Angsten en vrede.
Reading edition
“Come what come may—time and the hour run through the roughest day....”
(Longfellow).
“Het had heel wat moeite gekost....”
(Eenzamen, Willem Gerard van Nouhuys).
Geradbraakt ontwaakte de heer Pieter Zwaluw voor de twééde maal op den toren.
Als een fletse streep kwijnde aan den horizon de zorgen-zwangere dageraad.
Het verre landschap traagde in ’n nevel, die de landen besloop....
Pijnlijk-kreunend, z’n tintel-kloppend been dat aan het lichaam gestorven leek, masseerend, keek-ie met de grimmigheid eens geboeiden leeuws naar het gemelijk-onlekkere van ’t bovenaardsch zitje.
Dan, op-strompelend, moeilijk van sleepas, kruiste hij de armen over de verkleumde borst, stond eene wijle onbeweeglijk, als Napoléon op de rotsen van St. Helena.
Een uil, reeds gewend aan de buurschap der nieuwe wezens, bepeinsde hem studieus.
“Verdraaid—verdraaid!”—, sprak de heer Zwaluw tot zichzelven en hernam zijne zwijgenis, daar een mensch in zulke gefolterde omstandigheden zelfs den lust verliest met het eigen ik te confereeren.
Een leege maag pompt de láátste energie uit het hersenweefsel, een leege maag maakt den blij-moedigste tot gallig pessimist.
Er was géén redding mogelijk. Vandaag niet.
Toen zij, zij de vrouw die met ’m verhongerde, gister van den beambte der gasfabriek sprak, die elken tweeden Zaterdag van de maand kwam, had-ie noch haar, noch Amélie willen ontrusten met de mathemathische berekening dat elke Zaterdag een Zondag voor schaduw heeft—en op Zondag werd geenszins, in geen beschaafd land begraven.
Nu, de armen gekruist, ’s morgens om drieën, dacht-ie met onvaste, door maagweeïng doorvreten gedachten, dat straks de gemeenten in de kerk geen vermoeden zou hebben van de zwervers op een toren.
Hij hield ’t niet uit.
De dood, dàdelijk, scheen verkieslijk.
Een sprong omlaag en hij lag op de plek, die ’m toch ééns moest ontvangen.
Maar dan de vrouwen! Die zouden zelfs geen fatsoenlijke begrafenis hebben.
O, gruwel—misschien zou ’t na wéken de aandacht trekken, dat zooveel raven om de ruïne saamschoolden.
Huilerig-grommend keek de heer Zwaluw naar het huisgezin op de planken, en ineens bukkend raapte hij ’t miniatuur-ommeletje der uitgebrande kaars, proefde er met de voortanden van—gelijk-ie als knaap had gedaan van ’n tablet chocola.
Het wàs te eten.
Van honger krankzinnige zeelieden hadden mekaar wel geslacht en verslonden.
Bij dàt vergeleken was stéarine eene delicatesse, een versnapering, ’n greep uit ’n bon-bonnière.
Gulzig kauwend op ’t eindje kous, voorzichtig stappend om de vrouwen niet te wekken—wie wist waarvan ze droomden?—herinnerde-die zich niet van de Hoogere-Burgerschool ’t nooit begrepen spreekwoord: “qui dort dine....”?—, nam-ie de vliegmachines in z’n handen.
Als je ze aan mekaar hechtte, kregen de stangen ’n lengte van vier meter zeker. Te kort voor den afgrond. Op een doodensprong maakte vier meter geen verschil.
Toch passend en wikkend—pruimend op ’t pitje der kaars—bleef-ie in berekening—tot-ie bijna van verrassing gilde. Z’n knutselende vingers hadden den knop van Amélie’s parachute aangeraakt. Nagenoeg gaaf veerde de parachute uit de stang. ’t Leek niet te gelooven.
Eergisteravond was-ie ’n kuiken geweest, ’n logisch-redeneerend kuiken.
Want toen-ie na ’t vlammen-onheil en na de bekoeling der aluminium-latten de twee bóvenste parachutes onderzocht had en in de stangen verkoold bevonden, had-ie de moeite gespaard ook Amélie’s onderste vliegmachine te aanschouwen, die in ’t felste van ’t brandje geweest was.
Dit was een wonder.
En ’n domheid.
Had-ie tòen gekeken, dan was er een glim van redding geweest, ’n glim, want héélemaal gaaf was de parachute niet.
Bij één balein was de zijde ’n tikje geschroeid. Dat tikje maakte een nederdaling tot een gevaarlijke historie. Als de parachute scheurde of kantelde, kwam je ontzield neer.
Pieter Zwaluw, verheugd dat-ie niet voorbarig gegild had, hurkte als een Indiaan bij het vredesvuur.
Er waren eenige kansen ter overweging:—verhongeren (wat géén kans kon heeten)—vrouw en dochter wekken, voor haar angstig-jammerende oogen mooglijk dood neerstorten—vrouw en kind niét wekken en de reis naar de Lethe op eigen gevaar, zonder getuigen ondernemen.
Met zware rimpels in ’t voorhoofd en saamklittende wenkbrauwen, stak hij z’n laatste sigaar op, deed ’n paar trekken.
Anders fleurde ’n sigaar ’m op—in dat bar-vroege ochtenduur miste ze ’r inspireerende werking.
Licht-duizelig lei-ie haar neer, toch reeds duizelig door de voor-voeling van den val—de zuiging—’t houvast-verlorene.
Dieper boog z’n hoofd naar de doorweekte knieën, striemender groeven de rimpels in ’t voorhoofdsvel, ruiger sloten de wenkbrauwen aaneen.
Dan vàst-besloten, met ’n cynisme, waarvan de herinnering ’m nog in later jaren pleizierig aandeed, gespte hij de riemen vast, lei z’n notitieboek aan de voeten zijner ega en met een van ’r op ’t plat zwemmende haarspelden, hechtte hij zich een naamkaartje in ’t knoopsgat, waarin zoo dikwerf in genoeglijker situatie, bij diner of wandeling, ’n bouton de rose had gegeurd.
Op ’t punt òp de tinnen te stappen en den sprong te wagen, waarvoor ze in ’n goed-georganiseerd circus goud zouden hebben betaald, nam-ie z’n vulpenhouder en schreef in ’t notitieboekje: “Houd moed—dood of levend bezorg ik u redding”—, toen trok-ie het visitekaartje uit z’n knoopsgat, noteerde daarop met kloeke letters:

Blééf-ie liggen in de struiken beneden, dan zouden ze ’m bij de éérste begrafenis vinden en ’t spoor der andere verdwenenen speuren—dan zouden ze alle drie hereenigd worden in den familie-grafkelder, waarin ook Zwaluw Senior en zijn moeder lagen.
Even werden z’n oogen vochtig bij die deernis-zwáre ziening—dan, zonder om te kijken, beëtiketteerde-die zich opnieuw met visitekaart en haarspeld, stapte op de borstwering, verjoeg den wijsgeerigen uil, die wat van ’m leek te moeten hebben, zóó als-ie ’m ankeek—en bestaarde voor ’t laatst het landschap, ’t kleur-vattend groen, de boomtoppen, de grafzerken.
De zon, nog ònder den horizon, belichtte de nevellijn achter de velden, alsof een stofwolk door verre karossen gewenteld werd.
“Het is zuur,” peinsde hij zeer kort: “het is in élk opzicht zuur—de levensverzekering-maatschappij zal chicaneeren—de ongevallen-maatschappij dito. Vooruit, Jan van Schaffelaar—een màn aarzelt niet!”
Toch, ofschoon màn, aarzelde hij.
Zelfs mèt een leege maag heeft ’t leven z’n aangename zijden.
Welk eene gaping tusschen eergister en heden.
Toen ingezetene met ’n charmant huis en alle geneugten—vandaag ’n desperaat mensch boven ’n afgrond.
Wreeder kon ’t niet—acuter leerde ’t nauwlijks de wereldhistorie.
’t Geritsel van den uil dreef hem in de diepte.
Als ze ontwaakten kreeg je ’n hartverscheurend afscheid.
Stevig de vingers klemmend om de gekwetste plek der parachute liet-ie zich gaan, de oogen gesloten.
De wind zoog als ’n blaasbalg in z’n neusgaten, builde z’n jas open, bolde z’n broekspijpen.
Het ging eerst met stooten en rukken, dan maag-van-streek-makend snel.
Niet zoo snel als z’n gedachten die de eeuwigheid doorstormden.
Met ’n smak bonsde-die neer en kreunde van pijn. Hij had z’n enkel verzwikt, lei languit op den beganen grond van ’t kerkhof.
“God zij gedankt,” zei Pieter Zwaluw, aanzienlijk opgelucht: “’r liggen ’r hier in minder goede conditie,” en met ’n opgeruimdheid die ’m de pijn bijna deed vergeten, floot-ie omhoog om zijn vrouw en Amélie te waarschuwen dat-ie behouden gearriveerd was.
Ze hoorden ’m niet.
“Vrouw! Amélie!”—, schreeuwde hij, de handen als ’n roeper om den mond. ’t Bleef boven stil.
Nog ’n paar maal schreeuwde en riep de heer Zwaluw, dan pijnlijk strompelend, klom-ie over ’t puntdradige hek van ’t kerkhof, dat ’m zóólang van ’t leven en de vrijheid gescheiden had.
’n Kwartier lang, transpireerend, wee van honger en met ’n voet die hoe langer hoe sterker zwol, kuchte hij den weg af, tot-ie geweldig bofte.
’n Boerensjees reed voorbij.
“Hallo!”, riep de heer Zwaluw.
“Waablief?”—, schrikte de boer, wantrouwend het vreemde heer taxeerend, dat in ’n fatsoenlijk, doch verregend en gescheurd pak en met ’n gebroken fiets onder den arm, noodseinen wrikte.
“Mag ’k meerijjen—ik zal ’t goed met je maken?”
“Om de weerlicht nie,” betoogde de man in de sjees: “jij lijkt wel erges uit-gebroke te zijn....”
“Dat bèn ’k ook,” praatte Pieter Zwaluw; “uit ’t kerkhof.”
De boer trok de leidsels aan.
“Rij in Godesnaam niet door!”, smeekte Pieter, ziek van pijn en duizeligheid: “ik geef je vijf en twintig gulden as je me na ’t dorp brengt!”
’t Bankje, uit z’n vestzak gegrabbeld, had uitwerking.
“Stijg dan maar op,” zei de boer het papiertje grijpend en gelijk naar z’n mes tastend voor ’t geval dat de rare sinjeur streken zou uithalen.
De heer Zwaluw, zachtjes kermend, sjorde zich omhoog. En de sjees kreeg ’n zálige beweging dorpwaarts.
“Heb jij je poot bezeerd?”, vroeg de boer.
“Ja,” zei de heer Zwaluw op ’t punt te ònmachtigen.
“Hoe komt dat dan zoo?”, hield de boer aan, de leidsels in de eene hand, ’t mes bij de andere.
“Ik ben van den toren gesprongen,” lei Pieter uit, lang-gerekt geeuwend, zwaar-kakend geeuwend als ’n uitgeputte hongerlijder.
“Zoo,” antwoordde de boer ongerust—straks had-ie ’n gek, ’n losgebroken gek naast zich zitten: “Zoo ben jij van ’n tóren gesprongen? Wel man—da’s héél knap.”
“Ja,” geeuwde Pieter, met dikke geeuwtranen in de oogen: “en ’k heb ’n razenden honger—’k heb”—even nam-ie rust voor n’ nieuwe diep-deinende geeuwing: “’k heb niks as ’n stukkie kaarsvet gegeten....”
“Wel—wel,” grinnekte de boer doodelijk-angstig—nog liever ’n struikroover as ’n krankzinnige naast je!—“wel, wel! Nou da’s héél lekker. Dat eten we thuis ook.” Je most ze niet tegenspreken. “Hurt! Hurt!”
De opgejaagde zweep striemde ’t paard, dat ’r vandoor vlóóg: “En—en—die kapotte fiets—waar hei je die vandaan? ...”
“Nérgens,” sprak de heer Zwaluw in ’n flauwte opzij-zakkend.
“Nou—da’s ’n geval!”, gromde de boer, zoo ver mogelijk af-schuivend, maar ineens boog-ie dicht ’t hoofd naar de borst van den vent, die met lapjes van vijf en twintig sméét en met ’n verbluffing die ’m de haren te bergen deed rijzen, las-ie de waanzinnige woorden aan de haarspeld: “Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z.”
“Christeneziele!”, zei-ie ’t paard voortzwiepend: “Hurt! Hurt, Kees!”
’t Paard sloeg bijna op hol. De heer Zwaluw bleef in onmacht.
’n Leege maag met ’n eindje stearine-kaars en ’n gemeen-verzwikten voet maken van den kordaatsten lucht-peddelaar ’n aangespoeld wrak.
De boer, ongezellig-warm, met ’n krijtwit gelaat, joeg de sjees over de slapende keien van ’t dorp.
En voor ’t politiebureau hield-ie in met ’n dankbaren ruk. Het paard beefde op de beenen.
In de stilte van ’t straatje ploften twee stevige schoenen van den bok—en de kloppende vuisten porden zoo stevig als mokerslagen.
“Ja?”, vroeg de dienstdoende brigadier, die met ’t neuswarmertje in z’n hand, in de rust van ’t accidenten-vrij dorp in slaap was geknikkeld.
“Christeneziele!”, bulkte de boer: “wat me daar is overkomme! Ik breng je ’n gek—een die met ’n kapotte fiets van ’n toren is gespronge, met enkel ’n kaars in z’n maag en ’n brief op z’n borst!”
“Daar begrijp ’k geen snars van,” zei de brigadier; “met gekke mot je niet hièr weze!”
“Wel gedorie!”, vloekte de boer: “as je ’m nie overneemt, zet ’k ’m op ’t stoepie!”
“Dat zel jij wel late, man. Dan zou ’k jou leelijk bekeure!”
“As-die nou toch van z’n zelve leit,” raasde de boer: “mot ’k ’n gek houe die in me sjees klimt? Dan verzoek ik jou die vent uit me wagen te zette. De wagen is mijn eigendom....”
De brigadier, eindelijk heelemaal wakker, voelde voor die argumenten, klom op de tree van de sjees en keek onder de kap in ’t blauw-bleek gelaat van een der geheimzinnig-verdwenenen.
“Da’s léelijk,” zei-ie: “da’s meneer Zwaluw—en die is dóód. Waar hei-je ’m gevonden?”
“Hij is nie dood,” zei de boer ongerust: “Help ’m maar na binnen drage....”
In de wachtkamer, op ’n paar stoelen, leien ze ’m neer en daar met de ontzaglijkste verschrikking las ook de brigadier de geheimzinnig-gruwelijke woorden—in verband met de moorden van Kobus-den-huisknecht: “mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z.”
“Dadelijk de burgemeester hale!”, gelastte de brigadier: “zoo iets schrikkelijks is hier nog nooit voorgekome. Je zou die huisknecht lévend verbrande....”
Op den toren van Koepelsteyn geschiedde inmiddels eene andere dièp-tragische gebeurtenis.
Amélie, eindelijk ontwaakt, na een heerlijken slaap—de jeugd slaapt op rozen, zelfs wanneer de doornen der werkelijkheid in weligheid groeien—welk een scheurkalendervondst! Amélie keek verrast om zich henen, de plaats der ontwaking nauwlijks herkennend.
Ma sliep nog, ’t hoofd op háár knie.
Nee, ze zou zich niet bewegen—ma had ’t zoo noodig.
Doch plots draaiden haar oogen naar alle zijden.
En in angst-reflex gilde ze: “Ma! Mòéder!”
“Wat is ’r?”—, vroeg mevrouw dood-van-slaap.
“Pa is wèg!...”
“Wàt zeg je!”—, schreeuwde mevrouw wakker geknoet.
Onbeweeglijk, als in steen gehouwen, keken de twee vrouwen. Er was geen vergissing mogelijk. ’t Plateau wàs te overzien.
“O,” zei mevrouw angstig.
“O—O!”—, huilde Amélie: “hij is van den toren gesprongen uit wanhoop!”
Trillend aan al haar leden, stond mevrouw op, keek over de borstwering. De struiken bewaarden het geheim van haar schaduwen en groen.
“Genadige hemel—op zóó’n manier weduwe te worden!”—, snikte mevrouw.
Amélie had ’t zakboekje opgenomen, las de woorden: “Houd moed—dood of levend bezorg ik u redding!”
“O ma—má—pa heeft zich voor ons opgeofferd—die goeie, beste, lieve pa—en nutteloos—nutteloos—nou ligt-ie dood in de struiken benee—en wij kunnen hier óók sterven....”
Snikkend nam mevrouw het boekje uit Amélie’s handen en las den laatsten wil, dien Pieter gisteravond bij de acetyleenlamp geschreven had.
Door ’t waas voor ’r oogen, zag ze de lieve, brave, stevige letters van den doode: “Ik vermaak al mijn hebben en houen aan mijn geliefde vrouw en mijn innig-geliefde dochter en wensch met haar samen in den familie-grafkelder hier omlaag te worden bijgezet. Mochten wij alle driè dood gevonden worden, dan schenk ik dit hebben en houen aan de gemeente mijner inwoning, die er de vrije beschikking over zal hebben, mits de naam Pieter Zwaluw aan het fonds verblijve en onder voorwaarde dat mijn huisknecht Kobus en mijne dienstboden Chris en Jans een jaargeld van vijfhonderd gulden ieder ontvangen. De gemeente verbinde zich hier tegenover alle torens in de toekomst geopend te laten, om onverantwoordelijke opsluitingen, als waarvan wij het offer zijn, te voorkomen. Onze verbrande vleugels moeten in het gemeente-museum bewaard blijven, als aandenken aan hen, die zoo hoog in de wolken een marteldood zijn gestorven. Pieter Everhardus Zwaluw.”
“De èngel!”, nokte mevrouw voor ’t éérst van ’r leven na de lang-geleden bruidsdagen in de Charcuterie.
Mevrouw jammer-kreunde met de gulzigheid eener weduwe, die te laat de schoone hoedanigheden eens echtgenoots ontdekt—Amélie schreide heftig.
Zoolang de Menschheid bestond, had geen toren-plateau zùlk desperaat gerucht vernomen—geen toren van Barneveld—geen van Solness—geen Notre Dame.
Noch Jan van Schaffelaar, noch Solness, noch Quasimodo benaderden dàt.
Een weduwe, een halve wees, uitgeput, hongerig, dorstig—gekerkerd op een omweerde hoogvlakte, waarvan de man en vader veertig meter omlaag is gesprongen—’t kon niet benarder, niet opperst-tragischer.
De handen wringend in de buurschap van den uil die de daad had gezien, de beenen in zijn broek—welke deerniswaardige herinnering!—besnikte mevrouw het Verleden.
Pieter Everhardus Zwaluw—zoo zéér als haar maag ongebonden jeukte en materie verlangde—gebaarde thans in hare verbeelding, met een zoetelijk helden-aureool om de grijzende slapen en bakkebaarden.
Al zijn slechte, doch menschelijke hoedanigheden verzwommen.
Bleek-hongerig en door smart lam geslagen, onderging ze in die vrééselijke oogenblikken het zonderling-aangrijpende der gansche Menschheid, die zich bij een lévende ver-kneutert in spelde-prikken en geniepige porren en een doode in het zonnetje van zijn goedheid en voortreffelijkheid zet (nadere scheurkalender-vondst).
Hoe dikwijls had ze Pièt (als een dolksteek) met een glimlach (als een vernietiging) gezegd, hoe menigmaal hadden zij en hij àndere dingen in mekaars oogen gelezen dan poëten bij maanlicht bezingen....
Hoe had zíj, uit de Jan-van-Loon-straat, hèm uit de Zwaanssteeg, op ’t folterbankje der-ik-heb-’t-laatste-woord mishandeld.
Nu lag-ie afschuwelijk verminkt ergens in de struiken, zat zij als eene legendarische, symbolische smartfiguur naast haar dochter, de leege wijnflesch en het glimmend sardineblikje.
Antigone, Oedipus leken er kinderspel bij.
Het was een fraaie zomersche dag. De zon, fel-doorgebroken, joeg het vocht van het plateau in sidderende dampen.
De vogels op ’t kerkhof floten, schoten naar de nesten—’t vol-weelderig groen slurpte het licht in verrukking.
Teer van stemming begon in de onzienlijke verte een klok voor de vroegmis te luiden.
“Ma,” sprak Amélie.
Mevrouw bleef in smartlijke versteening.
“Ma,” zei Amélie nog eens: “àrme ma.”
“Arm kind,” antwoordde de weduwe.
“Misschien is ’r ’n wònder gebeurd, ma.”
“Nee,” knikte mevrouw.
“Laat u ’t hoofd nog niet hangen. We zièn beneden toch niks.”
“Als we wat zagen, zou ’t nòg schriklijker zijn,” snikte mevrouw.
“Heeft u erge honger?”, vroeg Amélie na ’n poos om te tróósten.
“Niet meer,” zei mevrouw over àlles heen.
“Dat zegt u maar,” redeneerde Amélie: “toe, denk an nìks, ma!”
Ma antwoordde niet—Amélie begon op ’r nagels te bijten.
Van ’r vroegste jeugd had ze ’t gedaan—vandaag dee ze ’t hardnekkig in ’r pogingen om ’r moeder af te leiden.
’r Handen had ze laten kappen, om má aan eten te helpen.
’n Gevulde maag was beter tegen verdriet bestand dan zùlk ’n leege.
De zon scheen ’r warm in ’t gelaat, stoofde ’r hoofd, kokend en opgehitst. De benauwende broeiing maakte ’r ongevoelig.
Als ’n beest begon ze den uil te beloeren. ’t Was ’n welgevulde dikkert met vleezige pooten en ’n smaaklijken nek.
Zoo gedegenereerd geraakte ze door de werking van ’r maag en ’t verlangen om ’r moeder ’n troostenden hap te geven, dat ze ’r vader vergat en met lichtende katte-oogen de zachte bewegingen van den uil bespiedde.
Ze kreeg ’r ’n kleur bij—’r handen kromden als klauwen—’r rug boog in sprong.
Nooit in ’r later leven vergat ze die diersituatie, dat rooie, bestiale gevoel om ’n rustig-slapenden, niets-vermoedenden uil, terwijl ’n beschaafd mensch naar vegetarisme neigde.
Als ze ’m te pakken had gekregen—zij, die drie dagen geleden nog geen kanarie in ’r handen durfde te nemen—had ze ’m z’n nek omgedraaid—én geplukt—èn met ’r nagelschaartje gehalveerd—èn rauw geslokt.
’n Door honger gefolterd mensch werd ’n ijselijk dier.... Gelukkig kwam het niet tot de euveldaad.
Ma keek op en ongerust over de loerende koortsachtige oogen van ’r dochter, vroeg ze:
“Amélie—wat doe je?”
“Niks ma.”
“Wat kijk je dan?”
“Suscht, ma! Suscht! U praat ’m wàkker.’k Had ’m net haast te pakken!”
“Jakkus,” zei mevrouw: “hoe kom je op de inval?”
En ze zwegen geslagen.
De kerkklokken rondom luidden nu alle.
Mevrouw vouwde de handen—Amélie keek van den uil naar den eenzamen landweg.
De zon, hooger aan den hemel, braadde haar rug.
Warmte was ellendiger dan regen—om twaalf uur zou ’t niet uit te houden zijn.
In Godsnaam.
’n Zonnesteek onder de omstandigheden was ’n weldaad.
Uitkomst op Zondag was onmogelijk.
Al ’r idealen te begraven op ’n toren, al ’r droomen en jeugdverlangens—welk ’n einde.
Toen, wakker geschokt, klaar van denken, botste ze op.
In de verte naderde ’n stoet, ’n stevige menschendrom.
“Ma!”—, gilde ze.
Mevrouw schrikte, keek over de borstwering.
“De hemel zij geprezen—’n begrafenis!”—sprak Amélie koortsachtig-gejaagd: “o, o, wat ’n geluk—en net te laat om armen pa ook te redden.”
“Stil! Stil!”, zeide mevrouw: “misschien gaan ze ’n anderen kant uit!”
Sprakeloos keken ze toe.
De stoet kwam nader, ’n geweldig-lange, stevige stoet. De zon bescheen ’t koper van muziek-instrumenten, verguldde letters van vaandels. In ’t midden een paar landouwers met heeren in ’t zwart—daar achter spartel-glinstrende brandweerhelmen en een bonte drom mannen en vrouwen.
“Ma—droomen we?”—, zei Amélie bevend.
“Ik geloof ’t,” aarzelde mevrouw.
De realiteit van den uil, de leege flesch, ’t blikje, ’t smerig plateau stelde haar gerust.
“’n Wonder,” zei Amélie, zich vasthoudend om niet ineen te zakken.
Benee, in den stoet, begonnen ze met zakdoeken te wuiven—flauw hoera-geroep zweefde aan.
“Ma—ma—pá zit in ’t rijtuig!”—, gilde Amélie en dol van uitgelatenheid begon ze op het plat te dansen, zoo wild te dansen, dat de uil ’r beduusd van door ging.
Benee werd het plechtig. Bij de struiken van Koepelsteyn zette de muziek fanfares in.
Mevrouw, doodsbleek, hing over de tinnen, keek, keek, boog.
Dan ’r man herkennend, die ’n mand etenswaren, eieren, ham, boterhammenworst en broodjes op z’n schoot hield, hernam ze haar waardigheid van vóór de groote Ellende en snauwde haar dochter toe:
“Amélie! Amélie! Schei uit met je gedans. De burgemeester, de wethouders zullen denken, dat je stapel ben!”
“Dat ben ’k ook ma! Eenig! Eenig!”
Voor het eerst sinds zwaar-zure uren hersprak ze dát woord.
“Amélie,” zeide mama nog eens gestreng.
De trap benee steunde en kraakte.
Het luik schoof.
Het hoofd van den burgemeester werd zichtbaar.
“Mevrouw—dames,” begon hij. Verlegen verdween-ie weer, omdat de dames Zwaluw in zùlk kostuum een weinig landlooperig deden.
“Kom, burgemeester—wat doet u nou?”—, gromde de oudste wethouder in het duister van het gat. Hij geraakte in de verdrukking, zóó als ze opdrongen om van de plechtigheid getuige te zijn.
Toen zette het hoofd der gemeente, der politie en der brandweer door, doch confuus en onhandig, beglimlachte hij het plateau, om het onvertogene te mijden.
“Kom u binnen, kom u binnen,” sprak mevrouw de hoofden in de luikopening toe.
Ze had weer haar ouwe tegenwoordigheid van geest, als gastvrouw van Casa Cara.
Het werd een kort, levendig gedrang.
Al de dorpsnotabelen, de gemeenteraad, het bestuur der harmonie, het bestuur der rederijkskamer, de notaris, de dokter, allen waren present en ontroerd, toen de heer Zwaluw met een omzwachtelden voet omhoog kwakkelde en z’n vrouw en dochter ’n broodje en ’n zoen gaf.
Benee speelde de harmonie de marschen en ouvertures, die ze kènde.
“Ophouen! Ophouen!”—riep de inspecteur van politie.
Er kwam stilte.
De burgemeester trad in het midden van den kring en eerst onvast, dan zekerder—dit was z’n dèrde speech in het openbaar: den eersten keer nà z’n benoeming had-ie de eerewacht toegesproken—den tweeden keer de brandweer bij de overreiking der nieuwe spuit—zei hij, met verheffing en aangedaanheid: “Dames en heeren—mevrouw Zwaluw—mejuffrouw Zwaluw—mijnheer Zwaluw—als hoofd der gemeente neem ik met gretigheid het woord om u geluk te wenschen met uw redding. Wij achten het een eer voor onze gemeente, dat hièr het eerst de vliegmachine in practijk is gebracht. De heer Zwaluw heeft mij, na zijn herstel, de geheele toedracht verteld, uw avonturen, uw lijden beschreven. Gelooft mij, dames, dat, wanneer we in de historie van ons geliefd vaderland met eerbied den naam noemen van .... van .... van”—transpireerend in de stékend-heete zon, bleef ook hij stéken.
“Van .... De Ruyter” ...., soufleerde de oudste wethouder op goed geluk.
“Néé,” beet de burgemeester af—en nog den naam niet te grazen nemend, vervolgde hij ”....van.... van de vrouw die bij Leiden’s ontzet...”
“Kenau Hasselaar!—riepen een paar gemeenteraadsleden.
“.... Juist mijne heeren—wat ìk zeggen wou—van Kenau Simons Hasselaar—wanneer we met eerbied dien naam gedenken, dan zullen onze nazaten met misschien even grooten eerbied van de dames Zwaluw spreken, die met haar man en vader voor het eerst in ons land gevlogen hebben en manmoedig dit avontuur doorstaan....”
Even zwaaide de arm van den politie-inspecteur over de borstwering, even tetterden fanfares.
“Mag ik de aanwezigen uitnoodigen,” vervolgde de burgemeester: “driemaal aan te heffen: Lang leve de vliegende familie Zwaluw!”
Geestdriftig wèrd het geroepen, geestdriftig brulde de menigte benee, die door de politie op een afstand werd gehouden.
Amélie at haar tweede broodje—ook mevrouw kauwde. De mensch deed zich gelden.
Toen kwam de president der rederijkerskamer, die in verscheiden gemeenten den roep had een uitnemend fuist- en feestdichter te zijn, naar voren, las een làng gedicht, dat hij in het rijtuig had geschreven. Het eindigde aldus:
Wij zullen aan het nakroost overbrengen
Hoe gij gevleugeld naar deez’ toren kwaamt,
Hoe ’t noodlot uwe wieken deed verzengen.
Faalt niet een mensch in wat hij soms beraamt?
Gij hebt het hóógste in dit land volbracht,
Wij noemen UEd. de hemelruime-tochters,
Dit hadden nimmer wij verwacht.
Slaat in de toekomst uit uw breede vlerken!
Vliegt jaren nog tot in ’t zesd’ geslacht!
Vliegt zonder grens en zonder perken!
Wij hebben eeuwen lang naar UEd. vleugelen gesmàcht!
Weer vielen fanfares in—toen na handdrukken zonder feestlijken wijn—zóó hoog werd het moeilijk kurken te doen ploffen—begon de daling naar den beganen grond.
O, de vreugde bij de eerste stappen, op ’t grintpad, terwijl de politie salueerde, de vaandels bogen, de muziek fanfaarde, de menschen met hoeden en zakdoeken wuifden.
Voetstaps, in de landouwers, ging het dorpwaarts. Mevrouw zat naast Pieter—over hen Amélie.
In het tweede rijtuig kranigde het Dagelijksch Bestuur.
Overal groetten de bewoners.
Het was een Droom—eene ongedachte héérlijkheid.
“Pa—hoe éénig dat u ’r zóó is afgekomen! Hoe heeft u ’t dùrven wagen met ’n kapotte parachute!”, zei Amélie, toen ze alles gehoord hadden.
Mevrouw zat zwijgend.
Nu ze hem weer had, hèm dien ze ’n uur geleden als ’n lief, ónvleeschelijk wezen gezien—nu ze z’n verzakt boord, ongeschoren kin, bevuilde kleeding, in rauwe werkelijkheid aanschouwde, nu ze zich zelf ten spot voelde in zijn pantalon, nu kregelde in haar de rijpe verdrietigheid, dat ’t per slot van rekening alles zijn schuld was, eene schuld niet te zoenen door ’n speech van den burgemeester.
“Piet,” zei ze met aanzwellende kribbigheid, “hier heb je je zakboekje met je laatsten wil.”
“Dank je, kind.”
“Pièt, ’t is goed dat ’r niks van gekomen is.”
“Dat is ’t, kind.”
“Nee, dàt bedoel ’k niet! Hoe kwam je zoo gek om alles an de gemeente na te laten?”
“Ik kreeg zoo die inval, kind.”
“En me zuster en ’r kinderen?”
“Die hebben ’t niet noodig.”
“Zoo,” zei ze vinnig, tegelijk glimlachend-groetend: “zóó—je doet die gekheden geen twééden keer!”
“Dat weet ’k nog niet,” verweerde hij zich.
“Piet!”—, dreigde ze.
“Begin je weer kwesties te zóéken?”
“Dat was geen testament—dat was pure onzin—en ijdelheid—om je naam in de kranten te krijgen ....”
“Daar spring ik voor van ’n toren,” zeide hij geprikkeld.
Zoo tòch gezelligjes in den ouden lévenden toon kibbelend, reden ze het dorpje in, beminnelijk naar alle zijden de kennissen en dorpenaren toeknikkend.
Katterig hielden ze ’s middags receptie bij port, sherry, advocaat.
Kobus liep grunnekend in de gangen en ouwe Chris, bewegend zonder lichaamsweten, smoorde in den oven met gehypnotiseerde gebaren, een malsch stuk lenden, dat de slager bij uitzondering op Zondag leverde.
Meneer zat met z’n verzwikten voet in ijscompressen.
Mevrouw wrokte over ’n man, die z’n hebben en houen aan z’n familie ontstal.