← Table of contents
Fortuna

XI.

Margaretha Meijboom translation

De baker had gelijk, toen ze de eerste dagen na de geboorte van kleine Carsten steeds herhaalde, dat Mevrouw te jong was om dadelijk het heele geluk te voelen van een kind te hebben;—dat zou wel komen.

Want toen Clara er zich van overtuigd had, dat haar schoonheid niets geleden had, omringde ze den kleine met een liefde zoo begeerig en jaloersch, dat ze zich bijna op voet van oorlog voelde met allen, die haar omgaven en zich een beetje eigendomsrecht op het kind wilden toeëigenen.

Ze knorde op verpleegsters en kindermeisjes, omdat ze er geen verstand van hadden hoe ’t kind behandeld moest worden. Zoolang de kleine gezond was kwam het door dat Clara hem behandelde volgens een boek of volgens lange brieven van haar moeder. Maar kwam er wat maagpijn of zooiets, dan was ’t altijd doordat de verpleegster of ’t dienstmeisje—of iemand anders—iets doms of verkeerds gedaan had.

Dat kind was een stuk van haar eigen schoonheid, van haar eigen volkomenheid; daarom moest het zijn—en opgroeien als—een manlijk evenbeeld van haar; het moest zich eenmaal vertoonen in de stad en aan de familie en vrienden, aan de versmaadde balcavaliers, ja voor de heele hoofdstad tot op het Koninklijk Paleis toe, als het meesterstuk van Clara Meinhardt.

„’t Schijnt, dat je kleine Carsten als jouw uitsluitend eigendom beschouwt,” zei Abraham goedig, als ze hem niet wilde toestaan bij het kind te komen.

„Ja, dat doe ik;—dat spreekt!”

„Maar ik dan!” riep Abraham lachend, „je behandelt me heelemaal als oud kruit.”

„Wat is dat nu voor onzin?”

„Der Mohr hat seine schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen.”

„Ja, dat kan hij ook,” antwoordde Clara zonder een spoor van een glimlach.

Maar Abraham lachte; hij wilde dit niet in ernst opnemen; hij wilde gelukkig zijn. Hij had een zoon, die van hem was; en hij zou den jongen wel naderen, later! ’t Was zoo natuurlijk, dat de moeder den eersten tijd heelemaal voor hem zorgde.

Alleen met één kon en wilde Clara het kind deelen. De professor had ten allen tijde toegang; en hij werd ontelbare malen de wenteltrap opgeroepen voor een consult of soms ook alleen, omdat Grootvader zien moest hoe lief hij was—kleine Carsten in ’t bad.

En Moeder en Grootvader konden uren bij de wieg zitten te lachen en iederen trek te bewonderen in dat kleine gezicht, waarin ze allerlei glimlachen, familiegelijkenissen en sporen van intelligentie ontdekten, terwijl ’t kind—oprecht gesproken—’t meest op een zieken aap geleek.

De professor was zóó vol van dat kind, dat hij ’t stof van een paar geneeskundige geschriften afborstelde en de kinderziekten weer ging „repeteeren.” ’t Was zijn lust en zijn vreugd, dat kleine wezen, dat zijn naam dragen zou. En als hij in de diepe stilte midden in zijn groot kantoor van verre ’t geluid van ’t schreien van een kind hoorde, dan leunde hij achterover in zijn stoel en glimlachte tegen de geluksgodin, die half zwevend hem haar krans reikte en ook tegen hem glimlachte.

Ook aan haar vriendin, Mevrouw Frederika, vertoonde Clara soms haar kind, want zij had er geen en ’t scheen ook niet, dat ze kinderen krijgen zou; en Clara was er trotsch op dit boven haar voor te hebben.

Want wat zuinig huishouden betreft moest zij erkennen, dat Mevrouw Frederika verre haar meerdere was. Wel behoefde Clara niet zuinig te zijn, en dat was ze ook eigenlijk niet; maar ze had toch van haar moeder de liefhebberij geërfd om zuinig met de boter te zijn en de suiker voor de dienstmeisjes weg te sluiten.

Mevrouw Frederika leerde haar een menigte kunstjes met het vet in ’t eten, met aanmaken met meel, stroop en chicorei en—Liebig niet te vergeten; en Mevrouw Clara maakte er zich een gewetenszaak van haar man en haar dienstboden te onthalen op sommige mystieke zaken, die zij moesten eten.

Op andere oogenblikken,—b.v. bij partijen, deinsde ze niet voor uitgaven terug. Royaal te zijn en veel geld uit te geven, als de menschen het zagen, lag eigenlijk in haar aard—vooral met een verfijnde manier van uitpingelen; op ’t oogenblik, dat ze de kookvrouw vrij liet rondtasten in truffels en oesters, verzuimde ze nooit de pruimen te tellen voor de zoete soep van de dienstboden.

Voor Mevrouw Frederika was een bezoek en vooral een partij in dat huis, waar zooveel omging, werkelijk aangrijpend. Haar valken-oogen rustten op alles wat er verbruikt werd en taxeerden alles wat er werd verspild. En daarna voelde ze zich alsof ze had meêgedaan aan een waanzinnige overdaad, die ze zelf moest herstellen door nog zuiniger op ’t allerzuinigste uit te zuinigen.

Ze benijdde waarlijk haar vriendin niet; ’t moest vreeselijk zijn aan ’t hoofd van zulk een huis te staan. Want Mevrouw Frederika begeerde eigenlijk niet rijk te zijn; veel te bezitten; evenmin had ze een bepaalde vrees voor de ontberingen en de bekrompenheid van de armoede,—ze had in werkelijkheid zoo weinig noodig.

Haar hartstocht was de bewustheid, dat alle penningen, die maar op een of de andere manier tot haar konden komen—ook werkelijk kwamen; dat geen enkele cent van haar wegkwam, die op een of andere manier uitgespaard had kunnen worden. Ze was een goudmijn voor haar man en werd zeer bewonderd.

Neen—als ze Clara Lövdahl iets benijdde, dan zou ’t haar man zijn;—hij was met zoo weinig tevreden,—dàt moest ze bewonderen.

Als ze hoorde met wat voor middageten de rijke, verwende Abraham Lövdahl genoegen nam moest ze wel eens aan haar man denken;—hem kon ze waarlijk niet makkelijk foppen met opgewarmde restjes en dergelijke zaken.

Maar dat kwam ook doordat Maarten niet sterk was,—en behalve dat had hij aan goed, krachtig voedsel behoefte in zijn moeilijke betrekking. En in ’t huis van den kapelaan was ’t daardoor langzamerhand gewoonte geworden, dat de huisvader uit een afzonderlijken schotel at; terwijl de huisvrouw, die trouwens bijna geen voedsel noodig had, iets anders kreeg, dat men eigenlijk niet den naam van een of ander bepaalde spijze geven kon.

—Zoodra Clara Lövdahl zich weer geheel hersteld voelde, wilde zij vergoeding hebben voor den langen, vervelenden en pijnlijken tijd, dien ze had doorgemaakt; ze bracht leven en beweging in ’t oude huis—ja in de geheele stad. Ze gaf den stoot aan een druk converseeren en een feeststemming, die naar alle kanten uitsloeg en ieder meêsleepte en den geheelen winter opvroolijkte door schitterende bals, fakkeloptochten op ’t ijs, champagne en raketten.

’t Was wel Clara Lövdahl niet alleen, die de bedaarde stad op stelten bracht; maar zij sloeg op het rechte oogenblik den rechten toon aan; en ze vond weerklank in de blijdschap en ’t gejubel van alle kanten. Niet alleen bij de grooten, zooals de Lövdahls, de Withs, de Garmans—maar ook onder de kleine burgerij was men uitgelaten in dezen winter. Er was niet één bekommerd gezicht te zien—behalve dat van den bankdirecteur Christensen; en dat verhoogde de vroolijkheid.

Er gaat soms zulk een geest van uitgelatenheid door kleine afgelegen groepen menschen, als ze lang geslapen hebben. Een prins of een landbouwtentoonstelling brengt de machine aan den gang en dan gaat het door, slag op slag met feesten en partijen.

Zij, die geld over hebben, halen ’t voor den dag en zij, die ’t niet hebben kunnen ’t met alle genoegen te leen krijgen; en er ontstaat een royaliteit en een overdaad, zóó dat de verraste kooplieden champagne en zware zijden stoffen uit Hamburg laten komen.

Maar die champagne wordt nooit betaald en als een vreemde klant vele jaren later verbaasd wordt door ’t vinden van een prachtige zijden stof in een stoffigen, halfleegen winkel, dan antwoordde de koopman: „Ja, ziet u, dat goed is nog uit den prinsentijd,” en hij schudt weemoedig zijn gefailleerd hoofd.

Deze keer was het dus Mevrouw Clara, die de vroolijkheid aan den gang bracht; maar ze had ook goede hulp. Allereerst in den professor, die dat juist „la haute finance” vond: bals, concerten en maskeraden ’s avonds en groote omzet, massa’s brieven en expedities ’s morgens op het kantoor.

Hij deed meê met alle vermaken en was het zelf, die Clara aanmoedigde en haar hielp met iets nieuws, pikants te bedenken.

Consul With was ook een zeer te waardeeren medewerker; zijn specialiteit was maskeraden. Hij had een garderobe, groot genoeg voor een heel tooneel en was onvermoeid bezig en altijd bereid om er van uit te leenen, als hij maar een maskerade in orde kon brengen of ook maar een eenvoudig pretje, waar verkleeden bij te pas kwam.

Booze tongen beweerden, dat die liefhebberij van den consul hieruit ontstond, dat hij alleen onder zijn meesterlijke verkleedingen zich des avonds wat kon vermaken; daar zijn vrouw—„de strijkplank” genaamd—hem scherp in ’t oog hield. En dat was noodig; want de naam van Consul With was bijna nog erger dan die van Marcussen.

Ook Marcussen bracht Clara aan den gang; het amuseerde haar hem in een voortdurende verwarring te houden. In ’t eerst lette hij niet op haar, anders dan in eerbiedige bewondering voor de mooie vrouw van zijn patroon; maar Clara gaf hem spoedig wat anders om over te denken.

Ze kende zijn leven goed en wist, dat hij onder de burgermeisjes in de stad onweerstaanbaar was. Nu zou ’t haar amuseeren dien mooien lompen visch te vangen, om hem te zien spartelen onder haar behandeling van uit de hoogte.

En hij beet dadelijk—maar ze trok te vroeg aan het snoer.

Want hoe weinig fijn Marcussen ook was—een vrouw bedroog hem niet gemakkelijk. En daar hij onmiddellijk merkte waar hij voor gebruikt zou worden, bleef hij haar eerbiedige ridder, zonder ooit de kleine wenken tot toenadering te willen begrijpen.

Clara verbaasde en ergerde zich; die kleinsteedsche ridder—wou hij niet toegeven? Ze zou hem dwingen! Maar daardoor werd haar manier van doen zoo wonderlijk gemaakt, dat Abraham eens, na een partij tot Clara waagde te zeggen:

„Zeg eens, je verwent ons dien Marcussen.”

„Wat meen je?”

„Je neemt te veel notitie van hem. Hij is immers niet anders dan...”

„dan je vaders kantoorbediende?—dat was ’t zeker wat je zeggen wou; ja, jij meent ’t nog al eerlijk met je praatjes over vrijheid en gelijkheid. Als ’t er op aan komt, ben je een belachelijke aristocraat.”

„Ik wou niets van zijn positie zeggen, ik wou zeggen...”

„Ja, dat wou je wèl zeggen, dat kon ik aan je gezicht zien.”

Abraham Lövdahl was nu bijna twee jaar getrouwd; over zulke dingen disputeerde hij niet meer en hij wilde zwijgend zijn courant nemen.

Maar nu wilde Clara juist weten wat hij bedoelde. Zij eischte, dat hij zou verklaren wat hij met zijn insinuaties meende; waarom hij haar allerlei verwijten deed en...

„Nu, nu Clara! antwoord me nu eens: vind je werkelijk, dat Marcussen fatsoenlijk is.”

„Hij is mooi, veel mooier dan jij.”

„Ieder zijn smaak!” antwoordde Abraham vroolijk; hij wist best, dat hij knap was en dat ze dit alleen zei om hem te ergeren, „maar vindt je dat hij beschaafd is.”

„Nu, weet je wat? ik ken veel getrouwde mannen, die van den heer Marcussen hoffelijkheid tegenover dames konden leeren.”

„Denk je, dat die sierlijke kunsten een getrouwd man goed zouden staan?”

„Je zoudt ’t altijd kunnen probeeren. Maar nu wil ik weten, wat je mij tegenover Marcussen te verwijten hebt.”

„Zijn naam...”

„Dien ken ik; de meeste mannen hebben geen al te besten naam; wil jij misschien den eersten steen werpen?”

„Ik wil heelemaal niet over me zelf spreken; maar ’t verwondert me, dat jij, Clara! die werkelijk zoo scherp ziet, als je dat wilt,—dat jij de innerlijke ruwheid niet ziet, die bij Marcussen door alles heen schijnt.”

„Je ben jaloersch,—ja, dat ben je.”

„Och neen, ik ben waarachtig niet jaloersch.”

„Meen je dat ik, die zoo scherp zie, zooals je zegt, de jaloezie niet uit je oogen zie kijken? Dat is wel een mooie trek van je! Herinner je je den tijd wel toen je den lof zong van de gelijke rechten, dezelfde eischen voor man en vrouw, het weerkeerig vertrouwen...”

„Nu, wat zou dat?”

„Wat dat zou?—ja, jij ben een mooie Eman... Emancipist!” riep Mevrouw Clara, „je ben geen haar beter dan al die andere ellendige mannen; terwijl jij van je vrouw verlangt...”

„Wat meen je, Clara? Ik?—”

Toen keerde ze zich naar hem toe en haar mooie blauwe oogen werden koud als glas.

„Greta Steffensen,” zei ze halfluid.

Abraham sprong op bij dien naam en Clara maakte daar dadelijk gebruik van.

„Ja, je ziet, ik weet er alles van; je meent misschien, dat het je mooi staat hier met je afschuwelijke en onredelijke jaloezie aan te komen, terwijl je zelf zooiets op je geweten hebt.”

„Maar ben je nu heelemaal gek, Clara! ’t is immers een arm blind kind.”

—„Ja blind moest ze ook wel wezen—”

„om door mij bekoord te worden?” ging Abraham voort en moest er toch om lachen.

„Dat wou ik heelemaal niet zeggen,” antwoordde Clara en wendde zich af.—Want dat had ze juist willen zeggen, maar ze hield op, omdat ze zelf voelde, dat het al te dwaas was.

Intusschen herwon ze spoedig haar kalmte en terwijl ze hem voorbij ging zei ze—met de stem van haar moeder:

„Hoe dat alles nu zijn mag—ik verzoek van je jaloezie verschoond te blijven; pas jij maar op je eigen zaken, ik zal wel voor de mijnen zorgen. Goeie nacht!”

Na dat gesprek werd Abraham bang, dat praatjes en booze tongen zijn verhouding met Greta konden bederven; en ze was hem onmisbaar geworden. Langzamerhand was zijn liefde van Clara weggegleden; hij had immers al spoedig ingezien, dat het onmogelijk was de dwepende liefde te bewaren, die hij in ’t begin voor haar had gevoeld en wanneer het nog niet ten volle tot hem was doorgedrongen, hoe ver zij in werkelijkheid van elkaar stonden dan was dat meer omdat Abraham in zijn karakter een bepaalden tegenzin had om diep in een toestand door te dringen, waar hij op den bodem iets droevigs of verontrustends vermoeden kon.

Maar de behoefte aan toewijdende liefde, die bij Clara geen beantwoording vond, keerde zich naar Greta,—natuurlijk en zonder dat hij aan iets verkeerds dacht. Nu wist Abraham heel goed, dat hij Greta liefhad en dat hij gelukkig was met haar onschuldig vertrouwen; alle wenschen, die verder gingen dan dit hield hij van zich af; hij had zich zelf beloofd, dat hij in deze zaak ten minste volkomen eerlijk en rechtschapen wilde zijn.

En voor hem, die telkens in de kleine dingen van ’t leven uitweek, waar hij recht door zee had moeten gaan;—zweeg, waar hij had moeten spreken—werd deze verhouding met Greta een toevluchtsoord voor een behoefte in zijn karakter, die van zijn jeugd af onderdrukt geworden was: hij voelde zich als haar ridder; zij was volkomen in zijn macht; maar hij zou die nooit misbruiken. En toch was ook hier een schaduw. Als Abraham over zijn leven dacht, kwam het hem voor alsof ’t zijn onverbiddelijk noodlot was, dat juist hij, die in werkelijkheid zoo graag alles helder en zuiver om zich heen zou hebben,—dat juist hij telkens in kleine onwaarheden moest raken, lastige kleine dingen, die hij in ’t begin de moeite niet nam om ze weg te ruimen, maar er over heen stapte, en die dan later achter zijn rug opgroeiden tot groote lastige dingen met lange schaduwen.

Waarom moest het nu weer zoo gaan, dat hij er toe kwam Greta voor te liegen!

Want het bleef niet bij dien éénen keer. Toen hij zag hoe gelukkig het haar maakte, werkte hij zijn heele leven om naar wat grooter maatstaf en vertelde van zijn kindsheid en jeugd, van dag tot dag. De draad was echt en waar, maar ’t waren juist de versierselen, waar Greta ’t meeste prijs op stelde.

Hij vertelde—en schaamde zich, en vertelde weer, tot de schaamte uitsleet; en die lange uren als hij zoo voor haar zat uit te werken wat hij gedaan had en vooral, wat hij zou doen in dit of dat geval—ze werden hem liever dan al ’t andere. Niet alleen, dat hij ’t geluk genoot bij haar te zijn; maar de fantastische verhalen zelf begonnen iets ontspannends voor hem te krijgen. Zij kwamen te gemoet aan het leege, slappe van zijn leven.

Zoo werd hij een meester in dat soort van verdichting en zij werd nooit moede te vragen en te bewonderen.

—Maar in zijn huis moest Abraham zich inspannen om zich niet als een vreemde te voelen. Door de vriendschappelijke verhouding tusschen Clara en den professor werd hij wat overcompleet. Naar verschillende vermaken ging hij meestal meê, maar wat hij niet verdragen kon—waar hij rondweg ’t huis voor ontweek—was een eigenaardig soort vroomheid, die Clara bezig was in te voeren.

Mevrouw Lövdahl had om de conversatie in dit saisoen een buitengewone vaart te geven zich ook met veel weldadige dames vereenigd en een schitterende bazar met dans en tooneelspel op touw gezet.

En na dien tijd kreeg ze smaak voor half godsdienstige bijeenkomsten met een kopje thee en een predikant.

De professor schertste in ’t begin met zijn mooie schoondochter over die plotselinge vroomheid. Maar al spoedig was ’t alsof hij ’t anders ging inzien. Hij stemde zelfs toe den post op zich te nemen van president van de vereeniging voor gevallen vrouwen in de gemeente van Sint Peter, van welken post de consul With om zekere redenen zich gaarne ontheven zag.

Dit:—dat zijn vader meêdeed—kon Abraham ’t allerminst verdragen; want hij wist toch wel zooveel van de opvatting van den godsdienst door den professor, dat hij onmogelijk gelooven kon, dat de oude man van wetenschap nu met een oprecht hart psalmen zat te zingen met de dames en meê ging naar de kerk, ja zelfs naar ’t avondmaal met Clara.

Maar daar kon hij immers met zijn vader niet over spreken. Hij ging hem daarom maar uit den weg.

Overigens was er over den professor een levendigheid, een rustelooze werkzaamheid gekomen, die Abraham soms bijna angstig kon maken. Aan alle partijen nam de oude man deel en vroeg en laat was hij in ’t kantoor.

Op een dag liet hij Abraham een wissel onderteekenen.

Abraham nam lachend de pen.

„Ja, kan ik u een pleizier doen met mijn naam dan met alle genoegen. Iedereen weet wel, dat ik geen cent bezit!”

„’t Is ook alleen maar voor den vorm,” zei de professor snel, en nam het papier aan. „Mijn naam is ’t voornaamste.”

„Ja, uw naam is als de koeien van Farao; die verslindt den mijnen en wordt er geen greintje vetter door.”

„Maar jouw naam Abraham, zal eens even goed worden als de mijne!”

„Ach Vader! Ik word toch nooit zoo’n koopman als u.”

„We zullen zien, mijn jongen,” antwoordde de professor; maar lang nadat Abraham het kantoor had verlaten, zat hij in gedachten verdiept,—in onrustige gedachten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings