IX.
Margaretha Meijboom translation
De onversaagde Juffrouw Kruse begon te tobben, iets, wat ze nooit te voren had gedaan.
Maar in den loop der jaren en nu de goede tijd gekomen was kreeg ze steeds minder te doen en steeds langer kousebeenen te breien; en dàn, als ze kousebeenen zitten te breien, gaan de oude vrouwtjes tobben.
Wat vooral in Juffrouw Kruse’s verstandig kopje spookte, was een voortdurend toenemende verbazing over de tegenwoordige jeugd; maar ze verwonderde zich niet, als andere oude vrouwen over de dwaasheid en lichtzinnigheid van de jonge menschen, integendeel, ze kon niet begrijpen waarom de jonge menschen zoo zwaar op de hand geworden waren en zich ’t leven zoo zuur maakten.
Ze dacht ’t meest aan haar eigen kring; van anderen wist ze niet veel.
Peter was haar oogappel. Als hij getrouwd was zou hij zonder vlek of rimpel geweest zijn; maar iets jongs en frisch was er nooit aan hem geweest! dat moest ze toegeven.
En dan Maarten en nog erger—Frederika!
Juffrouw Kruse liet de breikous zinken en langen tijd op den schoot rusten, terwijl ze in gedachten voor zich uit staarde, zonder iets te zien. Dat waren de wonderlijkste jonge menschen, die men zich kon voorstellen. Hadden zij ooit een of ander vermaak? Hoorde men ooit, dat ze ergens blij mee waren? Nooit een schertsend woord!—nooit een frisch jong lachen.
Maarten was dominé,—nu ja. Goeie hemel! Ze had toch heel wat dominés gekend, die even goed waren als hij en die toch niet bang waren voor wat scherts en vroolijkheid. En dan Frederika! Wie zou kunnen gelooven dat ze een jonggetrouwde vrouw van 24 à 25 jaar was. Juffrouw Kruse dacht aan haar eigen jeugd, hoe ze toen pleizier hadden, hoe ze lachten—lachten en werkten! want dat deden ze ook. En hun vermaken waren niet duur; zij zouden niemand ruïneeren. ’t Grootste genoegen was—dat ze jong waren. En dat hadden ze gratis. Verder was alles eenvoudig. Ze wisten ook wat sparen was;—hier nam juffrouw Kruse vlijtig de kous weer ter hand om de gedachten, die nu opkwamen, weg te breien.
Toen de welstand in huis steeds toenam en bijna rijkdom werd, had juffrouw Kruse op een Zondag in de kerk de proost Sparre hooren preeken over de tekst: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult ge in uw gordelen hebben.”
Sinds dien tijd was Juffrouw Kruse op haar post in haar eigen hart, en ze paste ook op haar man, zoo goed zij kon. Maar hij had nu zijn veiligen schuilhoek in den donkeren ouden winkel, waar hij zijn vermogen verdiende bij stuivers door krap te meten en te wegen en daar bleef het ongeveer gaan als vroeger. De voornaamste verbetering met Jörgen kwam wel hierop neer, dat hij—als het jaar eens heel goed geweest was,—’t met de kerstgeschenken en ’t offer voor den predikant wat ruimer nam.
Maar wat haar zelf betreft overwon zijn vrouw de verzoeking tot gierigheid, die anders voor de hand lag, voor haar, die zelf zoo meê gezwoegd had om alles bij elkaar te houden. En toen Juffrouw Kruse tijd en geld over kreeg om allerlei nood om zich heen te lenigen, deed ze ook uit haar huis en haar huishouden al ’t pijnlijke weg, wat uit den tijd van armoede overgebleven was; en Jörgen, die altijd dik geweest was, hij kreeg nog meer omvang in nieuwe kleeren en schoone boordjes, en hij glom door goed voedsel en goede verpleging.
Hij durfde niet te knorren over de uitgaven; hij had er eigenlijk ook geen lust in, want hij voelde zich behagelijk. En behalve dat—hij had ook van oudsher zulk een vertrouwen in Amalia Catherine, dat—al had zij de huisdeur verguld—hij alleen gezegd zou hebben: „Ja Moeder,—daar zul je wel een bedoeling meê hebben.”
Ze vergulde de huisdeur niet, maar ze versierde en knapte op, bij kleine beetjes te gelijk, ieder jaar wat, tot de kale, saaie kamers leven kregen door gordijnen en muurbloemen, tapijten en gemakkelijke stoelen, terwijl de stijve, ouderwetsche houten stoelen naar de eetkamer of naar boven verhuisden.
’t Eetservies veranderde ook. Ze waren begonnen met een stuk rookvleesch, dat op de tafel lag en waar ze om beurten een stuk van sneden, dat ze in de hand hielden en waar ze van beten.
Nu was Juffrouw Kruse zoover in haar ontwikkeling gekomen, dat ze eergierig werd wat damast tafelgoed betrof. Haar tafelkleeden en servetten blonken tegen de zilveren vorken en de glimmend gepoetste messen op; ’t huis was zooals ’t behoorde, een eenvoudig, solide, welgesteld huis.
Waarom moest ze nu op haar ouden dag daarmeê ophouden, en teruggaan naar de pijnlijkheid van de armoedige dagen? Zou het wezenlijk de bedoeling van Onzen lieven Heer zijn, dat elk dubbeltje ontelbare malen heen en weer gedraaid moest worden—dat men altijd op zijn dood moest zijn, dat ook niet de kleinste kleinigheid verspild wordt?
„Och! geen sprake van. Dat is nooit Zijn bedoeling,” zei Juffrouw Kruse halfluid en trok stevig aan de kous, zoodat die een eindelooze lange dunne worst scheen. En dat verlangden ze toch van haar,—niet ronduit, maar door honderd kleine toespelingen—allebei, Maarten en Frederika. In ’t begin gaf ze er niet veel om; maar langzamerhand kon ze niet laten een steekje onder water te voelen in bijna elk woord, wat de jongelui spraken. Ze antwoordde niets; en lang meende zij, dat niemand anders het merkte, tot Peter op een dag plotseling zei:
„Zeg, Moeder!—ik heb drie kamertjes boven Mevrouw Gottwald gehuurd.”
„Maar mijn God! Peter! Waarom wil je uit huis gaan?”
„Vindt u niet, dat ik daar oud genoeg voor ben, Moeder?”
„Praatjes, Peter! meen je, dat ik niet aan je zien kan, dat je er een andere reden voor hebt!”
„Ja, dat heb ik ook. En als u weten wilt, welke dat is—dan is ’t omdat ik Maartens hatelijkheden niet langer verdragen kan.”
„Pas toch op je woorden, Peter! Heb je ’t ook gemerkt?”
Juffrouw Kruse keek onwillekeurig de kamer rond: „maar daar moet je je niet aan storen. Hij meent er niets kwaads meê.”
„Zoo?—Is u daar zoo zeker van? Hij heeft nu elken Zondag over de huishuur gesproken: hoe hoog die is en hoe goed zij ’t hebben, die ze niet hoeven te betalen; en dan valt zij meê in—zijn spaarpot!...”
„Stil, stil Peter! je kunt zoo raar praten. Frederika is een flinke vrouw. En stoor jij je maar niet aan Maarten; hij is wat wonderlijk, en je weet, dat je me een groot verdriet zou doen door heen te gaan.”
„Ja, dat wist ik wel, Moeder, en daarom heb ik ’t zoo lang mogelijk verdragen; maar verleden Zondag, toen u uit was, vroeg hij mij hoeveel ik dacht, dat u in huur zoudt kunnen krijgen voor mijn kamers, als ik verhuisde.”
Juffrouw Kruse werd rood: „En dat zei Maarten tegen jou—Peter?”
„Ja, meent u, dat Mijnheer de kapelaan zich daarvoor geneert?”
„Hij is dominé—zie je,” mompelde de moeder aarzelend; en die gedachte verzachtte haar telkens.
Ze kon niets meer aan de zaak doen en Peter verhuisde.
Maar toen begon zij zijn nieuw tehuis in orde te maken; al zijn oude meubels en wat hij verder noodig had, liet zij naar het huis van Mevrouw Gottwald brengen; en ’t was haar een genot te zien hoe gezellig hij ’t kreeg.
Toen Mevrouw Frederika de volgende keer met haar man bij haar schoonouders kwam, om daar te eten, zei ze met haar eigenaardig zuur glimlachje:
„Zoo, hier is boedelscheiding geweest—hoor ik.”
Juffrouw Kruse schrikte op; maar ze antwoordde kalm: „Wat meen je daarmeê, Frederika.”
„Och, ’t was maar, omdat ik zoo’n verhuisboel van hier zag wegrijden,—eergisteren.”
„Maar kind, dat waren immers Peters meubelen, dat kon je toch wel weten.”
„O, zoo! ik wist niet, dat Peter ’t heele ameublement krijgen zou. Wist jij dat, Maarten?”
„Neen maar Frederika, hoe kun je nu zoo praten,” riep Juffrouw Kruse en probeerde te lachen. „’t Waren natuurlijk enkel de meubels, die hij altijd boven in zijn kamers heeft gehad.”
„Neen, pardon Moeder, dat was ’t niet.”
„Maar ik verzeker je, Frederika.”
„Ja, Moeder hoeft mij geen rekenschap van haar doen en laten te geven; maar dat donkere mahoniehouten speeltafeltje—dat heeft ten minste in de voorkamer gestaan, in elk geval, zoolang ik hier in huis kom.”
„Ja, dat speeltafeltje!—daar heb je gelijk in,” antwoordde Juffrouw Kruse heel verlegen; „er waren misschien ook nog een paar andere kleinigheden bij; maar dat kwam omdat hij nu drie kamers kreeg en zoo was het er wat leeg, en toen...”
„Ja, lieve Hemel!—het gaat mij natuurlijk niet aan, wat u weggeven wilt; maar dan moet u niet beweren, dat Peter alleen zijn oude ameublement meê kreeg: eerlijk is eerlijk, dàt wil ik maar zeggen.”
Juffrouw Kruse drukte de lippen op elkaar. Ze wilde niets zeggen. En toch wist zij—en de anderen wisten ’t ook—dat de jonggetrouwden een flinke som van Jörgen gekregen hadden voor een ameublement, terwijl de oude rommel, die Peter meegekregen had, daar geen vierde part van waard was.
Dat alles wist Juffrouw Kruse, en ze wist ook, dat, als ze nu zweeg, Frederika een volgende keer nog vrijmoediger op zou treden, en toch zei ze geen woord.
Waarom?—ze wilde geen ongenoegen maken; en ook was ze een beetje bang voor die twee menschen die ’t zóó samen eens waren. En dan ook—hij was dominé.
Maar ze wist zelf niet, dat de ware reden, waarom ze allen strijd vermeed, deze was: dat ze te fijn voelde om tot hen af te dalen. En dat merkten ze en maakten er gebruik van.
Maarten was trouwens zoo onhandig, dat hij niet zooveel kleine behendige steekjes kon geven als Frederika; maar hij steunde haar door daar zoo welgedaan en instemmend naast haar te zitten. Het eenige wat hij uit zich zelf bedenken kon, was te doen, alsof zijn moeder hem altijd bij Peter achter stelde. Maar als er iets was wat Juffrouw Kruse’s hart raakte, dan was het juist dit. Tusschen kinderen verschil te maken, was al meê het leelijkste wat ze zich voorstellen kon. En ’t allerergste was, dat haar geweten juist op dit punt haar niet heelemaal met rust liet.
Hij—Peter—was immers in den boozen tijd geboren en veel had ze nagedacht, terwijl ze hem onder ’t hart droeg—ongehuwd en onzeker hoe dit alles zou gaan.
’t Zou dus geen wonder zijn, als dit kleine zwakke kindje, dat bij haar geweest was in schande en zwaren arbeid, haar hart zóó vervuld had, dat er misschien niet precies evenveel plaats was overgebleven voor den kleinen dikzak, die zoo lang daarna kwam.
Maar ’t was niet waar—heelemaal niet waar, als iemand zou willen zeggen, dat ze Maarten niet even lief had, als ’t er op aan kwam; en nog minder waar was het, als iemand zou beweren, dat ze in woorden of daden Peter voortrok ten koste van zijn broer.
’t Ging integendeel zoo toe: uit vrees voor te dwalen door een geheime neiging overlaadde ze Maarten met weldaden, breide ze en spon, bakte en maakte zij in voor zijn huis, terwijl ze heel angstig werd als ze in alle stilte Peter een paar kousen toestopte. Maar of ’t nu kousen waren of een of ander kleinigheid in huis—een voetenbankje, een spiegeltje of zooiets, dat ze Peter gegeven had voor zijn nieuwe woning—ze kon er zeker van zijn, dat, zoodra Frederika den volgenden keer de deur binnenkwam, haar oog juist op die leege plaats viel, al was die ook nog zoo klein, en dan kwam dat zure glimlachje of een of ander vlijmscherpe opmerking, die door de teerste vezels van ’t oude hart van Juffrouw Kruse ging.
Langzamerhand kwam het zoover, dat Juffrouw Kruse werkelijk dagelijks een beetje strijd voeren moest om haar huis in de eenvoudige welvarendheid te houden, die zij in de latere jaren had ingevoerd. Zelfs de oude Jörgen merkte het en werd zoo moedig, dat hij wat bromde over den wijn iederen Zondag. Maar zie, dat werd Amalia Catherine toch te kras, en hij werd zóó grondig onder handen genomen, dat hij daar niet meer meê aankwam. Maar met Frederika was het erger.
Op een zondag zei de jonge dominésvrouw:
„Ik geloof zeker, dat Moeder een halve koe zondags in die soep kookt.”
„Ja, maar die is dan ook zoo sterk, dat ik ze de heele week in mijn rug kan voelen; mag ik nog een schepje, Moeder.”
Dat was Peter, die zijn moeder placht te hulp te komen, als er een bui op komst was. Maar Frederika liet zich niet van de wijs brengen; ze wierp een snellen blik op haar man, die daar naast haar zat, bleek, vet en slap, maar heel waardig.
’t Was over ’t algemeen een merkwaardige ongelijkheid in het uiterlijk tusschen die twee, innerlijk zoo geheel overeenstemmende echtgenooten; want terwijl Maarten steeds dikker werd, was Frederika heel mager geworden na haar bruiloft. Het jeugdige in haar gezicht dat de eenigszins scherpe trekken afrondde, had zij verloren; en er was iets vogelachtigs in de ronde oogen en de neus, die dor en spits geworden was.
Nadat ze kracht geput had uit een blik op Maarten, ging ze op dien vriendelijken, neerbuigenden toon voort, die Peter razend maken kon:
„Och ja,—als men meent, dat het er af kan en niet denkt aan al die vele monden, die verzadigd hadden kunnen worden met het vleesch, dat hier opgekookt is, om ons een onnatuurlijke—ja, ik noem dit „een onnatuurlijke sterke” soep te geven—niet waar? Maarten.—Ik vind het bepaald verkeerd, zoo’n overdaad.”
Er kriebelde en prikte iets in Juffrouw Kruse’s hart; zij wist door wat ze in de keuken hoorde heel goed wat de armen gewoonlijk bij de jonge dominésvrouw kregen; maar ze kon er niet toe komen te spreken over haar eigen weldadigheid en over wat ze met dat gekookte vleesch deed; daarom zei ze vriendelijk, maar met een ietwat bevende stem:
„Hoe maak jij dan vleeschsoep, lieve Frederika? Laat mij dat eens van je leeren.”
Frederika werd wat verlegen.
„Ja, dat kunnen we niet zoo heel dikwijls doen; maar verleden week of misschien de week daarvoor—toen kreeg je vleeschsoep, niet waar Maarten? Weet je ’t nog? je vondt ze lekker.”
„Die was misschien nog wel zoo lekker als die van Moeder,” antwoordde Maarten plechtig.
„Wel, dat doet me pleizier,” antwoordde Juffrouw Kruse en zette haar muts recht; „en wat had je dan in die soep gedaan, kind?”
„Ja, er was goed kalfsvleesch in en dan een volle lepel Liebig en dan wat gebruind meel.”
Maar toen was Juffrouw Kruse’s geduld uitgeput. Als er iets was wat zij als solide ouderwetsche kookster haatte en verachtte, dan waren ’t zulke poespas-gerechten, en alleen al ’t woord Liebig kon haar tot een uitbarsting brengen.
Zij wendde zich geheel naar haar schoondochter en zei zóó levendig en met zooveel nadruk, dat haar mutsenbanden er van trilden:
„Ja, wil ik je eens wat zeggen—Frederika!—dan dank ik den hemel, dat ik zulke knoeierij niet hoef te eten.”
Peter barstte in hartelijk lachen uit. De oude Jörgen, die altijd eerst een poos daarna begreep wat er gaande was, keek van den een naar den ander, maar Frederika zat een oogenblik als verstomd. Ze kon van boosheid geen woord uitbrengen. Maarten—die stoffel—kwam haar ook niet te hulp, en plotseling barstte ze in luid huilen uit en vloog de eetkamer uit.
Maarten was bleek geworden; hij zei streng en verwijtend:
„Hoe kunt u ’t hart hebben, die arme Frederika zoo te mishandelen, Moeder.”
Ja zeker, dat was verkeerd, heelemaal verkeerd; maar het was haar zoo uit den mond gevallen, zei de moeder; ze had alweer vergeten, hoe het gekomen was en had enkel een gevoel, dat ze onaardig tegen haar schoondochter geweest was. En ’t eind was, dat ze de kamer uit moest gaan om Frederika op te zoeken, die ze snikkend op de sofa in de huiskamer vond. En daar moest de oude vrouw haar met veel verontschuldigingen verzachten om haar weer aan tafel terug te brengen. Maar die gebeurtenis werd voor Mevrouw Frederika een onuitputtelijke wapenkamer, van waar ze menig scherpe dolk haalde om haar schoonmoeder meê te kwetsen. En de oude vrouw had zoo oprecht berouw, dat ze dit aannam als een rechtvaardige straf.
Intusschen was het gevolg van dit alles, dat de oude Juffrouw Kruse zich angstig en onzeker voelde in haar eigen huis; ’t kwam al spoedig zoover dat ook bij de kleinste kleinigheid, die ze deed, in zich zelf dacht: „Wat zullen Maarten en Frederika daarvan zeggen?”—En uren lang zat zij te peinzen bij haar breikous.
Maar altijd richtte zij zich met een ruk op en zette de breipennen aan ’t werk als die groote vraag bij haar opkwam: hoe zou ’t toch met Maarten zijn—hij, die een dienaar des Heeren zijn moest, en die toch klaarblijkelijk—dat kon ze niet langer voor zich zelf verbergen—die toch klaarblijkelijk verslaafd was—of in elk geval groot gevaar liep verslaafd te worden aan de zonde van de gierigheid? Hoe kon dat samengaan? Moest ze de gedachte plaats in haar ziel geven, dat haar kind een verharde huichelaar was?—neen—neen, dat kon zoo niet zijn; hij moest door de list des duivels verblind zijn voor ’t gevaar, dat hem dreigde. Als hij maar niet zoo stijf geweest was—zoo geharnast in zijn priesterwaardigheid, dan zou ze hem wel geholpen hebben; zij had immers die preek van proost Sparre in haar hart gegrift. Maar hij was als een groot hoog pantserschip en zij als een oud vrouwtje in een roeiboot,—zij kon niet naast hem gaan liggen en hem toeroepen, dat er klippen voor den boeg lagen.
Als men een oude vrouw ziet—gerimpeld en met keurig linnen aan, in een leunstoel met een breikous,—de kamer gezellig, met muurbloemen en schuine zonnestralen over ’t tapijt, dan heeft zij het goed, het oudje.
En als ze dan toch de mutsenbanden schudt en zegt: „Ja, ja! de jeugd kan wel blij en luchthartig zijn; wij ouden moeten den last van ’t leven dragen,”—dan zou al licht de oneerbiedige jeugd denken: „De oude ziel! waar heeft zij zich over te beklagen? Ze zit daar in een rustig hoekje, en heeft afgedaan met den strijd en de teleurstellingen van ’t leven; ze breit onbekommerd voort, verdiept in haar herinneringen, tot de zon ondergaat.”
En toch!—er gaat zooveel om in zoo’n oud hoofd en ’t zou kunnen zijn, dat ze een zwaren last van de bitterheid des levens draagt, zooals ze daar zit, te midden van muurbloemen en zonneschijn, gerimpeld en met keurig linnen aan—een oude vrouw, die zit te peinzen bij haar breikous.