Note 1 — IX.
Margaretha Meijboom translation
’t Was midden in den zomer en nog ver van den dag, dat de gemeenteleden hun offer1 moesten betalen, zoodat de proost den rijkdom en de rijken ernstig onder handen nam; en alsof hij opeens met deze zaak voor ’t heele jaar wou afrekenen, nam hij in zijn preek alles samen, wat er over rijkdom geschreven staat; de beide mantels en de rijke jongeling, de rijke man en Lazarus, de kameel en ’t naaldeoog—’t kwam alles in die preek voor. Zij, die de proost kenden en met hem omgingen wisten wel, dat die preek meer als troost voor de armen, dan als bestraffing voor de rijken dienen moest; maar de eerlijke ziel van Juffrouw Kruse kon die woorden maar niet vergeten. Zij sprak er met haar man over, toen zij uit de kerk kwamen; maar Jörgen had juist niet aan zich zelf gedacht, omdat hij heelemaal nog niet vond, dat hij zoo rijk was. Maar nu legde zij hem uit, dat zij al lang geleden rijk genoeg waren om aan de verzoekingen van den rijkdom te zijn blootgesteld; en daar Jörgen altijd te kort schoot in het debat, moest hij vrede hebben met wat meer uitgaven en wat minder schraperigheid.