Stoornis in de atmosfeer.
Reading edition
“Wat is er van den nacht,
O Wachter! welk een dag
wordt aan de kim verwacht!”
(Isaäc da Costa.)
De eerste dagen bleef de familie hokvast, honkvast.
Veel besproken in ’t dorp, was de verstandigste tactiek ’t gekakel te laten bezinken. De burgemeester, die ambtshalve op bezoek was geweest, had ’n allerzonderlingste verklaring geslikt, ’n verklaring die positief verdacht scheen, doch waaraan je niet officieel kon twijfelen, omdat je ’n zoo duistere zaak van verdwenen menschen, die plots met broeken aan (rapport van ’n betrouwbaar brigadier) terug waren gekeerd, niet een-twee-drie òntduisteren kon en daarenboven het feit dat de familie nièt gestikt was, op zich zelf eene publieke verheugenis werd.
Het weer hielp ’n handje mee, om de aandacht te verplaatsen. ’n Allergeweldigste storm stak op, twee dagen, drie nachten. Voor ’t stadhuis werd ’n boom ontworteld, ’t regende dakpannen, drie-kwart van de straatlantaarns woei stuk.
Die ontzettingen deeën de menschen thuis blijven en achter damp-bleeke ruiten over ongelukken en akeligheden praten.
’t Brandje bij de Zwaluws raakte op den achtergrond—de Zwaluws zelf vertoonden zich niet.
’s Avonds in de leuke huiskamer, ná ’t eten, bespraken ze ’t gebeurde en de toekomst. De wind omgierde de villa, floot joelend en dreigend, brak takken, dee de behangselwanden golven. ’n Uitgezocht weer voor luchtpeddelaars om te schuilen als de vogels—en kostelijk te praten.
Mevrouw, eenigszins vermoeid, met spierpijnen in de kuiten en ’n niet malsche verkoudheid—te bezweet had ze op ’t tochtig schooldak gerust—luisterde half—meneer, versch van optimisme, zei clairvoyante dingen bij ’n globe, die-ie door Kobus uit de stad had laten halen. Want nou je de verrukkingen van ’t Heelal wist, nou je niet langer aan voetpaden en klinkers gebonden was, nou ’t ongekend terrein van planeten en melkweg voor je open lag, nou diende je de aarde een weinig en gros te aanschouwen.
“Zie je, Amélie,” zei-die in klare gedragenheid, z’n pink op Holland leggend: “as je van Amsterdam links in de Ruimte peddelt, krijg je eerst Engeland, dan Ierland, dan de Atlantische Oceaan, dan Canada, dan de Stille Oceaan, dan Japan, dan China, dan Perzië, dan Turkije en over Duitschland kom je weer thúis. De reis om de wereld in tachtig dagen! Abah! Niks meer waard! ’k Neem aan van de Noordpool naar de Zuidpool te peddelen in ’n rèchte lijn, zonder ’n haperingetje—van Spitsbergen over Finland naar Griekenland, van Griekenland over Tripolis naar de Congo en over Kaapstad naar de àndere pool.”
“Dat doe jìj dan maar alléén,” zei mevrouw nuchter, met water-beloopen oogjens: “’k heb van me toer òm ’t huis zat genoeg”....
“Dan toer jij ìn huis,” antwoordde Piet; “je hoeft ook niet òveral mee”....
“Dat zit,” zeide mevrouw ordinair: “as jij alléén van de Noordpool na de Zuidpool gaat, kijk je an de Noordpool en an de Zuidpool enkel de zòlderkamers binnen—net as vooreergister—of ’k ’t niet gemòrken heb! ’k Stop me oogen in me zak!”....
Meneer ontweek de hatelijkheid.
’n Vrouw blééf vrouw. ’t Leven kon zich tot in verfijning moderniseeren, wonderlijk stijgen van Trekschuit naar Vliegmachien en ’n vrouw maakte die wereld-schokkingen als ’n grùtter mee.
Hoe kòn men an ’t áárde-ding zòlderkamer denken, als de bevleugelde geest (l’esprit ailé) den aardbòl omspande.
Nooit had ze ’m begrepen—nooit grétig meegewild. Bij ’t vertimmeren der pui, na vader’s dood, toen zijn idee de Charcuterie hollandaise tot eene moderne zaak had geheven, was ze vol kleine, zure bezwaren geweest.
Vandaag, bij de globe, vandaag omringd door Mercurius, Mars, Venus, Uranus, Neptunus, Saturnus, Jupiter en de millioenen andere glimgelegenheden des hemels, vandaag, nu zijn arendsblik den afstand van Amsterdam naar Java mat, nu ’t ’m als ’t weten-des-doods zoo rijp werd, dat voortaan geen hollandsche regeering stapel genoeg zou zijn om kolonialen via langzame schuiten naar Atjeh te zenden—vandaag ging ’r opnieuw de dompende benauwenis van het niet begrijpen van haar uit.
In de eerste huwelijksjaren, als alle groene echtgenooten, zou-ie zijn opgevlogen (figuurlijk)—nu, eenigszins meelijdend, zei-ie ingehouden:
....“Kind, wees niet zoo klein! De heele wereld ligt voor ons open en jij kijkt naar goten en dáken! Je snapt nog maar hàlf welke gróótste revolutie los gaat barsten”....
Starend, als ’n ziener, ’n verklarend profeet gelijk, dronk-ie van ’t héét avondgrogje, dat Amélie klaar had gemaakt (zie óók illustratie op blz. 28).
“Gesteld,” sprak-ie, met de lippen smakkelend: “gesteld dat over twintig jaar iedereen vliegt, zooals nou ièdereen fietst—over twintig jaar huur je zoo goed vliegmachines als nou fietsen—over twintig jaar krijg je rechtszaken over gegapte vleugels—gesteld dat wij dan nog gezònd mee kunnen doen, ouwetje, dan zul je je oogen niet gelooven”....
Weer wees z’n wijsvinger ’n rechte lijn op de globe, weer gaf-ie z’n geniale invallen....: “Reken is an—hièr, die bleeke broodkruimel, da’s Holland—en daar bij den staart van Engelsch-Indië heb je òns Sumatra, òns Java, òns Borneo. Wat hebben we daaran tot vandaag toe gehad? Geen sikkepit! Zes, zeven weken noodig, telkens, om ’r mannetjes heen te zenden! ’t Kanaal van Suez kun je voor mijn part laten verzanden. Geef ’t heele dappere hollandsche leger vliegmachines en we peddelen linea recta over Duitschland en de Zwarte Zee, over Perzië, Hindoestan en de baai van Bengalen naar onze Oost. Wat? Subliem! Ja, daar trek jij noù malle gezichten bij! Haha! Zoo zeker as tweemaal twee vier krijgen we naàst ’n spoorbrigade—wat ’n fameuze kerel, die Kuyper!—tientallen regimenten Vliegende kolonialen. Dan is ’t uit in Atjeh, radikaal uit. Laten de vlerken maar in de bergen vluchten—wij vliegen bòven de bergen en tracteeren ze op dynamiet-bommen! Omgekeerd: reken is an, denk is na, nee val me nou niet in de rede—òmgekeerd, as de Duitschers voor de waterlinie liggen, zenden we op ons dooie gemak ’n draadloos telegram na Batavia en eer ze d’r op verdacht zijn, rukken onze Indische regimenten aan, door de lucht, in gesloten gelederen—door de lucht—door de gòddelijke lucht,....”
Z’n zienende oogen staarden in ’t electrisch licht, z’n wangen plooiden zacht van glimlach.
“Pa,” zeide Amélie bescheiden: “maar als de Atjehers en de Duitschers tegen dien tijd òòk vliegen—wat dan?”
“Dan,” zei Pieter Zwaluw; “dan krijg je in de wolken vèld—nee, vèld kun je dàn niet meer zeggen—dan krijg je wòlkslagen—zooals in de oude tijden màn tegen màn—de zware kanonnen moeten ze benejen laten en met ’n geweer doe je niet veel, als je vliegt. In elk geval wij kunnen de andere volken vóór zijn—dat zal van de regeering, ’t verlicht gouvernement afhangen”....
“En als de Engelschen vliegmachines in Atjeh binnensmokkelen,” droomde Amélie.
“Dàt zou wat voor de Engelschen zijn,” praatte pa driftig en denkend aan wat in Transvaal gebeurd was, strekte-die de armen in begeestering voor zich uit: “ja, als we nou wóúen, als we nou anpakten—dan konden we ze àlles betaald zetten, àlles terugnemen wat ze gemoerd hebben. In één nacht vliegen we met tienduizend man van Vlissingen naar Queensborough—wie kan ons tegenhouen?—in één nacht hebben we Engeland in onze macht. Als ze troepen mobiliseeren, laten we bommen vallen—maling an internationale wetten!—als ze zich in vestingen opsluiten, vallen wij van boven aan. Dat zal wat anders worden dan de tocht naar Chatham! In vier-en-twintig uur knippen we alle telegraaf- en telephoondraden door—eenvoudig met ’n stevige schaar—’t werk van de vliegende Sappeurs—niks, niks is tegen ons bestand—geen oorlogsschip, geen leger! En omdat we ’t zoo vlug doen, wordt ’r geen druppel bloed vergoten”....
Buiten adem nam-ie ’n slok van z’n koudgeworden groc, plonste bij de tafel in z’n stoel.
Amélie keek droomerig in de electrische lamp.
Mevrouw, zwaar-verkouden, bibberend van koorts, geeuwde.
Toen kwam Chris tafeldekken voor ’t boterhammetje met kaas.
En terwijl buiten de storm kwaadaardig loeide en daverde, begonnen ze paisibel te happen, ma slaperig—pa en Amélie met oorlogzuchtige, felle gemoederen.
Zoolang de storm aanhield, bleven ze ’s avonds huiselijk fantaseeren. Eerst den volgenden Vrijdagavond hernamen ze hun tocht.