange haren samengesteld is, bedekt het lichaam. De grondkleur is vuil vaal of grijsachtig geel, op den rug en aan de zijden meer naar zwart zweemend, soms ook zwart gegolfd. Deze kleur is scherp gescheiden van die der zijden en der ledematen, die evenals de hals en de zijden van den kop, een vaalroode kleur hebben. Het vaalgeel van de onderzijde gaat aan de keel en den buik in witachtig geel, aan de borst in roodachtig geel, aan den onderhals in grijs over.

Gestreepte Wolf (Canis adustus). ⅛ v. d. ware grootte.
Gestreepte Wolf (Canis adustus). ⅛ v. d. ware grootte.

Gestreepte Wolf (Canis adustus). ⅛ v. d. ware grootte.

Azië moet als het vaderland van den Jakhals aangemerkt worden. Bij Indië te beginnen is hij over het westen en noordwesten van dit werelddeel verbreid; door Beloetsjistan, Afghanistan, Perzië, Kaukasië, Klein-Azië, Palestina en Arabië strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over Noord-Afrika en ook over een deel van Europa, n.l. Turkije, Griekenland en eenige streken van Dalmatië. In Indië en Ceylon treft men hem overal aan, in bosschen zoowel als in open landschappen, in vlakten en in bergstreken, in den Himalaja tot op een hoogte van 1000 M.

De Jakhals houdt door zijn levenswijze het midden tusschen den Wolf en den Vos. Hij gelijkt meer op dezen dan op genen. Over dag blijft hij verscholen; tegen den avond gaat hij op de jacht, huilt luid om andere dieren van zijn soort tot zich te lokken en zwerft dan met deze rond. Hij houdt zeer van gezelligheid, ofschoon hij ook wel onverzeld jaagt. Misschien is hij wel de brutaalste en lastigste van alle wilde Honden. Hij heeft niet het minste ontzag voor de woonplaatsen van den mensch, maar dringt onbeschaamd dorpen en zelfs volkrijke steden ook boerenerven en woningen binnen, en neemt daar weg, wat hij er van zijn gading vindt. Door deze indringendheid wordt hij veel onaangenamer en lastiger dan door zijn berucht nachtgezang, dat hij met een bewonderenswaardige volharding pleegt voor te dragen. Zoodra de nacht werkelijk aangebroken is, hoort men een veelstemmig, in de hoogste mate jammerlijk gehuil, dat eenigszins herinnert aan dat van onzen Hond, maar zich door een grootere afwisseling onderscheidt. Het moet volstrekt niet aangemerkt worden als een uiting van een droefgeestige gemoedsstemming; want de Jakhalzen huilen ook bij een overvloedig maal.

Tot den haat, die hun toegedragen wordt, geven de Jakhalzen trouwens ook nog door andere daden aanleiding. Het geringe nut dat zij aanbrengen, staat volstrekt niet in verhouding tot de schade, die zij veroorzaken. Nuttig worden zij door het uit den weg ruimen van aas en het verdelgen van allerlei ongedierte, hoofdzakelijk door het vangen van Muizen; schadelijk zijn zij door hunne onbeschaamde gauwdievenstreken. Zij verslinden niet alleen alles wat eetbaar is, maar stelen bovendien nog allerlei oneetbare zaken uit huis en hof, tent en kamer, stal en keuken; zij nemen mede wat hun aanstaat. Hunne lust en liefhebberij voor ’t stelen is misschien even groot als hun vraatzucht. In den kippenloop spelen zij ongeveer de rol van onzen Reintje, moorden met den bloeddorst van den Marter en rooven op even onbeschaamde wijze als de Vos, zonder daarbij even listig te werk te gaan. Nu en dan verstouten zij zich zelfs tot het belagen van een van de kudde afgedwaald dier, van lammeren en jonge Geiten, vervolgen klein wild of plunderen de boomgaarden en de wijnbergen. Naar men zegt, hebben in Indië ook de suikerriet- en maïs-plantages door hun vraatzucht te lijden, en richten zij ook in de koffietuinen schade aan door groote hoeveelheden rijpe bessen te verslinden. De zaden, de koffieboonen, werpen zij onverteerd weer uit; deze worden ijverig opgezocht, daar zij, naar beweerd wordt, de beste koffie opleveren. ’t Is wel mogelijk, dat dit waar is, hoewel de reden van de betere kwaliteit der koffie niet te zoeken is in de omstandigheid, dat de boonen reeds eenmaal door het spijskanaal van het dier zijn heengegaan, maar hierin, dat de Jakhalzen gewoon zijn de lekkerste vruchten uit te kiezen.

Jakhalzen, die in hun prille jeugd gevangen zijn, worden weldra zeer tam, in allen gevalle veel tammer dan Vossen. Zij worden zeer gehecht aan hun meester en volgen hem als Honden; evenals deze laten zij zich liefkoozen en verlangen zelfs liefkoozingen; zij komen als men ze roept, kwispelstaarten vriendelijk als zij gestreeld worden, kortom zij hebben eigenlijk alle zeden en gewoonten van de Huishonden. Zelf als zij op meer gevorderden leeftijd gevangen zijn, onderwerpen zij zich na verloop van tijd aan den mensch, hoe bijtlustig zij aanvankelijk ook zijn.

Een welbekende Amerikaansche Wolf, de Huilwolf of Steppenwolf, Prairiewolf of Coyote (Canis [Lupus] latrans) doet zich voor als een middelvorm tusschen de Wolven en de Vossen, hoewel hij onmiskenbaar bij de Wolven behoort. Met deze komt hij door den bouw van romp en staart alsook door de krachtige pooten overeen, zijn spits toeloopende snuit herinnert aan dien van den Vos. Wegens de buitengewoon goed gevulde vacht schijnt zijn krachtige romp nog dikker, dan hij werkelijk is; de hals is kort en krachtig; de van boven breede, aan den snuit toegespitste kop is slanker dan die van den Wolf; het oor is tamelijk groot, van onderen breed, van boven echter niet afgerond. Het lichtbruine oog heeft een ronde pupil. De vacht heeft een vuil geelachtig grijze kleur.

De Prairiewolf heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied in de binnenlanden van Noord-Amerika; het wordt aan de oostzijde ongeveer door den Mississippi begrensd, en strekt zich ten zuiden van Britsch-Amerika ongeveer tot Middel-Amerika, misschien tot de landengte van Panama uit. Vooral in de vlakten van den Missouri, in Californië en in Columbia zijn deze dieren algemeen. De prins Von Wied, aan wien wij, nevens Audubon, de beste beschrijving van de Coyotes te danken hebben, zegt, dat zij steeds eenzaam of paarsgewijs voorkomen en in levenswijze met de Europeesche Wolven overeenstemmen. Zij rooven alles wat zij machtig kunnen worden en gelijken ook door hun sluwheid op onze Wolven en Vossen. Des nachts dringt dit dier dikwijls tot in de Indiaansche dorpen door; in den winter ziet men het niet zelden ook over dag ronddraven, evenals de Wolf doet, wanneer er veel sneeuw ligt en het zeer koud is. In den bronsttijd bewoont de Prairiewolf holen, die hij zelf gegraven heeft; hier werpt de Wolvin in April 6 à 10 jongen. Omstreeks dezen tijd hoort men in de Prairiën haar stem; een zonderling geblaf, waarvan de slotklank eenigszins gerekt is, en dat op het geluid van onze Vossen gelijkt.

Over het leven van dit dier in de gevangenschap kan ik op grond van eigen ervaringen berichten geven. Ik hield gedurende geruimen tijd een Prairiewolf, die in de kamer was opgevoed, en zich als een goedaardige Hond gedroeg, hoewel alleen tegenover bekenden. Als hij zijne vrienden zag, deed hij uit blijdschap luchtsprongen, kwispelstaartte en kwam dicht bij de traliën van zijn hok om zich te laten liefkoozen. Hij likte echter niet de hand van den persoon, die hier stond; hoogstens rook hij er aan. Als hij alleen was, verveelde hij zich en begon jammerlijk te huilen. Wanneer men hem echter een dier tot gezelschap gaf, mishandelde hij dit steeds, tenzij zijn kameraad beter bijten kon dan hij zelf.

De klaagtoonen van andere dieren hadden veel invloed op hem. Met het gehuil van de Wolven stemde hij steeds in, hij beantwoordde zelfs het gebrul of gebrom der Beren. Als men hem met een klagende stem toesprak, huilde en jankte hij, evenals vele Huishonden in een dergelijk geval doen. Ook de muziek ontlokte hem steeds luide klaagtonen; zijn huilen was evenwel niet zeer ernstig gemeend.

Als de laagst ontwikkelde vertegenwoordiger van de Wolven op het noordelijk halfrond beschouwt men den Marterhond (Canis [Lupus] procyonoides, Nyctereutes viverrinus), een eigenaardig dier van marterachtig voorkomen, dat in de gematigde gewesten van Oost-Azië en meer bepaaldelijk in China en Japan inheemsch is. Het leidt een nachtelijk leven en voedt zich bij voorkeur met Muizen en Visschen. Zijne naaste verwanten zijn volgens de nieuwste onderzoekingen eenige Zuid-Amerikaansche Wilde Honden, van welke wij den Maikong of Karasissi, den Savanna-Hond der kolonisten (Canis [Lupus] cancrivorus), en den Aguarachay of Braziliaanschen “Vos” (Canis [Lupus] vetulus of Azarae) vermelden. Het vaderland van den laatstgenoemde is geheel Zuid-Amerika, van den Stillen tot den Atlantischen Oceaan, van den evenaar tot aan de zuidspits van Patagonië. Als een in ’t oog vallende eigenaardigheid van dit dier wordt medegedeeld, dat het allerlei voorwerpen, waarvan het geen dienst kan hebben, wegsleept en verstopt. Tschudi vond in het hol van zulk een “Zorra”, zooals de Brazilianen het noemen, een stuk van een stijgbeugel, een spoor en een mes.

Huilwolf (Canus latrans). 1/9 v. d. ware grootte.
Huilwolf (Canus latrans). 1/9 v. d. ware grootte.

Huilwolf (Canus latrans). 1/9 v. d. ware grootte.

*

Een tweede ondergeslacht van de Wolven (Lycaon) wordt gevormd door een der merkwaardigste en tevens fraaist geteekende soorten: de Hyena-Hond. Zijn romp is slank, maar toch krachtig gebouwd, de kop middelmatig, eerder klein dan groot, de snuit stomp; het gehoor en het gezicht zijn zeer ontwikkeld, de ooren hoog, breed en bijna onbehaard; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil. De matig hooge pooten, de krachtige voeten, welke zich van die der overige Honden onderscheiden, doordat zij ook aan de voorpooten slechts vier teenen hebben, de middelmatig lange, niet bijzonder ruige staart en het kort- en gladharige vel, dat op een hoogst eigenaardige wijze gekleurd is, zijn ook nog kenmerken van het ondergeslacht.

De Hyenahond, Steppenhond, Geteekende Hond of Jachthyena (Canis [Lycaon] pictus) heeft ongeveer de grootte van een middelmatig grooten slagers-Hond, met wien hij ook in gestalte veel overeenkomst vertoont. Hoewel hij slank en licht gebouwd is, maakt hij den indruk van krachtig en sterk te zijn. Er zijn waarschijnlijk geen twee dieren van deze soort te vinden met volkomen gelijke teekening: deze heeft alleen aan den kop, en den hals een zekere bestendigheid. Wit, zwart en okergeel zijn de hoofdkleuren. Bij den eenen heeft de witte, bij den anderen de zwarte kleur de overhand; een van deze kan dus aangemerkt worden als de grondkleur, waarop hetzij de lichtere of de donkerdere vlekken scherp uitkomen. Ook de vlekken zijn onregelmatig, nu eens kleiner, dan weer grooter, zeer verschillend van vorm en dikwijls over het geheele lichaam verdeeld; de witte en okerkleurige zijn echter altijd met zwart omzoomd. De snuit is tot aan de oogen zwart, en deze kleur zet zich ook nog als lange strepen tusschen de oogen en ooren, langs de kruin, den bovenkop en den nek voort. De ooren zijn zwart, de oogen bruin. De staart is aan den wortel okerkleurig, in ’t midden zwart, de ruige spits is wit of okergeel.

De Hyenahond bewoont Afrika; zijn verbreidingsgebied is echter nog niet nauwkeurig bepaald. In Zuid-Afrika komt hij voor; in Oost-Afrika zag Böhm hem zoowel ten oosten als ten zuiden van het Tanganjika-meer; Rüppell ontmoette hem in Nubië; in het Bongo-land is hij, volgens Schweinfurth, zeer veelvuldig; ditzelfde geldt, volgens Nachtigal, van Kanem aan het meer Tsad.

Gordon Cumming leerde den Steppenhond in Zuid-Afrika kennen. “Deze Honden,” verhaalt hij, “jagen in benden, die soms uit een zestigtal individuën bestaan; zij doen dit met zooveel volharding, dat zij zelfs de grootste en sterkste Antilope afmatten en overweldigen. Voor zoover mij bekend is, wagen zij het niet Buffels aan te vallen. Zij vervolgen het wild, totdat het niet meer voort kan, sleuren het dan onmiddellijk op den grond en verslinden het in weinige minuten. Voor den mensch toonen zij minder vrees dan eenig ander Verscheurend Dier.” Heuglin noemt den Hyenahond in weerwil van zijn fraaie kleur en schoone gestalte “een even vuil en sterk riekend als bijtlustig dier,” en zegt, dat het “zijne valschheid en arglistigheid niet verloochenen kan”; hij verzekert, dat het, door een schot getroffen zijnde, niet schroomt, zelf den mensch aan te vallen.

Hoe dit ook zijn moge, deze bontgekleurde roover is en blijft in hooge mate belangwekkend. Het moet een prachtig schouwspel zijn, deze schoone, behendige en luidruchtige dieren te zien jagen. Zij hebben b.v. een Sabel-antilope, een groot dier, dat zich zeer goed kan verdedigen, opgejaagd. Zij kent hare vervolgers en ijlt, terwijl zij hare veerkrachtige pooten met de grootst mogelijke snelheid beweegt, door de steppe. De troep stormt haar na, keffend, huilend, jankend, en op een onbeschrijfelijke wijze luidruchtig; men zou dit geluid een juichtoon kunnen noemen, want het klinkt als een klok. Voort gaat de jacht; de Antilope vergeet door den grooten nood, waarin zij verkeert, ieder ander gevaar. Zonder schroom voor de menschen, die zij gewoonlijk met zorg ontwijkt, ijlt zij hen voorbij; de dicht aaneengesloten Hyenahonden volgen haar op den voet. Hun gang is een nooit vermoeiende, langgestrekte galop; de vervolging geschiedt met overleg: als de voorste honden vermoeid zijn, nemen de achterste, die door het afsnijden van bochten hunne krachten gespaard hebben, de leiding op zich, en zoo lossen zij elkander af, zoolang de jacht duurt. Eindelijk wordt het wild vermoeid; het blijft staan. In ’t bewustzijn van haar kracht biedt de Antilope het hoofd aan hare moordgierige vijanden. In groote bogen bewegen de slanke, spitse horens zich over den bodem. Al wordt ook de een of andere vervolger gewond of misschien doodelijk getroffen, toch ligt in den regel het wild reeds na verloop van een minuut rochelend en met den dood worstelend ter aarde, soms slaagt het er echter in zich nog eens te bevrijden. Dan begint een nieuwe drijfjacht en de Jachthyenas stormen, den snuit rood van ’t bloed, hun gewond slachtoffer na. Naar het schijnt, vermeerdert hun moordlust door den dood van iedere nieuwe prooi; men zegt, dat zij alleen de ingewanden van den buit verslinden en het overige laten liggen. Van het spiervleesch gebruiken zij, naar het schijnt, slechts weinig; Burchell vond een pas gedoode Elandantilope, waaraan alleen de inhoud van de lichaamsholte ontbrak, en legde beslag op het overschot van het wild voor eigen gebruik.

Naar het schijnt, mag men van het temmen van den Hyenahond goede uitkomsten verwachten. Hij zou een voortreffelijke speurhond zijn; maar, het is geen gemakkelijke taak een Roofdier met zulk een karakter aan den wil van den mensch te onderwerpen. Schweinfurth zag in een “seriba” in Bongo-land “een buitengewoon goed getemd exemplaar, dat voor zijn meester zoo volgzaam was als een Hond.” In het jaar 1859 vond ik tot mijn groote blijdschap een zeer goed onderhouden en bijna volwassen Steppenhond in een beestenspel te Leipzig. Later heb ik verscheidene van deze dieren gezien en eenige zelf in gevangenschap gehad. Een onstuimige uitgelatenheid, een, naar het mij voorkomt, onbedwingbare aandrang tot bijten, misschien zonder de bedoeling om hierdoor pijn te doen, maar veeleer een uitvloeisel van het streven om de kwikzilverachtige levendigheid van den roerigen geest door daden te openbaren: dit is, mijns inziens, de eigenlijke aard van dit dier. Iedere vezel trilt en komt in beweging, zoodra de Hyenahond op de een of andere wijze geprikkeld wordt. Zijn ongeloofelijke bedrijvigheid, die zooeven nog als overdreven vroolijkheid zich openbaarde, vertoont zich in ’t volgende oogenblik als wildheid, bijtlust, roofzucht. “Het blaffen baat hier niet,” laat Grandville zijn Wolf zeggen, “gebeten moet er worden”: als hij den Steppenhond gekend had, zou hij hem dit woord in den mond gelegd hebben.

Hyenahond (Canis pictus). 1/10 v. d. ware grootte.
Hyenahond (Canis pictus). 1/10 v. d. ware grootte.

Hyenahond (Canis pictus). 1/10 v. d. ware grootte.

Sykes beschreef een Wilden Hond van Indië, den Kolsoen, waarin hij den stamvader van onze Huishonden meende te erkennen. Dit dier, dat volgens zijne opgaven een grooter overeenkomst heeft met den Windhond dan met den Jakhals of den Wolf, behoort tot een derde ondergeslacht (Cyon) van de Wolven, welks verbreidingsgebied merkwaardigerwijze over ’t geheel genomen met dat van den Tijger samenvalt. Hij heeft ongeveer de afmetingen en lichaamsverhoudingen van een middelmatig grooten Windhond; de beharing is overal even dicht en bestaat uit vrij korte haren, die slechts aan den staart verlengd zijn; de kleur wisselt af van fraai bruin- of roestrood tot bruinachtig grijs, is aan de onderzijde lichter, donkerder daarentegen op den snuit, de ooren, de voeten en het puntje van den staart.

Adjag (Canis rutilans). 1/7 v. d. ware grootte.
Adjag (Canis rutilans). 1/7 v. d. ware grootte.

Adjag (Canis rutilans). 1/7 v. d. ware grootte.

De bedoelde Wilde Hond draagt in Indië de namen Son-Ram-koetta, Dsjangli, Kolsoen, Kolsa enz. en heet in den Himalaja Boeansoe enz. (Canis [Cyon] dukhunensis en primaevus). Hij komt voor in den geheelen Himalaja, van het dal van den Boven-Indus en Kaschmir oostwaarts tot Assam, in het oostelijk deel van Tibet en in alle boschrijke districten van Voor-Indië.

Als een echte woudbewoner houdt de Kolsoen zich bij voorkeur op in uitgestrekte, geheel met boomen begroeide landstreken, ook wel in de dsjungels; in de noordelijke, hoog gelegen deelen van zijn verbreidingsgebied, waar de wouden ontbreken, moet hij zich ook weten te redden op kale en rotsachtige terreinen. Naar het schijnt, is hij nergens talrijk, en kan niet lang in hetzelfde jachtgebied blijven, omdat hij door zijn wijze van jagen het wild zeer onrustig maakt en verdrijft. Voor de jacht vereenigen deze dieren zich tot troepen, die in den regel uit 2 à 12, zelden uit 20 (volgens vroegere berichten uit 50 à 60) individuën bestaan; hij vervolgt zijn prooi in stilte, laat althans slechts nu en dan zijn stem hooren, die op een angstig jammeren gelijkt en geen blaffen is. Alle onderzoekers verklaren eenstemmig, dat hij zeer behendig jaagt. Zijn wijze van jagen komt overeen met die van den Hyenahond. Zoodra de bende een dier heeft opgespoord, vervolgt zij het met de grootste volharding, of splitst zich in alle richtingen, om het ontsnappen van de prooi te verhinderen; zelfs het snelvoetige Hert kan hun, naar men zegt, niet ontloopen. De eigenlijke aanval heeft niet van voren plaats, en is niet naar de keel gericht, maar naar de flanken, naar de weeke deelen van het achterste deel van den romp, die het Roofdier door beten, welke bliksemsnel gedurende de vervolging toegebracht worden, weet te verscheuren, zoodat de ingewanden naar buiten treden, waarna het slachtoffer zeer spoedig ter aarde stort.

De Maleische Wilde Hond of Adjag (Canis [Cyon] rutilans) is kleiner en zwakker dan zijn Indische neef en draagt een geelachtig vosrood tot donker roestrood haarkleed, dat aan de onderzijde lichter gekleurd is. De staartspits is zwart.

De levenswijze en jachtgewoonten van den Adjag komen, naar het schijnt, in hoofdzaak met die van den Kolsoen overeen; dat hij groote dieren, die zich verweren kunnen, vervolgt, vinden wij niet van hem vermeld. Zijn woonplaats is op Sumatra en Java gelegen en strekt zich, voorzoover zij thans bekend is, van ongeveer 1000 M. hoogte uit tot aan het zeestrand, waar hij, volgens Junghuhn, in sommige tijden een zeer eigenaardige prooi vervolgt. “Toen ik,” zegt Junghuhn, “den 14en Mei 1846, uit het langs de kust zich uitstrekkend kreupelbosch van den Tandjoeng-Sodong kwam en het breede zeestrand overzag tot aan de overzijde, waar zich, de landtong Pangarok (letterlijk vertaald: ‘Schildpaddenoorlog’) bevindt, kon ik mij op een slagveld verplaatst wanen. Honderden geraamten van merkwaardig groote Schildpadden lagen overal verspreid. Eenige waren door de zon gebleekt en bestonden slechts uit gladde beenderen, andere waren nog ten deele gevuld met de verrottende, stinkende ingewanden, nog andere waren versch en bloederig; alle lagen echter op den rug. Op deze plaats worden n.l. de Schildpadden gedurende hun nachtelijke wandeling van den zeeoever naar de duinen en van hier terug naar de zee door de Wilde Honden aangevallen. Deze komen in troepen van 20 à 30 stuks, grijpen de Schildpadden aan bij alle deelen van hun gepantserd lichaam die een houvast aanbieden, rukken aan de pooten, aan den kop, aan het achtereind, en weten door vereende krachten het dier, ondanks zijn reusachtige grootte, om te wentelen, zoodat het op den rug komt te liggen. Dan beginnen zij op alle plaatsen te knagen, scheuren het buikpantser los en vergasten zich aan de ingewanden, het vleesch en de eieren van hun slachtoffer. Vele Schildpadden ontvluchten hunne bloedgierige vervolgers, en bereiken, terwijl zij de aan hun lichaam rukkende Honden achter zich aansleepen, gelukkig de zee. Ook kunnen de Honden niet altijd een reeds overmeesterde prooi rustig verslinden. In vele nachten komt de beheerscher der wildernis, de Koningstijger, uit het woud te voorschijn, blijft een oogenblik staan om met fonkelende oogen het strand te overzien, sluipt dan langzaam naderbij en stort zich eindelijk onder dof snuivend geknor met een sprong te midden van de Honden, die naar alle zijden uiteenstuiven en in wilde haast naar het bosch vluchten. Gedurende hun terugtocht laten zij een kort afgebroken, eer fluitend, dan knorrend geschreeuw hooren. Zoo voeren zij strijd met de bewoners van den Oceaan op een onbeschrijfelijk woeste en onheilspellende plaats, die door de Javanen nooit bezocht wordt, maar voor den reiziger, welke door de wildernis zwerft, reeds op een afstand kenbaar wordt door de talrijke Roofvogels, die hoog in de lucht daarboven kringen beschrijven.”

De Dingo of Warragal (Canis dingo) de Wilde Hond van Australië, werd tot voor korten tijd als een verwilderde Huishond aangemerkt, waarmede hij werkelijk in vele opzichten overeenstemt. Deze meening vond o. a. steun in de omstandigheid, dat de Dingo met uitzondering van eenige Vleermuizen en op Muizen gelijkende Knaagdieren het eenige Zoogdier van Australië is, dat niet tot de Buideldieren of Kloakdieren behoort. Mac Coy en Nehring hebben echter fossiele overblijfselen van den Dingo gevonden in de pliocene en diluviale lagen van Victoria en het bewijs geleverd, dat dit dier een echte Wolf en geen verwilderde Huishond is. Hij is aan den Indischen Wolf of landjak der Mahratten (Canis pallipes) nauw verwant en kwam over het land, dat in een gedeelte van het pliocene tijdvak Australië met het zuidoosten van Azië verbond, in het thans door hem bewoonde gebied.

De Dingo bereikt ongeveer de grootte van een middelmatigen Herdershond. Zijn gestalte is gedrongen, zijn kop groot en plomp, stompneuzig en afgeknot, het overeindstaande oor is aan den oorsprong breed, aan de spits afgerond, de ruige staart reikt tot voorbij den hiel; het dier ziet er stevig gespierd uit, daar de pooten slechts een geringe hoogte hebben. De beharing is vrij gelijkmatig. Bij de meeste exemplaren, die ik gezien heb, heeft de onbepaald bleek geelachtig roode kleur een meer of minder grijze, soms ook zwartachtige tint. De kin, de keel, de onderzijde en de staart zijn gewoonlijk lichter, terwijl de haren van de bovenzijde zich door een donkerder kleur onderscheiden. Ofschoon de genoemde kleuren het meest voorkomen, treft men b. v. ook zwarte Dingos aan, enkele hebben witte pooten enz.

Dingo (Canis dingo) ⅛ v. d. ware grootte.
Dingo (Canis dingo) ⅛ v. d. ware grootte.

Dingo (Canis dingo) ⅛ v. d. ware grootte.

Ook thans nog bewoont de Dingo bijna alle dichte bosschen van Australië, de met kreupelhout begroeide ravijnen, de boschjes der steppen en deze zelve. Hij is over het geheele vastland verbreid en overal vrij veelvuldig. Men houdt hem voor den gevaarlijksten vijand van ’t vee en vervolgt hem op alle mogelijk wijzen.

Door zijne levenswijze en gewoonten gelijkt de Dingo meer op onzen Vos, dan op den Wolf. Evenals gene ligt hij op onveilige plaatsen den geheelen dag in zijn schuilhoek verborgen, en zwerft hier eerst in de nachtelijke uren rond om jacht te maken op nagenoeg alle op den bodem levende Australische dieren. Aan den Vos herinnert hij ook hierdoor, dat hij slechts zelden tot groote gezelschappen vereenigd zijne rooverijen pleegt. Gewoonlijk ziet men troepen van 5 à 6 stuks, meestal een moeder met hare kinderen; het gebeurt echter ook wel, dat zich vele Dingos bij één dood dier verzamelen; sommige kolonisten beweren, dat zij bij een dergelijken maaltijd 80 à 100 van deze dieren bijeen hebben gezien. Naar men zegt, blijven de leden van een familie zeer trouw bij elkander; zij bewonen een eigen gebied en gaan nooit jagen in dat van een andere bende, maar dulden ook niet, dat deze de grenzen van hun jachtveld overschrijdt.

Voordat de kolonisten geregeld te velde trokken tegen dezen aartsvijand van hunne kudden, verloren zij door hem een verbazend groot aantal Schapen. Men verzekert, dat uit een enkele schapenfokkerij binnen 3 maanden niet minder dan 1200 stuks Schapen en lammeren door de Dingo’s geroofd werden. Grooter nog dan de verliezen, die een direct gevolg zijn van den aanval van het Roofdier, is de schade die er indirect uit voortvloeit, omdat de Schapen, zoodra hij verschijnt, in zinneloozen angst wegrennen, zonder te weten wat zij doen, in de wildernis loopen en dan ten prooi vallen aan andere Dingo’s of van dorst bezwijken.—Bovendien verslindt dit Roofdier allerlei soorten van Kengoeroes en andere grooteren en kleinere, in het struikgewas levende dieren. Hij maakt jacht op ieder in Australië inheemsch dier, en is alleen voor den Huishond bang. De Herdershonden en Jachthonden leven in voortdurende vijandschap met de Dingo’s; deze dieren vervolgen elkander wederkeerig met woede. Als eenige Huishonden een Dingo zien, vallen zij op hem aan en scheuren hem aan stukken; hetzelfde lot valt den verdwaalden Huishond ten deel, als hij onder de Dingo’s geraakt.

Voor den mensch neemt de Dingo geregeld de vlucht, wanneer hiervoor nog tijd is. Bij het vluchten openbaart hij de list en de geslepenheid van den Vos; hij verstaat meesterlijk de kunst om van alle omstandigheden in zijn belang gebruik te maken; wanneer echter zijne vijanden hem dicht op de hielen zijn en hij meent hun niet meer te kunnen ontloopen, draait hij zich in wilde woede om en verweert zich met de razernij der vertwijfeling; ook dan echter maakt hij van elke gunstige gelegenheid gebruik om zoo schielijk mogelijk weg te komen. Voor de taaiheid van ’t leven van dit dier voert Bennett bewijzen aan, die werkelijk aan ’t ongeloofelijke grenzen. Een Dingo was door zijne vijanden verrast en zoo door hen geslagen, dat zij niet beter wisten, of al zijne beenderen zouden wel stuk zijn, waarop zij hem lieten liggen. Nauwelijks echter hadden de mannen zich van het schijnbaar levenlooze lichaam verwijderd, toen zij tot hun verrassing het dier zagen opstaan, zich afschudden en zich zoo schielijk mogelijk naar het woud begeven.—Alle mogelijke middelen worden toegepast om den Dingo uit te roeien. De hand van een ieder is tegen hem. Men schiet hem, vangt hem in vallen en vergiftigt hem met strychnine. Met het geweer wordt hij slechts bij toeval gedood, want hij is te schuw en te listig om vaak binnen schot te komen; ook bij drijfjachten weet hij behendig zich uit de voeten te maken.

Meestal wordt deze Hond ontembaar genoemd. In gezelschap van de inboorlingen van Australië vindt men echter nu en dan Dingos, die in een half wilden toestand verkeeren. Vele Dingos, die in Europeesche dierentuinen gevangen leefden, bleven wild en boosaardig, en hun wolvenaard openbaarde zich bij iedere gelegenheid, zoodat hunne oppassers voortdurend voor hen op hun hoede moesten zijn. Dat men echter tot zeer verkeerde gevolgtrekkingen geraakt, wanneer men, uit hetgeen aan één of eenige exemplaren waargenomen werd, een algemeenen regel voor de geheele soort wil afleiden, blijkt uit de Dingo’s van de dierentuin te Breslau. Een daarvan is zoo tam geworden als een Hond, de andere is wild gebleven; de eene heeft, wat een zeer opmerkelijk feit is, mettertijd op de gewone wijze leeren blaffen en maakte in den regel gebruik van deze aangeleerde spraak, b.v. wanneer een deur in de nabijheid van zijn kooi geopend werd; de andere Dingo daarentegen huilde met langgerekte, lachende geluiden als een Jakhals, op dezelfde wijze geaccompagneerd door het dier, dat blaffen kon; beide voerden dus een huil-duet op. Schlegel, aan wien ik deze mededeelingen te danken heb, was met mij van oordeel, dat de nakomelingen van deze Dingos hoogst waarschijnlijk zeer bruikbare helpers van den mensch zouden kunnen opleveren.

Werkelijk is dan ook King er in geslaagd, een jongen Dingo op te voeden en zoo af te richten, dat hij bij het hoeden van rundvee bruikbaar bleek te zijn, en Pechuel-Loesche zag aan boord van het Engelsche pantserschip “Defence” een mooien, krachtigen Dingo, die als een Hond op het geheele schip rondliep, zonder ongeval de steile trappen op- en afging en met iedereen vriendschappelijk verkeerde.

“Door het verstand van den Hond bestaat de wereld,” leest men in den Vendibad (het “wetboek”), het oudste en echtste deel van de Zendavesta, een van de oudste boeken, die men kent.

Geen enkel dier ter wereld verdient zoozeer de volle en onverdeelde achting, de vriendschap en de liefde van den mensch als de Hond. Hij maakte als ’t ware een deel van den mensch uit, voor wiens leven en welzijn hij onontbeerlijk is. “De Hond,” zegt Cuvier, “is de merkwaardigste, volledigste en nuttigste verovering, die de mensch ooit gemaakt heeft. De geheele diersoort is ons eigendom geworden, ieder lid er van behoort den mensch, zijn meester, volkomen toe, richt zich naar diens gebruiken, kent en verdedigt diens eigendom en blijft hem trouw tot in den dood. En deze onderworpenheid is geen gevolg van nooddwang of vrees, maar het uitvloeisel van zuivere liefde en gehechtheid. Door zijn vlugheid, door de buitengewone ontwikkeling van zijn reukzin, is hij voor den mensch een machtige bondgenoot; misschien is hij zelfs noodzakelijk voor het bestaan van de menschelijke maatschappij. De Hond is het eenige dier, dat den mensch over de geheele oppervlakte der aarde gevolgd heeft.”

De Hond verdient wel, dat ik hem uitvoerig behandel, hoewel hij schijnbaar algemeen bekend is, en dat ik met groote liefde en onvermengd genoegen zijner gedachtig ben. Zoover zich het menschelijk geslacht heeft uitgebreid, vindt men ook hem; zelfs de armzaligste, onbeschaafdste en minst ontwikkelde volken hebben hem tot metgezel, tot vriend, tot verdediger. Zoomin de overlevering als het wetenschappelijk onderzoek hebben ons echter tot dusver voldoende inlichtingen verschaft over zijne voorouders: over de afstamming van het belangrijkste van alle huisdieren loopen de meeningen nog zeer ver uiteen. Van geen ander dier heeft de afkomst tot zooveel vermoedens, tot zooveel hypothesen aanleiding gegeven.

“Om,” zegt Blasius, “den Huishond als soort van de overige Wolven te onderscheiden, bestaan tot dusver nog geen betere kenmerken dan de naar links gekromde staart, welk feit reeds door Linnaeus werd vermeld. Het lot van den Hond in de natuurlijke geschiedenis gelijkt op dat van den mensch. Dat de Hond zich geheel heeft onderworpen en overgegeven aan den beheerscher der aarde, is een gebeurtenis die door de belangrijkheid van hare gevolgen eenig is in de geschiedenis der dierenwereld. Het bestaan van den Hond is zoo innig samengeweven met dat van den mensch, de Hond heeft zich, evenals de mensch, aan de zoo uiterst talrijke, onderling lijnrecht tegenovergestelde natuurwerkingen, die op het leven invloed oefenen, zoo volledig moeten onderwerpen, om zijn meester te helpen de geheele aardoppervlakte te veroveren en te beheerschen, dat alleen willekeurige onderstellingen ons ten dienste staan, wanneer wij over zijn oorspronkelijken natuurstaat (en die van den mensch) willen spreken. Dat geldt echter alleen van zijne lichamelijke eigenschappen. Over de natuur van zijn geest kan geen verschil van meening bestaan. De Hond is door zijn geraamte, zijn schedel, zijn gebit een Wolf; het is evenwel niet mogelijk, om hem naar aanleiding van de eigenaardigheden van zijn schedel of van zijn gebit met een in ’t wild levende soort van Wolf, welke dan ook, te vereenzelvigen, en ook niet, hem van de bekende soorten van Wolven scherp te onderscheiden. Onze Europeesche Honden zijn wat de eigenschappen van hun schedel betreft, middelvormen tusschen den Wolf en den Jakhals, maar zóó, dat deze eigenschappen op de menigvuldigste wijze gekruist, vereenigd en gevarieerd zijn.

“De Amerikanen hebben Honden gehad, voordat de Europeesche Hond door de Spanjaarden naar Amerika werd gebracht. In Mexico troffen de Spanjaarden stomme Honden aan. A. von Humboldt bericht, dat de Indianen van Jauja en Huanca, voordat de Inka Pachacutec hen tot de zonnedienst bekeerde, aan de Honden goddelijke eer bewezen. Hunne priesters bliezen op geskeletteerde Hondekoppen; schedels en mummiën van Honden werden in de Peruaansche begraafplaatsen van den oudsten tijd gevonden. Tschudi heeft deze schedels onderzocht, houdt ze voor verschillend van die der Europeesche Honden, en is van oordeel, dat zij tot een afzonderlijke soort behooren, die hij Canis ingae noemt. Bovendien worden de inheemsche Honden in de Peruaansche taal Runa-allco genoemd, om ze te onderscheiden van de Europeesche, die verwilderd in Zuid-Amerika voorkomen. Deze Honden zijn, naar men zegt, vooral den Europeanen vijandig gezind.

“Het is een opmerkelijk feit, dat de inheemsche soorten van Honden door den vorm van hun schedel tot de wilden soorten van Wolven naderen, nog opmerkelijker is het echter, dat zij door het verwilderen ook in uitwendige eigenschappen weder op de wilde vormen beginnen te gelijken. Dit geldt niet alleen van de kleur, maar ook van den vorm van het dier, van de rechtopstaande, spitse ooren, de beharing enz. Reeds Olivier vestigde er de aandacht op, dat de Honden in de omstreken van Konstantinopel op Jakhalzen gelijken. In het zuiden en oosten van Rusland treft men tallooze, half verwilderde, bij troepen rondloopende Honden aan, die dikwijls door kleur, lichaamsbouw en ooren zoo zeer op Jakhalzen gelijken, dat men er door misleid zou kunnen worden. Wegens deze overeenkomst van het uitwendig voorkomen is het licht te begrijpen, dat, zooals Pallas heeft opgemerkt, de Honden met den Jakhals echt vriendschappelijk verkeeren. Het is een bekend feit, dat er bastaarden van den Hond en den Wolf bestaan; ook van den Hond en den Jakhals komen in de vrije natuur niet zelden bastaarden voor. Pallas zegt zelfs, dat het bestaan van bastaarden van den Hond en den Vos bij de Russen als een bekende zaak wordt beschouwd; blijkbaar echter is deze opmerking niet op eigen waarneming gegrond.

“Wanneer men nu, na al deze omstandigheden te hebben nagegaan, zich afvraagt, of de Hond een soort, een zelfstandige en goed gekarakteriseerde soort is, zooals de Wolf, de Jakhals en de Vos, dan kan men er moeielijk toe besluiten, op deze vraag een bevestigend antwoord te geven. Bij geen enkele wilde diersoort komen zulke groote afwijkingen in den schedel, in den geheelen lichaamsbouw, in absolute grootte voor, als bij den Huishond. Maar ook de huisdieren, welke, naar men veronderstellen moet, hunne soortkenmerken nog zuiver en onvervalscht behouden hebben—die dus slechts in minder belangrijke opzichten door temming en teeltkeus veranderd zijn, zooals het Paard, de Ezel, het Rund, de Geit, het Zwijn—, bieden zulke tegenstellingen niet aan. Nog minder kan men in deze groote menigvuldigheid van vormen van Honden verscheidene soorten ontdekken. Dat van één stamsoort van den Hond geen sprake kan zijn, zal ieder hieruit wel kunnen afleiden. Evenmin is het waarschijnlijk, dat zulk een stamsoort tot dusver onopgemerkt en onbekend gebleven zou zijn.

“En zoo blijft ons dus, wanneer wij bij de behandeling van dit vraagpunt op natuur-historisch terrein willen blijven, eigenlijk geen anderen uitweg over, dan de door Pallas uitgesproken meening te onderschrijven: dat de Huishond zijn ontstaan dankt aan de temming en vermenging van de soorten van Wolven, die in verschillende landen inheemsch zijn. Deze stelling is natuurlijk, evenals alle andere meeningen over deze zaak, slechts een hypothese; volledige zekerheid zal men door onmiddellijke vergelijking van de schedels van Wolven en Honden kunnen verkrijgen. Uit vele feiten blijkt, dat in deze zaak de leerstellingen en meeningen van Buffon ons op een dwaalspoor zouden brengen. De onbeperkte kruising van de Hondensoorten onderling en van den Hond met den Wolf en den Jakhals, is met de meening van Pallas het best in overeenstemming te brengen. Ook is het niet van belang ontbloot, dat zij ons voor de groote verscheidenheid van vorm en grootte der Honden—die trouwens ook bij andere dieren, n.l. bij Hoenderen, voorkomt—een analogie verschaft in dergelijke, niet minder groote afwijkingen, die bij de hybriden van verschillende planten opgemerkt worden. De groote overeenstemming in vorm en kleur, die tusschen de verwilderde Honden en den Jakhals bestaat, en ook het samenleven en de vriendschap dezer dieren, zijn eveneens feiten van groote beteekenis. Ook als Paarden verwilderen, worden zij aanvankelijk meer en meer aan de wilde gelijk. Geiten, die gedurende het grootste gedeelte van ’t jaar vrij in het gebergte rondzwerven, en welker voorouders vele geslachten her ditzelfde leven leidden, zooals de Geiten van Dalmatië en van vele gewesten van Italië, gelijken zeer op de Wilde Bezoar-geit; bonte Konijnen, die in de vrije natuur aan zich zelf overgelaten worden, hebben na verloop van eenige jaren jongen, die er als wilde Konijnen uitzien, en volkomen wild zijn.”

Darwin zegt: “De redenen, waardoor verschillende schrijvers gekomen zijn tot de onderstelling, dat onze Honden van meer dan één wilde soort afstammen, zijn ten eerste het groote verschil, dat tusschen onze rassen van Huishonden wordt waargenomen, en ten tweede het feit, dat in de oudste, ons bekende historische tijden verscheidene Hondenrassen bestonden, die zeer weinig op elkander geleken, maar veel overeenkomst vertoonden met de tegenwoordige rassen, of zelfs geheel gelijk waren aan deze. Zoo geeft Youatt een teekening van een beeldhouwwerk uit de villa van Antoninus, waarop twee jonge Windhonden voorgesteld zijn. Op een Assyrisch gedenkteeken van omstreeks 640 v. C. is een zeer groote Bullebijter afgebeeld, gelijk aan die, welke thans nog in genoemd land ingevoerd worden. Op de Egyptische monumenten van de 4e tot de 12e dynastiën (d.i. van ongeveer 3400 tot 2100 v. C.) zijn verscheidene Hondenrassen afgebeeld, die voor ’t meerendeel aan de Windhonden verwant zijn. Een gedenkteeken uit een later tijdperk toont ons aan een Hond met hangende ooren, die op den Parforcehond gelijkt, maar een langeren rug en een puntiger toeloopenden kop heeft. Er is ook een dashond bij met korte kromme pooten, die weinig van het hedendaagsche ras verschilt. De oudste op de Egyptische monumenten afgebeelde Hond is een der eigenaardigste: hij gelijkt op een Windhond, maar heeft lange, spitse ooren en een korten, omgekrulden staart. Hij is nauw verwant aan een ras, dat ook thans nog in Noord-Afrika voorkomt, n.l. aan den Arabischen Everhond, waarvan E. Vernon Harcourt getuigt, dat hij “een excentriek, hiëroglyphisch dier is, zooals dat, waarmede Cheops eertijds ter jacht ging,” en dat hij “eenigszins gelijkt op den ruigharigen Schotschen Hertenhond.” In denzelfden tijd als dit overoude ras bestond er een, dat op de thans levende Paria-honden gelijkt. Hieruit blijkt dus, dat er reeds 4000 à 5000 jaar geleden verscheidene rassen van Honden waren, namelijk Pariahonden, Windhonden, gewone Parforcehonden, Bullenbijters, Wachthonden, Schoothondjes en Dashonden, die in meerdere of mindere mate op onze hedendaagsche rassen geleken. Afdoende bewijzen, dat een dezer Hondenrassen in alle opzichten overeenstemt met een der thans levende, bezitten wij echter niet.

“In Europa heeft men van getemde Honden gebruik gemaakt lang vóór den tijd, waaruit de alleroudste geschiedkundige berichten tot ons gekomen zijn. De beenderen van een tot de Honden behoorend dier, dat in de Deensche Kjökkenmöddingen (of ophoopingen van keukenafval) uit de jongste afdeelingen van den steentijd (het tijdperk der steenen werktuigen) gevonden werd, zijn waarschijnlijk afkomstig van een Huishond. Dit oude Hondenras werd in Denemarken gedurende den bronstijd (het tijdperk der bronzen werktuigen) vervangen door een grooter, eenigszins verschillend slag en dit laatste gedurende de ijzerperiode door een nog grootere verscheidenheid. In Zwitserland bestond in de jongste afdeeling van den steentijd een tamme Hond van middelmatige grootte, wiens schedel ongeveer evenveel afweek van dien van den Wolf als van dien van den Jakhals, en die sommige eigenaardigheden met onze Jachthonden en Patrijshonden gemeen had. Gedurende den bronstijd begon men hier een grooteren Hond te gebruiken, die, naar uit zijne kaakbeenderen blijkt, overeenkwam met een Hond, die in hetzelfde tijdperk in Denemarken voorkwam. Schmerling vond in een hol overblijfselen van twee Hondenrassen, die van de vorige aanmerkelijk verschilden, doch waarvan men niet met zekerheid gewaar kan worden, in welk tijdperk zij leefden.”

“De voornaamste bewijsgrond ten gunste van de meening, dat de verschillende rassen van Honden aan bepaalde, in ’t wild levende stammen hun ontstaan te danken hebben, is de overeenkomst, die men in onderscheidene gewesten opmerkt tusschen de getemde Honden en de wilde, die daar thans nog voorkomen. Het moet gezegd worden, dat het vergelijkend onderzoek, waarop deze uitkomst gegrond is, slechts in weinige gevallen met voldoende nauwkeurigheid verricht werd; hier staat echter tegenover, dat er niets onwaarschijnlijks gelegen is in de veronderstelling, dat verschillende soorten van Wilde Honden getemd zouden zijn. In bijna alle deelen der aarde worden leden van de familie der Honden in ’t wild aangetroffen, en verscheidene van deze soorten stemmen vrij wel overeen met de verschillende rassen onzer Huishonden. De onbeschaafde volken zijn zeer geneigd tot het temmen van allerlei soorten van dieren. Gezellig levende dieren worden het gemakkelijkst door den mensch onderworpen, en verscheidene soorten van Wilde Honden jagen in troepen. Toen de mensch in een lang vervlogen tijd voor ’t eerst in een land zich vestigde, hadden de daar levende dieren geen aangeboren of overgeërfde vrees voor hem, en konden daarom veel gemakkelijker getemd worden, dan thans. Toen de Falklands-eilanden voor ’t eerst door den mensch bezocht werden, kwam de groote Falklandsche Wolf (Canis antarcticus) onbevreesd Byron’s matrozen te gemoet, die deze uit onwetendheid voortspruitende nieuwsgierigheid voor woestheid aanzagen, en te water gingen om hen te ontloopen. Nog slechts kort geleden gelukte het iemand zulk een dier ’s nachts dood te steken, terwijl hij een stuk vleesch in de eene en een mes in de andere hand hield. Op de Schildpadden- of Galopagos-eilanden stiet ik met den loop van mijn geweer Valken van een tak af, en hield aan andere Vogels een emmer water voor, die er op gingen zitten om te drinken. Bovendien is het een belangrijk feit, dat verscheiden soorten van Wilde Honden geen sterken weerzin toonen, om zich in gevangenschap voort te planten; want juist het onvermogen om zich in den gevangen staat voort te planten, is een der sterkste hinderpalen tegen de temming. Ook is het noodig te weten, dat de wilden zeer gesteld zijn op het bezit van Honden; zelfs half-getemde dieren zijn hun hoogst nuttig. De Indianen in Noord-Amerika kruisen hunne half wilde Honden met Wolven, waardoor zij jachtgezellen verkrijgen, die wel wilder, maar ook moediger zijn dan de overige. De wilden van Guyana vangen de jongen van twee soorten van Wilde Honden en gebruiken ze op de jacht, na ze eenigermate getemd te hebben. Evenzoo handelen de inboorlingen van Nieuw-Holland met de jongen van den Dingo. Van King vernam ik, dat hij eens het jong van een wilden Dingo heeft afgericht om Runderen te hoeden, en dat dit dier zeer bruikbaar bleek te zijn. Met het oog op deze feiten, kan er geen bezwaar bestaan tegen de meening, dat de mensch in verschillende landen verschillende soorten van Wilde Honden getemd heeft. Terecht zou men zich er over verwonderen, indien hij van de talrijke, voor dit doel geschikte, in verschillende landen levende soorten, er slechts één aan zich onderworpen had.

“Vele feiten steunen de bedoelde meening: Richardson, die als een nauwkeurig en scherpzinnig onderzoeker bekend staat, zegt, dat de in Noord-Amerika inheemsche Vale Wolven buitengemeen gelijken op de Huishonden der Indianen, en dat het eenige verschil schijnt te bestaan in de meerdere grootte en spierkracht van den Wolf. “Meer dan eens,” zegt hij, “heb ik een troep Wolven bij vergissing voor de Honden van een bende Indianen aangezien, want zelfs het gehuil van beide dieren bestaat zoo geheel uit dezelfde geluiden, dat ook het geoefende oor van de Indianen somtijds het onderscheid niet opmerkt.” Kane heeft bij zijne spannen sledehonden dikwijls het schuin geplaatste oog (een kenmerk, waaraan sommige dierkundigen groote waarde hechten), den neerhangenden staart en den schuwen blik van den Wolf opgemerkt. In aard verschillen de Eskimohonden weinig van Wolven; volgens Hayes, zijn zij onvatbaar voor gehechtheid aan den mensch, en zoo woest, dat zij, als de honger hen zeer kwelt, zelfs hun meester aanvallen. Zij verwilderen gemakkelijk; hun verwantschap met de Wolven is zoo groot, dat zij zich veelvuldig met hen kruisen; de Indianen nemen jonge Wolven om het ras hunner Honden te verbeteren. Columbus vond in West-Indië twee soorten van Honden; Fernandez beschrijft er drie Mexicaansche. Eenige van deze inheemsche Honden waren stom, d. w. z. zij blaften niet. Sedert Buffon’s tijd is het bekend, dat de inboorlingen van Guyana hunne Honden kruisen met een wilde soort, waarschijnlijk met den Maikong of Karasisi (Canis cancrivorus).

“Rengger brengt bewijsgronden bij voor zijn meening, dat de bewoners van Amerika, toen dit werelddeel voor ’t eerst door Europeanen bezocht werd, geen andere dan onbehaarde tamme Honden kenden. Sommige Honden van dit ras, n.l. die van Paraguay kunnen ook nu nog niet blaffen. Tschudi zegt van hen, dat zij in de Cordilleras van de koude te lijden hebben. Deze Hond verschilt dus veel van dien, welke Tschudi onder den naam Inkahond heeft beschreven, en waarvan hij zegt, dat hij goed tegen de koude bestand is, en blaffen kan. Het is onbekend, of deze twee verschillende Hondenrassen afstammelingen zijn van inlandsche Wilde Honden. Men zou kunnen meenen, dat de mensch, toen hij zich voor ’t eerst in Amerika vestigde, van het Aziatische vaste land Honden medebracht, die niet blaffen konden. Deze meening is evenwel onwaarschijnlijk, omdat de alleroudste, uit Noord-Azië afkomstige bewoners van Amerika op hun weg naar het zuiden minstens twee Noord-Amerikaansche Wilde Honden getemd hebben, n.l. de reeds genoemde Grijze of Vale Wolf (Canis occidentalis) en de Prairie-Wolf (Canis latrans), welke laatste soort, volgens Richardson, volkomen overeenstemt met den tammen Hond der Hazen-Indianen.

“Gaan wij thans tot de Oude Wereld over. Sommige Europeesche Honden gelijken op den Wolf: dat de Herdershond van de Hongaarsche vlakten er weinig van verschilt, blijkt o.a. uit hetgeen Paget verhaalt van een Hongaar, die een van zijn eigen Honden voor een Wolf aanzag.

“De Europeesche Wolf verschilt een weinig van den Noord-Amerikaanschen en wordt door vele dierkundigen voor een andere soort gehouden. De Indische Wolf, die ook als een afzonderlijke soort beschouwd wordt, gelijkt sprekend op de Paria-honden van sommige districten van Indië.

“De Jakhalzen stemmen zoozeer overeen met de kleine Hondenrassen, dat Geoffroy St. Hilaire geen standvastig verschil heeft kunnen vinden tusschen den lichaamsbouw dezer beide dieren, welker innige verwantschap ook uit hunne levenswijze en gewoonten blijkt. Ehrenberg is tot de overtuiging gekomen, dat de tamme Honden van Beneden-Egypte en sommige Oud-Egyptische Honden, welker mummies hij onderzocht, van den in dat land voorkomenden Jakhals-Wolf (Canis lupaster) afstammen, en dat sommige andere uit den ouden tijd afkomstige Huishonden, evenals de thans nog in Nubië levende, in dezelfde betrekking staan tot den Jakhals dezer gewesten. Pallas beweert, dat de Jakhalzen en Honden in het Oosten soms vrijwillig paren; een dergelijk feit wordt uit Algerië bericht. De tamme Honden op de kust van Guinea zijn stom en gelijken op Vossen. Op de oostkust van Afrika tusschen 4° en 6° Z.B. en ongeveer tien dagreizen het binnenland in, komt, naar Erhard mededeelt, een half-getemde Hond voor, die volgens de verzekering der inboorlingen van een dergelijk wild dier afstamt. Lichtenstein zegt, dat de Honden der Bosjesmannen een treffende gelijkenis vertoonen zelfs in kleur (behalve de zwarte streep langs den rug) met den Schabrak-Jakhals (Canis mesomelas) van Zuid Afrika. Layard bericht, dat hij een Kafferhond heeft gezien, die zeer veel op een Eskimo-hond gelijkt. In Nieuw-Holland komt de Dingo zoowel tam als wild voor.

“Wegens deze gelijkenis van de half-getemde Honden in verschillende landen op de wilde soorten, die daar nog leven,—wegens de gemakkelijkheid waarmede zij dikwijls met elkander gekruist kunnen worden,—wegens de hooge waarde, die wilden zelfs aan half-getemde dieren hechten,—en wegens de andere reeds vermelde omstandigheden, die het temmen van Honden begunstigen, is het hoogst waarschijnlijk, dat de Huishonden der geheele wereld afstammen van twee goed bepaalde soorten van Wolven—de Gewone Wolf (Canis lupus) en de Huilwolf (Canis latrans)—en van twee of drie andere minder goed gekarakteriseerde soorten van Wolven—n.l. van de Europeesche, de Indische en de Noord-Amerikaansche—voorts van minstens één, misschien twee Zuid-Amerikaansche soorten van Honden, bovendien van verscheidene soorten van Jakhalzen en misschien van één of meer uitgestorven soorten. Sommige schrijvers kennen aan het klimaat een grooten invloed toe op de eigenaardigheden der dieren en meenen hierdoor de overeenkomst tusschen de tamme dieren in een streek en de inheemsche wilde vormen te kunnen verklaren. Mij zijn echter geen feiten bekend, die ten gunste van een zoo belangrijke werking van het klimaat spreken.

“Als wij bedenken, hoe onwaarschijnlijk het op zich zelf reeds is, dat de mensch door de geheele wereld heen slechts één enkele soort van een zoo ver verspreide, zoo gemakkelijk tembare en zoo nuttige diergroep als die der Honden zou hebben getemd; als wij de zeer groote ouderdom der verschillende rassen in ’t oog houden, en vooral, als wij ons de groote gelijkenis herinneren, zoowel in uitwendig maaksel, als in levenswijze, tusschen de tamme Honden van verschillende landen en de wilde soorten, welke nog diezelfde landen bewonen, spreekt de groote meerderheid der bewijsgronden, niettegenstaande de bezwaren die nog steeds kunnen worden aangevoerd, beslist ten gunste van den meervoudigen oorsprong onzer Honden.”

Tot dezelfde slotsom geraakt de bekende palaeontoloog Zittel, aan wiens voor kort verschenen werk wij de onderstaande aanhaling ontleenen, die op de geschiedenis van den Huishond gedurende vroegere tijdperken betrekking heeft.

“Hoewel,” zegt Zittel, “in beenderenholen dikwijls overblijfselen van den Huishond gevonden (en onder de namen Canis familiaris ferus, C. ferus, C. Mikii beschreven) zijn, is het toch zeer te betwijfelen, of dit dier in het eigenlijke diluviale tijdperk of zelfs in de oudste afdeeling van den steentijd bestaan heeft. Als getemde metgezel van den mensch komt het echter wel voor in de jongere afdeelingen van den steentijd, n.l. in de Deensche Kjökkenmöddinger, in de Zwitsersche en Zuid-Duitsche paalwoningen en in de Terramaren van Opper-Italië. Het ras, waarvan op deze plaatsen overblijfselen gevonden zijn, wordt Turfhond (Canis familiaris palustris) genoemd, en gelijkt, volgens Rütimeyer, door de grootte en den bouw van het geraamte het meest op den Patrijshond. Iets grooter en krachtiger is de door een spitseren snuit gekenmerkte Brons-hond (Canis familiaris matris optimae), die gedurende het brons-tijdperk over verreweg het grootste deel van Europa verspreid was, en zijne naaste verwanten heeft in den Herdershond, den Poedel en de groote rassen van Jachthonden. Men onderscheidt er trouwens verscheidene rassen van.” “De Turfhond is, volgens Jeitteles en Naumann, een getemde afstammeling van den Jakhals; zijn overeenkomst met den Huishond van de Papoeas (Canis hiberniae), maakt, dat Studer de afstamming van Canis Mikii, waarvan in de Moravische beenderenholen overblijfselen gevonden zijn, waarschijnlijker acht. Volgens Anutschin vertoont de kleine Huishond van de Lappen, Samojeden en Toengoesen een in ’t oog loopende overeenkomst met den Turfhond. Die verschillende rassen van het brons-tijdperk zijn, volgens Studer, door teeltkeus uit den Turfhond ontstaan. Jeitteles echter meent, dat zij uit den Indischen Wolf (Canis pallipes) zijn voortgekomen. In allen gevalle is de afstamming van de tallooze, thans levende rassen van den Huishond van één enkelen vorm van Wilden Hond uiterst onwaarschijnlijk; eenige rassen zijn vermoedelijk door het temmen van verschillende soorten van Jakhalzen, Wolven en Wilde Honden verkregen, en later door kruising en teeltkeus in allerlei opzichten gewijzigd.”

De Huishond zou hiernaar in zekeren zin als een kunstproduct, als een voortbrengsel van ’s menschen bemoeiingen, beschouwd moeten worden.

Met den naam Paria-honden zullen wij, in navolging van de Engelschen, de in vele Oostersche landen voorkomende Huishonden aanduiden, die, hoewel zij aan niemand toebehooren, toch tot op zekere hoogte van den mensch afhankelijk zijn. De bovenstaande naam is goed gekozen, want parias,—ellendige, verwaarloosde, uit betere kringen verstooten dieren—zijn deze arme schepsels, in weerwil van de vrijheid om te doen en te laten wat hun goeddunkt,—parias, die dankbaar de hand likken, welke hun het juk der slavernij oplegt, die gelukkig schijnen te zijn, als de mensch hen waardig acht, hem gezelschap te houden en te dienen.

Reeds in het zuiden van Europa leven de Honden in een geheel andere verhouding tot den mensch dan hier te lande. In Turkije, Griekenland en Zuid-Rusland zijn de omstreken van steden en dorpen bevolkt met scharen van Honden, die geen eigenaar hebben; zij komen ook wel in de straten, maar betreden nimmer een erf, of zouden vandaar door de Huishonden onmiddellijk verdreven worden. Zij voeden zich hoofdzakelijk met aas of maken bij gelegenheid ook wel voor eigen rekening jacht op Muizen en dergelijke kleine dieren. Ook de Honden van de boeren in ’t zuiden van Spanje worden thuis slechts zeer weinig gevoederd, en zwerven des nachts heinde en ver rond om zelf voedsel te zoeken. Op de Kanarische Eilanden is het, volgens Bolle, nog in den laatsten tijd voorgekomen, dat enkele Honden verwilderden en onder de Schapenkudden een aanzienlijke schade aanrichtten.

Alle Egyptische steden staan gedeeltelijk op de bouwvallen van de steden der oudheid, en zijn dus in zekeren zin op puinhoopen gebouwd. Echte bergen van puin omgeven voorts de meeste en de grootste dezer steden, zooals Alexandrië en Kaïro, tot op zeer aanzienlijken afstand. Deze bergen nu dienen gewoonlijk tot verblijfplaats aan verwilderde Honden, die alle tot een zelfde ras behooren. Zij komen in grootte met den Herdershond overeen, zijn plomp van gestalte, en hebben een onaangename gezichtsuitdrukking; hun lange en tamelijk ruige staart wordt in de meeste gevallen hangend gedragen. De kleur van hun ruige, verwarde vacht is vuil-roodachtig bruin, en kan meer of minder naar grijs of geel zweemen. Anders gekleurde, en wel zwarte en lichtgele exemplaren, komen voor, maar zijn altijd tamelijk zeldzaam. Zij leiden op de genoemde plaatsen een volkomen zelfstandig leven, brengen er het grootste deel van den dag slapend door, en zwerven ’s nachts rond. Ieder van hen heeft zijn eigen gangen of holen en deze zijn met een eigenaardige voorzorg aangelegd. In allen gevalle heeft iedere Hond twee gangen, waarvan de eene naar het oosten, de andere naar het westen geopend is; als de bergen echter zoo gericht zijn, dat zij van weerszijden aan den noordewind blootgesteld zijn, dan graven de dieren zich ook nog een afzonderlijk hol aan den zuidkant, dat zij evenwel alleen dan gebruiken, wanneer zij in hun naar ’t oosten of naar ’t westen gerichte hol last hebben van den kouden wind. Des morgens tegen tienen vindt men ze geregeld in het hol, welks opening naar ’t oosten gekeerd is; zij koesteren zich daar, na de koelte van den morgen, in de eerste stralen van de zon, om weer warm te worden. Langzamerhand echter worden deze stralen hun te heet, en noodzaken hen een beschaduwd plekje op te zoeken. De eene voor, de andere na staat op, klimt over den berg heen en begeeft zich naar het aan de westzijde gelegen hol, waarin hij zijn slaap voortzet. Wanneer de zonnestralen des namiddags in dit hol beginnen te schijnen, gaat de Hond weer terug naar het eerste hol, waar hij tot zonsondergang liggen blijft.

Omstreeks dezen tijd komt er leven en beweging in de bergen. Er vormen zich meer of minder groote groepen, ja, zelfs benden. Men hoort blaffen, huilen, keffen, al naar de gemoedsstemming der dieren. Om een groot kreng verzamelen zij zich altijd in groote menigte; een doode Ezel of een gestorven Muildier wordt in een enkelen nacht door het schrokkerige gezelschap verslonden, zoodat alleen de grootste beenderen blijven liggen. Als zij zeer hongerig zijn, komen zij ook over dag bij het aas, n.l. wanneer het te vreezen is, dat hunne onaangenaamste concurrenten, de Gieren, er gebruik van zullen maken, en zij dus in hun bedrijf benadeeld zullen worden. Broodnijd bestaat bij hen in de hoogste mate; menigen hevigen strijd hebben zij om deze reden met ongenoode gasten te voeren. De Gieren laten zich echter zoo gemakkelijk niet verdrijven; van alle aaseters zijn zij het, waarvan de Honden den moedigsten en volhardendsten tegenstand hebben te verwachten; van hen hebben zij daarom het meest te lijden. In alle omstandigheden is aas het hoofdbestanddeel van hun voedsel; men ziet ze echter ook op de wijze van de Katten voor de nesten van de Renmuizen loeren, en als Jakhalzen of Vossen den een of anderen Vogel besluipen. Wanneer er bij geval voor hen geen kreng te vinden is, maken zij verre tochten, komen dan ook binnen de steden en zwerven in de straten rond. Hier worden zij geduld, omdat zij alle afval opvreten, hoewel men ze er niet gaarne ziet; tegenwoordig zal het wel niet vaak meer gebeuren, dat geloovige Mohammedanen hen bij uiterste wilbeschikking gedenken, zooals vroeger placht te geschieden, en voor hun onderhoud tot op zekere hoogte zorg dragen.

Binnen hun eigenlijk woongebied zijn de verwilderde Honden tamelijk schuw en voorzichtig; vooral als de persoon die hen nadert, vreemdsoortig gekleed is, wordt hij steeds door hen ontweken. Als men een van deze dieren kwaad doet, ontstaat er een waar oproer. Uit ieder hol kijkt een kop naar buiten, en na weinige minuten zijn de toppen der heuvels met Honden bedekt, die onophoudelijk blaffen. Meermalen heb ik op zulke Honden werkelijk jacht gemaakt, zoowel om ze te leeren kennen, als om hun vleesch te gebruiken; het diende mij tot lokaas bij ’t vangen van Gieren, of als voedsel voor mijne gevangene Hyenas en Gieren. Bij deze jacht heb ik mij voldoende kunnen overtuigen, dat de Paria-honden samenleven en elkander tegen vijanden te hulp komen; onder andere heb ik bij die gelegenheden opgemerkt, dat zij mij reeds na korten tijd geheel hadden leeren kennen en vreezen. In Khartoem b.v. was het mij in ’t laatst onmogelijk, zulke verwilderde Honden met den buks te schieten, omdat zij mij niet meer op 400 pas afstand lieten naderen.

Niet zelden vermenigvuldigen de verwilderde Honden zich ongeloofelijk sterk en worden dan een ware plaag voor het land. Mohammed Ali liet eens, om aan dezen overlast paal en perk te stellen, een schip vullen met Honden, en deze in volle zee overboord werpen om de zekerheid te hebben, dat zij zouden verdrinken. Het is zeer gelukkig, dat zij slechts uiterst zelden gevaar loopen dol te worden; er zijn werkelijk nagenoeg geen voorbeelden van bekend, dat iemand in deze landen door een dollen Hond gebeten werd.

Naar men zegt, bestaat in Konstantinopel een nagenoeg gelijke betrekking tusschen den mensch en de Honden. “Onafscheidbaar van de straten van de hoofdstad,” zegt Hackländer, “is de gedachte aan hare nimmer ontbrekende bewoners, de Honden die geen meester hebben, en in tallooze menigte daar gevonden worden. Gewoonlijk vormt men zich van zaken, waarvan men dikwijls leest, een te grootsche voorstelling, en wordt daarom later dikwijls teleurgesteld. Dit geldt echter niet van ’t geen iemand van de Honden der Oostersche steden zou hebben kunnen lezen. Hoewel alle reizigers ze een plaag voor de menschen noemen, zijn toch de meesten bij de schildering van den last, dien deze dieren veroorzaken, beneden de werkelijkheid gebleven. Het ras waartoe zij behooren, is zeer eigenaardig. Wat het uitwendige betreft, komen zij nog het meest met onze Herdershonden overeen; zij hebben echter geen gekromden staart; ook hun haar is anders, n.l. kort en vuil geel van kleur. Als zij lui en traag rondsluipen of in de zon liggen, moet men erkennen, dat geen dier er zoo gemeen, ik zou haast zeggen, zoo ploertig uitziet als dit. In alle straten, op alle pleinen wemelt het van deze Honden; zij staan op rijen voor de huizen en wachten af, of hun ook bij geval een brok wordt toegeworpen, of zij liggen midden op de straat, en de Turk, die niet licht eenig levend wezen kwaad doet, gaat hen uit den weg. Ik heb nooit gezien, dat een Muzelman een van deze dieren geschopt of geslagen heeft. Veel eer werpt de handwerksman hen uit zijn werkplaats de overblijfselen van zijn maal toe. Alleen de Turksche Kaikschi en de marine-matrozen missen deze teergevoeligheid; door hun hand verliest menige Hond in den Gouden Hoorn het leven.

“Iedere straat heeft haar eigen Honden, die haar niet verlaten, evenals in onze groote steden de bedelaars hunne vaste standplaatsen hebben; wee den Hond, die het waagt, een vreemd gebied te bezoeken. Dikwijls heb ik gezien, hoe alle andere op zulk een ongelukkige aanvielen, en hem, indien hij zich niet door een snelle vlucht wist te redden, letterlijk aan stukken scheurden. Ik zou ze wel willen vergelijken met de straatjeugd in beschaafde landen. Als wij in een hoek van den bazar iets eetbaars kochten, dan volgden ons alle Honden, die wij voorbijkwamen, en verlieten ons eerst, als wij in een andere straat binnengingen, waar ons een andere troep Honden op dezelfde wijze begeleidde.”

Aan de beschrijving van den aard en de levenswijze onzer Huishonden zullen wij de onovertreffelijke karakteristiek van deze dieren laten voorafgaan, die door den aartsvader der dierkunde, door Linnaeus, op de hem eigene, korte en prettige wijze gegeven is. Ik heb getracht haar zoo nauwkeurig mogelijk te vertalen, hoewel dit geen gemakkelijke zaak is. Sommige gedeelten zijn eigenlijk onvertaalbaar; het overige luidt ongeveer als volgt: “Vreet vleesch, aas, melige plantaardige stoffen, geen kruiden. Verteert beenderen, braakt na het eten van gras. Drinkt leppend; watert zijdelings, in goed gezelschap dikwijls honderdmaal; beruikt de aars van andere; neus vochtig, speurt uitmuntend; loopt zijwaarts, gaat op de teenen; zweet zeer weinig, laat bij warm weer de tong uit den bek hangen; voordat hij gaat slapen, loopt hij om zijn slaapplaats heen; hoort gedurende den slaap vrij scherp, droomt. De teef draagt 9 weken, werpt 4 à 8 jongen: de mannetjes gelijken op den vader, de wijfjes op de moeder. De trouwste van alle; huisgenoot van den mensch, kwispelstaart bij ’t naderen van zijn meester, duldt niet, dat deze geslagen wordt; loopt dezen op den weg vooruit, aan een kruisweg ziet hij om; leerzaam, spoort verloren zaken op, doet ’s nachts de ronde, meldt de komst van naderenden, waakt bij goederen, houdt het vee van de akkers af, houdt de Rendieren bijeen, bewaakt Runderen en Schapen tegen wilde dieren, houdt Leeuwen tegen, drijft het wild op, doet eenden binnen schot opvliegen, apporteert het gedoode wild zonder er van te eten, draait in Frankrijk het braadspit, trekt in Siberië den reiswagen, bedelt aan tafel; houdt, als hij gestolen heeft, angstig den staart tusschen de pooten; vreet gulzig. Te huis meester onder de zijnen; vijand van de bedelaars, valt ongetergd onbekenden aan. Geneest wonden, jicht en kanker door likken. Huilt, als hij muziek hoort, bijt in een toegeworpen steen; onpasselijk en kwalijk riekend bij naderend onweer. Heeft last van den lintworm; verbreidt de watervrees. Wordt eindelijk blind en beknabbelt zijn eigen lichaam. De Amerikaansche Hond verleert het blaffen. De Mohammedanen verfoeien hem; slachtoffer van de ontleedkundigen bij onderzoekingen van den bloedsomloop etc.”

Wij hebben niets anders te doen dan deze beschrijving verder uit te breiden. Alle Huishonden komen in levenswijze en gewoonten vrijwel overeen, zoolang zij niet door den invloed, die de zeden en gewoonten van den mensch noodzakelijkerwijs op hen oefenen, genoodzaakt worden hun levenswijze te veranderen.

De Honden zijn zoowel dag- als nachtdieren, en voor beide tijden even goed uitgerust; zoowel des daags als des nachts wakker en vlug. Als het hun toegestaan wordt, jagen zij op klaarlichten dag zoowel als ’s nachts, en vereenigen zich gaarne tot groote gezelschappen. In ’t algemeen is gezelligheid een grondtrek van hun karakter, en deze heeft een zeer grooten invloed op hunne gewoonten. Zij vreten alles, wat de mensch eet, dierlijk voedsel zoowel als plantaardig, en beide in rauwen toestand niet minder graag dan gekookt. Bovenal houden zij van vleesch, en wel meer nog van het eenigszins bedorvene dan van het versche. Zij zijn hartstochtelijk verlekkerd op aas; zelfs de best opgevoede en best verzorgde Honden verslinden gretig de uitwerpselen van den mensch. Sommige rassen geven aan vleesch de voorkeur boven al het andere voedsel, andere schatten het minder hoog. Van de gekookte spijzen smaken meelspijzen, vooral wanneer zij zoet zijn, hun het best; als zij vruchten eten, geven zij aan zoete de voorkeur boven zuurachtige. Beenderen, goede bouillon, brood, groenten en melk zijn het geschiktste voedsel voor een Hond; vet en te veel zout zijn daarentegen nadeelig voor hem. Men kan hem ook uitsluitend met brood voeden en gezond houden; steeds is het echter noodig, hem zijn voedsel op vast bepaalde uren te geven. Geen spijs mag hem heet voorgediend worden; altijd moet zij lauw warm zijn; het bakje, waaruit hij eet, moet steeds zindelijk gehouden worden. Een volwassen Hond krijgt genoeg voedsel, als hij zich éénmaal per dag behoorlijk zat eten kan, tweemaal te voederen is echter beter; een Hond die ’s avonds eten kan, tot hij verzadigd is, zal waakzamer zijn en zich niet zoo licht laten omkoopen, als een hongerig dier. Water drinken de Honden veel en dikwijls; zij scheppen het met de tong op, die voor dit doel bij wijze van een lepel gekromd wordt met eenigszins naar voren gebogen spits; water is volstrekt noodig om ze volkomen gezond te doen blijven.

De Hond is een uitmuntend looper en zwemmer, en kan zelfs een weinig klimmen; hij zal echter licht duizelig worden, als hij langs een steilen afgrond gaat. Hij loopt en draaft in een eigenaardig scheeve richting. Als hij hard loopt, kan hij groote sprongen maken; tot plotselinge wendingen is hij echter niet in staat. Eenige Honden houden merkwaardig veel van ’t water (p. 199); verwende Honden schuwen het echter in hooge mate. Vooral in Afrika heb ik Honden zien klimmen. Hier klauteren zij zeer behendig bij muren en bij de niet sterk hellende daken van huizen omhoog, en loopen als Katten volkomen veilig langs zeer smalle terrassen (p. 190). Om te rusten gaat de Hond op de achterpooten zitten of legt zich op de zijde of op den buik; in ’t laatstgenoemd geval richt hij de achterpooten buitenwaarts, de voorpooten naar voren en tusschen deze legt hij den kop; zelden strekt hij daarbij de achterpooten achterwaarts.

Alle Honden slapen graag en dikwijls, maar met tusschenpoozen; hun slaap is zeer licht en onrustig en gaat dikwijls van droomen vergezeld, zooals blijkt uit het kwispelstaarten, de spiersamentrekkingen, het knorren en het zachte blaffen gedurende den slaap. Zij zijn bijzonder sterk gesteld op zindelijkheid: de plaats, waar zij blijven moeten, en vooral hun slaapplaats, moet altijd goed schoon gehouden worden. Zelfs bij een zeer snelle en langdurige beweging zweeten zij weinig; de speekselafscheiding treedt voor de zweetvorming in de plaats; van de tong, die de Honden, als zij warm zijn, hijgend uit den bek laten hangen, druppelt onophoudelijk speeksel af.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings