← Table of contents
Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging

DE ANARCHISTISCHE LEVENSBESCHOUWING. (continued 2)

Reading edition

De scherpziende conservatieven onzer dagen, Mr. Van Houten, Jhr. de Savornin Lohman bijv. in ons land, gevoelen zeer goed dat een sterker staatscontrôle, staatsingrijpen en staatsoptreden voor de arbeiders, den staat in den grond niet sterker maakt. De staatsmacht der bourgeoisie tegen de leden harer eigen klasse gekeerd, helpt de macht dier klasse breken, in zooverre als zij, doordien zij steeds algemeener wordt, als klasse-staat hoe langer hoe meer zichzelf gaat verzwakken. En dus overwinnen.

Kropotkine, die alles ziet behalve datgene wat een nauwkeurig opmerker van de beweging onzer maatschappij zien moet; die van natuurwetenschappelijkheid den mond vol heeft, maar den groei niet ziet; die den eenen keer met begrippen als „staat in zijn specifiek-romeinschen vorm” werkt en als het in zijn kraam te pas komt een volgend maal een anderen staatsvorm bedoelt, kan de ontwikkeling van den staat in zijn huidigen vorm niet begrijpen.

Voor Kropotkine is de staatsvorm de afspiegeling van den economischen organisatievorm der maatschappij, iets dat niet bestaat, dat fiktief is, dat is zijn overdrijving van de historisch-materialistische opvatting omtrent de beteekenis van den staat in een burgerlijk-constitutioneel land. Dit komt waarschijnlijk doordat Kropotkine nog immer de russische absolute staatsvorm voor oogen zweeft en voorts doordat hij en zijns gelijken in de politieke beweging van het proletariaat iets aparts zien, dat met de vervorming van den economischen organisatievorm niet in verband staat.

Waar echter „staat en kapitalisme” gelijk Kropotkine zelf weder toegeeft, al is het in tegenspraak met wat hij eenige bladzijden vroeger gezegd heeft, zoo eng zijn samengegroeid, dat men ze niet van elkander kan scheiden, daar spreekt het toch van zelf dat men door het ingrijpen in den vorm van den staat ook het kapitalisme zeer dicht te lijf moet kunnen gaan. Natuurlijk is „het afschaffen van het kapitalisme” een absurditeit, die alleen in den mond van een „wetenschappelijk” anarchist past. Als het kapitalisme als zoodanig niet goeddeels zichzelf zou afschaffen, zou het met onzen wil om het af te schaffen al heel dunnetjes geschapen staan.

De politieke aktie van het proletariaat drijft, in het algemeen, den politieken bourgeois-staat—en hierover loopt het, en niet over allerlei soorten „staat”, waarmede Kropotkine gelieft te werken,—tot zijn eigen zelfontbinding. De burgerklasse in haren sterken tijd, d.w.z. in den tijd toen het proletariaat nog een hoop verstrooide arbeiders was en nog niet als politiek zelfstandige klasse optrad, wist veel beter dan de geleerde anarchisten, waarom zij een zoo hoog mogelijken census stelde voor de deelname aan de regeeringsverrichtingen. Het instinkt der massa’s leerde daartegenover al vrij spoedig, dat die census het middel was om het monopolie van het bezit op politiek gebied te handhaven en dat niet voor niets,—om een fiktie!—die bezittende klasse dat monopolie zoo lang mogelijk handhaafde. Als de staat niet meer de representant van een enkele klasse kan zijn, wordt de staatsvorm een andere, een algemeene, een demokratische. Eigenaardig is het dat na al het fulmineeren tegen den staat, Kropotkine zelf gevoelt dat beide veranderingen, die van den politieken staatsvorm en van de economische organisatie, hand in hand gaan. De anarchistische communisten zijn aan de eerste inkonsekwentie niet gestorven, Kropotkine allerminst. „Een nieuwe economische organisatievorm,” zegt hij (p. 73), „moet noodzakelijkerwijze een nieuwen politieken organisatievorm met zich medebrengen, en moge die verandering onmiddellijk of geleidelijk langs den weg eener langzame evolutie plaats vinden, beide veranderingen—op politiek zoowel als op economisch gebied—moeten met gelijken tred, hand in hand, hunnen gang gaan.”

Dit is, hoewel eenigszins verward, den sociaal-demokraten nagepraat. Kropotkine evenwel, die op natuurwetenschappelijk gebied de kleinste verschijnselen niet over ’t hoofd zal zien, verliest de wisselwerking uit het oog van beide veranderingen. Een politieke verandering, bijv. de uitbreiding van het kiesrecht, kan, onder bepaalde omstandigheden, voor de economische organisatie van de maatschappij op den duur van den meest vèrstrekkenden invloed zijn.

En als beide veranderingen, politieke en economische, hand in hand moeten gaan, dan zou het proletariaat toch wel een historische dwaasheid begaan door zich te onttrekken aan dat terrein waarop het veranderingen tot stand kan brengen, n.l. op het politieke, en zich te beperken tot het economische, waarop het uiteraard, krachtens zijn eigenaardige positie als loonarbeidersklasse, zoo goed als geen invloed hebben kan.

„Elke schrede tot economische bevrijding,” zegt Kropotkine, „elke zegepraal over het kapitaal zal ook een schrede op den weg der politieke bevrijding zijn—een bevrijding der vrije overeenkomst, in lokaal en bedrijfsopzicht, van het juk van den staat.”

Hier stelt Kropotkine de dingen weer anarchistisch op hun kop. Elke schrede „economische bevrijding” moet noodzakelijkerwijs een grooter hoeveelheid politieke macht tot voorwaarde hebben. Die economische bevrijding, welke Kropotkine bedoelt, kan eerst aanvangen als het proletariaat de staatsmacht in handen heeft. Dan lost de staat zich geheel op, omdat hij zijn dienst dan gedaan heeft. De noodzakelijkheid van zijn bestaan ligt in de bescherming en de gewelddadige verdediging later van klassevoorrechten. Vervallen deze, doordien het proletariaat als de overwinnende klasse alle klasseprivilegies zal hebben afgeschaft, dan vervalt ook het doel van den staat in den burgerlijken zin van het woord; dan treedt, gelijk Friedrich Engels het in den Anti-Dühring formuleerde: „in de plaats van een regeering over personen het beheer van zaken en de leiding van produktie-processen”.

5. TOLSTOÏ; het christelijke anarchisme.

„Onze hoop op verlossing is niet op een religieus ideaal, maar op een massieven, materieelen grondsteen gebouwd.”

(Josef Dietzgen, „Het evangelie der sociaal-demokratie.”)

In den algemeenen anarchistischen gedachtengang behoort, meer zelfs dan enkele personen, die in ’t voorbijgaan over het anarchisme hebben gerept, maar tot de conceptie der gedachte geen bouwsteenen geleverd hebben, Leo Tolstoï thuis. Vooral omdat deze christen, die naar „de ware leer van Jezus” het leven wenschte hervormd te zien, een element tot uitdrukking heeft doen komen, dat daarin wel verborgen lag, maar vóór hem niet zoo sterk aan het daglicht kon komen,—wij meenen hier het specifiek-christelijke element.

Tolstoï is zelf geen agressieve figuur als anarchist, zijn anarchisme is er meer een van passiviteit dan van aktiviteit, maar ook hierom is het voor de arbeidersbeweging niet onschadelijk. Het is de uitdrukking van den stilstand, die het gevolg is van het ontbreken der faktoren om de beweging hetzij in gang te kunnen zetten, hetzij bewust verder te brengen, in ieder geval dus de uitdrukking van machteloosheid. Terugwerkend op een deel van de beweging dat, alhoewel niet sterk, toch iets kan beginnen te doen, is het bepaald een remmende kracht, ook al wijl het, gelijk het anarchisme over het algemeen, op den subjectieven wil en de persoonlijke aktie van den individu den meest overdreven nadruk en het meest onlogisch gewicht legt.

Tolstoï’s leer bevat de tendenz der cultuurmoeheid, reeds te voren aangewezen bij de anarchisten, een zekere oververzadiging, sterker nog in zich dan de andere. En dat zij bij het christendom aanknoopt, in den meest direkten zin een voortzetting wil zijn van die essence van de christelijke leer die in de Bergrede tot uiting komt, is wel het sterkste bewijs daarvoor.

Tolstoï gaat inderdaad nergens in zijn leer van de maatschappij en hare behoeften uit, maar overal van „de behoefte aan geen behoeften.” Dat beheerscht zijn gansche sociale levens- en wereldbeschouwing, dat is het uitgangspunt van zijn kritiek op de huidige maatschappij. De oververzadiging zijner klasse, tenminste van een deel daarvan, die geen behagen meer heeft in het tot dusver geleide leven, die is het welke Tolstoï in den grond eigenlijk overbrengt op de gansche maatschappij, die hij een onthouding van behoeften predikt, omdat zij voor de breede massa zelfs de allerprimitiefste mogelijkheid om in hare behoeften redelijk te voorzien, niet geven kan.

In het algemeen zit in het anarchisme een zekere nawerking van den christelijken geest, die het met de praktijk van het leven nooit bizonder heeft kunnen vinden. De afkeer om de theorie in het leven te laten doorwerken, zooals wij die bij de anarchisten waarnemen; de angst voor uitbreiding en machtsinvloed; de voorliefde voor sektairisme, zij zijn nog in zeker opzicht aan den christelijken geest, waarin de menschen door de theologie eeuwenlang zijn opgevoed, te danken.

Daar komt nog de askese bij, d.w.z. het zich terugtrekken zonder veel behoeften, liefst met in het geheel geen behoeften; deze is in ieder geval gebouwd op de individueele beschouwing, dat het doen en laten van den mensch de physionomie eener gegeven maatschappij zou bepalen.

De individueele liefde tot den naaste, die slechts de liefde om de liefde zelf tot uitgangspunt nam, is ook de basis van Tolstoï’s leer, zooals het die van de christelijke ethiek was. Die liefde is evenwel geen menschenliefde, niet het begrip van de algemeen-menschelijke solidariteit, maar zij is liefde voor zichzelf, en eerst dáárdoor wordt zij algemeene menschenliefde. Zoowel in deze christelijke liefde, als in de askese, ligt het egoïsme op den bodem.

Niet minder dan deze eigenaardigheden van Tolstoï’s leer, die aan de specifiek christelijke traditie herinneren, is de eigenschap er van om elken vorm van staatsmacht te ontgaan, aan elken dwang een passieven weerstand te bieden, in overeenstemming met den christelijken geest, zooals die onder de eerste christenen, die broederlijk in gemeenten samenleefden, de heerschende was. Deze tendenz was zoo sterk, dat zij in de eerste eeuw de vorming eener regeering, zelfs in de christelijke gemeenten zelve, verhinderde. En bizonder heftig uitte zij zich natuurlijk tegen den staat. Hierop duidt reeds de vermaning der Apostelen, twistpunten onder christenen niet voor het gerecht van de overheid te brengen, zooals over het algemeen de gansche, zich van den staat verre houdende levenswijze der eerste christengemeenten, gelijk de Apostelgeschiedenis ze schildert, dikwijls nog terugkeert in de geschiedenis van de dweeperssekten.

Deze asketisch-anarchistische en anti-autoritaire tendenzen in het christendom komen later, o.m. bij de „doopersche” sekten, sterk weder naar voren, en vooral zijn zij sterk bij eene onder deze, de sekte van de „wederdoopers.”

In de geschriften van de kerkvaders wordt in den grond der zaak de zedelijke waarde van den staat even sterk aangetast, als men dat bij de huidige anarchisten vinden kan. Zij noemen den staat een werktuig van de zonde, van de zelfverheffing, van het geweld, van de macht des duivels, wat, in gewone redeneering overgezet, zeggen wil: een middel tot uitbuiting en tot uitoefening van het recht van den sterkste. Geheel op deze idee berustte ook het boek van Augustinus: „De civitate Dei” („Over den staat Gods”), dat geheel dien geest van christelijk-ethisch anarchisme ademt.

Van de wet der liefde leidt de leer van Christus volgens Tolstoï het gebod af om het kwaad niet met geweld te weerstaan. „Wedersta den booze niet, beteekent: weersta nooit aan het booze, dat wil zeggen: doe nooit een ander geweld aan, dat wil zeggen: bega nooit een handeling, die tegen de liefde indruischt,” zegt Tolstoï in „Waarin bestaat mijn geloof?” (pag. 17). In het booze is natuurlijk de staat ook inbegrepen. Maar, zegt Tolstoï, dit moet niet worden opgevat als verbood het „elken strijd tegen het kwaad”, alleen „de gewelddadige strijd tegen het kwaad” is het die volgens Tolstoï niet mag worden gevoerd. „Wie het zwaard neemt, die zal door het zwaard vergaan,” dit voorschrift zegt niet, volgens Tolstoï, dat slechts een gedeelte der menschen verplicht is „zonder strijd zich te schikken in hetgeen hun door een bepaalde overheid wordt voorgeschreven,” maar het verbiedt iedereen, dus ook dengenen die de macht bezitten, en dezen zelfs in ’t bizonder, in welk geval ook tegen, iemand geweld te gebruiken. („Het koninkrijk gods” enz., pag. 268–269.)

Men ziet dat Tolstoï er een eigene uitlegkunde op na houdt, weshalve hij dan ook bij de conceptie van zijn eigenlijke leer meer theoloog dan hervormer is.

Dat Tolstoï’s beschouwing overigens zuiver individueel is, blijkt bijv. reeds hieruit dat hij zelf zegt: „Ik kan evenmin de algemeene noodzakelijkheid als de algemeene schadelijkheid van den staat bewijzen.” „Ik weet slechts dat eenerzijds de staat niet meer noodig is voor mij en dat ik anderzijds niet meer doen kan hetgeen noodzakelijk is voor het bestaan van den staat.” („Het koninkrijk” enz., p. 335–336.)

Volgens Tolstoï is de staat de belichaming van het slechte en bederft het bezit van macht de menschen. „De menschen, die de macht bezitten, kunnen niet anders dan haar misbruiken, ze moeten beslist door een zoo vreeselijk geweld worden in de war gebracht”, zegt hij in „Christendom en Vaderlandsliefde” (pag. 71).

Meerdere aanhalingen zullen wel overbodig zijn, om aan te toonen dat Tolstoï de zuiver-christelijke ethiek tot in het overdrevene toe tot richtsnoer zijner leer neemt. En zooals hij over den staat, over de macht tot regeeren etc. oordeelt, zoo over het leger, de justitie enz.; zij zijn alle instrumenten eener zelfde macht, de macht van het Booze, die hoe eerder hoe beter moet worden afgezworen. Desgelijks oordeelt Tolstoï over den persoonlijken eigendom, over het geld enz.

Zooals Tolstoï het „kwaad” in den persoon ziet, zoekt hij ook konsekwent de verbetering in den persoon. Op welke wijze, zagen wij reeds: de propaganda voor en de doorwerking van de liefde, die natuurlijk zijn uitgangspunt in de bekeering van een ieder moet vinden.

Tot zoover hier genoeg over de leer van Tolstoï zelven, die voor het overige zich geheel en al dekt met de beschouwingen van niet-christelijke anarchisten.

Tolstoï als sociaal-philosoof, denker en hervormer uit zijn milieu te verklaren waarin hij leeft en werkt, is hier niet op zijn plaats. In zooverre als zijn denkbeelden, overgeplant naar andere landen, inwerken op de algemeene arbeidersbeweging, in zooverre dus als zij zich meester maken van groepen arbeiders, was het noodig, Tolstoï’s leer hier, zij het slechts kortelings, aan te stippen. Zij is een completeering slechts van de anarchistische denkwijze, en zij tiert bepaaldelijk in streken waar de arbeidersbeweging te zwak is om zich te kunnen ontwikkelen.

Het anarchisme is de onder phrases en machtspreuken verhulde zwakte. Waar de beweging geen genoegzame elementen vindt om zich te ontwikkelen, hetzij omdat haar de materieele krachten ontbreken, hetzij de intellectueele, hetzij beiden tezamen, daar ontstaat als uitdrukking van die machteloosheid het gevoel van ontkenning, van negatie van elk positief werken, dat op anarchisme uitloopt.

Zoo is het Tolstoïsme, dat den dienst aan den staat weigert om daardoor het militairisme te bekampen, dat de belastingen weigert om den staat geen verdere middelen te verschaffen, dat kortom zijn eenige steunpunt in de persoon zoekt, de tegenhanger van een ander soort anarchisme, dat eveneens allen nadruk legt op de persoonlijke daad, op het aktieve ingrijpen van den individu: het anarchisme van de daad.

Het een als het ander is voor de beweging van het proletariaat van groote schade, omdat het tegen den loop der beweging principieel ingaat.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings